ca
  1. zelfstandig naamwoord

    In de sloten en grachten gingen we: "Ruigt" draaien. Deze sloten en grachten waren onder water bijna dicht gegroeid met allerlei waterplanten. Vooral met waterpest. Met een schepnetje had men weinig succes. Daarom werd er in die sloten alleen maar:"Ruigt gedraaid". Hiervoor werd een dikke tak gezocht, liefst met nog wat uitsteeksels van oude takjes er aan. Die tak werd dan in die dichte begroeing van waterplanten gestoken en paar maal rond gedraaid en dan uit het water getrokken. Op de slootkant werd dan goed nagekeken wat er allemaal tussen die waterplanten mee omhoog gekomen was. Vooral naar salamanders zochten we, want die hadden onze speciale belangstelling en werden thuis in het aquarium gezet. De viskesfreters en torren werden in een glazen pot mee naar school genomen voor de frater, die ons tijdens de natuurkundeles vertelde hoe deze waterdiertjes allemaal heetten en hoe nuttig ze waren.

    - WBD rögt ègge - onkruid uiteggen
    - WBD I:1484 wikke als onkruid: 'wikke', 'röcht'
    - WBD III.4.3:217 rögt - onkruid; ook genoemd: onkrèùd, bocht
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUIGT (uitspr. röcht) znw.v. - uitschot, bucht, iets dat klein en gering is; allerlei afval van hout, stroo, onkruid enz.; slecht volk, gepeupel Van 'ruig' met vocaalkrimping vóór suffix)
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - RUIGTE, voor heeschheid, schorheid; somtijds voegt men daarbij 'in de keel';
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - RUIGTE (rögt) m - wildgroei, onkruid: rögt plukke.
  2. zelfstandig naamwoord

    rògveld roggeveld rògzaajer zelfstandig naamwoord

    - WBD (handschrift K 183 = Tilburg) - oud versleten paard
  3. werkwoord

    Damen Handschrift (1916) - "rogzaaier - een oud mager paard" ròjbraoke radbraken

    - ròjbraoke - ròjbròkte - geròjbròkt (in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rojbròkt)
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zw.ww.tr. 'raaibraken' (< radebraken) - radbraken
  4. zelfstandig naamwoord

    ròjmaoker

    - WBD (II:2694) 'rojmaoker' - rademaker
    - WBD (II:2694) 183 b (Hasselt): 'rojmóóker (en/of) raojmaoker?'
  5. zelfstandig naamwoord

    ròk rok

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hij heej daor nen baoje ròk binnegegoojd (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973) - gezegd als een fabrikant een niet onverwacht bezoek aan een arbeidersvrouw aflegde.
  6. zelfstandig naamwoord

    rökske rokje

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'waaierige rùkskes'; 'hij hefte heur rùkskes'
    - Pierre van Beek - Van iemand, die op de laatste zondag, dat er gelegenheid bestaat tot het vervullen van zijn Paasplichten, ter H. Communie gaat, hoorde ik zeggen: "Hij gaat met de rooi rokskes", terwijl een ander zeide: "Hij gaat met strooi in 't haar". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)
  7. werkwoord

    rokt As ie rokt, ròkt ie van de wèès uitdr. Et rokt er - het is er niet pluis 2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'rooke', met vocaalkrimping ròkt werkwoordsvorm; persoonsvorm raakt

    - Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) raoke - hij ròkt
  8. werkwoord

    2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'raoke', met vocaalkrimping rökt ruikt tegenwoordige tijd sing. 2e + 3e pers. van 'rèùke', met vocaalkrimping rolle werkwoord, zwak rollen

    - WBD (van een paard) zich over de rug wentelen en met de benen in de lucht klauwen
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - iemand róllen as nen vrèdagse gaorenbôom (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1979) - iemand erdoor halen (Vrijdags werden de stukken van de doekboom gerold, waar ze tijdens het weven omgedraaid werden, om ze 's zaterdags bij de fabrikant in te leveren.)
CuBra
  1. zelfstandig naamwoord

