v è tlòk
zelfstandig naamwoord

vetlok

- WBD - vetlok (aan een paardebeen), in Hasselt 'koowt' genoemd
- WBD - (Hasselts voor) boelee (aan een paardebeen), ook 'koot', (Hasselt) 'koowt' genoemd
v ervu
naam

v erkorting van vervoedering

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Op half vervu te langen aan een of anderen keuter. Daar niet geannoteerd. - In Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882) geannoteerd als: op halve vervoedering geven. Men geeft een stuk vee onder beding, dat de meerdere opbrengst na eenigen tijd half aan den eigenaar en de andere helft aan den kleinen boer komt, die zich met de voedering belast heeft.
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - Zegsw. op half vervuui haauwe (houden): wanneer bv. een zog moet baggen kan een ander dan de eigenaar ze de kost geven op voorwaarde dat de helft van de jongen voor hem is.
v öllekes
  1. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vuilnisbelt
    - Stadsnieuws - 'Brèngt dieje ròtzôoj mar nòr de völlekes' - naar de stort (311007)
  2. Restant van de vuilnisbelt langs de Ley in Tilburg Zuid; foto - WTT 2009 Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

vaajeg
bijwoord

flauw van smaak

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "vaayig - het ruukt zò vaayig (een onaangename lucht (zooiets?))"
- WBD - III.2.3:33 'vajeg' = flauw (van smaak)
- WNT - lemma veeg V.6 - (Zndl.) In aansluiting bij de bet. 5): behoorende tot een doode. Veeg goed Lijkgoed, tot Antwerpen; dat is lijf- en beddegoed waarop, waarin en waarmede iemand overleden is; ook al 't gene den overledene bedekte als hij gelijkt, d.i. over eerden lag, Loquela 8, 95 [1888]. Aanschouwt Mijne oogen! Zeg, staan ze min verglaasd dan die van een Die uitgestrekt ligt onder 't veege laken? V. BEERS 1, 215 [1851]. Het veeg goed komt van gebruikswegen de lijkers of afleggers toe, Loquela 8, 95 [Izegem, Antw., 1888].
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEIG bvw. - Smetsch, walgelijk van reuk of smaak: 'Ne veigen reuk.
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - vaaiig - flauw van smaak (tilb.)
vaajem
bijwoord

- WBD - III.4.4:278 vaaiem' = armvol
- WBD - III.4.4:289 'vaaiem' = vadem, ook 'vaam'
vaast
  1. naam

    vast

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vaast lôon, vaaste èèremoej - vast inkomen, vaste armoede
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - Et gaaf un vaast lôon, en vaaste èèrmoei, in de volksmond.
  2. naam

    2. bijwoord

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Is ie dòr vur vaast? - Is hij daar vast aangesteld?
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (Gehoord van n metselaar) Zedde gij vaast in dienst? -Jao, mar eigenluk meer los-vaast! (13-07-1966)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - vaast is vaast, zi den boer, èn hij bond nèt zo lang assie touw ha
    - WBD - III.1.4:57 'vast', zeker; ook: 'zo vast als een huis'
    - WBD - III.1.4:58 'vast en zeker' = natuurlijk
  3. 3. idioom vast geld = vast loon (in tegenstelling tot stukloon)

    - Interview met de heer De Kok (1978) Dè was vruuger mar gewoon war, ammel stuklôon, hèÈn dan ging ik nòr Eijckhoff toe èn daor ving ik twaalef èn en halleve gulde, twaalef gulde vijfteg. Vaast gèld dan hor! Vast geld, hè.
vaaste
  1. zelfstandig naamwoord

    de vastentijd

    - Cees Robben - t Is Vaaste.. (19580329) - Cees Robben - Vrijen was er vruuger onder de vaaste nie bij... (19810327)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - vaaste is drie botterhammen eete èn nòr de vierde taaste
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - Dieje vaasten duurde virtig daoge. Hij begos nao de vaastenaovend, waorop ons moeder aaltij ôliebollen bakte.
  2. zelfstandig naamwoord

    2. werkwoord, zwak vasten

    - Cor nelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GEVASTEN of GEVAST: 3e hoofdvorm van 'vasten'
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vaaste zelfstandig naamwoord - vasten
vaasteghèd
zelfstandig naamwoord

zekerheid; vast werk

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Òn de geminte hòdde vaasteghei. - In gemeentedienst had men vast werk.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. 'vastigheid' - vastheid, zekerheid
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - Hij waar vruuger voerman gewist. Dè waar naa gin baon waor vaastighèd in zaat.
vaasteghei
zelfstandig naamwoord

zekerheid; vast werk

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Òn de geminte hòdde vaasteghei. - In gemeentedienst had men vast werk.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. 'vastigheid' - vastheid, zekerheid
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - Hij waar vruuger voerman gewist. Dè waar naa gin baon waor vaastighèd in zaat.
vaastetrommeltje
werkwoord

vaastzette vastzetten, hier in de betekenis: arresteren en opsluiten

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 08 16 - Dan motte'r wel op lette / Dègge nie oover 't stripke gaot / Dè z'oe vaast kunne zette.
vaawe
werkwoord

vouwen

- Dialectenquête 1887 Willems - vaawe - vaawde - gevaawe
vaazel
zelfstandig naamwoord

vrouwelijk geslachtsdeel alleen aangetroffen in een opgave van het WBD, namelijk:

- WBD - III.1.1. lemma schede vazel, frequent noordoostelijk omgeving van Tilburg
- WTT 2023 - op basis van de lemma's in het WNT Vazel III en daar de afleiding 'vazelen' mogen we concluderen dat het basiswoord verwijst naar 'Geslachtsdeel der zog'. 'Vazelen' betekent dan, in menselijke omstandigheden, geslachtsgemeenschap uitoefenen, kinderen verwekken, fokken.
vadder
zelfstandig naamwoord

vader

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - va'der (de a kort; de afbeelding 'vadder' ware wellicht beter)
- Dialectenquête 1887 Willems - hullieje 'Vader' heetem nòr school laote gaon
- Cees Robben - ne vadder, blij, mar van zn stuk... (19540213) - Cees Robben - Gif mèn mar de frutblaos vadder... (19550205) - Cees Robben - Des onze vadder... (19570817)
- Pierre van Beek - Nie in vadders schoen lôope = niet de aard hebben naar zijn vader (Tilburgse Taalplastiek 1978)
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nie in vadders schoen lôope (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973)- niet de aard van zijn vader hebben.
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - van vurren óp zen vadder lèèke èn van aachtern óp hil zen femielie (N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - gezegd van de zoon)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hij beslèècht hullieje vadder - hij heeft de aard naar zijn vader
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'onze vadder zeej 's op 'ne keer' ; 'ik zèè ónze vadder te vlug'
vag
zelfstandig naamwoord

slecht vrouwspersoon

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "lui vag - 'n luie vrouw"
- WNT - VAG (vakke) 2) slecht vrouwspersoon; in 't Land van Waas: lui vrouwspersoon (Gij luie vakke!)
val
zelfstandig naamwoord

val, valreep [?]

- Pierre van Beek - Hij zal et óp val wèl doen (= vermoedelijk?) (Tilburgse Taaklplastiek 149)
valdôod-puntjes
zelfstandig naamwoord

in: boord meej valdôod-puntjes uitdrukking: gesteven boord waarvan de boordpunten omgevouwen zijn (destijds mode).

valle
werkwoord

vallen valle - viel - gevalle

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zèlfs en pèrd valt nòg wèl, al heetie vier bêen (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) iedereen maakt wel eens een fout
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vallen as de dròllen in en boerekakheus (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - )-diep vallen
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - valle ww - vallen
vals
bijwoord

vals, boos

- Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945 - SJAREL. Wel, die keek veul valsch nor dè jaogertje en toen zeet-ie: Wè sudde gij dan doen azzoe aachterwèrk in braand stint!?
valsmaoke
werkwoord

boos maken

- Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945 - KAREL. Sjarel mok me naa toch nie valsch!
van
  1. voorzetsel

    van

    - Pierre van Beek - Hij is nie van de vlugste - (eufemisme) hij is een slomerik
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - den burregemister vaan 't durp (sic!); de poote vaan 'nen hond; Dè beger ik vaan jaau te wète - dat begeer ik van u te weten.
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - van resp. 'va', vz. l) van wege, uit naam van 'Ge moet komme van onze vaader'; 2) door 'alles moet toch van z'ne meester gedoon worre'; 3) bij tijdsbegrippen ook aanduiding van een onbepaald, binnen de grenzen ervan gelegen punt 'van den heelen aachtermiddeg', 'van te veure(n)'
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VAN vz. ... vans gelijken - desgelijks
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - van vz - van; in versch. combinaties
  2. naam

    zelfstandig naamwoord

van die kom sa
  1. bijwoord

    gedeeltelijk Frans: comme ça.

    - W.v.M. = Willem van Mook,Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930 - Mar toen wierd nog veul erger, hij kreeg 'nen test van dikkomsa, net 'nen dog.
  2. Koffiemok - te koop (december 2021) bij Ollie's & Brandstore, Tuinstraat 106, Tilburg

vanaachtere
bijwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vanachteren, achteraf
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Vanaachtere loere ze un koej in dur kont' - Achteraf is het gemakkelijk praten.
vanaaf
voorzetsel

vanaf

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - '... vanaaf vemèèrege'
vandelantèère

uitdrukking uit het Frans 'ventre à terre' met de buik over de grond, bijvoorbeeld van te zwaar belaste trekdieren

- Gallas - Aller ventre à terre - zo snel voortgaan dat de buik de grond raakt
- WNT XVIII:496 - VANTERATEER, vantroteer, ventre à terre - 1) oorspronkelijk: van paarden; in gestrekten draf, in vliegende vaart
vandeur
bijwoord

vandoor

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VANDEUR bijwoord - er vandeur - weg, voort
vanèèges
bijwoord

vanzelf, natuurlijk

- Voorbeeld systeemkaart van Wil Sterenborg - Agge zó wèèd zèèt, gaoget vórt ammòl vanèèges. - Als je zover bent, gaat het verder allemaal vanzelf.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 01 31 - Wè d'aanders is t veur de klèn / Die vènen sneuw vanèges fèn/ Verwochten m vol verlangen / Mar as ie n week gelegen hee / Gaoget slibberbaontje en de slee / Hullie òk de kèl uithangen.
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vaneijges bijwoord - vanzelf
- WBD III.1.4:58 'van eigens' = natuurlijk
- WNT - VANEIGEN, daarnaast ook: vaneigens - vanzelfsprekend, natuurlijk; 3) zeker
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VANEIGEN, VANEIGENS bijwoord vanzelf: Da' spreekt vaneigen.
vanèèges
vang
  1. zelfstandig naamwoord

    molenaarsterm; zware houten hoepel die rond het vangewiel sluit om de gang van een molen te stuiten

    - Gezegde: Pierre van Beek - van de vang / vaang (deur de vang?) - losgeslagen (fig. van personen)
    - WNT - De molen is door de vang = door het stremtuig; er is dan geen stuiten meer aan ... (XVIII, kol. 453); Fig. Hij luistert nergens meer naar, er is geen houden meer aan.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VANG, bij mulders: soort van breeden reep, die rond het vangwiel sluit om den gang van den molen te stuiten.
  2. zelfstandig naamwoord

    - WBD - vang (huidplooi tussen billen en uier van een koe)
    - Cees Robben - Wilde van de vang of t vurstuk... [van het varken] (19550205)
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VANG znw.v., bij landb.: het gedeelte van het lijf van een hoorndier tusschen de billen en den buik
vange
  1. vangen Verouderde verleden tijd

    - Dialectenquête 1887 Willems - vange - vong - gevange
    - ...hij vong échte vliegen mee 'n leeren lepke, aon 't end van 'n haandig stökske... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 22-4-1939 8-5-1939)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 08 19 - Nou, dan vongen ze me nòòt.
    - Elie van Schilt - In de bossen vongen we ok nog sallemanders, die zaten er toen nog zat; (Uit: Tilburg waor zen oe bossen; CuBra ca. 2000)
    - Elie van Schilt - Wij as kender vongen er stekelbaorskes mee un schepnetje, unne stok daoraon un draoike van naoigaoren, unne kurk mee un kiepeveer as dobber en un angeltje gebogen van un knopspeld, daor vongen wij baorskes mee. (Uit: Ut knaol; CuBra, ca. 2000)
    - Asser geslaon wier, vong hij aaltij de irste klappen op. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
    - Daor vongen ze mèn dus nie meej. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
    - Monter, mar toch meej tegenzin, vongen we de terugtocht aon. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
  2. Uitdrukkingen

    - A.J.A.C. van Delft - "Ge vangt 'm nie vur één gat" wordt gezegd als men op een slimmerik doelt. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - irst vangen èn dan knippe (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) -de huid niet verkopen voordat ... (men moet de luizen eerst vangen, voordat men ze kan doden)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej rauw weer gevange zèèn (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - er slordig en ongekapt uitzien.
  3. Andere betekenissen

    - WBD - vange - (van een paard) zich onder het stappen op de voorhoeven trappen, ook wel genoemd (Hasselt) 'zenèège vange'
    - WBD - III.4.2:57 vangen - grijpen door roofdieren; ook genoemd: vatten of klampen
vank
zelfstandig naamwoord

- WBD - vang (huidplooi tussen billen en uier van een koe)
- Cees Robben - Wilde van de vang of t vurstuk... [van het varken] (19550205)
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VANG znw.v., bij landb.: het gedeelte van het lijf van een hoorndier tusschen de billen en den buik
vansgelèèke
bijwoord

van hetzelfde; insgelijks

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vansgelijken'
- Stadsnieuws - Ik koom van den Haajkaant en men vrouw vansgelèèke - ... eveneens (160410)
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. 'van 's gelijke' - insgelijks
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vansgelèèke bw - van 't zelfde
vanweeges
voorzetsel

vanwege, vanzelf

- Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945 - van weges de transportmoeilukheeje...
vaol
naam

vaal

- Dialectenquête 1887 Willems - vaole 'vo:ze' zie de nie veul langs dees kaante - Vale vaarzen ziet men hier niet veel
vaon
  1. zelfstandig naamwoord

    vaandel

    - ...en de rest komt zeker mee vliegende vaonen overloopen om 'n groot koor tot staand te brengen... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 4; Nieuwe Tilburgsche Courant 22-10-1938)
    - Cees Robben - En aonschouw wir t vaon waor gullie zô vur het gestreje (19570727)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - de pestoor èn de keplaon die lôopen aachter etzèlfde vaon (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - die houden er dezelfde principes op na
    - WBD - (III.3.2:268) vaon, vendel, vlag = vaandel
    - WBD - (III.3.3:262) 'vaandel', 'kerkvaan', 'kerkvaandel
  2. nachthemd, onderhemd

    - N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "ze liep in d'r vliegend voan (in haar hemd.)"
    - Cees Robben - ..Kom fesoenluk... en nie in oew vaon naor beneeje... (19640508) - Cees Robben - Assie in zn vaon stao (19690110)
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Hij is zô preuts, assie in zn vaon stao, hangt ie unnen handdoek over de knaorrie-kooi (27-12-1968)
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - in oew vaon staon (23-10-1963)
    - ... zene maantel leek en vaon... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Hij haaw et vur gezien )
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - ge hèt oew liste schôon vaon aon - jij maakt het niet lang meer
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et òn zen vaon krèège (Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 19l6) - het aan zijn broek krijgen; verliezen
  3. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

vaore
  1. werkwoord

    vaor, vaorde, gevaore

    - Dialectenquête 1887 Willems - vaore - vaorde - gevaore
    - Boutkan: vaore - voer - gevaore, verleden tijd ook zwak; geen vocaalkrimping in tegenwoordige tijd
    vaorevaore
  2. naam

    E en gemis voelen

    - Informant Toine Raaijmakers - Et zal oe vaore - 't zal je tegenvallen, je zult wel terugverlangen
    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Et zal oew gatje/kuntje vaore - Het zal je tegenvallen
    - Cees Robben - Toen ie weg was zin ze ammol/ Det zn kuntje vaoren zô...(19670623)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - dè zal em zen kuntje vaore - dat zei hem niet meevallen.
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vaore ww - niet meevallen, gewennen.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VAREN, vaarde/voer, gevaard - vreemd, ongewoon voorkomen, eenen wonderen indruk maken, 't Zal oe varen, meisken, as ge eens getrouwd zijt.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VAREN = taedere, desuetudine affici. Het zal hem varen.
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VAREN (vaore) onov. ww - onwennig voorkomen, tot heimwee inspireren; onpers. gebruikt: 't zal 'm vaoren - hij zal het gemis/verschil voelen.
    - WBD - (III.1.4:276) 'varen' = heimwee hebben
  3. Figuurlijk: l open, gaan, ergens mee rondlopen

    - Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Met dèt gedaacht heb ik al èning daog vaoren draogen. Daar geannoteerd als: gaan, nog in bedevaart, bedegang. - In Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882) geannoteerd als: gaan, loopen; verg. bedevaart.
    - Vroeg Middelnederlands Woordenboek lemma Varen III - Gaan, zich begeven, zich verplaatsen, reizen.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - goed vaore - vooruitgaan, het goed maken
  4. varen, van een boot

    - Dialectenquête 1887 Willems - daor hèbbe ze en stuk van de brug gevaore
vaort
  1. zelfstandig naamwoord

    1. heimwee, verlangen naar vroeger;

    - Cees Robben - Meej vaort in mn hart (19570706) - Cees Robben - t vaort me, jandoome... (19590207) in uitdrukkingen met kuntje: - Informant Toine Raaijmakers - ...dan denk ik meej vaort in men hart...
  2. uitdr. vaort/vòrt hèbbe - heimwee hebben; Int begien haj veul vort.

    - N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "voart - hedde nie veul voart gehad (is het je in 't eerst niet vreemd geweest?)"
    - Al die maonden mee in R. gebeuret mèn dikkels dek wir is vaort heb nor mn Tilburg. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) - Om honderd en één kleinigheike hèk vaort gehad, soms stillekes gejankt as in keind. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - int begien haj veul vòrt - aanvankelijk had hij veel heimwee
    - Stadsnieuws - Hij wont naa in Gôol, mar hij heej zon vaort nòr de stad. (190709)
    - WBD - III.1.4:275 'vaart' = heimwee; 276 'vaart hebben = heimwee hebben.
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'vaor' - vaar, onwennigheid: 'Hij hee niks geene vaor gehad.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VAART znw.v. - Vaart hebben - niet gewend worden, heimwee hebben.
  3. 2. vaart, snelheid

    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), in Groot Tilburg 1941 - Omslaon kos ze nie want ze stond zoo wè op den bojem, mar ak naa mee innen stok men eige wè lichtte, dan schoot die kiest vort, en zoo wier er gevaore dèt liefhebberij was. t Gong ten leste mee zoon vaort, dè de golven over de kaant henen spuulden.
    - Cees Robben - In n raozende vaort... (19541211)
  4. zelfstandig naamwoord

    vaart, heimwee, snelheid

    - Cees Robben - Wie heej gin haost en nôôt gin vort... (19570615)
    - WNT - VAART (III) - toestand waarbij het iemand vaart, waarbij hij ergens niet wennen kan of heimwee heeft. Alleen in Brabant.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - blz. 630 ... voor hetgeen wat elders heet 'het zal hem afvallen' zegt men hier 'het zal hem varen'. Het zelfst. nw. vaart is in denzelfden zin hier gebruikelijk
vaos
zelfstandig naamwoord

vaas, vaasje

vast
bijwoord

- Paul Spapens et al; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol (2004) - reeds, alvast
vasteldag
zelfstandig naamwoord

vastendag

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vier vasteldaogen'
- WNT - VASTENDAG, vasteldag
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord mannelijk -´vaasteldag' - vastendag
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - VASTENDAG - vasteldag
vastenaovend
  1. zelfstandig naamwoord

    vastenavond

    - A.J.A.C. van Delft - Iemand, die veel beweging over een werkje van weinig beteekenis maakt, en doet alsof hij het er zeer druk mee heeft, voegt men toe: "Hij heeft het zoo druk als de pan met vastenavond." Ook wel: "Zoo druk als een pruikemaker met één klant." - Van een onhandig iemand zegt men, dat hij is "bijdehand, als een pan zonder steel". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)
    - Pierre van Beek "Hij heej 't zô druk as de pan mee Vastelaovond" () speciaal gezegd ()van iemand, die over een werk van weinig betekenis veel drukte maakt. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant donderdag 11 mei 1950)
    - Dialectenquête 1887 Willems - Vastenaovend wòrdt nie mir gevierd
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vaastelaovend, vaastenaovend'
    - WBD - III.4.3:229 vastenaovendgèk(ke) - sneeuwklokje (Galantthus nivalis)
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 94) 'vastenaovend wòrt nie veu(l) mir gevierd'
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'vastelavond' - vastenavond
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VASTELAVEND zelfstandig naamwoord mannelijk - vastenavond
    vastenaovend
  2. zelfstandig naamwoord

    vastentèèd vastentijd

    - Stadsnieuws - In de vastentèèd wier der nie gedaanse (170210)
vastetrommeltj
zelfstandig naamwoord

vastentrommeltje

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vaastetrómmeltje' (waarin gekregen snoep werd opgeborgen gedurende de vastentijd)
vasthaawe
werkwoord

vasthaawe hiel vaast vastgehaawe vasthouden

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vaasthaawen'
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as ge meegaot, meude en potje vaasthaawe ('64) - antwoord op de vraag 'Wat ga je doen?'
- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - vasthaawe wè ge hèt èn vatte wè ge krèège kunt, ist elfde gebod
vat
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD - koeschep, schep zonder steel om voer uit de koeketel te scheppen
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge zèèt en hèlleg vat zonder bojem (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - gezegd als iemand aan tafel per abuis een tweede keer wil bidden
    - WTT 2023 - voorgaande duiding van Mandos is zeer twijfelachteig
  2. zelfstandig naamwoord

    graanmaat (anno 1572), gelijk aan 14,6 liter

    - Lodewijk van Dorrus Misters - Een grote 50 jaar geleden waren de tonnen nog in gebruik en werd een ton gerekend op 150 liter inhoud. Ook was er fustwerk in gebruik van 1/2 ton of "vat", van 1/4 ton of "keneke" en van 1/8 ton dat men "kattekop" noemde. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 8 Oude brouwerijen in Tilburg; Nieuwe Tilburgsche Courant 23-6-1951)
vatte
werkwoord

vatte - viet - gevat ie steeds kort

- WTT 2020 - De verleden tijd lijkt recentelijk (2007) voor te komen als 'vatte': Dan liep ze nor de schouw/ èn vatte daor en dôos/ waorin segaare zaate,/ waor hij der êen van kôos. (Henriëtte Vunderink; De Pestoor; k Zal van oe blèève haawe, 2007)
- Audio-opname 1978 - èn dan liet hij em mar lòs want hij vatte aatij de grotsten deugniet hè... (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)
vattesgerêed
bijwoord

klaar om te pakken, bij de hand. onder handbereik

- Cees Robben - Mn portemenee laag toch vattesgereed... (19860613)
vèdder
bijwoord

verder

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - zene mooter is kepòt; hij kan nie vèdder
- Tillie B.(pseudoniem van Nicole van Wagenberg), uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - Vèdderop staon gezèllege terasse klaor.
vèdderèst
bijwoord

voor de (verdere) rest

- Vur de vèdderrèst (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
veebonk
naam

- WBD - veearts
- WNT - VEEBONK - (schertsend) student in de veeartsenijkunde
vèèchte
  1. werkwoord

    vechten vèèchte - vocht - gevochte èè steeds lang

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ze vèèchten as keetelbuunders = ze maken hevig ruzie.
    - Kernkamp, Bezorging Dialectenquête 1879 - ze hebbe mi mekoar gevochte
    - Dialectenquête 1887 Willems - dieje vènt die mòkte hil de wèèreld ònt vèèchte
    - WBD - III.3.1:238 vechten', 'bal, heksenketel' = ruzie
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - vèèchte - vocht - gevochte
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st. ww. intr. 'vaechten' - vechten
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vèèchte ww - vechten
  2. telwoord

    vèèf vijf

    - Dialectenquête 1887 Willems - der waare vèèf prèèze
    - Cees Robben - Van de mèèrege om vèèf uure (19640605)
    - Lechim - Irst smèèrges lèkker vèèf van rôod/ smiddags nòr Willem II./ Èn saoves meej en flèske bier/ goed lui bij de TeeVee. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Enen dag fèèn allêen) [biljartspel: vijf over rood]
    - Dialectenquête 1887 Willems - ze hèbbe meej der vèève drie lieter wèèn ópgedrónke
    - Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - en tientje of vèèf = Jos Donders (blz. 34)
    - WBD - III.3.1:154 'vijfke' = kwartje
    - WBD - III.2.1:391 'vijf vatten' = een (middag)dutje doen
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - vèèf (krt. 25)
  3. Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

vèèg
  1. zelfstandig naamwoord

    1. vijg vijg, zowel voor de vrucht van de vijgeboom als van de dadelpalm , ook 'smèrlap of 'veègedaal' genoemd

    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - 'Ieder zene meug', zi den boer, èn hij fraat vèège.
    - WBD - III.2.3:173 'vijg' = dadel, ook 'dadel' of 'vijgendaal
    - Pierre van Beek Komt men "als Jan met kraaien naor de mert (markt)" of "mee vijgen nao Paosen" dan is men met zijn voorstel te laat. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant donderdag 11 mei 1950)
  2. 2. veeg

    - Hier is dieje bandiet van ons, assie nie löstert, gift em mar un vèèg tegen zen oren, zeej ons moeder tegen zuster Willemien. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
  3. werkwoord

    vèège vegen

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - de billen afvegen na de stoelgang - Cees Robben - Mar assie gedaon heej mottie effegoed vèège... (19650828)
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Hij blaost wel hoog van de toren, mar môt ôk veege assie gedaon hee (23-02-1972)
    - WBD - III.2.1:295 'vegen' = idem
vêeg
bijwoord

veeg, hachelijk, netelig, gevaarlijk

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zo vêeg as en lèùs op ene kam (Pierre van Beek -Tilburgse Taalplastiek '73) - variant: as en vèèreke óp enen bak (gezegd van een mestvarken)
- WBD - III.1.4:l48 'veeg' = bijdehand (van een vrouv); ook: 'handige veeg'
- WNT - VEEG (V) 8) - gevaarlijk hachelijk, netelig, bedenkelijk, slecht
vêeg
vèègedaal
zelfstandig naamwoord

vijg, zowel voor de vrucht van de dadelpalm als van de vijgeboom, ook smèrlap genoemd

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "vijgedalen - dadels"
- WBD - III.2.3:173 'vijgendaal' = dadel; ook 'vijg' of 'dadel
- WNT - vijgedalen, in Zeeuwse dialecten voor 'gekonfijte dadels(Ghijsen)
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - vijgedaol - dadel (wmbr.)
vèègsel
zelfstandig naamwoord

veegsel

- WBD II:1012 - vèègsel, weefselafval
Veejendeej
zelfstandig naamwoord

Warenhuis Vroom & Dreesmann

- Tillie B. (pseudoniem van Nicole van Wagenberg), uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - Toen ik linksaaf de VeejènDeej inschoot, de kòrste roete nòr de fietsekèlder, moes ik tòch èffe stòppe.
vèèl
zelfstandig naamwoord

vijl, vijltje

- WBD - vijl (waarmee men de onderkant van een krabber scherp maakt)
vèèle
werkwoord

vijlen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - vèèle - vèlde - gevèld, met vocaalkrimping.
- ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij vèlt
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - vèèle - gij/hij vèlt
vèèleg
bijwoord

veilig

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - veilig
- Die grote lummels die et lèève van dè buurmenneke verpestte, blêeve wel op vèllige afstand. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
vèène
werkwoord

vinden vèène - von / vonde - gevonde met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij vènt

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 73) ik vèèner niks aon / ik vin der niks aon
- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Dees straot tèène zuldet wèl vèène. - Aan het eind van deze straat zul je het wel vinden.
- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - veine: Dè vein ik ôok; ge veindt; veiner; nergens te veinen.
- Cees Robben - hum vèèn ik mar unne aorige... (19860328)
- Cees Robben - Hoe hedde gij t toch kunne vèine..? (19561222)
- Kernkamp, Bezorging Dialectenquête 1879 - vêne (ê als in Frans même)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - kundem nie vèène? hij wont de straot tèène
- Stadsnieuws - Hij zòcht ooveral mar hij kos et nie vèène. (100310)
- WBD - III.1.4:47 'vinden' = bevinden, menen
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VIJNEN - vinden, Frans trouver
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VIJNNEN, voor vinnen, vinden, is hier algemeen onder de lanslieden.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st.ww.tr. 'vijnnen, vijnden' - vinden
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GEVONNEN: 3e hoofdvorm van 'vijnen'
- WNT - VINDEN, vinnen; in dial. VIJNDEN
vèèner
zelfstandig naamwoord

vinder

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vinder
vèèr
  1. zelfstandig naamwoord

    veer, veertje

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vêre - veren (ê als in Frans même)
    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ene paauw heej schoon vèère.
  2. Uitdrukkingen

    - Cees Robben - Die gin veer van dr lippen kos blaoze... (19580201) [Die straatarm was.]
    - Hessels 2020 - Op ziekenbezoek geweest en het gaat nog niet zo best met de patiënt: - hij kos nòg gin vèèr van zen lippe blaoze! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
  3. Aanvullende bronnen

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEER en VÈÈR znw.v. - veder, pluim
vèèrdeg
naam

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vaardig
- WNT - VAARDIG, veerdig; gewestelijk komen ook vormen voor met synkope van de d
vèère
werkwoord

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - vèère kusses - Cees Robben - Des n schôôn vèère-huudje... (19860530)
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - vèère, (hij) vèèrt; gevèèrd
vèèrege
  1. werkwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vergen, eisen
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - Dè vèèregt nogal wè. - Dat vraagt nogal wat.
  2. Ill. Rolf Janssen Ill. Tijs Dorenbosch

vèèreke
  1. zelfstandig naamwoord

    varken

    - Dialectenquête 1887 Willems - 'vairkens'
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vèrreke - varken (è = scherplang)
    vèèrekevèèreke
  2. zelfstandig naamwoord

    WBD - vèrke, Hasselt: vèèreke; kuus; Hasselt krolstèrt'

    - WBD - vèèreke of 'vèrken' - vrouwelijk varken, ook genoemd 'zeug', 'zuig', zog, zòg, of kuus
    - WBD - lôopvèèreke - big van acht tot twaalf weken, ook drift genoemd
    - WBD - vèerekeston - ton om gekookt varkensvoer in te bewaren
    - WBD - Hasselt 'vèèrekesmaand' - biggenmand (langwerpig, gevlochten)
    - WBD - vèrke, verken, kuus kuus roep- en lokwoorden voor varkens
    - WBD - III.1.4:94 'varken' = beestachtige persoon
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. 'vaerken' - varken
  3. Uitdrukkingen en gezegdes

    - N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - en vèèreke meej nen baord is zèlde van goejen aord.
    - Cees Robben - [uitdrukking] Goed vur t vèèreke volop spek... Goed vur de meense.. mistal drek...
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Et wòrt goej weer, de vèèrekes niese Plagerig tegen iemand gezegd als die zojuist geniest heeft
    - Pierre van Beek - ieder vèèreke heej mar êen frutblaos (gez.)
    - Pierre van Beek - en blènd vèèreke vènt ok nog wel is enen eekel' (Tilburgse Taalplastiek 136)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - as de vèèrekes niese, krèègeme goej weer (- Gezegde: als er iem. niest)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - nòr et vèèreke gòn kèèke - na sluitingstijd in de keuken van het café een borreltje drinken
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ge kunt vur zon stukske wòrst gin heel vèèreke kôope
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ge snijt gin twee ruggen öt êen vèèreke (geen dubbel profijt)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'et komt vanzelf trug', zi den boer, èn hij gaaf zen vèèrekes spèk ('72)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'we zulle dè vèèreke wèl waase, zi den boer, èn hij douwde den doomienee in de mistput
  4. Pissebed

    - N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - wilde vairkes pissebedden
  5. Overdrachtelijk

    - Dè was in vèrken daor was de Witte van Ernest Claos nog in braaf mènneke bij. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, Hij is nie gewôôn lillik, mar ordiniair lillik en zij is verkens-brutaol (23-10-1963)
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, As ze jouwe kop op n vèèrken zette, zon zeggen det t bistje ziek was (16-01-1975)
    - Cees Robben - As t vant vèèreke is dan lus ik t gelèèk... Mar sjem en kwatta-strooisel dè kan ik nie pruimen... (19660204) [Robben gebruikt alles van het varken lusten om uit te drukken dat een jongen daarmee een man is]
  6. Over de varkensslacht

    - Cees Robben - t Vèèreke dè gilt... ochot... (19590509) - Cees Robben - Ochèèrum ons vèèreke... t mot mèèrege stèèreve.. (19650903)
  7. Over varkensvlees

    - Cees Robben - Wè zult is, mevrouw?.. Dè is n vèèreke wè gelèèk in de frut zit.. Mar wel lekker... (19841207) Over het houden van een varken
    - Cees Robben - Ik gao wè spelle krabbe want ik mot t vèèreke nog strössele.. (19760618) [dennennaalden verzamelen om als ondergrond te dienen in het varkenskot]
  8. Schilderij: Barant Fabritius - 17de eeuw - Varkensslager aan het werk en kind met varkensblaas

vèèrekesbèèvert
zelfstandig naamwoord

- Informant Toine Raaijmakers - 2 e pinksterdag te Loon op Zand
- WTT 2023 - In Loon op Zand wordt de bedevaart naar Sint Antonius nog in stand gehouden. Het gaat hier om Antonius Abt, die vaak wordt afgebeeld met een varken aan zijn voeten.
vèèrekesèèrpel
zelfstandig naamwoord

- A.J.A.C. van Delft - "As we dan goed misten, dan haolen we een vat van de roei, de zetters en verrekeseirepul nie meegerekend, nee alleen een vat eeters", zoo keuvelde een Hasseltsche huiswever (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)
- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - slechte aardappelen, goed genoeg als varkensvoer: kuusèèrpel
vèèrekesgat
zelfstandig naamwoord

varkensgat, achterwerk van een varken

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'snij een stuk van t vèrkesgat
vèèrekesknöst
  1. zelfstandig naamwoord

    scheldwoord voor een dikkop, een eigenwijzerik

    - Cees Robben - Hij lee m'ammol uit-te-schèène vur vèèrekes-knöst en zult-bommerel... (19670609)
  2. Afbeelding uit: Rijke oogst van schrale grond , tentoonstellingscatalogus Noordbrabants Museum, 1991 Onbekende illustrator - bron: Geheugen van Nederland

vèèrekeskôoj
  1. zelfstandig naamwoord

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929) - De kannen ston daor altij gereed in 't gruunhok, neffen de verkenskooi. Ik vat ze daor en rij dan wir deur zonder 'n sterveling te zien, mar vandemèrge hè'k buurt gekrege.
    - WBD - varkenshok, ook vèèrekesstal' genoemd
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. - varkenskooi
    vèèrekeskôojvèèrekeskôoj
  2. Onbekende schilder - collectie Rijksmuseum

vèèrekeskòp
  1. zelfstandig naamwoord

    varkenskop kop van het varken 1 als bestanddeel van gerechten

    - G.H. Dexters - Sint-Markoen en 't Sint-Markoenzeer; in: Brabantsche folklore, jrg. 1932 -Te Weert en de Neerglabbeek mogen de Sint-Markoenlijders geen varkenskop eten. Men hoort er vaak zeggen: Die of die mag van den kop niet eten!
    vèèrekeskòp
  2. Schilderij van Johannes Hari - Nachtkwartier te Molodetschno uit de terugtocht van Napoleon uit Rusland (1812-1820) & detail 2 in vergelijking met het uiterlijk van een mens

    - Cees Robben - En as jouwe kop op un vèèreke stond... zôdde denken det bisje ziek was... (Prent van de week 17-12-1965)
    - Cees Robben - Ge het n schôon kiendje Sjaan, mar oewen kuus doet beter... ze trekke wel op mekaar, daor nie van... (Prent van de week 7-9-1979)
    - Cees Robben - Is den baos thuis..? Hij zit bij de vèèrekes Die meej die pet op die isset. (Prent van de week 8-2-1963)
    - Naarus (1940) column in Groot Tilburg - Hier [op de markt] spraak ik ok zon boerke aon, eigeluk méér omdet ie zon grappige snuut ha, dan wel om [iets van hem] te koope. Hij ha vèrkeseugskes en n nuske om te laache. t Irste stukske was normaol, mar dan veraanderde ut ineens van richting; dè twidde mupke stond er hoks bovenop mee innen knik, en in dè vurste stukske was n butske, net of dè nuske van stopverf gewist waar en desse daor zoo is mee dre vinger ingedouwd han.
  3. 3 als offergave aan kerk of kapel; met name in Vlaanderen

