aachste
telwoord

achtste

- Willems; Dialectenquête, 1887 - aachste
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 aachste - aacht+st wordt aachste, achste
aachste
aacht
telwoord

acht

- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - Zèède göllie meej aachte? - Zijn jullie met z'n achten?
- Willems; Dialectenquête, 1887 aacht
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1968-04-05 - aacht vorse bukkeme
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 159, 04-09-1972 - Tot de oud-Tilburgse exclamaties, die men echter nog maar zelden te horen krijgt, behoort: "Jao zeuve (zeven), zeuve, mee de Maai (Mei) aacht!" Ze betekent: Ja, dat geloof ik wel, je kunt me nog meer vertellen! Of: Ben je bedonderd!
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 137, 18-11-1971 - Een ongelovige Thomas reageerde op dit verhaal met: "Zeuven, zeuven en mee de maai (mei) aacht!" Dat betekent zoveel als: "Je kunt me nog meer vertellen" of ook wel - en dan hebben we dan weer met eigen idioom te maken! - "kletskoek op een houtje!" - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - As aawhoere troef is, kunde gij gerust aacht slaoge bieje...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun op collecte, aflevering 3; Nieuwe Tilbugsche Courant 1939-08-12 1939-08-26 - Al pekaantekes aacht-en-taagentig ben ik!
aachter
  1. voorzetsel

    achter

    - Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - Himmòl aachter zaat de vurzitter aachter de tòffel.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1958-01-18 - ...aachter t scheurmikske...
    - Stadsnieuws, 2008-06-29 - Ik gao vanaovend es vruug aachter de gebraajde broek van ons Kee!
  2. 2. bijwoord

    - Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - ok de vurzitter stond eraachter - ook de voorzitter stond erachter
  3. 3. bijvoeglijk gebruikt

    - WBD - aachterste ketier links/rèèchs linker-/rechter achterkwartier van de koeie-uier
aachteraaf
bijwoord

achteraf 1. bijwoord van tijd

aachteraon
bijwoord

achteraan

- H. & M. Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003 - Achteraan komen as de kloten van de armelui. Geciteerd uit Nicolaas Daamen, Handschrift Tilburgs Dialect (1916).
aachterbekaare
  1. bijwoord

    achter elkaar, meteen

    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-04-20 "Wildet aachtebekaare af maoke? vroeg ie (de politie-agent) toen.
    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-18 - dan moette die aachterbekare uit d'r baontje worre geschupt
    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-18 - Aachterbekare de naome van die gruunteboere in de kraant en d'r zaok overdoen aon 'n aander!
    - Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, 2004 - Nor bèd zèkkoe, èn aachterbekaaren ôok!
  2. bijwoord

    direct, meteen, op stel en sprong, achter elkaar

    - Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - Zègt dèttie aachtermekaare komt. - Zeg hem dat hij meteen moet komen.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-12-19 - En doeget mar aachtermekaar dan heddet zôô vurmekaare..
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - wènne kaojen hond; hij bèt aachterbekaare
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - aachterbekaare, aachtermekaare - meteen, onmiddellijk
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Ik staak aachtermekaar menne vinger op.
    - Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Als je vraagt wat een bepaald iemand doet (voor de kost...): - Niks, èn dan hil lang aachter mekaar!
aachterdeur
  1. zelfstandig naamwoord

    achterdeur

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - lap èn leur komt aachter deur, dur de aachterdeur - het gewone volk komt achterom
  2. bijwoord

    binnendoor, binnenweggetjes nemen, smokkelen van tabak in de oorlogsjaren

    - Interview Jolen, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Jè, toen waaren er wèl siegaare (in den ollòg) mar dè is allemòl aachterdeur, hè Inlandse siegaare ok jè, van inlandse tebak mar dè was niks
    - Interview Jolen, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - As we gèère nòr et vliege ginge kèèke, ginge we nòr Gielsaachterdeur waarder zôo!
aachtere
bijwoord

- WBD III.1.1. aachtere - naar de WC gaan, naar achteren moeten
aachterènd
zelfstandig naamwoord

achtereind

- WBD - achterènd, aachterènd (achter)einde van de ketting
aachterèùt
bijwoord

achteruit

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - alleej vurt, aachterööt - toe, ga achteruit
- Theo de Wijs, correspondentie met Cees Robben, 1968-03-20 - Ge zèt n aachteruit gezet menneke, ik zal jou wellus goed bestruive (verwennen) !
aachterhaand
zelfstandig naamwoord

- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - óp de aachterhaand zitte - de laatste speelbeurt hebben (bijvoorbeeld bij kaartspel)
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - op daachterhand zitte - de laatste speelbeurt hebben
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - achterhand - op de achterhand zitten; bij kaartspelers - de laatste (kaart) moeten spelen
aachterheene
bijwoord

achterna, achteraan

- Stadsnieuws, 2008-10-26 - Ik ging der sebiet aachterheene, mar hij pèèrde dertussenèùt...
aachterhèùs
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD - bijkeuken (op de boerderij); ook moos, goot of washèùs genoemd.
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - achterhuis - huis dat niet tegen de straat gebouwd is, maar achter de huizen der straat
  2. Schilderij: Th. Gèricault; 19e eeuw

aachterkaant
zelfstandig naamwoord

achterkant, achterzijde

- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1990 - Vêêrrufde alleen dun aagterkaant of paktut gelêêk ?
- WBD - achterste deel van het paard, ook genoemd krös of broek
aachterkaant
aachterlek
naam

achterlijk, ouderwets

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg - Et ha ammòl hil aanders kunne lôope as we nie van die aachterleke aawelui han gehad.
aachtermekaare
bijwoord

direct, meteen, op stel en sprong, achter elkaar

- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - Zègt dèttie aachtermekaare komt. - Zeg hem dat hij meteen moet komen.
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-12-19 - En doeget mar aachtermekaar dan heddet zôô vurmekaare..
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - wènne kaojen hond; hij bèt aachterbekaare
- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - aachterbekaare, aachtermekaare - meteen, onmiddellijk
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Ik staak aachtermekaar menne vinger op.
- Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Als je vraagt wat een bepaald iemand doet (voor de kost...): - Niks, èn dan hil lang aachter mekaar!
aachtermiddag
zelfstandig naamwoord

namiddag, achtermiddag, het einde van de middag

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1940-04-13 1940-08-24 - Op nen aachtermiddag zaag Kareltje vanuit den tuin n paor lange beenen langs de heg stappe...
aachternaom
zelfstandig naamwoord

achternaam, familienaam

- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - Hoe hiet ie meej zenen aachternaom?
- WTT; 2011 - de vraag naar de achternaam van ene persoon wordt meestal gesteld als: van aachtere, bijvoorbeeld: hoe hiet ie van aachtere?
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - achternaam - familienaam, geslachtsnaam
aachterom
zelfstandig naamwoord

achterom, door de achterdeur

- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - As we jou tóch nie han, èn de vurste deur nie, dan moesse we aaltij aachterom!
- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - aachterom ist kèr(re)mes - laat de bewoners niet onnodig naar de voordeur komen; ga gerust achterom.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek nr. 53, 14-05-1966 - Normaal was het destijds bij de gewone man "achterom kermis". Vóór was het nogal eens "ketting op de deur", vooral bij de boeren. Men kon dan tenminste niet ineens met de deur in huis vallen.
- Jan Naaijkens, Dès Biks, 1992 - aachterom - aachterom is t kèrmis, achteringang; ook aachterum
- WNT - als zelfstandig naamwoord; dat gedeelte aan de achterzijde van een boerenstolp, waar des winters het jonge vee gestald wordt; soms als straatnaam
aachteroover
bijwoord

achterover

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - stommen aachteroover - dom iemand
aachterop
bijwoord

achterop; vaak naast een werkwoord dat beweging uitdrukt en dan bedoeld als van achteren, aan de achterkant

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-02-09 - Affèn... daor kaampe n stel engelsche waoges heur aachterop gereeje
aachterötboere
werkwoord

achteruitboeren, (langzaam) achteruitgaan (in zaken) aachterötboere - boerde(n) aachterèùt - aachterötgeboerd

- Stadsnieuws, 2007-08-08 - Vanaf dè hullieje paa öt de zaok is gegaon, heetie alleen mar aachterötgeboerd.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - achteruitboeren - achteruitgaan in stoffelijken zin
- WNT - achteruitboeren - eigenlijk: als boer slechte zaken doen; bij uitbreiding: in t algemeen achteruitgaan in stoffelijke welvaart
aachterötlôope
werkwoord

achteruitlopen

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 55, Nieuwsblad van het Zuiden 11-05-1968 - "Die zaak loopt achteruit as 'n pèrd (paard) trekt" betekent, dat een zaak zienderogen achteruitloopt. - WBD III.1.2:159 - achteruitlopen - achteruitgaan
aachterste
  1. naam

    achterste achterdeur

    - Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - de aachterste deur - de achterdeur
    - WBD - achterste wendakker; de het verst van de ingang af gelegen keerstrook voor de ploeg (in Hasselt)
    - WBD II:952 aachterste; achterste dwarsbalk van een handweefgetouw
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936) achterste - hij stond den achterste/het achterste; het paard stond op zijn achterste pooten
  2. 2. zelfstandig naamwoord achterwerk, billen

    - Nicolaas Daamen, Handschrift Tilburgs Dialect,1916 - aachterste - ik sloeg em vur znen aachterste
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek eerste serie, aflevering 2, Nieuwsblad van het Zuiden 18-02-1950 - "Zô kwaod (kwaad) as 't aachterste end van den duvel" is een ietwat lange superlatief voor "kwaad"
    - WBD III.1.1. - achterwerk achterste (verspreid in Tilburg)
    - WBD III.1.1. - bil, dij achterste (Tilburg)
    - WNT achterste - de achterste deelen van het lichaam in de nabijheid van den aars; alleen in gemeenzamen stijl
aachterstèl
zelfstandig naamwoord

achterstel

- WBD - koej meej goej aachterstèl - koe met mooie billen, ook genoemd: vierkaante, schoon gedraajde, meej goej/ mooje bille
aachtersteveure
  1. bijwoord

    achterstevoren

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aachtersteveure verkeerd om, achterstevoren
    - WBD - et kalf zit aachtersteveure of gedraajd - het kalf zit met de kop naar achter, dus verkeerd (vóór de geboorte)
    - WBD III.4.4:309 - ten achterstevoren - averechts, verkeerd
  2. Cees Robben, Prent van de week, 1975 -05-30

aachterstevurre
  1. bijwoord

    achterstevoren

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aachtersteveure verkeerd om, achterstevoren
    - WBD - et kalf zit aachtersteveure of gedraajd - het kalf zit met de kop naar achter, dus verkeerd (vóór de geboorte)
    - WBD III.4.4:309 - ten achterstevoren - averechts, verkeerd
  2. Cees Robben, Prent van de week, 1975 -05-30

aachterwèèrk
  1. zelfstandig naamwoord

    het achter zijn, achter lopen met het werk, achterwerk van de mens, 1. achterstand in werkzaamheden

    - Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - in oew aachterwèèrk zèèn - achter zijn met werk
    - Theo de Wijs, correspondentie met Cees Robben, 1967-07-09 - Eigenluk hekkut vuls te druk, ik zit flink in mn aachterwerk!
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1975-05-30 - Zeg mar tege jöllie moeder det nie geleege komt vur de koffie omdak te wèèd in mn achterwèèrik zèè...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1967-11-17 - Ze zitte daor mee dr allemolle flink in dr aachterweèrek...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1987-09-11 - Ge zit wir in oe aachterwèèrik...
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - achterwerk - in zijn achterwerk zijn; met iets ten achtere zijn
    aachterwèèrk
  2. 2. achterwerk, kont, achterste

    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-04-06 - Wel, die keek veul valsch nor dè jaogertje en toen zeet-ie: Wè sudde gij dan doen azzoe aachterwèrk in braand stint!?
    - WBD III.1.1. achterwerk - achterwerk
    - WBD III.1.1. bil c.q. dij achterwerk
    - WNT achterwerk - figuurlijke opvatting: schertsende benaming voor het lichaamsdeel dat veelal het achterste genoemd wordt
aachtien
telwoord

achttien

- Willems; Dialectenquête, 1887 - aachtien
aachting
zelfstandig naamwoord

achting

aachtkaanteg
zelfstandig naamwoord

achtkantig; in de zin van onbeholpen, grof, lomp, als zelstandig naamwoord: iemand die die indruk maakt

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aachtkaantege - grof en onbehouwen iemand
- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - aachtkaanteg - onbeholpen, onbehouwen, lomp
- Stadsnieuws, 2009-09 - Dès naa ècht enen aachkaantegen boer.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - achtkantig achtvlakkig; ook in de uitdrukking nen achtkantigen boer - lompe, onbeschofte persoon; in Nederlands achtkante boer
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 vierkantige - iemand met plompe manieren; ne vierkantigen boer - achtkantig - lomp, plomp van manieren, dom van voorkomen
aachtkaantege
zelfstandig naamwoord

achtkantig; in de zin van onbeholpen, grof, lomp, als zelstandig naamwoord: iemand die die indruk maakt

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aachtkaantege - grof en onbehouwen iemand
- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - aachtkaanteg - onbeholpen, onbehouwen, lomp
- Stadsnieuws, 2009-09 - Dès naa ècht enen aachkaantegen boer.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - achtkantig achtvlakkig; ook in de uitdrukking nen achtkantigen boer - lompe, onbeschofte persoon; in Nederlands achtkante boer
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 vierkantige - iemand met plompe manieren; ne vierkantigen boer - achtkantig - lomp, plomp van manieren, dom van voorkomen
aachtuuremis
zelfstandig naamwoord

H. Mis van acht uur 's morgens

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg - Op dieje zondag, den irste februari 1953, waar ik meej ons Thea nòr de aachtuurse mis gewist.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - achturemis - Mis die ten 8 uren begint.
aachtuursemis
zelfstandig naamwoord

H. Mis van acht uur 's morgens

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg - Op dieje zondag, den irste februari 1953, waar ik meej ons Thea nòr de aachtuurse mis gewist.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - achturemis - Mis die ten 8 uren begint.
Aadam
naam

- H. Mandos & M. Mandos-Van de Pol; De Brabantse Spreekwoorden, 2003 - Witte wa Adam docht toen hij veur 't eerst zat te poepen? Hij docht da hij een stert kreeg. Weet je wat Adam dacht toen hij voor het eerst zat te poepen? Hij dacht dat hij een staart kreeg. Reactie als iemand zegt: ïk docht .... Opgetekend in Tilburg 1955.
- WBD III.1.4:345 adammen - zwoegen
aadel
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - meense van aadel hèbbe gin voor in der kont
aaf
  1. bijwoord

    af, van 1. af

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - den grotsten hits is ur naa wèl aaf - hij is nu wel bekoeld
    - Willems; Dialectenquête, 1887 - aafkèèke - afkijken
  2. 2. van

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel; Nieuwe Tilbugsche Courant 1939-05-20 - 1939-06-17 - Dè bericht sloeg in as nen bom! Baozel wier dr stil aaf!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 12; Nieuwe Tilbugsche Courant 1938-12-17 - Daor zeg ik niks aaf!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel; Nieuwe Tilbugsche Courant 1939-02-25 1939-04-18 - Hij wier dr wit aaf!
    - H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch; Vurreej, 1932 - Wa zodde daoraaf zeggen ?
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - Op kaart 77 (van/af) valt Tilburg juist in het af/aaf-gebied; even zuidelijk heeft van de overhand.
  3. 3. eraf, vanaf, er vanaf

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - aaf/af; afblèève, blèèft er aaf
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ge wit ur niks aaf - je weet er niets van
aaftermiddaag
zelfstandig naamwoord

achtermiddag, namiddag

- J.M. Van der Donck; Van de Schelde tot de Weichsel, 1882 - vruug op den aaftermiddaag op weg nor 't durp
aaftrappe
werkwoord

aftrappen, te voet op pad gaan, weg gaan

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1957-09-21 - Ze trappen t aaf... [gezegd van een harmonie die gaat dauwtrappen naar Den Bosch]
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-01-16 - Gao toch gaa.. en trappet aaf...
aai
zelfstandig naamwoord

Schilderij van Diego Rodriguez: 'Oude vrouw pocheert eieren' (detail) aaj ei, eieren, verkleinwoord aajke

aaj
  1. 1. ei

    - Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - Hoe is oew aaj? - Hoe is je ei (zacht genoeg)?
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1981-09-02 - En vandaog wil ik slaoi mee juin meejaai meejèèrepel...
    - Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Op dieet, 2009 - Den êenen dag ' n maoger lèpke./Den aanderen dag 'n harde aaj. (vrouwelijk gebruikt)
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 Èn wie was dè ok wir die aatij bij De Kluit èn zôo ooveral kwaam meej zen aajer èn zen viskörref. Hoe hiet die ok wir?
    aaj
  2. werkwoord

    Kan'k un aai hebbe op mijnen botterham? Det he'k liever dan kaas Of tongeworst of jem Och wilde gij vur mijn un kiepeaaj gon kope Want ik ka nut waoter Ut mijn bakkes vuule lope...

    - Zegsman J. Sicking, in H. Mandos & M. Mandos-Van de Pol; De Brabantse Spreekwoorden, 2003 - met een legei zitten - bedrogen uitkomen. Opgetekend Tilburg 1970.
  3. Godfried Schalcken - Vrouw die een ei tegen het licht houdt om te zien of het bevrucht dan wel bebroed is. 2. eitje

    - Van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1929-04-20 - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan gaon we veugeltjes zuuken en we vinden veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enzovoorts
    - Van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 111; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1929-04-27 - Hij heeft er ook een eike bijgeslagen... - Hij heeft er zich ook mee gemoeid; Hij heet er t zijne bijgedaon.
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun op collecte; Nieuwe Tilbugsche Courant 1939-08-12 - 1939-08-26 - Ge waart in et kiepenhok gekropen en ge had er aaikes uit de nist gehaold...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Boere-Profeet; Nieuwe Tilbugsche Courant 1939-07-01 1939-07-29 - Een verstaandige kiep kaokelt pas as 't aaike geleed is!
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1954-04-17 - Bij unne Paose paast n aaike.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1956-04-28 - Tiest Vermeeren haoj n kiepke... / En die preutse pik-madam/ Leej n aaike... en t woog zuiver.../ Honderd-vijf-en-sistig gram...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1971-05-22 - Ze wordt gevierd as n vuil aaike...; ze wordt goed verzorgd
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1984-06-15 - Lust ons piskouske n koppel aaikes van de tiet-tiet-tiet...
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - en goej meens, mar ze moes en aajke lusse van en zwart kiepke - heel traag mens
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - aajke öt de fles - advocaatje
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 157; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1972-06-22 Ze is bang, dat ze haar eitjes verloren legt, werd er gezegd van een suikertantetje, dat maar niet tot een beslissing kon komen hoe zij haar nalatenschap onder de neefjes en nichtjes zou verdelen en voortdurend gekweld door de vrees, dat er wel eens centjes op de verkeerde plaats terecht zouden komen. Ook een loslopende kip legt haar ei wel eens verloren", namelijk op een plaats, waar de boerin in het algemeen niet pleegt te komen om eieren te rapen. Wordt zon ei toevallig later ontdekt dan bestaat de kans, dat het bedorven is doordat het op de verkeerde plaats lag.
    - Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1959-03-19 - Ik heb nog een eike met hem te pellen; of: een appeltje met hem te schillen - Ik moet hem nog eens ernstig over iets onder handen nemen; ik wil hem eens flink de waarheid zeggen.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 157, Nieuwsblad van het Zuiden 22-06-1972 - "Ze is bang, dat ze haar eitjes verloren legt", werd er gezegd van een suikertantetje, dat maar niet tot een beslissing kon komen hoe zij haar nalatenschap onder de neefjes en nichtjes zou verdelen en voortdurend gekweld door de vrees, dat er wel eens centjes op de verkeerde plaats terecht zouden komen. Ook een loslopende kip legt haar ei wel eens "verloren", nl. op een plaats, waar de boerin in het algemeen niet pleegt te komen om eieren te rapen. Wordt zo'n ei toevallig later ontdekt dan bestaat de kans, dat het bedorven is doordat het op de verkeerde plaats lag.
    - H. Mandos & M. Mandos-Van de Pol; De Brabantse Spreekwoorden, 2003 - Er z'n eike ook bij slaon. Zijn ei er ook bij slaan. Er zich ook mee bemoeien. (Een extra ei bij het beslag doen.) Opgetekend in Tilburg 1986.
    - Zegsman A. Knegtel, geciteerd in H. Mandos & M. Mandos-Van de Pol; De Brabantse Spreekwoorden, 2003 - n eitje mee in t korfje leggen, ook een eitje in het korfje leggen - medezeggenschap hebben
  4. Sticker van de Tilburgse carnavalsvereniging 'D'n Scharrelaajkes', 2019. 'Scharrelaajke' is onzijdig en zou eigenlijk in het meervoud het lidwoord 'de' moeten hebben, niet 'd'n'. Uitdrukking - Èrges aajkes onder lègge overdreven ter wille zijn, verwennen

    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1968-06-28 - Mister, ge mot er op tèèd wè aaikes onder lègge...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1966-03-04 - Ik moet er af en toe welles n aaike onder legge...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1965-04-30 - Mar as ik op mn liste beenen liep, Merie.. Dan wieren dr bij men aaikes onder geleej...
    - Theo de Wijs, correspondentie met Cees Robben, 1966-02-24 - Ik maag um gère, ge mot er zo af en toe ns n aaike onderlegge, dan komt ie wel op gang!
    - Tony Ansems; Toon; cd Tilburgse Liekes American Style, 2008 - Hoe wieste wégge moest zegge/ Hoeger aaikes onder moest legge...
    - Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Tegen een ouder van een kind dat flink verwend wordt: - Ge moet er ammel gin aajkes onder lègge!
  5. 3. eieren

