aachstetelwoord
achtste
aachttelwoord
acht
aachtervoorzetsel
achter
2. bijwoord
3. bijvoeglijk gebruikt
aachteraafbijwoord
achteraf 1. bijwoord van tijd
aachteraonbijwoord
achteraan
aachterbekaarebijwoord
achter elkaar, meteen
bijwoord
direct, meteen, op stel en sprong, achter elkaar
aachterdeurzelfstandig naamwoord
achterdeur
bijwoord
binnendoor, binnenweggetjes nemen, smokkelen van tabak in de oorlogsjaren
aachterebijwoord
aachterèndzelfstandig naamwoord
achtereind
aachterèùtbijwoord
achteruit
aachterhaandzelfstandig naamwoord
aachterheenebijwoord
achterna, achteraan
aachterhèùszelfstandig naamwoord
Schilderij: Th. Gèricault; 19e eeuw
aachterkaantzelfstandig naamwoord
achterkant, achterzijde
aachterleknaam
achterlijk, ouderwets
aachtermekaarebijwoord
direct, meteen, op stel en sprong, achter elkaar
aachtermiddagzelfstandig naamwoord
namiddag, achtermiddag, het einde van de middag
aachternaomzelfstandig naamwoord
achternaam, familienaam
aachteromzelfstandig naamwoord
achterom, door de achterdeur
aachterooverbijwoord
achterover
aachteropbijwoord
achterop; vaak naast een werkwoord dat beweging uitdrukt en dan bedoeld als van achteren, aan de achterkant
aachterötboerewerkwoord
achteruitboeren, (langzaam) achteruitgaan (in zaken) aachterötboere - boerde(n) aachterèùt - aachterötgeboerd
aachterötlôopewerkwoord
achteruitlopen
aachterstenaam
achterste achterdeur
2. zelfstandig naamwoord achterwerk, billen
aachterstèlzelfstandig naamwoord
achterstel
aachtersteveurebijwoord
achterstevoren
Cees Robben, Prent van de week, 1975 -05-30
aachterstevurrebijwoord
achterstevoren
Cees Robben, Prent van de week, 1975 -05-30
aachterwèèrkzelfstandig naamwoord
het achter zijn, achter lopen met het werk, achterwerk van de mens, 1. achterstand in werkzaamheden
2. achterwerk, kont, achterste
aachtientelwoord
achttien
aachtingzelfstandig naamwoord
achting
aachtkaantegzelfstandig naamwoord
achtkantig; in de zin van onbeholpen, grof, lomp, als zelstandig naamwoord: iemand die die indruk maakt
aachtkaantegezelfstandig naamwoord
achtkantig; in de zin van onbeholpen, grof, lomp, als zelstandig naamwoord: iemand die die indruk maakt
aachtuuremiszelfstandig naamwoord
H. Mis van acht uur 's morgens
aachtuursemiszelfstandig naamwoord
H. Mis van acht uur 's morgens
Aadamnaam
aadelzelfstandig naamwoord
aafbijwoord
af, van 1. af
2. van
3. eraf, vanaf, er vanaf
aaftermiddaagzelfstandig naamwoord
achtermiddag, namiddag
aaftrappewerkwoord
aftrappen, te voet op pad gaan, weg gaan
aaizelfstandig naamwoord
Schilderij van Diego Rodriguez: 'Oude vrouw pocheert eieren' (detail) aaj ei, eieren, verkleinwoord aajke
aaj1. ei
werkwoord
Kan'k un aai hebbe op mijnen botterham? Det he'k liever dan kaas Of tongeworst of jem Och wilde gij vur mijn un kiepeaaj gon kope Want ik ka nut waoter Ut mijn bakkes vuule lope...
Godfried Schalcken - Vrouw die een ei tegen het licht houdt om te zien of het bevrucht dan wel bebroed is. 2. eitje
- Van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1929-04-20 - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan gaon we veugeltjes zuuken en we vinden veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enzovoorts
- Van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 111; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1929-04-27 - Hij heeft er ook een eike bijgeslagen... - Hij heeft er zich ook mee gemoeid; Hij heet er t zijne bijgedaon.
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun op collecte; Nieuwe Tilbugsche Courant 1939-08-12 - 1939-08-26 - Ge waart in et kiepenhok gekropen en ge had er aaikes uit de nist gehaold...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Boere-Profeet; Nieuwe Tilbugsche Courant 1939-07-01 1939-07-29 - Een verstaandige kiep kaokelt pas as 't aaike geleed is!
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1954-04-17 - Bij unne Paose paast n aaike.
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1956-04-28 - Tiest Vermeeren haoj n kiepke... / En die preutse pik-madam/ Leej n aaike... en t woog zuiver.../ Honderd-vijf-en-sistig gram...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1971-05-22 - Ze wordt gevierd as n vuil aaike...; ze wordt goed verzorgd
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1984-06-15 - Lust ons piskouske n koppel aaikes van de tiet-tiet-tiet...
- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - en goej meens, mar ze moes en aajke lusse van en zwart kiepke - heel traag mens
- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - aajke öt de fles - advocaatje
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 157; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1972-06-22 Ze is bang, dat ze haar eitjes verloren legt, werd er gezegd van een suikertantetje, dat maar niet tot een beslissing kon komen hoe zij haar nalatenschap onder de neefjes en nichtjes zou verdelen en voortdurend gekweld door de vrees, dat er wel eens centjes op de verkeerde plaats terecht zouden komen. Ook een loslopende kip legt haar ei wel eens verloren", namelijk op een plaats, waar de boerin in het algemeen niet pleegt te komen om eieren te rapen. Wordt zon ei toevallig later ontdekt dan bestaat de kans, dat het bedorven is doordat het op de verkeerde plaats lag.
- Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1959-03-19 - Ik heb nog een eike met hem te pellen; of: een appeltje met hem te schillen - Ik moet hem nog eens ernstig over iets onder handen nemen; ik wil hem eens flink de waarheid zeggen.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 157, Nieuwsblad van het Zuiden 22-06-1972 - "Ze is bang, dat ze haar eitjes verloren legt", werd er gezegd van een suikertantetje, dat maar niet tot een beslissing kon komen hoe zij haar nalatenschap onder de neefjes en nichtjes zou verdelen en voortdurend gekweld door de vrees, dat er wel eens centjes op de verkeerde plaats terecht zouden komen. Ook een loslopende kip legt haar ei wel eens "verloren", nl. op een plaats, waar de boerin in het algemeen niet pleegt te komen om eieren te rapen. Wordt zo'n ei toevallig later ontdekt dan bestaat de kans, dat het bedorven is doordat het op de verkeerde plaats lag.
- H. Mandos & M. Mandos-Van de Pol; De Brabantse Spreekwoorden, 2003 - Er z'n eike ook bij slaon. Zijn ei er ook bij slaan. Er zich ook mee bemoeien. (Een extra ei bij het beslag doen.) Opgetekend in Tilburg 1986.
- Zegsman A. Knegtel, geciteerd in H. Mandos & M. Mandos-Van de Pol; De Brabantse Spreekwoorden, 2003 - n eitje mee in t korfje leggen, ook een eitje in het korfje leggen - medezeggenschap hebben
Sticker van de Tilburgse carnavalsvereniging 'D'n Scharrelaajkes', 2019. 'Scharrelaajke' is onzijdig en zou eigenlijk in het meervoud het lidwoord 'de' moeten hebben, niet 'd'n'. Uitdrukking - Èrges aajkes onder lègge overdreven ter wille zijn, verwennen
3. eieren
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1954-04-17 - Komdom daaier zuute kiendjes..?
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1967-03-24 - Hardlèèvig (...) van al die harde aaier... - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1959-03-28 (Ge) komt bij men meej oew aaier nao de Paose..! [Je komt met je eieren na Pasen, dus: je komt te laat.]
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, eerste serie aflevering 7, Nieuwe Tilbugsche Courant 1950-03-18 - Wie zich hoort toevoegen, dat hij inzit over ongeleed aaier (eieren), kan er van overtuigd zijn, dat men van oordeel is, dat hij zich bezorgd maakt over zaken, die daartoe geen aanleiding geven. Bang zijn zich aan koud water te branden, zoals het beschaafd Nederlands kent, vertoont hiermede dus veel overeenkomst.
- Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek, aflevering 172; Nieuwsblad van het Zuiden 12-07-1973 - Een bepaalde manipulatie wilde niet vlotten. Het ging allemaal even moeilijk. Dit ontlokte een Tilburger de opmerking: "'t Zijn geen aaier (eieren) al rollen ze". Uit dezelfde mond noteerden wij: "'t Is geen spek al buigt het". De uitdrukking werd gebezigd toen twee jongens voor plezier aan het worstelen waren. Het lijkt ons, dat ze ook in meer algemene zin gebruikt kan worden, waarin de betekenis dan overeen moet komen met die van de rollende eieren.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 120, Nieuwsblad van het Zuiden 1971-02-20 Twaalf eieren en dertien kuikens! Dat betekent: een buitenkansje of een meevaller. Wie zal dat betwisten!