    - Jeanne Defoer in Brabantsche Folklore, 1927 - Op Sint Antoniusdag te Zetrud-Lumay (een gebruik dat, sedert een vijftigtal jaren verdwenen is). - Jaarlijks op den feestdag van den H. Antonius (17 Januari) brachten de inwoners van Zetrud een grooten varkenskop naar de kapel van O. L. Vrouw van Goeden bijstand. Iederen Zaterdag gedurende den Winter verkocht de koster aan den meestbiedende hetgeen er in den loop van de week geofferd werd [in de vorm van levende dieren of vleeswaren]. Een varkenskop werd gewoonlijk aan 8, soms ook aan 13 sollen verkocht ; ook waren het meestal de inwoners zelf die terugkochten hetgeen zij geofferd hadden, toch gebeurde het wel eens dat een vreemdeling er mede vandoor ging. De heer pastoor gebruikte de opbrengst van dezen verkoop om HH. Missen ter eere van Sint Antonius op te dragen. ln deze kapel bezit men relikwieën van den H. Antonius abt.
    - R. van Weddingen, in Brabantsche Folklore, 192, Een folkloristische kijk op de Allerheiligen Kapel te Diest DE H. ANTONIUS abt is weer een lievelingsheilige der landelijke bevolking. Beter gekend als Antonius met zijn verken staat hij [in de kapel in Diest] afgebeeld in monnikspij met een boek in de hand en vergezeld van een zwijn met een bel om den hals. Wordt heden ten dage nog druk gediend tegen alle kwalen en ziekten onder de varkens . Tot voor enkele jaren werd in de Kapel, ter eere van dezen heilige, vele levende biggen en varkenskoppen geofferd.
    - Fr. Hendrickx, in: Brabantsche folklore, jrg. 1931- Een derde Heilige, die eveneens eertijds [in de kerk van Melkwezer] veel meer gevierd werd dan nu, is de H. Antonius Abt (feest 17 Januari), wiens modern beeld in de kerk bestaat. Alhoewel we weten, dat er tijdens pastoor Janssens nog een hoogmis gecelebreerd werd « met zeven heeren », kwam er toch nooit veel volk, uitgenomen van Orsmaal. Nog steeds wordt het volgende gebruik in eere gehouden : stukken van het varken, vooral koppen, worden mee naar de kerk gebracht en na de mis bij opbod verkocht. Men brengt zooveel niet meer mede als vroeger doch meestal offert nu de kooper, na betaald te hebben, den kop in kwestie en deze wordt dan opnieuw opgeroepen. Aldus wordt eenzelfde kop meermaals verkocht. De opbrengst is voor den pastoor, die er soms een mis voor leest.
    - A. Vanderstiche, - De Kerk van St.-Genesius-Rode; in: Brabantsche folklore, jrg. 1932 - Tot voor eenige jaren bestond het gebruik te Rode, na de hoogmis nevens de kerkdeur, sommige zaken te verkoopen, waarvan de opbrengst geofferd werd om een genezing te bekomen, tot dankbetuiging voor allerlei zaken, enz. Varkenskop, hesp, kiek, konijnof ander gedierte werd te koop aangeboden. Indien het bod te laag scheen, kocht de voorsteller zijn offer zelf af en schonk daarna de som aan den gekozen heilige der kerk. De veldwachter gelastte zich meerendeels met dit werk.
  4. Varkenskop (mogelijk geprepareerd) achter een vensterraam in de Poststraat; Tilburg 2014. Foto: Ed Schilders

vèèrekeslomp
zelfstandig naamwoord

zeer lomp

- Cees Robben - Vèèrkes-lomp.. Mar toch gehaaid (19610609)
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord en bijwoord - varkenslopm, geweldig lomp
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERKENSLOMP
- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - uit der mate lomp
vèèrekeslompvèèrekeslompvèèrekeslomp
vèèrekesmèrt
zelfstandig naamwoord

varkensmarkt

- Audioregistratie 1978 - èllek jaor ging ons moeder meej de kènderwaoge, war, ging ze en vèèreke kôope op de vèèrekesmèrt in de kènderwaoge in ene zak! (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)
vèèrekesmeule
zelfstandig naamwoord

- WBD - aardappelmolen (werktuig waarmee gekookte aardappelen tot puree worden gemalen, dienend als varkensvoer)
- WBD - vèèrekesmeujle
vèèrekesmeule
vèèrekespotje
zelfstandig naamwoord

varkenspootje

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'verkespootjes'
- Ed Schilders, Wè zeetie?, Website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009 - Ge moogt oewe schoen zètte, èn de vòllegede mèèrege waare de peeje ènt aaw brôod wèg, èn laager en spikmènneke in, òf en marsepèène vèèrekespotje, òf ene kinkenduut van gevulde seklaa.
vèèrekesring
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD - neusring (van een varken)
  2. Uithangbord van de thuisbasis van carnavalsvereniging De vèrrekesstaawers - foto CuBra 2021.

vèèrekesstaawer
zelfstandig naamwoord

varkenshoeder; naam van een carnavalsvereniging in Tilburg

- Kernkamp, Bezorging Dialectenquête 1879 - vèrrekesstaauwer - varkenshoeder
- Cees Robben - Ôôk meej karneval doen de vèèrekesstaauwers dr bist... (datum onbekend)
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERKENSSTOUWER zelfstandig naamwoord mannelijk - varkensdrijver, een man die jonge varkens ronddrijft om ze te verkopen
vèèrekesstaawer
vèèrekesstèrt
  1. zelfstandig naamwoord

    varkensstraat

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'der is ene krul meer in', zi den boer, 'as in ene rèèchte vèèrekesstèrt - als reactie op een snoeverige opmerking (Nicolaas Daamen - Handschrift Tilburgs Dialect, 1916)
  2. Een varkensvanger; foto: Katholieke Illustratie, ca. 1930

vèèrekesvanger
zelfstandig naamwoord

varkensvanger

- uitdrukking - 'Ginne vèèrkesvanger' - iemand die geen O-benen heeft (zie afbeelding).
vèèrekesvanger
vèèrekesvruut
zelfstandig naamwoord

varkensvroet, vroet = smuit ook scheldwoord m.b.t. een gezicht

vèèreve
  1. werkwoord

    verven

    - Dialectenquête 1887 Willems - vèrreve vèrrefde gevèrrefd; ik vèrref
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - verven, opmaken, schminken
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Wè-s se tòch wit gevèèrefd!
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. + intr. verven 1) schilderen, 2) hetzelfde als 'blauwverven'
  2. Het zogenaamde stukverven - foto uit: Jan Commandeur e.a., Ge waart mar arbeider ; 1981

vèèrever
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - (textiel) stukkenverver, bediener verfmachine
vèèrever
vèèrs
zelfstandig naamwoord

vaars, jonge koe

- Dialectenquête 1887 Willems - vaole 'vo:ze' ziede nie veul langs dees kaante - vale vaarzen ziet men hier niet veel
- WBD - jonge koe, ook genoemd: 'vejrs', 'vaors', 'kalfveers', 'kalfmaol'
- WBD - koe die voor de eerste keer drachtig is, ook 'maol' genoemd
- WBD - vèèrskalf - vrouwelijk kalf, ook genoemd: 'vèrskalf', 'vijrskalf' of 'kuuskalf'
- WBD - kalfvèèrs - koe die kalven moet, ook genoemd: 'kalfkoej'
- WBD - v è tte vèèrs - vette vaars
- WBD - koe die pas gekalfd heeft = vèèrs, of 'vérs'(bijvoeglijk naamwoord ) of 'vòrs'(bijvoeglijk naamwoord ), ofwel 'vòrse koej' of 'vorse'
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - v ä .rs, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'veers' - vaars
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEERS znw.v. - hetz. als Holl. vaars
vèèrskalf
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD - vrouwelijk kalf, ook genoemd: vèrskalf, vijrskalf, of 'kuuskalf'
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. veerskalf - vrouwelijk kalf
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VÈÈRZEKALF znw.o. - kalf v. h. vrouwelijk geslacht; ook VÈÈRSKALF
  2. Lakenverver in de 18e eeuw

vèèrve
  1. werkwoord

    verven

    - Dialectenquête 1887 Willems - vèrreve vèrrefde gevèrrefd; ik vèrref
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - verven, opmaken, schminken
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Wè-s se tòch wit gevèèrefd!
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. + intr. verven 1) schilderen, 2) hetzelfde als 'blauwverven'
  2. Het zogenaamde stukverven - foto uit: Jan Commandeur e.a., Ge waart mar arbeider ; 1981

vèèrze
zelfstandig naamwoord

kalveren

- Audio-opname 1978 - èn dan daor gienderwèèd die koeje èn die vèèrze stonden ammel vaastgebonde (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)
vèèrze
vèèver
zelfstandig naamwoord

vijver

- Cees Robben - verlichte vèèvers... (19590815)
vèfde
telwoord

vijfde

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 (blz. 3) - 'vevde'
Vèfhèùze

toponiem Vijfhuizen (Tilburg Noord, Heikant)

- Audioregistratie 1978 - Mar ge had hier vruuger ok nèt as op de Vèfhèùze, as daor zo iemand was zak zègge die bevobbeld die boere zon bietje zaat te koejeneere dan waarde nòg nie gelukkeg, hòr! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
vèftien
telwoord

vijftien

- Dialectenquête 1887 Willems - veftien
- Grôot diktee van de Tilburgse taol 2008 - de Stichting Tilbörgse Taol bestao naa vèftien jaor
vekaansie
zelfstandig naamwoord

vakantie

- Cees Robben - hedde gij vekaansie-geld... (19560804)
- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vacaantie'
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ve(r)kansi, zelfstandig naamwoord vrouwelijk en mannelijk 've(r)kantie' - vakantie
vekeerdom
bijwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - achterstevoren
- WNT - VERKEERDOM - in tegengestelde richting, andersom
vèl
  1. zelfstandig naamwoord

    vel, met name in de leerlooierij; zachte huid van een vrucht, ook schèl, schil of hèùd genoemd

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Waor zittie? - In zen vèl as ie nie gestrupt is [dooddoener]
    - WBD - vèl - huid (onbewerkt)
    - WBD - schaopevèl - schapevel, schapehuid
    - WBD - blòtvèlleke - blootvelletje, de gehaarde en gevleesde huid; (II 609)
    - WBD - lèèmvèl - lijmvleeskoek (II 611)
    - WBD - zuurvèl - zuurvel, benaming voor de met zuren behandelde bloot (II 622)
    - WBD - III.2.3:152 'vel' = schil, ook velletje', 'huid'
  2. zelfstandig naamwoord

    Afjacht

    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Òf ge wòrst lust? Dan kunde vèlle schèète! Als je worst eet, kun je velletjes poepen; afjacht, plagerig gezegd als iemand vraagt om een herhaling van wat je net gezegd hebt
vèld
zelfstandig naamwoord

veld

- Cees Robben - Ze gonk te veld... (19600219)
- ...èn gong al in de vurverkôop/ vur zónne jas te vèld. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dè was et êenigste dè paaste)
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - te voet èn te vèld koome (JM'50) - helemaal de weg niet weten
- WBD - III.4.4:137 'open veld' = veld, ook 'land', 'akker'
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - vält znw.o. - veld; verbinding 'te väld; te väld stoon (van gewassen gezegd), te väld goon (um e pärd, um 'n vraauw enz.) erop uitstappen, op iets uitgaan.
- WNT - XVIII 1460: (Thans alleen in Z.-Nederl.) TE VELDE. (Gewest.) Te veld gaan - uitgaan.// Te veld gaan, te veld zijn: dit wordt van alle uitgaan gezeid (ca. 1774).
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - veld zelfstandig naamwoord - veld; te vèld gaon - erop uitgaan.
vèlde
werkwoord

vijlt, vijlde tegenwoordige tijd, sing., resp. verleden tijd van 'vèèle', met vocaalkrimping

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - vèlt, 3e p. enk. van 'vèèle (vijlen)
vèldevèlde
vèldwaachter
zelfstandig naamwoord

veldwachter

- WTT 2018 - hier figuurlijk gebruikt: een borrelglaasje zonder voetje, zodat de cafébezoeker, i.c. de veldwachter, zijn glaasje niet kon neerzetten, en men hem derhalve comform de opzet weer spoedig kwijt was.
- Frans Verbunt (1996) - vèldwaachterke - borrelglaasje zonder voet
vèlle
  1. zelfstandig naamwoord

    vel, met name in de leerlooierij; zachte huid van een vrucht, ook schèl, schil of hèùd genoemd

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Waor zittie? - In zen vèl as ie nie gestrupt is [dooddoener]
    - WBD - vèl - huid (onbewerkt)
    - WBD - schaopevèl - schapevel, schapehuid
    - WBD - blòtvèlleke - blootvelletje, de gehaarde en gevleesde huid; (II 609)
    - WBD - lèèmvèl - lijmvleeskoek (II 611)
    - WBD - zuurvèl - zuurvel, benaming voor de met zuren behandelde bloot (II 622)
    - WBD - III.2.3:152 'vel' = schil, ook velletje', 'huid'
  2. zelfstandig naamwoord

    Afjacht

    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Òf ge wòrst lust? Dan kunde vèlle schèète! Als je worst eet, kun je velletjes poepen; afjacht, plagerig gezegd als iemand vraagt om een herhaling van wat je net gezegd hebt
vèlleg
bijwoord

veilig

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - veilig
- Die grote lummels die et lèève van dè buurmenneke verpestte, blêeve wel op vèllige afstand. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
vèlleghèd
  1. zelfstandig naamwoord

    veiligheid

    - De liste jaore zuuke veul èèrme sukkelèèrs öt hil de wèèreld bij ons de vèllèghed, die ze bij hullie tèùs nie krêege. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2000)
    - Stadsnieuws - Tis teegesworreg niemir vèlleg in de straot (150807)
  2. Vellen bloten - Kasper Luyken

vèlleke
  1. zelfstandig naamwoord

    vel, met name in de leerlooierij; zachte huid van een vrucht, ook schèl, schil of hèùd genoemd

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Waor zittie? - In zen vèl as ie nie gestrupt is [dooddoener]
    - WBD - vèl - huid (onbewerkt)
    - WBD - schaopevèl - schapevel, schapehuid
    - WBD - blòtvèlleke - blootvelletje, de gehaarde en gevleesde huid; (II 609)
    - WBD - lèèmvèl - lijmvleeskoek (II 611)
    - WBD - zuurvèl - zuurvel, benaming voor de met zuren behandelde bloot (II 622)
    - WBD - III.2.3:152 'vel' = schil, ook velletje', 'huid'
  2. zelfstandig naamwoord

    Afjacht

    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Òf ge wòrst lust? Dan kunde vèlle schèète! Als je worst eet, kun je velletjes poepen; afjacht, plagerig gezegd als iemand vraagt om een herhaling van wat je net gezegd hebt
vèllekesblôoterij
  1. zelfstandig naamwoord

    velletjesbloterij, vellen bloten

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - leerlooierij
    vèllekesblôoterij
  2. Frans Verbunt (1996) - plaats waar huiden ontdaan worden van vleesresten en vliezen Vellen bloten - foto: Regionaal Archief Tilburg

vèllig
bijwoord

veilig

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - veilig
- Die grote lummels die et lèève van dè buurmenneke verpestte, blêeve wel op vèllige afstand. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
vèlling
zelfstandig naamwoord

velg (van een wiel)

- WBD - (II:2769) véling' - velg, velgsegment.
- WNT - Velling II.5 - Ring gevormd door de onder 1) genoemde houten onderdeelen; houten (later metalen enz.) buitenrand van het wiel, waarom de band zit.
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
vèlling
vèlt
werkwoord

vijlt, vijlde tegenwoordige tijd, sing., resp. verleden tijd van 'vèèle', met vocaalkrimping

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - vèlt, 3e p. enk. van 'vèèle (vijlen)
vèltvèlt
vèltje
  1. zelfstandig naamwoord

    vijl, vijltje

    - WBD - vijl (waarmee men de onderkant van een krabber scherp maakt)
  2. zelfstandig naamwoord

    vijltje Ill. Kaart Diederik Zijnen

Vèn

toponiem Het Ven tegenwoordig het Piusplein

Vèn
venaacht
bijwoord

vannacht

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Dè zi ons Keej venaacht ôok! Bij een opmerking die dubbelzinnig kan worden opgevat verwijzen naar de exploten afgelopen nacht in het echtelijk bed.
venaagt
bijwoord

vannacht

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Dè zi ons Keej venaacht ôok! Bij een opmerking die dubbelzinnig kan worden opgevat verwijzen naar de exploten afgelopen nacht in het echtelijk bed.
venaovend
bijwoord

vanavond

- Grôot diktee van de Tilburgse taol 2006 - lòmme dè venaovend hier ok mar es perbeere
vendaog
bijwoord

vandaag

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 97) gaode vandaog nie kaorte?
- Dialectenquête 1887 Willems - gaode gij vendaog nie kaorte? et is wèèrm gewist vendaog - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'den trubbel drukt me zwaor vendaog'
- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - vendaog òf mèèrege krèège we nòg en pak slaog erbij!
- Grôot diktee van de Tilburgse taol 08 Wè is vendaog den dag nòg oud?
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. - vandaag, heden
vènder
zelfstandig naamwoord

vinder

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vinder
venèèges
  1. bijwoord

    vanzelf, van eigen(s)

    - Dan wòrret venèèges enen bôom meej en hart vur onze stad. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)
  2. Chlidonias niger - wikipedia

venèèneg
naam

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - venijnig
- WBD - 3.1:298 'venijnig' = vinnig
- WBD - 3.1:99 'venijnig zijn' = snauwen
- WBD - III.1.4:228 'venijnig' = boos
vènkraaj
zelfstandig naamwoord

- WBD - III.4.1:216 'venkraai' - zwarte stern (Chlidonias niger)
vènkraaj
vènster
  1. zelfstandig naamwoord

    venster, luik uit Franse fenêtre

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Hij slôot de vènsters vruug. - Hij deed de vensterluiken vroeg dicht.
  2. Uitdrukkingen

    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Hij zit ginnen boer in zen venster. - uitdr. Hij zit niemand in de weg.
    - Hessels 2020 - Ergens netjes parkerend: - hier stòn we ginnen boer in zen vènster! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
  3. Samenstellingen

    - WBD - vèstergat - stalraampje in de schouw (in de brandmuur naast de haard; men kan erdoor in de stal kijken)
    - WBD - schórvènster - schelfdeur (deur naar de hooizolder)
vènt
  1. werkwoord

    2e + 3e persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd van 'vèène', met vocaalkrimping gij, hij, zij vènt

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - De gebiedende wijs is: vènt
  2. zelfstandig naamwoord

    - WBD - III.3.1:21 'vent' = man
    - WBD - III.2.2:87 'vent' = echtgenoot
veraandere
werkwoord

veranderen

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - veraanderen; veraandering
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'veraandere, veraanere'
- WBD - III.2.2:4 'verandering' = menstruatie
veraase
werkwoord

verrassen

- Dialectenquête 1887 Willems - verrasse - verraaste - verraast; ik verraas, gij/hij verraast
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'veraase' - verrassen
- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - verraast
veraawere
werkwoord

verouderen

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - veraauwere
veraffronteere
werkwoord

beledigen, krenkend behandelen vernederlandsing door toevoeging van 'ver-' aan het Franse 'affronter' (beledigen)

- Cees Robben - Ik wil oe niet veraffronteere en zegge degge unne dief zèèd... Mar ik raok wel al mn kiepe kwèèd... (19790713)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 04 27 - Ik wosse nie veraffronteere.
- WBD - III.3.1:300 'affronteren = smalen
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - ofgronteren - voor het hoofi stoten (dr.)
- WNT - VERAFFRONTEREN - (volkstaal) voor het hoofd stooten, beledigen, krenkend behandelen
veraltereerd
  1. naam

    vernederlandsing door toevoeging van 'ver-' aan het Franse 'altérer' (verbleken, bederven)

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), 'De nuuwe dokter', feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 27-1-1940 17-2-1940 - En ze troonde den dokter mee naor d'r huis en d'r kneveltje stond overeind van veraltereerdheid...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - verschrokken, beroerd, bewogen
    - WNT - VERALTEREERD - bijvoeglijk naamwoord van zijn stuk gebracht, verbouwereerd, verschrikt, ontroerd.
  2. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

verassereere
  1. werkwoord

    verzekeren vernederlandsing door toevoeging van 'ver-' aan het Franse ' assurer' (verzekeren)

    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'dè verastereer ik oe'; 'ik verastereer oe dè ....'
    - Jaon van Harrie van de boere Bet, Nieuwe Tilburgse Courant, 2-2-1950 - Ik ben nog mar rond de veftig maar ik kan oe verassereren, dè 't lezen van toestanden van vruger me hil veul goed doe.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 09 11 - De meensen in Jerusalem / Heurde naauw pèrmeteren: "Hoe mot ik me op stel en sprong / Hòòger verastereren?
  2. voltooid deelwoord

    - Pierre van Beek - Als iemand tegen brand verzekerd is, heet hij "verastereerd" (assurantie). (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)
    - Cees Robben - Ik ben (...) goed verastereerd (19760514)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 08 25 - "Dè huis was twaalef duuzend wèrd, / Heb ik gekonsteteerd / Mar 't was wel vèf kere zò hòòg / Bij ons verassereerd."
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - bè wèffere braandastraasie zèède gè verasteraard? [sic]
    - Stadsnieuws - Teegen en kaoj schonmoeder kunde oewèège nie verassereere (081006)
    - kZèè hil goed verasterêerd./ As et himmòl in de fik gao,/ èn der strak dus niks mir stao,/ krèèg ik flink wè ötgekêerd. (Henriëtte Vunderink, verraoje boel, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'verassureren' - assureren, verzekeren
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERASSURÉEREN - verzekeren tegen brandschade, op het leven, enz.
    - WNT - VERASSUREEREN - als contaminatie met 'verzekeren'
  3. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

verastereere
  1. werkwoord

    verzekeren vernederlandsing door toevoeging van 'ver-' aan het Franse ' assurer' (verzekeren)

    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'dè verastereer ik oe'; 'ik verastereer oe dè ....'
    - Jaon van Harrie van de boere Bet, Nieuwe Tilburgse Courant, 2-2-1950 - Ik ben nog mar rond de veftig maar ik kan oe verassereren, dè 't lezen van toestanden van vruger me hil veul goed doe.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 09 11 - De meensen in Jerusalem / Heurde naauw pèrmeteren: "Hoe mot ik me op stel en sprong / Hòòger verastereren?
  2. voltooid deelwoord

    - Pierre van Beek - Als iemand tegen brand verzekerd is, heet hij "verastereerd" (assurantie). (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)
    - Cees Robben - Ik ben (...) goed verastereerd (19760514)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 08 25 - "Dè huis was twaalef duuzend wèrd, / Heb ik gekonsteteerd / Mar 't was wel vèf kere zò hòòg / Bij ons verassereerd."
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - bè wèffere braandastraasie zèède gè verasteraard? [sic]
    - Stadsnieuws - Teegen en kaoj schonmoeder kunde oewèège nie verassereere (081006)
    - kZèè hil goed verasterêerd./ As et himmòl in de fik gao,/ èn der strak dus niks mir stao,/ krèèg ik flink wè ötgekêerd. (Henriëtte Vunderink, verraoje boel, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'verassureren' - assureren, verzekeren
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERASSURÉEREN - verzekeren tegen brandschade, op het leven, enz.
    - WNT - VERASSUREEREN - als contaminatie met 'verzekeren'
  3. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

verballemonde
werkwoord

verwaarlozen, verslonzen, kapot maken Etymologie

- Hans Heestermans, Onze Taal, jaargang 1996 - Het is zoveel als wat gewestelijk ook wel wordt aangeduid met verrinneweren. Kapotmaken dus. Maar verbalemonden is sterker dan verrinneweren. Het heeft het aspect in zich van verwoesting en moedwilligheid. [...] De herkomst van verbalemonden [...] is interessant. Vanaf de Middeleeuwen tot in de 19de eeuw werd het gebruikt voor als voogd het goed van een onmondig kind verkwisten. Die betekenis laat al zien hoe het woord is gevormd. Het is opgebouwd uit ver-, zoals in verfransen, Frans worden, zich aanpassen aan de Franse levensstijl, en balmond of baalmond. Maar wat is een balmond? Dat is een slechte voogd. In een ver verleden bestond er een woord bal dat slecht betekende. Denk maar aan baldadig, een slechte daad doende, aan balorig, slecht willende horen en derhalve tegendraads, en aan balsturig, slecht te sturen en dus ongezeglijk. Het woord mond staat voor voogd. We zien het nog terug in het Duitse Vormund, dat ook voogd betekent.
- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ge moet oew nuuw fiets nie verballemonde
- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "hij ziet er zoo verbellemond uit - afgetakeld"
- A.J.A.C. van Delft - "Men mag goeie spullen niet verbellemonte." Dit is: Men mag goed huisraad of gereedschap niet verwaarlozen en er slordig mee omgaan. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
- Cees Robben - Heddum nie verbellemont... (19570119)
- WBD - III.3.1:209 'verballemonden', 'verkwisten, verbrassen, opmaken, vergooien' = verkwisten
- verballemónde - verballemóndde - verballemónd
- WBD - III.1.4:14 'verbalemonden' = veronachtzamen
- WBD - III.1.4.340 'verbalemonden' = het lelijk laten liggen
- WBD - III.1.4:372 verbalemonden' = verkeerd handelen
- WBD - III.4.4:319 'verbalemonden = vernielen
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - verbellemonte, verballemonde - laten vervallen, ruïneren
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'verballemònte' ww. - verwaarlozen, verslonzen
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERBALEMONDEN - kleederen of andere dingen schenden en bederven
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VERBAALMONDEN, voor veronachtzamen. Baalmond = slechte voogd.
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VERBELLEMONDEN (verbèllemonde) ov. ww - verwaarlozen.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'verbellemonden' - slecht beheren, verwaarlozen, verslonzen
verbaol
zelfstandig naamwoord

verbaal (proces-verbaal)

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - verbaol
- WBD - III.3.l:351 'verbaal' = proces-verbaal
verbaoze
werkwoord

verbazen

- WBD - III.1.4:292 'verbaasd' = stomverbaasd; ook 'verbouwereerd'
verbèllemonde
werkwoord

verwaarlozen, verslonzen, kapot maken Etymologie

- Hans Heestermans, Onze Taal, jaargang 1996 - Het is zoveel als wat gewestelijk ook wel wordt aangeduid met verrinneweren. Kapotmaken dus. Maar verbalemonden is sterker dan verrinneweren. Het heeft het aspect in zich van verwoesting en moedwilligheid. [...] De herkomst van verbalemonden [...] is interessant. Vanaf de Middeleeuwen tot in de 19de eeuw werd het gebruikt voor als voogd het goed van een onmondig kind verkwisten. Die betekenis laat al zien hoe het woord is gevormd. Het is opgebouwd uit ver-, zoals in verfransen, Frans worden, zich aanpassen aan de Franse levensstijl, en balmond of baalmond. Maar wat is een balmond? Dat is een slechte voogd. In een ver verleden bestond er een woord bal dat slecht betekende. Denk maar aan baldadig, een slechte daad doende, aan balorig, slecht willende horen en derhalve tegendraads, en aan balsturig, slecht te sturen en dus ongezeglijk. Het woord mond staat voor voogd. We zien het nog terug in het Duitse Vormund, dat ook voogd betekent.
- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ge moet oew nuuw fiets nie verballemonde
- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "hij ziet er zoo verbellemond uit - afgetakeld"
- A.J.A.C. van Delft - "Men mag goeie spullen niet verbellemonte." Dit is: Men mag goed huisraad of gereedschap niet verwaarlozen en er slordig mee omgaan. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
- Cees Robben - Heddum nie verbellemont... (19570119)
- WBD - III.3.1:209 'verballemonden', 'verkwisten, verbrassen, opmaken, vergooien' = verkwisten
- verballemónde - verballemóndde - verballemónd
- WBD - III.1.4:14 'verbalemonden' = veronachtzamen
- WBD - III.1.4.340 'verbalemonden' = het lelijk laten liggen
- WBD - III.1.4:372 verbalemonden' = verkeerd handelen
- WBD - III.4.4:319 'verbalemonden = vernielen
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - verbellemonte, verballemonde - laten vervallen, ruïneren
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'verballemònte' ww. - verwaarlozen, verslonzen
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERBALEMONDEN - kleederen of andere dingen schenden en bederven
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VERBAALMONDEN, voor veronachtzamen. Baalmond = slechte voogd.
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VERBELLEMONDEN (verbèllemonde) ov. ww - verwaarlozen.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'verbellemonden' - slecht beheren, verwaarlozen, verslonzen
verbèllemonte
werkwoord

verwaarlozen, verslonzen, kapot maken Etymologie

- Hans Heestermans, Onze Taal, jaargang 1996 - Het is zoveel als wat gewestelijk ook wel wordt aangeduid met verrinneweren. Kapotmaken dus. Maar verbalemonden is sterker dan verrinneweren. Het heeft het aspect in zich van verwoesting en moedwilligheid. [...] De herkomst van verbalemonden [...] is interessant. Vanaf de Middeleeuwen tot in de 19de eeuw werd het gebruikt voor als voogd het goed van een onmondig kind verkwisten. Die betekenis laat al zien hoe het woord is gevormd. Het is opgebouwd uit ver-, zoals in verfransen, Frans worden, zich aanpassen aan de Franse levensstijl, en balmond of baalmond. Maar wat is een balmond? Dat is een slechte voogd. In een ver verleden bestond er een woord bal dat slecht betekende. Denk maar aan baldadig, een slechte daad doende, aan balorig, slecht willende horen en derhalve tegendraads, en aan balsturig, slecht te sturen en dus ongezeglijk. Het woord mond staat voor voogd. We zien het nog terug in het Duitse Vormund, dat ook voogd betekent.
- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ge moet oew nuuw fiets nie verballemonde
- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "hij ziet er zoo verbellemond uit - afgetakeld"
- A.J.A.C. van Delft - "Men mag goeie spullen niet verbellemonte." Dit is: Men mag goed huisraad of gereedschap niet verwaarlozen en er slordig mee omgaan. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
- Cees Robben - Heddum nie verbellemont... (19570119)
- WBD - III.3.1:209 'verballemonden', 'verkwisten, verbrassen, opmaken, vergooien' = verkwisten
- verballemónde - verballemóndde - verballemónd
- WBD - III.1.4:14 'verbalemonden' = veronachtzamen
- WBD - III.1.4.340 'verbalemonden' = het lelijk laten liggen
- WBD - III.1.4:372 verbalemonden' = verkeerd handelen
- WBD - III.4.4:319 'verbalemonden = vernielen
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - verbellemonte, verballemonde - laten vervallen, ruïneren
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'verballemònte' ww. - verwaarlozen, verslonzen
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERBALEMONDEN - kleederen of andere dingen schenden en bederven
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VERBAALMONDEN, voor veronachtzamen. Baalmond = slechte voogd.
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VERBELLEMONDEN (verbèllemonde) ov. ww - verwaarlozen.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'verbellemonden' - slecht beheren, verwaarlozen, verslonzen
verbèrrege
werkwoord

verbergen

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vebèèrege'
- Dialectenquête 1887 Willems - verbèrrege - verbórg - verbörge
- Hij verbèèrgde ze. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
verbeure
werkwoord

verbeuren, verliezen

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - niks òn verbeurd, nen hôop trubbel in en klèèn költje (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - antwoord van een oud persoon wie op het gevaar voor zijn leven gewezen wordt
- WNT - VERBEUREN - 4) door eigen schuld iets waardevols, resp. het recht er op of het genot er van, rechtens verliezen.
verbieje
werkwoord

verbieden

- Dialectenquête 1887 Willems - verbieje - verbój - verbóje; ik verbie, gij verbiejt, hij verbiet
- WBD - III.1.4:338 'verbieden = ingrijpen; ook 'gebieden
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st.ww.tr. + intr. - verbieden
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERBIE(D)EN - 'het verbiedt' -het is af te keuren. Te veul eten verbiedt
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - verbieje ww - verbieden
verbilde
werkwoord

verbeelden, voorstellen

- Dialectenquête 1887 Willems - verbilde - verbildde - verbild
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - verbilde - ww - voorstellen
verbilding
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - verwaandheid
- Paul Spapens et al; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol (2004) - verwaandheid, inbeelding
verblèèf
zelfstandig naamwoord

verblijf

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERBLIJF znw.o. Gee(n) verblijf me(t) iet weten - geen blijf...
verblêeke
werkwoord

bleek worden vocaalkrimping - verblikt, verblikte, verblikt

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - verbleken
- WBD - III.4.4:316 'verbleken' = verschieten
- Cees Robben - Wè uitgeblekt.. verblikt en schraol (19590912)
verblikt
naam

verbleekt

- Cees Robben - verblikte bilde, hòst vergaon [ datum niet bekend]
verbòltje
  1. zelfstandig naamwoord

    verbaal (proces-verbaal)

    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - verbaol
    - WBD - III.3.l:351 'verbaal' = proces-verbaal
  2. zelfstandig naamwoord

    verbaaltje (klein proces-verbaal)

    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - verboltje
verbraande
werkwoord

verbranden

- WBD - verbranden (gezegd van brood)
verbrasse
  1. werkwoord

    verbrassen

    - WBD - III.3.1:209 'verbrassen', 'verkwisten, opmaken, vergooien, verballemonden' = verkwisten
  2. werkwoord

    verdaampe verdampen

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - et verdaamt - uit het cluster mpt wordt de p verzwegen.
verdeele
werkwoord

verdelen

- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verdilt
verdeesd
naam

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - oud geworden, achteruitgegaan [zonder etymologische verklaring]
verdeezeme

bastaardvloek een van de vele varianten op 'verdoeme'; vergelijk verdorie, verdikkeme, etc.