    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1954-04-17 - Komdom daaier zuute kiendjes..?
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1967-03-24 - Hardlèèvig (...) van al die harde aaier... - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1959-03-28 (Ge) komt bij men meej oew aaier nao de Paose..! [Je komt met je eieren na Pasen, dus: je komt te laat.]
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, eerste serie aflevering 7, Nieuwe Tilbugsche Courant 1950-03-18 - Wie zich hoort toevoegen, dat hij inzit over ongeleed aaier (eieren), kan er van overtuigd zijn, dat men van oordeel is, dat hij zich bezorgd maakt over zaken, die daartoe geen aanleiding geven. Bang zijn zich aan koud water te branden, zoals het beschaafd Nederlands kent, vertoont hiermede dus veel overeenkomst.
    - Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek, aflevering 172; Nieuwsblad van het Zuiden 12-07-1973 - Een bepaalde manipulatie wilde niet vlotten. Het ging allemaal even moeilijk. Dit ontlokte een Tilburger de opmerking: "'t Zijn geen aaier (eieren) al rollen ze". Uit dezelfde mond noteerden wij: "'t Is geen spek al buigt het". De uitdrukking werd gebezigd toen twee jongens voor plezier aan het worstelen waren. Het lijkt ons, dat ze ook in meer algemene zin gebruikt kan worden, waarin de betekenis dan overeen moet komen met die van de rollende eieren.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 120, Nieuwsblad van het Zuiden 1971-02-20 Twaalf eieren en dertien kuikens! Dat betekent: een buitenkansje of een meevaller. Wie zal dat betwisten!
    - H. Mandos & M. Mandos-Van de Pol; De Brabantse Spreekwoorden, 2003 - et van eier maken - het bont maken (opgetekend in Tilburg 1987). - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 11; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1938-12-10 - ...as ge aaier in oew zakken hebt, dan springen er over 'n uur allemaol jonge kiepkes uit.
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun als opvoeder; Nieuwe Tilbugsche Courant 1940-03-02 - 1940-04-06 - Mar, wè doede gij, slurpte gij de aaier uit, menneke?
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Naa is t wel beroerd demme (in de oorlog) nie zoveul aaikes kunne ete as me willen...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 04 03 - Mee Paose eet ik harde aaier / Dès lekker, daor geniet ik van / Behalve 'n paor daoge laoter / Ak' nie mir naor de plee toe kan.
    - Theo de Wijs, correspondentie met Cees Robben, 1973-04-09 Zèn deez aaier vers? Vers? Ze hadden eigenlijk merrege pas geleej motten worren!
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Naa waren onze kiepe van de leg en ons moeder mar gillen: Naa hebben we gin aaier meej Paosen.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - De aajer waare wir zô goeiekôop degger gin kiepe vur kost haawe.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Zôo hen we un paosaaieractie gehaawe, meej wel virtig man zèn wij in Tilburg langs de deur gegaon om sèùkergoedaaier òn de man te brenge.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - komdom daajer? - kom je om de eieren?
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aajer òf jong - kiezen of delen
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - wèl aajer eete, ók al hèdde gin kiepe; een buitenechtelijke of losse relatie onderhouden met een vrouw
    - Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer, 2009; Den haon sprikt - Gullie wit wèl, biste mèède/ Dèt al gaaw wir Paose wort./ Ik hèb verlèt nòr grôote aaier./ Klèntjes koom ik nie te kort.
    - Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer, 2009; Nie sjouwe - Den dòkter kwaam er òn te paas./ Die zeej: Dè duurt wèl weeke./ Ik ha 'n flinke kaaw gevat,/ dè hattie zôo bekeeke./ Ik moes èlken dag drie aajer eete/ meej enne scheut kejak./ En nao n week toen hak n bakkes/ as enen èèrpelzak./ Ik kan dörrom... sins dieje tèèd/ de aajer nie mir zien./ Meej de kejak, ist aanders meej.../ Die lus ik er wèl tien.
    - Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Vruuger noemde ze t mansvòlk ok wèl vèèrrekes. Naa, as dieje vènt nòr de durskes van plezier ging, ge wit wèl wèk wil zègge, dan zinne ze dèttie gin kiep hield mar wèl aajer ging eete.
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - meej oew aajer nò Paose koome - te laat met een attentie aankomen
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - aajer òf jong .
    - Dialectenquête Kernkamp, 1879 - Ze droagt aaier in t mèndje; ze is zwanger
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - Ge kunt hier aajer krèègen óp de mèrt; meej den doojer van en aaj...
  6. Schilderij van Henri-Horace Delaporte Gerard Dou (detail) - eieren in een mandje Willem-Joseph Laquy (ca. 1765) - eieren in een mandje

aajer maoke

uitdrukking; slechte stoot bij biljarten

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1957-12-21 - Hier maokten ze aaier...
aajer maokeaajer maokeaajer maokeaajer maoke
aajerbluumke
  1. zelfstandig naamwoord

    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - aajerblumke - primula (primula veris); eersteling van de lente
    aajerbluumkeaajerbluumke
  2. Thomé - primula veris

    - WTT 2011: sleutelbloem, ook
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - aajerbluumkes - primula's
    ► 'mertuntje'
    ► 'mertuntje' genoemd
aajerdöpke
zelfstandig naamwoord

eierdopje

aajerdöpke
aajerkoek
zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 eierkoek; der zèn ok gèèl aajerkoeke

aajerkörf
  1. zelfstandig naamwoord

    eiermand

    - WBD III.2.1:207 - eierkorf
  2. zelfstandig naamwoord

    Jean Baptiste Siméon Chardin Edouard Dambourgez aajerprèùm pruim tabak zo groot als een ei

aajketiet
zelfstandig naamwoord

ei (zie aajke); ook aangetroffen voor eigeel

- Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916 - aai-ke-tiet; moeder kraig k in aaiketiet?
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun op collecte; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1939-08-12 - 1939-08-26 - Ge waart in et kiepenhok gekropen en ge had er aaikes uit de nist gehaold en n stuk of tien hadde r op de deur van de schuur kapot gebutst en uitgesmeerd en toen kwaamde mee oew haanden en oew kleere vol aaiketiet binneloope en ge riept dè ge de deur toch zoo schoon geverfd had!
- WBD - aajke-tiet
aajketietaajketietaajketiet
aajne-tswaaje-hoepsekaaj

Tilburgs Duits een-twee-hupsakee

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1979-06-01; de prent haakt in op een bezoek van het Duitse Rode Kruis aan Tilburg.
aalsmèèrges
bijwoord

elke morgen; aal = alle

- H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch; Mn ideaol, 1932 - Aalsmèrges sukkelt ze naor t raom...
aaltij
  1. bijwoord

    altijd

    - Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - tis aaltij wè - er valt altijd wel iets op te merken
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Want liefde wordt onder innen schoonen boom aatij t irste en t gemakste verklaord.
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Overal wit ze raod op, alles kent ze, en aatij staosse vur oe klaor, al is t midden in de naacht
    - Pierre van Beek onder pseudoniem Kubke Kladder; Column Uit t Klokhuis van Brabant, Nieuwe Tilbugsche Courant 1929-1930 - Op de irste plots doe'k dè zoo omdè'k nie goed aanders kan, want ik zè zoo lomp as 't aachterste end van 'n vèrreke, heej me onze vadder vruger aaltij gezeej.
    - Piet Heerkens svd; Dn Örgel, 1938 - Want Jan Viool ha aaltij lol/ en streek mar tierelierelier/ z'n wange stonden peers en bol/ van bier en van plezier!
    - Piet van Beers; Woone in n rijkeshèùs, 2004 - Woone in n rijkeshèùs/ Is nie aaltij ´n genoege/ Munne linksen buurman barbekjoet/ de rèchtse is de muur ôn ´t voege.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ik vond wel aaltij dè de fraters gezelliger waren in lesgeven, dan misters.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Bij et voetballen zakten die pèèpe van die broek aaltij op oew schoen.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ons moeder droeg aaltij un héél lang klééd tot op der voeten, in bed, as nachtjapon.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Lomperik dè ge zèèt, wè moet de buurt wel nie denken, gij aaltij meej oew gevloek en getier.
    - Henriëtte Vunderink; k Zal van oe blèèven haawe, 2007 -
  2. Ik hèb toch iets meej Tilbörg èn dè is gin schaand. Ik kan er zélf soms ok wèl oover maawe. Toch zal ik aaltij van der blèèven haawe. Et is vur mèn: de schonste stad vant laand.

    - Piet van Beers; gepubliceerd op CuBra, 16 december 2002 -
  3. Ik hèb wèl es heure zègge, dè van unne koejenbist, de stront tòch wèl 't bist is... Dès aaltij zôo gewist.

    - Piet van Beers; ongedateerd -
  4. We hèbbe aaltij wè te maawe mar koome èègeluk niks te kort. Eèn ding moete es goed onthaawe. Dè is: Dè ´t aaltij mèèrege wordt.

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1972-03-10 - Ik ben naa vèèf en dartig jaor bij de Reiniging en ik heb nog aaltij munne irste bissum...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-10-17 - Wilde n schutje... (koffiemelk...) Gif mar unne scheut... Ik ben nog aaltij goed rôôms...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1985-08-16 - Meense dieter ginne eene hebbe... hebben t aaltij over aander meense geld...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-02-12 - (vraag van een vriend aan een zieke...) Hoe is ter meej bruur... Nog aaltij deuzig war..
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1979-05-18 - Ze haauwt aaltij dren pôôt stèèf...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1981-12-18 - Den lompsten boer hee aaltij de grôôtste èèrepel...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1979-02-02 - Ik heb aaltij goed gelimmeneerd...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1972-05-19 - De goei gaon aaltij t irst...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1970-03-29 - Kaoije snevel smaokt me toch aaltij nog beter dan goei wèèrk...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-08-15 - Den spulleman zit bij ons nog aaltij op t dak...; we zijn al op leeftijd, maar nog seksueel actief
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-04-03 - Ze zeej aaltij wesse doe..
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - hij is aaltij teegen et regeur
aame
tussenwerpsel

amen; het zij zo

- Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, 2004 - aamen èn ze kwaamen èn ze aaten alles op - uitdrukking die een einde aan een gesprek maakt
aamper
bijwoord

amper, nauwelijks

- Kees & Bart; krantenrubriek in Tilburgsche Post 1922-193? - aamper
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - nog mar aamper zistien jaoren
- WNT - amper - ternauwernood, nauwelijks. In Noord-Nederland en Vlaams-België algemeen gebruikelijk, bij uitbreiding: nauwelijks. Etymologie - Komt op Germaans gebied alleen in onze taal voor. Zou dus ontleend kunnen zijn aan Maleis ampir - dicht bij, bijna
aamperaon
bijwoord

amper; sterker dan aamper

- Lechim, pseudoniem van Michel van de Ven; De Tilburgse Koerier, 7 februari 1980 - Mar aamperaon twee daoge laoter / Stond ie wir kwèkend vur de deur...
aamperkes
bijwoord

aander
  1. 1. en aander - (een) ander, iemand anders; vaak gewoon iemand

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - praoten oover en aander
    - Cees Robben; Prent van de Week, ongedateerd knipsel - Ik gun en aander ók wèl wè...
  2. 2. den aandere - de andere

    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 - den aandere - een niet nader genoemd persoon die in het vervolg geciteerd wordt.
    - WTT 2020 - ...zi den aandere!
  3. 3. om de anders(t)e, aanderse, aanderst(e ) - om de andere; de ene keer wel, de andere keer niet

    - Cees Robben; Prent van de Week, ongedateerd knipsel - om de aanderste deur
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aanderst - andere
    - Dialectenquête Willems, 1887 - oover aanderse dag - om den anderen dag
    - WBD III.4.4:120 - om de andere dag - om de dag; ook om de anderste dag
  4. 4. op en aander - ergens anders, bij iemand anders

    - Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - op en aander slaope - logeren
    - Kees & Bart; krantenrubriek in Tilburgsche Post 1922-193? - óp en aander kôope
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-01-16 - Ruurt oe tungske op n aander...
  5. 5. de aander - de volgende dag, week

    - Cees Robben; Prent van de Week, ongedateerd knipsel - saanderendags
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 10 21 - As 't d'aander week wir woensdag is...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 09 04 - D'n dokter kwaam d'n aand'ren dag / En hee'tem is bekeeke.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 06 11 - Marylin Monroe's behaatje / Is in d'aander week te kòòp / Daor zulle kòòpers zat vur koome / God maag weete hoe'nen hòòp.
    - A.P. de Bont; Dialect v. Kempenland, 1958 - den anderen dag - de eerstkomende, eerstvolgende dag
    - Jan Naaijkens, Dès Biks, 1992 - ander - eerstkomend, elders
aandere
werkwoord

veranderen

- WBD III.4.4:315 - anderen - veranderen
aanderhalf
telwoord

anderhalf

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aanderhalve meens èn ene pèèrdekòp - weinig publiek
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, circa 1990 - daor lópt vur aanderhalve cènt; met name met betrekking tot plebs
aandermans
naam

andermans

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - voejer zuuke vur aandermans gèèt - werken voor een ander
aanders
bijwoord

anders

- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - vruuger was et ammòl aanders - vroeger was alles anders
- Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - Waorom n revue? Och t is weer s wè daanders en weer s wè nuuws.
- Cees Robben; Prent van de Week, ongedateerde aantekeningen - niks aanders as ...; zoo ist èn nie aanders...; mar wöròm zot ok aanders gaon...; aanders gaode mar is...; agge me naa nòg nie gelêuft, maok ik oe wèl wè aanders wèès...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aanders, aanderst - anders; vruuger waar ut ammòl aanders
- Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, 2005 - ...vruuger waar dè wèl aanders!
- Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Iemand zegt wat hij gaat doen maar het interesseert je niet bijster: - ge ziet mar èn aanders kèkte mar!
aangst
zelfstandig naamwoord

angst

- WBD III.1.4:293 - angst - angst
Aante
naam

Aant (met de e van de tweede naamval)

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1974-03-29 - Ik weet t van Aante, en die heeget van iemes , die t ôok geheurd heej...
Aantwèrps
naam

Antwerps

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Aantwèrps jaor - drie maanden [zonder nadere toelichting.]
- H. Mandos, M. Mandos-van de Pol; De Brabantse Spreekwoorden, 2003, lemma jaar-5 - Er nie langer werken dan een Antwerps jaar. Het in een betrekking niet lang uithouden. (Gewoonlijk is het een periode van zes maanden.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Aantwèrps jaor - drie maanden; de Antwerpenaar overdrijft graag...
- Ed Schilders; WTT 2020 - andere, met name Antwerpse bronnen, houden het op een periode van zes weken. Verklaringen tot nu toe niet gevonden.
Aanvulling 30 mei

Nieuw biermerk gesignaleerd: Quatserd, een quadrupel!

Aanvulling 30 meiAanvulling 30 mei
Aanvulling 9 november

Vanmiddag kregen we van gastvrouw Marie-José in Lage Mierde een quukske bij de koffie. Erg lekker. En extra leuk: het woord is ook ingebakken in de koekjes.What you read is what you eat. En als zelfs Jumbo dialect verkoopt in zijn winkels gaat het prima met de waardering van de Brabantse dialecten.

Aanvulling 9 november
aar
  1. tussenwerpsel

    - WBD - aar - naar links; commando voor een paard
    - WBD - aarom, aarewèch (uitsluitend in Hasselt) - naar links; bovendien zijn nog in gebruik: hier en hieróm - naar links
    - WNT, IX - haar - Een voermanswoord in Overijssel, Gelderland, Nederlands en Belgisch Limburg, Noord-Brabant en Zeeland; gebruikelijk om het paard naar links te doen gaan.
  2. Schilderij (detail) van Pieter Claesz - 17e eeuw

aarbeezie
zelfstandig naamwoord

aardbei

- WNT - aardbezie - Deftige en wetenschappelijke naam der bekende vrucht van de aardbezieplant, waarvan aardbei de meer gewone en dagelijksche benaming is.
aarbeezie
► èèrbeezie; èèrbeezem
aarbei
zelfstandig naamwoord

aardbei soms ook als meervoud i.p.v. aarbeije

- Nel Timmermans; De zigeuners kwaame op de Reeshofdèèk; CuBra, circa 2002 - Die vrouwe schôote metèèn bij ons de moestèùn in waor aarbei en bôone groeide die ze metêen begonne te plukke.
aarbei
aas
zelfstandig naamwoord

as, stof

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-03-04 - Van aas gemaokt.... De dood die wocht...
aase
zelfstandig naamwoord

as in oude spelling ook geschreven als aasch, aasche, assche

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post 1922-193? - daasche uitkruie [de overblijvende rommel opruimen]
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post 1922-193? - asschewoensdag
- Cees Robben; Prent van de Week, ongedateerd knipsel - öt de aase vant verleeje
- Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven, 26-02-1955 - asse-kröske
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ek val tusse twee stoele(n) èn d'aase - ik kom maar niet verder
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ek hèb aatij de aase vur em ötgekroje - het vuile werk voor hem gedaan
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - K-val tusse tweej stoel èn d-aase - Ik kom maar niet verder; heb geen houvast meer
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - aasse (bij voorkeur in het meervoud) - tusse tweej stoele deur in d'aasse valle...
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - ass(ch)e en ass(ch)en; wordt altijd gebezigd voor asch
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937; met gerekte vocaal bladzijde 106 en kaart 79
- A.P. de Bont; Dialect v. Kempenland, 1958 - asse(n), meervoud aassen - as
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - asch, ase - .... asch is verbrand hout
- WBD - askèùl - ashok; bewaarplaats voor as, vaak gelegen onder de bakoven
- WBD III.3.3:225 - askruisje, assenwoensdag
- WNT - asch; in ouderen vorm assche
- WNT - asch; meervoud asschen - evenals latijn cineres en frans cendres, niet zelden gebezigd, in collectieven zin zonder eene eigenlijk meervoudige betekenis, soms zelfs als een enkelvoud opgevat.
- Statenbijbel II, Petr.2.6 - Ende de steden van Sodoma ende Gomorra tot asschen verbrandende... (meervoud)
aast
zelfstandig naamwoord

drijfriem van een machine

aat
werkwoord

at, meervoud aate(n); verleden tijd van eete eete - aat - gegeete

- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - In den ològ aate ze veul èèrpel - In de oorlog at men veel aardappels.
- Cees Robben; Prent van de Week, ongedateerde aantekeningen - ...dan aat ie öt de haand; ...asse wiese wè ze aate; et kèènd aat goed...
aatij
  1. bijwoord

    altijd

    - Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - tis aaltij wè - er valt altijd wel iets op te merken
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Want liefde wordt onder innen schoonen boom aatij t irste en t gemakste verklaord.
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Overal wit ze raod op, alles kent ze, en aatij staosse vur oe klaor, al is t midden in de naacht
    - Pierre van Beek onder pseudoniem Kubke Kladder; Column Uit t Klokhuis van Brabant, Nieuwe Tilbugsche Courant 1929-1930 - Op de irste plots doe'k dè zoo omdè'k nie goed aanders kan, want ik zè zoo lomp as 't aachterste end van 'n vèrreke, heej me onze vadder vruger aaltij gezeej.
    - Piet Heerkens svd; Dn Örgel, 1938 - Want Jan Viool ha aaltij lol/ en streek mar tierelierelier/ z'n wange stonden peers en bol/ van bier en van plezier!
    - Piet van Beers; Woone in n rijkeshèùs, 2004 - Woone in n rijkeshèùs/ Is nie aaltij ´n genoege/ Munne linksen buurman barbekjoet/ de rèchtse is de muur ôn ´t voege.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ik vond wel aaltij dè de fraters gezelliger waren in lesgeven, dan misters.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Bij et voetballen zakten die pèèpe van die broek aaltij op oew schoen.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ons moeder droeg aaltij un héél lang klééd tot op der voeten, in bed, as nachtjapon.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Lomperik dè ge zèèt, wè moet de buurt wel nie denken, gij aaltij meej oew gevloek en getier.
    - Henriëtte Vunderink; k Zal van oe blèèven haawe, 2007 -
  2. Ik hèb toch iets meej Tilbörg èn dè is gin schaand. Ik kan er zélf soms ok wèl oover maawe. Toch zal ik aaltij van der blèèven haawe. Et is vur mèn: de schonste stad vant laand.

    - Piet van Beers; gepubliceerd op CuBra, 16 december 2002 -
  3. Ik hèb wèl es heure zègge, dè van unne koejenbist, de stront tòch wèl 't bist is... Dès aaltij zôo gewist.

    - Piet van Beers; ongedateerd -
  4. We hèbbe aaltij wè te maawe mar koome èègeluk niks te kort. Eèn ding moete es goed onthaawe. Dè is: Dè ´t aaltij mèèrege wordt.