- H. Mandos & M. Mandos-Van de Pol; De Brabantse Spreekwoorden, 2003 - et van eier maken - het bont maken (opgetekend in Tilburg 1987). - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 11; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1938-12-10 - ...as ge aaier in oew zakken hebt, dan springen er over 'n uur allemaol jonge kiepkes uit.
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun als opvoeder; Nieuwe Tilbugsche Courant 1940-03-02 - 1940-04-06 - Mar, wè doede gij, slurpte gij de aaier uit, menneke?
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Naa is t wel beroerd demme (in de oorlog) nie zoveul aaikes kunne ete as me willen...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 04 03 - Mee Paose eet ik harde aaier / Dès lekker, daor geniet ik van / Behalve 'n paor daoge laoter / Ak' nie mir naor de plee toe kan.
- Theo de Wijs, correspondentie met Cees Robben, 1973-04-09 Zèn deez aaier vers? Vers? Ze hadden eigenlijk merrege pas geleej motten worren!
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Naa waren onze kiepe van de leg en ons moeder mar gillen: Naa hebben we gin aaier meej Paosen.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - De aajer waare wir zô goeiekôop degger gin kiepe vur kost haawe.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Zôo hen we un paosaaieractie gehaawe, meej wel virtig man zèn wij in Tilburg langs de deur gegaon om sèùkergoedaaier òn de man te brenge.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - komdom daajer? - kom je om de eieren?
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aajer òf jong - kiezen of delen
- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - wèl aajer eete, ók al hèdde gin kiepe; een buitenechtelijke of losse relatie onderhouden met een vrouw
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer, 2009; Den haon sprikt - Gullie wit wèl, biste mèède/ Dèt al gaaw wir Paose wort./ Ik hèb verlèt nòr grôote aaier./ Klèntjes koom ik nie te kort.
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer, 2009; Nie sjouwe - Den dòkter kwaam er òn te paas./ Die zeej: Dè duurt wèl weeke./ Ik ha 'n flinke kaaw gevat,/ dè hattie zôo bekeeke./ Ik moes èlken dag drie aajer eete/ meej enne scheut kejak./ En nao n week toen hak n bakkes/ as enen èèrpelzak./ Ik kan dörrom... sins dieje tèèd/ de aajer nie mir zien./ Meej de kejak, ist aanders meej.../ Die lus ik er wèl tien.
- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Vruuger noemde ze t mansvòlk ok wèl vèèrrekes. Naa, as dieje vènt nòr de durskes van plezier ging, ge wit wèl wèk wil zègge, dan zinne ze dèttie gin kiep hield mar wèl aajer ging eete.
- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - meej oew aajer nò Paose koome - te laat met een attentie aankomen
- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - aajer òf jong .
- Dialectenquête Kernkamp, 1879 - Ze droagt aaier in t mèndje; ze is zwanger
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - Ge kunt hier aajer krèègen óp de mèrt; meej den doojer van en aaj...
Schilderij van Henri-Horace Delaporte Gerard Dou (detail) - eieren in een mandje Willem-Joseph Laquy (ca. 1765) - eieren in een mandje
aajer maokeuitdrukking; slechte stoot bij biljarten
aajerbluumkezelfstandig naamwoord
Thomé - primula veris
► 'mertuntje'
► 'mertuntje' genoemd
aajerdöpkezelfstandig naamwoord
eierdopje
aajerkoekzelfstandig naamwoord
Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 eierkoek; der zèn ok gèèl aajerkoeke
aajerkörfzelfstandig naamwoord
eiermand
zelfstandig naamwoord
Jean Baptiste Siméon Chardin Edouard Dambourgez aajerprèùm pruim tabak zo groot als een ei
aajketietzelfstandig naamwoord
ei (zie aajke); ook aangetroffen voor eigeel
aajne-tswaaje-hoepsekaajTilburgs Duits een-twee-hupsakee
aalsmèèrgesbijwoord
elke morgen; aal = alle
aaltijbijwoord
altijd
- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - tis aaltij wè - er valt altijd wel iets op te merken
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Want liefde wordt onder innen schoonen boom aatij t irste en t gemakste verklaord.
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Overal wit ze raod op, alles kent ze, en aatij staosse vur oe klaor, al is t midden in de naacht
- Pierre van Beek onder pseudoniem Kubke Kladder; Column Uit t Klokhuis van Brabant, Nieuwe Tilbugsche Courant 1929-1930 - Op de irste plots doe'k dè zoo omdè'k nie goed aanders kan, want ik zè zoo lomp as 't aachterste end van 'n vèrreke, heej me onze vadder vruger aaltij gezeej.
- Piet Heerkens svd; Dn Örgel, 1938 - Want Jan Viool ha aaltij lol/ en streek mar tierelierelier/ z'n wange stonden peers en bol/ van bier en van plezier!
- Piet van Beers; Woone in n rijkeshèùs, 2004 - Woone in n rijkeshèùs/ Is nie aaltij ´n genoege/ Munne linksen buurman barbekjoet/ de rèchtse is de muur ôn ´t voege.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ik vond wel aaltij dè de fraters gezelliger waren in lesgeven, dan misters.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Bij et voetballen zakten die pèèpe van die broek aaltij op oew schoen.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ons moeder droeg aaltij un héél lang klééd tot op der voeten, in bed, as nachtjapon.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Lomperik dè ge zèèt, wè moet de buurt wel nie denken, gij aaltij meej oew gevloek en getier.
- Henriëtte Vunderink; k Zal van oe blèèven haawe, 2007 -
Ik hèb toch iets meej Tilbörg èn dè is gin schaand. Ik kan er zélf soms ok wèl oover maawe. Toch zal ik aaltij van der blèèven haawe. Et is vur mèn: de schonste stad vant laand.
Ik hèb wèl es heure zègge, dè van unne koejenbist, de stront tòch wèl 't bist is... Dès aaltij zôo gewist.
We hèbbe aaltij wè te maawe mar koome èègeluk niks te kort. Eèn ding moete es goed onthaawe. Dè is: Dè ´t aaltij mèèrege wordt.
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1972-03-10 - Ik ben naa vèèf en dartig jaor bij de Reiniging en ik heb nog aaltij munne irste bissum...
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-10-17 - Wilde n schutje... (koffiemelk...) Gif mar unne scheut... Ik ben nog aaltij goed rôôms...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1985-08-16 - Meense dieter ginne eene hebbe... hebben t aaltij over aander meense geld...
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-02-12 - (vraag van een vriend aan een zieke...) Hoe is ter meej bruur... Nog aaltij deuzig war..
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1979-05-18 - Ze haauwt aaltij dren pôôt stèèf...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1981-12-18 - Den lompsten boer hee aaltij de grôôtste èèrepel...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1979-02-02 - Ik heb aaltij goed gelimmeneerd...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1972-05-19 - De goei gaon aaltij t irst...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1970-03-29 - Kaoije snevel smaokt me toch aaltij nog beter dan goei wèèrk...
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-08-15 - Den spulleman zit bij ons nog aaltij op t dak...; we zijn al op leeftijd, maar nog seksueel actief
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-04-03 - Ze zeej aaltij wesse doe..
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - hij is aaltij teegen et regeur
aametussenwerpsel
amen; het zij zo
aamperbijwoord
amper, nauwelijks
aamperaonbijwoord
amper; sterker dan aamper
aamperkesbijwoord
aander1. en aander - (een) ander, iemand anders; vaak gewoon iemand
2. den aandere - de andere
3. om de anders(t)e, aanderse, aanderst(e ) - om de andere; de ene keer wel, de andere keer niet
4. op en aander - ergens anders, bij iemand anders
5. de aander - de volgende dag, week
aanderewerkwoord
veranderen
aanderhalftelwoord
anderhalf
aandermansnaam
andermans
aandersbijwoord
anders
aangstzelfstandig naamwoord
angst
Aantenaam
Aant (met de e van de tweede naamval)
Aantwèrpsnaam
Antwerps
Aanvulling 30 meiNieuw biermerk gesignaleerd: Quatserd, een quadrupel!