    In de sloten en grachten gingen we: "Ruigt" draaien. Deze sloten en grachten waren onder water bijna dicht gegroeid met allerlei waterplanten. Vooral met waterpest. Met een schepnetje had men weinig succes. Daarom werd er in die sloten alleen maar:"Ruigt gedraaid". Hiervoor werd een dikke tak gezocht, liefst met nog wat uitsteeksels van oude takjes er aan. Die tak werd dan in die dichte begroeing van waterplanten gestoken en paar maal rond gedraaid en dan uit het water getrokken. Op de slootkant werd dan goed nagekeken wat er allemaal tussen die waterplanten mee omhoog gekomen was. Vooral naar salamanders zochten we, want die hadden onze speciale belangstelling en werden thuis in het aquarium gezet. De viskesfreters en torren werden in een glazen pot mee naar school genomen voor de frater, die ons tijdens de natuurkundeles vertelde hoe deze waterdiertjes allemaal heetten en hoe nuttig ze waren.

    - WBD rögt ègge - onkruid uiteggen
    - WBD I:1484 wikke als onkruid: 'wikke', 'röcht'
    - WBD III.4.3:217 rögt - onkruid; ook genoemd: onkrèùd, bocht
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUIGT (uitspr. röcht) znw.v. - uitschot, bucht, iets dat klein en gering is; allerlei afval van hout, stroo, onkruid enz.; slecht volk, gepeupel Van 'ruig' met vocaalkrimping vóór suffix)
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - RUIGTE, voor heeschheid, schorheid; somtijds voegt men daarbij 'in de keel';
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - RUIGTE (rögt) m - wildgroei, onkruid: rögt plukke.
  2. zelfstandig naamwoord

    rògveld roggeveld rògzaajer zelfstandig naamwoord

    - WBD (handschrift K 183 = Tilburg) - oud versleten paard
  3. werkwoord

    Damen Handschrift (1916) - "rogzaaier - een oud mager paard" ròjbraoke radbraken

    - ròjbraoke - ròjbròkte - geròjbròkt (in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rojbròkt)
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zw.ww.tr. 'raaibraken' (< radebraken) - radbraken
  4. zelfstandig naamwoord

    ròjmaoker

    - WBD (II:2694) 'rojmaoker' - rademaker
    - WBD (II:2694) 183 b (Hasselt): 'rojmóóker (en/of) raojmaoker?'
  5. zelfstandig naamwoord

    ròk rok

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hij heej daor nen baoje ròk binnegegoojd (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973) - gezegd als een fabrikant een niet onverwacht bezoek aan een arbeidersvrouw aflegde.
  6. zelfstandig naamwoord

    rökske rokje

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'waaierige rùkskes'; 'hij hefte heur rùkskes'
    - Pierre van Beek - Van iemand, die op de laatste zondag, dat er gelegenheid bestaat tot het vervullen van zijn Paasplichten, ter H. Communie gaat, hoorde ik zeggen: "Hij gaat met de rooi rokskes", terwijl een ander zeide: "Hij gaat met strooi in 't haar". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)
  7. werkwoord

    rokt As ie rokt, ròkt ie van de wèès uitdr. Et rokt er - het is er niet pluis 2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'rooke', met vocaalkrimping ròkt werkwoordsvorm; persoonsvorm raakt

    - Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) raoke - hij ròkt
  8. werkwoord

    2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'raoke', met vocaalkrimping rökt ruikt tegenwoordige tijd sing. 2e + 3e pers. van 'rèùke', met vocaalkrimping rolle werkwoord, zwak rollen

    - WBD (van een paard) zich over de rug wentelen en met de benen in de lucht klauwen
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - iemand róllen as nen vrèdagse gaorenbôom (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1979) - iemand erdoor halen (Vrijdags werden de stukken van de doekboom gerold, waar ze tijdens het weven omgedraaid werden, om ze 's zaterdags bij de fabrikant in te leveren.)
CuBra Home
  1. zelfstandig naamwoord

    leugenaar

    - Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 'leugenaer'
  2. zelfstandig naamwoord

    Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - tis ene leugenèèr dieter wè afdoe ('76) - gezegd als men vindt dat iemand overdrijft, of bij twijfel aan de echtheid van zijn verhaal. Henk van Rijen - leugebist, liegebist