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1972-03-10 - Ik ben naa vèèf en dartig jaor bij de Reiniging en ik heb nog aaltij munne irste bissum...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-10-17 - Wilde n schutje... (koffiemelk...) Gif mar unne scheut... Ik ben nog aaltij goed rôôms...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1985-08-16 - Meense dieter ginne eene hebbe... hebben t aaltij over aander meense geld...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-02-12 - (vraag van een vriend aan een zieke...) Hoe is ter meej bruur... Nog aaltij deuzig war..
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1979-05-18 - Ze haauwt aaltij dren pôôt stèèf...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1981-12-18 - Den lompsten boer hee aaltij de grôôtste èèrepel...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1979-02-02 - Ik heb aaltij goed gelimmeneerd...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1972-05-19 - De goei gaon aaltij t irst...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1970-03-29 - Kaoije snevel smaokt me toch aaltij nog beter dan goei wèèrk...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-08-15 - Den spulleman zit bij ons nog aaltij op t dak...; we zijn al op leeftijd, maar nog seksueel actief
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-04-03 - Ze zeej aaltij wesse doe..
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - hij is aaltij teegen et regeur
aaventoe
bijwoord

af en toe

- Lechim, pseudoniem van Michel van de Ven; De Tilburgse Koerier, 21 april 1977 - Ik zè ginne Vondel, ik rommel mar raok,/ Mar aaventoe heur ik : Et valt in de smaok... ...strak zèèdet ammol meej mèn êens/ dè wèèn verrèkkes fèèn is.
- Lechim, pseudoniem van Michel van de Ven; De Tilburgse Koerier, 14 januari 1971 - Et lekt gewôonweg aaventoe/ of we in de Lentetèd zèn...
- Lechim, pseudoniem van Michel van de Ven; De Tilburgse Koerier, 7 augustus 1969 - Ik koom zo mar is aaventoe/ ene keer in de stad...
- Lechim, pseudoniem van Michel van de Ven; De Tilburgse Koerier, 21 april 1961 - k lees zo mar is aaventoe/ 'n Stukske uit de kraant / Want 't grootste part van wetter stao/ Gao hove men verstaand.
aaw
  1. naam

    oud, oude

    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996, pag. 48-49 - et hèùs is oud / aaw; en aaw hèùs; aaw schoene/schoen; aawer hèùze, aawer schoene/schoen.
    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-02-09 - Mar Sjarel, wè worde toch romantisch op oewen aawen dag!
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1954-05-15 - We hebben n haoven mee waoter dr in.../ Mee zaand... en veul aauw ijzer...
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - Zen aaw vlam wier aaw poelie en wier zôo en aaw hòrk...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Hè heej un gezicht van aaw lappe - Hij ziet er slecht uit.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aawe èn jonge jan - allegaartje, rommeltje
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aawesòpper(t) - sukkelaar, tobberd
    - Ad van den Boom, Unnen droom, circa 2005 - Dur de straote van aaw Tilburg
    - G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol, 2008 - De meense wòrre wèl steeds aawer, mar ze gòn jonger lèèke.
    - Dialectenquête Kernkamp, 1879 - n aauw pêrd; nen aauwen boek
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ons aaw hèùs is afgebraand
  2. 2 zelfstandig naamwoord 2.1. datgene wat oud is

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1966-04-15 - Lig nie oover oew schoen te maawe, èn doe naa gaa oew aaw aon...
  3. 2.2. de ouderen, in het bijzonder de oudelui, vader en moeder

    - Hein Quinten, Tilburgse spreuken, ca. 1980 - Ut zen goei jong die nor de aauw aorde
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1985-11-08 - t Zèn goei die naor daauw aore...
    - WBD III.3.1:26 - een oude; ook oude man, oude mens - oude man
  4. 2.3. ouders, vader of moeder

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1976-09-17 - Ik heb det nog nie aon den aauwe gevraoge...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1984-02-17 - Wè trekt ie (het kind) toch op dn aauwe, war/ Haoreender de weergaoi...
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - daaw - de vrouwelijke ouder; beide ouders
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - den aawe - de mannelijke ouder, het gezinshoofd
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - daaw - de vrouwelijke ouder
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - den aawe - vader
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - krèk den aawe - precies zijn vader
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - ouder - a:ver - vader of moeder
    - WBD III.3.1:28 - ouden - ouden van dagen, ook oude mensen, bejaarden
    - WBD III.3.1:27 - een oud, ook oud mens - oude vrouw
  5. naam

    2.4. oudjaarsavond Oudjaarsavond - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-12-30 - Wij speulen wir van t Aauw in t Nuuw - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-12-30 - Ik heb al minstens duuzend keer/ Van t Aauw in t Nuuw gespuld..! - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1986-01-03 - En we speule mar wir deur... mee de kaort van t Aauw in t Nuuwe... - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1971-01-02 - Ze spulden saom van t Aauw in t Nuu..

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - vant aaw int nuuw speule - de jaarwisseling vieren (met kaarten)
  6. 2.5. de oude, degene die je vroeger was; vooral met betrekking tot gezondheid

    - Cees Robben; Prent van de Week, ongedateerde aantekeningen - dègge wir den aawe wòrdt...; ...gij wordt wel wir den aauwe
aawbèt
zelfstandig naamwoord

kletskous, ouwehoer

- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - kletskous, grappenmaker
aawbètte
werkwoord

aawbètte - aawbètte - geaawbèt kletsen, ouwehoeren

- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - Hij blêef mar zitte aawbètte. - Hij bleef maar zitten kletsen.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Hêel dikkels stond ze dan ok nog teege dè soepie in et aachterstròtje te aawbètten.
- Tony Ansems; Agge oew mundje goed ruurt; cd Tilburgse Liekes American Style, 2008 - ...kunde goed ouwbetten?...
aawe
  1. naam

    oud, oude

    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996, pag. 48-49 - et hèùs is oud / aaw; en aaw hèùs; aaw schoene/schoen; aawer hèùze, aawer schoene/schoen.
    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-02-09 - Mar Sjarel, wè worde toch romantisch op oewen aawen dag!
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1954-05-15 - We hebben n haoven mee waoter dr in.../ Mee zaand... en veul aauw ijzer...
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - Zen aaw vlam wier aaw poelie en wier zôo en aaw hòrk...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Hè heej un gezicht van aaw lappe - Hij ziet er slecht uit.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aawe èn jonge jan - allegaartje, rommeltje
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aawesòpper(t) - sukkelaar, tobberd
    - Ad van den Boom, Unnen droom, circa 2005 - Dur de straote van aaw Tilburg
    - G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol, 2008 - De meense wòrre wèl steeds aawer, mar ze gòn jonger lèèke.
    - Dialectenquête Kernkamp, 1879 - n aauw pêrd; nen aauwen boek
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ons aaw hèùs is afgebraand
  2. 2 zelfstandig naamwoord 2.1. datgene wat oud is

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1966-04-15 - Lig nie oover oew schoen te maawe, èn doe naa gaa oew aaw aon...
  3. 2.2. de ouderen, in het bijzonder de oudelui, vader en moeder

    - Hein Quinten, Tilburgse spreuken, ca. 1980 - Ut zen goei jong die nor de aauw aorde
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1985-11-08 - t Zèn goei die naor daauw aore...
    - WBD III.3.1:26 - een oude; ook oude man, oude mens - oude man
  4. 2.3. ouders, vader of moeder

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1976-09-17 - Ik heb det nog nie aon den aauwe gevraoge...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1984-02-17 - Wè trekt ie (het kind) toch op dn aauwe, war/ Haoreender de weergaoi...
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - daaw - de vrouwelijke ouder; beide ouders
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - den aawe - de mannelijke ouder, het gezinshoofd
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - daaw - de vrouwelijke ouder
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - den aawe - vader
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - krèk den aawe - precies zijn vader
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - ouder - a:ver - vader of moeder
    - WBD III.3.1:28 - ouden - ouden van dagen, ook oude mensen, bejaarden
    - WBD III.3.1:27 - een oud, ook oud mens - oude vrouw
  5. naam

    2.4. oudjaarsavond Oudjaarsavond - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-12-30 - Wij speulen wir van t Aauw in t Nuuw - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-12-30 - Ik heb al minstens duuzend keer/ Van t Aauw in t Nuuw gespuld..! - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1986-01-03 - En we speule mar wir deur... mee de kaort van t Aauw in t Nuuwe... - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1971-01-02 - Ze spulden saom van t Aauw in t Nuu..

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - vant aaw int nuuw speule - de jaarwisseling vieren (met kaarten)
  6. 2.5. de oude, degene die je vroeger was; vooral met betrekking tot gezondheid

    - Cees Robben; Prent van de Week, ongedateerde aantekeningen - dègge wir den aawe wòrdt...; ...gij wordt wel wir den aauwe
Aawe Vraant

toponiem De Oude Warande; bosgebied in Tilburg West

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1954-06-12 - Zuutjes kuieren, luikes luieren/ mee munne streup in dAauwe vraant
aawer
  1. zelfstandig naamwoord

    1. leeftijd

    - Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - iemand van mènnen aawer
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - ...ze was taomelijk klein van postuur, vergeleken mee veul aander meiskes van heuren aawer.
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - n Vrouw van mijnen aawer die zooveul hee meegemaokt...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1955-08-06 - n Stuup kênd vur durren aauwer..!
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1967-05-05 - (Ze is...) vuls te wèès vur durren aauwer...
  2. 2. ouderdom, oude dag

    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - ene schôonen aawer - een mooie oude-dag
    - WBD III.2.2:37 - ouderdom, ouder - leeftijd
    - Jan Naaijkens, Dès Biks, 1992 - aaw(er) - voormalig, oud, leeftijd
    - J. H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - ouder - voor ouderdom of in het algemeen voor leeftijd
    - A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - ouwer, aauwer - leeftijd
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - ou(d)er -ouderdom, leeftijd - hij is van mijnen ouwer
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 - ouwer, aawer - leeftijd, ouderdom; den aawer hebben - oud genoeg zijn; hij is van mennen aawer - hij is even oud als ik
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - aauwer, ouwer - ouderdom, leeftijd
aawerdom
zelfstandig naamwoord

ouderdom

- Cees Robben; Prent van de Week, ongedateerde aantekeningen - grèès van den aawerdom; van aauwerdom laag te stèèrve...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun op collecte; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1939-08-12 - 1939-08-26 - De grutmoeder waar al half blend van aawerdom...
- Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek, aflevering 7; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1950-03-18 - Wanneer iemand z'n geld aon z'n hart gewaasen is zijn we niet ver meer van de vrek uit de buurt en men kan er vast van op aan, dat zo iemand wel n halfke kan durbèten (doorbijten) al was 't dè-t-ie van awerdom op z'n taandvlees liep. Men heeft nu eenmaal van die vuil meense - zelfs in Tilburg. Het woord vuil heeft hier niet de betekenis van smerig maar van gierig.
aawers
zelfstandig naamwoord

ouders

- H. Mandos & M. Mandos-Van de Pol; De Brabantse Spreekwoorden, 2003 - Ouders leren de kinderen praten, maar de kinderen leren de ouders zwijgen. Als de kinderen volwassen zijn, willen ze geen commentaar meer van de ouders. Zegsman C. Verschuuren, Tilburg 1984.
- WBD III.2.2:80 - oudershuis - vaderlijk huis
aawerwèts(e) - aawverwèts(e) - ouwverwèts(e) (korte ou
  1. naam

    ouderwets

    - Kees & Bart; krantenrubriek in Tilburgsche Post 1922-193? - aawerwetsch
    - Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - Dan komen daawerwetsche Kôrvelsche figuren van over vijftig jaor terug - aawerwetsch, goeiertrouw en plezierig volk
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-01-16 - Mèèn boerinnekes die blèèven/ Van dn aauwverwetsen staand... - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1968-08-09 - Des nog n aauwverwetse fèèn trip... - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1972-03-10 - Dr gao niks boven aauwverwets getuig...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1957-12-21 - De ouden van dagen han wir is zonne aauwerwetsen aovend bij Tôôntjes in de Lancierstraot
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Dòr stonde vruuger allemel mar van die ouwverwètse höskes, hè Et stond ammel vol mar et was ammel oud!
  2. bijwoord

    - Pierre van Beek onder pseudoniem Kubke Kladder; Column Uit t Klokhuis van Brabant, Nieuwe Tilbugsche Courant 1929-11-7 en 14 - De gawe ketting mee t kruis, die doen ze (de boerinnen in klederdracht) niemer aon... ph!... dès vul te awerwets.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1985-08-23 - In t schensel van de suute maan/ Stond ik werechtig mee ons Sjaans/ Wir aauwerwets te vrijen...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1959-09-12 - Te aauwverwets vur onze tèèd...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aawerwèts, aawverwèts - ouderwets
    - Lechim, pseudoniem van Michel van de Ven; De Tilburgse Koerier, 6 september 1979 - Al wè vruuger aawerwets was/ noemt de jeugd naa "nostalgie"
  3. 3. zelfstandig naamwoord

    - Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Aawkes op Internet, 2009 - Ons Opoe is nog n èchte aawerwètse.
    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-02-02 - t Is nog n aawverwetschte
aawlui
zelfstandig naamwoord

oudelui, ouders

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, Tilburg 1984 - deh hahn ons aawlui moeten zien
- Interview Jolen, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Want ak dan men èège aawlui èn ons moeders aawlui èn onze vadders aawlui... Agge dè öt gaot reekene, war, nèè
aawluuvie
  1. zelfstandig naamwoord

    van de oude stempel

    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - van de oude stempel
    - Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, Tilburg 2004 - aawluuvie - van de oude stempel; van vóór het diluvium (de zondvloed)
    - WTT 2012 - Het woord komt uitsluitend voor in de uitdrukking met van de; hij is, zij is, iemand, het is er een of iets van de aawluuvie. Net als
  2. is het in het Tilburgs dus mannelijk, en niet onzijdig. Het woord bestaat uit diluvium / deluuvie waarbij de eerste lettergreep vervangen is door oud / aaw. In het Standaardnederlands is de uitdrukking gebruikelijk als iets of iemand van vóór de zondvloed om ouderwetsheid of achterlijkheid aan te duiden.

aawmannegesticht
zelfstandig naamwoord

bejaardenhuis voor mannen

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1959-05-16 - Dè menneke uit het aauw-mannen-gesticht...
aawmeut
zelfstandig naamwoord

kletser, ouwehoer, ouwbet, kletsmajoor

- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - Wè zèède toch en aawmeut! - Wat ben je toch een kletsmajoor!
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978) - meuten .... Wie het doet, is een meut of ouwmeut
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - aawmeut - kletsmeier, praatjesmaker
aawmeute
werkwoord

kletsen, ouwehoeren aawmeute - aawmeutte - geaawmeut

- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - Schaaj tòch èùt meej de geaawmeut! - Hou toch op met dat geklets!
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1966-05-13 - En naa moette nie ligge te teute of taauw-meute
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - ...en ge kost es lekker aawmeute meej mekaare.
- WBD III.3.1:42 - smoren en ouwehoeren - (gaan) buurten, kortavonden
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - aawmeute; zelfde betekenis hebben aawbètte, aawfiepe, aawoere, kwatse, maawe
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 - meuten - kletsen; gewoonlijk in verbinding met ouw-, vergelijk ouwehoeren. Wie het doet, is een meut of ouwmeut, waarschijnlijk van moet of meuj; tante.
- Lex Reelick, Bosch woordenboek, 1993 en 2002 - ouwemeute - ouwehoeren, kletspraat verkopen
aawriejôol
zelfstandig naamwoord

aureool

- Ad Vinken; Dn Ouwen Heuvel, tekstboek Tilburgse revue Kannen en Kruiken, 1986 - De Kèrstal op den Heuvel, in en vlammend aawriejôol.
- WTT 2020 - Niet te verwarren met aaw riejôol = een oud riool.
aawwèèvebrôojke
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - bepaalde soort luxe broodjes.
aawwèèveknêûp
zelfstandig naamwoord

knoop die garen overbodig maakt doordat twee delen door de stof heen in elkaar gedrukt worden - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - drukknoop, bijvoorbeeld in uniform of kokskleding

- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - knoop, gelegd door een aanknoper, een helper van de kettingscheerder; een knoop die te slap werd gelegd en daardoor te vlug losging.
- WBD II:l05l - òwt wèèf - oud wijf; benaming van de verkeerde knoop
abbendaans
zelfstandig naamwoord

overvloed

- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - bij het rikken: alle dertien slagen; uit Frans abondance en Latijn abundantia
abbetjoek
zelfstandig naamwoord

De etymologie is niet opgehelderd; komt alleen voor in Tilburg en naaste omgeving; appetjoek is de bekendere vorm - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1984-03-30 - Hullieje pa is unne wous... hullie moeder unne abbetjoek... en zelf is t ôôk mar unne drie-kwart... Vur de rest gaoget wel.

abbetwaar
zelfstandig naamwoord

abattoir van Frans abattre - neerslaan; dus abattoir, de plaats waar men vee slacht

- Kees & Bart; krantenrubriek in Tilburgsche Post 1922-193? - abetwaar
aboepartaon
bijwoord

uit het Frans à bout portant; onverwacht, willekeurig

- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - plotsklaps; uit Frans à bout portant
- Stadsnieuws, 2013-09-09 - Toen we siedereklaosliekes zaate te zinge, wier der aboepertaant gestrôojd.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - a-boe-pertaon - op stel en sprong
aboepertaant
bijwoord

uit het Frans à bout portant; onverwacht, willekeurig

- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - plotsklaps; uit Frans à bout portant
- Stadsnieuws, 2013-09-09 - Toen we siedereklaosliekes zaate te zinge, wier der aboepertaant gestrôojd.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - a-boe-pertaon - op stel en sprong
Abraam
naam

Abraham zien - 50 jaar worden

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Och wè zakkoe daor op antwoorde? Ge wit dèk thuis as den elfde aongezet kwaamp bij ons Moederke, die echteluk den kraomtèd al jaore vurbij was. k Was nog n plat jong toense Abraam zaag...
abrikoos
zelfstandig naamwoord

abrikoos; figuurlijk: vrouwelijk geslachtsdeel

- WBD III.1.1. - abrikoos - vrouwelijk geslachtsdeel
abuus
zelfstandig naamwoord

korte uu abuis, vergissing

- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - ge hèt abuus - je vergist je
- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - abuus hèbbe of abuus zèn - mis zijn; abuus gaon - de verkeerde weg nemen
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Ach ge dè denkt zède abuus.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ge hègget abuus - u vergist u
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-03-28 - Ge het abuus, meens...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1987-04-10 - Ge het wirris abuus bruur..
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - abuus - abuis, misslag, misgreep
- WBD III.l.4:15 - abuis - abuis; abuis hebben - zich vergissen
- WBD III.1.4:09 - per abuis - zonder opzet
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - ik heb abüs - ik vergis me
achche
samentrekking

de scherpere vorm van agge

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-04-20 - Achche die naawis verkocht...
achchin
samentrekking

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945 - Achchin sigarepepke het dan wilde rooke, en achche democratie het dan moete kunne bromme.
achste
telwoord

achtste

- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - uit cluster chtst wordt de t verzwegen [m.a.w.: de t valt weg in de uitspraak]
achtuuremoejer
zelfstandig naamwoord

achturenmoeder

- H. Mandos & M. Mandos-Van de Pol; Brabantse Spreekwoorden, 2003 - Et is en achtuuremoejer - het is een acht-uren-moeder. Zo heet in de streek tussen Tilburg en Turnhout maar ook elders in de Kempen de avondschrik; het is een kinderschrik, waarmee men kinderen die 's avonds niet vroeg naar bed willen of, als het donker is nog op straat lopen, bang maakt.
- WTT 2020, Ed Schilders; De voorgaande verklaring wordt door Mandos toegeschreven aan Pierre van Beek in een aflevering van Tilburgse Taalplastiek (1972). Daarin is deze verklaring echter niet gevonden. In hetzelfde jaar schreef Van Beek wel het volgende.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 163, Nieuwsblad van het Zuiden 22-11-1972 - Deze kwalificatie, waarin we "moeier" dan als "moeder" dienen te verstaan, blijkt van toepassing op een vrouw, die zich - terwijl haar man op zijn werk is - niet zodanig gedraagt als van haar verwacht wordt met betrekking tot haar gezin en huishouden.
adderès
zelfstandig naamwoord

adres

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 12 29 - Op 't list gaon we naor 's taante Mieke / Dès nog 't biste adderès / Die zee: Bruur zörgt mar vur oew ège, / Ge wit de weg, daor stao de fles.
addergebroed
zelfstandig naamwoord

addergebroed

- Hans Hessels; opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus, 2019 - stuk addergebroed - ondeugd. Voor de volledige lijst Klik hier
af
voorzetsel

in de betekenis van

- Piet Heerkens; Vertesselkes; De mol van Baokel, 1944 - Ik zal et wel slachten, zee Jan, de slachter, en worst er af maoken!
afbèène
werkwoord

afbèène - bond aaf - afgebónde; met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bènt aaf

- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - laatste hand leggen aan een gebonden saus of soep
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - afbinden
- WBD - castreren, ook lubbe, snije of afknèèpe genoemd
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - afbijnen - afbinden
afbeume
werkwoord

afbomen

- WBD II:l005 - afbeume, aafbeume - afbome; de ketting van de kettingboom afwinden, ook wel lòsse genoemd
afbieje
werkwoord

afdingen (bijvoorbeeld bij het kaartspel) afbieje - boj aaf - afgeboje

- WBD III.3.1:57 - afbiejen, afkorten - afdingen
- WBD III.3.1:58 - afbiejen, zemelen - trekken en talmen
- WBD III.3.1:59 - afbiejen, afpingelen, afpekelen - afbieden
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - afbieden - afdingen, bijvoorbeeld op de markt
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - afbie(d)en, afbee(d)en - afdingen; iemand afbieden - boven zijn bod komen
afblèève
werkwoord

afblijven

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - blèèft eraaf! - blijf eraf [gebiedende wijs]
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - blèèfde raaf ?/! - Blijf je eraf ?/! [gebiedende wijs in vragende vorm]
afboestere
werkwoord

(af)wassen de etymologie van boestere is niet duidelijk

- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - wassen
afbraande
werkwoord

afbranden, door brand verloren gaan afbraande - braandde aaf - afgebraand

- Kees & Bart; krantenrubriek in Tilburgsche Post 1922-193? - die is afgebraand (gezegd van een persoon)
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - afbranden - avbrane; branden af, afcheabrant
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - afbranden [vervoegd met hulpwerkwoord zijn) - door t verbranden van zijn huis zijn goed verliezen.
- J. H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - afgebrand - noemt men hier en omstreeks iemand, die, door het verbranden van zijn huis, zijn goed verloren heeft
afbrènge
werkwoord

slagen

- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - Ge hègget er goed (van) afgebròcht - Je bent behoorlijk geslaagd, je hebt geluk gehad
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - afbrengen - ontwennen, afleeren; ...wacht manneken, ik zal oe die leelijke manieren wel afbrengen
afbuune
werkwoord

afboenen afbuune - buunde(n) aaf - afgebuund (korte uu)

- WBD - roskammen; ook ròskamme of ròsse (m.b.t. een paard)
afdoen
werkwoord

schoonmaken, plukken

- Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - oe neus afdoen
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - K-mot de pèère nog aafdoen - Ik moet de peren nog plukken.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - afdoen - afmaaien, -pikken, -snijden, -plukken, -scheren
afdraaje
werkwoord

afdraaien afdraaje - draajde aaf - afgedraajd (geen vocaalkrimping)

- WBD - een kalf met hulpmiddelen doen geboren worden, ook afhaole genoemd
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - afdraaien - avdrue (dröden af, afchedröt); buiten de woordelijke beteekenis: iemand zijnen of den teen afdraaien (erg vervelen)
afdraoge
werkwoord

afdragen, dragen tot het versleten is (een kledingstuk) afdraoge - droeg aaf - afgedraoge