Aanvulling 9 novemberVanmiddag kregen we van gastvrouw Marie-José in Lage Mierde een quukske bij de koffie. Erg lekker. En extra leuk: het woord is ook ingebakken in de koekjes.What you read is what you eat. En als zelfs Jumbo dialect verkoopt in zijn winkels gaat het prima met de waardering van de Brabantse dialecten.
aartussenwerpsel
Schilderij (detail) van Pieter Claesz - 17e eeuw
aarbeeziezelfstandig naamwoord
aardbei
aarbeizelfstandig naamwoord
aardbei soms ook als meervoud i.p.v. aarbeije
aaszelfstandig naamwoord
as, stof
aasezelfstandig naamwoord
as in oude spelling ook geschreven als aasch, aasche, assche
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post 1922-193? - daasche uitkruie [de overblijvende rommel opruimen]
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post 1922-193? - asschewoensdag
- Cees Robben; Prent van de Week, ongedateerd knipsel - öt de aase vant verleeje
- Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven, 26-02-1955 - asse-kröske
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ek val tusse twee stoele(n) èn d'aase - ik kom maar niet verder
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ek hèb aatij de aase vur em ötgekroje - het vuile werk voor hem gedaan
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - K-val tusse tweej stoel èn d-aase - Ik kom maar niet verder; heb geen houvast meer
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - aasse (bij voorkeur in het meervoud) - tusse tweej stoele deur in d'aasse valle...
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - ass(ch)e en ass(ch)en; wordt altijd gebezigd voor asch
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937; met gerekte vocaal bladzijde 106 en kaart 79
- A.P. de Bont; Dialect v. Kempenland, 1958 - asse(n), meervoud aassen - as
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - asch, ase - .... asch is verbrand hout
- WBD - askèùl - ashok; bewaarplaats voor as, vaak gelegen onder de bakoven
- WBD III.3.3:225 - askruisje, assenwoensdag
- WNT - asch; in ouderen vorm assche
- WNT - asch; meervoud asschen - evenals latijn cineres en frans cendres, niet zelden gebezigd, in collectieven zin zonder eene eigenlijk meervoudige betekenis, soms zelfs als een enkelvoud opgevat.
- Statenbijbel II, Petr.2.6 - Ende de steden van Sodoma ende Gomorra tot asschen verbrandende... (meervoud)
aastzelfstandig naamwoord
drijfriem van een machine
aatwerkwoord
at, meervoud aate(n); verleden tijd van eete eete - aat - gegeete
aatijbijwoord
altijd
- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - tis aaltij wè - er valt altijd wel iets op te merken
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Want liefde wordt onder innen schoonen boom aatij t irste en t gemakste verklaord.
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Overal wit ze raod op, alles kent ze, en aatij staosse vur oe klaor, al is t midden in de naacht
- Pierre van Beek onder pseudoniem Kubke Kladder; Column Uit t Klokhuis van Brabant, Nieuwe Tilbugsche Courant 1929-1930 - Op de irste plots doe'k dè zoo omdè'k nie goed aanders kan, want ik zè zoo lomp as 't aachterste end van 'n vèrreke, heej me onze vadder vruger aaltij gezeej.
- Piet Heerkens svd; Dn Örgel, 1938 - Want Jan Viool ha aaltij lol/ en streek mar tierelierelier/ z'n wange stonden peers en bol/ van bier en van plezier!
- Piet van Beers; Woone in n rijkeshèùs, 2004 - Woone in n rijkeshèùs/ Is nie aaltij ´n genoege/ Munne linksen buurman barbekjoet/ de rèchtse is de muur ôn ´t voege.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ik vond wel aaltij dè de fraters gezelliger waren in lesgeven, dan misters.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Bij et voetballen zakten die pèèpe van die broek aaltij op oew schoen.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ons moeder droeg aaltij un héél lang klééd tot op der voeten, in bed, as nachtjapon.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Lomperik dè ge zèèt, wè moet de buurt wel nie denken, gij aaltij meej oew gevloek en getier.
- Henriëtte Vunderink; k Zal van oe blèèven haawe, 2007 -
Ik hèb toch iets meej Tilbörg èn dè is gin schaand. Ik kan er zélf soms ok wèl oover maawe. Toch zal ik aaltij van der blèèven haawe. Et is vur mèn: de schonste stad vant laand.
Ik hèb wèl es heure zègge, dè van unne koejenbist, de stront tòch wèl 't bist is... Dès aaltij zôo gewist.
We hèbbe aaltij wè te maawe mar koome èègeluk niks te kort. Eèn ding moete es goed onthaawe. Dè is: Dè ´t aaltij mèèrege wordt.
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1972-03-10 - Ik ben naa vèèf en dartig jaor bij de Reiniging en ik heb nog aaltij munne irste bissum...
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-10-17 - Wilde n schutje... (koffiemelk...) Gif mar unne scheut... Ik ben nog aaltij goed rôôms...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1985-08-16 - Meense dieter ginne eene hebbe... hebben t aaltij over aander meense geld...
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-02-12 - (vraag van een vriend aan een zieke...) Hoe is ter meej bruur... Nog aaltij deuzig war..
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1979-05-18 - Ze haauwt aaltij dren pôôt stèèf...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1981-12-18 - Den lompsten boer hee aaltij de grôôtste èèrepel...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1979-02-02 - Ik heb aaltij goed gelimmeneerd...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1972-05-19 - De goei gaon aaltij t irst...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1970-03-29 - Kaoije snevel smaokt me toch aaltij nog beter dan goei wèèrk...
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-08-15 - Den spulleman zit bij ons nog aaltij op t dak...; we zijn al op leeftijd, maar nog seksueel actief
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-04-03 - Ze zeej aaltij wesse doe..
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - hij is aaltij teegen et regeur
aaventoebijwoord
af en toe
aawnaam
oud, oude
- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996, pag. 48-49 - et hèùs is oud / aaw; en aaw hèùs; aaw schoene/schoen; aawer hèùze, aawer schoene/schoen.
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-02-09 - Mar Sjarel, wè worde toch romantisch op oewen aawen dag!
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1954-05-15 - We hebben n haoven mee waoter dr in.../ Mee zaand... en veul aauw ijzer...
- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - Zen aaw vlam wier aaw poelie en wier zôo en aaw hòrk...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Hè heej un gezicht van aaw lappe - Hij ziet er slecht uit.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aawe èn jonge jan - allegaartje, rommeltje
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aawesòpper(t) - sukkelaar, tobberd
- Ad van den Boom, Unnen droom, circa 2005 - Dur de straote van aaw Tilburg
- G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol, 2008 - De meense wòrre wèl steeds aawer, mar ze gòn jonger lèèke.
- Dialectenquête Kernkamp, 1879 - n aauw pêrd; nen aauwen boek
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ons aaw hèùs is afgebraand
2 zelfstandig naamwoord 2.1. datgene wat oud is
2.2. de ouderen, in het bijzonder de oudelui, vader en moeder
2.3. ouders, vader of moeder
naam
2.4. oudjaarsavond Oudjaarsavond - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-12-30 - Wij speulen wir van t Aauw in t Nuuw - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-12-30 - Ik heb al minstens duuzend keer/ Van t Aauw in t Nuuw gespuld..! - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1986-01-03 - En we speule mar wir deur... mee de kaort van t Aauw in t Nuuwe... - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1971-01-02 - Ze spulden saom van t Aauw in t Nuu..
2.5. de oude, degene die je vroeger was; vooral met betrekking tot gezondheid
aawbètzelfstandig naamwoord
kletskous, ouwehoer
aawbèttewerkwoord
aawbètte - aawbètte - geaawbèt kletsen, ouwehoeren
aawenaam
oud, oude
- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996, pag. 48-49 - et hèùs is oud / aaw; en aaw hèùs; aaw schoene/schoen; aawer hèùze, aawer schoene/schoen.
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-02-09 - Mar Sjarel, wè worde toch romantisch op oewen aawen dag!
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1954-05-15 - We hebben n haoven mee waoter dr in.../ Mee zaand... en veul aauw ijzer...
- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - Zen aaw vlam wier aaw poelie en wier zôo en aaw hòrk...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Hè heej un gezicht van aaw lappe - Hij ziet er slecht uit.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aawe èn jonge jan - allegaartje, rommeltje
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aawesòpper(t) - sukkelaar, tobberd
- Ad van den Boom, Unnen droom, circa 2005 - Dur de straote van aaw Tilburg
- G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol, 2008 - De meense wòrre wèl steeds aawer, mar ze gòn jonger lèèke.
- Dialectenquête Kernkamp, 1879 - n aauw pêrd; nen aauwen boek
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ons aaw hèùs is afgebraand
2 zelfstandig naamwoord 2.1. datgene wat oud is
2.2. de ouderen, in het bijzonder de oudelui, vader en moeder
2.3. ouders, vader of moeder
naam
2.4. oudjaarsavond Oudjaarsavond - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-12-30 - Wij speulen wir van t Aauw in t Nuuw - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-12-30 - Ik heb al minstens duuzend keer/ Van t Aauw in t Nuuw gespuld..! - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1986-01-03 - En we speule mar wir deur... mee de kaort van t Aauw in t Nuuwe... - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1971-01-02 - Ze spulden saom van t Aauw in t Nuu..