- We zullen verdezeme nie veur niks naor deez' nest zijn gekomen! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 27-1-1940 17-2-1940)
vèrders
bijwoord

verder

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - vèrders gin nuus - verder geen nieuws
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. - 'verders - verder
verdèstruueere
werkwoord

vernederlandsing door toevoeging van 'ver-' aan waarschijnlijk een Frans werkwoord; vergelijk: destructie, vernieling

- Frans Verbunt (1996) - verdèstrueerd - vernield
- WNT - VERDESTRUEEREN - onherstelbare schade toebrengen
verdiep
zelfstandig naamwoord

verdieping

- WBD - (III.2.1:74) verdiep, zolder
verdieping
zelfstandig naamwoord

verdieping

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - alles zit en verdieping te lêeg (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - gezegd van een vrouw met hangborsten en een hangbuik
verdiffendeere
werkwoord

verweren, verdedigen vernederlandsing door toevoeging van 'ver-' aan het Franse werkwoord 'défenser', verdedigen

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - ze kunnen der êge nie verdiffendère - zij kunnen zich niet verweren
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERDEFFENDÉEREN - verdedigen: z'n léven verdeffendéeren
- WNT - VERDIFFENDEEREN (I) - verdefendeeren - de op het object gerichte aanvallen door physiek verweer (trachten) af (te) slaan, af (te) weren; zich verweren tegen; het opnemen voor, opkomen voor
verdimd

bastaardvloek verdomme, verdomd, verdoemd

- Ik heb zoo'n verdimde taanpent... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; t Spook; Nieuwe Tilburgsche Courant 3-1-1940)
verdimmes
  1. bastaardvloek; verdommes; verdommen; verdoemen

    - Dè moet toch wel verdimmes schoon zijn! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; Nieuwe Tilburgsche Courant 10-12-1938)
  2. En et weeverke daocht: wè doe ik er mee,

verdoen
werkwoord

verdoen, verdi(n), verdaon onnodig verbruiken wederkerende vorm: zenèège verdoen = zich ophangen

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'ik ga m'n eigen verdoen!; 'm'n vrouw gaat zich verdoen'
- WBD - III.3.1.282 '(tijd) verdoen' = verbeuzelen
verdomd
bijwoord

vloekwoord, van 'verdoemd'

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 01 24 - / 't Waasse van m'n onderlèf / - Zee giest're óómen Dré - / Dè valt vur mèn mee hil die kaauw / Om de verdomd nie mee.
verdôove
werkwoord

verdoven verdôove, verdôofde - verdôofd; geen vocaalkrimping

verdouwe
werkwoord

verdouwen, verduwen; opeten, schransen

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit 't klokhuis van Brabant 9, 22-02-30 - Er waren tien worstenbrooikes de man gereserveerd mar omdè 't vrouwvolk er mistal zôveul nie lustte, zaag den braawer kaans er wel 'n stuk of vijftien te verdouwen.
verdrèève
werkwoord

verdrijven

- verdrèève - verdrêef - verdreeve
verdrêûgd
  1. naam

    - WBD - (van een koe) geleidelijk minder melk gevend
    - WBD - III.4.3:212 verdreuge - verwelken; ook genoemd: verslèbbere, verlèppe, verslènze, flèts wòre of wèg zèèn
    - WBD - III.2.3:159 'verdrogen' = rotten van appels
  2. naam

    verduldig geduldig e igenlijk geen dialect, maar in de gesproken taal langer in gebruik gebleven dan in de Standaardtaal

    - Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): we motten mar verduldig lijen.
verdwèène
werkwoord

verdwijnen verdwèène - verdwêen - verdweene in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verdwènt

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - verdwêne (ê van Frans tête)
verèèremoeje
werkwoord

in armoede geraken, verarmen, ergens moe van worden

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867) - t verèrremoeit en t is mar geleuter.
- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'omdè ze vererremoeien'
- Ons taol die gao verèèrremoeie/ heej Prins Claus list nòg gezeej. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et kiendje heej tòch enen èège naom)
- WBD - III.4.3:26 verèèrmoeje, c.q. wegkwijnen, niet tieren, niet aarden; voor het begrip 'niet gedijen'
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord 'verarmoed' - armoedig
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERARMOEIEN (met 'zijn') - in armoede vervallen;
- WNT - VERARMOEDEN
verèèze
  1. werkwoord

    verrijzen

    - verrèèze - verrêes - verreeze (geen vocaalkrimping)
  2. Sticker van een Tilburgse carnavalsvereniging. Maart 2019. Foto CuBra.

verèkkes
bijwoord

buitengewoon, buitensporig, vervloekt, heel erg; eigenlijk: te ver uitgerekt

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - ge mòkt verèkt veul foute!
- Cees Robben - t Was vurrekkes goed gaor... (19760820)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'verèkkes'
- Mar verèkkes hard zèùpe, dè wèl. Jè, dè kunne ze dan wir wèl, van mèn belastingsènte. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. 'verrekkens' - hevig, buitengewoon
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - deelwoord bijvoeglijk naamwoord verrekt, vervloekt, verwenst
verèkkesverèkkes
verèkt
bijwoord

buitengewoon, buitensporig, vervloekt, heel erg; eigenlijk: te ver uitgerekt

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - ge mòkt verèkt veul foute!
- Cees Robben - t Was vurrekkes goed gaor... (19760820)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'verèkkes'
- Mar verèkkes hard zèùpe, dè wèl. Jè, dè kunne ze dan wir wèl, van mèn belastingsènte. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. 'verrekkens' - hevig, buitengewoon
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - deelwoord bijvoeglijk naamwoord verrekt, vervloekt, verwenst
verèktverèkt
verèstert
bijwoord

- WTT 2016 Mogelijk een contaminatie van verhest (= voltooid deelwoord van verhessen) en verbijsterd. - A.J.A.C. van Delft - "'k Waar er verèstert van." Dit is: Ik was er van geschrokken. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
- WNT - Lemma Verhessen b. (Jag.) M. betr. t. wild: verontrusten en uit zijn jachtterrein verdrijven. Verhessen, weghetsen, verjagen
- HERMANS, Jagerswdb. [1947]. Als men te veel jaeght verhest men de hasen, Jachtbedr. 13 [1636]. Wanneer een weiman te veel uit jagen gaat, verhest hij de hazen, d.w.z. dat hij ze verontrust en uit zijn revier [jachtterrein] verdrijft, JANSSENS, Jagerstaal 28 [1977].
vergallietoeter
zelfstandig naamwoord

bespotting de etymologie is niet duidelijk bekend

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - raar persoon
vergaon
werkwoord

vergaan vergaon - verging - vergaon (geen vocaalkrimping)

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - aanders had hil de boel vergaon
vergèère
werkwoord

vergaren, verzamelen geen vocaalkrimping

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vergaore, vergêere - vergaren, verdienen
vergeete
werkwoord

vergeten vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij vergit

- Dialectenquête 1887 Willems - vergeete - vergaat - vergeete
- Dialectenquête 1887 Willems - ik hè dè vergeete = ik ben dat vergeten
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - '... vergit er t hemeltje nie'
vergeetmuts
zelfstandig naamwoord

vergeetachtig persoon

- WBD III.1.4:21 - 'vergeetmuts', 'vergeettante' = vergeetachtig persoon; ook 'lobbes', 'droel'
vergèrder
zelfstandig naamwoord

vergaarder, verzamelaar

- Cees Robben - [uitdrukking:] Nao unne vergerder komt unne verterder. (19840106)
- Pierre van Beek - (gezegde) irst ene vergèèrder, dan ne vertèèrder - wat een vader bijeengaart, draait de zoon erdoor. (Tilburgse Taaklplastiek 127)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vergêerder'
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERGÈÈRDER zelfstandig naamwoord mannelijk - vergaarder, iem. die geld vergaart, spaarzaam leeft.
vergiese
werkwoord

zich vergissen vergiese - vergieste - vergiest

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vergissen
vergimd
  1. bijwoord

    bestaardvloeken; van vergeven, vergeef me; zwakker dan verdimme 1. vergimd

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), Den jongen dokter, feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 22-4-1939 8-5-1939 - ...want over die dinger is et zoo vergimd moeilijk praote... - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd) De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 8; Nieuwe Tilburgsche Courant 19-11-1938 - "Dè vergimd vrouwvolk ook!
    - Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 25 mei 1945 - Vergimd nog toe, des innen lilleken blunder
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 05 21 - Ge hèt r schòòne boeken bij / Mar ok vergimde slèchte. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 09 03 - dieje vergimden aop...
  2. 2. vergimme

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit t klokhuis van Brabant 3, 23-10-1929 - vergimme wè was 't er toch schoon!
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek , uit: Uit 't Klokhuis van Brabant, Nwe. Tilb. Courant 1929 - Hij was zô kwaod as 't aachterste end van den duvel. Vergimme wè sakkerde-n-ie: hij was mee ginnen riek mir te voeieren!
    - Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945 - 't Lekt vergimme wel of detter utspres om gedaon wordt!
    - Cees Robben - Vergimme wè hokkem geknepen..! (19601202)
  3. bijwoord

    3. vergimmes(e)

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; Nieuwe Tilburgsche Courant 17-12-1938 - ...die hee vergimmes schoon gezongen, heel schoon! - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929 - "Jè, jè, haaw d'oe eigen mar nie zô onneuzel, ge wit vergimmes goed, wè'k bedoel aanders za'k 't oe nog wel 'ns vertellen!" schetterde ze. - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit 't klokhuis van Brabant 4, 2-11-1929 - Nè, hurre, hij kan 't vergimmes goed. - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit 't klokhuis van Brabant 1, 9-10-1929 - ' t Mot dan ôk gezee worren dè'k 't er vergimmesch goed hô afgebrocht. - Cees Robben - Mar t doe wel vergimmes zeer... (19710820) - Cees Robben - Vergimmese jong... (19720114) - Cees Robben - Desse al n vergimmes end op scheut was... (19850628)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 03 07 - "Wè kompjoeters ammol kunne / Is toch wel vergimmes stèrk
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vergimmes, vergimd' bw - uitzonderlijk bijzonder
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Hè deej ut vergimmes goet' - Hij deed het bijzonder goed.
vergimme
  1. bijwoord

    bestaardvloeken; van vergeven, vergeef me; zwakker dan verdimme 1. vergimd

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), Den jongen dokter, feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 22-4-1939 8-5-1939 - ...want over die dinger is et zoo vergimd moeilijk praote... - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd) De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 8; Nieuwe Tilburgsche Courant 19-11-1938 - "Dè vergimd vrouwvolk ook!
    - Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 25 mei 1945 - Vergimd nog toe, des innen lilleken blunder
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 05 21 - Ge hèt r schòòne boeken bij / Mar ok vergimde slèchte. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 09 03 - dieje vergimden aop...
  2. 2. vergimme

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit t klokhuis van Brabant 3, 23-10-1929 - vergimme wè was 't er toch schoon!
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek , uit: Uit 't Klokhuis van Brabant, Nwe. Tilb. Courant 1929 - Hij was zô kwaod as 't aachterste end van den duvel. Vergimme wè sakkerde-n-ie: hij was mee ginnen riek mir te voeieren!
    - Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945 - 't Lekt vergimme wel of detter utspres om gedaon wordt!
    - Cees Robben - Vergimme wè hokkem geknepen..! (19601202)
  3. bijwoord

    3. vergimmes(e)

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; Nieuwe Tilburgsche Courant 17-12-1938 - ...die hee vergimmes schoon gezongen, heel schoon! - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929 - "Jè, jè, haaw d'oe eigen mar nie zô onneuzel, ge wit vergimmes goed, wè'k bedoel aanders za'k 't oe nog wel 'ns vertellen!" schetterde ze. - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit 't klokhuis van Brabant 4, 2-11-1929 - Nè, hurre, hij kan 't vergimmes goed. - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit 't klokhuis van Brabant 1, 9-10-1929 - ' t Mot dan ôk gezee worren dè'k 't er vergimmesch goed hô afgebrocht. - Cees Robben - Mar t doe wel vergimmes zeer... (19710820) - Cees Robben - Vergimmese jong... (19720114) - Cees Robben - Desse al n vergimmes end op scheut was... (19850628)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 03 07 - "Wè kompjoeters ammol kunne / Is toch wel vergimmes stèrk
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vergimmes, vergimd' bw - uitzonderlijk bijzonder
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Hè deej ut vergimmes goet' - Hij deed het bijzonder goed.
vergimmes
  1. bijwoord

    bestaardvloeken; van vergeven, vergeef me; zwakker dan verdimme 1. vergimd

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), Den jongen dokter, feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 22-4-1939 8-5-1939 - ...want over die dinger is et zoo vergimd moeilijk praote... - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd) De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 8; Nieuwe Tilburgsche Courant 19-11-1938 - "Dè vergimd vrouwvolk ook!
    - Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 25 mei 1945 - Vergimd nog toe, des innen lilleken blunder
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 05 21 - Ge hèt r schòòne boeken bij / Mar ok vergimde slèchte. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 09 03 - dieje vergimden aop...
  2. 2. vergimme

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit t klokhuis van Brabant 3, 23-10-1929 - vergimme wè was 't er toch schoon!
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek , uit: Uit 't Klokhuis van Brabant, Nwe. Tilb. Courant 1929 - Hij was zô kwaod as 't aachterste end van den duvel. Vergimme wè sakkerde-n-ie: hij was mee ginnen riek mir te voeieren!
    - Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945 - 't Lekt vergimme wel of detter utspres om gedaon wordt!
    - Cees Robben - Vergimme wè hokkem geknepen..! (19601202)
  3. bijwoord

    3. vergimmes(e)

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; Nieuwe Tilburgsche Courant 17-12-1938 - ...die hee vergimmes schoon gezongen, heel schoon! - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929 - "Jè, jè, haaw d'oe eigen mar nie zô onneuzel, ge wit vergimmes goed, wè'k bedoel aanders za'k 't oe nog wel 'ns vertellen!" schetterde ze. - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit 't klokhuis van Brabant 4, 2-11-1929 - Nè, hurre, hij kan 't vergimmes goed. - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit 't klokhuis van Brabant 1, 9-10-1929 - ' t Mot dan ôk gezee worren dè'k 't er vergimmesch goed hô afgebrocht. - Cees Robben - Mar t doe wel vergimmes zeer... (19710820) - Cees Robben - Vergimmese jong... (19720114) - Cees Robben - Desse al n vergimmes end op scheut was... (19850628)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 03 07 - "Wè kompjoeters ammol kunne / Is toch wel vergimmes stèrk
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vergimmes, vergimd' bw - uitzonderlijk bijzonder
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Hè deej ut vergimmes goet' - Hij deed het bijzonder goed.
vergoeje
werkwoord

vergoeden korte oe

- Dialectenquête 1887 Willems - vergoeje - vergoejde - vergoejd; ik vergoej, gij/hij vergoejt
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERGOEIEN (ook: vergoien, vergoeien, verguien) - In het kaartspel: een kaart uitspelen of bijsmijten, die men niet zou mogen spelen hebben, omdat zij de tegenpartij ten goede komt.
vergôoje
werkwoord

vergooien

- WBD - vergooje, verwerpen (abortus), uitdrijven van de vrucht voordat de normale draagtijd verstreken is; ook genoemd 'wèggooje'
- WBD - III.3.1:209 'vergooien', 'verkwisten, verbrassen, opmaken, verballemonden' (= verkwisten)
vergrôote
werkwoord

vergroten in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij vergrot

- Dialectenquête 1887 Willems - vergrôote - vergrotte - vergrot - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERGROOTEN, met 'zijn - grooter worden.
verhaol
zelfstandig naamwoord

verhaal

- WBD - III.3.1:250 'verhaal' = verhaal
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. 'verhaal' - ruimte, speling; (bijv.: tussen de eerste en de laatste mis op zondag)
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERHAAL znw.o., geen mrv. - ruimte, spel, plaats, waarin iets moet bewegen of draaien; grijp, vat: verhaal hebben op iemand.
verhèstering
zelfstandig naamwoord

- WNT - Inz. in aansl. bij verhaasten, 1 en 2): het zich (te veel) haasten, (te) groote haast of snelheid; overhaasting. Het zich te veel haasten; overijling, vandaar: gejaagdheid, verwarring, inz. m. betr. menschelijk handelen.
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - in de verhèstering iets doen (Daamen 1916) - in de schrik, uit onrust iets doen (verhessen = verontrusten, opjagen)
- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "ik vergaat et in de verhèstering - in den schrik, in de verbijstering"
verhèùze
werkwoord

verhuizen geen vocaalkrimping

- A.J.A.C. van Delft - "Verhuizen kost bedstroo." Dit is: Verhuizen brengt steeds kosten mee. Hetzelfde wordt uitgedrukt door te zeggen: "Driemaal verhuisd is eens afgebrand." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
- Pierre van Beek - Verhuizen kost bedstrooi. - Verhuizen brengt meestal vele ongedachte kosten mede. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)
- Pierre van Beek - Driemaal verhuisd is eens afgebrand. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)
verhòltje
  1. zelfstandig naamwoord

    verhaal

    - WBD - III.3.1:250 'verhaal' = verhaal
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. 'verhaal' - ruimte, speling; (bijv.: tussen de eerste en de laatste mis op zondag)
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERHAAL znw.o., geen mrv. - ruimte, spel, plaats, waarin iets moet bewegen of draaien; grijp, vat: verhaal hebben op iemand.
  2. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - verhaaltje
    - WBD - III.3.1:252 'verhaaltje' = sprookje
verhonskonte
werkwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - verslonzen, verwaarlozen, geen interesse hebben voor
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'verhòndskònte' ww - iets in de hond laten lopen, verwaarlozen
- WNT - VERHONDSCHEN - 1) verachten; 2) bederven, onbruikbaar maken
verinneweere
werkwoord

vernederlandsing door toevoeging van 'ver-' aan het Franse werkwoord 'ru ïner', kapotmaken; mogelijk ook contaminatie van 'verwoesten' en 'ruïneren'

- Van Dale - VERRINNEWEREN (volkstaal, contaminatie van vernielen en rinneweren, een verbastering van ruïneren), vernielen
- WNT - lemma VERINNEWEEREN en verruïneeren - bedr. zw. ww. Van ruïneeren met ver- (V). Vnl. in dial. en dan in verbasterden vorm aangetroffen, waarbij wisseling van de n /w optreedt en de u vrijwel door alle vocalen kan worden vervangen: veranneweeren, vere(n)neweeren, verinneweeren, verieneweeren, verhenneweeren, veringeneeren, veronneweeren, verunneweeren.
- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - verrinneweerd
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd) 'Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940 - Hij keek 'ns naor de groote boone, die lillijk verinneweerd waren...
- Cees Robben - Ge verinneweeret... Willem (19561208) - Cees Robben - Zwaor verinneweert ... (19570119) - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 11 22 - Toen ik nog ne klène snotneus was / Zee 's moeder duuzend keren: / "Zeg menneke, gij meugt hier nie / de boel verrinneweren."
- Stadsnieuws - Die haogelbui heej hil mene tèùn verrinneweerd (240609)
- Tony Ansems, Gewoon mijn èège zijn; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009 - Mee een hart det gij flink verinneweert het...
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
- WBD - III.1.4:339 'verruïneren' = verbruien
- WBD - III.4.4:319 'verrinneweren' = vernielen
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - verrinneweere ww - vernielen, beschadigen
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VERRINUEREN ov. ww - ruïneren, vernielen, verwaarlozen.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. - verruïneren, vernielen, stukmaken
- Leo Goemans, Leuvens taaleigen (1936) - VERRUÏNEEREN - Frans: ruiner
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERRENNEWEEREN- ten onder brengen, arm maken; Frans ruiner
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RENNUEEREN, WENNEWEEREN (zachte e) - ruineeren, in den grond helpen
verjòrdag
zelfstandig naamwoord

verjaardag

- Grôot diktee van de Tilburgse taol 2006 - der wier veul gezonge bij brölòften èn verjòrdaoge
verkaansie
zelfstandig naamwoord

vakantie

- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
vèrke
  1. zelfstandig naamwoord

    veer, veertje

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vêre - veren (ê als in Frans même)
    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ene paauw heej schoon vèère.
  2. Uitdrukkingen

    - Cees Robben - Die gin veer van dr lippen kos blaoze... (19580201) [Die straatarm was.]
    - Hessels 2020 - Op ziekenbezoek geweest en het gaat nog niet zo best met de patiënt: - hij kos nòg gin vèèr van zen lippe blaoze! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
  3. Aanvullende bronnen

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEER en VÈÈR znw.v. - veder, pluim
  4. zelfstandig naamwoord

    veertje

    - A.J.A.C. van Delft - De duivenliefhebbers, waarvan er onze stad velen telt, zeggen "Geen vèrke thuis te hebben" om aan te duiden, dat alle duiven meevliegen in wedstrijden. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
    - Frans Verbunt (1996) - gin vèrke tèùs hèbbe (er is nog geen duif op de klep gevallen)
    - Cees Robben - Na blaosik al wir n vèrke/ Mee veul lef de wèèreld in/ Dè wil zeggen det me goed gao (19731231)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - veertje
    vèrkevèrke
verkeerd

zegswijze verkeerd geboren zijn, gezegd van meisjes die zich als een jongen gedragen Ons moeder heej aatij gezeej: Gij bènt en kwòjonge! Gij zèèt verkeerd geboore! zisse dan! [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

verkèt
zelfstandig naamwoord

vork

- WTT 2019 - Algemeen wordt aangenomen dat het woord de verbastering is van het Franse 'fourchette', de verkleinde vorm van 'fourche', een riek of ander steekwerktuig met twee tanden, dat op zijn beurt weer is afgeleid van het Latijnse furca . Dat is niet onjuist maar het kan beter. Op gezag van professor Weijnen schrijft Cor Swanenberg in Levende aandacht (1993): ' Overigens moet ik [...] melden dat professor Weijnen mij ooit op de vingers tikte toen ik beweerde dat 'verkèt' van het Franse fourchette kwam. Hij leerde ons dat de vorm fursjet van het Franse fourchette komt dat teruggaat op een verkleiningsvorm van het Latijnse furca . Die Latijnse ‑k‑ wordt in het grootste deel van de Franse dialecten ‑sj‑ maar blijft in Picardië ‑k‑. Dus is, om het zuiver te stellen, verkèt een leenwoord uit het Picardisch en is het niet geheel juist te zeggen dat fourchette aan verkèt ten grondslag ligt. Dit gaat wel op voor het eveneens (ook rond Tilburg) voorkomende dialectwoord fursjet .) Uit: Cor Swanenberg, Levende Aandacht, opstellen voor Cornelis Verhoeven (1993).
- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "vurket - vork"
- A.J.A.C. van Delft - "Vat is 'ne verkèt om te vuulen of de èrepels gaor zèn." Dit is: Neem eens een vork om te voelen of de aardappels gaar zijn. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
- Pierre van Beek Nu we toch over Frans gesproken hebben, schiet ons nog een aardig woord te binnen, dat men boven de Moerdijk wel niet zal kennen, namelijk "verket". Het is afkomstig van het Franse woord "fourchette", dat o.a. "vork" (om mee te eten) betekent, in welke zin het dan ook in Tilburg gebruikt wordt. (Tilburgse taalplastiek 12 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 25 april 1950)
- Pierre van Beek - "Gif me ies unne verket". - Geef mij eens een vork (van het Franse fourchet [sic, RED.]). (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)
- Cees Robben - Legt oew mis en oew verket/ op oew bordje... (19611221)
- Hier ist deftig Lewieke, ge it hier mee un mis en unne vekèt, en nie mee oe tien geboije... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)
- Piet van Beers Wèèkkraantfist: Mar....alles wè ik kreeg vurgezet, aat ik meej ene leepel, en mis, of ene verkèt. (Het zeventiende boekje, 2010)
- Iets dè waar blève hangen öt de tèèd dè de Fraanse et hier veur et zeggen han, denk ik, net as desse enne vörk verket noemden. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Èmme kreege sondaags ok dikkels Soupe à la giestèèr. In goei Tilbörgs: Soep van giestere. Meej dikke fèrmesèllie. Die soep konde eete meej ene verkèt. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009) - ...ok de Fraanse keuke waar toen in Tilburg hêel gewôon, al wast mar dètter op èlleke tòffel unne verkèt laag. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - verkèt èn leepel slaope (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) variant: vieren-virtege: figuur waarin twee mensen in bed kunnen liggen - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - verkèt zelfstandig naamwoord - tafelvork
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VORKET (verkét) m - vork om te eten; uit Frans: fourchette, maar (onder invloed van 'lepel?) mannelijk. Ook wel: ket.
- WNT - VORKET, verket, forket, ferket; vorchet, versjet, forsjèt, fersjèt, fesèt
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - FORKET is hier zeer gemeen eene etensvork.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord mannelijk 'verket' - eetvork
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - FORKET znw.o. + mannelijk (soms v.) - tafelvork, Frans: fourchette; VERKET znw.o (klemtoon op ket) - tafelvork
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - verket, vringket, frienket, ket - vork
- WBD - III.2.1:58 'vorket'
verklaore
werkwoord

verklaren

- Dialectenquête 1887 Willems - verklaore - verklaorde verklaord (geen vocaalkrimping)
verklèène
werkwoord

verkleinen vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij verklènt

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - verklêne (ê = Frans même)
verkoevereere
werkwoord

opknappen na ziekte, herstellen

- P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk: uit het Oudfranse 'recouvrer'; al in Middelnederlands 'vercoevereren' (1339) van co(e)vereren [herwinnen]
- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Hij is aardig gekoevereerd (of: verkoevereerd)
- Er beter op geworden, vooruitgegaan (vooral in zaken). (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)
- Cees Robben - Goed verkoevereerd (19570706)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - promotie maken, vooruitgaan (Fr. recouvrir)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Wè heur-k, zèè de verkoevereerd?'
- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - opknappen van een ziekte, herstellen
- WBD - III.4.4:323 'verkoevereren' = vorderen
- Stadsnieuws - verkoevereere: Et gao zuutjesaon, mar hij verkoevereert tòch. (110707)
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - verkoevereere ww - erop vooruitgaan
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - verkeuveren, verkoeveren - van een ziekte herstellen
- WNT - VERKOEVEREEREN - l) zich herstellen van; 2) terugkrijgen,terugwinnen; 3) verkrijgen, verwerven; 4) er op vooruitgaan
vèrkôop
zelfstandig naamwoord

verkoop

- WBD - III.3.1:97 'verkoping' = veiling, ook 'vendu'
- WBD - III.3.1:97 'verkoping' = openbare verkoop
- WBD - III.3.1:98 'verkoping' = koopdag
verkôope
werkwoord

verkopen verkôope - verkòcht - verkòcht in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verkopt

verkwaansele
werkwoord

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, Iets kwansuis verkwaansele (11-02-1965)
verkwèène
werkwoord

- WNT lemma verkwijnen - Geleidelijk verzwakken of minder worden, en tenslotte vergaan; kwijnend ten onder gaan; langzamerhand achteruitgaan, kracht verliezen, zwakker worden, en uiteindelijk te gronde gaan.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - wegkwijnen
- Cees Robben - daor leej unne dag te verkwèènen... (19561222)
- WNT - VERKWIJNEN - geleidelijk verzwakken...
verleeje
  1. zelfstandig naamwoord

    het verleden

    - Cees Robben - Un zonnig verleje... (19570706)
  2. naam

    bijvoeglijk naamwoord verleden

verlèt
zelfstandig naamwoord

behoefte, gebrek

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - verlèt hèbbe nòr iets - erom verlegen zijn, er gebrek aan hebben
- Cees Robben - Wer hebben er dn hillen vurrige ôôrlog verlet naor gehad... (19561110) - Cees Robben - Aleen mar verlet naor ennige stessel-kiesjes... (19720414)
- Piet van Beers Den haon sprikt: DEN HAON SPRIKT:/ Gullie wit wèl, biste mèède/ Dèt al gaaw wir Paose wort./ Ik hèb verlèt nòr grôote aaier./ Klèntjes koom ik nie te kort. (Spoeje doemmeniemer; 2009)
- Stadsnieuws - Daor hèmme naa al enen hille tèèd verlèt nòr gehad [gemist] (210310)
- WBD - III.3.1:210 'verlet hebben', 'missen, ontberen, derven, armoede lijden / hebben, te kort komen' = ontberen
- WNT - XX I 824 - 5) (Gewest. in Nederl.) Behoefte; gebrek
verlieze
werkwoord

verliezen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 40) verlorde/ verloorde (wel of niet vocaalkrimping)
- Dialectenquête 1887 Willems - verlieze - verloor verloore; ik verlies, gij/hij verliest
- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - verlore - verloren - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'k zèè de hèlft ervan verloore
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - verlieze ww - verliezen; 'k Hè veul om 'm verloore
verloofd

bij woord verloofd

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as ze verloofd zèn, koome ze op zen zondags; as ze getrouwd zèn, koome ze op zen daogs (82)
verlôope
naam

- WBD - niet bevrucht bij de dekking (gezegd van een koe; ook 'leeg', 'leejg'
- WBD - III.2.2:5 'verlopen' = een miskraam krijgen
verlòsser
zelfstandig naamwoord

verlosser

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ik bèn de verlosser, mar gij bént de zaolegmaoker nie (JM'50) - Als een boer met zijn koe lange tijd op de markt had gestaan en er eindelijk een aspirant-koper kwam, dan werd dit tegen elkaar gezegd.
verlut
zelfstandig naamwoord

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - tis en verlut ('76) - gezegd van een vogeltje dat niet meer doorgaat met broeden, nadat de eitjes door jongens zijn weggehaald en teruggelegd. (Verlut = verlaat = ophouden) vgl. 'Hij is verlut' = een geregelde bezoeker die plotseling wegblijft, omdat hij zich niet meer thuisvoelt bij de mensen waar hij vroeger graag kwam.
- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "ze zen gelaik verlut hier (ze komen in het geheel niet meer)"
- Cees Robben - Toen wees ie me n nisje aon/ en zeej dè is verlut... / As ik die jong te pakken krèèg../ O wee as ik ze snut... (19600708)
- Dialectenquête 1887 Willems - 'verletten'
vermaajd
naam

van 'made'

- WBD - III.2.3:160 'vermaaid' = wormstekig, ook 'verwormd', 'aangestoken'
vermaok
zelfstandig naamwoord

vermaak

- WBD - III.1.4:188 'vermaak' = idem
vermaoke
werkwoord

vermaken

- WBD - vermaoke (II:1243) - vermaken
vermaone
werkwoord

vermanen vermaone - vermònde - vermònd ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij vermònt

vermije
werkwoord

vermijden

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - vermèje - vermeej - vermeeje
vermoore
  1. werkwoord

    vermoorden

    - Dialectenquête 1887 Willems - vermoore - vermoorde - vermoord
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERMOOR(D)EN - zie wdbb.; bederven, schenden, sterk beschadigen; verspillen, verkwisten; doorbrengen (van tijd).
  2. VERMOOREN - vermoorden

verneepe
naam

klein van omvang

- WBD - III.2.3:163 'vernepen' = onvolgroeid (vrucht); ook 'benepen', 'kriel', 'onrijp', 'groen'
- WNT - VERNEPEN, als bijvoeglijk naamwoord gebr. verl. deelw. van 'vernijpen'. In de jongere aanh. haast uitsluitend in vl.-belg. bronnen. 1) klein van omvang (ook van personen); 2) benauwd.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord vernepen onvolgroeid
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERNEPEN bijvoeglijk naamwoord /bw geprangd, beklemd; in zijn groei verhinderd, onvolkomen; vernepen fruit; klein, eng
verneuke
werkwoord

belazeren, bedotten, beetnemen verneuke - vernukte - vernukt, met vocaalkrimping; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij vernukt

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge vernukt em nòg vur ginne cènt (Alg. Brab. '87) - je krijgt geen kans om hem te bedriegen
- Frans Verbunt (1996) - ge zèèt ermee vernukt as en dörp meej ene zòtte pestoor
- WBD - III.1.4:412 'verneuken' = bedriegen
- WBD - III.1.4.411 'verneuken' = foppen
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'vernuiken' - verneuken, bedriegen, bedotten, foppen; Dien regen hëe ons verneukt - gehinderd, benadeeld, 'gekuld'
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERNEUKEN - verbrodden, bederven, doen mislukken: Gij hèt t spel verneukt. De zaak is verneukt.; hinderen, benadeelen.
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - verneujke ww - voor de gek houden
- WNT - VERNEUKEN - l) bedriegen, beetnemen; 2) stuk maken, bederven,verknoeien.
vernukt
werkwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - verneukt, bedondert, belazert [sic]
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Ge vernukt de klööt' - Je belazert de boel
- Frans Verbunt (1996) - ge zèèt ermeej vernukt as en dörp meej ene zòtte pestoor
vernuuwe
werkwoord

vernieuwen korte uu

- WBD - III.4.4:315 'vernieuwen' = veranderen
- Dialectenquête 1887 Willems - vernuuwe - vernuuwde - vernuuwd
verongelukke
werkwoord

onopzettelijk iets beschadigen, breken, kapotmaken

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - èn as ge dan en tas verongelukte òf ge verongelukt en mès òf ge verongelukt oewe vörrek òf oewe leepel dan koste nòg betaolen ôok!!! [heeft betrekking op dienstplichtige militairen die de schade aan hun uitrusting zelf moesten vergoeden]
veròrdeneere
  1. werkwoord

    uit Frans: 'ordonner'; opdracht geven, bepalen, voorschrijven, bevelen uitdelen

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - gij hèt hier niks te veròrdeneere, gij!
    - G. Steijns, Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005 - gge in Tilbörg zègt dègge goed roms zèèt, dan kan dè tweej dinger betêekene. Teegesworreg mènde dan mistentèèds dègge en goej scheut rôome in oew tas kòffie lust. Mar hil wèèneg meense zulle daormeej naa nòg bedoele dèsse persies doen wè de paus van Rôome höllie veròrdeneert.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007 - Wanneer ze dan töskwaam, waar asset goed waar, alles klaor zôo zij et verordonneerd ha.
  2. Pierre van Beek typoscript Archief Pierre van Beek

verrapzakke
werkwoord

verhapzakken, meepikken, verhapsukken

- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek 46 - 31-12-1965 - Ik kom eens kijken of er "niks te verhapsnappen valt" zegt men in Tilburg en het betekent eens komen kijken of er niets "te halen" of "mee te pikken" valt. Men kan dit werkwoord ook in enige varianten horen zoals "verrapzakken" en "verhapzakken". Het is uiteraard verwant met het Algemeen Beschaafd Nederlands "verhapstukken". Dit betekent: een karweitje doen, of: een klusje opknappen. In zijn oorsprong is het werkwoord afkomstig uit het schoenmakersvak en was dan: verhakstukken. In het Middelnederlands kennen wij het woord "hap" en het werkwoord "happeren" in de betekenis van: roven, wegnemen. "Zakken" is afkomstig van het Middelnederlands "versaeken" dat betekent: iets niet volgens de regels doen of iets onwettigs doen. Hierin ligt dan ongetwijfeld ook wel de verklaring van de bij het kaartspel gebruikte term: saken, versaken en sokken. Dit betekent: niet "bijbekennen" (ook nog zo'n mooie term!), wat wil zeggen: een andere kaart op tafel gooien dan de regel van het spel vereist, terwijl men toch de gevraagde kleur wel in de hand heeft. Als het spel vlug gaat, kan dat "in een hapsnap" gebeurd zijn. We hebben hier te maken met een combinatie van "happen en snappen" In een hapsnap betekent iets vlug doen met niet al te veel zorg of nauwkeurigheid. - Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek 183 - 24-11-1973)1973 - "Hier valt niks te verhapstukken", zei een Tilburger om aan te geven, dat er geen karweitje viel op te knappen. De uitdrukking stamt uit het schoenmakersvak en was oorspronkelijk verhakstukken, d.i. - naar we aannemen - nieuwe hakken onder de schoenen zetten. Daarnaast kennen we ook het in enige variaties voorkomende woord "verhapsnappen", waarvoor men ook wel hoort: "verrapzakken" en "verhapzakken". Ze betekenen alle drie: meepikken. Het "hap" is afkomstig van 't werkwoord: "happen" of "happeren". Dat is: wegnemen, roven of kapen. Zakken is Middelnederlands en komt van "versaecken", iets niet doen zoals het behoort, iets niet volgens de regels of onwettig doen. Dan hebben we nog ons "hapsnap". Men kan bv. iets "in een hapsnap" doen. Het komt overeen met iets overhaastig doen. Dus in een vloek en een zucht, zodat het "in een hapsnap gebeurd is". De combinatie van "hap" en "snap" betekent eigenlijk: direct reageren.
vèrreg
  1. naam

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vaardig
    - WNT - VAARDIG, veerdig; gewestelijk komen ook vormen voor met synkope van de d
  2. bijwoord

    vaardig, gereed, klaar

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd) Kareltje Vinken, feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940 - Toen ie daormee verrig waar...
    - Piet Heerkens, uit Vertesselkes, De deur van de kerk van Baokel, 1944 -
  3. Toen Baokel in de Peel nog lang geen "Baokel" hiette, en d'eerste kerk in 't dörp al op begos te schieten,

    - Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De köster van Baokel, 1944)
  4. naam

    "Wel gatjevergimme, die kraai krijgt et verrig,

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vèèreg, vèèrdeg'
    - WBD - III.1.4:318 'vaardig' = gereed
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - 'verrig', 'verdig' - klaar, gereed
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEÈRDIG - hetz. als Holl. vaardig. VEÈRDIG bvw. - gereed (z-o der Kemp.). Zijde vèrrig?
vèrreghèd
zelfstandig naamwoord

vaardigheid, bedrevenheid

vèrrekèèker
zelfstandig naamwoord

verrekijker Figuurlijk gebruik

- Hessels 2020 - Bij een gebeurtenis voordat je geboren was: - toen zaate gij nòg in de vèrrekèèker! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
vèrreve
  1. werkwoord

    verven

    - Dialectenquête 1887 Willems - vèrreve vèrrefde gevèrrefd; ik vèrref
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - verven, opmaken, schminken
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Wè-s se tòch wit gevèèrefd!
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. + intr. verven 1) schilderen, 2) hetzelfde als 'blauwverven'
  2. Het zogenaamde stukverven - foto uit: Jan Commandeur e.a., Ge waart mar arbeider ; 1981

vèrrig
  1. bijwoord

    vaardig, gereed, klaar

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd) Kareltje Vinken, feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940 - Toen ie daormee verrig waar...
    - Piet Heerkens, uit Vertesselkes, De deur van de kerk van Baokel, 1944 -
  2. Toen Baokel in de Peel nog lang geen "Baokel" hiette, en d'eerste kerk in 't dörp al op begos te schieten,

    - Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De köster van Baokel, 1944)
  3. naam

    "Wel gatjevergimme, die kraai krijgt et verrig,

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vèèreg, vèèrdeg'
    - WBD - III.1.4:318 'vaardig' = gereed
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - 'verrig', 'verdig' - klaar, gereed
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEÈRDIG - hetz. als Holl. vaardig. VEÈRDIG bvw. - gereed (z-o der Kemp.). Zijde vèrrig?
verrinneweere
werkwoord

vernederlandsing door toevoeging van 'ver-' aan het Franse werkwoord 'ru ïner', kapotmaken; mogelijk ook contaminatie van 'verwoesten' en 'ruïneren'

- Van Dale - VERRINNEWEREN (volkstaal, contaminatie van vernielen en rinneweren, een verbastering van ruïneren), vernielen
- WNT - lemma VERINNEWEEREN en verruïneeren - bedr. zw. ww. Van ruïneeren met ver- (V). Vnl. in dial. en dan in verbasterden vorm aangetroffen, waarbij wisseling van de n /w optreedt en de u vrijwel door alle vocalen kan worden vervangen: veranneweeren, vere(n)neweeren, verinneweeren, verieneweeren, verhenneweeren, veringeneeren, veronneweeren, verunneweeren.
- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - verrinneweerd
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd) 'Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940 - Hij keek 'ns naor de groote boone, die lillijk verinneweerd waren...
- Cees Robben - Ge verinneweeret... Willem (19561208) - Cees Robben - Zwaor verinneweert ... (19570119) - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 11 22 - Toen ik nog ne klène snotneus was / Zee 's moeder duuzend keren: / "Zeg menneke, gij meugt hier nie / de boel verrinneweren."
- Stadsnieuws - Die haogelbui heej hil mene tèùn verrinneweerd (240609)
- Tony Ansems, Gewoon mijn èège zijn; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009 - Mee een hart det gij flink verinneweert het...
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
- WBD - III.1.4:339 'verruïneren' = verbruien
- WBD - III.4.4:319 'verrinneweren' = vernielen
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - verrinneweere ww - vernielen, beschadigen
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VERRINUEREN ov. ww - ruïneren, vernielen, verwaarlozen.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. - verruïneren, vernielen, stukmaken
- Leo Goemans, Leuvens taaleigen (1936) - VERRUÏNEEREN - Frans: ruiner
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERRENNEWEEREN- ten onder brengen, arm maken; Frans ruiner
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RENNUEEREN, WENNEWEEREN (zachte e) - ruineeren, in den grond helpen
versaoke
  1. werkwoord

    verzaken, 'saoke'

    - Dialectenquête 1887 Willems - versaoke - versòkte - versòkt
  2. ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimpings gij/hij versòkt

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'verzaoke'
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSAKEN - hetz. als 'verzaken', Frans renier. In 't kaartspel! niet volgen als men kan; eene kaart achterhouden.
verschaaje
  1. zelfstandig naamwoord

    het verscheiden, het overlijden

    - Cees Robben - Gij wilt nò oew verschaaje zeeker ópgestókt wòrre [datum onbekend]
    - Cees Robben - naa wil ie nòg vur et verschaaje en bòrd möllekepap [datum onbekend]
  2. 2. bijvoeglijk naamwoord verscheidene, verschillende

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Der wiere verschaaje febrieke gebouwd
    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - verschaaje = diverse; 'verschaaiene'; 'verschaaije weken'
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939 - Verschaaiene keeren laas ie dè-d-over en verschaaiene zuchten liet ie deur de kaomer gaon.
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), in Groot Tilburg 1941 - verschaaie keere hèk oe verteld hoe schon dèt hier is...
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont) in Groot Tilburg 1941 - Hij kwaamp zelvers op zn prikstuultje, en zoo treffend schoon en zó eenvoudig, sprook ie mee zn parochiaone, dèk er verschaaie keer minne zaddoek van heb motte gebruiken...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 05 16 - Ik kwaam deez week verschaaie keer / Aon 'n gesloote deur. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 05 20 - Ge hèt hier in Tilburg verschaaie zaoken / Die echt n dèèl van de stad uitmaoken... - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - 'verschajege' - verschillende
    - Piet van Beers Algemeen Beschaafd Tilburgs: Òn 't diktee dè jaorleks wort gehaawe/ hèk zèlf verschaajene keere meejgedaon. (Spoeje doemmeniemer; 2009)
    - Stadsnieuws - Ik hèb van verschaaje kaante geheurd dèt nie goed meej em gao. (210609)
verschaajne
  1. zelfstandig naamwoord

    het verscheiden, het overlijden

    - Cees Robben - Gij wilt nò oew verschaaje zeeker ópgestókt wòrre [datum onbekend]
    - Cees Robben - naa wil ie nòg vur et verschaaje en bòrd möllekepap [datum onbekend]
  2. 2. bijvoeglijk naamwoord verscheidene, verschillende

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Der wiere verschaaje febrieke gebouwd
    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - verschaaje = diverse; 'verschaaiene'; 'verschaaije weken'
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939 - Verschaaiene keeren laas ie dè-d-over en verschaaiene zuchten liet ie deur de kaomer gaon.
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), in Groot Tilburg 1941 - verschaaie keere hèk oe verteld hoe schon dèt hier is...
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont) in Groot Tilburg 1941 - Hij kwaamp zelvers op zn prikstuultje, en zoo treffend schoon en zó eenvoudig, sprook ie mee zn parochiaone, dèk er verschaaie keer minne zaddoek van heb motte gebruiken...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 05 16 - Ik kwaam deez week verschaaie keer / Aon 'n gesloote deur. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 05 20 - Ge hèt hier in Tilburg verschaaie zaoken / Die echt n dèèl van de stad uitmaoken... - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - 'verschajege' - verschillende
    - Piet van Beers Algemeen Beschaafd Tilburgs: Òn 't diktee dè jaorleks wort gehaawe/ hèk zèlf verschaajene keere meejgedaon. (Spoeje doemmeniemer; 2009)
    - Stadsnieuws - Ik hèb van verschaaje kaante geheurd dèt nie goed meej em gao. (210609)
verschaore
  1. werkwoord

    verscharen, verplaatsen

    - WBD - koeien van de ene wei naar een andere overbrengen
    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - VERSCHAREN - het vee verscharen, uit de ene weijde in de andere
  2. brengen. Zie SCHAAR (bij Verster)

    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHAREN (schaoren) ov. ww (van vee gezegd) naar de wei brengen.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSCHAREN - malkander v. - elk. aflossen, vervangen
verschiete
  1. werkwoord

    verschiete - verschôot - verschoote

    - Pierre van Beek - verschrikken; voorschieten
    - Pierre van Beek - Kundet verschiete? - kun je het voorschieten? Van verschiete worde lillek. (Tilburgse Taaklplastiek 176)
    - N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "verschieten - verschrikken"
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'veschiete'
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - ek gao èfkes men ôoge verschiete - ik ga even een dutje doen
    - WBD - III.4.4:315 'verschieten' = idem (= verbleken, verkleuren)
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - VERSCHIETEN wkw - zijn poeder, geld, een kleur zal - ; ontstellen, zij verschoot ervan.
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st.ww. verschieten, transitief: vrees aanjagen, doen schrikken;
  2. intransitief a) (ver)schrikken, ontstellen, b) van kleur veranderen, verkleuren, verbleken.