- WBD III.1.3:l6 - afgedragen - versleten
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - afdragen - avdru:ge (drug af, afchedru:ge); iemand/iets naar beneden dragen (van kleederen); kleeren tot het laatste afdragen
afdrèène
werkwoord

aflopen, er langs lopen

- Pierre van Beek onder pseudoniem Kubke Kladder; Column Uit t Klokhuis van Brabant, Nieuwe Tilbugsche Courant 1929-10-09 - Ik vein dè ge sommigte dingen in ons toltje toch zô lekker smeujig zeggen kunt; net of ge in nen spekstruif bèt en t vet langs oe mondhoeken afdrent.
afdrêûge

geld afhandig maken (letterlijk afdrogen) afdrêûge - drêûgde(n) aaf - afgedrêûgd (geen vocaalkrimping)

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - afdrêûge - afstraffing geven
- WBD III.3.1:67 - afdrogerij, woekerij, woekerwinst - woeker
- WBD III.3.1:195 - afdrogen, affoefelen, aftruitelen, ontfutselen, aftroggen, aftroggelen -aftroggelen
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - afdroogen - afdrogen; figuurlijk: aframmelen, afranselen; geheel verslaan in t spel; bedriegen
afdunne
werkwoord

- WBD III.1.1:24 - afdunnen - mager worden
affèèn
tussenwerpsel

afijn (uit Frans enfin)

affèktgaore
zelfstandig naamwoord

alle garens die afwijken van het normale garenbeeld

- Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - want affèktgaores op zichzèlf die zijn van ketoen mar ge hèt ok veel die gevèrfd zèèn dèt wol is, war... Want ene wollen draod kunne ze nie zo dun maoke as ene gewoone hillen dunne zijen draod òfwèl ene ketoenen draod...
affeseere
  1. werkwoord

    opschieten, voortmaken, zich haasten, avanceren; uit het Frans avancer affeseere affeseerde - geaffeseerd

    - Informant Toine Raaijmakers - As ge affeseert, zèèder nog op tèèd!
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1955-07-16 Zeg maokt is mensie, zee mn vrouw... en affeseert n bietje...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1981-07-10 - Ge het nogal geaffeseerd...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Affeseert en bietje! Ge hèt nògal geaffeseerd
    - Stadsnieuws, 2010-02-03 Alleej, affeseert es wè! - Kom, schiet eens een beetje op!
    - WBD III.1.2:5 affeceren - zich haasten, ook spoeien, opschieten
    - WBD III.1.4:347 avanceren - opschieten
    - WBD III.4.4:323 avanceren - vorderen
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 - affeseere - opschieten
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 avanceren, avveseren - opschieten, avanceren, voortmaken
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 avanceeren (avansé:re) - vooruitkomen, sneller gaan; ook: voorschieten van geld
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - affeseere - voortmaken, opschieten
  2. Carnavalsmotto Tilburg 2016

affeseerkwaast
  1. zelfstandig naamwoord

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - witkwast, blokkwast
    affeseerkwaast
  2. ll.: Tijs Dorenbosch

affeseerplèngske
zelfstandig naamwoord

autoped, step

- Lechim, pseudoniem van Michel van de Ven; De Tilburgse Koerier, 17 januari 1964 - Nie brommen [op de bromfiets rijden] pa, / mar ge meugt men Avvesseerptenkske vatten.
- WBD III.5.2:131 avanceerplankje - step, glijer, waarschijnlijk geen origineel dialectwoord, maar fantasie-metonymia
affeseerplèngske
affeseerschoene
zelfstandig naamwoord

samenstelling van 'affeseere' (zie hierboven) en schoenen; schoenen om snel mee te lopen, die snelheid suggereren

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - oew averseer schoene zèn gelèk ondergestobberd... - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1975-01-16 - Ge mot 'ns kèke hoe rap dettie is mee zn aveseerschoenen aon! - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - schoenen waarop men gemakkelijk veel en snel loopt.
- Marijke van Moll; schriftelijke mededeling 2021 - Als ik me goed herinner waren dat de schoenen met vooruitstekende, langere neuzen uit de jaren 50-60. Bij affeseerschoene denk ik aan jonge kerels met schoenen met langere neuzen dan gebruikelijk, die ze droegen als ze wilden 'sjansen'. Laten we zeggen dat ik het woord affeseerschoene heb opgepikt tussen 1950 en 1960. Wat ik weet, is dat 'affeseerschoene' nu ook geïnterpreteerd wordt als 'gemakschoenen'. Maar die zijn echt van later datum.
- WBD III.1.3:215 avanceerschoen - veel te grote schoen
affeseersteek
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - grove steek bij het naaiwerk
affronteerderij
zelfstandig naamwoord

een daad van belediging

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 04 19 - "Ons Tilburg dès gin schòòne stad" / Mènt d'n A.N.W.B. / Dè wordt hèèl straant in d're gids / Gewoon kaaihard gezee. / / Al hèmme host gin schaauwe mir / Zèmme veul toores kwèt / Ik vèn die affronteerderij / Tèèkes van haot en nèd.
affronteere
werkwoord

beledigen, krenken; uit Franse affronter

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1963-10-23 - Ik wil oe nie affronteere mar hij zaat gewôôn zat te zèn.
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-01-24 - Ik wil oe niet affronteere meneer...
affrontig
naam

beledigend; uit Frans affronter beledigen

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-12-31 - Zôn affrontig ding (namelijk een kunstgebit in een kerkbank achtergelaten...)
afgang
zelfstandig naamwoord

stoelgang

- H. Mandos, M. Mandos-van de Pol; De Brabantse Spreekwoorden, 2003 - afgang - As ge aan de afgang zijt, kijkte nie op een keutel... - Als je op de wc zit, kijk je niet op een keutel... Ook kaartterm; Als je aan het verliezen bent en maar blijft betalen. (Tilburg, zegsman J. Sicking, 1966)
- Stadsnieuws, 2006-l0 - Dès goed vur den afgang, zi de pestoor, èn hij dronk et liste öt de wèènflès. - Dat is goed voor de stoelgang, zei de pastoor, en hij dronk het laatste...
- WBD III.1.1. - uitwerpselen (Tilburg)
- WNT I:951 afgang - stoelgang, ontlasting; concreet: de stof die men bij stoelgang loost; uitwerpsel, ontlasting
afgaon
  1. werkwoord

    1.afgaan , aflopen

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - hil de buurt afgaon
  2. 2. flauwvallen

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - van oewèègen afgaon - het bewustzijn verliezen
  3. 3. zich belachelijk maken

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - afgaon as ene gieter - een flater slaan
  4. 4. aflopen, vergunnen

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - et hèùs is nie afgegaon - niet verkocht (bij openbare veiling)
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 afgaon - niet doorgaan van een verkoping
    - WBD III.3.1:106 afgaan - gegund worden (van een koop)
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - afgaan - verlaten, verzaken, verloochenen; ook afloopen
  5. 5. zich ontlasten, ontlasting hebben

    - WBD III.1.1. - ontlasting hebben (frequent in Tilburg)
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - afgaon - afgaan, ontlasting hebben
    - WNT 1:941 afgaan - absoluut gesteld, in bijzondere toepassing; stoelgang hebben, zich ontlasten. De oorspronkelijke opvatting was zich verwijderen en afzonderen, te weten om aan de natuurlijke behoefte te voldoen
afgeeve
werkwoord

afgeven; vertellen afgeeve - gaaf aaf - afgegeeve in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij gift aaf

- Pierre van Beek; ongedateerde aantekening - smakelijk vertellen; Hij kan et goed afgeeve...
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 - afgeven - afstaan, meestal in moeten afgeven; kwijtraken, vooral gezegd van gestorven kinderen: Ik heb er twee af moeten geven.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 afgeven (afchéve of afjéve) - nen brief afgeven; iets goed afgeven - op handige wijze doen
afgelaoje
naam

volgeladen - in het bijzonder: vol van drank

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - volgeladen - in het bijzonder: vol van drank
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 170, Nieuwsblad van het Zuiden 31-03-1971- afgelaoje zèèn - te diep in het glaasje gekeken hebben
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - stomdronken
- Stadsnieuws, 2006-10-27 - Hij ha zoveul ingenoome dettie afgelaoje töskwaam...
afgelaoje
afgenaojeg
bijwoord

ongenadig, erbarmelijk

- Kees & Bart; krantenrubriek in Tilburgsche Post 1922-193? - ...de loonen zijn er ook afgenaojig leeg
- Stadsnieuws, 2009-01-18 - De lôone zèn der ok afgenaojeg lêeg... - ... verschrikkelijk laag
afgespanne
  1. naam

    ontriefd, gedallaast, opgezadeld

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 53, 14-05-1966 - Ak menen bril nie bij/hèb, zèèk afgespanne. - Als ik mijn bril niet bij me heb, ben ik ontriefd.
  2. Heeft iemand een nuttig voorwerp, dat hij niet missen kan, verloren, dan is hij er lelijk mee afgespannen. Dat wil zeggen ontriefd. Dit afgespannen is de tegenhanger van goed ingespannen. Men is goed ingespannen als men van het nodige voorzien is, dus zijn gerief heeft.

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Meej den dieje, daor bènde meej afgespanne - ...mee opgezadeld
afgetrokke
naam

- WBD - door veelvuldig zogen vermagerde zeug (in de Hasselt)
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - afgetrokken - bij landbouwers: afgemolken, geene melk meer gevende; ook gezeid van brood dat tusschen korst en kruim afgebersten is
afhakke
werkwoord

afhakken, het geslachte varken in stukken hakken voor conservering van het vlees

afhaole
  1. werkwoord

    afhalen afhaole - hòlde aaf - afgehòld ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij hòlt aaf

    - WBD - een kalf met hulpmiddelen doen geboren worden, ook afdraaje genoemd
    - WBD II 641 - afhaoler - degene die het leer van de droogstokken haalt als het
  2. voldoende gedroogd is

    - WBD III.2.3:44 afhalen - de tafel afruimen
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 afhalen (ölden af, afchölt) - van boven naar beneden halen; een pak op de post gaan afhalen; de dokter heeft het kind moeten afhalen
afhèène
werkwoord

afhèène - hènde aaf - afgehènd ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij hènt aaf

- WBD - afrasteren (in de Hasselt, evenals afmaoke)
afhèffe
  1. werkwoord

    afhèffe - hèfte aaf afgehèft 1. het er afbrengen

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 171, Nieuwsblad van het Zuiden 12-04-1973 - hij heeget er goed afgehèft - hij heeft het er goed afgebracht
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 afhèffe - het er afbrengen
    - A. v.d. Water; De volkstaal in het Oosten van de Bommelerwaard, 1904 t er goed, slècht afhèfte - iets goed of slecht volbrengen
    - A.P. de Bont; Dialect v. Kempenland , 1958 - et er goewd / slaecht afheffe - het er goed / slecht afbrengen
  2. 2. afheffen (bijvoorbeeld van kaarten); couperen

    - WBD III.3.2:171 - afhèffe of hèffe - couperen (van kaarten)
    - WNT afheffen - de kaarten afheffen: voor het rondgeven eenige kaarten van het spel aflichten om die onderaan te leggen (couperen)
afkaaje
werkwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - afbreken
afkèèke
werkwoord

afkijken, aanzien, geduld hebben

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - We zun de zaok nog mar as èfkes afkèèke... - We zullen de zaak nog maar even aanzien...
- WBD III.1.1:236 afkijken - afloeren, bespieden
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - afkèèke - afwachten, nader bekijken
afknèèpe
werkwoord

afknèèpe - knêep aaf - afgekneepe in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij knèpt aaf

- WBD - castreren, ook lubbe, afbèène of snije genoemd
afkrabbe
werkwoord

afkrabben afkrabbe - krabde(n) aaf - afgebrabd

- WBD - de geweekte haren van een geslacht varken verwijderen, met een krabber of andere hulpmiddelen
aflaaje
werkwoord

afleiden, deduceren aflaaje - laajde(n) aaf - afgelaajd (geen vocaalkrimping)

- Kees & Bart; krantenrubriek in Tilburgsche Post 1922-193? -
- Cees Robben; Prent van de Week, ongedateerde aantekening - ...hij wies de gaans wè af te laaje
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 aflaaje - afleiden, uitlaten van dieren
aflaot
zelfstandig naamwoord

aflaat (r.k.); kwijtschelding van straffen die de gelovige in het hiernamaals nog moet uitboeten

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - nen vollen aflaot
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - aflaat - nen aflaat aan iet verdienen - afmattende arbeid aan iets moeten besteden
afleere
werkwoord

- Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Bij het zien van een lelijke vrouw: - dèsser êen om et af te leere! Volledige bron: KLIK HIER
aflègge
  1. werkwoord

    afleggen aflègge - li/leej aaf - afgelègd/afgeleej 1. afleggen van een overledene

    - Lowie van Dorrus Misters; Onze Tilburgse folklore, aflevering 2; Doden-cultus van eertijds; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1950-11-16 - Het afleggen van het lijk geschiedde meestal door de vrouw van de aanspreker (
    - Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Èn asser ene beebie dôod was dan stond ie vur de raom schôon versierd Èn dan ginge buurmèskes ginge dè saoves aflègge, ònkleeje, meej blumkes... en schôon jurkske aon!
  2. 2. afzetten, oplichten

    - Kees & Bart; krantenrubriek in Tilburgsche Post 1922-193? - dè de meensen weer afgelee zijn - ...afgezet
  3. 3. afleggen - diverse betekenissen

    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 afleggen (lag af, afchelè) - iets van de tafel afleggen (afnemen); ook: een bezoek -, zijn kaarten -, nen eed afleggen; zijn schuld afleggen - met kortingen aflossen
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - afleggen - afzoomen, afboorden, den zoom met eenig sieraad beleggen; afgeven, teruggeven
aflèggesgerêed
  1. klaar om afgelegd te worden

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg; aflèggesgerêed - op het punt te sterven
  2. Typoscript van een brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965

    - Archief Pierre van Beek; vermeld in een brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965
afloekieje
werkwoord

bespieden

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - iemand afloekieje - iemand bespieden
afloekieje
afmaoke
  1. werkwoord

    1. afmaken, afrasteren, afsluiten afmaoke - mòkte(n) aaf - afgemòkt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij mòkt aaf

    - WBD afrasteren; evenals afhèène in de Hasselt
    - WBD II:l390 - afmaoke - afmaken, afwerken
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - afsluiten, afschutten; de laatse hand aan iets leggen.
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - afmaken (afmu:ke, mokten af, afchemaokt): zijn werk -, een paard -, iemand afmaken; eene straat afmaken - afsluiten
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 afmaken - afsluiten, t zij met eenen muur, eene haag, een schutsel
  2. 2. onder narcose brengen

    - Van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1929-04-20 - Maar de buurvrouw vergoelijkt haar houding, want ze heej in t gaasthuis gelegen waor ze geopereerd is en nie afgemaokt, hetgeen wil zeggen, dat zij niet onder narcose gebracht werd
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - nie afgemòkt - zonder narcose (geopereerd)
  3. 3. betalen

    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-04-20 Wildet aachtebekaare af maoke? vroeg ie (de politie-agent) toen.
afneeme
werkwoord

afnemen, verminderen

- WBD III.4.4:4 - afnemende maan - laatste kwartier
- WBD III.4.4:27 afnemen - krimpen
afpèère
werkwoord

afranselen, een pak slaag geven afpèère - pèèrde(n) aaf - afgepèèrd

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Die zumme wèl is afpèère.
- WBD III.1.2:56 afperen - een pak slaag geven; ook bijperen
- A.P. de Bont; Dialect v. Kempenland, 1958 - afperen, een pak slaag geven
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 afperen - kletsen, lappen, oorvegen geven
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 afpèère - een pak slaag geven
afpikke
werkwoord

het tegen iets of iemand afleggen

- Pierre van Beek onder pseudoniem Kubke Kladder; column Uit t Klokhuis van Brabant, Nieuwe Tilbugsche Courant, 1929-11-29 - Mar dè's ok gin wonder want dieë Piet (Pijnenburg) is ne zisdaogen-renner in de wol geverfd, daor mot iedereen t van afpikken.
afploege
werkwoord

afploege - ploegde(n) aaf - afgeploegd

- WBD uiteenploegen; tegengestelde werkwijze aan de vorige keer (in de Hasselt)
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - afpluge(n) - afploegen; van een grotere akker een veld afploegen zodat het door een flinke voor ervan gescheiden is
afpòtte
werkwoord

- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 aftellen (bij een spelletje)
afrakke
werkwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - iemand of iets in de vernieling jagen
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - afrakke - rondzwerven
afraoje
werkwoord

afraden afraoje - raojde(n) aaf afgeraoje

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-11-06 - Mar afraoje is aonraoje; een wijs advies om iets niet te doen wordt vaak niet opgevolgd
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - afraojen is ònraoje
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ik hèb et em afgeraoje
afrèffele
  1. werkwoord

    afrèffele - rèffelde(n) aaf - afgerèffeld

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel , 1996 - de roozekraans afrèffele - afratelen
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel , 1996 - garen (van de klos af laten lopen)
    - WBD III.3.3:195 afraffelen - afraffelen
  2. werkwoord

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel , 1996 - de roozekraans afrèffele - afratelen
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel , 1996 - garen (van de klos af laten lopen)
    - WBD III.3.3:195 afraffelen - afraffelen
afschaajing
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel , 1996 - schutting, hek
- WBD I.2.2.2 - akkerscheiding (grens tussen twee stukken grond), ook scheiing en (Hasselts) schaaj genoemd
- WBD III.4.4:202 afscheiding - scheiding, ook schei
afschèète
  1. werkwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aan komen slenteren
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 afschèète - aan komen sukkelen
  2. werkwoord

    afschèète, scheet aaf, afgescheete afschijten

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aan komen slenteren
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 afschèète - aan komen sukkelen
afschiete
  1. werkwoord

    betalen, over de brug komen (met geld) afschiete - schôot aaf - afgeschoote

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Et wier tèèd dèttie afschoot. - Het werd tijd dat hij over de brug kwam.
    - Cees Robben; Prent van de week, 1959-11-07 - En dek nie gemak afschiet...
    - Cees Robben; Prent van de week, 1965-04-16 - En assie is afschiet.. Nou dan kan t (...) op unne wetsteen... (... dan is het heel magertjes)
  2. Als het werkwoord gesplitst wordt, wordt af verlengd:

    - Cees Robben; Prent van de week, 1965-03-26 - Alleej dan meensen... schiet is aaf... (...bijdrage leveren aan inzamelingsactie)
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel , 1996 - De Carnavalsstichting kent als donateurs: De scheutege afschieters
    - WBD III.5.1:115 - afschieten, over de brug komen - betalen
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - afschieten l. geld geven bij wijze van douceur; 2. betalen; ik zoo mar is afschiejte
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 afschieten - een geweer afschieten; het zeel is afgeschoten (losgeraakt); hij kwam den trap afgeschoten (in hollende vaart)
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - afschieten - betalen; bij landbouwers: den stal afschieten - afdoen
afsjouwe
werkwoord

uitputten

- Pierre van Beek onder pseudoniem Kubke Kladder; Column Uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 9, 30-02-22 - En daansen as ze kan! Ze wit van gin uitschaaien en ze sjouwt oe aaf as nen hond in nen botermeulen.
afslaoger
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - veilingmeester
afslaon
  1. werkwoord

    afslaon - sloeg aaf - afgeslaon geen vocaalkrimping in tegenwoordige tijd 1. afslaan, een pak slaag geven

    - Miep Mandos-v.d. Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ik slao niks aaf as vliegen èn blèndaoze - Ik sla niets af. [Dialectspelling mogelijk aangebracht door Sterenborg.]
    - WBD III.1.2:55 - afslaan - een pak slaag geven
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - afslon afslaan, een pak slaag geven; Ik slóoi niks af as vliejge.
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 afslaan - het stof van de kleeren -, een stuk van iets afslaan; iemand afslaan - afranselen
  2. 2. afscheiding geven

    - WBD I.4:640 - afslaon (Hasselt), of spinne (van een merrie) - afscheiding geven uit de schede, teken van hengstigheid
  3. 3. afslaan van een duivenklok

    - Hans Hessels; WTT 2020 - Bij het afslaon van een duivenklok (constateur) worden de klokken geijkt om eventuele tijdsverschillen ten opzichte van de moederklok vast te stellen.
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - zen klòk is afgeslaon (de klok van de duivenmelker)
    - WBD III.3.1:62 - afslaan, afzetten - verlagen (van de prijs)
    - WBD III.1.2:16 afslaan keren; ook: omkeren, omdraaien, wenden, zwenken
    - WBD III.2.3:185 afslaan - van noten
afsnòlle
werkwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 (textiel-) garen van pijpen stropen of het schiet er spontaan af
afsnölle

afschieten, afkalven

- WBD II:939 - afsnölle - als t garen van de pijp afschiet
afspanne
werkwoord

afspanne - spande(n)aaf - afgespanne

- WBD - uitspannen (van een paard), ook ötspanne genoemd (Hasselts)
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - afspanne(n) - afspannen, ontspannen: de zaog afspanne.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - afspannen - afsluiten met ijzerdraad, koorden
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 afspanne - losmaken; in de knoei raken
afspèlle
werkwoord

afspelden

- WBD II:1189 - afspèlle - afspelden (van een zoom in kleding)
afstaand
zelfstandig naamwoord

afstand

- Kees & Bart; krantenrubriek in Tilburgsche Post 1922-193? - afstaand
afsteeke
werkwoord

afsteken; verminderen afsteeke - staak aaf - afgestooke in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij stikt aaf

- Van Delft; Van Vroeger Dagen aflevering 111; Nieuwe Tilbugsche Courant, 27 april 1929 - Ze zijn t loon aan t afsteken wil zeggen verminderen.
- WBD - het deeg op de werkbank verdelen
afstooke
werkwoord

in brand steken

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel , 1996 - in brand steken
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - afstooke - in brand steken
afstrêûpe

aflopen

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel , 1996 - winkels aflopen voor koopjes
- Jos Naaijkens; Mèn voljèère; CuBra - En as ik zôo de school afstrêûp kom ik hil wè tege.
- Stadsnieuws, 2008-03-24 - Ons moeder moes sewèèle afstrêûpe om der jong ònt eete te haawe - Mijn moeder moest soms op koopjes jagen om haar kinderen de kost te geven'
afstrije
werkwoord

betwisten, loochenen, ontkennen; tegenwerpen, met argumenten bestrijden afstrije - streej aaf - afgestreeje

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dè zak nie afstrije - dat zal ik niet aanvechten
- WBD III.3.1:236 - afstrijden, bekvechten, strijden, muilvechten, smoelvechten, ruzie maken,
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 afstrij(d)en - betwisten, loochenen; iemand iet afstrij(d)en - in eenen woordenstrijd hem iets uit het hoofd trachten te praten, van het tegendeel overtuigen.
aftaands
naam

aftands

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916 - aaftaands - iemand van zekeren leeftijd
aftèùge

tuig afdoen; afranselen aftèùge - tèùgde aaf - afgetèùgd (geen vocaalkrimping)

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - afranselen, aftuigen
- WBD - aftuigen (van een paard)
- WBD III.1.2:57 aftuigen - een pak slaag geven
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - aftuigen - het getuig afdoen: een pèèrd aftuigen
aftrappe
werkwoord

vertrekken, ertussenuit gaan

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aaftrappe - vertrekken
aftreeje
werkwoord

aftreeje - aaf - afgetreeje

- WBD - land aftreden (om een perceel te meten)
- WBD III.4.4:292 - aftreden - afpassen
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - aftreden, met passen afmeten (bijvoorbeeld van een veld)
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 aftre(d)en - meten hoeveel treden iets lang is
aftrèkke
werkwoord

van het getouw halen

- WBD II:1052 - aftrèkke - van het getouw halen (van het weefsel)
- WBD III.2.2:107 - zijn eigen aftrekken - masturberen
afval
zelfstandig naamwoord

afval; kinderen, nageslacht

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916 - longen en hart van een varken, om zult (hoofdkaas) van te maken
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-02-21 - Ge het n schôôn vrouw opgezet, Kees.. En dr is zôô nogal wè afval aon ôôk ziek...
afvalle
werkwoord

flink tegenvallen; gewicht verliezen afvalle - viel aaf - afgevalle door progressieve assimilatie van stem wordt de v geabsorbeerd: affalle.