2.5. de oude, degene die je vroeger was; vooral met betrekking tot gezondheid
Aawe Vraanttoponiem De Oude Warande; bosgebied in Tilburg West
aawerzelfstandig naamwoord
1. leeftijd
2. ouderdom, oude dag
aawerdomzelfstandig naamwoord
ouderdom
aawerszelfstandig naamwoord
ouders
aawerwèts(e) - aawverwèts(e) - ouwverwèts(e) (korte ounaam
ouderwets
bijwoord
3. zelfstandig naamwoord
aawluizelfstandig naamwoord
oudelui, ouders
aawluuviezelfstandig naamwoord
van de oude stempel
is het in het Tilburgs dus mannelijk, en niet onzijdig. Het woord bestaat uit diluvium / deluuvie waarbij de eerste lettergreep vervangen is door oud / aaw. In het Standaardnederlands is de uitdrukking gebruikelijk als iets of iemand van vóór de zondvloed om ouderwetsheid of achterlijkheid aan te duiden.
aawmannegestichtzelfstandig naamwoord
bejaardenhuis voor mannen
aawmeutzelfstandig naamwoord
kletser, ouwehoer, ouwbet, kletsmajoor
aawmeutewerkwoord
kletsen, ouwehoeren aawmeute - aawmeutte - geaawmeut
aawriejôolzelfstandig naamwoord
aureool
aawwèèvebrôojkezelfstandig naamwoord
aawwèèveknêûpzelfstandig naamwoord
knoop die garen overbodig maakt doordat twee delen door de stof heen in elkaar gedrukt worden - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - drukknoop, bijvoorbeeld in uniform of kokskleding
abbendaanszelfstandig naamwoord
overvloed
abbetjoekzelfstandig naamwoord
De etymologie is niet opgehelderd; komt alleen voor in Tilburg en naaste omgeving; appetjoek is de bekendere vorm - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1984-03-30 - Hullieje pa is unne wous... hullie moeder unne abbetjoek... en zelf is t ôôk mar unne drie-kwart... Vur de rest gaoget wel.
abbetwaarzelfstandig naamwoord
abattoir van Frans abattre - neerslaan; dus abattoir, de plaats waar men vee slacht
aboepartaonbijwoord
uit het Frans à bout portant; onverwacht, willekeurig
aboepertaantbijwoord
uit het Frans à bout portant; onverwacht, willekeurig
Abraamnaam
Abraham zien - 50 jaar worden
abrikooszelfstandig naamwoord
abrikoos; figuurlijk: vrouwelijk geslachtsdeel
abuuszelfstandig naamwoord
korte uu abuis, vergissing
achchesamentrekking
de scherpere vorm van agge
achchinsamentrekking
achstetelwoord
achtste
achtuuremoejerzelfstandig naamwoord
achturenmoeder
adderèszelfstandig naamwoord
adres
addergebroedzelfstandig naamwoord
addergebroed
adjèmzelfstandig naamwoord
tantième, aandeel in de winst van een onderneming verbastering van het Franse tantième
afvoorzetsel
in de betekenis van
afbèènewerkwoord
afbèène - bond aaf - afgebónde; met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bènt aaf
afbeumewerkwoord
afbomen
afbiejewerkwoord
afdingen (bijvoorbeeld bij het kaartspel) afbieje - boj aaf - afgeboje
afblèèvewerkwoord
afblijven
afboesterewerkwoord
(af)wassen de etymologie van boestere is niet duidelijk
afbraandewerkwoord
afbranden, door brand verloren gaan afbraande - braandde aaf - afgebraand
afbrèngewerkwoord
slagen
afbuunewerkwoord
afboenen afbuune - buunde(n) aaf - afgebuund (korte uu)
afdoenwerkwoord
schoonmaken, plukken
afdraajewerkwoord
afdraaien afdraaje - draajde aaf - afgedraajd (geen vocaalkrimping)
afdraogewerkwoord
afdragen, dragen tot het versleten is (een kledingstuk) afdraoge - droeg aaf - afgedraoge
afdrèènewerkwoord
aflopen, er langs lopen
afdrêûgegeld afhandig maken (letterlijk afdrogen) afdrêûge - drêûgde(n) aaf - afgedrêûgd (geen vocaalkrimping)
afdunnewerkwoord
affèèntussenwerpsel
afijn (uit Frans enfin)
affèktgaorezelfstandig naamwoord
alle garens die afwijken van het normale garenbeeld
affeseerewerkwoord
opschieten, voortmaken, zich haasten, avanceren; uit het Frans avancer affeseere affeseerde - geaffeseerd
- Informant Toine Raaijmakers - As ge affeseert, zèèder nog op tèèd!
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1955-07-16 Zeg maokt is mensie, zee mn vrouw... en affeseert n bietje...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1981-07-10 - Ge het nogal geaffeseerd...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Affeseert en bietje! Ge hèt nògal geaffeseerd
- Stadsnieuws, 2010-02-03 Alleej, affeseert es wè! - Kom, schiet eens een beetje op!
- WBD III.1.2:5 affeceren - zich haasten, ook spoeien, opschieten
- WBD III.1.4:347 avanceren - opschieten
- WBD III.4.4:323 avanceren - vorderen
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 - affeseere - opschieten
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 avanceren, avveseren - opschieten, avanceren, voortmaken
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 avanceeren (avansé:re) - vooruitkomen, sneller gaan; ook: voorschieten van geld
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - affeseere - voortmaken, opschieten
Carnavalsmotto Tilburg 2016
affeseerkwaastzelfstandig naamwoord
ll.: Tijs Dorenbosch
affeseerplèngskezelfstandig naamwoord
autoped, step
affeseerschoenezelfstandig naamwoord
samenstelling van 'affeseere' (zie hierboven) en schoenen; schoenen om snel mee te lopen, die snelheid suggereren
affeseersteekzelfstandig naamwoord
affronteerderijzelfstandig naamwoord
een daad van belediging
affronteerewerkwoord
beledigen, krenken; uit Franse affronter
affrontignaam
beledigend; uit Frans affronter beledigen
afgangzelfstandig naamwoord
stoelgang
afgaonwerkwoord
1.afgaan , aflopen
2. flauwvallen
3. zich belachelijk maken
4. aflopen, vergunnen
5. zich ontlasten, ontlasting hebben
afgeevewerkwoord
afgeven; vertellen afgeeve - gaaf aaf - afgegeeve in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij gift aaf
afgelaojenaam
volgeladen - in het bijzonder: vol van drank
afgenaojegbijwoord
ongenadig, erbarmelijk
afgespannenaam
ontriefd, gedallaast, opgezadeld
Heeft iemand een nuttig voorwerp, dat hij niet missen kan, verloren, dan is hij er lelijk mee afgespannen. Dat wil zeggen ontriefd. Dit afgespannen is de tegenhanger van goed ingespannen. Men is goed ingespannen als men van het nodige voorzien is, dus zijn gerief heeft.