    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VERSCHIETEN, voor verschrikken
    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - VERSCHIETEN - verschrikken. Zie Kiliaen -
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VERSCHIETEN l) ov. ww - voorschieten; 2) onov. ww - van kleur veranderen, zijn kleur verliezen; 3) onov. ww - schrikken (en van kleur veranderen?): oew, ik verschoo:t toch.
    - WBD - III.1.3.16 'verschoten' = versleten; ook 'kaal'
    - WBD - III.1.4:293 'verschieten' = schrikken
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSCHIETEN (met zijn en hebben) - plotseling ontstellen of ontroeren, 'tzij van verrassing of verwondering, 'tzij van vrees of angst
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - verschiete ww - schrikken
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - verschiete - schrikken = verschieten 'van kleur verbleken'
    - WNT - VERSCHIETEN (I) - 10) ontsteld doen raken van schrik; hevig schrikken; 11) terugschrikken, terugdeinzen voor iets afschrikwekkends; 13) opkijken van; 14) (van de gelaatskleur) snel, plotseling wegtrekken; enz.
    - WNT - deel XX II, kolom 25, betekenis 27) in de verbinding 'zijn oogen verschieten' = even inslapen, een licht kort slaapje doen.
verschille
werkwoord

verschil uitmaken, hier vooral in de betekenis 'het zal mij een zorg zijn'

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Et kan mèn niks verschille. - Het maakt mij niets uit.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 01 21 - Dè kan ze niks verschille. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 07 26 - Wè kan t ons verschillen? - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'mar dè kan óns niks verschille'
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - verschillen'- Het kan mij niet verschillen, voor verschelen.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zwak werkwoord intransitief , 'verschillen' - schelen
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSCHILLEN - schelen, raken, aangaan: 't kan me niet verschillen.
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - verschille ww - schelen
verschôon
zelfstandig naamwoord

schone kleren, inz. ondergoed

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - leej mèn verschôon klaor?
- WNT - VERSCHOON 5) (Vl. belgië) Schoone kleeren, inz. schoon ondergoed. Joos (1900); Lev.-Coopm.(1954); Desnerck (1972) - Die jongen, hi komt hi alle zaterdage om zi' verschoon (Loquela).
verschôone
werkwoord

verschonen

- Dialectenquête 1887 Willems - verschôone - verschonde verschond; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verschont
verschôoning
  1. zelfstandig naamwoord

    verschoning

    - A.J.A.C. van Delft - Moeder de vrouw "legt 's Zaterdags de verschooning klaar" en als we dat schoone lijflinnen niet regelmatig aantrekken "raanden we een week". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)
  2. bijwoord

    verschôore verscholen, verborgen [?]

    - A.J.A.C. van Delft - "Dat staat vreemd verschoren" beteekent: Dat doet voor de toekomst vreemd aan. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
verschòtte
zelfstandig naamwoord

verschotten, verbruikt [?]

- Paul Spapens et al; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol (2004) - bij een werk verbruikte (hulp)materialen
verschraole
werkwoord

verschralen verschraole - verschròlde - verschròld ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verschròlt

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'verschraolen'
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSCHRALEN - schraal, dor, droog, mager worden
verschreepeld

verschrompeld uit Middelnederlands schrepel, mager, dor, vermagerd, verdord - Cees Robben - ...n verschrepeld blad (1959)

verschrèppele
werkwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - verschrompelen
- WBD - III.2.3:159 'verschrompelen' = rotten van appels, ook 'verschromfelen'
verslabakke
werkwoord

verwaarlozen de etymologie is nog niet duidelijk

- WNT - VERSLABAKKEN - 1) verminderen, achteruitgaan, verzwakken, verflauwen; 2) laten slabakken, laten verkommeren, verwaarlozen
verslaon
werkwoord

verslaan

- WBD - III.2.3:28 'de dorst verslaan / verslagen' = de dorst lessen
verslèète
werkwoord

verslijten

- WBD - 'verslêête' (II:1254) - versleten
- verslèète - verslêet versleete; met vocaalkrimping: gij,hij verslèt
verslènde
werkwoord

verslinden

- Dialectenquête 1887 Willems - verslènde - verslon(de) - verslonde
versmòrt
bijwoord

- WBD II 589 - 'ze zéjn versmòrt' - ze zijn versmoord (m.b.t. huiden waarvan de haren loslaten ten gevolge v. e. onjuiste conservering)
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSMOORD bw - versmoord, zat, smoordronken
- WNT - VERSMOORD - l) gestikt; 2) verdronken; 4) ondergedompeld, tot over de ooren zittend in, overstelpt, overmand door, volledig opgaand, verzonken in, verloren, geheel verdwenen ... in een groote hoeveelheid of massa van iets.
versnije
werkwoord

versnijden versnije - versneej - versneeje

- WBD II 587 - 'versneeje' - versneden (gezegd v. e. huid die beschadigd is door sneden bij het villen)
versnutsele
werkwoord

de etymologie is niet opgehelderd

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Versnutsele verdoen, verspillen
verspeule
werkwoord

verspelen, kwijtraken vocaalkrimping in tegenwoordige tijd, verleden tijd, en voltooid deelwoord

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - khèb sins fleeweek veul òn onze Jaonus verspuld - ik zie dat hij achteruit gegaan is
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - verspeule ww - verspelen
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSPELEN, in 't N. der Kempen: VERSPEULEN - verspelen, verliezen, kwijtraken
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VERSPELEN (verspeule) l) kwijtraken bij het spel, resp. het spel verliezen; 2) kwijtraken in andere omstandigheden, ook buiten eigen schuld, bv. een ongeboren kind of een vrouw; 3) missen in iemand, gezegd v. fysieke achteruitgang: ik heb er veul on verspuld - hij is hard achteruit gegaan.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'verspuilen, verspeulen' - verspelen, verliezen; z'n vraauw verspuile - zijn vrouw door de dood verliezen.
verspraaje
werkwoord

verspreiden

- Dialectenquête 1887 Willems - verspraaje
verstaand
  1. zelfstandig naamwoord

    verstand

    - Cees Robben - Tilburg hee van wol verstaand! (19560630) - Cees Robben - En novvenaant zun verstaand viel ie nie dur de maand (19811127) - Cees Robben - [Moeder die haar kind naar school brengt:] Hij hee nie veul verstaand, mister.. Mar wettie heej is wel van t biste... (19790923)
    - WBD - III.1.4:23 verstaand = verstand
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ge hèt een goej verstaand mar tis nòg nie gebrökt Complimenteus laten merken dat de ander lomp is
  2. Uitdrukkingen

    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: Hij heeter net zóveul verstaand van as en koej van saffraon eete.
    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - verstaand hèbbe van gekókt eete (Nicolaas Daamen, Handschrift Tilburgs, 1916) - veel verstand hebben van
    - Hessels 2020 - Als iemand intensief met een vertrokken gezicht aan het kijken is: - hij kèkt meej hil zen verstaand! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
verstaandeg
naam

verstandig

- WBD - III.1.4:25 - verstandig = wijs
verstaon
werkwoord

verstaan, begrijpen verstaon - verston(d) - verstaon in tegenwoordige tijd vocaalkrimping in meervoud: wij/göllie/zullie verstòn

- Rolf Janssen, We hebben gezongen en niks gehad (1984) - want óns taol verstòn ze nie
verstêene
werkwoord

verstenen

- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verstint - Dialectenquête 1887 Willems - verstêene - verstinde - verstind
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSTEENEN (met zijn) Wordt gezeid van peren, wanneer er harde knobbels of plekken in groeien
verstèùke
werkwoord

verstuiken verstèùke - verstökte - verstökt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: hij verstökt

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - verstuiken
verstouwe
werkwoord

verstouwen

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, Hij hee hil wè te verstouwe mar hij begaait t nogal is (17081964)
verstukke
werkwoord

verstuiken verstèùke - verstökte - verstökt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: hij verstökt

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - verstuiken
vertèère
werkwoord

verteren

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'verteiren'
- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vertêre (ê = Frans même)
- Dialectenquête 1887 Willems - vertèère - vertèèrde - vertèèrd
- WBD - III.3.1:208 'verteren', 'besteden, opmaken, uitgeven' = besteden
verteeveeje
werkwoord

aan televisie verslaafd raken of worden

- De Wijs - (Gezegd tegen iemand die alleen nog maar tijd heeft om televisie te kijken) Praot naa is ne keer mee, ge zèt himmaol aon ut verteeveejen. (15-06-1963)
- Cees Robben - Swels ons Logje in den eeter zit, ben ik aon t verteeveeje... (19741018)
vertèrder
zelfstandig naamwoord

verteerder

- Cees Robben - [uitdrukking:] Nao unne vergerder komt unne verterder. (19840106)
- Gezegde: Pierre van Beek - Irst ene vergèèrder, dan ne vertèèrder - wat een vader bijeengaart, draait de zoon erdoor (Tilburgse Taaklplastiek 127)
vertèssel
zelfstandig naamwoord

vertelsel, verhaal

- Vertelt dan is gaauw in vertesseltje". (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vetèssel'
- Stadsnieuws - Ge moet hier naa gin vertèsselke gòn ophange ik gelêûf oe vur ginne sènt. (280310) Je moet hier nou geen fabeltje gaan vertellen ik geloof je absoluut niet.
- WBD - III.3.1:252 'vertesseltje = sprookje
vertèssel
vervat
zelfstandig naamwoord

vervat, reserve

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - (financiële) reserve; iets om op terug te kunnen vallen
- Cees Robben - k Hô gin vervat mir... (19680614)
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vervat zelfstandig naamwoord - gin vervat hebbe - geen reserve hebben
vervatte
werkwoord

anders (vast)pakken

- WBD - vervatte (II:1003) - vervatten: het kettinggaren van de ene hand in de andere pakken bij de bomen.
- WNT - VERVATTEN - 11) een handeling, een zaak, een vriendschap e.d. die men heeft gestaakt of onderbroken, of een onderwerp dat men reeds besproken heeft, weer aanvatten, opnieuw ter hand nemen, weer beginnen, hervatten
verveele
werkwoord

vervelen Dialectenquête 1887 Willems - verveele - vervilde - vervild vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij vervilt

- WBD - III.1.4:400 'zich vervelen,'vervelen', 'zijn eigen vervelen' = idem
- WBD - III.1.4:410 'vervelen' = idem
verwèère
werkwoord

verwarren

- Dialectenquête 1887 Willems - verwèère - verwèèrde - verwèèrd - vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij verwèrt
verwèète
werkwoord

verwijten verwèète - verwêet verweete; in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verwèt

- WBD - III.1.4:424 'verwijten' = idem
verwòchte
werkwoord

verwachten

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - verwochten'
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - mar verwòcht hak et wèl
- WBD - III.1.4:57 'verwachten' = vermoeden
- WBD - III.1.4:l86 'verwachten' = idem
- WBD - III.2.2:2 'in verwachting zijn' = zwanger zijn
verwòchting
zelfstandig naamwoord

verwachting

- WBD - III.2.2:1 'in verwachting' = zwanger
- WBD - III.1.4:186 'verwachting' = idem
verwònd
naam

verwaand

- WBD - III.1.4:l67 'verwaand' = hovaardig; 'verwaand' = trots
- WBD - III.1.4:169 'verwaandigheid' = trots (subst.)
verzaoke
  1. werkwoord

    verzaken

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - bij het kaarten geen troef of kleur bekennen; ook: 'saoke'
    - Cees Robben - Mar ge meut nie verzaoke... (19561013)
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - fersaoke, versaoke - oneerlijk geen kleur of troef bijspelen
  2. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

verzeej

voltooid deelwoord van verzègge verzegd, beloofd

- Cees Robben - Ik ben al verzeej bij ons taante Nolda.. (19690207) - Cees Robben - Zèède n zondag al verzeej... (19621026 geen Prent van de week maar gelegenheidsprent)
verzeej
verzèùme
werkwoord

verzuimen vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij verzömt

- Dialectenquête 1887 Willems - verzèùme - verzömde - verzömd
- WBD - III.1.4:374 'verzuimen' = idem
verzèùpe
werkwoord

verzuipen verzèùpe - verzôop - verzoope in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verzöpt

- Cees Robben - iemand die ònt verzèùpe was; oewèège verzèùpe;
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zoo gelukkeg as enen hond die op zene verjaordag verzoope wordt (D'l6); ironisch voor: ongelukkig. Variant: ge ziet erèùt as ene jóngen hónd die óp zene verjaordag verzoope wòrdt
verzuuke
werkwoord

verzoeken, uitnodigen verzuuke - verzòcht - verzòcht k orte uu

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - Ge mot us èfkes ötzuuke wie me ammòl motte verzuuke'
- WBD - III.3.1:39 'verzoeken', resp. 'vragen, noden, uitnodigen' - uitnodigen
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VERZOEKEN (verzuuke) ov. ww -zonder aanvullende onbep. wijs met 'te': uitnodigen voor een bezoek.
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERZUKEN - verzoeken
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - verzuuke ww - uitnodigen
vèst
  1. zelfstandig naamwoord

    vest ook mannelijk aangetroffen:

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? dl. 2, Tilburg 2007 - Van ons Lia krêeg ik meej dieje Siendreklaos ene schôone vest.
  2. ▼vist

vèt
zelfstandig naamwoord

vet

- WBD - vruchtbaar (van akkerland) (Hasseltse term)
- Pierre van Beek - "Vet as 'n slèk (slak). "Slekvet", "Vet als olie". "Rotvet". "Zo vet as 'n mispel". (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)
- Pierre van Beek - "Nou is 't vet van de romme" (melk). Er is weinig meer te verdienen. (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nie veul vèt van schèùm (Kn'50) - van de wal in de sloot
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - te vèt, Bèt, twee keer van doen ('50) - aansporing tot zuinigheid
- WBD - III.3.1:245 'zijn vet meegeven' = scherp de waarheid zeggen
- WBD - III.1.4:423 'iemand zijn vet geven' = berispen
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VET bvw. vet, Frans gras; het vet hebben - een goed leven hebben; van den grond, vruchtbaar
vètgat
zelfstandig naamwoord

- WBD - vetgat, het ondiepe gat in de poot van een werktafel, dat gevuld is met vet dat diende om de els glad te maken (II:694)
vèthòl
  1. zelfstandig naamwoord

    1. functie in weverij

    - WTT 2012 - van oorsprong waarschijnlijk de functies waarbij een textielarbeider smoutolie moest gebruiken.
    - N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "vethol - scheldnaam voor fabrieksjongens, vooral draadmakers"
    - Naarus - ...wij han innen kollesaolen règenput, en die wier van tèd tot tèd ok schongemokt, as t is langen tèd dreug gewist wis. Naa hamme daor zoo wel wè van die jonge gasjes veur die ze vruuger "vethollen" noemden, maar die laoter de naomsveraandering onderginge; en toen "Draod versterkers" hietten. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
    - A.J.A.C. van Delft 1930 - In Tilburg heeft het baantje der draadmakers hen den scheldnaam van
    - Anoniem - De scheldtitel waarmede de jongeren [in de textielfabrieken] vooral werden aangeduid was fabriekslap en vethol; de welwillende algemeene benaming was voor de kleinen: draadmaker en voor de grooten fabrieksmeens, werkmeens, en voor allen te samen 't of dè werkvolk! Mét de noodige minachting a.h.b. Dat was misschien nog het ergste van al, dat de waardeering al te veel zich uitte in weinig achting. (Anoniem; in Nieuwe Tilburgsche Courant 30-01-1941, Hoe was het in onze streken?".)
    - Cees Robben - knöpt de vethol rap zn draoike (19560630)
    - Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - ene vèthôl = draadmaker in het spinproces
    ► "vetzakken" of
    ► "vetkezen"
    ► "vetkezen" gegeven. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 1 februari 1930 Van vroeger dagen 151: Folklore en Ambacht 1)
  2. 1.1. vèthol = vètbòl - Karel de Beer - draadmaker in het spinproces van een textielfabriek. Het woord vèthòl werd ook gebruikt als scheldnaam voor een politieagent en schijnt oorspronkelijk te komen van vètbòl. Dit waren vettige, aan elkaar geplakte draadjes die werden opgeveegd op de fabrieksvloer en waarvan bolletjes werden gedraaid, die werden gebruikt om de kachel aan te maken. Degenen in de fabriek die dit moesten doen werden door de anderen minachtend vètbòl genoemd, omdat dit veegwerk niet hoog werd aangeslagen. (Tilburgs bijnamenboek, 2000) 2. politieagent

    - Stadsnieuws - Toen ze kattekwaod han ötgehòld krêege ze ene vèthòl aachter der broek. (121210) - Toen ze kattekwaad uitgehaald hadden, kregen ze een politieman achter zich aan.
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
    - WBD - III.3.1:345 'vethol, vetkees' = politieagent
  3. Spotnamen voor een politieagent - uit De Tijd - 3 mei 1968

vèthölleke
zelfstandig naamwoord

fabrieksjongen voor het vuilste werk verkleinwoord van 'vèthòl', met umlaut

vèthöllekevèthölleke
vèthoorentje
zelfstandig naamwoord

bepaald schoenmakersattribuut

- WBD - vèthoorentje - schapen- of geitenhorentje, dat de schoenmaker met pap of stijfsel op zijn werktafel heeft staan; hs K 183 (II 695)
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en neus as en schoenmaokersvèthoorentje (Nicolaas Daamen - Handschrift Tilburgs 1916) spreekwoordelijke vergelijking.
- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "vethorentje - 'schoenmakers vethorentje' - schapen- of geiten horentje dat de schoenmaker met pap op zijn werktafel heeft staan - pap of stijfsel"
vetiel
zelfstandig naamwoord

ventiel

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - ventiel
vètkaoi
zelfstandig naamwoord

vetkaai

- Verrèkten dikke vètkaoi, bier haole gij! (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
vètkees
naam

vetkees, draadmaker in de textiel

vètkèùf
zelfstandig naamwoord

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de vètkèùve = bep. nozembende
vètlèèr
  1. naam

    vetleder

    - WNT - lemma vetleder(1957): Bij de bereiding met vet (traan) behandeld en daardoor waterdicht leder
  2. Uitdrukkingen In combinatie met 'medòllie'

    - WNT - lemma vetleder (1957) V. GINNEKEN, Handb. 2, 455 b [1914] - Vetleren ; spottend als iemand vraagt: wat krijgste deveur? is het antwoord: 'n vètlere medaje, ENDEPOLS [1955].
    - Karel en Sjarel - SJAREL. Dè kunde begrèpe. Hij holde zon vetlèère medollie uit zunnen binnenzak en 'n buukske en hij kladde mèn erop. (dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)
    - Hessels 2020 - Bij een negerin met slappe, hangende, lege borsten: - kèkt die meej der vètlèère medòllies! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
vètlèmke
zelfstandig naamwoord

vetlampje, olielampje

- A.J.A.C. van Delft - vètlèmkes - 'n Schôn gezicht was 't wel [op de klottermarkt mee die vetlaampkes en laoter petrol tusschen de spullekes en onder de kraomkes, waor van alles veur 'n paor cente gekocht wier veur de kènder. (Nwe. Tilb. Courant, 5 dec. 1929)
vètpan
zelfstandig naamwoord

vetpan, pan waarin vlees en vet werden opgediend om te 'soppen'

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - En sondagsmèèreges, zak mar zègge, vur we nòr de kerk toe ginge, dan wier, as we dan öt de kèrk kwaame was de pan, vètpan op tòffel meej goed spèk erinötgebakke dè was nògal nie lekker, hèsòppe, sòppe! (transcriptie Hans Hessels 2014)
vètsmèlter
zelfstandig naamwoord

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "nou 't is 'ne vetsmelter (een rare akelige vent)"
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VETSMELTER (vètsmilter) m - iemand die weinig uitvoert
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord mannelijk 'vetsmelter' - woord met vage schimpende betekenis
vètwaajer
  1. zelfstandig naamwoord

    iemand die koeien vetmest

    - WNT - VERWEIDER - boer die zich toelegt op het vetweiden (= door weiden, laten grazen, vet doen worden); stuk vee dat men in de wei laat loopen om vet te worden, of dat daarvoor geschikt is.
  2. Naar het begin van de pagina Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal CuBra Home

vètzak
naam

DRAADMAKERSLIEDJE 't Is koud, de sneeuw daalt neder, In die schoonheid en pracht der natuur. Die sneeuwtjes vliegen als vlokjes, En, o wat draaien die molentjes schoon. Die spilletjes piepen als muisjes Als men daar geen olie aan doet. Pleizier, pleizier, wij zijn die vetzakken, Pleizier, pleizier, wij zijn die vetzakken van pleizier.

vètzakkerij
naam

DRAADMAKERSLIEDJE 't Is koud, de sneeuw daalt neder, In die schoonheid en pracht der natuur. Die sneeuwtjes vliegen als vlokjes, En, o wat draaien die molentjes schoon. Die spilletjes piepen als muisjes Als men daar geen olie aan doet. Pleizier, pleizier, wij zijn die vetzakken, Pleizier, pleizier, wij zijn die vetzakken van pleizier.

veugeltje
naam

vogeltje

- ik zing nèt as en veugeltje
- De veugeltjes in et bos ... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, In et bos, 1941)
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nèt zingen as en veugeltje dè koej hiet (D16) - slecht zingen
- Cees Robben - Dr zaat er list n veugeltje/ te zingen in de zon... (19600708) - Cees Robben - n half ons miereaaikes vur mn veugeltjes... (19860117) - Cees Robben - Die t veugeltje vend die heeget nie.. Mar die t uithaolt... (19751003)
- Dè waare hêel veul verschillende veugeltjes, knòrries èn vinke, zeebravinkskes, èn dèùve, èn kiepe. (Nel Timmermans; Zit t soms in de femilie?; CuBra; 200?)
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - diet veugeltje vent, die wit et, mar diet öthòlt, die heeget (variant in Kempenland
- Ge ziet r veul veugeltjes, èn saoves hurde nòg wel s unne kinkenduut. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
- WBD - III.4.1:24 vogeltje (= veugeltje)
veugeltjesboer
zelfstandig naamwoord

vogeltjesboer

- Jos Naaijkens, Mèn voljèère, CuBra - Ge ziet ik zèè 'nne échte veugeltjesboer. Tèùs lôop ik meej nne blaawe stofjas aon en mistal heb ik 'n dikke sigaor in mnne trul.
veugeltjesboer
veugeltjesprutter
zelfstandig naamwoord

- Pierre van Beek - Liefhebbers van vogels zijn "veugeltjusprutters"; (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)
veul
  1. bijwoord

    veel, teveel van telwoord

    - Cees Robben - Wè heej ze toch veul kaskenaade... (19561215) - Cees Robben - Nie veul druktes... (19580426) - Cees Robben - ...dan heet ie nie veul praot... (19581122)
    - Cees Robben - Al veul buijkes aachter de rug... (19740830)
    - Dialectenquête 1887 Willems - hij hee veul pròts omdèttie stèèrek is
  2. bijwoord

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - 'veul kaod ' - heel kwaad
    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'veuls te hoog'
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - 'Vastenaovend wordt nie veu(l) mir gevierd.' (blz. 94)
    - Cees Robben - En naa nie veul zegge.. of t gaot-er-op..! (19650924) - Cees Robben - Dan lèèkenet veul meer... (19651203)
    - Cees Robben - We hebben n haoven mee waoter dr in.../ Mee zaand... en veul aauw ijzer... (19540515) - Cees Robben - Ge wit toch (...) dek veul van oe haauw... (19820122) - Cees Robben - Veul..? Twee haore op oewe kop des wèènig.. Mar twee haore in de soep.. Des veul... (19630816)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - veul? wès veul? Twee haoren op oewe kôp is wèèneg, mar twee haoren in oew soep is veul
    - Stadsnieuws - Veul? Wès veul? Twee haoren op oewe kòp is wèèneg, mar twee haoren in oew soep is veul...
    - De Wijs - k Zôt wel wille koôpe, mar ik heb veuls te veul te wènig in mn portmonnee (10-02-1963)
    - Pierre van Beek - Hij zeeter nie veul; hij zeeter ginnen êene - hij is zwijgzaam, gesloten
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - ge haadt al nie veul - gij hadt reeds niet veel
    - Hessels 2020 - Bij het opmerken van een man met een forse, dikke vrouw: - die spult gèèren in en grôote zaol! of: - die heej gèère veul! of: - die zok saoves wèl es ötgepakt wille zien! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
  3. Aanvullende bronnen

    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - veul onbep. tw. - veel
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VEUL, voor veel, voornamelijk ten platten lande, naar de kanten van het Markiezaat van Bergen-op-Zoom, en somtijds, met verwisseling der L in N, 'veun', vooral door kinderen.
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VEEL (veul) onverbogen, onbep. tw en bw - l) talrijk, in grote hoeveelheid; 2) dikwijls: ik heb daor veul gekome; 3) in hoge mate, zeer: hij is veul ziek.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEUL bw - veel
  4. telwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - veel
vèùl
  1. zelfstandig naamwoord

    vuil, vies; gierig, en trappen van vergelijking

    - Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - Vèùl wèèrk wòrdt slèècht betòld. - Vuil werk wordt slecht betaald.
    - Informant Toine Raaijmakers - Schertsend als men iemand voor laat gaan: Et vèùl gao vur den bissem. Mogelijk antwoord: De strónt kómt aachter et vèèreke
  2. zelfstandig naamwoord

    .- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Tis vèùl, zi den èùl, èn hij bekeek zen jong.

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, menne verloofde blèft den hille aovond in zn vuil zitte (17-08-1964) - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, Mar boer, wè hedde toch schôôn dochters. - Van mn kèr aaf meej diejen vuilen praot. (10-02-1963)- Frans Verbunt (1996) - veul laojde óp en kèèr
    - Cees Robben - Die blèèft den hille aovend mar in zn vuil zitte... (19641023)
    - WBD - vuil, vèùl - nageboorte van de koe; kalfsvlies
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - den dieje is te vööl om wè wèg te geeve - ... te gierig om ...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vööl plöddeke - geniepig (vies) vrouwspersoon
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vööle peer - gierig iemand
    - Frans Verbunt (1996) - in zen vèùl lôope - zijn werkkleren nog aanhebben
    - Frans Verbunt (1996) - daor zèèk ene vèùle in - daar ben ik handig in
    - WBD - (Hasselt) nageboorte van een varken
    - WBD - vèùl aaj - bebroed bevrucht ei (van een kip)
    - Gezegde: Pierre van Beek - Hij heej hil wè waoter vèùlgemòkt. - hij heeft in zijn leven 'de zaak aardig versierd'. (Tilburgse Taalplastiek 153)
    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et vèùl gao vur den bissem (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - humoristische opmerking als men iemand voor laat gaan
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'de vùil vèèf' - bep. werkmanshuisjes
    - WBD - (III.2.1:317) vèùl - stof
    - WBD - (III.1.2:267) 'vuil' = etter
    - WBD - (III.1.4:442) 'vuil' = onfatsoenlijk ook 'vies'
    - WBD - (III.4.4:236) 'vuil' = troebel
    - WBD - (III.4.4:321) 'vuilmaken,'bevuilen' = idem
  3. gierig

    - Pierre van Beek Wanneer iemand "z'n geld aon z'n hart gewaasen is" zijn we niet ver meer van de vrek uit de buurt en men kan er vast van op aan, dat zo iemand wel "'n halfke kan durbèten (doorbijten) al was 't dè-t-ie van awerdom op z'n taandvlees liep". Men heeft nu eenmaal van die "vuil meense" - zelfs in Tilburg. Het woord vuil heeft hier niet de betekenis van smerig maar van gierig. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)
veulderhaand
naam

veelderhande, allerhande

- H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Levensles, 1932 - veulderhande blommen...
veule
  1. zelfstandig naamwoord

    veulen, ook genoemd: 'vulle', 'völle' of 'poeleke' (tot 1 jaar)

    - WBD - hèngstvölle, hèngstvulletje - mannelijk jong van een paard
    - WBD - meervölle, mèrreveuleke - vrouwelijk jong van een paard
    - WBD - lèpvulle, lèpvölle - moederloos veulen
    - WBD - gespêend völle - gespeend jong van een paard
    - WBD - veuletje; klèn pèrdje - vleinaam van het veulen
    - WBD - veule, pèrdje, hanske,(Hasselt:) pòlleke - loknaam/roepnaam van het veulen
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. 'vullen' resp.'vollen' - veulen
  2. zelfstandig naamwoord

    - WBD - veulen (zie 'veule')
    - WBD - völletaand - het melkgebit van een veulen, ook 'vulletaand' genoemd
    - WBD - völmérrie - dragende merrie, ook genoemd 'vullemèèr'
    - WBD - völleziekt - leewater (ziekte bij jonge paarden)
    - Dialectenquête 1887 Willems - ge moet óns veulen is koome keure
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw. o. 'vuilen, resp. 'völlen' - veulen
vèùlpraot
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - smerige taal
veulpròts
naam

veelprater, praatjesmaker

- Stadsnieuws - Dieje veulpròts lult oe zôo van de sòkke - die praatjesmaker kletst je zo omver (180410)
- WNT - VEELPRAATS - praatjesmaker
veultij
bijwoord

dikwijls

- Dialectenquête 1887 Willems - veultij
- WNT - VEELTIJDS - herhaaldelijk, dikwijds, telkens, vele malen
veur
  1. bijwoord

    - Gaode gij veur òf moet ik vurgaon? - Ga jij voor of moet ik voorgaan?
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 4l) 'veur/ vur' als ww-deel
    - Cees Robben - Herodus die kwam zellevers veur. Herodus deed zelf de deur open. Prent over driekoningenzingen. De tekst is ontleend aan een in die tijd bekend driekoningenliedje. (19540109)
    - WBD - veurknie - voorknie van een paard, ook 'knie' genoemd
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VEUR i.p.v. voor, in de bet. v. ante, ook in de zamenstelling (bijvoorbeeld veurhoofd). Dat het zeer goed is, kan men bij Kiliaan zien.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEUR vz/bw - voor
  2. bijwoord

    voor Waorveur moete vurkoome?