    - Karel de Beer; Tilburgse bijnamen (2000) - Hein de leugenèèr = Hein de Groot (41)
  3. zelfstandig naamwoord

    lèùk, lökske luik leune werkwoord, zwak leunen lêûper, lôoperke zelfstandig naamwoord vogelkooitje van klein formaat, dienend om een gevangen vogeltje stiekem te vervoeren (bijvoorbeeld onder de jas)

    - WNT - LOOPER (II) 21) - In Z.-Nederl. bij vogelvangers. Lange kooi die aan een draagstok, en waar de lokvogels in zitten, of waar men de levende vogels in zet die men vangt.
  4. zelfstandig naamwoord

    lêûpes lopens

    - WBD - een half hond (oppervlaktemaat)
    - Verhoeff: morgen (0,99 ha) = 6 lopens/hond (van 0,165 ha) roede (à 33,06 m2). Zie ald.
    - Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'leùpes' zelfstandig naamwoord - lopens (oppervlaktemaat)
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - leupese, lopsel, loopsaat - bep. landmaat (Meierij, - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899))
  5. zelfstandig naamwoord

    'Dreigend onweer boven de Hudson' - schilderij, 19e eeuw; kunstenaar onbekend lèùplocht zware bewolking

    - Wè ist tòch en lèùplócht: der kómt rèège. - Wat is er toch een zware bewolking: er komt regen.
    - WBD - III.4.4:14 'luiplucht' = lucht die onweer voorspelt
    - Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Ziede die lèùplocht, et zal naa gaa gòn rèègene - Zie je die donkere wolken, het zal nu vlug gaan regenen (270408)
    - Cees Robben: 'Kek is wèn luiplocht; jè, 'thaauwt er om det rèègent'... (130985)
    - Cees Robben: 'Sjonge,sjonge.. drie daoge luiplocht.. en de spurrie is wir naor de kloôte' (151071)
    - WNT - LUIPEN - van dezelfde basis lû- als loeren en luimen; verwantschap met gluipen en misschien met sluipen is niet onaannemelijk. Met valschheid en baatzuchtige en boosaardige bedoelingen kijken, loeren, gluipen.
  6. zelfstandig naamwoord

    lèùpôog luiper, gluiper(d) lèùs, löske zelfstandig naamwoord luis

    - 2020 - Biologieles: - en vlôoj is en zèùver bisjeet heej gin lèùs! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: klik hier
  7. zelfstandig naamwoord

    als metafoor voor armoede

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'die hadden gin lùis'
    - Pierre van Beek Om iemands welstand uit te drukken houdt men er in Tilburg ook een paar kernachtige uitdrukkingen op na. Zo zegt men van iemand bijv. dat "hij geen luis heej om dood te trappen", wat betekent, dat hij heel arm is. "Geen luis in de mars hebben" betekent hetzelfde en wanneer iemand "zô hard is as 'nen spijker op z'nen kop" dan is het met zijn materiële welstand al even erg gesteld. (Tilburgse taalplastiek 14 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 23 mei 1950)
    - èn hij heej ok nòg es gin lèùs om dôod te nèèpe ok nie. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
  8. andere metaforen

    - Pierre van Beek - Hij voelde zich in die functie zeer op z'n gemak "als 'n luis op 'n zeer hoofd." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)
    - Cees Robben - Vruuger zaate in de luis... En naaw vort in de neeten (19721208) [De prent gaat over de kosten van het sinterklaasfeest; na de tekst van Robben is een gedrukte Voetnoot toegevoegd: Luis moet men verstaan als kinderen. Neeten staan hier voor kleinkinderen.]
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - hij liegt dètter de lèùzen óp zene kòp van barste (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek '71)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - irst vangen èn dan knippe (Daamen, Handschrift 1916)-de huid niet verkopen, voordat.. (Men kan luizen pas doden nadat ze gevangen zijn) - Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - zó vêeg as en lèùs óp ene kam (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek '73) - in doodsgevaar (variant: as en vèèreke óp enen bak: een mestvarken)
  9. zelfstandig naamwoord

    leut plezier, koffie

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - en tas leut - een kop koffie
    - WBD - III.1.4:188 'leut' = vermaak; 191 'leut' = vreugde ;'leutig' - vrolijk
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - leut (= pleizier) (krt.99)
  10. zelfstandig naamwoord

    Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

    - Cees Robben - Ik lèèfde louter vur de leut.. (19600415)
  11. naam

    Str. leut (2:54) leute

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - drinken; kòffie leute
  12. werkwoord

    leutere leutere - leuterde - geleuterd 1. plassen, wateren (inz. in de broek)

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "hedde nie in oe broek geleutert (p....)?"
    - WBD - III.4.2:38 leutere - ook: 'zeiken', 'pissen', 'plassen'
    - WBD - III.1.1. lemma urineren - Tilburg
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LEUTEREN onov.ww 3) langzaam een plas doen, speciaal: in zijn broek pissen. 2. praten, en wel onsamenhangend of onzin verkopend; tijdens carnaval: tonpraten, sauwelen, in wedstrijdverband (òpperleuterèèr worden)
    - Cees Robben - Ik leuter mn lieke (19570713)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 12 15 - 'n Zaoterdag gaon ze vur 't Karneval / Aon 't leutere en aon 't blère / Alles op z'n Tilburgs, zó plat as mar kan / Kèk, zóiets dè heur ik naa gère.
    - Èn nòr et leutere löstere, dè doek ok gèère. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009) - Witte gullie dètter in Tilbörg ene Tonpraotakkedeemie is? Wòr ge kunt leere leutere? (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LEUTEREN onov.ww 2) onverstandig en onsamenhangend praten in een laag tempo;
  13. werkwoord

    3. Andere betekenissen

    - WBD - III.4.4:248 'leuteren' = rammelen
    - WBD - III.4.4:317 'leuteren' = loszitten; ook 'uitleuteren'
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LEUTEREN onov.ww 1) loszitten, door slijtage losraken, vooral in verbinding met 'uit-', bijvoorbeeld van een slot;
  14. zelfstandig naamwoord

    leuterèèr

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - lijzig prater, tonprater
    - WBD - III.1.4:161 'leuteraar' leegloper
    - WNT - LEUTEREN 2) onvast, onzeker zijn, verslappen; 3) aarzelen, weifelen; 4) talmen, treuzelen; 5) haperen; enz. LEUTERAAR - treuzelaar
  15. zelfstandig naamwoord

    leuw, luwke leeuw

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 verkleinde vorm leuwke
    - Dialectenquête 1876 - leuw
    - Cees Robben - Meej den leuw in t blazoen (19580308)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 04 15 - En leuwen in d'r kooien / Daor waren ze net stukken vlèès / Bij aon 't binnengooien. / "Pa - zee de klène - wörom wordt / Dè vlèès hier zò gegeven? / Gij zelf serveer 't aaltij fèn / Soms staotig overdreven. / "lk zet 't eten netjes neer, / De oppaassers die gooien / Mar daor is 'n goei reeje veur: / 'ne Leuw die gift gin fooien."
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk - leeuw.
  16. zelfstandig naamwoord

    leuwèèrk, leuwerik leeuwerik

    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEEUWERK zelfstandig naamwoord mannelijk - leeuwerik, Frans: alouette - WNT - LEEUWERIK, leeuwrik, leeuwerk(e)
  17. Dörom roep ik al de vinke, leuwerikke, wielewaole, meeze, kneuters, naachtegaolen, al wè hier in Brabant piept, al wè neuriet, kwaokt en kriept, om mar hardop mee te zingen, blij te zijn en rond te springen in den lieven Heer z'n boome

    - Leo Heerkens, Op mn bene. In: Piet Heerkens, De knaorrie, 1949 -
  18. zelfstandig naamwoord

    lijk den leuwerik fladdere, zeile, vliege naor 't luilekkerlaand, smelten in den zonnebraand