afgetrokkenaam
afhakkewerkwoord
afhakken, het geslachte varken in stukken hakken voor conservering van het vlees
afhaolewerkwoord
afhalen afhaole - hòlde aaf - afgehòld ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij hòlt aaf
voldoende gedroogd is
afhèènewerkwoord
afhèène - hènde aaf - afgehènd ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij hènt aaf
afhèffewerkwoord
afhèffe - hèfte aaf afgehèft 1. het er afbrengen
2. afheffen (bijvoorbeeld van kaarten); couperen
afkaajewerkwoord
afkèèkewerkwoord
afkijken, aanzien, geduld hebben
afknèèpewerkwoord
afknèèpe - knêep aaf - afgekneepe in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij knèpt aaf
afkrabbewerkwoord
afkrabben afkrabbe - krabde(n) aaf - afgebrabd
aflaajewerkwoord
afleiden, deduceren aflaaje - laajde(n) aaf - afgelaajd (geen vocaalkrimping)
aflaotzelfstandig naamwoord
aflaat (r.k.); kwijtschelding van straffen die de gelovige in het hiernamaals nog moet uitboeten
afleerewerkwoord
aflèggewerkwoord
afleggen aflègge - li/leej aaf - afgelègd/afgeleej 1. afleggen van een overledene
2. afzetten, oplichten
3. afleggen - diverse betekenissen
aflèggesgerêedklaar om afgelegd te worden
Typoscript van een brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965
afloekiejewerkwoord
bespieden
afmaokewerkwoord
1. afmaken, afrasteren, afsluiten afmaoke - mòkte(n) aaf - afgemòkt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij mòkt aaf
2. onder narcose brengen
3. betalen
afneemewerkwoord
afnemen, verminderen
afpèèrewerkwoord
afranselen, een pak slaag geven afpèère - pèèrde(n) aaf - afgepèèrd
afpikkewerkwoord
het tegen iets of iemand afleggen
afploegewerkwoord
afploege - ploegde(n) aaf - afgeploegd
afpòttewerkwoord
afrakkewerkwoord
afraojewerkwoord
afraden afraoje - raojde(n) aaf afgeraoje
afrèffelewerkwoord
afrèffele - rèffelde(n) aaf - afgerèffeld
werkwoord
afschaajingzelfstandig naamwoord
afschèètewerkwoord
werkwoord
afschèète, scheet aaf, afgescheete afschijten
afschietewerkwoord
betalen, over de brug komen (met geld) afschiete - schôot aaf - afgeschoote
Als het werkwoord gesplitst wordt, wordt af verlengd:
afsjouwewerkwoord
uitputten
afslaogerzelfstandig naamwoord
afslaonwerkwoord
afslaon - sloeg aaf - afgeslaon geen vocaalkrimping in tegenwoordige tijd 1. afslaan, een pak slaag geven
2. afscheiding geven
3. afslaan van een duivenklok
afsnòllewerkwoord
afsnölleafschieten, afkalven
afspannewerkwoord
afspanne - spande(n)aaf - afgespanne
afspèllewerkwoord
afspelden
afstaandzelfstandig naamwoord
afstand
afsteekewerkwoord
afsteken; verminderen afsteeke - staak aaf - afgestooke in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij stikt aaf
afstookewerkwoord
in brand steken
afstrêûpeaflopen
afstrijewerkwoord
betwisten, loochenen, ontkennen; tegenwerpen, met argumenten bestrijden afstrije - streej aaf - afgestreeje
aftaandsnaam
aftands
aftèùgetuig afdoen; afranselen aftèùge - tèùgde aaf - afgetèùgd (geen vocaalkrimping)
aftrappewerkwoord
vertrekken, ertussenuit gaan
aftreejewerkwoord
aftreeje - aaf - afgetreeje
aftrèkkewerkwoord
van het getouw halen
afvalzelfstandig naamwoord
afval; kinderen, nageslacht
afvallewerkwoord
flink tegenvallen; gewicht verliezen afvalle - viel aaf - afgevalle door progressieve assimilatie van stem wordt de v geabsorbeerd: affalle.
afvattewerkwoord
afnemen, ontnemen afvatte - viet aaf afgevat
afwaaszelfstandig naamwoord
afwas, vaat
afwaasewerkwoord
wassen (van personen) afwaase - waaste(n) aaf - afgewaase geen vocaalkrimping
afwinnewerkwoord
van iemand winnen
afwòchtewerkwoord
afwachten afwòchte - wòchtte(n) aaf - afgewòcht
afzèèkewerkwoord
afzèèke - zeek aaf afgezeeke
afzèggewerkwoord
afzeggen
afzèttewerkwoord
aggesamentrekking
als ge
samentrekking
als>as>a + ge agge
aggetsamentrekking
als je het
ajtussenwerpsel
au! (kreet van pijn)
ajassesbastaardvloek; verbastering van Ah! Jezus!
ajuutussenwerpsel
aksamentrekking
als ik
akke(r)deerewerkwoord
akkerdeere - akkerdeerde - geakkerdeerd kunnen opschieten met iemand, overweg kunnen, accorderen van Frans accorder - tot overeenstemming brengen, tred houden; of saccorder - het eens zijn
- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Ze kosse goed akkerdeere. - Ze konden goed met elkaar overweg.
- Informant Toine Raaijmakers - As gullie naa mar akkerdeert. - Als jullie nou maar geen ruzie maken.
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - k geleuf dè die nie mee bekaore kunne akkerdeere.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 14 08 1969 - Zò ziede dè't nie simpel is/ Akkerdeere mee tweeje,/ Hij is wir de kòning te rèk / Mar zij is ontevreeje.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 25 07 1974 - Ak meej ons Sjaan nie akkerdeer/ (èn dè komt wèl es veur)/ Trèk ik altij òn et kòrtste èènd./ Ik moet er onderdeur.
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1958-07-05 - As ge mekaar mar begrept/ En saom kunt akkerdeeren...
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-11-06 - Om meej dn dieje te kunne akkerderen moette schaopebloed hebbe...
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1962-09-28 - t Akkerdeert goed...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1979-12-14 - Ik kan meej onze vadder nie akkerdeere...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1982-08-13 - Mee jou viel heel goed te akkerderen (Prent bij het koperen jubileum van A. van den Wildenberg als burgemeester van Goirle)
- Piet van Beers; Het zeventiende boekje; Paradèès, 2010 - Waor meense meej mekaor goed akkedeere/ Daor is et saomewoone en genot.
- Gerard Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol, 2009 - Meschient doetie (Pirke Donders) dan nòg êene keer en wonder èn krèègeme strak ene nuuwe geminteraod meej allêeneg mar pronte meense, die goed akkerdeere meej mekaare.
- Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Vruuger zeeje ze dè Tilburgers nie ont mar pront zèn. Òf ok wèl: Nie lammenteere mar akkedeere.
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op website Je bent een echte Tilburger... maart 2013 - akkedeere
- WNT - accordeeren - is geene afleiding van accoord, maar rechtstreeks aan Franse accorder ontleend.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 accordeeren (akordéren) - overeenkomen: ze accordeeren goed samen.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - accordeeren (uitspraak akkerdéren) - in goede overeenkomst met elkander leven; ook onpersoonlijk.: t accordeert daar niet
- Dr. Jan Stroop; Sprekend een Westbrabander 1; 2:5l; Amsterdam, 1979 -1981 - akkerdeere
- Hans Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; II:18, 1988-1994 - akkerdeere
Akkedeemienaam
Tilburgse Kunstacademie
akkefietjezelfstandig naamwoord
kleinigheid
akkemsamentrekking
als ik hem
akkersamentrekking
als ik er
akkoesamentrekking
als ik je
akkoewietssamentrekking
als ik je iets akkum samentrekking als ik hem
albijwoord
telwoord
alderbijvorm van voorvoegsel aller
alderaandnaam
allerhande, allerlei
alderaandenaam
allerhande, allerlei
Alderhèllegezelfstandig naamwoord
Allerheiligen, r.-k. feestdag op 1 november
alderlisttelwoord
allerlaatst
aldervruugstbijwoord
Alderzielezelfstandig naamwoord
Allerzielen, r.-k. feestdag op 2 november
alèskesbijwoord
langzaam maar zeker; verbastering van allengs, allengskes
algemêenbijwoord
algemeen
alkoofzelfstandig naamwoord
alkoof
allatussenwerpsel
berusting uitdrukkend, het zij zo, nou ja; uit het Frans à la
alla bonneurbijwoord
letterlijk op goed geluk; uit Frans: à la bonheur ; meestal om instemming te betuigen: het zij zo.
allebaajtelwoord
beide, allebei(de), alle twee
allebeneurbijwoord
letterlijk op goed geluk; uit Frans: à la bonheur ; meestal om instemming te betuigen: het zij zo.
alledaogeuitdrukking elke dag, alle dagen
alleetussenwerpsel
vooruit uit het Franse wekwoord aller (gebiedend: allez)
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad; Tilburg 1984 - alleej-naa, Kees, nie stoeje
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1968-08-02 - alleej vurèùt, truuhuup!
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1973-09-21 - allee-allee Mientje
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1955-10-15 allee, kom is hers
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1958-05-10 alleej gift dn ôôme is n hendje
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-02-26 alleej zet dn illetriek aaf
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - alleej, saluu war - kom, gegroet hoor (afscheidsgroet); van Frans allez - ga, kom
- WBD - allee verèùt! - vlugger! (commando voor een paard)
- WBD - alleej-hup, halee-hop - opstaan (commando voor een paard)
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 allez - alé, aléi, alai; bijwoord aansporend: kom!
alleejtussenwerpsel
vooruit uit het Franse wekwoord aller (gebiedend: allez)
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad; Tilburg 1984 - alleej-naa, Kees, nie stoeje
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1968-08-02 - alleej vurèùt, truuhuup!
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1973-09-21 - allee-allee Mientje
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1955-10-15 allee, kom is hers
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1958-05-10 alleej gift dn ôôme is n hendje
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-02-26 alleej zet dn illetriek aaf
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - alleej, saluu war - kom, gegroet hoor (afscheidsgroet); van Frans allez - ga, kom
- WBD - allee verèùt! - vlugger! (commando voor een paard)
- WBD - alleej-hup, halee-hop - opstaan (commando voor een paard)
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 allez - alé, aléi, alai; bijwoord aansporend: kom!
allêenbijwoord
alleen
allêenegbijwoord
alleen
allegeduuregbijwoord
voortdurend, doorlopend, steeds contaminatie van al en gedurig; komt ook in het Fries voor: algeduerich
- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Hij moes allegeduureg drinke.