    - WBD - et kalf zit meej de kòp nao vurre - zit goed (vóór de geboorte)
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vur de deur
    - Dialectenquête 1887 Willems - dan spanneme et pèèrd vur de nuuw kèèr
    - Dialectenquête 1887 Willems - ene kaawe kèlder is goed vurt bier
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - dees vur vurt fist èn dès vur nòt fist - dit is voor vóór het feest en
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vur - vz - tegen, als, voor
  3. zelfstandig naamwoord

    vuraawer, vuraauwer voorouder

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 03 14 - Wij meuge op die vuraauwers / Ons ège echt beroeme / Om dè de schrèvers van dè boek / Ze "Pronte meense noemen.
viegielant
zelfstandig naamwoord

- Pierre van Beek - kinderwagen
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'viegelaant'
- WNT - VIGILANTE - vigilant - vigelant, zelfstandig naamwoord vrouwelijk in volkstaal onzijdig. Stationneerend gesloten huurrijtuig, gewoonlijk voor vier personen.
vierbôomer
zelfstandig naamwoord

- WBD - (Hasselt) - eg met vier hoofdbalken
viere
  1. werkwoord

    vieren; verwennen

    - Pierre van Beek - Ik wòrd gevierd as en vèùl aajke = ik ben niet in tel (Tilburgse Taalplastiek 126)
    - Dialectenquête 1887 Willems - viere - vierde - gevierd
  2. soms vocaalkrimping: gij viert, en verleden tijd vierde(n) lange ie, behalve in tegenwoordige tijd bij gij (viert) en in verleden tijd (vierde(n))

    - Cees Robben - Ze wordt gevierd as n vuil aaike... (19710522) [Ze wordt goed verzorgd] - Cees Robben - Gevierd as n vors aaike.. (19860411)
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VIEREN - vieren, wel verzorgen. Hij is gèren gevierd.
vierèl
  1. zelfstandig naamwoord

    lengtemaat, vier el

    - WBD - III.4.4:288 'vierel' = kwart el (= 17 cm), ook 'vierendeel'
    - WBD - III.4.4:295 'vierel' = kwart pond
    - WNT - VERREL VIEREL , zelfstandig naamwoord onz., mv. -s. Zie voor de vorming van verrel en vierel (die voor het eerste lid mog. een verschillend uitgangspunt hebben) de etym. wdb.; zie ook VIERDEEL. 1. In het alg.: een vierde deel van iets; vierendeel, kwart. LAURMAN 73 [1822]. V. DALE [1872 ᬶ].
  2. 2. In het bijz. a. Als aanduiding van een bep. maat. α. Als lengtemaat: een vierde deel van een el, een kwart-el. Een verrel fluweel, V. DALE [1898 ᬶ]. HAGERS, Handelslex. [1919].Een vierel lint, Driem. Bl. 22, 28 [Utr., 1927]. β. Als gewichtsmaat: een vierde deel van een pond. ZWIERS [1920]. HAGERS, Handelslex. [1919]. γ. Als inhoudsmaat. LAURMAN 73 [1822].Een verrel boter, 11/2 H.G., (ook) een vaatje van 80 pond, V. DALE [1898 ᬶ]. Ze (t.w. de dokters) voeren Meestal niets uit voor 't geld. 'k Gaf kroonen en voor niets! ik gaf Veeleer ze aan Gerrit-buur voor 't verreltje' ouden wijn, SCHIMMEL, Dram. P. 2, 67 [1850]. δ. Als oppervlakte- of landmaat.

vierkaant
  1. naam

    vierkant; eigenwijs

    - Hessels 2020 - Teleurgesteld gezicht bv. na verlies: - snoetje int vierkaant! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
  2. Aanvullende bronnen

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VIERKANT bw - geheel en al, openlijk
vierkaanteg
  1. naam

    - Frans Verbunt (1996) - onverzettelijk
  2. naam

    Stond et ze nie aon wèk ammòl zi, dan wier ik vierkaantig opgevat en in zon kiest geflikkerd. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) vierschaftskeeper - (vierschafskeeper ?) zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

    - WBD - II.4. p. 892 Een keper die [...] met bijvoorbeeld vier weeframen geweven is ("schaft" = "weefraam"). Grothe zegt op p. 351: "Gekeperde stof, die geweven is (...) waarbij dus weder-keerig in ketting en inslag 't binden op den vierden draad plaats heeft, noemt men vier-bindige, vierdraads, vierknoopige of vierdeelige, ook vierschachtskeper. Het type vierschaftskeper in: K 183 (= Tilburg) - WNT - lemma Vier 1958 - Vierschacht, met vier schachten vervaardigd weefsel. Vierschachter, weefkam met 4 schachten (DE BO [1873]).
vierts
telwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vierde
- gij zèèt vierts
viervoets
bijwoord

- WBD - galopperen; (Hasselt:) gallopaere
- Pierre van Beek - viervoets - bepaalde manier v. lopen of springen van paarden; ook: handeling die in grote haast wordt uitgevoerd
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VIERVOETS bw = VIERKLAUWENS bw - in galop, in vollen ren; wordt ook gezeid van menschen, hoewel niet te peerd zittende.
- WNT - VIERVOETS l) bijvoeglijk naamwoord viervoetig (verouderd); 2) bijw., in denzelfden zin gebezigd als 'te viervoet', oneigenlijk: metterhaast.
vieskont
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt (1996) - kieskeurig iemand
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vieskont zelfstandig naamwoord - iem. die kieskeurig op het eten is
viet

vatte

- Cees Robben - 'en ze viet 'n lepke vaast'
vietempeu
tussenwerpsel

schiet eens op! Verbastering van Franse 'vite un peu'

- Frans Verbunt (1996) - 'vietepeutem' - vlug een beetje!
viezentiere
werkwoord

visiteren, bezoeken; uit Frans 'visiter' via Nederlands 'visiteren' nog geen Tilburgse bewijsplaats

vinger
  1. zelfstandig naamwoord

    vinger

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - der intje van vèèf vingers èn en benauwd hart (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1974) - er eentje - gauw bang zijn om iets verkeerd te zullen doen; aarzelen voordat er een beslissing genomen wordt
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - der zen vingers nie blauw òn hèbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - een erfenis in het vooruitzicht hebben waar niet veel van verwacht wordt (de vingers worden dan niet blauw van het tellen)
    - WBD - III.1.1:159 'vingerlid' = vingerkootje; ook 'voorste lid'
  2. Ill. Thomé - vingerhoedskruid - digitalis purpurea

vingeroed
  1. zelfstandig naamwoord

    vingerhoed

    - WBD - 'vingeroet' (II:1123) - vingerhoed
    - WBD - III.4.3:246 vingeruudjesplaant - vingerhoedskruid (Digitalis purpurea)
    - WBD - III.4.4.296 'vingerhoedje' = centiliter
    vingeroed
  2. Tekening van Carel Fabritius - Vink - 17de eeuw

vinkeslag
  1. zelfstandig naamwoord

    het slaan van een vink; knip om vinken te vangen

    - Gezegde: V: óp vinkeslag zitte - ongeduldig en gespannen zitten wachten op een bevalling (de ouders - en niet de vroedvrouw - zitten op vinkeslag)
    - Interview Jolen - 1978 - Ik hèb aatij veugeltjes gehadin de fejèèr, aatijik ging ze zèllef vangevinkein de DiepestraotSanneke Hòns, Sanneke Haans, dè was ene lantèèrenònsteeker, die ha zèllef ene vinkeslag aachter zenen hòfgrôote nètte. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
    vinkeslag
  2. zelfstandig naamwoord

vinneg
naam

venijnig

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "hij is an de vinnige (aan den diarhee)"
- WBD - III.1.4:31 'vinnig' = vlug van begrip
- WBD - III.l.4:218 'vinnig' = onstuimig
virke
  1. zelfstandig naamwoord

    veer, veertje

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vêre - veren (ê als in Frans même)
    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ene paauw heej schoon vèère.
  2. Uitdrukkingen

    - Cees Robben - Die gin veer van dr lippen kos blaoze... (19580201) [Die straatarm was.]
    - Hessels 2020 - Op ziekenbezoek geweest en het gaat nog niet zo best met de patiënt: - hij kos nòg gin vèèr van zen lippe blaoze! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
  3. Aanvullende bronnen

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEER en VÈÈR znw.v. - veder, pluim
  4. zelfstandig naamwoord

    veertje

    - A.J.A.C. van Delft - De duivenliefhebbers, waarvan er onze stad velen telt, zeggen "Geen vèrke thuis te hebben" om aan te duiden, dat alle duiven meevliegen in wedstrijden. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
    - Frans Verbunt (1996) - gin vèrke tèùs hèbbe (er is nog geen duif op de klep gevallen)
    - Cees Robben - Na blaosik al wir n vèrke/ Mee veul lef de wèèreld in/ Dè wil zeggen det me goed gao (19731231)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - veertje
    virkevirke
virpont
zelfstandig naamwoord

veerpont

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - virpont
virteguuregebèd
zelfstandig naamwoord

veertig-uren-gebed

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007 - [met carnaval] wier dieje monstrans, in alle kerken drie daoge ötgestald, tentôongesteld, zak mar zegge. Van ons, die katteliek waare wier verwòcht dè we dan elke dag tijdens dè virtigurengebed, zôo hiete die tentôonstelling, un uur kwaame bidde. Ge kost op zon daogen ok nog enen volle aflaot verdiene. Dè waar hendig agge op stèèrve kwaamt te ligge, koste oe èège daor hillemaol zondevrij meej maoke.
virtien
telwoord

veertien

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Oover virtien daog ist kèrmes
- Dialectenquête 1887 Willems - virtien
- Cees Robben - virtien daog hèrs (= geleden) [datum niet bekend]
- A.J.A.C. van Delft - "Hij geeft er veertien in een dozijn", hoorde ik van iemand zeggen, die graag en veel praat. (De Engelschen hebben daarvoor een soortgelijke teekenachtige uitdrukking: "Hij praat zestien woorden in het dozijn.") (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)
vis
zelfstandig naamwoord

vis

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - vis - viske/ visje
visje
zelfstandig naamwoord

vestje

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - uit het cluster stj wordt de t verzwegen (van vèst)
- ...ze [de baanwielrenners] fietsten d'r tong op d'r vistje vur 'n sigaor van zeuven centen. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929) - ...zonder dè'k bang behoef te zèn, dè ze me op m'n visje zullen spiersen (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 09 25 - Mar irst moes ie mee naor de stad / Vur n pak mee n visje.
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hij trók ze teege zen visje (D16) - hij haalde haar aan - Informant Toine Raaijmakers - Iemand óp zen visje spierse - hem flink de waarheid zeggen
- Hij ha heel schôone kleere aon/ En unne lozzie op zun visje Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hij gaaf em en gêef visje - hij gaf hem een aardig vestje
- WBD - III.1.3:127 'vestje' = frontje in de hals van een jurk
visjeszak
zelfstandig naamwoord

vestzak(je)

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'in m'ne vestjeszak'
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 10 16 - Ge hè't toch vur ne zieke meens / Ammol wel n teer plèkske / Schiet dörom asset efkes kan / Diep in oew visjeszèkske. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 10 13 - Om s zondagssaoves aon z'n vrouw / Meer trèktemènt te vraoge? / Motte diep in we visjeszak - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - dè betòlt ie öt zen visjeszèkske
- Stadsnieuws - Dè betaol ik öt men visjeszèkske (111009)
- WBD - III.1.3.115 'vestjeszakje' = vestzakje
- WNT - VESTJESZAK zie VESTZAK. Zie voor den vorm met het diminutiefachtervoegsel (= suffix)bij het eerste lid (zooals in dagjesmenschen, nopjesgoed) V. Lessen blz. 11.
visjeszèkske
zelfstandig naamwoord

vestzak(je)

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'in m'ne vestjeszak'
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 10 16 - Ge hè't toch vur ne zieke meens / Ammol wel n teer plèkske / Schiet dörom asset efkes kan / Diep in oew visjeszèkske. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 10 13 - Om s zondagssaoves aon z'n vrouw / Meer trèktemènt te vraoge? / Motte diep in we visjeszak - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - dè betòlt ie öt zen visjeszèkske
- Stadsnieuws - Dè betaol ik öt men visjeszèkske (111009)
- WBD - III.1.3.115 'vestjeszakje' = vestzakje
- WNT - VESTJESZAK zie VESTZAK. Zie voor den vorm met het diminutiefachtervoegsel (= suffix)bij het eerste lid (zooals in dagjesmenschen, nopjesgoed) V. Lessen blz. 11.
viskesfrèèter
zelfstandig naamwoord

visjesvreter; larve van libelle

- Sjef Paijmans Vooral naar salamanders zochten we, want die hadden onze speciale belangstelling en werden thuis in het aquarium gezet. De viskesfreters en torren werden in een glazen pot mee naar school genomen voor de frater, die ons tijdens de natuurkundeles vertelde hoe deze waterdiertjes allemaal heetten en hoe nuttig ze waren. Viskesfreters werden later Libellen.
viskörref
  1. zelfstandig naamwoord

    viskorf van de ambulante visverkoper

    - Interview dhr. Van den Aker - 1978 - En wie was dè ok wir die aatij bij De Kluit èn zôo ooveral kwaam meej zen aajer èn zen viskörref, hoe hiet die ok wir? (transcriptie Hans Hessels 2014)
  2. Foto: Regionaal Archief Tilburg

vismèrt
zelfstandig naamwoord

vismarkt Audio-opname 1978 - èn toen zèèk zogenaamd bij Jaones Lôos òn de gang gegaon, dè was op de Vismèrt, et Willemsplein èn de was ene grôote gròssier (- Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013) Afbeelding uit: Kroniek van de Kempen

vismèrt
visroej
zelfstandig naamwoord

vishengel

- WBD - (III.3.2:215) visroej, vishengel, hengelroej, hengel, garde, visgarde = hengel
- Sjef Paijmans - In de gracht voor de Weyenberg [in Oisterwijk], waar toen Bartje Schoenmakers zijn boerderij had, zaten op Woensdagmiddag, soms een stuk of wat schooljongens te vissen met een hengel; dat wil zeggen een dunne staak, een eindje zwart naaigaren en als dobber een rood lucifershoutje. Als angel diende een omgebogen speld. En toch werden er op deze primitieve manier stekelbaarsjes gevangen. (Herinneringen, CuBra circa 2002)
visroej
vissersmis
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt (1996) - mis voor de vissers op zondagmorgen om 4 uur in de kerk van de kapucijnen
- WBD - III.3.3:118,) vissersmiske = vroegmis
vist
  1. zelfstandig naamwoord

    vest

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vist
    - Op de trebuune meej en harnas/ of ene koogelvrije vist. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Beeter enen bange as enen dooie)
  2. ▲vèst

vlaaje
werkwoord

vleien

- Dialectenquête 1887 Willems - vlaaje - vlaajde - gevlaajd
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GEVLEEËN (zachte e): 3e hoofdvorm van 'vleien'
vlaartje
zelfstandig naamwoord

lefdoekje, pochet, fuit het Franse 'foulard', hals- of zakdoek

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - kèkt es wèt ie freet is meej zen vlaartje - trots met zijn pochetje
vlagge
  1. werkwoord

    vlaggen

    - WNT: plaggen of graszoden steken
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nie vlagge (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - gemeenschappelijk bezit niet te eigen bate aanwenden (in de gemeensch. heide mochten vlaggen gestoken worden)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vlagge ww - plaggen afsteken
  2. zelfstandig naamwoord

    vlagzèès vlagzeis

    - Lowie van Dorrus Misters (pseudoniem), rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 17 Rond de boerenhaard 2, Nieuwe Tilburgsche Courant 11-8-1952 - Misschien heeft voor sommige lezers ook de heiturf een nadere omschrijving nodig. Deze werd op de heivelden gehakt. De boer gebruikte daarvoor de zg. vlagzeis. Dit is een gereedschap, waarvan het mes, de zeis, onder een hoek van ca. 70 graden aan de steel staat. Het mes heeft een afgeronde vorm, ongeveer 13 bij 20 cm. Bij het hakken dringt de snede in de grond, komt dan horizontaal onder de heide en snijdt de bovenheide en een gedeelte der wortels af. Dit is de turf. Voor de boer weggaat, worden de turven of plaggen tegen elkaar opgezet om te drogen. De brandstof leveren dus de opstaande heide en de onderliggende wortels. Is de boer niet van plan van de kale vlakte bouwgrond te maken, dan laat hij ze gewoon liggen. De heide schiet vanzelf weer uit. Hoe de naam "vlagzeis" is ontstaan, is ons niet bekend, maar vermoedelijk is de oorspronkelijke naam "vlakzeis" en is de k door het spraakgebruik een g geworden.
vlak
  1. zelfstandig naamwoord

    druk

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - wè hèbbe ze et wir vlak - wat zijn ze weer druk!
  2. HTW 'vlak hèn' uitgelaten, druk zijn

    - WBD - III.4.4:136 'vlak , 'vlakke' = vlakte
  3. bijwoord

    vlakweg direct, zonder omhaal Ze hield nie van omwegen en deurom vroeg ze vlakweg aon Annekes... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)

vlam
zelfstandig naamwoord

hartstocht

- Stadsnieuws - Zen aaw vlam wier aaw poelie èn wier zoo en aaw hörk - zijn vroegere verloofde werd een oude vrijster en werd van lieverlee een oude vrouw (080106)
vlang
zelfstandig naamwoord

volant (onderdeel van een textielmachine)

- uit Frans 'volant
- WBD - vlang (II:938) - volant: 'n soort poetswals
Vlaondere

Toponiem Vlaanderen

- Mar om daor te komen moeten ze dur den elektrieken draod, de moordende afrastering die de Dùtschers in de oorlogsjaoren tusschen Brabant en Vlaonderen spanden. Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.
vlee
  1. naam

    verleden vleeje mònd, vlee week

    - flee = contractie van 'verleden': d-syncope, affix-apocope enz.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - FLEE gekrompen uit 'verleden', fleeë week, fleeë Zondag.
  2. bijwoord

    In de vlee week, zèk op rès gewist mee den ootobus. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) dès naa ammol lang geleeje/ dè noeme ze «de vleeje tèèd» (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag) Klèèn Luuske van ons taante Fien/ is fleeje mònd getrouwd... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Pertrètjes kèeke) 'ze Miel hee vleeje week gezee/ Ik gao nie mee naor Willem II" (Gieleke wsch. pseudoniem van Michel van de Ven (Lechim) ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980)

    - Cees Robben - Vlee jaor hebbe wij hullie n kaortje gestuurd mar zullie ons nie... (19801031) - Cees Robben - Toen ge t vleeje week mee t karnevalsbal zôô begaoid had.. (19800215)
  3. Fleeweek zaat ie nòg int kefeej. uitdr. fleeweek from - de voor-vorige week

    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vleejaor'
    - Cees Robben - Vleje-week-vrom waren oew pèère buikzuut.. oew appelesiene mörf.. oewe knolraop vôôs... en oew èèrepel glaozig... steeket zelf mar in oewe kaones... (19680209) - Cees Robben - Hedde gij vleeje-week-vrom opgetillefeneerd... (19680816) - Cees Robben - Hak vleeje week from oew stee mar gekocht... (19830812)
  4. Audio-opname 1978 - dès vleej jaor fèfteg jaor gewòrre mar ze hèbben et nie gevierd want ik hèb et toevalleg nòg òn de pòrtier vleej week gevraoge. (- Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

vlèèchte
werkwoord

vlechten

- Dialectenquête 1887 Willems - vlèèchte - vlócht - gevlóchte
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - vlèchte - vlócht - gevlóchte ; ook: vlèèchte
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'vlaechten' - vlechten
vleej
  1. naam

    verleden vleeje mònd, vlee week

    - flee = contractie van 'verleden': d-syncope, affix-apocope enz.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - FLEE gekrompen uit 'verleden', fleeë week, fleeë Zondag.
  2. bijwoord

    In de vlee week, zèk op rès gewist mee den ootobus. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) dès naa ammol lang geleeje/ dè noeme ze «de vleeje tèèd» (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag) Klèèn Luuske van ons taante Fien/ is fleeje mònd getrouwd... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Pertrètjes kèeke) 'ze Miel hee vleeje week gezee/ Ik gao nie mee naor Willem II" (Gieleke wsch. pseudoniem van Michel van de Ven (Lechim) ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980)

    - Cees Robben - Vlee jaor hebbe wij hullie n kaortje gestuurd mar zullie ons nie... (19801031) - Cees Robben - Toen ge t vleeje week mee t karnevalsbal zôô begaoid had.. (19800215)
  3. Fleeweek zaat ie nòg int kefeej. uitdr. fleeweek from - de voor-vorige week

    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vleejaor'
    - Cees Robben - Vleje-week-vrom waren oew pèère buikzuut.. oew appelesiene mörf.. oewe knolraop vôôs... en oew èèrepel glaozig... steeket zelf mar in oewe kaones... (19680209) - Cees Robben - Hedde gij vleeje-week-vrom opgetillefeneerd... (19680816) - Cees Robben - Hak vleeje week from oew stee mar gekocht... (19830812)
  4. Audio-opname 1978 - dès vleej jaor fèfteg jaor gewòrre mar ze hèbben et nie gevierd want ik hèb et toevalleg nòg òn de pòrtier vleej week gevraoge. (- Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

vlêes
  1. zelfstandig naamwoord

    vlees

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, t is vlees van den bakker (gehakt met veel brood) mee lawaai-sju (17-08-1964)
    - WBD - vlêes - lijmvlees, de resten vlees-, bind- en vetweefsel van de vleeskant van een huid (II 6l0), ook 'lèèm' genoemd
    - WBD - vlêesmesjien - vleesmaohine, om huiden te ontvlezen (II 608)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ast vlêes deraf is, gooje ze de bêene bèùte (HM'50) - typering van werkgevers die hun personeel ontsloegen als het oud was.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'et vlêes is zwak', zi taante Ka, èn ze kòcht enen èèzeren beehaa (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971)
  2. Etym. wg. fleiska, D. Fleisch, N. vlees, T. vlêes

vlêeskaant
zelfstandig naamwoord

- WBD - vleeskant, kant van de huid waar het vlees heeft gezeten (II 595)
vlêeskèrs
zelfstandig naamwoord

- WBD - III.2.3:l69 'vleeskers' = zoete kers, ook 'knapper'
vlêeskèrs
vlêeskouse
zelfstandig naamwoord

lichtgekleurde, dunne kousen [?]

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vlêeskaawse'
- WNT - VLEESCHKOUSEN mv. als schertsende omschrijving van bloote beenen (gewestelijk in Zuid.-Ned.)
- Audioregistratie 1978 - èn asse te kommuunie ginge èn ze han vlêeskouse aon òf zon bietje en spie, dan sloeg ie ze oover òn de kommuunie! Nèè, kossie nie teege dieje meens! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
vlêesmis
zelfstandig naamwoord

vleesmes

- WBD - vléésmès' - vleesmes, lang, scherp, boogvormig mes met twee handvatten, gebruikt bü het vlezen van huiden op de boom (II 607)
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vlêêsmès zelfstandig naamwoord - vleesmes
vlêeswèèrk
zelfstandig naamwoord

vlees ...in en köpke soep han ze wèl zin./ daor zaat wèl veul gruun èn peekes/ mar hèèl wèènig vlèèswèèrk in. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et is mar hoeget zègt )

vlêeze
werkwoord

vlezen

- WBD - vlêeze - vlezen, het verwijderen van het onderhuidse bindweefsel met de nog aanwezige vleesresten (II 607)
- WBD - vlêezer - werkman belast met het vlezen (II 608)
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VLEZEN ww - bij huidenvetter: met een scherp mes de vleesdeelen afsnijden
vlèggeske
zelfstandig naamwoord

vlaggetje

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - kèk tòch es wènne strêûp lèmkes èn vlègskes
vlègske
zelfstandig naamwoord

vlaggetje

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - kèk tòch es wènne strêûp lèmkes èn vlègskes
vlèmke
zelfstandig naamwoord

vlammetje

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'daansen duzend vlemkes'
vleugel
  1. zelfstandig naamwoord

    vleugel

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vleugel
    - WBD - III.4.1:36 'vleugel', 'vlerk'
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VLEUGEL zelfstandig naamwoord mannelijk vleugel, Frans aile; ook vleugel van een spinnewiel
  2. Ill. Rolf Janssen

vlieg
zelfstandig naamwoord

vlieg ...zoo taai as vliegen op de stroop! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - derbij zèèn as en vlieg die in de pèèrdestrónt pikt (Kn50)- haantje de voorste zijn.
vlieg
vliege
werkwoord

- Informant Toine Raaijmakers - Hij vlôog eróp aaf as nen haon óp ne knoezelbós
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'daor vlôog er den ooiver ...'
- Cees Robben - dan hèdde kaans dègge in de prèèze vliegt
- Dialectenquête 1887 Willems - vliege - vlôog - gevlooge
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - waor en mus durheene vliegt, blèèft en mug hange (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971)prominenten kunnen zich meer veroorloven dan de kleine man.
vliegekaast
zelfstandig naamwoord

- WBD - spinde (voorraadkast of bewaarplaats voor levensmiddelen), ook genoemd: eeteskaast, vliegekaast, broodkaast of kaast
vliegkappe
zelfstandig naamwoord

zusters met witte vleugelachtige kap Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de vliegkappe = zusters van een bep. congregatie (blz. 98)

vliegmesjien
zelfstandig naamwoord

vliegtuig

vliegnèt
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD - vliegennet (netwerk dat men over een ingespannen paard vastmaakt om het tegen vliegen te beschermen) (Hasselts woord)
    - WBD - (Hasselt; 'bòrstnèt' - borstnet (tegen vliegen, t.bijvoorbeeld een paard
    - WBD - 'vliegedèk' of 'bòltje' - rugnet (vliegennet over de rug van een paard)
  2. Ill.: Naumann; vlierscheut - turdus pilaris

vlierscheut
  1. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - kramsvogel, beflijster (Turdus pilaris)
    - WBD - III.4.1:88 vlierscheut - kramsvogel (Turdus pilaris), ook genoemd: kramlijster of dubbellijster
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vlierscheut zelfstandig naamwoord - grote lijster
    - WNT - VLIERSCHEUT - 2) in de streek van Oirschot een volksnaam voor den Kramsvogel (Turdus Pilaris)
    vlierscheut
  2. Vliervlam

vliervlam
zelfstandig naamwoord

vliervlinder vD. vliervlinder - vlinder met zwavelgele vleugels met bruine buitenrand, waarvan de rups op de vlier leeft (Ourapteryx sambucaria)

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - vliervlam - vlinder
- WBD - III.4.2:146 vliervlam - vlinder (Lepidoptera), ook genoemd; 'vuurvlam' of 'kapelleke'
vliervlam
vlies
zelfstandig naamwoord

vlies (zie ook: vlim)

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vlies
- WBD - III.2.3:133 vlies= melkvel; ook zaam
- WBD - III.2.3:166 'vlies' = vliesje in vrucht; ook vlim of blees
- WBD - III.4.4:269 'vliesterke' - sneetje
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VLIES znw.v. en niet o., zie wdbb.; draad, vezel aan een peul van erwten en boonen; ook 'blies' geheeten.
vlijs
zelfstandig naamwoord

- WBD - III.4.4:161 'vlijst' = oerbank
- WBD - III.4.4:164 'vlijst' = geelbruine aardlaag
- WNT - lemma Oer, Afleidingen: Oerbank ("ijzeroxide-hydraat, hetwelk, onoplosbaar in water, de oerbanken vormt," STARING t. a. pl.)
vlim
zelfstandig naamwoord

vliesje tussen vruchtvlees en pit bij een appel, ook genoemd: vlies, blees, bliske, blieske

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vlies - vlies
- WBD - III.4.2:72 vlim, vim - vin (van een vis)
- WBD - III.1.1.72 'vlim', 'vim' = wimper
- WBD - III.2.3:l66 'vlim' = vliesje in vrucht, ook 'blees' of 'vlies'
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - vlim, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'vlim' - 1.) visgraat, 2) naald van een korenaar, 3) mes
- WNT - VLIM 5) c) - hard, scherp vliesje in het klokhuis van appels en peren.
vlirmèùs
zelfstandig naamwoord

vleermuis

- WBD - III.4.2:46 'vleermuis'
- Stadsnieuws - Soomers schèère meej den donkere de vlirmèùzen oover oewe kòp (260807)
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - VLEERMUIS fli:remues, znw.vr
vloeba
  1. zelfstandig naamwoord

    MT- Informant Ad Vinken; watermuurverf uit WO II: 'vloejbah'

    - verbastering van de merknaam 'Vloeba'
  2. SJAREL. Toen heb ik er hil m'n huis mee gevloebahd. 't Was percies of hil m'n huis opnuuw behangen was. Echte crème-kleur! Echt modern! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 19 januari 1945)

    - Sjef Horsten - 'Bloemen op het behang' - "Vlak na de oorlog was er gebrek aan zowat het meest noodzakelijke. Behang op de muur was te kostbaar. De niet kapitaalkrachtige zocht dan ook naar een alternatief. Vloeba werd een begrip. Dit vloeibare behang werd aangebracht net als witkalk. Nu toegevoegd met een tintje : rosé, beige of zeegroen. Soms kwam men tot een "namaakbloemetjesbehang" door een beige ondergrond te verfaaien met spetters van rosé en of zeegroen, aangebracht met een oude handveger. Moeders waren daar heel vaardig in. Vloeba had echter een groot nadeel. Het was niet raadzaam tegen een muur gaan te staan die er mee was behandeld. Er zijn in die tijd dan ook heel wat kleerborstels versleten."
vloejke
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vloeitje, sigarettepapiertje
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Hè d-ok zo-n verlè nòr vloejkes?
vloejke
vloeke
  1. werkwoord

    vloeken

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vloeke - vloeken
  2. Pierre van Beek Zo hoorden wij dezer dagen van iemand, die om zijn vloeken een twijfelachtige reputatie geniet, zeggen, dat hij "vloekt in de ere-afdeling". Een gedachtenassociatie met de vele zangverenigingen en harmonieën, die onze stad telt, is zeker niet vreemd aan het ontstaan van deze uitdrukking. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vloeken in de eere-afdeeling (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1964) - flink vloeken
    - vloeke - vloekte - gevloekt
vloer
  1. zelfstandig naamwoord

    1. vloer

    - WBD - onderkant van een brood
    - WBD - ovenvloer (waarop het brood wordt gebakken)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - oover de vloer koome - op bezoek komen, aan huis komen
  2. 2. Velours, de stofnaam

    - Henk van Rijswijk - Velours: wollen strijkgaren mantelstof of gordijnstof, gevold en geruwd, vaak in inslagsatijn geweven. Het haardek is zo dicht dat het op fluweel lijkt.
  3. (Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954),

vlòkkieneej
zelfstandig naamwoord

- WBD - floconné, lamsvacht-imitatie (II:863)
vlòkkieneej
vlökske
zelfstandig naamwoord

vlokje

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vlökskes geeve dröpkes ('50) - weersvoorspelling
- dim. van 'vlòk', met umlaut
vlòms
zelfstandig naamwoord

vlaams

vlôog

verleden tijd van 'vliege' vloog Ill. Rolf Janssen

vlôoj
  1. zelfstandig naamwoord

    vlo

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vlooi
    vlôojvlôojvlôoj
  2. Uitdrukkingen

    - Piet Heerkens - Twee die saomen slaopen, eten,/ worren deur dezelfde vlooi' gebeten. (Uit: Brabant, Brabantse spreuken, 1941)
    - Pierre van Beek "Wie bij den hond slaopt, krijgt vlooien" is ons equivalent voor "Wie met pek omgaat, wordt er door besmet." (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 17 april 1950)
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - -gezegde Wie bè den hónd slòpt, krèègt vlôoje.
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - -gezegde Hoe kòlder/ gròtter hond, hoe meer vlôoje.
    - Pierre van Beek -gezegde ópsteuven as ene zak vlôoje - wegrennen, in allerijl
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ópsteuven as ene zak vól vlôoje ('72) - naar alle kanten wegvliegen
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge vèndt allicht en vlôoj in en schoojershèm (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - je had kunnen weten wat je te wachten stond; maak dus achteraf geen aanmerkingen.
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - vur êen vlôoj hoefde nie hil oewen bèùk kepòt te krabbe
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zenèège vuulen as en vlôoj tusse twee naogels
  3. zelfstandig naamwoord

    Aanvullende bronnen

    - WNT - VLOOI vlo, vlooi
vlôoje
  1. zelfstandig naamwoord

    vlo

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vlooi
    vlôojevlôojevlôoje
  2. Uitdrukkingen

    - Piet Heerkens - Twee die saomen slaopen, eten,/ worren deur dezelfde vlooi' gebeten. (Uit: Brabant, Brabantse spreuken, 1941)
    - Pierre van Beek "Wie bij den hond slaopt, krijgt vlooien" is ons equivalent voor "Wie met pek omgaat, wordt er door besmet." (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 17 april 1950)
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - -gezegde Wie bè den hónd slòpt, krèègt vlôoje.
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - -gezegde Hoe kòlder/ gròtter hond, hoe meer vlôoje.
    - Pierre van Beek -gezegde ópsteuven as ene zak vlôoje - wegrennen, in allerijl
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ópsteuven as ene zak vól vlôoje ('72) - naar alle kanten wegvliegen
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge vèndt allicht en vlôoj in en schoojershèm (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - je had kunnen weten wat je te wachten stond; maak dus achteraf geen aanmerkingen.
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - vur êen vlôoj hoefde nie hil oewen bèùk kepòt te krabbe
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zenèège vuulen as en vlôoj tusse twee naogels
  3. zelfstandig naamwoord

    Aanvullende bronnen

    - WNT - VLOOI vlo, vlooi
  4. werkwoord

    vlooien, vlooien vangen In de dooddoener

    - Hessels 2020 - Als je je verveelt; kweenie wèk moet doeoehoeoen!!!: - zaand òn elkaar knêûpe! of: - den aop vlôoje! of: - leege zakke rèèchtzètte! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
vlôojke
  1. zelfstandig naamwoord

    vlo

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vlooi
    vlôojkevlôojkevlôojke
  2. Uitdrukkingen

    - Piet Heerkens - Twee die saomen slaopen, eten,/ worren deur dezelfde vlooi' gebeten. (Uit: Brabant, Brabantse spreuken, 1941)
    - Pierre van Beek "Wie bij den hond slaopt, krijgt vlooien" is ons equivalent voor "Wie met pek omgaat, wordt er door besmet." (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 17 april 1950)
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - -gezegde Wie bè den hónd slòpt, krèègt vlôoje.
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - -gezegde Hoe kòlder/ gròtter hond, hoe meer vlôoje.
    - Pierre van Beek -gezegde ópsteuven as ene zak vlôoje - wegrennen, in allerijl
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ópsteuven as ene zak vól vlôoje ('72) - naar alle kanten wegvliegen
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge vèndt allicht en vlôoj in en schoojershèm (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - je had kunnen weten wat je te wachten stond; maak dus achteraf geen aanmerkingen.
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - vur êen vlôoj hoefde nie hil oewen bèùk kepòt te krabbe
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zenèège vuulen as en vlôoj tusse twee naogels
  3. zelfstandig naamwoord

    Aanvullende bronnen

    - WNT - VLOOI vlo, vlooi
vlòt
naam

- WBD - goed uit de weg kunnend, niet kreupel (= Hasselts) zijnd (van een paard) ook genoemd: 'rap', 'rad' of 'rèècht'
vlug
naam

vlug Pierre van Beek - Hij is nie van de vlugste - (eufemistisch) hij is een slomerik Pierre van Beek - vlugge jóng - vogeltjes die tegen het uitvliegen zijn (= bijna uitvliegen) Pierre van Beek - vlug zèèn - goed ter been zijn (bijvoorbeeld van een bejaarde)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - al te vlug vangt nie goed (Pierre van Beek -Tilburgse Taalplastiek 68) - haastige spoed is zelden goed
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zó vlug as en stróntbij zónder vleugels ('72) - ironisch voor: langzaam
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Vlug, bijvoeglijk naamwoord , gezwind, wel ter been: 'grutvadder is nog goed vlug'; ook gezegd van vogeltjes die al bijna uitvliegen en het stadium van 'kaol kwats achter zich gelaten hebben: 'ik weet n blaawpieperke te wonen op vlugge jong'.
vlugger
naam

vlug Pierre van Beek - Hij is nie van de vlugste - (eufemistisch) hij is een slomerik Pierre van Beek - vlugge jóng - vogeltjes die tegen het uitvliegen zijn (= bijna uitvliegen) Pierre van Beek - vlug zèèn - goed ter been zijn (bijvoorbeeld van een bejaarde)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - al te vlug vangt nie goed (Pierre van Beek -Tilburgse Taalplastiek 68) - haastige spoed is zelden goed
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zó vlug as en stróntbij zónder vleugels ('72) - ironisch voor: langzaam
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Vlug, bijvoeglijk naamwoord , gezwind, wel ter been: 'grutvadder is nog goed vlug'; ook gezegd van vogeltjes die al bijna uitvliegen en het stadium van 'kaol kwats achter zich gelaten hebben: 'ik weet n blaawpieperke te wonen op vlugge jong'.
vlugst
naam

vlug Pierre van Beek - Hij is nie van de vlugste - (eufemistisch) hij is een slomerik Pierre van Beek - vlugge jóng - vogeltjes die tegen het uitvliegen zijn (= bijna uitvliegen) Pierre van Beek - vlug zèèn - goed ter been zijn (bijvoorbeeld van een bejaarde)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - al te vlug vangt nie goed (Pierre van Beek -Tilburgse Taalplastiek 68) - haastige spoed is zelden goed
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zó vlug as en stróntbij zónder vleugels ('72) - ironisch voor: langzaam
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Vlug, bijvoeglijk naamwoord , gezwind, wel ter been: 'grutvadder is nog goed vlug'; ook gezegd van vogeltjes die al bijna uitvliegen en het stadium van 'kaol kwats achter zich gelaten hebben: 'ik weet n blaawpieperke te wonen op vlugge jong'.
vluukske
zelfstandig naamwoord

vloekje

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vluukske
vocht
zelfstandig naamwoord

vocht sap van een vrucht persoonsvorm vocht verleden tijd van 'vèèchte'

voeballe
zelfstandig naamwoord

voetballen het voetballen, voetbalwedstrijden in ouder Tilburgs is het woord mannelijk in de uitspraak verdwijnt soms de t: voebal

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 11 23 - Strak krègde spannende verslaoge / Van de voetbal in de kraant - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 01 13 - Ak' vruuger naor de voetbal ging... - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 08 14 - Hij kan fèn naor de voetbal toe - F. van der Meer, Uit: Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn ik wil ok nie, ak naor et voeballe zit te kèèke, dèsse der ammel tussendeur zit te maawe.
voedvrouw
zelfstandig naamwoord

vroedvrouw

- WBD - III.2.2:l4 'voedvrouw' = vroedvrouw; ook: 'baker', 'baakster'
voejer
  1. zelfstandig naamwoord

    voer, vooral voor dieren

    - Audioregistratie 1978 - Want vruuger din ze de koej nie in de waaj want dan liepe ze et ammel plat, dè bietje op stond. Dè voejer wèrd gemaajd èn op stal opgevoejerd. (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
    - En bij den boer, daor 'k aatij m'n voeier haol vur de kenène (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 15 december 1944)
    - WBD - voejerbak - varkenstrog, ook 'tròg' genoemd
    - WBD - voejerkèùl - spoelkuil voor groenvoer (waarin men het spoelt of wast)
  2. Pierre van Beek -gezegde - voejer zuuke vur aandermans geèt - werken voor een ander

    - Dialectenquête 1887 Willems - ik moet irst et voejer in de stal brènge
    - WBD - III.4.1:44 kròpvoejer, voer - voedsel voor jonge vogels
    - WNT - VOEDER, VOER II) eten, spijs voor dieren; spijs voor menschen (niet gewoon en verouderd)
    - WBD - III.4.1:43 'voeier' of 'voer' - voedsel (voor vogels), ook 'aas' genoemd
voejere
werkwoord

voeren, voederen steeds korte oe

- Voortbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Zèn de vèèrekes al gevoejerd?
- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Meej ginne riek te voejere zèèn. (Van kwaadheid niet willen eten.)
- WTT 2016 - Dit gezegde meestal als metafoor voor iemand die erg boos is, ongenaakbaar, zoals in volgende voorbeelden:
- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - Meej ginnen riek te voejere
- ...en hij was mee ginne riek te voeiere. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- Ik was mee ginnen riek te voeiere. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)
- Cees Robben - Die staon mekaar gewoon uit de krop te voeieren... (19810814) [Robben gebruikt de uitdrukking figuurlijk voor een stelletje dat staat te tongkussen]
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - voejere ww - voeren
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VOEIEREN, VOIEREN - voeren, voedsel toedienen; van voering voorzien
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'voeieren' - voederen, te eten geven
- WNT - VOEDEREN, VOEIEREN - voeren, voeder geven
voejerke
  1. zelfstandig naamwoord

    maaltijd

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (gehoord tegen iemand die te dik wordt) ge meugt gerust n voeierke afsteken (11-02-1965)
  2. Uit: Flora Batava 2 , Jan Kops (1807)

voejerwikke
zelfstandig naamwoord

voederwikke (Vicia sativa), een familie van klimplanten; ook smalle wikke genoemd

- WBD - I:1485 voejerwikke, wikke
- WNT - VOEDERWIKKE - een soort van wikke (Vicia sativa), die als voedergewas geteeld wordt.
voejerwikke
voer

verleden tijd van vaore, dat ook zwak vervoegd wordt (vaorde).

voer
voerman
zelfstandig naamwoord

voerman korte oe ?