- Informant Ad Vinken - van oewèège afvalle, hij valt gereegeld van zenèègen (aaf) - in onmacht vallen, flauwvallen
- Informant Toine Raaijmakers - Et zal oe wèl afvalle daor. - Het zal je daar wel tegenvallen.
- Informant Toine Raaijmakers - Et wèèrke viel wèl aaf.
- WBD III.1.1:24 afvallen - mager worden
- WBD III.1.4:277 afvallen - heimwee hebben
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - afvallen - het fruit is met den wind afgevallen; hij viel van de leer af; lichamelijk vervallen; hij is de laatste jaren fel afgevallen.
afvatte
werkwoord

afnemen, ontnemen afvatte - viet aaf afgevat

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aaffatte, affatte - afnemen, ontnemen
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - afate(n) - afvatten, (iemand iets) afnemen
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 afvatte - afnemen
afwaas
zelfstandig naamwoord

afwas, vaat

- WBD III.2.1:286 - afwaas, opwaas, omwaas - vaat
afwaase
werkwoord

wassen (van personen) afwaase - waaste(n) aaf - afgewaase geen vocaalkrimping

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - zenèègen afwaase - zich wassen
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, Tilburg 1984 - toen hebben wij ons afgewasen
afwinne
werkwoord

van iemand winnen

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aafwinne iemand voor zijn
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - afwinne - afwinnen (ergens mee vóór zijn)
afwòchte
werkwoord

afwachten afwòchte - wòchtte(n) aaf - afgewòcht

- Cees Robben; Prent van de Week, ongedateerd - niks as de bui afwòchte - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 138, Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-12-01 - Een man die het ook niet meer wist, zei berustend: We zullen maar afwachten als Onze Lieve Heer aan het Kruis. Dat was dus een lijdelijk afwachten! Het aardige is o.a. dat de vergelijking het begrip lijdelijk oproept zonder het woord te noemen en dat men dit verscholen lijdelijk kan opvatten in zijn normale betekenis van geduldig, maar dat er tevens een associatie met het lijden van Christus tot stand komt door de woordspeling.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 afwachten - wacht mij aan de statie af; zijnen tijd, zijnen toer (beurt) afwachten; met vijandelijke gevoelens opwachten
afzèèke
werkwoord

afzèèke - zeek aaf afgezeeke

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - iemand voor de gek houden of belachelijk maken
- Ed Schilders; WTT 2013 - Een bijzonder deftige dan wel spottend bedoelde variant op het dialectische afzèèke vinden we in de weergave van een Tilburgse bestuurder die in 1638 in Den Haag bij de Staten-Generaal ging pleiten voor de Tilburgse textielindustrie. Dr. Cock Gorisse, schrijft daarover: Vele malen zijn Tilburgse bestuurders naar s-Gravenhage gereisd om het vrije verkeer van grondstoffen, halffabrikaten en eindproducten te bepleiten. Daarbij werden ze niet altijd correct behandeld. Zo klaagde de Tilburgse schepen en lakenkoopman Willem Gerits Geritsen de Roy er in 1638 over dat hij op een avond onversien, van pampieren ontbloot voor de Staten-Generaal moest verschijnen om de zaak van de Tilburgse lakennijverheid te bepleiten. Verschillende leden van dat college - duidelijk afkomstig van de concurrerende Hollandse nijverheid - hadden hem toen proberen te uurineren met woorden. (Bronnen: Cock Gorisse (red.); Tilburg, stad met een levend verleden, de geschiedenis van Tilburg vanaf de steentijd tot en met de twintigste eeuw; gebaseerd op: De Bruijn: 'De opkomst en de oriëntatie van de Tilburgse lakennijverheid in de 16de en 17de eeuw', Bijdragen tot de Geschiedenis 73 (1990) 165-178.
afzègge
werkwoord

afzeggen

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 104, Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-07-02 - Wat voor een broek men draagt, komt er de dag van vandaag niet meer op aan. Vroeger was men te dien opzichte kritischer. Droeg iemand een broek, die in de ogen van de spraakmakende gemeente aan de te lange kant bevonden werd, dan dreef men daarmee een milde spot met de opmerking: "Hij gaat de liste (laatste) mis afzeggen". Die "laatste mis" gold de hoogmis, welke het langst placht te duren.
afzètte
werkwoord

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel , 1996 - urineren, financieel oplichten
- WBD III.3.1:62 - afzetten, afslaan - verlagen van de prijs
- WBD III.3.1:195 - afzetten, aftroggelen, aftroggen, ontfutselen, aftruitelen, afdrogen, affoefelen - aftroggelen
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - afzette - uit laten stappen; wateren
agge
  1. samentrekking

    als ge

    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1967-08-04 - Agge (...) buiten-buiks te veul eet of drinkt...
    - Willems; Dialectenquête, 1887 - agge - als gij
  2. samentrekking

    als>as>a + ge agge

    - Dr. Jan Stroop; Sprekend een Westbrabander 1; Amsterdam, 1979 -1981 - agge
agget
samentrekking

als je het

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1985-03-29 - Agget mar doet...
aj
tussenwerpsel

au! (kreet van pijn)

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - aj men èksterôog!
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - aai (zuiver uitgesproken) - kreet van droefheid of pijn. Ook ai.
ajasses

bastaardvloek; verbastering van Ah! Jezus!

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1970-12-11 - Ossetong (...) Ajasses nèè...
- WNT - ajaszes - uitroep van tegenzin, afkeer of walging, in de platte volksspraak.
ajuu
tussenwerpsel

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - gegroet
ak
samentrekking

als ik

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Ak gao, meude meej
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1965-12-31- ...zô ver ak weet
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1970-10-23 - Oôk ak naor de hel toe gao...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ...ak menen bril nie bij hèb, zèèk afgespanne - ...ben ik ontriefd
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - ak - samentrekking van als ik: Ak den tijd heb ...; Ak mag ...
akke(r)deere
werkwoord

akkerdeere - akkerdeerde - geakkerdeerd kunnen opschieten met iemand, overweg kunnen, accorderen van Frans accorder - tot overeenstemming brengen, tred houden; of saccorder - het eens zijn

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Ze kosse goed akkerdeere. - Ze konden goed met elkaar overweg.
- Informant Toine Raaijmakers - As gullie naa mar akkerdeert. - Als jullie nou maar geen ruzie maken.
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - k geleuf dè die nie mee bekaore kunne akkerdeere.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 14 08 1969 - Zò ziede dè't nie simpel is/ Akkerdeere mee tweeje,/ Hij is wir de kòning te rèk / Mar zij is ontevreeje.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 25 07 1974 - Ak meej ons Sjaan nie akkerdeer/ (èn dè komt wèl es veur)/ Trèk ik altij òn et kòrtste èènd./ Ik moet er onderdeur.
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1958-07-05 - As ge mekaar mar begrept/ En saom kunt akkerdeeren...
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-11-06 - Om meej dn dieje te kunne akkerderen moette schaopebloed hebbe...
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1962-09-28 - t Akkerdeert goed...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1979-12-14 - Ik kan meej onze vadder nie akkerdeere...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1982-08-13 - Mee jou viel heel goed te akkerderen (Prent bij het koperen jubileum van A. van den Wildenberg als burgemeester van Goirle)
- Piet van Beers; Het zeventiende boekje; Paradèès, 2010 - Waor meense meej mekaor goed akkedeere/ Daor is et saomewoone en genot.
- Gerard Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol, 2009 - Meschient doetie (Pirke Donders) dan nòg êene keer en wonder èn krèègeme strak ene nuuwe geminteraod meej allêeneg mar pronte meense, die goed akkerdeere meej mekaare.
- Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Vruuger zeeje ze dè Tilburgers nie ont mar pront zèn. Òf ok wèl: Nie lammenteere mar akkedeere.
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op website Je bent een echte Tilburger... maart 2013 - akkedeere
- WNT - accordeeren - is geene afleiding van accoord, maar rechtstreeks aan Franse accorder ontleend.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 accordeeren (akordéren) - overeenkomen: ze accordeeren goed samen.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - accordeeren (uitspraak akkerdéren) - in goede overeenkomst met elkander leven; ook onpersoonlijk.: t accordeert daar niet
- Dr. Jan Stroop; Sprekend een Westbrabander 1; 2:5l; Amsterdam, 1979 -1981 - akkerdeere
- Hans Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; II:18, 1988-1994 - akkerdeere
Akkedeemie
naam

Tilburgse Kunstacademie

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1959-03-21
akkefietje
zelfstandig naamwoord

kleinigheid

- Pierre van Beek; Typisch Tilburgs aflevering 12; Nieuwe Tilbugsche Courant 1958-01-22 - akkefietje - En toch zijn 't vaak maar kleine akkefietjes. Daar heb je weer zo'n woord. Waar komt t vandaan? Hoe is t ontstaan? U moogt ook schrijven: akkevietje en het beste zou zijn als u akevietje schreef. De oorsprong is: aqua vitae; eau de vie, levenswater oftewel brandewijn. Wees nou eerlijk: Had ge dit gedacht? En t wordt nog interessanter, als we er bij vertellen, dat in Denemarken akvavit de naam is voor een soort jenever. Een akkefietje is dus een borreltje. Maar wij verstaan er onder: een koopje, een vervelend karweitje, een tegenvaller. Niet dat het drinken van n ouwe klare door velen als een lastig werkje beschouwd wordt, maar de betekenisovergang wordt duidelijk als men de uitdrukking: dat is me ook een hapje er naast plaatst.
akkefietje
akkem
samentrekking

als ik hem

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1973-01-05 Bettie akkum-aai
- Tilburgs carnavalsmotto 1976 - Bettie akkum-aai
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1973-07-06 - Akkum geraokt ha...
- Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, Tilburg 2004 - ... bèttie akkem aaj?
akkem
akker
samentrekking

als ik er

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1965-08-13 - Akker iets aon heb...
akkoe
samentrekking

als ik je

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1961-06-02 - Akkoe nie gezien hâ...
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-11-27 - Akkoe mar zie Sofie zèèk gelèek van munne apprepoo...
akkoewiets
samentrekking

als ik je iets akkum samentrekking als ik hem

al
  1. bijwoord

    - Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - Ze waandelden aal proatende tot oan de staad
  2. telwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ek gelêûf et al zen daoge - ik geloof het ongetwijfeld
alder

bijvorm van voorvoegsel aller

- WNT - aller - De vorm alder- is nog heden in de volksspraak gewoon en komt ook bij de schrijvers der 17e eeuw veelvuldig voor.
alderaand
naam

allerhande, allerlei

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - De kraante staon tegesworrig vol mee alderande raodgevinge...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - allerhaande sorte - goed gesorteerd
- Jos Naaijkens; Mèn voljèère; CuBra - Veugeltjes van allerhaande sorte vliege dr rond.
- Tillie B (pseudoniem van Nicole de Jong); website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - We zèèn verwènd meej alderaande kompjoetergestuurde anniemaasies...
alderaande
naam

allerhande, allerlei

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - De kraante staon tegesworrig vol mee alderande raodgevinge...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - allerhaande sorte - goed gesorteerd
- Jos Naaijkens; Mèn voljèère; CuBra - Veugeltjes van allerhaande sorte vliege dr rond.
- Tillie B (pseudoniem van Nicole de Jong); website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - We zèèn verwènd meej alderaande kompjoetergestuurde anniemaasies...
Alderhèllege
zelfstandig naamwoord

Allerheiligen, r.-k. feestdag op 1 november

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1968-11-08 - Mee Alderhellege
alderlist
telwoord

allerlaatst

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1961-04-21 - Want die (voetbalclub NOAD) hongen onderaon... en alderlist...
aldervruugst
bijwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - op zijn vroegst
Alderziele
zelfstandig naamwoord

Allerzielen, r.-k. feestdag op 2 november

alèskes
bijwoord

langzaam maar zeker; verbastering van allengs, allengskes

- Hendrik Broeders; Een roestpraatje; Weekblad van Tilburg, 1867-10-05 - As vreuken nie meer en hulpt en alleskes veul overstuurs gee? [Ook gedrukt in Leopold & Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882).]
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1959-02-07 - Ze sloven en sjouwen alèskes al meer
algemêen
bijwoord

algemeen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg; klank- en vormleer, Tilburg 1996 - al g emi:n
alkoof
zelfstandig naamwoord

alkoof

- WBD - alkoof, alkoowf alkoof; klein vertrekje zonder ramen, waarin bedden of bedsteden zijn geplaatst
- WNT alkoof - een verwulfd of koepelvormig gebouw of vertrek; via Frans en Spaans van Arabischen oorsprong, uit het lidwoord al + kobba
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - alkoof (alko:f) - soms in den zin van bed
alla
tussenwerpsel

berusting uitdrukkend, het zij zo, nou ja; uit het Frans à la

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1957-07-06 - alla dan mar... en zwijgen
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1959-08-01 - Mar witte wet is... zeej Lewieke kwansuis.. Dè vissen alla... Mar ge zèèt is van huis..
alla bonneur
bijwoord

letterlijk op goed geluk; uit Frans: à la bonheur ; meestal om instemming te betuigen: het zij zo.

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-04-22 [een vader over het pasgeboren kindje] t kekt wel schèèl alla bonneur/ mar k gao dr toch op klinken...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - mij goed, vooruit dan maar
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - allebeneur - vooruit dan maar
- Stadsnieuws, 2007-02-07 - Naa allebeneur, as ge dè naa zo gèère hèt, dan doek dè wèl
allebaaj
telwoord

beide, allebei(de), alle twee

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Die zèn allebaaj èffe zot. - Die zijn alle twee even gek.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 06 12 - Dès deegeluk - zo hullie Sjoo zee - / En vur ons allebaai gemak.
allebeneur
bijwoord

letterlijk op goed geluk; uit Frans: à la bonheur ; meestal om instemming te betuigen: het zij zo.

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-04-22 [een vader over het pasgeboren kindje] t kekt wel schèèl alla bonneur/ mar k gao dr toch op klinken...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - mij goed, vooruit dan maar
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - allebeneur - vooruit dan maar
- Stadsnieuws, 2007-02-07 - Naa allebeneur, as ge dè naa zo gèère hèt, dan doek dè wèl
alledaoge

uitdrukking elke dag, alle dagen

- Paul Spapens e.a.; Goedgetòld; diksjenèèr van de Tilburgse taol, Tilburg 2004 - Dè is ene meens van alle daog... - Die zal het niet lang meer maken...
allee
tussenwerpsel

vooruit uit het Franse wekwoord aller (gebiedend: allez)

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad; Tilburg 1984 - alleej-naa, Kees, nie stoeje
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1968-08-02 - alleej vurèùt, truuhuup!
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1973-09-21 - allee-allee Mientje
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1955-10-15 allee, kom is hers
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1958-05-10 alleej gift dn ôôme is n hendje
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-02-26 alleej zet dn illetriek aaf
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - alleej, saluu war - kom, gegroet hoor (afscheidsgroet); van Frans allez - ga, kom
- WBD - allee verèùt! - vlugger! (commando voor een paard)
- WBD - alleej-hup, halee-hop - opstaan (commando voor een paard)
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 allez - alé, aléi, alai; bijwoord aansporend: kom!
alleej
tussenwerpsel

vooruit uit het Franse wekwoord aller (gebiedend: allez)

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad; Tilburg 1984 - alleej-naa, Kees, nie stoeje
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1968-08-02 - alleej vurèùt, truuhuup!
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1973-09-21 - allee-allee Mientje
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1955-10-15 allee, kom is hers
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1958-05-10 alleej gift dn ôôme is n hendje
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-02-26 alleej zet dn illetriek aaf
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - alleej, saluu war - kom, gegroet hoor (afscheidsgroet); van Frans allez - ga, kom
- WBD - allee verèùt! - vlugger! (commando voor een paard)
- WBD - alleej-hup, halee-hop - opstaan (commando voor een paard)
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 allez - alé, aléi, alai; bijwoord aansporend: kom!
allêen
bijwoord

alleen

- Grôot diktee van de Tilburgse taol, 1994 - ...daor wòrde allêen mar muug van
- WBD III.3.1:40- alleen - eenzaam
allêeneg
bijwoord

alleen

- Kees & Bart; krantenrubriek in Tilburgsche Post 1922-193? - - alleenig
- Interview Bertens, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Ge had vruuger niks as varkensslaagers allêeneg èn runds allêeneg, witte wèl...
allegeduureg
bijwoord

voortdurend, doorlopend, steeds contaminatie van al en gedurig; komt ook in het Fries voor: algeduerich

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Hij moes allegeduureg drinke.
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun als opvoeder, feuilleton in 6 afleveringen; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1940-03-02 1940-04-06 - Hij vorderde weinig en zuchtte allegedurig...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun en de dames; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1940-01-20 - En is et te verwondere, dè ge allegedurig in de kraant leest van ophangen en veur de kop schieten in de stad!?
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 6; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1938-11-05 - De kapelaons keken allegedurig naor de klok...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilbugsche Courant 1939-02-25 1939-04-18 - ...allegedurig zaat ie er mee z'n vingers aon te plukken...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilbugsche Courant 1939-02-25 1939-04-18 - ...en allegedurig dronk ie 'n glas waoter.
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1987-03-20 - Hij is allegedurige ziek en blèèft vur elk hondsgezèèk thuis
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - gedurig, aanhoudend; et was allegeduurigen te doewn
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - alle gedurigen - gedurig aan, alle oogenblikken: 't is alle gedurigen zoo
allejizzus

bastaardvloek allejezus

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Elk keind dè op de grôote school zaat, moes éne keer per jaor, drie centen meejbrengen, méér mocht ôok, mar bij ons vonden ze dè al allejizzus veul geld.
alleman
zelfstandig naamwoord

iedereen

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - allemans vriend is allemans gèk; Wie voor iedereen goed is, ziet zijn goedheid al gauw misbruikt
- Tillie B (pseudoniem van Nicole de Jong); website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - Et waar druk in de Heuvelstraot: ik geleuf dè alleman ont klòttere waar.
- WNT alleman - koppeling van alle en man, als eenheid opgevat, evenals ieman(d) en nieman(d). Man staat hier in de oude beteekening van mensen. Komt al in de hooge oudheid voor.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 alleman - allemansvriend is allemanszot
allemanshond
zelfstandig naamwoord

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 143, 1971-12-13 - "O, dat is een allemanshond!" hoorden we eens een keer misprijzend zeggen, maar het had in dit geval niets met een hond te maken doch alles met een meisje. Het gold een meisje, dat met iedere jongen, die er slechts een kleine poging voor waagde, op stap ging. Ze ging dus mee met Jan en alleman.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 63, 1968-09-14 - Een meisje, dat "met iedereen meefloddert", staat in een kwade reuk. De denigratie en ook de afkeer, die men van zo iemand heeft, komen sterk in dit ongewone werkwoord tot uitdrukking. Van Dale noemt het "verouderd Zuid-Nederlands", maar in onze streken is het bij de gewone man nog volop in zwang. Wie zich aan dit "meeflodderen" schuldig maakt, kan men ook wel een "allemanshond" horen noemen.
allemanstèèd
zelfstandig naamwoord

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Mar komt dan nie op zonnen allemanstèd...
allemèèrges
zelfstandig naamwoord

elke morgen

- Paul Spapens e.a.; Goedgetòld; diksjenèèr van de Tilburgse taol, Tilburg 2004 - as ge alle aovende int kefeej zit, hèdde ok alle mèèrges kòppènt...
allemòl
bijwoord

allemaal in het Tilburgs vaker de kortere vorm:

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1957-11-02 - Hier zèn ze allemol gelèèk...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1986-05-23 - Ge zèèd allemol op den vèèrekesbak geboren...
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1965-12-24 - Van hôôg toe lêêg t heej allemol/ n ongedurig gat...
- Gieleke (waarschijnlijk pseudoniem van Michel van de Ven (Lechim)); ongedateerd knipsel uit onbekende bron, circa 1960-1980 - Allemol deeje ze d'r bist/ D'n beker te verdienen/ Mar kossen tegen Willem II/ Ten liste niks begienen.
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - ...rondom Piushaoven èn zôomoete es kèèkede Leenherenstraot èn de Groenstraot, dè was vroeger allemel een vèld, zak zègge Èn dan hadde daoraachter hadde dè febriekske van, van dinges, van.van Franke, dè vèrverijke
allemòlle
bijwoord

ons allen, allemaal

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1966-03-25 - Hier zen we dan meej zn allemolle...
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1967-11-17 - Mee dr allemolle
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 05 23 - 't Is 'ne trubbel mee d'n ollie, / We motte mindere en gaauw, / Aanders zitte we van 't wènter / Mee allemolle in de kaauw.
allèngskes
bijwoord

langzaam maar zeker, beetje bij beetje

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 05 12 - Ze hbben er en paor gevat/ wiere allèngskes blijer/ en waare vur zer èrg in han/ al vèf kefeekes wijer.
alles
naam

alles

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 185, 1974-04-20 - In ons dialect kijken we trouwens niet op een woordje méér of minder als het er om gaat kernachtig voor de dag te komen. "Alles in orde" klinkt te eenvoudig. Daarom liever gezegd: "Alles is kits en 't keind (kind) hiet Jaoneke". Men gebruikt deze uitdrukking ook als er van geen kind meer sprake is. In haar oorsprong gaat ze terug naar een goedgeslaagde bevalling. Hetzelfde kan gezegd worden van het volgende: "Alles is kits: de kachel op bed en de kleine in de kolenbak". Aan beide uitdrukkingen is de humor niet vreemd. Wat het woord "kits" aangaat, dit kent men in het hele land, al staat het bekend als volkstaal, zodat het met een kwalificatie Algemeen Beschaafd Nederlands te hoog gewaardeerd wordt.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Alles is in òrde: de kachel op bèd èn de klèène in de koolekit
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 107, 1970-07-30 - Iemand die tot spoed werd aangemaand, reageerde daarop lakoniek met: "Alles op zijn tijd en bruine bonen in de mei" (maand).
- Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - Ze nemen aalles wetter te krêgen is
allèskes
bijwoord

allengs, langzamerhand, hoe langer hoe meer

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Ik krèg er allèskes al meer t laand aon.
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, Rooms Leven 1959-02-07 [over de afbraak van het oude stadscentrum van Tilburg] Ze breken en bouwen/ ze sloven en sjouwen/ alèskes al meer...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - alèskes - allengs, langzamerhand
- WNT allengs; voorheen allencx, later ook allenks. Andere vormen: allenken, allenkskens, allenskens, allengskens. Waar nergens de nasaal na de tweede klinker ontbreekt.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 alleske(n)s (uitspraak van allengskens)
Allewieske
naam

uit Aloisius

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1957-04-27 Ziede dè daor, Allewieske...
alling
bijwoord

geheel

- Hendrik Broeders; Een roestpraatje; Weekblad van Tilburg, 1867-10-05 - ons klaan gaon alling baors in de schoen [ook opgenomen in: Broeders & Broeders, Van de Schelde tot de Weichsel; deel 1, 1882.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - alink, aling (ge)heel, geheel en al, volkomen, gans
allis
samentrekking

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-04-20 - Och jao, ge moet de klèn manne allis iets geve asser om vraoge
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-04 - Sjarel, ge ziet tegesworrig nog allis van die dames mee manskleeren aon vende nie?
allozzie
zelfstandig naamwoord

horloge

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont; Groot Tilburg 1941; CuBra - Mar dè hèk zelvers op mènen alloozie naogegaon, dè dè messien nao zeuven en in halve menuut nog boven in de locht zaat...
alpinke
zelfstandig naamwoord

alpinomuts

- WBD III.1.3:192 - alpinke - alpinomuts; ook alpinetje
alzelèève
bijwoord

zijn hele leven; vast en zeker

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Die heej alzelèèven óp Körvel gewond.
- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Ik gelêûf et alzelèève. (variant: Ik gelêûf et al zen daoge)
- Jos Naaijkens; Mèn voljèère; CuBra - Ik gelêûf alzelèève dè ze laoter nog s gaon hokke ôok
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 alzeleven alzelééve; heel zijn leven; ook: altijd, in alle omstandigheden, zeer zeker, in elk geval.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - al ze lieve - altijd; wellicht, vermoedelijk
ambetaant
bijwoord

vervelend, beroerd; uit Frans embêtant hieronder waarschijnlijk eerder gênant, onbetamelijk

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 02 15 - "Zaagde vruuger 'ne sjarretel / Dan was 't al ambetaant."
ambras
zelfstandig naamwoord

heibel; van Frans embarras

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - heibel, problemen
- WBD III.3.1:305 ambras - bluf
- WBD III.1.4:382 ambras - drukte
ammejak
zelfstandig naamwoord

ammoniak

- Interview echtpaar Staps, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Ammejak, pòtaasene èn smoutollie! Mar in smoutollie daor zit piedelaast in. Piedelaast!
ammezuur
  1. zelfstandig naamwoord

    de actie van de lippen die nodig is om een blaasinstrument te bespelen uit het Franse embouchure; bouche is mond

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - In het Tilburgs wordt en goej ammezuur gebruikt om aan te geven dat men goed in vorm is of in goede conditie.
    - Informant Toine Raaijmakers - Hij heej nòg den amezuur van ene jonge kèèrel - uithoudingsvermogen
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1940-04-13 1940- -08-24 - Mar Kareltje kreeg er zjenie en ammezuur in
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters; zeuvende perbeersel, 1996 - vermogen om goed op een blaasinstrument te spelen; lipspanning
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1955-07-30 [laat de muziekkiosk van het Wilhelminapark aan het woord...] Ik ben un kios mee un goei ammezuur...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1957-05-11 - Hij heej den ammezuur nog van unne feftiger [prent over burgemeester van Voorst tot Voorst, die de eerste spade in de grond zet voor de aanleg van het hoogspoor.]
    - Kees & Bart; krantenrubriek, 1922-193? - aonmonding
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ginnen ammezuur hèbbe - geen lust, fut, animo hebben
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters; zeuvende perbeersel, 1996 - De blaozers van de hèrmenie vatten en paor glaoze bier vur et ammezuur.
  2. ÈN MAR BLAOZE Den aawe Jan Buuster (wie kènt die naa nie) blaost tweej instremènte bij de Stadshèrmenie. Hij blaost bij de marse n koopere trompèt èn bij de klassieke n hêel aaw kòrnèt. Nao lang rippeteere verlies d'ammezuur. Dan vatte wè pilskes. Dè schilt op den duur Piet van Beers; CuBra; 20??

    - WNT a. Mondstuk van een blaasinstrument. b. De houding van lippen, tong en andere lichaamsdeelen betrokken bij het bespelen van een blaasinstrument; ook: de wijze van aanblazen, het toongeven op een blaasinstrument. Een goede embouchure hebben - een blaasinstrument door een goede mond- en ademhalingstechniek goed en zuiver bespelen
    - WBD III.3.2:325 - ammezuur - mondstuk
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - amezü.jer - ammezuur, embouchure, mondstuk van een blaasinstrument
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - Verbinding ammezuuier hebben (op) zekere geschiktheid bezitten voor het bespelen van (een af ander blaasinstrument).
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 ammezuur - ammezuur hèbbe - aanleg hebben voor t bespelen van een instrument
    - A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - ammezuur - embouchure
ammiekaol
  1. bijwoord

    amicaal, vriendelijk uit Franse amical

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1970-10-16 - Den schèèrpen geur van broeder kuus, die vond ik amiekaol.
  2. Koffiemok (Goed gemòkt) - te koop (december 2021) bij Ollie's & Brandstore, Tuinstraat 106, Tilburg 5038 DE Tilburg.

ammòl
  1. bijwoord

    1. onbepaald voornaamwoord

    - alles, alle, allen tezamen, met zn allen, allemaal
    ammòl
    ► òllemaol
    ► òmmel
  2. uit het Middelnederlandse altemale; daarnaast met vocaalreductie ammel; ook in vervoegde vormen, en dan voorafgegaan door een voorzetsel: ammòlle, allemòlle (ammel leent zich blijkbaar niet voor vervoeging)

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - ...daor stonne ze meej zen ammòlle - ...met z'n allen
    - Tillie B (pseudoniem van Nicole de Jong); website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - Die òpkes hèbbe kleeren aon èn huudjes op èn ze speulen ammel en instruumènt.
    - Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Èn in de midde ston ammel paole, èèzere paole èn dòr bonde ze die koeje ammel aon Dè hèk nòg meejgemòktdè was mistdinsdags!
    - Interview De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Èn dan kwaame we ammel goed zat tèùs! Ammòl!
  3. bijwoord

    - Kees & Bart; rubriek in Tilburgsche Post, circa 1925 - mee allemollen zongen we
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-07-20: Hier zèn we dan, mee zn allemolle!
    - Lechim, pseudoniem van Michel van de Ven; De Tilburgse Koerier, 23 mei 1979 - Tis 'ne trubbel mee den ollie,/ we motte mindere en gaaw,/ aanders zitte we vant wènter/ mee allemolle in de kaaw.
    - Gieleke; waarschijnlijk pseudoniem van Michel van de Ven (Lechim); ongedateerd knipsel uit onbekende bron, circa 1960-1980 - We lèven ammol mee oe mee/ Mar ge mot winnen, Willem II.
    - Ad van den Boom; Unnen droom, circa 2005 - Ammol han zun krökske bedder/Waor ze durre zèèk in moese doen
    - Ad van den Boom; Bè de wèèvers òn tòffel, circa 2005 - Ammol han ze unnen hof - Ad van den Boom; De wèèvers van Tilburg, circa 2005 - Ammòl hielde ze knèène/ Soms ok un vèèreke in un kot
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - zooj zi zèn zammól zuut - naar hij zei, zijn ze allemaal zoet
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - koome ze meej zen ammòlle? - komen ze met z'n allen?
    - Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Jonges, löster is, 2009 - Van aovent gòn we meej zen ammol/ fiste op ' t Kedènt.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Van allemolle in dè mega höshaawe van ons, wier verwocht, desse der stintje bijdroegen om de zaak draaiend te haawe.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Meej zen ammòlle zingen .
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - as de femilie aon toffel gong en meej zen ammòlle in de eetkamer derre kanis vol zaate te douwen.
    - Tillie B (pseudoniem van Nicole de Jong); website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - Ze waare der ammòl.
    - Cursus in Tilburgs; krantenrubriek circa 1940 - Kome ze mee zamolle?
  4. alsmaar, steeds weer, voortdurend; geheel, allemaal, alles

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Kwók et ammòl wies. - Ik wou dat ik het allemaal wist.
    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Hij plaogt mèn ammòl. - Hij plaagt me alsmaar.
    - Jan Triborgh (pseudoniem van John Majoie); Nieuwe Tilbugsche Courant, feestelijkheden in 1954 ter herdenking van de tiende bevrijdingsdag van Tilburg - Wè'n flauwe kul toch ammel!
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-09-16 - t Is ammol niks...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1961-07-07 - Asser ammol ingaon...
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ammel interessante dinger over vanalles èn nòg wè.
amtenèèr
zelfstandig naamwoord

ambtenaar

- Kees & Bart; krantenrubriek in Tilburgsche Post 1922-193? - ambtenèèr, ambtenair
anderst
naam

ander

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - om den andersten dag - om de dag (de ene dag wel, de volgende niet)
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - um den andersen dag, ook ouver andersen dag - om de andere dag; ouver anderst joor - om het andere jaar
andijvie
  1. zelfstandig naamwoord

    andijvie

    - Piet van Beers; Balaanze - Mar... hilt jaor deur, was er volop/ te ogste van munnen hòf./ Spinòzzie, Slaoj èn Boerekôol/ Andijvie, Brussels lòf...
    - Piet van Beers; Drôome - Meej slaoj èn andijvie,/ haol ik alle prèèze/ èn schondere praai/ hèb ik nèrges gezien.
    - Piet van Beers; De kunst van t kooke - Raopsteele èn andijvie lèèke op mekaor
    - Piet van Beers; Wètter in vèèfteg jaor veraanderde - Wie kènde vruuger mangoow èn kiewie òf bròkkolie, karèmbola èn taugee ?/ Meej sprötjes, andèèvie, boerekôol èn bloemkôole waareme tevreej.
    andijvie
  2. tussenwerpsel

    anee

    - Informant Piet Mutsaers - nee hoor (nadrukkelijke ontkenning van een bewering)
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, (Udenhouts), 1978 - anee (ahnee) - nee hoor (diende om tegenover een bevestiging iets te ontkennen)
    - WTT aanvulling 2020; ook in vragende vorm gebruikt, en drukt dan verwondering uit; als in 'ach nee?'
antiesèpties
bijwoord

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1970-01-10 - Dè kan ammaol wel waor zèn mar ik stao er antisepties tegenover
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1970-01-30 - Mar ik stao dr toch antie-septies tegenover...
Antwèrpe
zelfstandig naamwoord

Antwerpen

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 81, 6 of 27 juni 1969 (er verschenen 2 afleveringen genummerd 81) - We noteerden nog een andere uitdrukking, die ook een "goed thuis zijn" inhoudt. Indien iemand uitleg wordt gegeven van een zaak, waarover hij geen uitleg behoeft, omdat hij er zelf beter van op de hoogte meent te zijn dan degene die hem wil voorlichten, dan kan hij de overbodige voorlichting de pas afsnijden met: "Ge moet mij in Antwerpen de weg leren kennen!" Het komt ons voor, dat die uitroep tendeert naar een bepaald gedeelte van Antwerpen.
Anvèèrs
zelfstandig naamwoord

De Franse benaming van Antwerpen wordt in het Tilburgs met de scherpe e uitgesproken en met de s; in de regel gaat daaraan vooraf het lidwoord den

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 5; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1938-10-29 - Ik heb éénen keer iets van Wagner geheurd in den Anvers...
Anvèrs
zelfstandig naamwoord

De Franse benaming van Antwerpen wordt in het Tilburgs met de scherpe e uitgesproken en met de s; in de regel gaat daaraan vooraf het lidwoord den

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 5; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1938-10-29 - Ik heb éénen keer iets van Wagner geheurd in den Anvers...
anzjee
zelfstandig naamwoord

hachee

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - anzjeej, hansjee; verbastering van Frans haché
Anzjeliekske
naam

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1972-04-14
aojem
  1. zelfstandig naamwoord

    adem, asem

  2. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen - adem
  3. zelfstandig naamwoord

    asem, adem Hij hò ginnen òssem mir. Ze gaaf ginnen òssem = Ze reageerde niet. N. Daamen, woordenlijst 1916: "z'nen ossem waas te kort (hij had geen centen genoeg om te doen wat hij voorhad N. Daamen - handschrift 1916 - "(adem) Ik zò er wel over gesproken hebben as ie er mar iet of wè ossem van gegeven ha (als hij er maar iets over losgelaten had)"

    - Cees Robben - En as ge drie keer het gesnakt/ Zèèdoewen ossum kwèèt... (19600219) - Cees Robben - kort van ossum (19700925)
  4. PVb aachter zenen òssem zèèn - buiten adem zijn Mar vurtie halverweege kwaam/ wassie al bèùte òssem (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aanders...)

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - ik hèb mar êenen òssem èn twee haande - ik kan niet alles tegelijk
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - ak ernòr kèèk, zèèk al tèènen òssem
  5. zelfstandig naamwoord

    Mijn ogen jeuken allemol, ik hoest ak ossum haol... (Tony Ansems,Zak moete niese akkum aai?; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

    - Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Ik heb mar êenen òssem èn twee haande - Ik kan niet alles tegelijk. (081210)
    - WBD - III. 1. 2:235: 'kort van asem' = kortademig
    - WBD - III. 1. 2:236: 'nie achter zijn asem komen' = stikken
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Blijkens krt.44 ligt T. op de grens van de gebieden met s resp. j.
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - ADEM, ASEM - zelfstandig naamwoord mannelijk : Den - inhouden; kort van - ; enz.
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ASEM - adem: Kört van asem - kortborstig
    - WBD - III. 2. 2:54 'naar aden happen', 'asem tekort komen' = reutelen
aojeme
  1. werkwoord

    ademen aojeme - aojemde - geaojemd

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - We dörfden hòst nie te aojeme.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - Ge kost um nie heure aojeme - Je kon hem niet horen ademen
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - K-kos hòst niemir aojeme want k-krêeg gin òssem mir...
    - Willems; Dialectenquête, 1887 - geen vocaalkrimping, dus niet de vorm òjeme
    - WBD III.1.2:233 - zwaar ademhalen, moeilijk asemen; hijgen
    - WBD III.1.1:182 - ademen
    - WBD III.2.2:54 - zwaar ademen; reutelen
    aojeme
    ► òjeme
  2. werkwoord

    ademen

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ge kóst em heure òjeme.
    - Dialectenquête Willems (1887) - aojeme - aojemde - geaojemd - geen vocaalkrimping
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Blijkens krt. 44 ligt T. op de grens van gebieden met j resp. s.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zelfstandig naamwoord mannelijk adem: 'ene kooien ooiem hebbe'
aojer
zelfstandig naamwoord

ader, maar ook meervoud aderen

- WBD III.3.1:335 ader brandslang; ook genoemd darm
- WBD III.l.l:l80 aders, aderen
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - ojer, ooier - ader
aokelek
  1. bijwoord

    akelig

    - Kees & Bart; krantenrubriek in Tilburgsche Post 1922-193? - aokelijker
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - akelig
  2. bijwoord

    aon, òn aan

    ► òn
aon
bijwoord

aan

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Dènkt eraon dègger on dènkt . - Vergeet niet eraan te denken.
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ik bèb et òn men hart
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - hij heej gezeej dèttie òn me zal dènke
- Henk van Rijen - òn zon kèèr hèk niks aon
- Henk van Rijen - òn höös koome
- Henk van Rijen - òn kouse nuuw voete braaje
- WBD III. 2. 2:83 'aan zijn' - verkering hebben
aonbetije
werkwoord

betijen, laten begaan, zijn gang laten gaan

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 04 10 - Hij laot alles mar aonbetije / Z'n haande diep in z'ne zak.
aongemòkt

aanmaken

- WTT daor zèède goed meej òngemòkt daar ben je mooi klaar mee
- Pierre van Beek; De Noord-Brabantsche Tongval; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1930-07-31 - Zoo zegt men hij is hier of daar mede aangemaakt, wanneer men wil zeggen, dat iemand aan dit of dat lijdende is.
aongetrouwde
naam

aangetrouwde; namelijk leden van de schoonfamilie; in het Tilburgs meestal kaawe kaant genoemd

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-11-06 - Over dn aongetrouwde kaant (titel van de prent)
aonlègge
  1. werkwoord

    aanleggen 1. in het bijzonder een cafeetje bezoeken

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-11-05 - In 't geensgaons hebben we ne keer aongeleed, en toen we terugkwame nóg ne keer.
    - Cees Robben, Prent van de Week, 1955-07-16 - En onderweege likkisaon...
    - Cees Robben, Prent van de Week, 1959-08-01 - Ik legde is aon...
  2. 2. werk krijgen

    - Anoniem; Tilburgs folklore, n Kaoi rikkemedaosie; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-11-19 - Jaans zaag de kaoi rikkemedaosie, naauw kossie nieveraans aonlegge.
    - Anoniem; Hoe was het in onze streken?; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941-01-30 - De jongeren hebben er geen denkbeeld van hoe het vijftig jaren geleden met de arbeiderstoestanden en ook met die van de kleine burgerij was gesteld. Er waren ontzettend lange arbeidsdagen en er werd zeer karig loon verdiend. De fabrieken ratelden van des morgens zes tot des avonds zes, zeven uur en niet zelden tot acht, negen, en als het voor de werkgevers druk was soms tot middernacht. Geschaft werd er om acht uur één kwartier voor de boterham; de drijfriemen bleven echter op de losse poelie voortloopen, zoodat terstond als het kwartier om was de arbeid weer voort kon gaan. Om twaalf uur was de grootte rusttijd om te gaan eten tot half twee; maar ouderen herinneren zich den tijd nog wel dat op veel fabrieken om een uur weer moest worden aangelegd, zooals het heette.
aonprissenteere
werkwoord

iets of zichzelf aanbieden dan wel aanbevelen contaminatie van presenteren en aanbieden

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Ons Lia presenteerde der èège aon om de soep op te scheppe.
aonprizzenteere
werkwoord

iets of zichzelf aanbieden dan wel aanbevelen contaminatie van presenteren en aanbieden

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Ons Lia presenteerde der èège aon om de soep op te scheppe.
aonraoje
werkwoord

aanraden

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-11-06 - Mar afraoje is aonraoje - met een negatief advies bereik je vaak het tegendeel
aonrècht
zelfstandig naamwoord

aanrecht, het fonologische varianten: aonrècht, ònrècht, òrècht, òrecht, òrcht, naarècht, nòrècht

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Zèt alles mar óp den aonrècht. - Zet alles maar op het aanrecht.
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1973-02-09 [op de vraag of een man schik heeft met zijn kunstgebit; zeker...] ast op den aonrecht in en kumke leej...
aonrikkemendeere
werkwoord

aambevelen contaminatie van aanbevelen en het Franse recommander (aanbevelen)

