faasiezelfstandig naamwoord
van Franse face
fabberiekaantzelfstandig naamwoord
fabrikant
fabriekaantzelfstandig naamwoord
fabrikant
fajietnaam
failliet, uit Franse 'faillite' met spellinguitspraak van de 'l' en vocaalreductie
fakkedoeliezelfstandig naamwoord
meestal een vrouw die haar huishoudelijke taak verwaarloost
faljietnaam
failliet, uit Franse 'faillite' met spellinguitspraak van de 'l' en vocaalreductie
Faosnaam
uit Servaas > Servatius
febriekzelfstandig naamwoord
de fabriek
Nieuwe Tilburgsche Courant - 10-12-1940
TILBURG 'k Zie oe daor zo geere ligge, Tilburg, waor 'k geboore ben, mee oe kerken, oe febrieke, waor ik iedere lijn van ken.
Zunne zèèk die ging nor de febriek Daor verdlende hij wè extra meej En waar de vrouw van dè menneke Op zaterdag ôk wir tevree.
In het oudere Tilburgs vaak onzijdig: et fabriek
Ons moeder ha gin kaskenaoi En zaat slecht in d'r centen Wij moessen al vruug naor t febriek Wij waren gin studenten.
Jè Tiest dè hedde op't febriek Daor zitte'r aaltij neffe Agge tusse vier muure staot Dan zulde't nie gaauw treffe.
De Tiest die gao wir naor 't febriek Sjarel wir naor d'n bouw Allebaai nog n bietje ziek D'r neuze zien wè blauw.
«Want zee d'n heer van 't febriek, Hij is lang dóód intusse Veul vrije tèd dès ammol niks Dès duuvels oore kusse»
De man die zonder werk geraokt Omdèt febriek fejiet is Waor 'tie zelf niks mir aon kan doen Of dè dè gin verdriet is.
zelfstandig naamwoord
Schent de zon of valt er regen opgeruimd en noot nie ziek haost ik men langs plein en wegen naor men werk op het febriek
febriekskoolezelfstandig naamwoord
fabriekskolen
febriekslapzelfstandig naamwoord
spotnaam voor textielarbeiders die met smoutolie moesten werken en naar die olie stonken
febrieksmeensfabrieksmens, arbeider in een textielfabriek
febriekswèèverzelfstandig naamwoord
fabriekswever
feduusiezelfstandig naamwoord
fiducie, vertrouwen
fèèmaokewerkwoord
fijnmaken
feemelèèrzelfstandig naamwoord
femelaar
fèènnaam
1 fijn (niet grof)
naam
2 zeer godsdienstig, godsvruchtig, zonder zonde(n)
naam
3 gierig
5 verfijnd, beschaafd
zelfstandig naamwoord
het fijne
fèèngevuulegnaam
fèènpruuverzelfstandig naamwoord
fijnproever
fèèrmbijwoord
Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 ferm, flink
fèètelekbijwoord
feeternaam
veter
fèètwèfkezelfstandig naamwoord
fijtvrouwtje; namelijk een vrouw die zelf geneeskrachtige zalfjes bereidde om onder andere feit te genezen
Foto: Actum Tilliburgis (1884-1955), ook genoemd et Hasselts wèfke Evert Pierson -- Kende nog et Fèètwèfke die toen in de Hasselt wonde èn meej zalf geneeze kos èkseem en ok vèùl wonde (Evert Pierson, 1992)
fèftegerzelfstandig naamwoord
rijksdaalder, munt ter waarde van f 2,50 (= vijftig stuivers)
- Kees en Bart - dialoog in Tilburg Post 1922-193? - 'inne feftiger'; eene vijftiger'
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 2 februari 1945 - Wie betolt er tegesworrig nog innen veftiger vur 'n klèn roggebrooike?
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1966-07-13 - Moeder, hedde niet unne feftiger waant de taofel stao hil de tèd te hukkele en mn kumke stao ôk al te wiemele (rijksdaalder onder tafelpoot leggen)
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden 1966-08-26 Moeder, hedde nie unne feftiger...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 25, Nieuwsblad van het Zuiden 1965-01-16 - Verder hebben we als munt nog een "vijftiger", waarmee onze huidige rijksdaalder werd aangeduid. Van Dale kent het woord "vijftiger" in deze betekenis blijkbaar niet. Heel oude mensen in onze stad kan men de uit mode geraakte woorden nog wel eens horen gebruiken.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, Nieuwsblad van het Zuiden, datum niet bekend - "Ge leert de waarde van een vijftiger (rijksdaalder) pas kennen, als ge er ene moet gaan lenen." Een pittige waarheid, die niet nalaat een milde glimlach op te roepen. Er wordt in uitgedrukt hoe moeilijk het is aan geld te komen wanneer men in nood zit. Er is nog een andere verklaring mogelijk, bijvoorbeeld men waardeert geld pas als men het verloren heeft. Nog iets breder: men waardeert iets eerst als men het niet meer bezit. De Italianen zeggen daarvoor, dat de ezel zijn staart pas kent als hij hem verloren heeft.