- Agge voerman moet zegge teege Vekastere - als je voerman moet zeggen tegen Van Casteren, is je familieband ermee even sterk als die met Adam en Eva
- Dialectenquête 1887 Willems - voerman (korte oe)
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en pèrd zónder voerman (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - een weduwnaar
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - vurman, zelfstandig naamwoord mannelijk - voerman
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VOERMAN (met verkorte oe) znw.m., mrv. voerlie (niet lui)
voermanne
werkwoord

- wsch. korte 'oe'
- WBD - besturen (leiden van een paard terwijl het de kar trekt), ook 'leië' genoemd
- WBD - 'voermanne meej twee lijste', (Hasselt:) ' .... meej twee lente' - leiden van een paard met een dubbele lijn
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - diejen boer gao vort voermanne - . . . vrachtrijden
- WNT - VOERMANNEN - het beroep van voerman, van vrachtrijder uitoefenen; een bodedienst onderhouden
voet
  1. zelfstandig naamwoord

    voet, lichaamsdeel trippetrap van kendervuutjes... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Naachtegaol, 1941)

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, (Gehoord bij de start van de avondvierdaagse)Denkte gij mee die vèf veur één voete, in de prèze te vallen? (09-07-1967)
    - Pierre van Beek - Als iemand er z'n gemak van neemt en zich goed laat doen (eten, drinken, enz) zegt men naderhand: "Hij ging fijn met de voeten op de stoof zitten." (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)
    - Cees Robben - [Marktkoopman met sinasappelen] Tien vur unne gulden... Mar vur de voet vatte... (19650723) - Cees Robben - Vurrukkelukke bukkeme.. Aacht vur n kwartje... Vur-de-voet-gevat... (19621130)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ik koom nie óp blôote voete (S'7l) - kaartterm: gezegd door iemand die meent goede kaarten te hebben. (reactie: dès mar goed ôok, aanders kónde zónder sòkke terug.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - te voet èn te veld koome (JM'50) - helemaal de weg niet weten
  2. uitdr. - vur de voet: ge moet ze vur de voet vatte = niet uitzoeken; vgl. v. Dale: voor de voet iets weggeven of verkopen = zonder te keuren of uit te zoeken: voetstoots.

    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Volgens krt.65 krijgt het plur. geen umlaut, wel het achtervoegsel (= suffix)e (sjwa).
    - WBD - III.1.3.211 'voetgetuig' = schoeisel
  3. lengtemaat = 0,287 m, verdeeld in 10 duim à 2,87 cm; 20 voet = 1 roede (van 5,75 m) (in Tilburg in gebruik vóór de invoering v.h.Ned. Metriek Stelsel, 1820) voet van een plattebuiskachel - Cees Robben - De kender zaten op den voet/ Meej baai dr vuutjes... (19601111) bij het paard

    - WBD - voet - hoef van de koe, ook 'klaaw' of 'klòw' genoemd
    - WBD - voet - paardehoef
    - WBD - 'vuutje', 'voetje-óp', (Hasselt) 'voetóp' - voet omhoog (commando voor een paard)
voetballe
zelfstandig naamwoord

voetballen het voetballen, voetbalwedstrijden in ouder Tilburgs is het woord mannelijk in de uitspraak verdwijnt soms de t: voebal

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 11 23 - Strak krègde spannende verslaoge / Van de voetbal in de kraant - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 01 13 - Ak' vruuger naor de voetbal ging... - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 08 14 - Hij kan fèn naor de voetbal toe - F. van der Meer, Uit: Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn ik wil ok nie, ak naor et voeballe zit te kèèke, dèsse der ammel tussendeur zit te maawe.
voete
werkwoord

voeten (kinderspel)

- A.J.A.C. van Delft - Voorts was er een spel, dat slechts met twee jongens gespeeld werd en "voeten" genoemd werd. Ieder had een ijzeren bolletje. Er werd een kuiltje gemaakt en wie het kortst bij het kuiltje lag, mocht eerst. Dan trachtte men met den bol den anderen bol te raken, en lukte dit, zoo moest de afstand der bollen met de voeten afgepast worden, zóólang tot men honderd voetlengten had. Wie dit het eerst bereikt had, was de winner, en het spel werd hervat op dezelfde wijze. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 106; 23 maart 1929)
voeteeren
werkwoord

lopen

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "ik kan nie goed meer voeteeren (loopen)"
- WBD - III.1.2.117 'voeteren' = gaan, lopen
- WNT - VOETEEREN - te voet gaan, loopen
voetegetrap
zelfstandig naamwoord

voetengetrap

- Hessels 2020 - Als je een beetje in de weg loopt in een kleine ruimte: gao tòch es wèg van dieje vierkaante meeter! of: - gao tòch es onder et voetegetrap èùt! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: KLIK HIER )
vòjer
zelfstandig naamwoord

vader

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 22) 'vòjer' naast vaader en vadder
völder
  1. zelfstandig naamwoord

    vuil, vies; gierig, en trappen van vergelijking

    - Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - Vèùl wèèrk wòrdt slèècht betòld. - Vuil werk wordt slecht betaald.
    - Informant Toine Raaijmakers - Schertsend als men iemand voor laat gaan: Et vèùl gao vur den bissem. Mogelijk antwoord: De strónt kómt aachter et vèèreke
  2. zelfstandig naamwoord

    .- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Tis vèùl, zi den èùl, èn hij bekeek zen jong.

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, menne verloofde blèft den hille aovond in zn vuil zitte (17-08-1964) - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, Mar boer, wè hedde toch schôôn dochters. - Van mn kèr aaf meej diejen vuilen praot. (10-02-1963)- Frans Verbunt (1996) - veul laojde óp en kèèr
    - Cees Robben - Die blèèft den hille aovend mar in zn vuil zitte... (19641023)
    - WBD - vuil, vèùl - nageboorte van de koe; kalfsvlies
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - den dieje is te vööl om wè wèg te geeve - ... te gierig om ...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vööl plöddeke - geniepig (vies) vrouwspersoon
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vööle peer - gierig iemand
    - Frans Verbunt (1996) - in zen vèùl lôope - zijn werkkleren nog aanhebben
    - Frans Verbunt (1996) - daor zèèk ene vèùle in - daar ben ik handig in
    - WBD - (Hasselt) nageboorte van een varken
    - WBD - vèùl aaj - bebroed bevrucht ei (van een kip)
    - Gezegde: Pierre van Beek - Hij heej hil wè waoter vèùlgemòkt. - hij heeft in zijn leven 'de zaak aardig versierd'. (Tilburgse Taalplastiek 153)
    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et vèùl gao vur den bissem (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - humoristische opmerking als men iemand voor laat gaan
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'de vùil vèèf' - bep. werkmanshuisjes
    - WBD - (III.2.1:317) vèùl - stof
    - WBD - (III.1.2:267) 'vuil' = etter
    - WBD - (III.1.4:442) 'vuil' = onfatsoenlijk ook 'vies'
    - WBD - (III.4.4:236) 'vuil' = troebel
    - WBD - (III.4.4:321) 'vuilmaken,'bevuilen' = idem
  3. gierig

    - Pierre van Beek Wanneer iemand "z'n geld aon z'n hart gewaasen is" zijn we niet ver meer van de vrek uit de buurt en men kan er vast van op aan, dat zo iemand wel "'n halfke kan durbèten (doorbijten) al was 't dè-t-ie van awerdom op z'n taandvlees liep". Men heeft nu eenmaal van die "vuil meense" - zelfs in Tilburg. Het woord vuil heeft hier niet de betekenis van smerig maar van gierig. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)
  4. naam

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - vèùler (het achtervoegsel (= suffix) -der treedt op na -r en -n)
voldere
werkwoord

vollen, van geweven stoffen; dikker maken, o.a. in een bad met zeep of volaarde

- Jè, vloejbaare gruune [zêep]. Jè, daor wiere de stukke meej gevolderd [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]
volderij
  1. zelfstandig naamwoord

    vollerij, afdeling van de textielfabriek waar de wol gevold wordt

    - Interview Hermans - 1978 - en volderij dè wil zèggeoew goed dè moes dichter gemaakt wòrre, dè noeme ze voller, vol is dichter maoke, dus dè dichter maoke dè wier toen meej en klein beetje zeep wier dè gedaon (transcriptie Hans Hessels, 2013)
  2. zelfstandig naamwoord

    voldersbaos baas van de vollerij

    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - èn daor hèbbek lang saome meej gewèrkt gehad, èn toen, die was daor den baos, de voldersbaos eigelek èn toen is hij gestòrreve èn toen bèn ik in zen plòts gekoome
volèèrd
  1. zelfstandig naamwoord

    volaarde

    - WBD - (II:1055) - De wasvloeistof [bij het vollen van het laken] is volgens Grothe "water met verrotte urine, volaarde (een glibberige, magnesia houdende kleisoort) of zeep."
    - WBD - (II:1056) - Grothe zegt op p. 384: "De tot het vollen dienende vloeistof bestaat uit water, waarin verscheiden vetachtige of glibberige zelfstandigheden gemengd of opgelost zijn. Het doel dezer bijmengselen is de verwijdering der misschien nog aanwezige vetstoffen, benevens de verhooging der lenigheid en glibberigheid der wolhaartjes, waardoor in elkander vilten der stof bevorderd wordt. Voor het vollen van ordinair en middelfijn laken gebruikt men soms volaarde (fijn verdeelde kleiachtige kiezelzure magnesia), of vette klei, of verrotte urine; voor fijne soorten van laken dient zeepoplossing (15 tot 20 perc. van de stof), of ook zeep en olijfolie; de zeep wordt in warm water opgelost, het koude water bijgemengd en dan het mengsel in de volkom gebracht." Een respondent van K 183 [= Tilburg] merkt op: "Men had volaarde, daar moest zeik bij. Men kon kruiken urine leveren. Dat werd bij de volaarde gedaan en gemengd. Daarmee werden de stukken gevold. Tilburgers worden daarom wel kruikezeikers" genoemd."
    - WBD - (II:1057) - 'vóléért' - volaarde
    - WTT 2012 - volaarde wordt tegenwoordig aangeboden als cosmetisch product: "Een gezuiverde sedimentaire klei met uitstekende drogende en reinigende eigenschappen. Het is vooral bruikbaar als een gezichtsmasker voor de vettige huid en verzacht acne, uitslag en ontstoken huid. Het wordt soms een huidbleker genoemd omdat het de reputatie heeft dat het vlekken van de huid kan verwijderen. Een uitstekend ingrediënt voor zeep. Drogend, egaliserend en verstevigend." (Internet; 2012)
  2. bijwoord

    volgesnaggeld De etymologie is nog onduidelijk.

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 01 11 - Hij dèèlde hèèl wè rondjes uit / En op 't list volgesnaggeld / Issie zò goed en kaod as t ging / Mar naor de bus gewaggeld.
vòlk
  1. zelfstandig naamwoord

    volk, een bepaald soort mensen

    - C ees Robben - ons Sieleke heeget himmol nie op mansvolk begreepe
    - Hessels 2020 - Als je je niet laat besodemieteren door een ander: - wèl van èèrem, mar nie van lomp vòlk! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006)
  2. naam

    Uitdrukkingen

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'Daor et vòlk is, is de neering' zi de mòsselenboer, èn hij reej mee zene kreugel de kèèrk in (Pierre van Beek -Tilburgse Taalplastiek '64) - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - geduureg vòlk ónder de schòlk hèbbe (R'75) - steeds in verwachting zijn.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hoe meer vòlk veur, hoe minder dèt ópschiet (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - gezegd m.b.t. een mis met drie heren
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hoe laoter óp den aovend, hoe schónder volk
  3. zelfstandig naamwoord

    Aanvullende bronnen

    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - VOLK - volek znw.o.: er is veel - op de markt; bij groot - dienen; ik heb vandaag - (= bezoek) thuis; het kleine (= kinderen)
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VOLK v l) - mensen: er was veul volk; 2) - slag van mensen, soort: goej volk, mèr rouw; 3) - bezoek: we hebbe volk; roep bij de deur: volluk; 4) familie: ons volk = onze familieleden (alleen voor aangetrouwde familie?); 5) personeel: we moete volk hebben; 6) als achtervoegsel: manvolk, vrouwvolk.
    - WNT - VOLK 3) e) - Uitroep om aan te duiden dat men iemands woning of winkel is binnengekomen en gehoor verlangt.
völle
  1. zelfstandig naamwoord

    veulen, ook genoemd: 'vulle', 'völle' of 'poeleke' (tot 1 jaar)

    - WBD - hèngstvölle, hèngstvulletje - mannelijk jong van een paard
    - WBD - meervölle, mèrreveuleke - vrouwelijk jong van een paard
    - WBD - lèpvulle, lèpvölle - moederloos veulen
    - WBD - gespêend völle - gespeend jong van een paard
    - WBD - veuletje; klèn pèrdje - vleinaam van het veulen
    - WBD - veule, pèrdje, hanske,(Hasselt:) pòlleke - loknaam/roepnaam van het veulen
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. 'vullen' resp.'vollen' - veulen
  2. werkwoord

    - WBD - een veulen werpen, ook aangeduid met het type 'veulenen'
    - WNT - VEULENEN - l) een veulen werpen; 2) (een veulen) baren, werpen
völleghèd
  1. zelfstandig naamwoord

    vuiligheid Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Mèn dòchter die ha hier zogezeej zonne stinpöst staonèn en uur nòdderaand koste zôo de slierte öt trèkke, de völleghèd dieter ötkwaam! (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels)

    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vuilighei' (bis)
  2. zelfstandig naamwoord

    Enen enkeling van de jong naam de moeite, meej enen emmer waoter de völlighed weg te spuule, de miste lieten et mar zôo et waar. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

    - WBD - (III.2.1:282) völleghèd = vuilnis, ook 'rotzooi' genoemd
    - WBD - (III.3.3.356) völleghèd = onkuisheid
    - WBD - (III.4.4:103) 'vuiligheid' = natte sneeuw
    - Stadsnieuws - Daogs nò de kèrmes leeter aatij enen hoop völleghèd op straot (060507)
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VUILIGHEID ww. vuiligheid doen - aan eene natuurlijke behoefte voldoen
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - völlighèd zelfstandig naamwoord - vuiligheid, onkruid
völleghei
  1. zelfstandig naamwoord

    vuiligheid Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Mèn dòchter die ha hier zogezeej zonne stinpöst staonèn en uur nòdderaand koste zôo de slierte öt trèkke, de völleghèd dieter ötkwaam! (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels)

    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vuilighei' (bis)
  2. zelfstandig naamwoord

    Enen enkeling van de jong naam de moeite, meej enen emmer waoter de völlighed weg te spuule, de miste lieten et mar zôo et waar. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

    - WBD - (III.2.1:282) völleghèd = vuilnis, ook 'rotzooi' genoemd
    - WBD - (III.3.3.356) völleghèd = onkuisheid
    - WBD - (III.4.4:103) 'vuiligheid' = natte sneeuw
    - Stadsnieuws - Daogs nò de kèrmes leeter aatij enen hoop völleghèd op straot (060507)
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VUILIGHEID ww. vuiligheid doen - aan eene natuurlijke behoefte voldoen
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - völlighèd zelfstandig naamwoord - vuiligheid, onkruid
völlek
zelfstandig naamwoord

vuilik, vuilak, viezerik, smeerpoes

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "vuilik - zedeloos mensoh; gierigaard"
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - völek (blz. 34) met vocaalreductie
- WBD - III.1.4:113 'vuilik' = smeerpoes; 114: 'vuilak' = smeerpoes
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord mannelijk - vuilik, vrek
völleke
werkwoord

vies doen

- völleke - völlekte - gevöllekt
- Èn toen zaag Tieske op 'n gegeeve moment hullie keej meej de portier stòn te völleke. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
völlekert
zelfstandig naamwoord

vuilak, viezerik

- De - Informant Ad Vinken; van völlekert. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
völlekesbak
  1. zelfstandig naamwoord

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 04 24 - We motte veul meer rommel krège / Aanders heeget toch gin zin / We hebbe vort twee vuilekesbakke / En daor moet dieje rommel in.
    - Henk van Rijen; vuilnisemmer; Gè mot dè vööl vort in de völlekesbak doen!
    völlekesbakvöllekesbak
  2. ▼ völlesbak

völles
  1. zelfstandig naamwoord

    vuilnis

    - WTT 2012 - het ontbreken van de n wordt als dialectisch beschouwd maar was vroeger normaal. Het - WNT - hierover: 'VULLIS, zelfstandig naamwoord vrouwelijk en onz., mv. -sen (...) Mnl. vuulnisse. Daarnaast zijn ook de vormen vuilis, vulnis, vulle(n)s en vuilens aangetroffen. De vorm vullis (...) blijkt jonger te zijn dan vuilnis. In de 16de en 17de e. worden beide op dezelfde wijze gebruikt; later blijkt vullis eerder tot de volkstaal te behooren en vuilnis tot meer formeel taalgebruik.'
  2. Emblematische prent van Jan Luyken - uit: Het leerzaam huisraad (1711)

völlesbak
zelfstandig naamwoord

vuilnisbak

- As ons taante Kee der stem verhief, dan kréége wij de schrik van ons lèève en wiere in China de völnisbakke bèùte gezet, zôas wij ondermekare zeeje. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Hij was [nl. de hond] vant völlesbakkeras,/ brèùn, meej hier èn daor wè streepe... (Henriëtte Vunderink; Onzen hond; k Zal van oe blèève haawe, 2007)
völlesbakvöllesbakvöllesbak
volletier
zelfstandig naamwoord

vrijwilliger; uit Frans: volontair

- Pierre van Beek - vrijwilliger, volontair (Tilburgse Taalplastiek 178 - 25-8-1973) - Wie vrijwillig onder dienst ging, werd als "volletier" betiteld naar het Franse "volontaire" [sic] (vrijwilliger). Nadien bleef dit laatste woord nog in zwang voor iemand, die zonder loon te ontvangen arbeid verricht om in een bepaald vak te worden opgeleid. Dat is nu ook van de baan.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vòllentèèr'
volmòkt
naam

volmaakt

- Dialectenquête 1887 Willems - ginnenêene 'mins' is vólmòkt
völnes
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vuilnis
- WBD - III.3.1:329 'vuilnisbelt' = stort; ook genoemd: 'belt', 'vuilnishoop'
völnesbak
zelfstandig naamwoord

vuilnisbak

- As ons taante Kee der stem verhief, dan kréége wij de schrik van ons lèève en wiere in China de völnisbakke bèùte gezet, zôas wij ondermekare zeeje. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Hij was [nl. de hond] vant völlesbakkeras,/ brèùn, meej hier èn daor wè streepe... (Henriëtte Vunderink; Onzen hond; k Zal van oe blèève haawe, 2007)
völnesbakvölnesbakvölnesbak
völnisbak
zelfstandig naamwoord

vuilnisbak

- As ons taante Kee der stem verhief, dan kréége wij de schrik van ons lèève en wiere in China de völnisbakke bèùte gezet, zôas wij ondermekare zeeje. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Hij was [nl. de hond] vant völlesbakkeras,/ brèùn, meej hier èn daor wè streepe... (Henriëtte Vunderink; Onzen hond; k Zal van oe blèève haawe, 2007)
völnisbakvölnisbakvölnisbak
volontèèr
bijwoord

volop

- WTT 2012 - Niet te verwarren met 'volletier' [zie boven]. 'Volontèèr' is uit het Oudfranse 'volontiers', 'naar believen'.
- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "'t waas er volontair (volop)"
volslaoge
naam

- WBD - III.2.2:46 'volslagen' = volwassen
völst
  1. zelfstandig naamwoord

    vuil, vies; gierig, en trappen van vergelijking

    - Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - Vèùl wèèrk wòrdt slèècht betòld. - Vuil werk wordt slecht betaald.
    - Informant Toine Raaijmakers - Schertsend als men iemand voor laat gaan: Et vèùl gao vur den bissem. Mogelijk antwoord: De strónt kómt aachter et vèèreke
  2. zelfstandig naamwoord

    .- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Tis vèùl, zi den èùl, èn hij bekeek zen jong.

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, menne verloofde blèft den hille aovond in zn vuil zitte (17-08-1964) - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, Mar boer, wè hedde toch schôôn dochters. - Van mn kèr aaf meej diejen vuilen praot. (10-02-1963)- Frans Verbunt (1996) - veul laojde óp en kèèr
    - Cees Robben - Die blèèft den hille aovend mar in zn vuil zitte... (19641023)
    - WBD - vuil, vèùl - nageboorte van de koe; kalfsvlies
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - den dieje is te vööl om wè wèg te geeve - ... te gierig om ...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vööl plöddeke - geniepig (vies) vrouwspersoon
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vööle peer - gierig iemand
    - Frans Verbunt (1996) - in zen vèùl lôope - zijn werkkleren nog aanhebben
    - Frans Verbunt (1996) - daor zèèk ene vèùle in - daar ben ik handig in
    - WBD - (Hasselt) nageboorte van een varken
    - WBD - vèùl aaj - bebroed bevrucht ei (van een kip)
    - Gezegde: Pierre van Beek - Hij heej hil wè waoter vèùlgemòkt. - hij heeft in zijn leven 'de zaak aardig versierd'. (Tilburgse Taalplastiek 153)
    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et vèùl gao vur den bissem (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - humoristische opmerking als men iemand voor laat gaan
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'de vùil vèèf' - bep. werkmanshuisjes
    - WBD - (III.2.1:317) vèùl - stof
    - WBD - (III.1.2:267) 'vuil' = etter
    - WBD - (III.1.4:442) 'vuil' = onfatsoenlijk ook 'vies'
    - WBD - (III.4.4:236) 'vuil' = troebel
    - WBD - (III.4.4:321) 'vuilmaken,'bevuilen' = idem
  3. gierig

    - Pierre van Beek Wanneer iemand "z'n geld aon z'n hart gewaasen is" zijn we niet ver meer van de vrek uit de buurt en men kan er vast van op aan, dat zo iemand wel "'n halfke kan durbèten (doorbijten) al was 't dè-t-ie van awerdom op z'n taandvlees liep". Men heeft nu eenmaal van die "vuil meense" - zelfs in Tilburg. Het woord vuil heeft hier niet de betekenis van smerig maar van gierig. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)
vòltje
zelfstandig naamwoord

voile, korte sluier

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - ze hò en gruun vòltje veur ze droeg een groene voile
völtje
zelfstandig naamwoord

vuiltjes Hij hò en völtje in zen ôog

- dim. van vèùl, met vocaalkrimping
von
  1. werkwoord

    vond

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - vón - vond (1e pers. sing.)
  2. verleden tijd enkelvoud van vèène'

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VON - 2e hoofdvorm van 'vijnen'
vong
werkwoord

ving

- ook de vorm 'ving' komt voor
- verleden tijd van 'vange' (naar analogie van 'gong', 'hong' e.d.)
- Cees Robben - Wij schudden ons mölderkes mist uit de heg (...) of vonge ze rond de lantèère op straot... (19570525)
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VONG - 2e hoofdvorm van 'vangen' (ook: ving)
- WNT - VANGEN (I) - Gewestelijk (en ook bij dichters) komt veelvuldig voor: ik vong, wij vongen, (ge)vongen
vòntje
zelfstandig naamwoord

vaantje

- WBD - III.3.1:429 vaantje = wimpel
voogel
  1. zelfstandig naamwoord

    vogel Uitdrukking 1929 - A.J.A.C. van Delft - "Zoolang ze vrijen, zijn het minnebroeders, doch getrouwd worden het kruisheeren." En de vader wist ter aanvulling: "Zit de vogel in de kooi, dan fluit de vogelaar minder mooi." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929) 1964 - Pierre van Beek - Ja. hoe gaat het eigenlijk met die mannen: "Zolang ze vrijen zijn het minnebroeders, getrouwd worden het kruisheren". Men vertelt dat ook nog wel anders: "Zit de vogel in de kooi, dan fluit de vogelaar minder mooi". (Tilburgse Taalplastiek afl. 15; Nieuwsblad van het Zuiden, 21-10-1964) 2003 - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - zit de voogel in de kooj, dan flöt de voogelèèr minder mooj (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1964) - gezegd over een getrouwde man.

    - WTT 2012 - De uitdrukking spot met de houding van mannen (de vogelaar ofwel vogelvanger) ten opzichte van vrouwen (het vogeltje); tijdens de verkering zingt het mannetje zo mooi als hij kan om haar in het kooitje van het huwelijk te lokken, na het huwelijk wordt het wat dat betreft minder. Een en ander wordt ook uitgedrukt door de uitdrukking met 'minnebroeder' en 'kruisheer'.
  2. Samenstelling

    - WBD - èndvoogel - roepwoord voor een eend, waarnaast ook gelden; 'eend', ind', 'poel poel poel' en 'woele woele woele woele'
  3. zelfstandig naamwoord

    Afbeelding uit het 'Nuuw Tilburgs Leesplèngske' dat in 2020 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven in samenwerking met Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant en Erfgoed Tilburg. De illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn. voogelkôojkes vogelkooitjes

    - bijnaam van De Stadsheer, het appartementencomplex aan de Spoorlaan bij de Noordhoekring, zo genoemd wegens de uitstekende balkons.
    - Lodewijk van Dorrus Misters - "Het Groenewoud" was een bierhuis aan de tegenwoordige Groenewoudstraat en de Oude Dijk, die zijn begin vindt aan de Markt. Door de Broekhovense akkers is zijn voortzetting. Een andere woning in die buurt werd genoemd "het Vogelskooike" omdat de bouwer de naam Vogels droeg. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 13 Oude koffiehuizen in Tilburg 1; Nieuwe Tilburgsche Courant 16-2-1952)
voogelwaaj
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD - braakakker (stuk land dat men gedurende een of meer seizoenen laat rusten, teneinde de grond niet te zeer uit te putten) (Hasselts woord)
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'vogelwei' - braakliggende grond
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VOGELWEI znw.v. - akkerland dat ledig en onbebouwd liggende, vol onkruid gegroeid is.
  2. Kiliaen - VOGHEL-WEIJDE - ornithoboscium; solum cessans, ager effaectus.

vooj
zelfstandig naamwoord

- WBD - II.4.2:63 vooi = wijfje van een haas
voor
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - der is gin rèèchte voor meej te ploege - er valt niets mee te beginnen
- WBD - III.1.1. lemma aarsspleet voor, Tilburg
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 23) 'vu:r' = vôor (vore)
vôos
naam

voos, droog

- WBD - III.2.3:34 'voos' = stroef (van tanden)
- WBD - III.2.3.159 'voos' = rot (fruit); ook 'murt, verrimpeld
- WBD - III.4.4:33 'voos weer' = lauw weer, ook zoel, zacht
- WNT - VOOS veel betekenissen; zie aldaar
vôoze
werkwoord

- WNT - vooizen 'doen klinken (?)
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, Snert lust ie as ne grôte. Mar 's avonds zitten te vozen en ammaol van die sokkenlôpers, ge wit wel, die langs zunne rug omhoôg kruipe en bij zn halsboordje de vrijheid kiezen (24-02-1966)
- Cees Robben - Snert lust-ie as unne grôôte../ En 'saoves zit-ie mar te vôôze... (19661111)
vordil
zelfstandig naamwoord

voordeel

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vórdiltje
vordilvordil
vordiltje
zelfstandig naamwoord

voordeel

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vórdiltje
vordiltjevordiltje
vörk
zelfstandig naamwoord

vork deel van een boom waar de stam zich in tweeën splitst

- WBD - mistvörk - mestriek
- WBD - III.4.3:53 vork - splitsing van een stam; ook mik of gaffel genoemd
- WBD - (III.2.1:158) 'vork', ook 'vorket'
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. - vork, klein schopje met lange steel dat aan beide zijden een weinig naar binnen gebogen is; ze werd veel gebruikt door schepers en drijvers, die er kluitjes aarde mee staken.
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VÖRK (uitspr. vörrek) znw.v. schaapherdersschupken.
vorke
zelfstandig naamwoord

- WBD - ondiepe voor (bij het ploegen). Ondiep ploegen = 'schèlle'
- dim. van 'voor', met vocaalkrimping
vörm
zelfstandig naamwoord

vorm

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw. mannelijk vorm
vörme
  1. werkwoord

    vormen

    - Cees Robben - Zèède gij wèl gevörmd?
    - vörme - vörmde - gevörmd
  2. zelfstandig naamwoord

    vörrek vork

    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - èn as ge dan en tas verongelukte òf ge verongelukt en mès òf ge verongelukt oewe vörrek òf oewe leepel dan koste nòg betaolen ôok!!! Klik hier om dit bestand te beluisteren
vòrs
  1. naam

    vers, in het bijzonder van etenswaren

    - W.v.M. (Willem van Mook),Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930 - Jaans hee al van alles gedaon: op de Mert gestaon mee gaoren en baand en mee visch en gruunten geleurd. Dr echt artikel is eigenlijk vorschen bukkem.
    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vorsche bukkem'
    - Cees Robben - aacht vorse bukkeme (1960405) - Cees Robben - Dan it ie al dn vorse worst en hil mn soepvlees (19641231)
    - Cees Robben - ... of n bammeke mee n harteluk stukske vorse worst... (19840615) - Cees Robben - Gevierd as n vors aaike.. (19860411) - Cees Robben - Jan.. wilde gij dn klèène efkes unne vorse luur aonspeeten... (19691219)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 08 11 - Ik haol wir vorsgebakke mik.
  2. bijwoord

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), 'Kareltje Vinken', feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940 - ...vors als kadetjes en klaor om er in te bijte...
    - Cees Robben - Zèn dees aaier vors, baos..? (19740419) - Cees Robben - En ik strèèk mn bruukske wir vors in de plooi. (19700116) - Cees Robben - t Is nog vors (19600624)
  3. naam

    andere betekenissen

    - WBD - III.4.4:47 'vers weer' = druilerig, nat weer
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VERS (vors) bijvoeglijk naamwoord - 1) fris, nieuw, pas gegroeid of gemaakt: vorse mik; 2) gezegd van een koe die pas gekalfd heeft: 'n vorse koei.
vòrseghèd
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - versheid
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'vorsighèd' zelfstandig naamwoord - vers spul
vòrst
zelfstandig naamwoord

- WBD - nok van het dak (hoogste gedeelte, horizontale lijn gevormd door snijding van twee dakvlakken); ook 'nok' genoemd
- WBD - III.4.4:90 'vorst = idem (vriesweer)
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'vorst' - nok (van een dak)
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VORST zelfstandig naamwoord mannelijk en niet v. - nok van het dak; ook gebezigd voor 'vorstpan', maar dan v.
vòrsten
werkwoord

- WBD - III.4.4:91 'vorsten = vriezen; 94: 'vorsten' = rijpen
vort
bijwoord

voort, voortaan; heden ten dage; vooruit

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ik zieget vort slèècht - Mijn gezichtsvermogen gaat achteruit; Ik begin het slecht te zien.
- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ge lopt mar rèèchttoevort - Je loopt maar rechtdoor
- Cees Robben - Ge doet zôô mar vort... (19640522) voortaan - Cees Robben - dauwtrappen is vort van de baon..... (19540508)
- Dialectenquête 1887 Willems - zene mooter is kepót: hij kan nie vórt òf trug
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VOORT (Kemp. vört) bw - voorbij, verder, sprekend van den tijd.
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'vòrt' bw - voortaan
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VOORT i.p.v. voortaan, is hier veel in gebruik.
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VOORT bw - 1) vooruit: doe 's vort - schiet eens op; 2) voortaan, van nu af aan: ik gò vort mee de fiets; ik zé vort 'n aaw ménneke.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. 'voort' - voort: 1) verder, voortaan; 2) nu, op het ogenblik, tegenwoordig, heden ten dage
vòrt
  1. zelfstandig naamwoord

    1. heimwee, verlangen naar vroeger;

    - Cees Robben - Meej vaort in mn hart (19570706) - Cees Robben - t vaort me, jandoome... (19590207) in uitdrukkingen met kuntje: - Informant Toine Raaijmakers - ...dan denk ik meej vaort in men hart...
  2. uitdr. vaort/vòrt hèbbe - heimwee hebben; Int begien haj veul vort.

    - N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "voart - hedde nie veul voart gehad (is het je in 't eerst niet vreemd geweest?)"
    - Al die maonden mee in R. gebeuret mèn dikkels dek wir is vaort heb nor mn Tilburg. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) - Om honderd en één kleinigheike hèk vaort gehad, soms stillekes gejankt as in keind. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - int begien haj veul vòrt - aanvankelijk had hij veel heimwee
    - Stadsnieuws - Hij wont naa in Gôol, mar hij heej zon vaort nòr de stad. (190709)
    - WBD - III.1.4:275 'vaart' = heimwee; 276 'vaart hebben = heimwee hebben.
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'vaor' - vaar, onwennigheid: 'Hij hee niks geene vaor gehad.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VAART znw.v. - Vaart hebben - niet gewend worden, heimwee hebben.
  3. 2. vaart, snelheid

    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), in Groot Tilburg 1941 - Omslaon kos ze nie want ze stond zoo wè op den bojem, mar ak naa mee innen stok men eige wè lichtte, dan schoot die kiest vort, en zoo wier er gevaore dèt liefhebberij was. t Gong ten leste mee zoon vaort, dè de golven over de kaant henen spuulden.
    - Cees Robben - In n raozende vaort... (19541211)
  4. zelfstandig naamwoord

    vaart, heimwee, snelheid

    - Cees Robben - Wie heej gin haost en nôôt gin vort... (19570615)
    - WNT - VAART (III) - toestand waarbij het iemand vaart, waarbij hij ergens niet wennen kan of heimwee heeft. Alleen in Brabant.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - blz. 630 ... voor hetgeen wat elders heet 'het zal hem afvallen' zegt men hier 'het zal hem varen'. Het zelfst. nw. vaart is in denzelfden zin hier gebruikelijk
vortdoen
werkwoord

voortmaken, opschieten vórtdoen - deej vórt - vórtgedaon

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vórtdoen dè oew naoje kraoke ('75) - je uit de naad werken
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VOORTDOEN - voortgaan met iets te doen, Frans continuer
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VORT bw 1) vooruit: doe 's vort - schiet eens op.
- WNT - VOORTDOEN - 2) voortgaan met datgene waarmee men bezig is
vorthuu
tussenwerpsel

- WBD - vooruit! (voermansterm om een paard te doen voortgaan), ook 'juu' genoemd
- WNT - VORT - (I) 11) a) - als uitroep om rij-, trek- of lastdieren vooruit te doen gaan
vòrtje
  1. zelfstandig naamwoord

    1. heimwee, verlangen naar vroeger;

    - Cees Robben - Meej vaort in mn hart (19570706) - Cees Robben - t vaort me, jandoome... (19590207) in uitdrukkingen met kuntje: - Informant Toine Raaijmakers - ...dan denk ik meej vaort in men hart...
  2. uitdr. vaort/vòrt hèbbe - heimwee hebben; Int begien haj veul vort.