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1972-01-28 (Onderwijzer tegen een moeder die haar zoon aan een baan wil helpen...) Ik kan nie over m stuite, mar omdè gèt-zèèd zal ik opnoteere dek van de week moet optillefeneere en m aon rikkemendeere.. En dan moet ie mar solliciteere...
aonschèèrepe
werkwoord

aanscherpen, scherp maken

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1966-10-17 - (Gehoord van n rasechte Tilburger, vertellende van zn operatie...) Den dokter most 2 keer zn mis aonscherpe veur dettie deur munne pens kos koome...
aonspreeke
werkwoord

aanspreken

- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-20 - Iemand uit het volk, die een autoriteit wil raadplegen wijl hij meent verongelijkt te zijn, zegt, dat hij andere mannen zal aonspreken ofwel dat hij hoogerop zal gaon.
aonsteeke
werkwoord

aansteken; het electrisch licht aandoen

- Piet van Beers; Brabants Bont 1, circa 2005 t Jaor is wir om: ...èn steeke we de laamp wè laoter aon.
aontèùge
werkwoord

aantuigen, optuigen, zich aankleden

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - s Mergens om vèf uure begos ik me aon te tuige
aontreej
zelfstandig naamwoord

entree, intreegeld

- Jos Naaijkens; De kèrstfèèr; CuBra, circa 2005 - Aontreej zès euro èn as ge wot konde oewe jas kwèèt vur enne euro.
aonwitte
werkwoord

wetten, scherp maken van een mes; contaminatie met aanscherpen

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1967-03-17 - Den dokter [chirurg] moes twee keer zn mis aonwitte...
aonzien veur
werkwoord

aonzien aonzaag - aongezien aanzien voor

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - De buuvrouw, mevrouw van Gompel, die is tòch vort zô wèèd wèg dèsse onze lieven Heer vur nen doedelzak ònzie.
aoola
zelfstandig naamwoord

aula

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 In de aoola hier van, van et hèùs, dan was ok zon, zon hèrmenieke van die aaw manne die ok ammel bij de meziek gewist waare vruuger èn naa meej de aaw manne bij mekaare gebleeve zèn. Èn dan geeve ze hier òf daor zon, zon konsèrtje, hè Et Hèrmenieke noeme ze derèège, hèDès leuk...
aop
zelfstandig naamwoord

aap, snotneus

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Aop, wè hèdde schôon jong! - Aap, wat heb je mooie jongen!
- Kees & Bart; krantenrubriek in Tilburgsche Post, 1922-193? krantenrubriek in Tilburgsche Post, 1922-193? ...aop wè hedde schoon jong
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - naa zudde nen aop zien neuke - nu zul je wat beleven
- Informant Toine Raaijmakers - Aop wè hèdde schôon jong...
- Cees Robben; Prent van de Week, 01-02-1980 - Ge hoeft unne aauwe aop gin bakkussen te leeren trekke.
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op website Je bent een echte Tilburger, maart 2013 -
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 81, 6 of 27 juni 1969 (er verschenen 2 afleveringen genummerd 81) - Argwaan over wat iemand meedeelt, spreekt ook uit het volgende: "Hij kan 't schoon vertellen, mar ik zeg oe: d'r zit 'nen aop op zolder!" Ook hier constateert men een poging de waarheid te verdoezelen. In het Algemeen Beschaafd Nederlands pleegt deze aap in de mouw te zitten en daar wel eens uit te komen.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - der zit nen aop óp zolder; opmerking in bijzijn van iemand die leugens vertelt
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zich et aopelaazerus schrikke - heel erg schrikken
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - al wè ene vent schonder is as enen aop, is meegenoome
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - de gouwen aop - E. van Spaendonck (bladzijde 73)
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den aop - frater Embertus (bladzijde 101)
- Stadsnieuws, 2006-04-30 - der zit nen aop op zulder
- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003 n Aop zien neuken op glad ijs - Iets geks zien.
- WBD III.1.4:36 aop ezel, ezelachtig persoon
- WBD III.1.4:106 - aap, snotaap - snotneus
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - aap (figuurlijk) kleine snuiter, snotneus; nen aap van ne jongen - ezel, dommerik
► òpke
aopezuur
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - maagzuur
aor
zelfstandig naamwoord

aar, halm

- Informant Toine Raaijmakers - De tiende maaj schiet de rog in d'aor...
- WBD I:1466 halm - aor
aord
zelfstandig naamwoord

aard, soort

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad; Tilburg 1984 - dèttie pròt nòr zenen aord
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-04-06 - Des naaw eemel den aord van 't bisje.
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1968-01-19 - k Heb ginne aord meej deeze maantel...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 178, 25-08-1973 - Niet de aard naar de vader hebben wordt op verschillende manieren weergegeven. Men kan te horen krijgen: "Hij loopt niet in vadders schoen", "Hij is uit den aord geslaon" en ook nog: "Hij is bij het bakken uit de pan gesprongen".
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916 - en vèèreke meej nen baord is zèlde van goejen aord.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - den aord vant bisje - zijn eigen aard
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - den aord nòr gin vrèmde - aardje naar zijn vaartje
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - heet ie den aord? - aardt hij?
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - ot den aord geslaon - vervreemd; op het verkeerde pad
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - aord hèn - zich thuisvoelen
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hij heej den aord nor ginne vrèmde
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Èn asse naa in de kèrk komme preeke èn ze preeken oover de tèèd van vruuger jaore van Adam èn Eva èn hil diejen aord van dinge ...èn van reize èn hil diejen aord van dinge... Stòn ze te preeke in de kèrk èn hier gòdverdomme, de pestoor drie weeke geleeje zeetie zèllef dèttie et ok nie gelêûft!
aorde
werkwoord

aarden, aard hebben, aard krijgen aor(d)e - aorde - geaord (geen vocaalkrimping)

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1985-11-08 - t Zèn goei die naor daauw aore...
- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1985 - Ut zen goei jong die nor de aauw aorde.
- Cursus in Tilburgs; krantenrubriek in Groot Tilburg,aflevering 43, circa 1940 - 't Zen goei die nor daaw oare
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - De d van aorde is gesyncopeerd (geen verklaring)
- WBD III.4.3:25 - den aard hebben (zeldzaam in het midden van Tilburg); wassen, uitstoelen, gedijen, tieren, wild groeien en hard groeien
- WBD III.1.4:274 (goede) aard krijgen - aarden
- WBD III.4.3:277 - niet aarden - niet tieren of verèèrmoejen; heimwee hebben
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - aarden, ergens de aard hebben of krijgen.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 aarden - zich ergens schikken
aore
werkwoord

aarden, aard hebben, aard krijgen aor(d)e - aorde - geaord (geen vocaalkrimping)

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1985-11-08 - t Zèn goei die naor daauw aore...
- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1985 - Ut zen goei jong die nor de aauw aorde.
- Cursus in Tilburgs; krantenrubriek in Groot Tilburg,aflevering 43, circa 1940 - 't Zen goei die nor daaw oare
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - De d van aorde is gesyncopeerd (geen verklaring)
- WBD III.4.3:25 - den aard hebben (zeldzaam in het midden van Tilburg); wassen, uitstoelen, gedijen, tieren, wild groeien en hard groeien
- WBD III.1.4:274 (goede) aard krijgen - aarden
- WBD III.4.3:277 - niet aarden - niet tieren of verèèrmoejen; heimwee hebben
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - aarden, ergens de aard hebben of krijgen.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 aarden - zich ergens schikken
aoreg
  1. bijwoord

    1. aardig, lief

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, Nieuwe Tilburgsche Courant 1939-02-25 - 1939-04-18 - En Anneke is ok 'n heel aorig meiske...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1962-08-10 - n aorig menneke dè wel... mar wè jengelèèchtig..!
    - Gerard Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol, 1997 - Ge zult nie gaa iemand heure zègge dèttie onze nuuwen burgemister ginnen aorege meens vènt. Mar hij pròt wèl en bietje aoreg.
  2. 2. eigenaardig, vreemd, raar

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel; Nieuwe Tilburgsche Courant 1939-05-20 - 1939-06-17 - ...want onder ons gezeed en gezwege, t is n aorige, die taante Sophie.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1966-10-21 - Hij keek me efkes aorig aon
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1961-10-20 - t klinkt wel aorig al meej al/ Mar t is toch waor gebeurd...
    - Interview echtpaar Staps, 1978 ; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Jan Boemelgètje zin zer teege mar meer weet ik er nie van want die liep zo aoreg!
    - Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Ik weet t wèl meense. Ok bij de Tilburgers hèdder netuurlek zat aorige bij, mar de miste Tilburgers vèèn ik tòch hêel aorig.
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - wènnen aorege meens
    - WBD III.1.4:59 aardig - vreemd
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 aorig - aardig, eigenaardig; heeft meerdere betekenissen
    - Hans Heestermans; Witte nog?; 1988-1994 - arig - vreemd, raar
    - C.J. Verhoeven; Haorese woorde, spreuke en gezegdes, 2007 - aorig - vreemd, raar, eigenaardig
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts], 1978 aardig (aorig) - eigenaardig vreemd, niet aangepast, n beetje ziek; heeft nooit de betekenis sympathiek; deze is wel aanwezig in het abstractum aorighèt; plezier, genot.
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 aardig (Kempisch aorag) - vreemd, zonderling; onpasselijk, misselijk; kwalijk; arig - aardig
  3. 3. onwel, vreemd

    - Informant Toine Raaijmakers - Ik wier der aoreg van. - Ik werd er beroerd/onwel van.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1979-03-02 - Ik ben hil den dag toch zô aorig, war... Dè komt van de muugte...
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 are, arrig aardig; 1) eigenaardig, zonderling, vreemd: 2) onwel, onpasselijk, duizelig, raar.
  4. 4. behoorlijk

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Toen zaat et aoreg in de frut. - Toen zat het behoorlijk in de war.
  5. 5. een combinatie van I en II bij Robben en Verbunt

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1986-03-28 - Ik vèèn heur wel n aorig medje... hum vèèn ik mar unne aorige...
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zij is wèl aoreg, mar hij is mar enen aorege
aoreghèdje
zelfstandig naamwoord

attentie, aangename verrassing, aardigheid(je)

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Daor is gin aoreghei aon! - Dat is helemaal niet leuk!
- Informant Ad Vinken - Ik hèb mar en aoreghèkke vur oe meegebròcht
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - tis mar en aoreghèdje - klein cadeautje
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - aoreghèt/hèj - aardigheid, aangename verrassing; meervoud aoregheeje
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 aardigheid - verzet, genoegen, vermaak; zeldzaamheid; veur de aardigheid - voor de grap; ook: lastigheid, onbeleefdheid.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 aorighèd - d'r is gin aorighèd aon - er is niks aan
aoreghei
zelfstandig naamwoord

attentie, aangename verrassing, aardigheid(je)

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Daor is gin aoreghei aon! - Dat is helemaal niet leuk!
- Informant Ad Vinken - Ik hèb mar en aoreghèkke vur oe meegebròcht
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - tis mar en aoreghèdje - klein cadeautje
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - aoreghèt/hèj - aardigheid, aangename verrassing; meervoud aoregheeje
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 aardigheid - verzet, genoegen, vermaak; zeldzaamheid; veur de aardigheid - voor de grap; ook: lastigheid, onbeleefdheid.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 aorighèd - d'r is gin aorighèd aon - er is niks aan
aorig
  1. bijwoord

    1. aardig, lief

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, Nieuwe Tilburgsche Courant 1939-02-25 - 1939-04-18 - En Anneke is ok 'n heel aorig meiske...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1962-08-10 - n aorig menneke dè wel... mar wè jengelèèchtig..!
    - Gerard Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol, 1997 - Ge zult nie gaa iemand heure zègge dèttie onze nuuwen burgemister ginnen aorege meens vènt. Mar hij pròt wèl en bietje aoreg.
  2. 2. eigenaardig, vreemd, raar

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel; Nieuwe Tilburgsche Courant 1939-05-20 - 1939-06-17 - ...want onder ons gezeed en gezwege, t is n aorige, die taante Sophie.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1966-10-21 - Hij keek me efkes aorig aon
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1961-10-20 - t klinkt wel aorig al meej al/ Mar t is toch waor gebeurd...
    - Interview echtpaar Staps, 1978 ; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Jan Boemelgètje zin zer teege mar meer weet ik er nie van want die liep zo aoreg!
    - Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Ik weet t wèl meense. Ok bij de Tilburgers hèdder netuurlek zat aorige bij, mar de miste Tilburgers vèèn ik tòch hêel aorig.
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - wènnen aorege meens
    - WBD III.1.4:59 aardig - vreemd
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 aorig - aardig, eigenaardig; heeft meerdere betekenissen
    - Hans Heestermans; Witte nog?; 1988-1994 - arig - vreemd, raar
    - C.J. Verhoeven; Haorese woorde, spreuke en gezegdes, 2007 - aorig - vreemd, raar, eigenaardig
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts], 1978 aardig (aorig) - eigenaardig vreemd, niet aangepast, n beetje ziek; heeft nooit de betekenis sympathiek; deze is wel aanwezig in het abstractum aorighèt; plezier, genot.
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 aardig (Kempisch aorag) - vreemd, zonderling; onpasselijk, misselijk; kwalijk; arig - aardig
  3. 3. onwel, vreemd

    - Informant Toine Raaijmakers - Ik wier der aoreg van. - Ik werd er beroerd/onwel van.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1979-03-02 - Ik ben hil den dag toch zô aorig, war... Dè komt van de muugte...
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 are, arrig aardig; 1) eigenaardig, zonderling, vreemd: 2) onwel, onpasselijk, duizelig, raar.
  4. 4. behoorlijk

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Toen zaat et aoreg in de frut. - Toen zat het behoorlijk in de war.
  5. 5. een combinatie van I en II bij Robben en Verbunt

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1986-03-28 - Ik vèèn heur wel n aorig medje... hum vèèn ik mar unne aorige...
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zij is wèl aoreg, mar hij is mar enen aorege
aos
zelfstandig naamwoord

aas

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 152, 11-04-1972 - "Mee aoze (azen) kunde (kun je) nie maoze!" zei een rijmelende kaartspeler toen een ploegmakker die bij het rikken "mezjère" (niets halen) deed, "er in speelde". Een troost in een dergelijke situatie ligt in de waarheid-als-een-koe: Er in gespeeld is ook gespeeld.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - ek hò nen aos - ik had een aas
aosem
  1. detail uit een Prent van de week van onbekende datum.

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ik hèb mar êenen aojem èn tweej haande (ook Stadsnieuws, 2006-05-12)
    - WBD III.1.2:232 - naar adem snakken, hijgen
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - Blijkens kaart 44 ligt Tilburg op de grens van vormen met respectievelijk j en s.
    - WNT adem; asem is een andere vorm van hetzelfde woord
    ► òssum
  2. zelfstandig naamwoord

    adem

aovend
zelfstandig naamwoord

avond

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad; Tilburg 1984 - Ik koom nie tèùs vur taovend - Kees & Bart; krantenrubriek in Tilburgsche Post, 1922-193? Krantenrubriek 1922-193? - Zondaggenaovend, Zaoterdaggenaovend...
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-02 - As t aovend Sjarel de veldwachter ons uit t Engeltje zet...
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1954-09-25 - Heel laot op den aovend...
aovetuur
zelfstandig naamwoord

avontuur

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 07 17 - De Nilles zuukt aovetuur...
aoze
werkwoord

azen (op)

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1956-04-14 - Den onze is gewend aachter bakvissen te aozen...
appel
  1. zelfstandig naamwoord

    meervoud appels maar ook appel 1. de vrucht

    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Ik ha 20 kilo appel, 10 kilo père, in mèndje vol mee waaichampions
    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916 - As ge oe aigen goed doet, dan doe de et gin rotte appel.
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1879 nen zuren aapel
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - appel; meervoud appel, minder vaak appelke(n)
  2. Schilderij (detail) van Osias Beert de oudere - 17e eeuw Jongen met appels - Eugenio de Blaas. 2. als beeld voor hoofd

    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dan slòdde zô iemand tege zenen appel aon.
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - ...dus vur dèttie der èèreg in ha pèèr ik em goed hard teege zenen appel aon.
  3. bijwoord

    appelèèchteg appelachtig; woordspeling met de naam van de schilder Karel Appel

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1986-05-16 (In een museum...) Ik ben nie zoo appelèèchtig... Ik haauwet meer bij Citroen... (de schilder Paul Citroen)
  4. Cees Robben detail uit Prent van de week - 1986-05-16

appelenpròl
  1. zelfstandig naamwoord

    stamppot van aardappelen, gestoofde appels of peren en spek; hete bliksem het lid prol is een klanknabootsing

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916 - appelenprol - heeten bliksem, appelstaamp
    - WNT - prol - I 1.a; in Zuid-Nederland - Van denzelfden wortel als prollen; de oudste betekenis zal zijn week lichaam, weeke massa die (bij het koken) het geluid prol maakt. Vergelijk prut, dat in betekenis het nauwst verwant is (waarnaast pruttelen, dat verschillende betekenissen met prollen gemeen heeft), prul, dat in den vorm het meest overeenkomt, en zie verder bij prollen
    appelenpròl
  2. Schilderij van Elias van den Broeck - detail - 17de eeuw

appelesien
zelfstandig naamwoord

sinaasappel, appelsien

- A.J.A.C. van Delft; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-12-05 - appelsien - Daor ware s aoves (5 december, op de klòttermarkt) de irste applesiene zo zuur as brèm, nog zuurder as setroene.
- Reflector (schuilnaam van een niet nader bekende publicist); Tilburgsche Courant, 1926-03-18 - Mijne appelesien is grotter dan de jouwe. Dè zodde willen! De mijne is vèùl grotter dan de jouwe.
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - Sebiet schûifde ûit over diejen applesienenschèl!
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1968-02-09 (Bij een marktkraam...) Vleje-week-vrom waren oew pèère buikzuut.. oew appelesiene mörf.. oewe knolraop vôôs... en oew èèrepel glaozig... steeket zelf mar in oewe kaones...
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Griepepidemie, 2009 k Haol wè paaraceetamolle/ èn appellesiene op de mèrt.
- WBD III.2.3:172 appelsien - sinaasappel
- WNT appelsina - In de volkstaal niet ongewone bijvorm voor sinaas- of chinaasappel. Bijvorm is ontstaan in navolging van latijns malum sinicum.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 appelsien (apelsi:n)
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - appelsien, sinaasappel
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - appelsien - sinaasappel
appelesienappelesienappelesien
Appelesienesteeg
naam

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1953-12-05 MADRID Appelesienesteeg [bijschrift bij het eerste prentje (van 5) over Sinterklaas. Sinterklaas bracht de eerste sinasappels mee uit Spanje].
Appelesienesteeg
appelmènneke
zelfstandig naamwoord

appelmannetje

- Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-03-19 Het appelmanneke komt om zijn geld zeide een moeder tot een kind, dat onrijp fruit gegeten had en toen van buikpijn klaagde.
appelsien
zelfstandig naamwoord

sinaasappel, appelsien

- A.J.A.C. van Delft; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-12-05 - appelsien - Daor ware s aoves (5 december, op de klòttermarkt) de irste applesiene zo zuur as brèm, nog zuurder as setroene.
- Reflector (schuilnaam van een niet nader bekende publicist); Tilburgsche Courant, 1926-03-18 - Mijne appelesien is grotter dan de jouwe. Dè zodde willen! De mijne is vèùl grotter dan de jouwe.
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - Sebiet schûifde ûit over diejen applesienenschèl!
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1968-02-09 (Bij een marktkraam...) Vleje-week-vrom waren oew pèère buikzuut.. oew appelesiene mörf.. oewe knolraop vôôs... en oew èèrepel glaozig... steeket zelf mar in oewe kaones...
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Griepepidemie, 2009 k Haol wè paaraceetamolle/ èn appellesiene op de mèrt.
- WBD III.2.3:172 appelsien - sinaasappel
- WNT appelsina - In de volkstaal niet ongewone bijvorm voor sinaas- of chinaasappel. Bijvorm is ontstaan in navolging van latijns malum sinicum.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 appelsien (apelsi:n)
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - appelsien, sinaasappel
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - appelsien - sinaasappel
appelsienappelsienappelsien
appendènsie

appendentie uit Frans appendance

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1963-02-10 - t Gong ammaol goed, zonder veul ap- en dippendensies.
- WNT; lemma appendentie thans vrijwel uitsluitend nog in de verbinding ap- en dependenties.
- WNT; lemma dependentie, figuurlijk gebruik - Zaak van bijkomstigen aard, belang of omvang, die hoort bij, deel uitmaakt van of samenhangt met een grooter geheel.
apperetuur
  1. zelfstandig naamwoord

    appretuur; afdeling in de textielfabriek voor veredeling en afwerking van stoffen

    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Daor hèb ik ok in de apperetuur gestaon (textielfabriek Gooyaerts). Daor hèk alles gedaon... gepèrst, gestòpt, genòpt!
  2. Prentbriefkaart ter gelegenheid van de kermistentoonstelling 'Jaozeetie', Tilburg 2018.

appetjoek
  1. zelfstandig naamwoord

    De etymologie is niet opgehelderd; komt alleen voor in Tilburg en naaste omgeving; appetjoek is de bekendere vorm - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1984-03-30 - Hullieje pa is unne wous... hullie moeder unne abbetjoek... en zelf is t ôôk mar unne drie-kwart... Vur de rest gaoget wel.