- G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2001 - Kiendjes moeste toen ok nòg kôope. Die wiere nòg nie gemòkt. Èn ze waare duur ôok. Die kosse wèl ene fèftiger kòsse, dòchte wij teminste.
- A.P. de Bont; zelfstandig naamwoord m. 'vijftiger' - rijksdaalder (= 50 stuivers)
- Jan Naaijken; Dès Biks, 1992 - fèfteger - rijksdaalder

fejèèrzelfstandig naamwoord
volière
fejietnaam
failliet
De man die zonder werk geraokt Omdèt febriek fejiet is Waor 'tie zelf niks mir aon kan doen Of dè dè gin verdriet is.
femieliezelfstandig naamwoord
familie
femielieleejezelfstandig naamwoord
familieleden
fèndernaam
1 fijn (niet grof)
naam
2 zeer godsdienstig, godsvruchtig, zonder zonde(n)
naam
3 gierig
5 verfijnd, beschaafd
vergrotende trap van 'fèèn' fijner (minder grof)
fènkelzelfstandig naamwoord
venkel; Foeniculum vulgare
fènstnaam
1 fijn (niet grof)
naam
2 zeer godsdienstig, godsvruchtig, zonder zonde(n)
naam
3 gierig
5 verfijnd, beschaafd
overtreffende trap van 'fèèn' fijnst
fèrmesjèlzelfstandig naamwoord
vermicelli
fermieliezelfstandig naamwoord
familie
fernèstzelfstandig naamwoord
bepaalde stookgelegenheid, fornuis de uitspraak is ontleend aan Oudfranse fornaise
fesoenzelfstandig naamwoord
fatsoen
fesoendelekbijwoord
fatsoenlijk, erg, flink, royaal
Prentbriefkaart, circa 1920
fesoendelukbijwoord
fatsoenlijk, erg, flink, royaal
Prentbriefkaart, circa 1920
fesoenlekbijwoord
fatsoenlijk, erg, flink, royaal
Prentbriefkaart, circa 1920
feuzewerkwoord
vozen
fezaantzelfstandig naamwoord
fazant (Meleagris gallopavo) van het Franse 'faisan' via Nederlands 'fazant'
fiedêelnaam
fideel uit het Franse fidèle
fiedelviool
fieduusiezelfstandig naamwoord
fiducie, vertrouwen in een goede afloop uit het Latijnse fiducia
fiefnaam
kwiek, levendig, vlug; uit het Franse 'vif'
fiefstònderzelfstandig naamwoord
letterlijk: viefstaander
zelfstandig naamwoord
Vinca minor - maagdenpalm fiejôol viool, viooltje 1 viool; muziekinstrument
2 de bloem
fiel-de-kòszelfstandig naamwoord
Advertentie uit Nieuwe Tilburgsche Courant 1937
fielazelfstandig naamwoord
villa
fielefaawezeuren de etymologie is onduidelijk - Frans Verbunt; Tilburgs voor Tonpraters 7 e perbeersel, 1996 - zeuren (kindergezeur) - Stadsnieuws; dialectrubriekje 2010-01-27 - As ge zôo blèèft fielefaawe, krèède himmel niks - WBD III.1.4:436 fielefooien (ook: fielievouwen) - strelen, aanhalen, lief doen. N.B. niet voor Tilburg; daar: flikflooien, fikfakken, als in Van Dale.