    - Zoo tob ik, gekooide kenaorriepiet, swijls de leuwerik de locht in schiet... (Piet Heerkens, De knaorrie. In: De knaorrie, 1949) - Pas wakker worren as ge de leuwerik heurt tuureluure terwijl ie hoog in de lucht z'n rondjes draait (Tontje: Op mn eendje in: Goirle, 1974) - In de hagen botte 't jonge leven... een dalende leeuwerik spiraalde tierelierend naar beneden, en een verborgen merel zong met overmoedige levenslust... (Cees Robben, Maria, dè been van Annas moete geneze; in: Robben en rooms, 1981) - Den daauw laag as purpere pèrels te fonkele over de waai; in ut hout sloege vinke en mèrels en de leeuwerik schoot ut de haai. (Jodocus (Jacques Stroucken), Daauw-trappe. In: Toemet-hooi, 1993) - Ziede dieje leeuwerik, hôog vliege die jé, heej daor springt enen haos weg, zaagde gullie dè knèèn in zen hol schieten? (Lodewijk van den Bredevoort (Jo van Tilborg): Kosset den brèùne eigelek wel trèkke? Jeugdherinneringen van een gewone volksjongen, deel 2, 2007) - WBD - III.4.1:164 'leeuwerik', ook: 'tureluut, 'tuutuut' of 'strontpikker'
  19. zelfstandig naamwoord

    lèùzepadje scheiding in het hoofdhaar - Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Ons moeder kamde bij mèn en schôon rèècht lèüzepadje (140107) - Paul Spapens et al; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol (2004) - scheiding in het haar lèùzetèùmel

    - Pierre van Beek Wa zèède gij tòch ene lèùzetèùmel (tot iemand die de eenvoudigste dingen nog verkeerd doet) Herkomst onbekend (Tilburgse Taaklplastiek 174).
    - WTT - 2017 - mogelijk samengesteld uit het denigrerdende 'luis' - vergelijk 'luizig', en 'tuimelaar' in de zin van 'potsenmaker', zie - WNT - lemma Tuimelaar I.1.
  20. zelfstandig naamwoord

    lewaaj , lawaaj lawaai

    - Piet van Beers:
  21. OP DIEET Men vrouw zeej "Ak jouw liet betije dan aate,wèl vier sneeje op. Lèt tòch 'n bietje op oe èège, ge hèt tòch al zonnen dikke kòp." Ik krèèg smèèrges naa nòg mar tweej sneekes. Êen, dun beleej meej dreuge ham. 't Aander moet ik mar besmèère meej van dieje zuure Prèùmezjam. Smiddags krèèg ik aanderhalven èèrpel meej unne flinke scheut lawaai. Den êenen dag 'n maoger lèpke. Den aanderen dag 'n harde aaj.

  22. naam

    niets, helemal geen; 'òf niks' (èn niks) dient ter versterking van een ontkenning

    - Dialectenquête 1876 - Ze doen der niks goeds
    - Dialectenquête 1887 Willems - niks
    - KAREL. 't Is nog mar niks ginnen zomer, war Sjarel. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 2 februari 1945)
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ge hèt niks vur niks as ene scheet in oewe slaop.
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'deh noem ik niks gin schaand'
    - Informant Ad Vinken; ze blêef allêen aachter want ze ha gin kènder òf niks
    - Informant Ad Vinken; ik zèè nie goed èn niks (nie)
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Dès nòg minder as niks Dat is heel erg weinig
    - WBD - III.4.4:283 'niksnie', 'nikskenie' = onbelangrijk
    - WBD - III.4.4:284 'nikswicht' = iets onbelangrijks
    - WNT - NIKS - in de gemeenzame taal gebruikelijk in den zin van niets.
    - J. H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - NIKS, even als het Plat-Duitsche 'nix', van het Hoogd. 'nichs' voor 'niets', wordt elders meestal schertsende gezegd. Hier vrij algemeen, ook in den beschaafden spreektrant.
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - NIKS vrnw. Wordt overal gebruikt voor 'niets'.
  23. werkwoord

    slijpen slèèpe - slêep - gesleepe

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 40) verl. tijd slêep, maar: slipte gij?
    - in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij slèpt
    - WBD slèèpe - schuren van leer op de nerfkant, ook 'schuure' genoemd (II 662)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - slijpen
×