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun als opvoeder, feuilleton in 6 afleveringen; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1940-03-02 1940-04-06 - Hij vorderde weinig en zuchtte allegedurig...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun en de dames; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1940-01-20 - En is et te verwondere, dè ge allegedurig in de kraant leest van ophangen en veur de kop schieten in de stad!?
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 6; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1938-11-05 - De kapelaons keken allegedurig naor de klok...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilbugsche Courant 1939-02-25 1939-04-18 - ...allegedurig zaat ie er mee z'n vingers aon te plukken...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilbugsche Courant 1939-02-25 1939-04-18 - ...en allegedurig dronk ie 'n glas waoter.
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1987-03-20 - Hij is allegedurige ziek en blèèft vur elk hondsgezèèk thuis
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - gedurig, aanhoudend; et was allegeduurigen te doewn
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - alle gedurigen - gedurig aan, alle oogenblikken: 't is alle gedurigen zoo
allejizzusbastaardvloek allejezus
allemanzelfstandig naamwoord
iedereen
allemanshondzelfstandig naamwoord
allemanstèèdzelfstandig naamwoord
allemèèrgeszelfstandig naamwoord
elke morgen
allemòlbijwoord
allemaal in het Tilburgs vaker de kortere vorm:
allemòllebijwoord
ons allen, allemaal
allèngskesbijwoord
langzaam maar zeker, beetje bij beetje
allerhaandenaam
allesnaam
alles
allèskesbijwoord
allengs, langzamerhand, hoe langer hoe meer
Allewieskenaam
uit Aloisius
allingbijwoord
geheel
allissamentrekking
allozziezelfstandig naamwoord
horloge
alpinkezelfstandig naamwoord
alpinomuts
alzelèèvebijwoord
zijn hele leven; vast en zeker
ambetaantbijwoord
vervelend, beroerd; uit Frans embêtant hieronder waarschijnlijk eerder gênant, onbetamelijk
ambraszelfstandig naamwoord
heibel; van Frans embarras
ammejakzelfstandig naamwoord
ammoniak
ammezuurzelfstandig naamwoord
de actie van de lippen die nodig is om een blaasinstrument te bespelen uit het Franse embouchure; bouche is mond
ÈN MAR BLAOZE Den aawe Jan Buuster (wie kènt die naa nie) blaost tweej instremènte bij de Stadshèrmenie. Hij blaost bij de marse n koopere trompèt èn bij de klassieke n hêel aaw kòrnèt. Nao lang rippeteere verlies d'ammezuur. Dan vatte wè pilskes. Dè schilt op den duur Piet van Beers; CuBra; 20??
ammiekaolbijwoord
amicaal, vriendelijk uit Franse amical
Koffiemok (Goed gemòkt) - te koop (december 2021) bij Ollie's & Brandstore, Tuinstraat 106, Tilburg 5038 DE Tilburg.
ammòlbijwoord
1. onbepaald voornaamwoord
uit het Middelnederlandse altemale; daarnaast met vocaalreductie ammel; ook in vervoegde vormen, en dan voorafgegaan door een voorzetsel: ammòlle, allemòlle (ammel leent zich blijkbaar niet voor vervoeging)
bijwoord
- Kees & Bart; rubriek in Tilburgsche Post, circa 1925 - mee allemollen zongen we
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-07-20: Hier zèn we dan, mee zn allemolle!
- Lechim, pseudoniem van Michel van de Ven; De Tilburgse Koerier, 23 mei 1979 - Tis 'ne trubbel mee den ollie,/ we motte mindere en gaaw,/ aanders zitte we vant wènter/ mee allemolle in de kaaw.
- Gieleke; waarschijnlijk pseudoniem van Michel van de Ven (Lechim); ongedateerd knipsel uit onbekende bron, circa 1960-1980 - We lèven ammol mee oe mee/ Mar ge mot winnen, Willem II.
- Ad van den Boom; Unnen droom, circa 2005 - Ammol han zun krökske bedder/Waor ze durre zèèk in moese doen
- Ad van den Boom; Bè de wèèvers òn tòffel, circa 2005 - Ammol han ze unnen hof - Ad van den Boom; De wèèvers van Tilburg, circa 2005 - Ammòl hielde ze knèène/ Soms ok un vèèreke in un kot
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - zooj zi zèn zammól zuut - naar hij zei, zijn ze allemaal zoet
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - koome ze meej zen ammòlle? - komen ze met z'n allen?
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Jonges, löster is, 2009 - Van aovent gòn we meej zen ammol/ fiste op ' t Kedènt.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Van allemolle in dè mega höshaawe van ons, wier verwocht, desse der stintje bijdroegen om de zaak draaiend te haawe.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Meej zen ammòlle zingen .
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - as de femilie aon toffel gong en meej zen ammòlle in de eetkamer derre kanis vol zaate te douwen.
- Tillie B (pseudoniem van Nicole de Jong); website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - Ze waare der ammòl.
- Cursus in Tilburgs; krantenrubriek circa 1940 - Kome ze mee zamolle?
alsmaar, steeds weer, voortdurend; geheel, allemaal, alles
amtenèèrzelfstandig naamwoord
ambtenaar
anderstnaam
ander
andijviezelfstandig naamwoord
andijvie
tussenwerpsel
anee
antiesèptiesbijwoord
Antwèrpezelfstandig naamwoord
Antwerpen
Anvèèrszelfstandig naamwoord
De Franse benaming van Antwerpen wordt in het Tilburgs met de scherpe e uitgesproken en met de s; in de regel gaat daaraan vooraf het lidwoord den
Anvèrszelfstandig naamwoord
De Franse benaming van Antwerpen wordt in het Tilburgs met de scherpe e uitgesproken en met de s; in de regel gaat daaraan vooraf het lidwoord den
anzjeezelfstandig naamwoord
hachee
Anzjeliekskenaam
aojemzelfstandig naamwoord
adem, asem
zelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
asem, adem Hij hò ginnen òssem mir. Ze gaaf ginnen òssem = Ze reageerde niet. N. Daamen, woordenlijst 1916: "z'nen ossem waas te kort (hij had geen centen genoeg om te doen wat hij voorhad N. Daamen - handschrift 1916 - "(adem) Ik zò er wel over gesproken hebben as ie er mar iet of wè ossem van gegeven ha (als hij er maar iets over losgelaten had)"
PVb aachter zenen òssem zèèn - buiten adem zijn Mar vurtie halverweege kwaam/ wassie al bèùte òssem (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aanders...)
zelfstandig naamwoord
Mijn ogen jeuken allemol, ik hoest ak ossum haol... (Tony Ansems,Zak moete niese akkum aai?; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)
aojemewerkwoord
ademen aojeme - aojemde - geaojemd
werkwoord
ademen
aojerzelfstandig naamwoord
ader, maar ook meervoud aderen
aokelekbijwoord
akelig
bijwoord
aon, òn aan
aonbijwoord
aan
aonbetijewerkwoord
betijen, laten begaan, zijn gang laten gaan
aongemòktaanmaken
aongetrouwdenaam
aangetrouwde; namelijk leden van de schoonfamilie; in het Tilburgs meestal kaawe kaant genoemd
aonlèggewerkwoord
aanleggen 1. in het bijzonder een cafeetje bezoeken
2. werk krijgen
aonprissenteerewerkwoord
iets of zichzelf aanbieden dan wel aanbevelen contaminatie van presenteren en aanbieden
aonprizzenteerewerkwoord
iets of zichzelf aanbieden dan wel aanbevelen contaminatie van presenteren en aanbieden
aonraojewerkwoord
aanraden
aonrèchtzelfstandig naamwoord
aanrecht, het fonologische varianten: aonrècht, ònrècht, òrècht, òrecht, òrcht, naarècht, nòrècht
aonrikkemendeerewerkwoord
aambevelen contaminatie van aanbevelen en het Franse recommander (aanbevelen)
aonschèèrepewerkwoord
aanscherpen, scherp maken
aonspreekewerkwoord
aanspreken
aonsteekewerkwoord
aansteken; het electrisch licht aandoen
aontèùgewerkwoord
aantuigen, optuigen, zich aankleden
aontreejzelfstandig naamwoord
entree, intreegeld
aonwittewerkwoord
wetten, scherp maken van een mes; contaminatie met aanscherpen
aonzien veurwerkwoord
aonzien aonzaag - aongezien aanzien voor
aoolazelfstandig naamwoord
aula
aopzelfstandig naamwoord
aap, snotneus
- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Aop, wè hèdde schôon jong! - Aap, wat heb je mooie jongen!