fielesefiezelfstandig naamwoord
filosofie
fielesetaosiezelfstandig naamwoord
felicitatie
fieleseteerewerkwoord
feliciteren
fielesopeejzelfstandig naamwoord
fiets; uit Frans vélocipède; vervolgens nog lang gebruikt om de fiets aan te duiden in de vorm die wij nu nog kennen Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg
Tilburgsche Courant 23-9-1888
fieliesjeefkienzelfstandig naamwoord
samenstelling uit Philishave + kin
Fieloomeenaanaam
Philomena
fiemelèèchtegnaam
fienaolzelfstandig naamwoord
het finale, het naadje van de kous
bijwoord
bijwoord, bijvoeglijk naamwoord finaal, helemaal, totaal, definitief uit het Franse Final
fiepzelfstandig naamwoord
fopspeen; strooplikker, lievelingsleerling
fiepoowzelfstandig naamwoord
mislukking, afgang
fieteldaanszelfstandig naamwoord
epilepsie; de ziektenaam 'fieteldaans' is afgeleid van de heilige die tegen deze ziekte kon worden aangeroepen: St. Vitus van Lucania, die de zoon van een keizer van deze ziekte genezen zou hebben.
fietelewerkwoord
fiedelen in de betekenis muziek maaken, meestal op een viool of cello (een fiedel)
fietszelfstandig naamwoord
fiets
fietsewerkwoord
fietsen
fietsemaokerzelfstandig naamwoord
fietsenmaker
Schildje onder reflector op achterwiel van een fiets. Tilburg, Pieter Vreedeplein. Foto CuBra/WTT 2021.
fietseputzelfstandig naamwoord
fietsplòtjezelfstandig naamwoord
fiezelemiezelfstandig naamwoord
1. gezicht, uiterlijk, gestalte
2. vrouwelijk geslachtsdeel
fikkemienezelfstandig naamwoord
vitamienen
fikoorezelfstandig naamwoord
fik heeft mogelijk betrekking op de oren van een hond (fik)
Fillekesamentrekking
Fillemiennaam
Philomena
filmspulsterzelfstandig naamwoord
filmspeelster, film-actrice
Finsènsjuszelfstandig naamwoord
firtegtelwoord
veertig
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
fisjezelfstandig naamwoord
feestje
fistzelfstandig naamwoord
feest
fistagzelfstandig naamwoord
feestdag
fistewerkwoord
feesten
fitselzelfstandig naamwoord
vitsel
fitsel - boerenschuur waarvan de wand, links van de deur, uit twijghout en leem gemaakt is - uit: Rijke oogst van schrale grond , tentoonstellingscatalogus Noordbrabants Museum, 1991
fitselstèkkezelfstandig naamwoord
vitseltwijgen
flambèèrdeukhoed uit het Franse flambard
flantoetzelfstandig naamwoord
waarschijnlijk verbasterd Frans de etymologie is onduidelijk
flaoterzelfstandig naamwoord
flater
flapdròlzelfstandig naamwoord
flapdrol, schijterd, lafaard
flauszelfstandig naamwoord
flausch
Illustratie uit Henk van Rijswijk, Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954)
flèbbesbijwoord
slap, ziek
fleejnaam
verleden, vorige; in tijdsaanduidingen fleeje Paose - vorige Pasen
fleej-week-frombijwoord
twee weken geleden
flèènegbijwoord
vilein, nijdig, scherp uit het Frans 'vilain' = lelijk, onfatsoenlijk , gemeen
flèènichbijwoord
vilein, nijdig, scherp uit het Frans 'vilain' = lelijk, onfatsoenlijk , gemeen
flèèrzelfstandig naamwoord
fleer, klap, slag
flenèlzelfstandig naamwoord
flanel; de verkleinde vorm ook voor een kledingstuk: onderkleed
flenèllekezelfstandig naamwoord
flanel; de verkleinde vorm ook voor een kledingstuk: onderkleed
flèstzelfstandig naamwoord
leem
fleurzelfstandig naamwoord
uit Franse fleur = bloem; in de bloem van het leven
fleur de matraszelfstandig naamwoord
troostwoord voor eigengeteelde tabak; de slechte kwaliteit kreeg een exotische naam; letterlijk bloem van het matras
fleureszelfstandig naamwoord
Frans Verbunt; Tilburgs voor Tonpraters 7e perbeersel, 1996 pleuris
Fluitspeler - Jean Ganière
zelfstandig naamwoord
pleuris, populaire benaming voor pleuritis
flèùtzelfstandig naamwoord
fluit, fluitje