    - N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "voart - hedde nie veul voart gehad (is het je in 't eerst niet vreemd geweest?)"
    - Al die maonden mee in R. gebeuret mèn dikkels dek wir is vaort heb nor mn Tilburg. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) - Om honderd en één kleinigheike hèk vaort gehad, soms stillekes gejankt as in keind. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - int begien haj veul vòrt - aanvankelijk had hij veel heimwee
    - Stadsnieuws - Hij wont naa in Gôol, mar hij heej zon vaort nòr de stad. (190709)
    - WBD - III.1.4:275 'vaart' = heimwee; 276 'vaart hebben = heimwee hebben.
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'vaor' - vaar, onwennigheid: 'Hij hee niks geene vaor gehad.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VAART znw.v. - Vaart hebben - niet gewend worden, heimwee hebben.
  3. 2. vaart, snelheid

    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), in Groot Tilburg 1941 - Omslaon kos ze nie want ze stond zoo wè op den bojem, mar ak naa mee innen stok men eige wè lichtte, dan schoot die kiest vort, en zoo wier er gevaore dèt liefhebberij was. t Gong ten leste mee zoon vaort, dè de golven over de kaant henen spuulden.
    - Cees Robben - In n raozende vaort... (19541211)
  4. zelfstandig naamwoord

    vaartje

    - Voorbeeld op systeemkaart van Wil Sterenborh - Meej en vòrtje van sisteg
    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vòrtje
    - dim. van 'vaort', met vocaalkrimping
vos
werkwoord

- Èn daor haddet al, hij wó nie betaole omreje dèttie et te duur vos (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
- Zie ook 'vosse' en 'vossie'.
vòs
zelfstandig naamwoord

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dim. vòske/vòsje
- WBD - vòs - vospaard
- WBD - dónkere vòs - bep. koffievos (donker)
- WBD - kòffievòs (Hasselt) - de donkerrode koffievos
- WBD - zwèètvòs - bep. koffievos (zonder kleuraanduiding)
- WBD - goudvòs - bep. koffievos (zonder kleuraanduiding)
- WBD - vòsschimmel - gekleurde schimmel, ook genoemd 'rôodschimmel', blauwschimmel', of (Hasselts) 'blauwe' resp. 'brèùne'
- WBD - vòsbónt pèèrd - vosbont paard (roodbont), ook genoemd 'rôojbónt pèrt' of (Hasselt) 'koepèèrd'
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as de vòs oud wòrdt daansen de kiepe óp zene rug (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969.) - een oud mens verliest zijn energie en gezag.
vòsvòs
vösje
zelfstandig naamwoord

vuist Meej de vöst op tòffel slaon. - Met de vuist op tafel slaan.

- Cees Robben - vur de vöst
- WBD - III.1.1:160 'vuist = vuist
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - VUIST - vöst znw.vr.; dim. vösteke
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vöste zelfstandig naamwoord - vuisten
vòske
zelfstandig naamwoord

vaas, vaasje

vöske
zelfstandig naamwoord

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dim. vòske/vòsje
- WBD - vòs - vospaard
- WBD - dónkere vòs - bep. koffievos (donker)
- WBD - kòffievòs (Hasselt) - de donkerrode koffievos
- WBD - zwèètvòs - bep. koffievos (zonder kleuraanduiding)
- WBD - goudvòs - bep. koffievos (zonder kleuraanduiding)
- WBD - vòsschimmel - gekleurde schimmel, ook genoemd 'rôodschimmel', blauwschimmel', of (Hasselts) 'blauwe' resp. 'brèùne'
- WBD - vòsbónt pèèrd - vosbont paard (roodbont), ook genoemd 'rôojbónt pèrt' of (Hasselt) 'koepèèrd'
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as de vòs oud wòrdt daansen de kiepe óp zene rug (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969.) - een oud mens verliest zijn energie en gezag.
vöskevöske
vosse
  1. samentrekking

    vonden zij - vosse

    - mar zèllefs die vossen et nie te frèète. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
  2. Vaccinium vitis-idaea -Wikipedia

vòssebès
zelfstandig naamwoord

- WBD - III.4.3:182 vòssebès - rode bosbes
vòssebès
vossie
samentrekking

vond hij - vossie

- Dè vossie wèl wè (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
vossik
samentrekking

vond ik - vossik

- Dè vossik tòch zô schôon. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
vöst
zelfstandig naamwoord

vuist Meej de vöst op tòffel slaon. - Met de vuist op tafel slaan.

- Cees Robben - vur de vöst
- WBD - III.1.1:160 'vuist = vuist
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - VUIST - vöst znw.vr.; dim. vösteke
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vöste zelfstandig naamwoord - vuisten
vöste
werkwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vuisten, gokspelletje spelen, bambezaaien
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vöste ww - vuisten, bamzaaien
- WNT - VUISTEN - afl. 8 ° als benaming voor een spel: handje raden
vòtje
zelfstandig naamwoord

vaatje Pierre van Beek - vòtje zuur bier - oude vrijster

- WBD - III.4.4:300 'vaatje' = 250 liter, ook 'okshoofd' of 'karneuk'
- dim. van 'vat', via 'vaote', met vocaalkrimping
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VAATJE znw.o. - vierde eener gewone ton
vraacht
zelfstandig naamwoord

vracht

- Cees Robben - Ge kóndt meej vur hêel vraacht of halve vraacht
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'vraacht' - vracht
vraat
werkwoord

vrat verleden tijd van 'vreete

vraaw
zelfstandig naamwoord

vrouw

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 24) 'vraw' = vraaw
vrak
  1. zelfstandig naamwoord

    1. wrak

    - WBD - mager paard, ook genoemd 'kapstòk'
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - WRAK - vrak - wrang
    - WNT - VRAK = wrak
  2. 2. vrek En toen ie grotter wier, ies ie zo gierig geworre, zonne vrak, zo interessaant, zonne pin, zo gierig as de naacht. (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

vrammes
  1. naam

    vrouw (vrouwmens)

    - A.J.A.C. van Delft - "Dè vrammes (vrouwmensch) moes d'r ège schaome." Dit is: Die vrouw moest zich schamen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)
  2. samentrekking

    ...de vrouw van Cornelissen waar 'n buitengewoon degelijk meensch, een reuzin van een frammes... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939) ...en daor kwaamp me in geweldig zwaorwichtig vrammes aongehold... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) Die is wèl getrouwd! Mee 'n dochter van Door de Vries en dè wit-ie-zelf ook, want ie hee twaalf gegooid hurre! Krimmeneel wen vrammes is dè! (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

vraog
zelfstandig naamwoord

vraag

- Cees Robben - òf ie durlópt blèèft de vraog;
- WBD - III.3.1:264 'vraag' = verzoek
vraoge
werkwoord

vragen vraoge - vroeg - gevraoge

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vroage - vroagde (vragen - vraagde)
- Pierre van Beek - Vraokoewiets? - Vraag ik je iets?
- Cees Robben - Gaoget op de mert mar vraogen. (19540306)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 01 14 - "De buurvrouw hee me òk gevraoge / Zuukt is naor 'n goei kesjet
- Naodè we et nog hier en daor gevraoge han (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hèk jou wè gevraoge? - heb ik jou iets gevraagd?
- daor hak nie om gevraoge... (Henriëtte Vunderink, Et möske, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
- Daor hèdde zèlf nie om gevraogen, hè. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)
- WBD - III.3.1:39 'vragen', 'verzoeken, noden, uitnodigen' = uitnodigen
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Notities m.b.t. het participium op kaart 'gevraoge'.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st. ww. (verl. tijd 'vroeg', vd. 'gevraoge(n)' en 'gevraogd)
vrèddag
  1. zelfstandig naamwoord

    vrijdag

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - Vrêdaag - vrijdag (ê = die van Frans même)
  2. naam

    Vleeë Vreddag hek inne kaoter gestrikt man! (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw. mannelijk - vrijdag; Gé hoewft geene vreddag te haawe - Gij (een zieke) zijt niet verplicht de vastenwet op vrijdagen te onderhouden.
  3. bijwoord

    vrijdags de vrèdagse mèrt - de vrijdagse markt de vrèdagse cent (houdt verband met de vrijdagse markt: snoepcent voor de kinderen) op vrijdag Frans Verbunt (1996) - agge vrèdags vlees it, krèède ene stèrt Freddags gaok noot nie de netuur in... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

vrêef
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD - wreef: het hoogste deel van de voorzijde van de voet (II:713)
    - WBD - III.1.1.175 'wreef' = wreef
  2. ook verleden tijd van vrèève

    - WNT - VREEF = wreef
vreejeg
bijwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vredig
vrêeke
werkwoord

wreken

- Dialectenquête 1887 Willems - vrêeke - vrôok - gevrooke
- WNT - VREKEN - wreken
vrêet
  1. naam

    parmantig, deftig, trots Pierre van Beek - sjiek, voornaam M vrêet Soms mocht ik neffen onze ôme Henk op et maaimesjien zitten. Daor waar ik vréét op (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

    - WBD - vreet - moedig en opgewekt (van een paard), ook 'wakker' genoemd
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej lêed èn vrêet gegaon (KN'30) - zie 'lêed'
    - WBD - III.1.4:165 'freed' = pront; 167 'freed' = deftig; l68 'freed' = trots; 217 'freed' = onstuimig
  2. naam

    Haor VREET - fel

    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - WREED zeggen in deze streken de landlieden voor moedig, deftig.
vreete
werkwoord

vreten

- vreete - vraat gevreete; in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij vrit
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'ze vrèten de oren van oewe kop'
- Nao die veulgewenste Vrede,/ Lieve Vrede, mee in Dee. / Wens ik oe, nén overvloed van Vrete,/ Vet, veul, en lekker, mee in Tee (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, Hij hee hersens as ne krentenbol en daor is dan nog van gevreete (16-01-1975)
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, (n Tilburger bestelde in n restaurant een kreeftencocktail, welke zéér matig voor de dag kwam. Zn opmerking luidde: )- Bij ons vreete ze kreeft, dè de pôotjes uit onzen bek hangen (17-10-1966)
vrèève
werkwoord

wrijven

- Dialectenquête 1887 Willems - vrèève - vrêef - gevreeve
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st.ww. (verleden tijd ook 'vreefde') tr. vrijven' - wrijven
- WNT - VRIJVEN = wrijven
vrèlle
werkwoord

dwarszitten De Wijs - Denkte gullie dettie kaôt zô zèn omdek zô gevrêld heb (vrellen = dwarszitten)

vrèmd
  1. naam

    vreemd

    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vrèmd volk - vreemdelingen
    - Cees Robben - [vader tegen een kind] Alleej... Gift dn ôôme is n hendje... Hij is wel vrimd... Mar nie vremd vur oe... (19580510)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vrèmd gaon - vreemd gaan
    - WBD - III.1.4:278 'vreemd' = onwennig
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VREMD bvw - vreemd, Frans étranger. Veel verwante talen hebben den korten klinker: Oudeng. fremd, Hgd. fremd, Deen. fremmed, Zw. fremmande
    - WNT - VREEMD, vremd
  2. bijwoord

    vreemd (Vos in CR)

    - Cees Robben - [vader tegen een kind] Alleej... Gift dn ôôme is n hendje... Hij is wel vrimd... Mar nie vremd vur oe... (19580510)
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - vre'mt, bijvoeglijk naamwoord 'vreemd' - vreemd
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - VREEMD - vrimt zn/bijvoeglijk naamwoord (vrimder, vrimste): nen - vogel (fig.)
vrèmde
  1. zelfstandig naamwoord

    vreemde

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, t is as 2 druppels waoter, hij heeget van ginnen vrèmde (27-12-1968)
  2. Frans Verbunt (1996) - vreemdeling (iem. die nog niet zo lang in Tilburg woont)

    - WBD - III.3.1:30 'een vreemde, vreemde mens = vreemde, ook 'ene nie van hier'
    - WBD - III.3.1:30 'vreemden' = buitendorpsen
    - WNT - VREEMDE, vremde - persoon die tot een ander land of volk behoort, die uit een ander land afkomstig is ...
vrèmdeling
zelfstandig naamwoord

vreemdeling

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - ' vrimdelingen'
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VREMDELING zelfstandig naamwoord mannelijk - vreemdeling, Frans étranger
- WNT - VREEMDELING, vremdeling
vrêûke
  1. werkwoord

    intensief werken; loswrikken; wringen vrêûke - vrukte - gevrukt, met vocaalkrimping. ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij vrukt

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 37) vrêûke - gij/hij vrukt
    - Een roestpraatje ( Weekblad van Tilburg , 5 oktober 1867): As vreuken nie meer en hulpt en alleskes veul overstuurs gee? Daar geannoteerd als: hard werken; zou het als wroken oorspronkelijk naast werken gestaan hebben?
    - Daamen Handschrift 1916 - reuken - hard, onafgebroken werken.
    - Piet Heerkens; uit: Brabant , Aaw weeverlieke (1941):
    vrêûke
  2. we vreuken mee haanden en voeten, om demme van erremoei moeten...

    - Piet Heerkens; uit Vertesselkes , De deur van de kerk van Baokel, 1944:
  3. en kwaam daor veur 'n heg van brem en scherpe doren; hij vrong en vreukte vreed om deur die heg te komen

    - Piet Heerkens; uit De knaorrie , t Peerebumke, 1949:
  4. Och, peerdekraachte vreuke vreed aon kêr en ploeg...

    - Piet Heerkens; uit De knaorrie , Aon den Erteman, 1949: hij vreukt as n perd...
    - Leo Heerkens; uit De knaorrie (Piet Heerkens), Vruuger en naa, 1949):
  5. Vruuger, ochgod, 't waar zingen en springe, den hemel... hij leek me zo schoon, en dichtbij, mar naa, och Heer, 't is vreuken en vringe, a'k er mar koom, dan ben ik al blij.

    - Cees Robben - t vreuken en sjouwe... (19570309) - Cees Robben - En wij vreuke en vruute ons dol... (19580308) - Cees Robben - Kunde vreuke..? jao, meneer Lewie... (19841005)
    - De Wijs - Gaon we driehappelepappe of pliesieke speulen mee vreuke? (15-06-1963)
    - Quinten - tis unne vrûkurt die zunne wirgà nie kent! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken ; ca. 1990)
    - Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007: Mistal plektedie [de heilige hostie] òn oew verhemelte vaast en zaate de hille mis meej oew tong vort te vrêûke om em los te krèège en dur te slikken
    - Èn ikke mar vrêûke aachter et fornèùs. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
    - WBD - III.1.4:345 'wreuken' = zwoegen
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - vrêêke, vreike, vreuke, vruiken - wringen, hard werken
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WROOKEN, ook WRUËKEN - al wrikkende wringen, met geweld wringen; gewrook, gewruëk
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'vreuken' (wreuken, wreken) - wringen, verdraaien, ... met geweld omdraaien, duwen of trekken, zodat ...
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VREUKEN (vreu:ke) onov. ww - hard werken met inspanning v. grote lichamelijke kracht en twijfelachtige efficiëntie. Verwant met: wreken? wringen?
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'vrèuke' ww - wringen, hard werken
    - WNT - WREKEN (II), wreiken, wrieken, wreuken, wrooken, vreken, vreiken, vreuken - 1) m.b.t. concrete zaken: met geweld, met kracht heen en weer bewegen met het oogmerk het genoemde los te maken; 2) met inspanning van al zijn krachten werken; 4) moeilijkheden maken,krakeelen.
    - Naglijder op basis van verwantschap met 'wrooken' met scherplange oo.
  6. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

vrêûker
  1. zelfstandig naamwoord

    iemand die continu bezig is, zonder er voldoening van te hebben; (fig.) indringer

    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'zoo'nen vreuker'
    - N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "'t is ne vreuker"
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - dè zèn pas vrêûkers - dat zijn doorzetters
    vrêûker
  2. Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - et vrêûkerke = Leyten (blz. 52) Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - ene vrêûker = hard werkende textielarbeider (blz. 98)

    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'vreuker' - hij die altijd - vroeg en laat, hard werkt (met de bedoeling veel geld en goed te vergaren), in ruimere en vagere zin: sterke en enigszins lompe kerel.
    - WNT - WREKER (II), wrekerd, vreker(d), vreiker, vreuker - l) harde werker; 2) ruziemaker, twistzoeker
  3. bijwoord

    vrèùt vooruit En toch gink ut vruit! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 9 februari 1945)

vriend
  1. zelfstandig naamwoord

    vriend

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - de genoddigde gaaste, vrenden en noabure
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - allemans vriend is allemans gèk (Dl6) - wie voor iedereen goed is, ziet zijn goedheid al gauw misbruikt
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej vrienden ist nèt as meej zwòlme: ge ziet ze allêenig meej schoon weer (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - uiting van een gedesillusioneerd mens
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VRIND zelfstandig naamwoord mannelijk - vriend
  2. zelfstandig naamwoord

    vries van fries

    - Henk van Rijswijk, Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool, 1 september 1950 tot en met juli 1954 - Vries: zeer oude benaming voor een grof wollen strijkgaren weefsel met langharig dek uit grovere wol van losgesponnen inslaggarens. Gebruikt voor winterkleding en overjassen. Rood, lichtblauw en donkerblauw vries: als vries maar dan in de wol geverfd waarbij de kleur afhankelijk is van het gebruik. Meestal in 4 schachts gelijkzijdige keper geweven.
  3. zelfstandig naamwoord

vrieze
  1. werkwoord

    vriezen

    - Dialectenquête 1887 Willems - vrieze - vroor - gevroore
  2. As 't naaw ok mar zô lang goei weer blijft en nie begient te vriezen dè de kaaien er van barsten. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VRIEZEN vroos, gevrozen, niet vroor, gevrozen.
  3. werkwoord

    vrije vrijen vrije - vreej - gevreeje

    - Dialectenquête 1887 Willems - vrije - vrijde - gevrijd
    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - vrije dèt klapt (uitdr.) - innig vrijen
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, Zij is aaltij haontje de veurste gewist, echt bèdehaand; ze vree mee dur zistien al thuîs en mee t trouwen mos ze ôk hard lôope (10-03-1967)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - agge gaot vrije, motte er êene vatte wòr ge de schorsteen van ziet rôoke
    - Pierre van Beek - Vrijen is zachjes praoten èn hard liege (Tilburgse Taalplastiek 132, 1971; BrH 58:207); Die vrijt meej zin, houdt et leeve derin.(BrH 58:208)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as ge wilt gòn vrije, dan moete ne knòl óp zak hèbbe (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ); knôl= horloge (zie aldaar onder Made)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ik zèè gevreeje, zit mèske, èn ze waar mar eens gekust, óp et lèlleke van der oor (D16)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as ze vrije, zègge ze 'lieveke, moete poepe?', èn as ze getrouwd zèn: 'kreng, moete schèète?' ('70)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - die vrijt, die haawt er et leeven in ('73)
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st. ww. (vreei-e(n)), gevreie(n)), intr. - vrijen
vrijeghèd
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vrijheid
vrijer
zelfstandig naamwoord

vrijer

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - durren vrêier is èrg ziek - (ê = die in gête - geiten)
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vrijersgèld moete betaole (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - jongens die van buiten de dorpsgemeenschap kwamen vrijen in een bepaalde herdgang, werden tegengehouden en moesten zich met een rondje vrijkopen.
vrijersgèld
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - drinkgeld om een meisje uit een andere buurt vrij (los) te kopen
vrimd
  1. naam

    vreemd

    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vrèmd volk - vreemdelingen
    - Cees Robben - [vader tegen een kind] Alleej... Gift dn ôôme is n hendje... Hij is wel vrimd... Mar nie vremd vur oe... (19580510)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vrèmd gaon - vreemd gaan
    - WBD - III.1.4:278 'vreemd' = onwennig
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VREMD bvw - vreemd, Frans étranger. Veel verwante talen hebben den korten klinker: Oudeng. fremd, Hgd. fremd, Deen. fremmed, Zw. fremmande
    - WNT - VREEMD, vremd
  2. bijwoord

    vreemd (Vos in CR)

    - Cees Robben - [vader tegen een kind] Alleej... Gift dn ôôme is n hendje... Hij is wel vrimd... Mar nie vremd vur oe... (19580510)
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - vre'mt, bijvoeglijk naamwoord 'vreemd' - vreemd
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - VREEMD - vrimt zn/bijvoeglijk naamwoord (vrimder, vrimste): nen - vogel (fig.)
vringe
werkwoord

wringen; dwarszitten;

- A.J.A.C. van Delft - "Dat hij niet praot, vringt me" wil zeggen: Het doet mij leed, dat hij niet tegen mij spreekt. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
- Cees Robben - der is aaltij iets wèt oe vringt;
- WBD - III.1.3:212 'wringen = knellen, gezegd v. schoenen; ook:'nijpen, knellen'
- WBD - III.1.4:239 'wringen' = wrokken
- WBD - III.2.1:336 'wringen = idem (v.d.was)
- Dialectenquête 1887 Willems - wringe - wrong - gewronge
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - WRINGEN onov.ww - behalve de gebuikelijke bet. ook: moeilijkheden maken, vitten, ontevreden zijn over elke regeling, ruzie zoeken. Iemand die dit regelmatig doet is een 'wringkloot' of 'neetoor'.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st.ww.tr. + intr. vringen wringen
- WNT - WRINGEN, wrengen, vringen, vrengen
vringer
  1. zelfstandig naamwoord

    - A.J.A.C. van Delft - Een "vringer" is een doordrijver, een dwarszitter. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
  2. zelfstandig naamwoord

    Pierre van Beek - dwarsdrijver, ruziezoeker Ik had en ôom, hij is al jaore dôod./ Enen drammer hij wies aaltij alles beeter./ We noemden em dwarsdrèèver of bètweeter,/ òf vringerd, waor ie ok nie van verschôot. (Henriëtte Vunderink, Kriem pasjoonèl?, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)

    - WBD - (III.2.1:337) 'wringer' = mangel
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw., mannelijk 'vringer(d) - wringer(d), iemand die wrok draagt en ruzie zoekt
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WRINGER zelfstandig naamwoord mannelijk - persoon die wrok draagt, nijdigaard.
    - WNT - WRINGER - 5) persoon die vaak of graag iemand tegenwerkt of ruzie zoekt, dwarsdrijver
vringerd
  1. zelfstandig naamwoord

    - A.J.A.C. van Delft - Een "vringer" is een doordrijver, een dwarszitter. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
  2. zelfstandig naamwoord

    Pierre van Beek - dwarsdrijver, ruziezoeker Ik had en ôom, hij is al jaore dôod./ Enen drammer hij wies aaltij alles beeter./ We noemden em dwarsdrèèver of bètweeter,/ òf vringerd, waor ie ok nie van verschôot. (Henriëtte Vunderink, Kriem pasjoonèl?, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)

    - WBD - (III.2.1:337) 'wringer' = mangel
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw., mannelijk 'vringer(d) - wringer(d), iemand die wrok draagt en ruzie zoekt
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WRINGER zelfstandig naamwoord mannelijk - persoon die wrok draagt, nijdigaard.
    - WNT - WRINGER - 5) persoon die vaak of graag iemand tegenwerkt of ruzie zoekt, dwarsdrijver
vringklôot
zelfstandig naamwoord

dwarsdrijver, ruziezoeker

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - vringkloo:t m., - iemand die moeilijkheden maakt, vit, ontevreden is over elke regeling, ruzie zoekt; neetoor.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'vringkleut' - wringkloot, iemand die wrok draagt en ruzie zoekt.
- WNT - WRINGKLOOT (N.-Brab.) persoon die vaak ruzie zoekt, moeilijkheden maakt
vrit
  1. werkwoord

    vreet

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'vrit aa'tij alles op
    - 2e & 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'vreete', met vocaalkrimping
  2. bijwoord

    vroegertèèd vroeger

    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En hil ouwe taante van mèn grotmoeder, zak zegge, die wonde toen vroegertèèd op Roosephoeve in Oisterwijk, dè was teege den Orschòtsendèèk aon Klik hier om dit bestand te beluisteren
vrògske
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vraagje
vrollek
naam

vrolijk

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vrollik
vrom
bijwoord

wederom, terug fleeweek vrom - de voor-vorige week

- Cees Robben - vleeje-week-vrom (19680816)
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VROM bw - samentrekking van wederom, terug; VROMPAKKEN ww. - terugpakken
- WNT - WEDEROM, wederomme, weerom, vrom
vrommes
  1. zelfstandig naamwoord

    vrouwmens, vrommes, vrammes, frammes

    - Kees en Bart - dialoog in Tilburg Post 1922-193? - et frammeske: vrammes, vrammesen
    - Kees en Bart - dialoog in Tilburg Post 1922-193? - ''n heele berzie wilde vrammessen'; ''n strant vrammes'
    - Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet, feuilleton in 5 aflevering in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939)...al is ze veur de rest 'n heel pront frammes ...
    - J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VROUWMENSCH. Dit woord, in Holland bijna een scheldwoord, heeft in deze streken, bijzonder bij de landlieden, niets verachtelijks. .... In 'vrouwmensch' ligt minder eene tautologie dan in MANSKEREL.
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 -frames: variant van 'vrames'
  2. zelfstandig naamwoord

    vrouwmens

    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - et frammeske; vrammes, vrammesen
    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - ''n heele berzie wilde vrammessen'; ''n strant vrammes'
  3. D16 "vrammes - van het woord 'vrouwmensch'" Och, Hannie, ik kan nie genog van oe haawe,

    - WNT - VROUWMENSCH, vrouwenmensch, vrommes
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - vrommes - vrouw. Verholen samenst. van vrouw en mens
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VROMMES o. - vrouwmens
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VROUWMENSCH. Dit woord, in Holland bijna een scheldwoord, heeft in deze streken, bijzonder bij de landlieden, niets veraohtelijks. In'vrouwmensch' ligt minder een tautologie dan in MANSKEREL.
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. 'vrammes' - vrouwmens (gehuwd en ongehuwd)
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VREMMES, ook VRÄMMES en VRAMES znw.o. - vrouwmensch
  4. Oppr. VROMMES znw.onzijdig; vrouwspersoon, soms eenigszins minachtend.

vrötgang
  1. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vooruitgang
  2. zelfstandig naamwoord

    vrötzicht vooruitzicht SJAREL. Jè, dè zik. As we naaw zomer han dan ginke we nor den wenter. En naame in de wenter zitte gomme nor den zomer. Des teminste n goei vruitzicht. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 2 februari 1945)

vrouw
  1. zelfstandig naamwoord

    vrouw

    - Gezegde: Twee vrouwen in êen hèùs zèn as twee katte meej êen mèùs.
    - Gezegde: En vrouwehaand èn en pèèrdetaand meuge nôot stilstaon.
    - Gezegde: Bèdehaand as en vrouwehaand èn en pèèrdetaand.
    - Gezegde: Den bakker heeter zen vrouw durgejaogd. (brood met gaten)
    - Pierre van Beek - "'n Vrouwenhand en 'n paardetand mogen nooit stilstaan." - Een vrouw dient bedrijvig te wezen. (Nwe. Tilb. Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)
    - Cees Robben - dè krikkel vrouwke; èn naa toch niks vergeete, vrouwke?
    - Cees Robben - de miste boere hier slaope nog bij der èège vrouw; jè vrouwke;
    - Cees Robben - ast er naawt, is óns vrouw den baos;
    - Cees Robben - en blènde vrouw èn enen dôove meens;
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - Ónze Lieve vrouw stao int dónker (73) - men zit er krap bij
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hêete vrouwen èn kaawe koffie is tèèdwinst ('72) - ironische opmerking van mannen: bij beide bereikt men zijn doel sneller.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as en vrouw et circuspèrdje öthangt, kòst ze veul strôoj (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - Luxe kost geld
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as der en vrouw getrouwd òf en pèrd gekòcht wòrdt, moete der nie tusse koorme (Kn '50) - aan tussenkomst is geen eer te behalen
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as ge gaot trouwe, moete begiene meej en aaw vrouw èn en jóng vèèreke,
  2. aanders boerde oover de start (vB'72) - . . . anders ga je over de kop wegens te hoge uitgaven en te lage inkomsten.

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en vrouw zee per dag driemaol de wòrrend: smèèrges 'ik zèè niks wèrd', smiddags 'vatte gullie mar, ik zal et mènne wèl krèège; saoves 'hil den dag gesjouwd èn nog niks gedaon' ('75); variant: ('50): 'smèèrges 'kèb zónne vèùle smaok', smiddags 'vatte gullie mar, ik krèèg et mènne wèl', saoves 'hil den dag gewèèrkt èn niks ópgeschoote.
    - N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - flèùtende vrouwen èn brullende koej zèn zèlde goej
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vraaw'
  3. Frans Verbunt (1996) - ge hèt twee sorte vrouwe: kaoj èn verrèkte kaoj

    - WBD - III.3.1:23 'vrouw', 'wijf' = vrouw
    - WBD - III.3.1:33 'vrouw' = mevrouw; ook: 'juffrouw'
    - WBD - III.3.1:35 'vrouw' = boerin; ook 'bazin'
    - WBD - III.1.1:4 'vrouwspersoon' = vrouw; 5 'vrouwmens' = vrouw
    - WBD - III.3.2:178 'vrouw' = vrouw in het kaartspel
    - WBD - III.2.2:47 'vrouwmens' = jonge vrouw; ook 'jonge vrouwmens'
    - WBD - III.2.2:88 'vrouwmens' = echtgenote
vrouwetong
zelfstandig naamwoord

vrouwentong

- Cees Robben - Un vrouwetong en unne gèètestart .. staon nôôt stil.. (19640626)
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en vrouwetóng èn ene gèètestart stòn nôot stil ('69) - ironische opmerking over het gepraat van vrouwen
vrouwetraon
  1. zelfstandig naamwoord

    vrouwentraan

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vrouwetraone ... en kwartje den eemer (Pierre van Beek -Tilburgse Taalplastiek 70) - ze vloeien rijkelijk
  2. en er wordt weinig waarde aan gehecht

vrouwke
  1. zelfstandig naamwoord

    vrouw

    - Gezegde: Twee vrouwen in êen hèùs zèn as twee katte meej êen mèùs.
    - Gezegde: En vrouwehaand èn en pèèrdetaand meuge nôot stilstaon.
    - Gezegde: Bèdehaand as en vrouwehaand èn en pèèrdetaand.
    - Gezegde: Den bakker heeter zen vrouw durgejaogd. (brood met gaten)
    - Pierre van Beek - "'n Vrouwenhand en 'n paardetand mogen nooit stilstaan." - Een vrouw dient bedrijvig te wezen. (Nwe. Tilb. Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)
    - Cees Robben - dè krikkel vrouwke; èn naa toch niks vergeete, vrouwke?
    - Cees Robben - de miste boere hier slaope nog bij der èège vrouw; jè vrouwke;
    - Cees Robben - ast er naawt, is óns vrouw den baos;
    - Cees Robben - en blènde vrouw èn enen dôove meens;
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - Ónze Lieve vrouw stao int dónker (73) - men zit er krap bij
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hêete vrouwen èn kaawe koffie is tèèdwinst ('72) - ironische opmerking van mannen: bij beide bereikt men zijn doel sneller.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as en vrouw et circuspèrdje öthangt, kòst ze veul strôoj (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - Luxe kost geld
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as der en vrouw getrouwd òf en pèrd gekòcht wòrdt, moete der nie tusse koorme (Kn '50) - aan tussenkomst is geen eer te behalen
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as ge gaot trouwe, moete begiene meej en aaw vrouw èn en jóng vèèreke,
  2. aanders boerde oover de start (vB'72) - . . . anders ga je over de kop wegens te hoge uitgaven en te lage inkomsten.

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en vrouw zee per dag driemaol de wòrrend: smèèrges 'ik zèè niks wèrd', smiddags 'vatte gullie mar, ik zal et mènne wèl krèège; saoves 'hil den dag gesjouwd èn nog niks gedaon' ('75); variant: ('50): 'smèèrges 'kèb zónne vèùle smaok', smiddags 'vatte gullie mar, ik krèèg et mènne wèl', saoves 'hil den dag gewèèrkt èn niks ópgeschoote.
    - N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - flèùtende vrouwen èn brullende koej zèn zèlde goej
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vraaw'
  3. Frans Verbunt (1996) - ge hèt twee sorte vrouwe: kaoj èn verrèkte kaoj

    - WBD - III.3.1:23 'vrouw', 'wijf' = vrouw
    - WBD - III.3.1:33 'vrouw' = mevrouw; ook: 'juffrouw'
    - WBD - III.3.1:35 'vrouw' = boerin; ook 'bazin'
    - WBD - III.1.1:4 'vrouwspersoon' = vrouw; 5 'vrouwmens' = vrouw
    - WBD - III.3.2:178 'vrouw' = vrouw in het kaartspel
    - WBD - III.2.2:47 'vrouwmens' = jonge vrouw; ook 'jonge vrouwmens'
    - WBD - III.2.2:88 'vrouwmens' = echtgenote
  4. zelfstandig naamwoord

    vrouwtje

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as vrouwke vèùl den hèrd ötkèèrt, laagen aile huukskes (Oostbrab. '78); as plöddeke vèùl de kaomer doe, dan stinken alle huukskes (Tilburg '72)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'èn' zeej óns-lief-vrouwke (HM'70) - reactie van iemand die niet geloofd dat iets maar zo weinig gekost heeft
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et was naa gedaon meej et sèùker lievevrouwke (HM'70) - het was nu uit met het goede leven
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - óns-lief-vrouwke, gift em nòg en douwke - schietgebedje tijdens het overvliegen van een V1 of V2
  5. Lied: Vrouwke tis vastenaovend

vrouwmèèd
  1. zelfstandig naamwoord

    Pierre van Beek - meid die de huisvrouw vervangt

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vraawmèèd'
    - WNT - Vrouw(e)meid (ook als kopp. vrouw-meid), (gewest.) - opperste meid bij eenen weduwnaar
  2. Westfries (Pannekeet) vrouwmoid, in de zegsw. 'as vrouwmoid diene' - als diensbode werkzaam zijn met de bedoeling of met de hoop t.z.t. de baas te trouwen (verouderd) Ghijs. vrouwemeid - boerenhuishoudster, speciaal b.e. weduwnaar.

    - WNT - VROUW(E)MEID, gewest. vrouwmeid - opperste meid bij een weduwnaar
vrouwvòlk
zelfstandig naamwoord

vrouwvolk

- WBD - III.3.1:23 'vrouwvolk', 'wijfvolk'
vrukseltje
zelfstandig naamwoord

nietig persoontje (zie vrêûke)

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "'t is mar 'n vreukseltje - mismaakt ineengedrongen meisje of kind"
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - kent voor 'wringen, verdraaien' het ww 'vreuken'. Hij citeert daarbij ook uit Brabantius de omschr. 'eenig werktuig dat ergens in- of ondergestoken is met geweld omdraaien, -duwen of -trekken, zoo dat het werktuig dreigt te breken.' Het bet.-element 'mismaakt staat dus wel voorop. Het achtervoegsel (= suffix) -sel is produktief ter vorming van substantiva, vooral v. abstracta in pejorat. zin.
- WNT - WREKEN II - Woordsoort: ww. (zw., trans., intr.) Modern lemma: wreken WREIKEN, WRIEKEN, WREUKEN, WROOKEN, VREKEN, VREIKEN, VREUKEN , bedr. en onz., (...) Een met wrikken verwant woord, dat vooral gewest. nog bewaard is en dan in den regel met vr- gerealiseerd wordt, naast vre(e)ken ook in den vorm vreuken en verder als vreiken. Incidenteel treft men ook in de oudere taal wel een spelling vreken aan. (...) Gewest. in Vl.-België wordt naast wreuken ook wrooken gebezigd (zie CORN.-VERVL. [1903] en vgl. ook SCHUERM. [1865-1870] en DE BO 1411 a [1873]); SCHUERM. [1865-1870] verwijst onder wrooken in de bet. wringen naar wrikken, dat blijkens zijn opgave (wrok, gewrokken) en voorbeeldzin (ik heb mijnen arm gewrokken)
vrukte
werkwoord

wrikt(e) los, hard werken

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 37) vreuke - hij vrukt
- tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'vrêûke', met vocaalkrimping
- Cees Robben - Mar Jantje (...) vruutte, vrukte vort... (19611229)
vruug
  1. bijwoord

    vroeg

    - Cees Robben - ik mót mèèrege vruug óp; vruug òf laot;
    - Cees Robben - vruug ópstaon dè is gin prófèèt;
  2. naam

    Kern's mêrges vruug (ê als in Frans même)

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vruug óp èn meej de kiepen óp stòk, dè zal et em nie verlieze (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - een geregeld leven geeft veel rendement.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ast kómt, kómmet vruug genóg (HM'66)-vervelende dingen komen altijd vlug
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vruug in de waaj èn laot vèt (Dl6)- jong getrouwd, zonder succes
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VRUEG of vruug, naar het Hoogd. frühe.
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - vruug (krt. 34), met umlaut (blz. 89)
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VRUUG bijvoeglijk naamwoord /bw - vroeg
vruuger
  1. bijwoord

    vroeg

    - Cees Robben - ik mót mèèrege vruug óp; vruug òf laot;
    - Cees Robben - vruug ópstaon dè is gin prófèèt;
  2. naam

    Kern's mêrges vruug (ê als in Frans même)

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vruug óp èn meej de kiepen óp stòk, dè zal et em nie verlieze (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - een geregeld leven geeft veel rendement.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ast kómt, kómmet vruug genóg (HM'66)-vervelende dingen komen altijd vlug
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vruug in de waaj èn laot vèt (Dl6)- jong getrouwd, zonder succes
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VRUEG of vruug, naar het Hoogd. frühe.
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - vruug (krt. 34), met umlaut (blz. 89)
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VRUUG bijvoeglijk naamwoord /bw - vroeg
  3. bijwoord

    vroeger, destijds; te voren Vruuger waar alles aanders. - Vroeger was alles anders.