- Kees & Bart; krantenrubriek in Tilburgsche Post, 1922-193? krantenrubriek in Tilburgsche Post, 1922-193? ...aop wè hedde schoon jong
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - naa zudde nen aop zien neuke - nu zul je wat beleven
- Informant Toine Raaijmakers - Aop wè hèdde schôon jong...
- Cees Robben; Prent van de Week, 01-02-1980 - Ge hoeft unne aauwe aop gin bakkussen te leeren trekke.
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op website Je bent een echte Tilburger, maart 2013 -
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 81, 6 of 27 juni 1969 (er verschenen 2 afleveringen genummerd 81) - Argwaan over wat iemand meedeelt, spreekt ook uit het volgende: "Hij kan 't schoon vertellen, mar ik zeg oe: d'r zit 'nen aop op zolder!" Ook hier constateert men een poging de waarheid te verdoezelen. In het Algemeen Beschaafd Nederlands pleegt deze aap in de mouw te zitten en daar wel eens uit te komen.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - der zit nen aop óp zolder; opmerking in bijzijn van iemand die leugens vertelt
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zich et aopelaazerus schrikke - heel erg schrikken
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - al wè ene vent schonder is as enen aop, is meegenoome
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - de gouwen aop - E. van Spaendonck (bladzijde 73)
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den aop - frater Embertus (bladzijde 101)
- Stadsnieuws, 2006-04-30 - der zit nen aop op zulder
- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003 n Aop zien neuken op glad ijs - Iets geks zien.
- WBD III.1.4:36 aop ezel, ezelachtig persoon
- WBD III.1.4:106 - aap, snotaap - snotneus
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - aap (figuurlijk) kleine snuiter, snotneus; nen aap van ne jongen - ezel, dommerik
aopeglaotzelfstandig naamwoord
samenstelling uit apen + gelaat
aopezuurzelfstandig naamwoord
aorzelfstandig naamwoord
aar, halm
aordzelfstandig naamwoord
aard, soort
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad; Tilburg 1984 - dèttie pròt nòr zenen aord
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-04-06 - Des naaw eemel den aord van 't bisje.
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1968-01-19 - k Heb ginne aord meej deeze maantel...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 178, 25-08-1973 - Niet de aard naar de vader hebben wordt op verschillende manieren weergegeven. Men kan te horen krijgen: "Hij loopt niet in vadders schoen", "Hij is uit den aord geslaon" en ook nog: "Hij is bij het bakken uit de pan gesprongen".
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916 - en vèèreke meej nen baord is zèlde van goejen aord.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - den aord vant bisje - zijn eigen aard
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - den aord nòr gin vrèmde - aardje naar zijn vaartje
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - heet ie den aord? - aardt hij?
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - ot den aord geslaon - vervreemd; op het verkeerde pad
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - aord hèn - zich thuisvoelen
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hij heej den aord nor ginne vrèmde
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Èn asse naa in de kèrk komme preeke èn ze preeken oover de tèèd van vruuger jaore van Adam èn Eva èn hil diejen aord van dinge ...èn van reize èn hil diejen aord van dinge... Stòn ze te preeke in de kèrk èn hier gòdverdomme, de pestoor drie weeke geleeje zeetie zèllef dèttie et ok nie gelêûft!
aordewerkwoord
aarden, aard hebben, aard krijgen aor(d)e - aorde - geaord (geen vocaalkrimping)
aorewerkwoord
aarden, aard hebben, aard krijgen aor(d)e - aorde - geaord (geen vocaalkrimping)
aoregbijwoord
1. aardig, lief
2. eigenaardig, vreemd, raar
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel; Nieuwe Tilburgsche Courant 1939-05-20 - 1939-06-17 - ...want onder ons gezeed en gezwege, t is n aorige, die taante Sophie.
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1966-10-21 - Hij keek me efkes aorig aon
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1961-10-20 - t klinkt wel aorig al meej al/ Mar t is toch waor gebeurd...
- Interview echtpaar Staps, 1978 ; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Jan Boemelgètje zin zer teege mar meer weet ik er nie van want die liep zo aoreg!
- Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Ik weet t wèl meense. Ok bij de Tilburgers hèdder netuurlek zat aorige bij, mar de miste Tilburgers vèèn ik tòch hêel aorig.
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - wènnen aorege meens
- WBD III.1.4:59 aardig - vreemd
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 aorig - aardig, eigenaardig; heeft meerdere betekenissen
- Hans Heestermans; Witte nog?; 1988-1994 - arig - vreemd, raar
- C.J. Verhoeven; Haorese woorde, spreuke en gezegdes, 2007 - aorig - vreemd, raar, eigenaardig
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts], 1978 aardig (aorig) - eigenaardig vreemd, niet aangepast, n beetje ziek; heeft nooit de betekenis sympathiek; deze is wel aanwezig in het abstractum aorighèt; plezier, genot.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 aardig (Kempisch aorag) - vreemd, zonderling; onpasselijk, misselijk; kwalijk; arig - aardig
3. onwel, vreemd
4. behoorlijk
5. een combinatie van I en II bij Robben en Verbunt
aoreghèdjezelfstandig naamwoord
attentie, aangename verrassing, aardigheid(je)
aoregheizelfstandig naamwoord
attentie, aangename verrassing, aardigheid(je)
aorigbijwoord
1. aardig, lief
2. eigenaardig, vreemd, raar
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel; Nieuwe Tilburgsche Courant 1939-05-20 - 1939-06-17 - ...want onder ons gezeed en gezwege, t is n aorige, die taante Sophie.
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1966-10-21 - Hij keek me efkes aorig aon
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1961-10-20 - t klinkt wel aorig al meej al/ Mar t is toch waor gebeurd...
- Interview echtpaar Staps, 1978 ; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Jan Boemelgètje zin zer teege mar meer weet ik er nie van want die liep zo aoreg!
- Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Ik weet t wèl meense. Ok bij de Tilburgers hèdder netuurlek zat aorige bij, mar de miste Tilburgers vèèn ik tòch hêel aorig.
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - wènnen aorege meens
- WBD III.1.4:59 aardig - vreemd
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 aorig - aardig, eigenaardig; heeft meerdere betekenissen
- Hans Heestermans; Witte nog?; 1988-1994 - arig - vreemd, raar
- C.J. Verhoeven; Haorese woorde, spreuke en gezegdes, 2007 - aorig - vreemd, raar, eigenaardig
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts], 1978 aardig (aorig) - eigenaardig vreemd, niet aangepast, n beetje ziek; heeft nooit de betekenis sympathiek; deze is wel aanwezig in het abstractum aorighèt; plezier, genot.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 aardig (Kempisch aorag) - vreemd, zonderling; onpasselijk, misselijk; kwalijk; arig - aardig
3. onwel, vreemd
4. behoorlijk
5. een combinatie van I en II bij Robben en Verbunt
aoszelfstandig naamwoord
aas
aosemdetail uit een Prent van de week van onbekende datum.
zelfstandig naamwoord
adem
aovendzelfstandig naamwoord
avond
aovetuurzelfstandig naamwoord
avontuur
aozewerkwoord
azen (op)
appelzelfstandig naamwoord
meervoud appels maar ook appel 1. de vrucht
Schilderij (detail) van Osias Beert de oudere - 17e eeuw Jongen met appels - Eugenio de Blaas. 2. als beeld voor hoofd
bijwoord
appelèèchteg appelachtig; woordspeling met de naam van de schilder Karel Appel
Cees Robben detail uit Prent van de week - 1986-05-16
appelenpròlzelfstandig naamwoord
stamppot van aardappelen, gestoofde appels of peren en spek; hete bliksem het lid prol is een klanknabootsing
Schilderij van Elias van den Broeck - detail - 17de eeuw
appelesienzelfstandig naamwoord
sinaasappel, appelsien
Appelesienesteegnaam
appelmènnekezelfstandig naamwoord
appelmannetje
appelsienzelfstandig naamwoord
sinaasappel, appelsien
appendènsieappendentie uit Frans appendance
apperetuurzelfstandig naamwoord
appretuur; afdeling in de textielfabriek voor veredeling en afwerking van stoffen
Prentbriefkaart ter gelegenheid van de kermistentoonstelling 'Jaozeetie', Tilburg 2018.
appetjoekzelfstandig naamwoord
De etymologie is niet opgehelderd; komt alleen voor in Tilburg en naaste omgeving; appetjoek is de bekendere vorm - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1984-03-30 - Hullieje pa is unne wous... hullie moeder unne abbetjoek... en zelf is t ôôk mar unne drie-kwart... Vur de rest gaoget wel.