flèùtewerkwoord
fluiten flèùte - floot - gefloote hij flöt (in tegenwoordige tijd vocaalkrimping)
flèùtkeetelzelfstandig naamwoord
fluitketel
flewêelzelfstandig naamwoord
fluweel, zachte, glanzend geweven stof
flierbôomzelfstandig naamwoord
populier, 'póppelier', 'poopelier', 'pèppel', 'flierbôom', 'waajbôom' (Populus)
Illustratie: Johan Breuker
flierflèùter (Tilbörgsenaam
fliesieteerewerkwoord
feliciteren, gelukwensen
flikkerbumkezelfstandig naamwoord
esdoorn
flipzelfstandig naamwoord
flitterkezelfstandig naamwoord
flinter, zeer kleine stukjes
flòdderzelfstandig naamwoord
vrouwelijk uitgaanstype afgeleid van fladderen
flòdderbôonezelfstandig naamwoord
flòkszelfstandig naamwoord
soort sering
floorèlzelfstandig naamwoord
forel
Forel - Salmo trutta
flôotfloot verleden tijd van 'flèùte'
flösterewerkwoord
fluisteren
flötwerkwoord
fluit (2e, 3e pers. enkelvoud van 'flèùte')
flötjezelfstandig naamwoord
fluit, fluitje
zelfstandig naamwoord
fluitje verkleinwoord van 'flèùt', met vocaalkrimping
flötjesbroekzelfstandig naamwoord
mannen- of jongensbroek met gulp
flötjeshoutzelfstandig naamwoord
fluitjeshout; in de uitdrukking 'van flötjeshout' een fluitje, gesneden uit wilgenhout
fluksnaam
flureszelfstandig naamwoord
Frans Verbunt; Tilburgs voor Tonpraters 7e perbeersel, 1996 pleuris
Fluitspeler - Jean Ganière
zelfstandig naamwoord
pleuris, populaire benaming voor pleuritis
fluurewerkwoord
vleien
fluuwèènzelfstandig naamwoord
fluwijn Wikipedia
foelezelfstandig naamwoord
Wikipedia WBD III.2.3:98 'foele' = venkel
foepzelfstandig naamwoord
foep etymologie onbekend
Tekening van Frans Mandos Tz - 1945
foetelpòtzelfstandig naamwoord
foetelpotspeler - gravure naar een schilderij van Frans Hals
foetselesbijwoord
etymologie onduidelijk
foetsjee de travaljeeuitdrukking in Bastaardfrans
foezelzelfstandig naamwoord
sterke drank van slechte kwaliteit, in het bijzonder zelfgestookte jenever
naam
foezelewerkwoord
1. vals spelen
2. verbergen
3. stiekem vrijen - Lechim, pseudoniem van Michel van de Ven; De Tilburgse Koerier, 1 mei 1980 - En Kees lee stiekum mee zn Sjaan/ Te foezele in de haai/ Dè maag wel nie van de pestoor/ Mar 't is toch ommers maai.
foezelèèrzelfstandig naamwoord
foezelaar, iemand die vals speelt, iets in het verborgene doet
foezelmaandzelfstandig naamwoord
foezelmand
Typoscript Pierre van Beek - Archief Pierre van Beek
foezeltjezelfstandig naamwoord
borreltje, met name jenever
Typoscript Pierre van Beek - Archief Pierre van Beek
fòkzelfstandig naamwoord
fok, neus
fòkbèèrzelfstandig naamwoord
fòkkedeerewerkwoord
waarschijnlijk een bijvorm van akkedeere, uit Frans saccorder, goed met elkaar overweg kunnen
fòlliezelfstandig naamwoord
hoofd- en schouderdoek, falie
Figuurlijk gebruik
zelfstandig naamwoord
Als attribuut bij het doopsel
fòllievaawerzelfstandig naamwoord
falievouwer
fondeeringzelfstandig naamwoord
fundering
fondsbaoszelfstandig naamwoord
vertegenwoordiger van een (arbeids)verzekering die de deelnemers regelmatig bezocht om de premie te innen
fonszelfstandig naamwoord
fonsbaoszelfstandig naamwoord
vertegenwoordiger van een (arbeids)verzekering die de deelnemers regelmatig bezocht om de premie te innen
fôojzelfstandig naamwoord
vrouwtjeskonijn
fortbijwoord
voort, voortaan, tegenwoordig
fòskoowzelfstandig naamwoord

naam