    - Vruuger en naa, titel van een Korvelse Revue, 1926.
    - Cees Robben - Want in dè giense höske geens../ Wier vruuger bier gebrouwen... (19560908)
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. 'vruger' - vroeger, eertijds
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VRUGERTIJDS bw - vroeger, voortijds
  4. bijwoord

    vruugertèèd de tijd van vroeger, zoals het vroeger was

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 12 30 - Zò zaat zen aauwen òòme Peer / Te lörke aon z'n pèp / En zee: "'t Is teegesworrig toch / Niemir as vruugertèd." - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 05 19 - Vruugertèd was 'ne verjaordag / Vur iederèèn 'n hèèl gròòt fïst.
vruugmis
zelfstandig naamwoord

vroegmis

- Cees Robben - vur de vruugmis (19600520)
- WBD - (III.3.3:117) vruugmis, vissersmiske (vroegmis)
vruugpreek
  1. zelfstandig naamwoord

    ouderwetse, groengeworden paraplu, gedragen onder de arm

    - A.J.A.C. van Delft - "Ik nam m'n vroegpreek (ouderwetsche groene paraplu) onder den arm, terwijl m'n man zijn credietjas aantrok." Geen verklaring toegevoegd. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
  2. Pierre van Beek meej den vruugpreek" (ouderwetse, groene parapluie) onder den arm (Tilburgse taalplastiek 14 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 23 mei 1950)

    - WNT - VROEGPREDIKATIE (geeft de onderhavige betekenis niet)
vruugt
zelfstandig naamwoord

vroegte

- Vumèrge in de vruugt (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- Cees Robben - ...in alle vruugte (19600520)
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VRUUGTE znw.v. vroegte
vruugte
zelfstandig naamwoord

vroegte

- Vumèrge in de vruugt (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- Cees Robben - ...in alle vruugte (19600520)
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VRUUGTE znw.v. vroegte
vruut
  1. zelfstandig naamwoord

    frut de etymologie is onduidelijk; mogelijk is het woord afgeleid van fruute (zie volgend lemma), waarbij fruute verwijst naar het wroeten van een varken met zijn snuit.

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 neus, toet
    - K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - Dirk Fruut (Van der Aa)
    - Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 - fruut zelfstandig naamwoord - snuit; ook: kusje
  2. naam

    vroet eigenlijk de neus van een varken in overdrachtelijke zin een grote neus van een mens / man, ook het gezicht of delen daarvan

    - N. Daamen - handschrift Tilburgs dialect 1916 - "vruut - snuit"
  3. Van het varken

    - En toen kwaam dieë kuus mee die lange vruut en blaosde 't vertesseltje uut. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
  4. Bij de mens

    - Cees Robben - [Hij] klottert lôôdrecht naor beneeje../ En valt hil zn vruut kepot.. (19700925)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 01 19 - Meens haauwt oew vruut toch dicht.
    - Dè en vruut en neus is... (Henriëtte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blèève haawe, 2007)
    - Stadsnieuws - Hij heej me tòch en vruut, daor kunde ast rèègent schèùle. (231209)
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - FRUUT v. - snuit, gezicht.
    - WBD - III.4.2:33 'wroet' - voorste deel van het gezicht van een dier; ook genoemd: snufferd, bakkes, bek of toot
    - WBD - III.1.1:65 'wroet' = gezicht
    - WBD - III.1.1:96 'wroet' = mond
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. 'fruut' l) varkenssnuit, bij uitbr., gemeenzaam, gezegd van de met vooruitgestulpte lippen gevormde mond; 2) zoen, kus
vruute
  1. werkwoord

    wroeten

    - vruute - vruutte - gevruut - Steeds korte uu
    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'omdè-t-er 'ne mol onder 't erd aon 't fruuten was'
  2. 'n Uurke geleje hô'k de zon nog evetjes dur 'n holleke zien piepen mar naa zaat ze al lang te vruten om er opnuuw dur te komen, zonder dè ze't winnen kos. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

    - Cees Robben - En wij vreuke en vruute ons dol... (19580308)
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, Ge mot nie vruute in wè was, mar in wè koomen moet (1965)
    - Cees Robben - Hij vruutte meej zn haand in t zaand (19600219) - Cees Robben - Mar Jantje (...) vruutte, vrukte vort... (19611229)
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - FRUTEN onov.ww, wroeten, haastig snuffelen.
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vruten - wroeten
    - WBD - III.4.2:68 'wroeten' - graven v. konijnenhol, ook 'dabben', 'buten'
    - WBD - III.1.4:344 'wroeten' = wroeten
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - WROETEN - Ook in den zin van 'woelen'; verder hard werken: wroeten en werken.
    - WNT - WROETEN
  3. zelfstandig naamwoord

    vuddeur voordeur

    - Doe, agge òp vekaansie gòt, aatij de vuddeur goed òp slot. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
vuile
zelfstandig naamwoord

- WBD - veulen (zie 'veule')
- WBD - vulletaand - het melkgebit van een veulen, ook 'volletaand' genoemd
- WBD - vullemèèr - dragende merrie, ook genoemd 'völmèrrie'
- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vullens - veulens
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - waarnaast wel eens 'vuilen' resp. 'völlen', znw.o. - veulen
vul
telwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - veel
vulle
  1. zelfstandig naamwoord

    veulen, ook genoemd: 'vulle', 'völle' of 'poeleke' (tot 1 jaar)

    - WBD - hèngstvölle, hèngstvulletje - mannelijk jong van een paard
    - WBD - meervölle, mèrreveuleke - vrouwelijk jong van een paard
    - WBD - lèpvulle, lèpvölle - moederloos veulen
    - WBD - gespêend völle - gespeend jong van een paard
    - WBD - veuletje; klèn pèrdje - vleinaam van het veulen
    - WBD - veule, pèrdje, hanske,(Hasselt:) pòlleke - loknaam/roepnaam van het veulen
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. 'vullen' resp.'vollen' - veulen
  2. zelfstandig naamwoord

    - WBD - veulen (zie 'veule')
    - WBD - völletaand - het melkgebit van een veulen, ook 'vulletaand' genoemd
    - WBD - völmérrie - dragende merrie, ook genoemd 'vullemèèr'
    - WBD - völleziekt - leewater (ziekte bij jonge paarden)
    - Dialectenquête 1887 Willems - ge moet óns veulen is koome keure
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw. o. 'vuilen, resp. 'völlen' - veulen
vuls
  1. bijwoord

    veel, teveel van telwoord

    - Cees Robben - Wè heej ze toch veul kaskenaade... (19561215) - Cees Robben - Nie veul druktes... (19580426) - Cees Robben - ...dan heet ie nie veul praot... (19581122)
    - Cees Robben - Al veul buijkes aachter de rug... (19740830)
    - Dialectenquête 1887 Willems - hij hee veul pròts omdèttie stèèrek is
  2. bijwoord

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - 'veul kaod ' - heel kwaad
    - Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'veuls te hoog'
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - 'Vastenaovend wordt nie veu(l) mir gevierd.' (blz. 94)
    - Cees Robben - En naa nie veul zegge.. of t gaot-er-op..! (19650924) - Cees Robben - Dan lèèkenet veul meer... (19651203)
    - Cees Robben - We hebben n haoven mee waoter dr in.../ Mee zaand... en veul aauw ijzer... (19540515) - Cees Robben - Ge wit toch (...) dek veul van oe haauw... (19820122) - Cees Robben - Veul..? Twee haore op oewe kop des wèènig.. Mar twee haore in de soep.. Des veul... (19630816)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - veul? wès veul? Twee haoren op oewe kôp is wèèneg, mar twee haoren in oew soep is veul
    - Stadsnieuws - Veul? Wès veul? Twee haoren op oewe kòp is wèèneg, mar twee haoren in oew soep is veul...
    - De Wijs - k Zôt wel wille koôpe, mar ik heb veuls te veul te wènig in mn portmonnee (10-02-1963)
    - Pierre van Beek - Hij zeeter nie veul; hij zeeter ginnen êene - hij is zwijgzaam, gesloten
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - ge haadt al nie veul - gij hadt reeds niet veel
    - Hessels 2020 - Bij het opmerken van een man met een forse, dikke vrouw: - die spult gèèren in en grôote zaol! of: - die heej gèère veul! of: - die zok saoves wèl es ötgepakt wille zien! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
  3. Aanvullende bronnen

    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - veul onbep. tw. - veel
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VEUL, voor veel, voornamelijk ten platten lande, naar de kanten van het Markiezaat van Bergen-op-Zoom, en somtijds, met verwisseling der L in N, 'veun', vooral door kinderen.
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VEEL (veul) onverbogen, onbep. tw en bw - l) talrijk, in grote hoeveelheid; 2) dikwijls: ik heb daor veul gekome; 3) in hoge mate, zeer: hij is veul ziek.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEUL bw - veel
vuls te
bijwoord

veel te

- want daorveur zong ik vus te graog... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: t Zaangerke , 1932)
- ...dan was de kerk vus te klèn... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) - Cees Robben - vulste proper... (19581122) - Cees Robben - Ik gao dr niemer uit... zeej Jan,/ t zèèl is vuls te koud (19670428) - Cees Robben - Detter vuls te veul vrouwen op de wèèreld zen... (19720818)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 10 27 - Mar op de mèrt was t vuls te druk
- Audioregistratie 1978 - Mar die om hallef twaalf nòr de kèrk moese, war, waare die kleere van die alwir vulste grôot èn die schoene vulste grôot want die om hallef twaalf nòr de kèrk gonge, die schoene waare vul te grôot, die klapperde daor oover die kaaje van die grôote wèg heene, dèsse van de vèrte omkêeke, daor koome die zoone (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)
- Die kèèrels waare vus te muug. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2004)
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VÖTTE bw - samentrekking van veul te' veel te, al te
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vuls te veul, vus te veul
- WNT - VEEL (IV) II, 8), d)) ook versterkt tot veels/ veuls: Veels te veel
vulsteveul
bijwoord

veel te veel

- Der is vusteveul geneuk in de wèèreld. - Er is veel te veel rotzooi op de wereld.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hij heej vusteveul te wèèneg in zen knip
- Frans Verbunt (1996) - 'veulsteveul, vusteveul
vungske
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vonkje
vur
  1. bijwoord

    - Gaode gij veur òf moet ik vurgaon? - Ga jij voor of moet ik voorgaan?
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 4l) 'veur/ vur' als ww-deel
    - Cees Robben - Herodus die kwam zellevers veur. Herodus deed zelf de deur open. Prent over driekoningenzingen. De tekst is ontleend aan een in die tijd bekend driekoningenliedje. (19540109)
    - WBD - veurknie - voorknie van een paard, ook 'knie' genoemd
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VEUR i.p.v. voor, in de bet. v. ante, ook in de zamenstelling (bijvoorbeeld veurhoofd). Dat het zeer goed is, kan men bij Kiliaan zien.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEUR vz/bw - voor
  2. bijwoord

    voor Waorveur moete vurkoome?

    - WBD - et kalf zit meej de kòp nao vurre - zit goed (vóór de geboorte)
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vur de deur
    - Dialectenquête 1887 Willems - dan spanneme et pèèrd vur de nuuw kèèr
    - Dialectenquête 1887 Willems - ene kaawe kèlder is goed vurt bier
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - dees vur vurt fist èn dès vur nòt fist - dit is voor vóór het feest en
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vur - vz - tegen, als, voor
  3. zelfstandig naamwoord

    vuraawer, vuraauwer voorouder

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 03 14 - Wij meuge op die vuraauwers / Ons ège echt beroeme / Om dè de schrèvers van dè boek / Ze "Pronte meense noemen.
vur man
zelfstandig naamwoord

voorman

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vurmannen' (plur.)
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURMAN zelfstandig naamwoord mannelijk - spr. Iemand op zijne(n) veurman zetten - hem op zijne plaats zette, hem harde waarheden zeggen.
vur middeg
zelfstandig naamwoord

voormiddag

- Dialectenquête 1887 Willems - hil de vurmiddeg al
- Cees Robben - We zen er vort van unne dag en unne vurmiddag... (19671110) [mensen van de dag]
vurbè
voorzetsel

- Informant Toine Raaijmakers - voorbij; in vergelijking met Vurbij oewe maot hèdde gij veul zakgeld, - Vergeleken met je collega
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vurbij giestere - vergeleken met gisteren
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VOORBIJ (vurbééj) bw-1) gepasseerd; 2) vergeleken met.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - voorz. - voorbij, vergeleken met of bij
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURBIJ bw; in diverse samengestelde ww..
vurbij
voorzetsel

- Informant Toine Raaijmakers - voorbij; in vergelijking met Vurbij oewe maot hèdde gij veul zakgeld, - Vergeleken met je collega
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vurbij giestere - vergeleken met gisteren
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VOORBIJ (vurbééj) bw-1) gepasseerd; 2) vergeleken met.
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - voorz. - voorbij, vergeleken met of bij
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURBIJ bw; in diverse samengestelde ww..
vurbijgaon
werkwoord

voorbijgaan, passeren

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vurbijgaon as de Maos langs Bókhoove (Alg. Brab. 50) - vurbîjgaon as de Maos langs Heusde (Tilburg 50)voorbijgaan zonder groeten
vurbild
zelfstandig naamwoord

voorbeeld

- Cees Robben - Ge moest is en vurbild neemen òn onzen nuuwen buurman
- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vurbild
vurblad
zelfstandig naamwoord

- WBD - voorblad: het voorste gedeelte van het overleer van een schoen, bestaande uit één deel, resp. twee delen (de neus en het voorblad) (II:715)
vurbroek
zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt (1996) - gulp

- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vurbroek zelfstandig naamwoord - gulp
- WNT - VOORBROEK 2) aparte strook stof voor de verticale opening in het midden van de voorzijde van de mannenbroek ... vervolgens ook die opening zelf; broekklep, gulp
vurdé

voegwoord voordat

- Dialectenquête 1887 Willems - ik kan tòch nie koome vurdèk klaor bèn
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - voegw. voordat
vurdêel
zelfstandig naamwoord

voordeel

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vurdeel - naodeel'
- WBD - III.3.1:132 'voordeel','opbrengst, winst- = winst
- WBD - III.3.1Ï133 -voordeeltje -,'meeval,meevaller,bof,tref' = meevaller
- Grôot diktee van de Tilburgse taol 08 den aawerdom komt teegesworreg meej enen hillen hôop vurdeele
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURDEEL znw.o. -op veurdeel - op voorhand, Frans d'avance
vurdeur
  1. zelfstandig naamwoord

    voordeur

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vudeur, vustedeur'
    - Informant Toine Raaijmakers - Tegen iemand die zich als onmisbaar voordoet: 'As ik jou nie had en de vurdeur nie, dan moes ik aaltij aachteróm.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hij gong du de vudeur deur
  2. CiT (94) 'Hij ging du de vuddeur deur' Hees vurdeur (VIII:25)

vurènd
zelfstandig naamwoord

- WBD - keerstrook/ wendakker (strook grond aan het uiteinde van een akker, waar de ploeg; gekeerd wordt), ook genoemd 'vurft', 'tèène', 'rug', 'tèènerug', 'dwarsrug'
vurèùt
bijwoord

vooruit

- Cees Robben - Naa kan ie vurèùt; vurèùt dan meej de gèèt;
- WBD - allee verèùt vlugger! (commando voor een paard)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vurööt, öt de weeg! vooruit, ga opzij!
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. - vooruit
vurft
zelfstandig naamwoord

- WBD - (Arch. v. Ginn. K 183) - keerstrook/ wendakker (strook grond aan het uiteinde van een akker, waar de ploeg gekeerd wordt) lett. 'voorhoofd'; ook wel genoemd 'tèène', 'rug', 'dwarsrug' of 'tèènerug'
- WBD - III.1.1:39 'voorhoofd = voorhoofd
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VÖRFT (uitspr. vörreft) zelfstandig naamwoord mannelijk - de opene plaats die vóór de hoeve gelegen is.
vurgaon
werkwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - voorgaan
vurhaand
  1. zelfstandig naamwoord

    - Gezegde: op de vurhaand zitte - bij het kaarten moeten uitspelen
    - WNT - VOORHAND - (kaartspel) - plaats (mmestal links naast den gever) van
  2. zelfstandig naamwoord

    dengene die het eerste moet bieden of een kaart uitspelen

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURHAND zelfstandig naamwoord mannelijk - op de veurhand zitten - de eerste moeten spelen; op vëurhand - vooruit
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vurhand zelfstandig naamwoord - voorhand
vurhaawe
  1. werkwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - voorhouden
    - vurhaawe - vurhiel - vurgehaawe
  2. zelfstandig naamwoord

    vurhaawsel voornemen mee m'n schoon vurhaawsels (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945) - Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

vurjaor
naam

voorjaar

- Cees Robben - t Is vurjaor vuruit naa.. (19570309) - Cees Robben - t Vurjaor schenkt den burger moed. (19700417) - Piet van Beers Wie tuinbonen wil eten moet Februari niet vergeten : We gaon 't vurjaor in. (With Love; 1982-1987)
vurjaor
vurkaant
zelfstandig naamwoord

voorkant

- WBD - voorste deel van het paard tot achter de voorbenen
- WBD - stootkant van het paardezadel (nl. de hele voorkant tot aan de eerste brug)
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej de hielen òn de vurkaant geboore zèèn (Pierre van Beek -Tilburgse Taalplastiek 70) sloom zijn
vurkaomer
zelfstandig naamwoord

voorkamer

- WBD - salon (mooie, doch zelden gebruikte zitkamer in een boerenhuis), ook 'goej kaomer' genoemd
vurkèènd
  1. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - voorkind, kind van voor het huwelijk
  2. Frans Verbunt (1996) - vurkènder - kinderen uit een eerder huwelijk

    - WBD - III.2.2:74 'voorkinderen' = stiefkinderen
    - WBD - III.2.2:74 'voorzoon', 75 voordochter'
    - WBD - III.2.2:112 'voorkind' = bastaard, ook 'voorloper'
    - WNT - VOORKIND - 1) kind uit een vroeger huwelijk; kind, vóór het huwelijk geboren; onecht, natuurlijk kind
vurkeur
zelfstandig naamwoord

voorkeur

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vurkeur
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURKEUR znw.m., niet v., - voorkeur, Frans préférence
vurkoome
  1. werkwoord

    vóórkomen; voor de rechter moeten verschijnen

    - Want, want Beek as gij in Hilverenbeek vruuger en verbaol krêegt dan moeste gij in Orschòt vurkoome! [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - waorveur moete gij vurkoome?
  2. zelfstandig naamwoord

    borstpartij; voorkomen

    - WBD - III.1,1:117 'voorkomen' = borsten van een vrouw
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURKOMEN znw.o. - voorkomen; spr. Hij hee e schoo veurkomen langst aachter
  3. naam

    vur kòp voorhoofd

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 05 10 - Op d're vurkop hasse aaltij dröppeltjes van 't zwèète staon.
vurkrèùpe
werkwoord

voorkruipen

- Grôot diktee van de Tilburgse taol 08 meej die rollaaters kunde bij den Albert Heijn òn de kassa hêel hèndeg vurkrèùpe
- vurkrèùpe krôop veur vurgekroope
vurlaoj
zelfstandig naamwoord

voorlade

- WBD - 'vörlaoj' (II:96l) - voorlade (van een weefgetouw)
vurleezer
zelfstandig naamwoord

voorlezer = stadsomroeper

- Lowie van Dorrus Misters, rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 5 Voorlezer en wijkmeesters', Nieuwe Tilburgsche Courant 17-2-1951 - De omroeper bespraken wij in een vorig artikel. Maar van een voorlezer hebben wij in Tilburg nooit gehoord. Daar deze twee bedieningen bij elkaar worden genoemd, menen wij te mogen veronderstellen dat beide met elkaar in verband stonden en door dezelfde persoon werden uitgeoefend. In dorpen in de nabijheid van Tilburg hebben wij de voorlezer wél gehoord en gezien. Het was 's Zondags na de late H. Mis dat voor het café tegenover de kerk een man op een stoel sprong en op onze vraag aan een familielid wat er ging gebeuren, kregen wij ten antwoord: de geboj (geboden, verordeningen) worden voorgelezen. Dat waren dan gemeentelijke verordeningen en datgene wat van gemeentewege moest worden gepubliceerd, zoals bijv. paren die in ondertrouw of gehuwd waren, en daarna notariële mededelingen wanneer, waar en welke panden of percelen zouden worden geveild, welke nog "onder het hoogsel stonden" (nog konden worden verhoogd) en wanneer hiervan de definitieve verkoping zou plaats hebben enz. Dan de meer particuliere bekendmakingen, waar stier of hengst ter dekking stonden, waar kalveren, biggen of veulens te koop waren enz. Dan was het als het ware een advertentiebureau en werden er ook wel 'ns koddige bekendmakingen voorgelezen. Jhr. de la Court, die in Middelbeers ter kerke ging en nog in zijn jonge tijd was, hield er wel van om tegen de kermis bijv. een of ander vergeten boerenmeisje onder de aandacht der jongelui te brengen of iets dergelijks. () Tegenwoordig hebben de advertentiekolommen der couranten beider taak overgenomen.
vurlichting
zelfstandig naamwoord

voorlichting

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vurlichting
vurlôop
zelfstandig naamwoord

- WBD - hoofdwort (de vloeistof die de eerste keer uit het beslag gewonnen wordt, in de brouwerij)
- WBD - (II:2722) 'vurlôôper' - voorloper (onderdeel van een schaaf)
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURLOOP zelfstandig naamwoord mannelijk bij brouwers: de eerste slijm dien men uit de brouwkuip bekomt; hij is witachtig, troebel en onklaar.
vurlôopeg
bijwoord

voorlopig

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vurlôopeg, vurirst'
vurlôoperke
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt (1996) - kind geboren vóór het huwelijk
- WBD - III.2.2:112 'voorloper' = bastaard
vurmènneke
zelfstandig naamwoord

voorman

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vurmannen' (plur.)
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURMAN zelfstandig naamwoord mannelijk - spr. Iemand op zijne(n) veurman zetten - hem op zijne plaats zette, hem harde waarheden zeggen.
vurmeule
zelfstandig naamwoord

- WBD - (Hasselt) voorploeg (het losse, tweewielige voorste deel van de ploeg)
vurmiddag
zelfstandig naamwoord

voormiddag

- Dialectenquête 1887 Willems - hil de vurmiddeg al
- Cees Robben - We zen er vort van unne dag en unne vurmiddag... (19671110) [mensen van de dag]
vurnaom
bijwoord

voornaam

- WBD - III.4.4:282 'voornaam' = van belang
- vurnaom - vurnaomer - vurnòmst
vurop
  1. bijwoord

    voorop

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hier gao de stróntkèèr vuróp (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - gezegd als iemand zich in een gesprek voortdurend op de voorgrond dringt.
  2. zelfstandig naamwoord

    v u rprèùm v oo rpruim

    - Hessels 2020 - Bij het zien van een vrouw in een strakke, in de schaamstreek aftekenende broek (kamelenteen): - kèkt die meej der vurprèùm! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
vurraaw
zelfstandig naamwoord

voorrouw, voor de ouderen

- Pierre van Beek - vurraaw hèbbe - aanduiding voor iemands plaats in een begrafenisstoet, naar volgorde van familieverwantschap
vurraod
zelfstandig naamwoord

- WBD - III.3.1:94 'in voorraad hebben' = idem
- WBD - III.3.1:94 in voorraad zijn' = idem
- WBD - III.3.1:93 'voorraad' = idem
vurre
bijwoord

voren Kom mar nòr vurre

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - van vurren óp zen vadder lèèke èn van aachteren óp hil zen femielie
- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - gezegd van een zoon
vurrèès
zelfstandig naamwoord

- WBD - het voorrijzen van deeg in de trog
vurreg
naam

vorig

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - veurig'
- Cees Robben - Nao al t zuut der vurrige daogen/ t zilte naa op oewen dis..... (19540306)
vurrèùt
zelfstandig naamwoord

voorruit

vurriem
zelfstandig naamwoord

- (Hasselt) kopriem (boven de ogen over het voorhoofd van het paard lopend)
vurschèèr
zelfstandig naamwoord

- WBD - voorschaar (van een ploeg), ook genoamd (Hasselt) 'vursohaor'
vurschiete
werkwoord

voorschieten

- WBD - III.1.4:425 voorschieten' = iemand iets verwijten
vurschot
zelfstandig naamwoord

schort (zie ook 'toeschòrt)

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - schuddet mar in mene vurschoot
- Pierre van Beek - een "vurschot" (voorschoot) is een lage schort; (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)
- Cees Robben - meej ene vurschót veur
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - winkeltje haawe ónder dere vurschót (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - steeds in verwachting zijn
- WBD - 'veurschot' (II:940) - voorschoot van de wever; ook 'sloof' of 'slufke'
- WBD - III.1.3:77 'voorschoot' = schort; ook: 'scholk', 'schort'
- WBD - III.1,3:86 'voorschoot' = schort zonder borststuk
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - vurschót (krt. lO4)
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'voorschoot'
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURSCHOOT zelfstandig naamwoord mannelijk en niet o. - voorschoot, Frans tablier; fig. voorgevel
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vurschòòt zelfstandig naamwoord - schort
vurspèlle
werkwoord

voorspellen

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vurspèlle'
vurstal
zelfstandig naamwoord

- WBD - voorstal (voorste gedeelte van de stal, de vrije ruimte tussen de muur van het woonhuis en de voedergoot)
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - vö'rstal, zelfstandig naamwoord mannelijk 'veurstal' - voorstal, dat gedeelte van de stal dat zich bevindt tussen de (buiten) stalmuur en de stalzult, en met stenen of plavuizen verhard is.
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vurstal zelfstandig naamwoord - voorstal
vurste
zelfstandig naamwoord

voorste

- WBD - (Hasselt) voorste wendakker (de dichtst bij de ingang van de akker gelegen keerstrook voor de ploeg)
- Cees Robben - As we jou toch nie han èn de vurste deur nie, dan moese me aaltij aachterom
- WBD - 'vörste dwarsbalk' (II:952) - voorste dwarsbalk van een handweefgetouw
vurstèl
zelfstandig naamwoord

voorstel

- Cees Robben - Wè zègde van mèn vurstel?
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURSTEL zelfstandig naamwoord mannelijk en niet o. voorstel, Frans proposition
vurstèlle
  1. werkwoord

    voorstellen

    - Cees Robben - Ik hèb menèègen irst vurgestèld.
    - Cees Robben - Men buurvrouw wordt zó maogers der sevooj stelt gin reet mir veur.
    - WBD - III.3.2:343 'voorstelling' = toneelstuk
    - vurstèlle - stèlde veur - vurgestèld
  2. zelfstandig naamwoord

    vur stuk bijzonder smakelijk deel van het geslachte varken

    - Cees Robben - Wilde van de vang of t vurstuk... [van het varken] (19550205)
    - Jan Naaijkens - Vurstuk zelfstandig naamwoord voorstuk. De voorham van een geslacht varken. Het behoort tot de beste delen. Er zijn twee vurstukke, aangezien er twee hammen zijn. Jan Naaijkens - Dès - J an Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 1992
vurvoet
zelfstandig naamwoord

kous

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "ze loopt op er vurvoeten (op haar kousen)"
- WBD - III.1.2:156 'op zijn voorvoeten lopen' = op zijn tenen lopen
- WBD - III.1.1:l74 voorvoet = voorvoet
vurwèèrde
zelfstandig naamwoord

voorwaarde

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'veurwèrde'
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURW È ÈRDE znw.v. voorwaarde, Frans condition
vurzichteg
bijwoord

voorzichtig

- Cees Robben - ...ben toch vurzichtig... (19540227)
- WBD - III.1.4:l36 'voorzichtig' = idem
vurzitter
zelfstandig naamwoord

voorzitter

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vurzitter (passim)
- Cees Robben - Wè zègde van mèn vurstèl, vurzitter?
vuste
bijwoord

veel te

- want daorveur zong ik vus te graog... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: t Zaangerke , 1932)
- ...dan was de kerk vus te klèn... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) - Cees Robben - vulste proper... (19581122) - Cees Robben - Ik gao dr niemer uit... zeej Jan,/ t zèèl is vuls te koud (19670428) - Cees Robben - Detter vuls te veul vrouwen op de wèèreld zen... (19720818)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 10 27 - Mar op de mèrt was t vuls te druk
- Audioregistratie 1978 - Mar die om hallef twaalf nòr de kèrk moese, war, waare die kleere van die alwir vulste grôot èn die schoene vulste grôot want die om hallef twaalf nòr de kèrk gonge, die schoene waare vul te grôot, die klapperde daor oover die kaaje van die grôote wèg heene, dèsse van de vèrte omkêeke, daor koome die zoone (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)
- Die kèèrels waare vus te muug. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2004)
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VÖTTE bw - samentrekking van veul te' veel te, al te
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vuls te veul, vus te veul
- WNT - VEEL (IV) II, 8), d)) ook versterkt tot veels/ veuls: Veels te veel
vustedeur
  1. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'vustedeur, vurstedeur, vudeur' - voordeur
  2. bijwoord

    vutte

    - Interview dhr. Van den Aker - 1978 - vruuger won ze van den bond niks weete èn toen waare wij op en dag òf zôo nòr den bond gegaon omdè we vutte wèèneg beurde, verdiende, èn toen krêegeme aachter èlkaar ons ontslag. En wij durfde niemer nòr hèùs te gaon, gin van tweeje (transcriptie Hans Hessels 2014)
vusteveul
bijwoord

veel te veel

- Der is vusteveul geneuk in de wèèreld. - Er is veel te veel rotzooi op de wereld.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hij heej vusteveul te wèèneg in zen knip
- Frans Verbunt (1996) - 'veulsteveul, vusteveul
vuuge
  1. werkwoord

    passen, betamen

    - vuuge - vuugde - gevuugd - Steeds korte uu
    - Saomen op vekaansie, dè vuugt nie
  2. De groote muts blijft in de kaast: die is te zwaor, daor krège ze vort koppent van - zeggen ze - en darrum zette ze [de boerinnen] liever 'n huudje op. Dè zô'n ding op hullieë kop net zô min vuugt as ne vulpenhaawer in 'nen boerenvisjeszak willen ze nie geleuven. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929) Wet is er naa vur onfesoendelijks aon degge oe bord aflekt? "Jè" heur ik oe zegge: Dè vuugt naa eenmaal nie". Mar waarom vuugt dè nie. Enkel en alleen omdèt naa eenmaal gin gewònte is? (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) Frans Verbunt (1996) - kèkt es òfdèt vuugt - kijk eens of het staat

    - WBD - III.1.4:318 'zich voegen' - zich goed gedragen
  3. werkwoord

    Buuk Et vuugt nie tusse die tweej - het gaat niet goed tussen die twee Haor VUUGE - passen, 'voegen'

    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - vuuge ww - aanstaan
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VUEGEN, voor voegen; eertijds 'veugen' geschreven.
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - VOEGEN (vuuge) onov.ww - passen; onpers.: dè vuugt men nie.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VUGEN - voeden, passen, Frans convenir
vuuje
werkwoord

voeden

- Dialectenquête 1887 Willems - vuuje - vuude - gevuud; ik vuu, gij/hij vuut; steeds korte uu
- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'vuuien' - voeden, fokken
vuule
  1. werkwoord

    voelen vuule - vuulde - gevuuld

    - Steeds korte uu
  2. ik vuul geluk bij 't waandele langs de baon... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Geluk, 1941)

    - Cees Robben - ...of ge niks vuult... (19580301)
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - wie nie heure wil, mot vule
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - van vuule krèède nijnaogels (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - waarschuwing aan iemand die iets nauwkeurig betast.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VUELEN voor voelen.
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. en intr. 'vulen' - voelen
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VULEN - voelen, Hgd.fühlen
  3. werkwoord

    vuure blozen, rood aanlopen Harrie vuurde n bietje... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 9; Nieuwe Tilburgsche Courant 26-11-1938) ...en hij ha er van gevuurd toe in z'nen nek... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)

vuur
zelfstandig naamwoord

vuur

- Cees Robben - In mn kaomer braand n vuurke... (19700220)
- WBD - open haard (plaats onder de schouw waar het haardvuur brandt)
- WBD - vuurèèzer - brandijzer (voorwerp waarin of waarop het vuur brandt)
- WBD - vuurkeetel - idem
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 4) vü:r, vüre, waar vurke
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - vuur (blz. 30)
vuureg
  1. bijwoord

    vurig

    - WBD - III.2.2:108 'vurig' = geil, wellustig; 109 = vrouwziek
  2. Vanessa atalanta

vuurke
zelfstandig naamwoord

vuur

- Cees Robben - In mn kaomer braand n vuurke... (19700220)
- WBD - open haard (plaats onder de schouw waar het haardvuur brandt)
- WBD - vuurèèzer - brandijzer (voorwerp waarin of waarop het vuur brandt)
- WBD - vuurkeetel - idem
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 4) vü:r, vüre, waar vurke
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - vuur (blz. 30)
vuurvlam
zelfstandig naamwoord

De vuurvlam *) hangt te vrijen *) -noot van Sterneberg bij dit woord: een vlinder... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Waandeling, 1932) óóóch, wè-d-is er 'ne/ vuurvlam toch schoon/ rood van vleugelkes,/ diep van toon... (uit: Vlinderke, Leo Heerkens; in: Piet Heerkens, De Mus, 1939)

- WTT 2012 - WBD - III,4,2 geeft uitsluitend voor Tilburg: De vlierspanner (Ourapteryx sambucaria) heet vliervlam in Tilburg; de atalanta, ook admiraal vlinder of nummervlinder genoemd (Vanessa atalanta), heet vuurvlam in Tilburg, Gilze, Goirle, Riel.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - nummervlinder (Vanessa atalanta)
- WBD - III.4.2:146 vuurvlam - vlinder (Lepidoptera), ook genoemd: 'vliervlam' of 'kapelleke'
vuurvlam
vuutje
  1. zelfstandig naamwoord

    voet, lichaamsdeel trippetrap van kendervuutjes... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Naachtegaol, 1941)

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, (Gehoord bij de start van de avondvierdaagse)Denkte gij mee die vèf veur één voete, in de prèze te vallen? (09-07-1967)
    - Pierre van Beek - Als iemand er z'n gemak van neemt en zich goed laat doen (eten, drinken, enz) zegt men naderhand: "Hij ging fijn met de voeten op de stoof zitten." (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)
    - Cees Robben - [Marktkoopman met sinasappelen] Tien vur unne gulden... Mar vur de voet vatte... (19650723) - Cees Robben - Vurrukkelukke bukkeme.. Aacht vur n kwartje... Vur-de-voet-gevat... (19621130)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ik koom nie óp blôote voete (S'7l) - kaartterm: gezegd door iemand die meent goede kaarten te hebben. (reactie: dès mar goed ôok, aanders kónde zónder sòkke terug.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - te voet èn te veld koome (JM'50) - helemaal de weg niet weten
  2. uitdr. - vur de voet: ge moet ze vur de voet vatte = niet uitzoeken; vgl. v. Dale: voor de voet iets weggeven of verkopen = zonder te keuren of uit te zoeken: voetstoots.

    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Volgens krt.65 krijgt het plur. geen umlaut, wel het achtervoegsel (= suffix)e (sjwa).
    - WBD - III.1.3.211 'voetgetuig' = schoeisel
  3. lengtemaat = 0,287 m, verdeeld in 10 duim à 2,87 cm; 20 voet = 1 roede (van 5,75 m) (in Tilburg in gebruik vóór de invoering v.h.Ned. Metriek Stelsel, 1820) voet van een plattebuiskachel - Cees Robben - De kender zaten op den voet/ Meej baai dr vuutjes... (19601111) bij het paard

    - WBD - voet - hoef van de koe, ook 'klaaw' of 'klòw' genoemd
    - WBD - voet - paardehoef
    - WBD - 'vuutje', 'voetje-óp', (Hasselt) 'voetóp' - voet omhoog (commando voor een paard)
  4. zelfstandig naamwoord

    voetje

    - Cees Robben - Mee blôôte vuutjes (19571207)
    - WBD - 'vuutje', 'voetje-óp, (Hasselt:) 'voetop' - voet omhoog (commando voor een paard)
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'gouwe vuutjes tippelen zuutjes'
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - hendjes en vuutjes
    - WBD - III.1.2:153 'voetje' = stap, schrede
×