naam
een geestelijke afwijking hebbend, getikt
applesienzelfstandig naamwoord
sinaasappel, appelsien
apprènsieapparènsie, apperansie, opperènsie uit Frans apparence (verschijning)
apprepoonaam
apropos, onderwerp, stuk uit het Frans à propos; meestal in de uitdrukking van mn à propos - van slag zijn, de kluts kwijt zijn
aprepoonaam
apropos, onderwerp, stuk uit het Frans à propos; meestal in de uitdrukking van mn à propos - van slag zijn, de kluts kwijt zijn
apteekerzelfstandig naamwoord
arbèjewerkwoord
arbeiden arbèje - arbèjde - gearbèjd
ardènnerzelfstandig naamwoord
paardenras uit de Ardennen
arrebéézelfstandig naamwoord
aardbeien
arreejzelfstandig naamwoord
arsjiefzelfstandig naamwoord
archief
Antoine Arts
Artskes kraantuitdrukking De krant die door de familie Arts werd uitgegeven: de Nieuwe Tilburgsche Courant

as voegwoord als
1. voegwoord van vergelijking
2. voegwoord van tijd
3. voegwoord van voorwaardelijkheid
samentrekking
Denk eraon, mn goeie ziel: as... is de spil van 't kreugelwiel! As... is hout, as 't opgestookt is, as... is vuur as 't uitgerookt is. As den hemel valt? - Geen nood! al de musse valle dan dood! As de locht valt op onze kop, hebbeme blauwe mutskes op! As de as breekt van oewe waoge, zullen oe beenen oe nog wel draoge! Laot die assen uit oewe körf; as... is mar verbraande törf! Strooi geen assen op oe brood, want as suiker smaoken ze noot! Denk eraon, mn goeie ziel, as... is de spil van n kreugelwiel! agge - als jij/gij asie, assie - als hij asse, asze - als zij het asset - als het aswe, awwet - als we het agger - als je er
5. in plaats van dan
as-as-as voegwoord van voorwaardelijkheid met versterkende herhaling als-als-als om een uitspraak in te leiden waarmee onwaarschijnlijkheid wordt uitgedrukt.
naam
as dèt als dat
samentrekking
asdèttie als, alsdat, als dat hij
samentrekking
asger als je er, als ge er
askèùl askuil; bewaarplaats voor as, vaak gelegen onder de bakoven
zelfstandig naamwoord
asoosjaale asocialen, minder beschaafden
zelfstandig naamwoord
Aspèrges me Latijn: Besprenkel mij. Het gezang onder die naam uit de rooms-katholieke liturgie, soms gebruikt als woordspeling met het gewas asperges.
samentrekking
Ik denk wèlles terug òn vruuger, Dèn aawe rèèke Rômse tèèd. k Zuuk dan wèl es nòr schôon dinge. (Dè doede agge aawer zèèt) We wiere dan aaltij gezeegent vur dè de liste mis begon. t Asperges Me wier dan gezonge. Besproei mij, in t vakjargon. Onze pastoor was èèrg scheutig meej zenne grôote waoterkwaast. Hij ha n hêel goei haand van sproeie. Èn dè wier figuurlek toegepaast. As misdiender liep ik n paor meeter daor meej n èmmerke vur m èùt Die t dichtste bij t gangpad zaate kreege t miste waoter op der snèùt. asse als ze
Foto: website catholicworkeramsterdam
assekrèùszelfstandig naamwoord
askruis, askruisje; aswoensdag
Deze prent verscheen ter gelegenheid van Aswoensdag 1955. Aswoensdag is de dag waarop in de katholieke traditie de 40-daagse vasten begint, die eindigt met Pasen. Het askruisje dat gelovigen op Aswoensdag in hun parochiekerk gingen halen, is het teken van berouw, in het bijzonder berouw over de zonden begaan tijdens het carnaval. De katholieke folklore wilde vooral onder kinderen - dat dit kruisje niet mocht worden afgewassen. De as waarmee de priester het kruisje op het voorhoofd van de gelovige had aangebracht, was as van verbrande palmtakjes van Palmpasen van het vorig jaar. Uiteraard lukte het nooit iemand om het askruisje veertig dagen lang op het voorhoofd intact te houden, zelfs niet als de pastoor daarvoor een premie uitloofde die uit n pekske bestond, een pakje, een kledingstuk om met Pasen mee voor de dag te komen. (Detail - Robben - 1955-02-26)
assersamentrekking
als ze er
zelfstandig naamwoord
Advertentie 1922 asseraansie assurantie, verzekering; van Franse assurance
werkwoord
asseradeere verzekeren; van Franse assurer
samentrekking
asset als het
samentrekking
assie als hij
samentrekking
assienie als hij niet
zelfstandig naamwoord
assortiemènt assortiment
samentrekking
ast als het
tussenwerpsel
asteblief als t u belieft
samentrekking
aster als het er
naam
astraant brutaal; afgeleid van Franse assurance
zelfstandig naamwoord
astraasie verzekering; verbastering van assurantie ook: braandastraasie brandverzekering
zelfstandig naamwoord
attak attaque, hartaanval; uit het Frans
Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg
astraantnaam
vrijpostig, astrant astrant; brutaal, vrijpostig; uit Vlaamse astrant, mogelijk van Franse assurant, maar in het Frans niet in deze betekenissen gebruikt - Cees Robben - Zô vroeg ik straand... (19590912) - Cees Robben - Hij trok de straante schoenen aon (19590530) gezegde - Ene straante meens kómt de halve wèèreld toe. - Een brutale mens heeft de halve wereld.
naam
gezegde - Pierre van Beek - Zo astraant as et houtje van de galg. (Tilburgse Taalplastiek 136)
S.G. blz. 86, 111, 113, 210, 293, 325, 329, 335, 338 (aant. Witters) Hees astrant (1:39) Bosch strant - brutaal
atteljeejzelfstandig naamwoord
Centrale Werkplaats der Nederlandsche Spoorwegen uit Frans atelier; werkplaats
naam
De oorspronkelijke uitspraak rijmt op bier
avelotmogelijk ook uitgesproken als avvelòt - Lowie van Dorrus Misters; onze Tilburgse folklore; Van postwagen en diligence, Nieuwe Tilbugsche Courant 1951-12-11 - Postagentschappen bestonden nog niet. Wel verkocht men in sommige winkels postzegels, maar met verhoging van een halve of hele cent en daar werd 70 jaar geleden ook rekening mee gehouden. Men verkocht bijvoorbeeld postzegels en schrijfbehoeften, velletjes brievenpapier, brievenzekskes of avelotten (enveloppen), pennen en inkt in t Herringsend (Haringseind, Korvelseweg) bij F. v.d. Hout-Becx, op Korvel bij Trui Bos (recht tegenover de brievenbus), in den Berrendijk (Berkdijk) bij Piet van Heijst. Zo zal het in andere buurten ook wel geweest zijn.
avvegaosiezelfstandig naamwoord
drukte; afgeleid van navigatie
avvekaotzelfstandig naamwoord
advocaat (beroep); ook de drank maar in dat geval meestal in de verkleinde vorm:
- Kees & Bart; krantenrubriek In Tilburgsche Post, 1922-193? - avvekaot
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t klokhuis van Brabant; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1929-10-23 -...dè valt dur ginneneene avekaot weg te redeneeren.
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-05-29 - Die schiet er in as unne avvekaot in de hel - iets gaat heel makkelijk; advocaten komen uiterst gemakkelijk in de hel
- Pierre van Beek; Dialect en spreekwijzen; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1959-01-10 - De timmerman zei: Die spijker schiet in de plank als n advokaat in de hel.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 12 27 - Ons opoe moet n avvekaotje...
- Noord en Zuid; jaargang 2, 1879 avvekaat - ...redeneert as n avvekaat in een kakstoel - zijne redeneeringen beteekenen niet veel...
- Noord en Zuid; Diverse Meijerrijse woorden; jaargang 10, 1887 - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook van (...) avverkaat...
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 avvekoot - advokaat
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - advocaat - aveku:t; de gekende likeur; verkleinwoord aveköke
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 a(d)vocaat - iemand die goed ter taal is: t Is nen avocaat - hij kan goed spreken (vergelijk klappen gelijk nen avocaat); ook: avekaat (korte a in eerste lettergreep)
avvekòtjezelfstandig naamwoord
avvenantbijwoord
voorkomend; uit Frans (à l)avenant (dien)overeenkomstig, in overeenstemming met
avventoebijwoord
nu en dan, af en toe
avvertènsiezelfstandig naamwoord
advertentie
avveseerewerkwoord
opschieten, voortmaken, zich haasten, avanceren; uit het Frans avancer uitspraak in gebruik naast 'affeseere'
avveteerewerkwoord
adverteren, te koop lopen met
avvezaansbijwoord
voortgang, vooruitgang uit Latijns abundantia
awirbijwoord
alweer
azèènzelfstandig naamwoord
azijn
azzoesamentrekking
als ze je --> asse oe --> azzoe