NTC 5-2-1920 Frans Walch met betrekking tot zijn 'Fosco-genealogie' - 2017 Hoe leggen we nu een overtuigende link van deze pagina naar Anton Roothaert? Rond het jaar 1900 bedacht de toenmalige directeur van de Korffs Koninklijke Cacao en Chocoladefabriek het recept voor de later populaire chocolademelk Fosco. Aanvankelijk kwam het als een soort chocoladestroop op de markt, die je moest aanlengen met melk dan wel met spuitwater. Het extract werd verkocht in bruine beugelflessen. Vermoedelijk kwam de directeur op de naam Fosco tijdens een reis door Italië. Zijn favoriete paard tijdens de paardenrennen daar luisterde naar de naam Fosco, wat in het Italiaans zoveel betekende als donkergekleurd, hetgeen de directeur een toepasselijke naam zou hebben gevonden voor zijn nieuwe drank. Met vrouw en drie kinderen, twee dochters en een zoon, woonde deze Korff-directeur, de heer Marinus Louis Haselhoff-Lich in een riante villa te Baarn. Op 31 oktober 1921 overleed hij, twee jaar later stierf ook zijn vrouw. De erfenis werd verdeeld onder de drie kinderen. Een van de dochters, Grietje, trouwde in 1918 een doctor in de wis- en natuurkunde. Het huwelijk, waaruit een zoon geboren werd, bleek uiteindelijk geen succes. De doctor vond in Tilburg een partner die qua geleerdheid beter bij hem paste. Het huwelijk tussen hem en Grietje werd uiteindelijk ontbonden in 1930, maar de scheiding van tafel en bed was al jaren eerder een gegeven. Grietje Haselhoff-Lich kreeg kennis aan een Tilburgse gescheiden advocaat. En zoals dat ging in het zuiden, een gescheiden katholiek met een eveneens gescheiden vrouwvan hervormde afkomst, dat gaf boze roddels. Het kapitaal van Grietje, mede verkregen door dat geniale Fosco-recept, stelde het nieuwe paar Roothaert-Haselhoff-Lich in staat in België zijn geluk te beproeven. De eerder genoemde doctor, de heer Hendrik Walch, verdween met zijn nieuwe vrouw en zijn (en Grietjes) zoon Frans in 1930 naar Indië. Tja, en in 1950 kwam ik dan (Frans Walch publiceerde in 1996 de biografie Roothaert .)
fòtsewerkwoord
fraansbijwoord
frans
fraaterzelfstandig naamwoord
frater
fraaterkezelfstandig naamwoord
behalve een frater [kloosterling] ook de vogel kneuter
Fraatersgatzelfstandig naamwoord
Fratersgat
naam
Nieuwe Tilburgsche Courant, 3-12-1941
fraatersvètzelfstandig naamwoord
fratersvet
frambooszelfstandig naamwoord
framboos
frammeszelfstandig naamwoord
vrouwmens, vrommes, vrammes, frammes
zelfstandig naamwoord
vrouwmens
D16 "vrammes - van het woord 'vrouwmensch'" Och, Hannie, ik kan nie genog van oe haawe,
Oppr. VROMMES znw.onzijdig; vrouwspersoon, soms eenigszins minachtend.
frangezelfstandig naamwoord
frank (munteenheid)
frankzelfstandig naamwoord
frank (munteenheid)
franniezelfstandig naamwoord
franje - uit Franse frange
Frans FransenDaar kwamen de dwergen aandragen. n Hele terrine vol soep voorop Toen volgden aardappels met lawaaisaus, grote bonen en elk n kippepoot. Dat was kostje!!
fraomzelfstandig naamwoord
frame
fraozelewerkwoord
frazelen, stamelen
werkwoord
frazelen
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 "froasele - het kindje begint al te froasele (stamelen)"
- Jan Jaansen, pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 aflevering in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939) - "Vrouw Petit," fraozelde den riddacteur mee 'n zuut mundje...
- Piet Heerkens; uit De Mus, Merel, 1939 - Oew lollig gefraozel dè dröpt van den tak,
- turelatirelatuut...
- Piet Heerkens; uit De knaorrie, De knaorrie, 1949 - Wè fraozelde zuut en wè leuterde vlot,/ Wè zingde gij, zingde gij, zingde gij zot!
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden En de wend die fraozelt zuutjes,/ liefdesliekes in mun oor.. (19540612)
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden t Is de wend die fraozelt (19591224)
- Stadsnieuws; dialectrubriekje 2006-12-24 - Dieje zatlap zaat zo mar en bietje vur zenèègen öt te fraozele.