  2. naam

    een geestelijke afwijking hebbend, getikt

    appetjoek
applesien
zelfstandig naamwoord

sinaasappel, appelsien

- A.J.A.C. van Delft; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-12-05 - appelsien - Daor ware s aoves (5 december, op de klòttermarkt) de irste applesiene zo zuur as brèm, nog zuurder as setroene.
- Reflector (schuilnaam van een niet nader bekende publicist); Tilburgsche Courant, 1926-03-18 - Mijne appelesien is grotter dan de jouwe. Dè zodde willen! De mijne is vèùl grotter dan de jouwe.
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - Sebiet schûifde ûit over diejen applesienenschèl!
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1968-02-09 (Bij een marktkraam...) Vleje-week-vrom waren oew pèère buikzuut.. oew appelesiene mörf.. oewe knolraop vôôs... en oew èèrepel glaozig... steeket zelf mar in oewe kaones...
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Griepepidemie, 2009 k Haol wè paaraceetamolle/ èn appellesiene op de mèrt.
- WBD III.2.3:172 appelsien - sinaasappel
- WNT appelsina - In de volkstaal niet ongewone bijvorm voor sinaas- of chinaasappel. Bijvorm is ontstaan in navolging van latijns malum sinicum.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 appelsien (apelsi:n)
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - appelsien, sinaasappel
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - appelsien - sinaasappel
applesienapplesienapplesien
apprènsie

apparènsie, apperansie, opperènsie uit Frans apparence (verschijning)

apprènsieapprènsieapprènsie
apprepoo
naam

apropos, onderwerp, stuk uit het Frans à propos; meestal in de uitdrukking van mn à propos - van slag zijn, de kluts kwijt zijn

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-11-27 - Akkoe mar zie Sofie zèèk gelèek van munne apprepoo...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - A-k oe zie Sefie, zèè-k gelèèk van munnen apperepoo. Als ik je zie Sofie, ben ik direct de kluts kwijt.
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1985-09-06 - Ik raokte gelèèk van munne aprepoo aaf toen onze Sooi van zunne sus ging...
- Henriëtte Vunderink; Tis de moejte wèrd, 2011 - Zonder èèrg... Zèèk van menen apprepoo geròkt...
aprepoo
naam

apropos, onderwerp, stuk uit het Frans à propos; meestal in de uitdrukking van mn à propos - van slag zijn, de kluts kwijt zijn

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-11-27 - Akkoe mar zie Sofie zèèk gelèek van munne apprepoo...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - A-k oe zie Sefie, zèè-k gelèèk van munnen apperepoo. Als ik je zie Sofie, ben ik direct de kluts kwijt.
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1985-09-06 - Ik raokte gelèèk van munne aprepoo aaf toen onze Sooi van zunne sus ging...
- Henriëtte Vunderink; Tis de moejte wèrd, 2011 - Zonder èèrg... Zèèk van menen apprepoo geròkt...
apteeker
zelfstandig naamwoord

- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - apteker - apotheker
arbèje
werkwoord

arbeiden arbèje - arbèjde - gearbèjd

- WBD - de koej arbèjt - ...maakt uitdrijvende bewegingen bij het kalven; ook genoemd: de koej èrbèt, wèrkt, pèrst
- WBD III.1.4:344 arbeiden - werken
- WBD III.5.1:212 arbeiden - werken
ardènner
zelfstandig naamwoord

paardenras uit de Ardennen

- WBD I.4: 597 - geeft voor Tilburg licht paard; bedoeld wordt niet een paard dat licht van kleur is, maar een paard dat licht van bouw is.
- Wikipedia; geraadpleegd in 2020 - De Ardenner is een paardenras afkomstig uit de Ardennen. De stokmaat is tussen de 1.55 en 1.60 meter. Ze komen voor in de kleuren bruin, schimmel en vos.
ardènner
arrebéé
zelfstandig naamwoord

aardbeien

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1965-07-09 - Arrebéé koop koop-koop... Door Robben gebruikt in de uitspraak van een marktkoopman; de normale uitspraak is aarbei.
arreej
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - op arree zitte - ongeduldig zitten wachten, aanstalten maken, paraat zijn.
- WTT; 2020 De etymologie is niet duidelijk. Volgens het WBD komt arree vooral voor in de Antwerpse Kempen in de betekenis van vooruit, opschieten.
arsjief
  1. zelfstandig naamwoord

    archief

    - Interview met Heikanters, 1978; transcriptie door Hans Hessels, 2015 - Mar daor zèn nòg wèl ouw kaorte van op... in et arsjief dènk, op de gemènte
  2. Antoine Arts

Artskes kraant
  1. uitdrukking De krant die door de familie Arts werd uitgegeven: de Nieuwe Tilburgsche Courant

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1929-11-21 - Sommige kraanten saawelen dè Jantje (Pijnenburg) in Brussel mee rijdt in den zisdaogschen, mar Artskes kraant hee gezee, dè-t-er vurloopig nog niks van waor is.
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1929-10-09 - ...dan schreef ik is n stukske en daor stapte-n-ik mee nor Tilburg nor Artskes kraant.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - op et ketoor van Artse Kraant
    - Nel Timmermans; Tenêel speule dès leuk; CuBra, 200? - En we waare aaltij benuuwd hoe de recenties waare in 't Nuuwsblad, èn in Artse kraant, die wiere èùtgeknipt èn bewaord.
    - Ronald Peeters; De Paap van Gramschap; internetversie, 2012 - Antonius Henricus Arnoldus (Antoine) Arts werd op 20 april 1845 te Arnhem geboren (...) Aanvankelijk werkte hij in s-Hertogenbosch op een handelskantoor. Daarna begon zijn journalistieke loopbaan. In 1877 werd hij hoofdredacteur van De Kruisvaan, het wekelijks orgaan van de Zouavenbond St. Bonifacius. Deze krant werd aanvankelijk gedrukt door N. Luijten in Tilburg, de drukker van de Tilburgsche Courant. In 1878 richtte Arts een eigen drukkerij op in de Poststraat. Hij verhuisde naar de Nieuwendijk (de tegenwoordige Bisschop Zwijsenstraat) en begon met ingang van 1 januari 1879 met het drukken en uitgeven van De Kruisvaan (vermoedelijk tot 1882 verschenen). In april 1879 richtte hij de Nieuwe Tilburgsche Courant op en op 10 januari 1898 Het Tilburgsch Dagblad voor het Volksbelang. Beide kranten zouden per 1 januari 1901 tot één dagblad worden samengevoegd. Zijn oudste zoon Antoon werd hoofdredacteur. (...) Hij overleed te Tilburg op 31 maart 1926.
    Artskes kraant
  2. as voegwoord als

    - WNT - Door de zwakke toon versmolt de l vóór de s, en zo ontstond in de volksspraak het thans nog algemeen gebruikelijke as, dat reeds in het Middelnederlands voorkwam.
  3. 1. voegwoord van vergelijking

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-02-? - Ik zè zo ziek as iets, k gao naor hûis en alles...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 198 2-07-02 - niks as rôoken èn ötgaon...
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ze zòchte niks aanders as ...
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 as - als; ook in krachttermen: as te mieter, as de nondejuu
  4. 2. voegwoord van tijd

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek; Nieuwe Tilbugsche Courant 23-03-1972 - "Als het waait, draaien alle meulens". Daarmee wordt aangegeven, dat men met geluk wèl kan varen, aldus onze zegsman. Het lijkt ons echter niet uitgesloten, dat we hier te maken hebben met een sceptische opmerking, waarmee men door het voorwaardelijke "als" belachelijk wordt gemaakt.
  5. 3. voegwoord van voorwaardelijkheid

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - As tis dèt is, dan fisteme. - Als het inderdaad zo is, feesten we.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1954-12-24 - Kèkkis of ie kèkt Pietje... En as ie kèkt... Nie kèèke...
    - Piet Heerkens; De knaorrie; As...as...as..., 1949
  6. samentrekking

    Denk eraon, mn goeie ziel: as... is de spil van 't kreugelwiel! As... is hout, as 't opgestookt is, as... is vuur as 't uitgerookt is. As den hemel valt? - Geen nood! al de musse valle dan dood! As de locht valt op onze kop, hebbeme blauwe mutskes op! As de as breekt van oewe waoge, zullen oe beenen oe nog wel draoge! Laot die assen uit oewe körf; as... is mar verbraande törf! Strooi geen assen op oe brood, want as suiker smaoken ze noot! Denk eraon, mn goeie ziel, as... is de spil van n kreugelwiel! agge - als jij/gij asie, assie - als hij asse, asze - als zij het asset - als het aswe, awwet - als we het agger - als je er

    - Willems; Dialectenquête, 1887 - ak, agge, asie, asse / asze, ast / asset, aswe/awe / awwet
  7. 5. in plaats van dan

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - grotter as en pèèrd
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - als (ook as uitgesproken). Wordt altijd gebruikt in plaats van dan achter eenen vermeerderenden trap, alsook achter ander(s), niemand, niets, nooit
  8. as-as-as voegwoord van voorwaardelijkheid met versterkende herhaling als-als-als om een uitspraak in te leiden waarmee onwaarschijnlijkheid wordt uitgedrukt.

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1975-09-19 - Jè, as-as-as... As we ham hôn dan kosse we snippere...
  9. naam

    as dèt als dat

    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1960-07-22 Wè zidde..? (...) As det oew slekbord rammelt...
  10. samentrekking

    asdèttie als, alsdat, als dat hij

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - hij zi asdèttie nie kos
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 als(dat) als; vergelijkend: Gij drinkt meer op alsdage vertèèrt; ook asda(t)
  11. samentrekking

    asger als je er, als ge er

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1971-05-07 - Zôô oud asger uitziet worde gij toch nôôt...
  12. askèùl askuil; bewaarplaats voor as, vaak gelegen onder de bakoven

    - WBD - askèùl - ashok
  13. zelfstandig naamwoord

    asoosjaale asocialen, minder beschaafden

    - Interview echtpaar Staps, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Èn die asoosjaale kwaame ammel van de Paddewaajkes, van et Körvels Huukske aaf!
  14. zelfstandig naamwoord

    Aspèrges me Latijn: Besprenkel mij. Het gezang onder die naam uit de rooms-katholieke liturgie, soms gebruikt als woordspeling met het gewas asperges.

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1938-10-08 t Waar muisstil in de kerk, toen ie uit de sacristie kwaam om den Asperges te zinge.
    - Piet van Beers; fragment asperges me (besproei mij), 2009
  15. samentrekking

    Ik denk wèlles terug òn vruuger, Dèn aawe rèèke Rômse tèèd. k Zuuk dan wèl es nòr schôon dinge. (Dè doede agge aawer zèèt) We wiere dan aaltij gezeegent vur dè de liste mis begon. t Asperges Me wier dan gezonge. Besproei mij, in t vakjargon. Onze pastoor was èèrg scheutig meej zenne grôote waoterkwaast. Hij ha n hêel goei haand van sproeie. Èn dè wier figuurlek toegepaast. As misdiender liep ik n paor meeter daor meej n èmmerke vur m èùt Die t dichtste bij t gangpad zaate kreege t miste waoter op der snèùt. asse als ze

    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-04-17 - En kusse asse kan...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - asse mar kosse...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1975-06-06 [vader kookt voor de kinderen; ze zouden het niet opeten...] asse wiesse wèsse aate
    - Cees Robben; Prent van de Week, onbekende datum [kinderen treuzelen met het uitzoeken van snoep op een kraam van de Hasseltse kapel] asse-mar-wiese-wèsse-won.
  16. Foto: website catholicworkeramsterdam

assekrèùs
  1. zelfstandig naamwoord

    askruis, askruisje; aswoensdag

    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1955-02-26 - Ieder die zn asse-kröske/ Mee den Paose nog hee staon/ Krijgt van den pastôôr n pekske.../ zee meneer den kapelaon.....
    assekrèùs
  2. Deze prent verscheen ter gelegenheid van Aswoensdag 1955. Aswoensdag is de dag waarop in de katholieke traditie de 40-daagse vasten begint, die eindigt met Pasen. Het askruisje dat gelovigen op Aswoensdag in hun parochiekerk gingen halen, is het teken van berouw, in het bijzonder berouw over de zonden begaan tijdens het carnaval. De katholieke folklore wilde vooral onder kinderen - dat dit kruisje niet mocht worden afgewassen. De as waarmee de priester het kruisje op het voorhoofd van de gelovige had aangebracht, was as van verbrande palmtakjes van Palmpasen van het vorig jaar. Uiteraard lukte het nooit iemand om het askruisje veertig dagen lang op het voorhoofd intact te houden, zelfs niet als de pastoor daarvoor een premie uitloofde die uit n pekske bestond, een pakje, een kledingstuk om met Pasen mee voor de dag te komen. (Detail - Robben - 1955-02-26)

    - Henriëtte Vunderink; Tis de moejte wèrd; Et vaastetrommeltje, 2011 - Geduurende de vaastetèèd,/ van assekrèùs toe Paose...
    - WBD III.3.3:225 - askruisje
asser
  1. samentrekking

    als ze er

    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1961-07-07 - Asser ammol ingaon...
  2. zelfstandig naamwoord

    Advertentie 1922 asseraansie assurantie, verzekering; van Franse assurance

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1987-09-18 - Ik keek wel effenaaf toen ik zaag desse mn fiets gejat han... Na hek van de asseraansie n effenaave trug gekocht...
  3. werkwoord

    asseradeere verzekeren; van Franse assurer

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - asseradeere, verasseradeere, verassereere - verzekeren
  4. samentrekking

    asset als het

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1972-11-17 - Asset thuis waait moete één deur dicht doen... aanders trekket...
  5. samentrekking

    assie als hij

    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1965-04-16 - En assie is afschiet.. Nou dan kan t (...) op unne wetsteen... Als hij eens betaalt dan is het heel magertjes...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1965-08-28 - Mar assie gedaon heej mottie effegoed vèège...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-01-10 - Hij is zôô kiem assie grôôt is... [Hij is zo preuts zoals hij groot is...]
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1969-01-10 - Assie in zn vaon stao [Als hij in zijn hemd staat]
  6. samentrekking

    assienie als hij niet

    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-03-27 - Ze hebben op den Heuvel unne put gevonden.. (...) Afblèève assienie van jouw is...
  7. zelfstandig naamwoord

    assortiemènt assortiment

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - assortiment, meerdelige voorspinmachine (textiel)
  8. samentrekking

    ast als het

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-02-? Ast is dèttis, dan fiste we
    - Paul Spapens e.a.; Goedgetòld; diksjenèèr van de Tilburgse taol, Tilburg 2004 - ast is dèt is - als het waar is, als het zo is
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - ast toevalleg geleege komt - als het uitkomt
  9. tussenwerpsel

    asteblief als t u belieft

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1972-09-23 - en ons persvlêes asteblief
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 asjeblieft - astebli:ft met of zonder t.
  10. samentrekking

    aster als het er

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1976-02-13 - En aster op aonkomt
  11. naam

    astraant brutaal; afgeleid van Franse assurance

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916 - astraant brutaal
    - A.J.A.C. van Delft; Toen Tilburg nog dorps was; een heel typisch dialect; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1956-07-17 - Zonnen aastraanten bliksem was ie!
    - WBD III.3.1:221 - astrant, strant, brutaal - vrijpostig, onbeschaamd
    - WBD III.1.4:130 astrant - moedig
    - WNT - assurant - in de volkstaal geworden tot astrant
    - A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - astrant, strant - onbeschroomd, vrijpostig (in Nederlands assurant brutaal)
  12. zelfstandig naamwoord

    astraasie verzekering; verbastering van assurantie ook: braandastraasie brandverzekering

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - bè wèffere braandastraasie zèède gè verastreerd?
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 astrantie - assurantie, verzekeringsmaatschappij
  13. zelfstandig naamwoord

    attak attaque, hartaanval; uit het Frans

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad, 1973-12-31 - En ast nie meevalt/ Hedde gij unne attak...
  14. Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg

astraant
  1. naam

    vrijpostig, astrant astrant; brutaal, vrijpostig; uit Vlaamse astrant, mogelijk van Franse assurant, maar in het Frans niet in deze betekenissen gebruikt - Cees Robben - Zô vroeg ik straand... (19590912) - Cees Robben - Hij trok de straante schoenen aon (19590530) gezegde - Ene straante meens kómt de halve wèèreld toe. - Een brutale mens heeft de halve wereld.

    - Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - straant: ''n strant vrammes'
  2. naam

    gezegde - Pierre van Beek - Zo astraant as et houtje van de galg. (Tilburgse Taalplastiek 136)

    - WBD III.3.1:221 'strant', 'astrant, brutaal' = vrijpostig
    - WBD III.3.1:225 'strant', 'lomp, onbeleefd' = onbeleefd
    - WBD III.3.1:226 'strant', 'ontstrant, frank, onbesnut' = brutaal
    - WBD III.1.4:130 astrant' = moedig
    - Stadsnieuws - Hij ston mèn meej en straant bakkes öt te laage. (280606)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - strant bn - vrijpostig
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ASTRANT bn, zelfverzekerd, brutaal
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - ASTRANT en ASSURANT - frank, onbeschaamd, vrijpostig, stout indringend
  3. S.G. blz. 86, 111, 113, 210, 293, 325, 329, 335, 338 (aant. Witters) Hees astrant (1:39) Bosch strant - brutaal

atteljeej
  1. zelfstandig naamwoord

    Centrale Werkplaats der Nederlandsche Spoorwegen uit Frans atelier; werkplaats

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Hij heej fifteg jaor op den atteljeej gewèèrkt.
    - Karel en Sjarel; Groot Tilburg, 1945-05-25 - Kekkis Karel, veronderstel dè gij den bisten wèver bent van hil Tilburg en ikke den bisten wielendraaier van hil den Ateljee.
    atteljeejatteljeej
  2. naam

    De oorspronkelijke uitspraak rijmt op bier

    - Anoniem; Tilburgs folklore; n Kaoi rikkemedaosie, Nieuwe Tilbugsche Courant 1959-11-19 - Buur Jaonus ha okkal zo dikkels gezee, k Zallet is vur oe probeere op den atteljeej, (...) 's-Maondags smerrigis stapte Nillus mee hart en ziel, Naor den atteljee, mee kruik en unne nuuwe blauwe kiel.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006- Die rotmoffen waren de werkplaots van de Nederlandse Spoorwegen aon et opblaozen, den ateljéé hiete dè bij ons.
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den atteljeej - Centrale Werkplaats van de NS
    - WBD III.3.1:213 - atelier, werkwinkel, werkplaats atelier; uit Frans atelier - werkplaats
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 atelier - Hij werkt in Tilburg op den atelier (van de N.S.)
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - atelier ateljé werkhuis; op nen ateljé werken. Met den ateljé bedoelt men te Leuven de werkhuizen van Dyle et Bacalan.
avelot

mogelijk ook uitgesproken als avvelòt - Lowie van Dorrus Misters; onze Tilburgse folklore; Van postwagen en diligence, Nieuwe Tilbugsche Courant 1951-12-11 - Postagentschappen bestonden nog niet. Wel verkocht men in sommige winkels postzegels, maar met verhoging van een halve of hele cent en daar werd 70 jaar geleden ook rekening mee gehouden. Men verkocht bijvoorbeeld postzegels en schrijfbehoeften, velletjes brievenpapier, brievenzekskes of avelotten (enveloppen), pennen en inkt in t Herringsend (Haringseind, Korvelseweg) bij F. v.d. Hout-Becx, op Korvel bij Trui Bos (recht tegenover de brievenbus), in den Berrendijk (Berkdijk) bij Piet van Heijst. Zo zal het in andere buurten ook wel geweest zijn.

avvegaosie
zelfstandig naamwoord

drukte; afgeleid van navigatie

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916 t was er n hil navegaosie - drukte
avvekaot
zelfstandig naamwoord

advocaat (beroep); ook de drank maar in dat geval meestal in de verkleinde vorm:

- Kees & Bart; krantenrubriek In Tilburgsche Post, 1922-193? - avvekaot
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t klokhuis van Brabant; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1929-10-23 -...dè valt dur ginneneene avekaot weg te redeneeren.
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1964-05-29 - Die schiet er in as unne avvekaot in de hel - iets gaat heel makkelijk; advocaten komen uiterst gemakkelijk in de hel
- Pierre van Beek; Dialect en spreekwijzen; Nieuwe Tilbugsche Courant, 1959-01-10 - De timmerman zei: Die spijker schiet in de plank als n advokaat in de hel.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 12 27 - Ons opoe moet n avvekaotje...
- Noord en Zuid; jaargang 2, 1879 avvekaat - ...redeneert as n avvekaat in een kakstoel - zijne redeneeringen beteekenen niet veel...
- Noord en Zuid; Diverse Meijerrijse woorden; jaargang 10, 1887 - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook van (...) avverkaat...
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 avvekoot - advokaat
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - advocaat - aveku:t; de gekende likeur; verkleinwoord aveköke
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 a(d)vocaat - iemand die goed ter taal is: t Is nen avocaat - hij kan goed spreken (vergelijk klappen gelijk nen avocaat); ook: avekaat (korte a in eerste lettergreep)
avvekòtje
zelfstandig naamwoord

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - et vrouwvolk deej der èège te goed òn de boerejongens of lepelden un advocaotje nòr binnen.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - avvekòtje, advekòtje - glaasje advocaat
avvenant
bijwoord

voorkomend; uit Frans (à l)avenant (dien)overeenkomstig, in overeenstemming met

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916 - hij ziet er avenant uit voorkomend
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 avvenaant voorkomend, betrouwbaar
avventoe
bijwoord

nu en dan, af en toe

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Avventoe gaot ie nòg nòr et Park. - Nu en dan gaat hij nog naar het Wilhelminapark.
avvertènsie
zelfstandig naamwoord

advertentie

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 01 14 - Kèèk alle avvertensies deur...
avveseere
werkwoord

opschieten, voortmaken, zich haasten, avanceren; uit het Frans avancer uitspraak in gebruik naast 'affeseere'

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 62 11 02 - De règen striemt in oew gezicht / De wènd trekt aon oew kleren / De meensen willen gaauw naor huis / Kèk ze mar avveseren.
- Marijke van Moll; schriftelijke mededeling 2021 - Mijn moeder gebruikte dit woord altijd in de betekenis vooruit, voortgaan, opschieten. Voor zover ik weet werd het woord in West-Brabant (Bergen op Zoom, Roosendaal, Breda) in die betekenis gebruikt.
- Ad van den Boom; De wèèvers van Tilburg, circa 2005 - Smèèregus vruug al avveseere
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - affeseere, avveseere - voortmaken (Noord-Brabant)
avveteere
werkwoord

adverteren, te koop lopen met

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - avvetêere doe verkoope - de gelegenheid maakt de dief
avvezaans
bijwoord

voortgang, vooruitgang uit Latijns abundantia

- Cees Robben; Prent van de Week, datum onbekend, ook in bundel Robben en Rooms En dan bidden we nog une rôôozenkraans. En des goed vur den avvezaans....
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - hij mòkt avvezaans - hij gaat vooruit
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - avancatie, vooruitgang, voortgang; door zit niks geen avvecóosie in (...in het werk)
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 abondance - overvloed: iets in abondance hebben - i:t in abondansen éme
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 abondansie (uitspraak abbendanse); in abbendanse - in overvloed
awir
bijwoord

alweer

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945-03-23 - dan komder awwir
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek, 1998 - zitte awir te èntele - zit je alweer te vervelen
azèèn
zelfstandig naamwoord

azijn

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1966-04-01 - azèèn en gal...
azzoe
samentrekking

als ze je --> asse oe --> azzoe

×