- Van Dale - gewestelijk: stamelen, beginnen te spreken (van kleine kinderen)
- WNT FRAZELEN - In versch. toepassingen op het voortbrengen van geluiden, o.a. van een kind dat begint te leeren spreken.
fratzelfstandig naamwoord
wrat
frèddagsbijwoord
vrijdags, op vrijdag
freejwielewerkwoord
freewheelen
Afbeelding uit het 'Nuuw Tilburgs Leesplèngske' dat in 2020 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven in samenwerking met Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant en Erfgoed Tilburg. De illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn.
frêet 1. betekenissen
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 "fréét - trotsch, grootsch"
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 12, Nieuwe Tilburgse Courant 1950-04-25 Het woord "freet" zal men ook wel tevergeefs in het Nederlandse woordenboek zoeken. Bij ons betekent het "ijdel" of "trots". Zo kan een meisje "freet" zijn op haar nieuwe kleed. Iemand kan "freet" lopen. Soms zit er ook wel iets denigrerends in. Dat is bijv. het geval als men spreekt van "'n frete madam". Het woord madam draagt daartoe trouwens ook het zijne bij want dit wordt hier met enige ironie gebruikt.
- WNT lemma WREED 6; Van personen: dapper, fier, onversaagd; krijgszuchtig. Sinds lang verouderd maar nog gewestelijk aangetroffen...
- WNT lemma WREED 9; Mogelijk in aansluiting bij de betekenis 6, van personen en zaken: trotsch; fier, parmantig; grootsch, imponeerend. Voornamelijk gewestelijk aangetroffen. [ Met bewijsplaatsen van 1806 tot 1900.]
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch - 1899 - FREED (scherpe e) - fier, hooveerdig.
- Jan Naaijkens; Dè's Biks - 1992 - frêêt bn - trots, wreed, deftig
- A.P. de Bont; fre.t bnw. en bijw. 'freed' (<vreed <wreed) a) bnw. 1) vurig, levendig, vlug, ijverig; 2) happig, begerig, sterk verlangend naar; 3) indrukwekkend, groots, buitengewoon, kolossaal; b) bijw. l) snel, vlug, vurig; 2) erg, zeer, danig.
bijwoord
2. bijvoeglijk gebruik
- A.J.A.C. van Delft; Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen aflevering 108, 1929-04-06 "Het is 'ne freete (trotsche, hoovaardige, fatterige) meensch, da kan d'm aanzien, mar zij is zó'n interessaant (gierig) wijf, da ze 'n dubbeltje deur zou bijten, al was 't dè ze van ouwerdom op d'r taandvleesch liep", sprak de een en de ander antwoordde gevat met de woordspeling: "Dè doen nou al d'r bessems (bezems) en vegers al." Dit is: Die trotsche man had dus een gierige vrouw en de bezems werden versleten tot op het hout.
- Piet Heerkens; De Mus, 1939 - Spraai oewen start 'ns, pronkenden bram, / (...) doe naaw 'ns mooi as 'n freete madam
- Piet Heerkens; De knaorrie, 1949- vruuger hield ze wel van 'n pretje, / naaw is 't 'n freete, zuure mevrouw.
- Groot Diktee van de Tilburgse Taal; 1994 - Wès dè tòch en frêet bòske
- Voorbeeld van originele systeemkaart Wil Sterenborg - Ze liep zó frêet dur et stròtje. - Ze liep zo trots door het straatje.
- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben, 1970-01-10 - Wè lôpen de nunnekes dr toch frèèt bij tegesworrig, vruuger waren ze rontelom toe.
- Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven 1955-07-30 [laat de muziekkiosk van het Wilhelminapark aan het woord:] Ik ben un kios mee un goei ammezuur... nog frêêt jè.
- Kubke Kladder, pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit t klokhuis van Brabant op 5, 7 en 14-11-1929 - "'t Is freet koud, hè Kubke", zee ze, zodde nie 'n tas koffie lusse; 'k hè precies 'n vorsch bekske gezet. 'k Zeg gère meid, as ge men 'n tas koffie gift, zède de biste op één nao.
- Lechim, pseudoniem van Michel van de Ven; De Tilburgse Koerier, 19 september 1968 - E n Sjaan zaat daor in der nuu baank/ gatju wè wasse frèèd.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 09 23 - De Peer ha saome mee z'n vrouw / Veul overwèrk gedaon / En naauw ha'n ze dan vur de deur / 'n Klèn ootooke staon. // Gatjèn wè was de Peer toch frèèd / En hullie Trees nog meer / D'r wier geboend, d'r wier gepoetst / Ieder wiel duuzend keer.
- Gieleke, waarschijnlijk pseudoniem van van Michel van de Ven (Lechim); ongedateerd knipsel uit onbekende bron, 1960-1980 - Dan zit ie frèèd op de tribune/ Z'n lekkend nuske af te buunen.
- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, gestencilde uitgave circa 1990 - Gedraogt oe frêêt en gao nie zitte freete!
- Lauran Toorians; Blauwke, CuBra circa 2005 - Lôpte'gè mar frîît [sic] te parredeere, geniet mar/ van die lui die nor jou kèèke en denke/ 'dè's een stuk'.
- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Frêet lillek Ontzettend lelijk
zelfstandig naamwoord
2. 1. zegswijzen met vergelijkingen
werkwoord
het Standaardnederlands in tegenstelling tot het dialect ('plat')
4.1 frêet praote
4.2. frêet zèn / gaon op
- J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882: En Truike mog wel vreêt zên op urren Driek. 't Waar innen stêrken, knaapen, groaten kèrel.[Daar geannoteerd met: trotsch.]
- Kubke Kladder, pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant, column Uit t klokhuis van Brabant 2, 1929-16-10 - Behalve deze eigenschappen toch hee Bartje nog iets aparts, wè-t-'m van z'n soortgenoten onderschaait en waor ie zelf gin bietje freet op gao.
- Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske - Wè en hoe in de Tilburgse Taol, 2008 - frêet op oewèège - zelfbewust
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Soms mocht ik neffen onze ôme Henk op et maaimesjien zitten. Daor waar ik vréét op.
- Henriëtte Vunderink; Grôot dikteej van de Tilbörgse taol, k Zal van oe blèève haawe, 2007 - Mar we zèn wèl frêet op onze Willem tweej./ Hij is twiddehaans, mar dè kan ons niks verschille,/ want in Den Haag zon zum toch niemir wille,/ ons Heuvels pronkstuk,/ èn wij doent er gèère meej.
- Tillie B., pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - Meschient wòrtie wèl et nuuwe gruune hart van onze stad waor we meej zen alle wir frêet op kunne zèèn.
4.2.1. carnaval
zelfstandig naamwoord
De winnende wagen van de carnavalsopstoet 2019: Frêet, een creatie van vereniging De Bierschaope. Advertentie van een automobielbedrijf in de carnavalskrant van De Tilburgse Koerier in 1994. frèèt 1. het (vr)eten, dat wat gegeten wordt
2. iemand die veel of vaak eet
werkwoord
freete, frêete, frèète vreten frèète - fraat - gefreete. vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij frèt(frit?) M: vrit
zelfstandig naamwoord
frèète het eten - et frèète
zelfstandig naamwoord
freeterd, frèèterd veelvraat
zelfstandig naamwoord
freetzak, frèètzak overdreven eter
werkwoord
frêezele opgetekend als ijlen
zelfstandig naamwoord
frèngske frankje
werkwoord
frèt
naam
naam
Frie uit Fredericus
zelfstandig naamwoord
friekendèl frikandel
friekikzelfstandig naamwoord
uit het Engelse free kick, vrije trap
werkwoord
friemele
werkwoord
frit vreet
zelfstandig naamwoord
fröllie jong meisje; eigenlijk verbastering vanvrouwlui of vrouwlieden, dus vrouwvolk, een vrouwmens
bijwoord
from, vrom weerom, voorvoorgaande
zelfstandig naamwoord
frommes
zelfstandig naamwoord
front, frontje front, frontje
bijwoord
frôoj koud, met name van het weer
zelfstandig naamwoord
fròt
zelfstandig naamwoord
fròts mislukking; bij het biljarten: mislukte stoot biljartterm; de precieze betekenis is (nog) niet opgehelderd, ondanks de uitleg die Robben geeft
werkwoord
fròtte frommelen
werkwoord
frullen
bijwoord
frut 1 Bijwoord - mislukt, slecht
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 177, Nieuwsblad van het Zuiden, 12-07-1973 - "'t Is frut mee den bok" betekent in zijn algemeenheid, dat het met een zaak mis is of iets niet functioneert zoals het normaal behoort te doen. Die "bok" lijkt overbodig, omdat de twee eerste woorden ongeveer hetzelfde kunnen zeggen. Toch speelt dat beest wel degelijk een rol, omdat hij in gedachten een heel tafereel oproept, nl. dat van "met de geit naar den bok gaan" en dan terechtkomen bij een bok, die niet doet wat er van hem verwacht mocht worden.
- Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek 4 Nieuwe Tilburgse Courant - 25 februari 1950 - "'t Is 'n uir, zeej Jan Tooten en de kat jongde in z'n pruik!", een opmerking, die men horen kan als iets niet goed lukt. Eenzelfde betekenis heeft ook: "'t Is frut, zeej Jan van Pelt!" en "'t Is knudde mee den bok!"
- Kubke Kladder, pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit t klokhuis van Brabant 4, 2-11-1929 - 't Is wir frut bekaant.
- Van Delft - "'t Is 'n uir, zee Jan Tooten, en de kat jongde in z'n pruik", waarvoor men ook wel hoort: "'t Is frut, zee Jan van Pelt", als iets niet goed lukt. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen aflevering 117; 5 juni 1929)
- Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Van Kees en Kee, 1941 - mar mee de buurvrouw was et frutjes!
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 99, Nieuwsblad van het Zuiden, 09-04-1970 - Een oude, plaatselijke petroleumventer leeft voort in de vergelijking: "Zo frut als de ezel van Stien Ollie". Dit lijkt er ons op te wijzen, dat het ezeltje een nogal kaduuk geval moet zijn geweest.
zelfstandig naamwoord
verwarring: öt de frut doen - ontwarren, ophelderen
2 Zelfstandig naamwoord friet, patat
prop van papier
varkensblaas frut als verkorting van frutblaos (zie daar)
speen
tabak - Lechim, pseudoniem van Michel van de Ven; De Tilburgse Koerier, 30 december 1971- Ge lòpt hil den godsgaansen dag/ meej ene frut in oewe mond/ ent stao gereegeld in de kraant/ ròòke dès nie gezond. 3 bijnamen
zelfstandig naamwoord
frutblaos varkensblaas
'n Veelbetekenende glimlach glijdt over het gezicht van de oude Tilburger als hij hoort spreken over de "frutblaos" van het varken. De jongere generaties menen wel te weten wat dit is, doch ze hebben het daarbij vaak mis. Zij bedoelen de waterblaas van het varken, die gebruikt wordt voor het maken van foeke- of rommelpotten ter gelegenheid van het nauwelijks nog hier in zwang zijnde "Vastelaovend-zingen". Vroeger echter verstond men onder "frutblaos" een aanhangsel van de dikke darm van het varken, dat als speeltuig gebruikt werd door de jeugd. Het was een stukje darm van 15 tot 20 cm, aan de onderkant dichtgegroeid en van boven, waar het was afgesneden, open. Het werd volgens Lowie van Dorrus Misters tussen duim en wijsvinger van de linkerhand genomen, opgeblazen, met de rechterhand een paar slagen omgedraaid zodat de lucht niet kon ontsnappen en vervolgens met de duim van de rechterhand van onder ingeduwd, waardoor een soort onwelvoeglijk geluid ontstond. En laten we daar vandaag maar mee eindigen! Waar onze onschuldige "taalplastiek" al niet toe voert! Tja, "van 't een komt 't aander!" Wat ook de bedoeling is! Detail uit een voordracht onder de titel 'Opstel van het varken'; datum onbekend . Ingezonden door Ton van den Hout. Detail uit een schilderij van Vincenzo Campi (1580) - varkensslachters en kind dat de frutblaos opblaost
frommeszelfstandig naamwoord
vrouwmens, vrommes, vrammes, frammes
zelfstandig naamwoord
vrouwmens
D16 "vrammes - van het woord 'vrouwmensch'" Och, Hannie, ik kan nie genog van oe haawe,
Oppr. VROMMES znw.onzijdig; vrouwspersoon, soms eenigszins minachtend.
frutboelzelfstandig naamwoord
frutboel, warboel
fruttewerkwoord
prutsen, prullen
fruttelorembijwoord
fruttenbòlzelfstandig naamwoord
fiasco, mislukking
fruutzelfstandig naamwoord
frut de etymologie is onduidelijk; mogelijk is het woord afgeleid van fruute (zie volgend lemma), waarbij fruute verwijst naar het wroeten van een varken met zijn snuit.
fruutewerkwoord
wroeten
fundemèntzelfstandig naamwoord
fundament, achterwerk
futtebijwoord
te veel, veel(s) te, vuls te, vulte, futte