maadekezelfstandig naamwoord
maagdje
maag1e + 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van 'meuge'; via 'mag' met vocaalrekking
maagtzelfstandig naamwoord
macht; grote hoeveelheid; lichaamskracht
maagtegbijwoord
machtig
maajzelfstandig naamwoord
mei
- Dialectenquête Willems 1887 - in de Maai
- Cees Robben; Prent van de week 1954-05-08 - Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Lôôn of Beek....
- Cees Robben; Prent van de week 1960-05-20 - Ter bèèvert in de maond van maai...
- Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek aflevering 159, 04-09-1972; Tot de oud-Tilburgse exclamaties, die men echter nog maar zelden te horen krijgt, behoort: "Jao zeuve (zeven), zeuve, mee de Maai (Mei) aacht!" Ze betekent: Ja, dat geloof ik wel, je kunt me nog meer vertellen! Of: Ben je bedonderd!
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960-1980; uit: Wir volop kleur - Hoera, et is wir de maond van Maai/ ons kan niks mir gebeure/ èn hil wèèreld lèèft wir op/ et barst wir van de kleure...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960-1980; uit: Nie zôo wèèd - Den irste zondag van de Maai/ dan gonge we te voet/ nòr de Sint Jan toe in Den Bosch/ meej ene grôote stoet...
- Ad van den Boom, De wèèvers van Tilburg, circa 2005 In de Maaj mee vrouw en kender/ Gonge ze op bèèvert nor St. Job/ Dan wir nor huis mee unne stok/ Van flötjeshout, unne schar in top
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Rèègent et in maaj, dan is april al lang vurbij...
- Piet van Beers (Spoeje doemmeniemer; 2009) - t Ôog moet ok wè hèbbe: 'n Kriezaant, dè is n nòjaorsblom/ die wòrt geplaant in Maaj...
- Henriëtte Vunderink (Zoas ik et as kèènd beleefde; k Zal van oe blèève haawe, 2007) - Ast Maaj was möoge we meej ons moeder/ nor de Hasselse kepèl...
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - 1) mei, de bloeimaand; 2) meitak
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - maaj Mei
maajblömkezelfstandig naamwoord
meibloempje
Schilderij van William Bougereau - Daisies - (1896)
maajbluumkezelfstandig naamwoord
meibloempje
Schilderij van William Bougereau - Daisies - (1896)
maajbôomzelfstandig naamwoord
maajewerkwoord
maaien
maajmòndzelfstandig naamwoord
meimaand
maajsnaam
van mei
2 zelfstandig werkwoord maïs
maajscheutzelfstandig naamwoord
maajsteekzelfstandig naamwoord
aantasting door wormen; wörmsteek
maajtakzelfstandig naamwoord
Illustratie: Naumann - fringilla coelebs - vink - maajvink (2e van boven)
maajvinkzelfstandig naamwoord
vink
Tekening: - Cees Robben - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. van de Ven jr., 1946
maandzelfstandig naamwoord
mand, korf
uitdrukkingen
Mandenmaker - detail van een centsprent met beroepen Mandenmaker - Caspar Luyken
maanknaam
mank
maansnaam
maansmeenszelfstandig naamwoord
letterlijk: mansmens man, mannen
maantelzelfstandig naamwoord
mantel
maastzelfstandig naamwoord
mast (van een boot), mastbos
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - 2012 - In het Tilburgs vooral gebruikt om dennen en sparren aan te duiden, alsmede de bossen die zij vormen; dennenbos(sen); met 'den' wordt vooral bedoeld de grove den, pinus sylvestris, ofwel pijnboom.
- Cees Robben; Prent van de week 1960-07-08 - Hanneken die huizen in de maast. - Cees Robben; Prent van de week 1969-09-09 - Ons dörpke leej rontom in maast en haai gevangen
- Piet van Beers t Èlfde buukske, 2010 Gin katte: nòr t park of de maast...
- WBD III.4.3:96 - maast - dennenbos (bos bestaande uit naaldbomen), ook genoemd: mastbossen, mastenbos, bussel, bussels
- WBD III.4.3:98 - maast - den, ook genoemd: dèn, dènnenbôom, mastenboom, spar, groffe maast, hèksemaast, waajbôom of maajbôom
- WBD III.4.3:107 - maast, fèène maast, mastenbôom - spar
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mast; zelfstandig naamwoord - mast 1) den; hierbij onderscheidt men 'fene maast' en 'grouve maast'; 2) mastbos respectievelijk mastbossen.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 mast; zelfstandig naamwoord den (Frans sapin) - fijne, grove, zwarte mast
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1993 maast; zelfstandig naamwoord - mast, den, dennebos

Samenstellingen
maatwerkwoord
mat verleden tijd van 'meete'
maawzelfstandig naamwoord
Promotiekaartje van website Tilburg.com.
maawewerkwoord
zeuren, miauwen, zaniken
En Hannes Kaokel toog op pad van 't domme dörpke Baokel naor Boekel mee de vette koei, alleenig, Hannes Kaokel; de taanden hield ie op mekaar en ie waar heel vaast besloten om wijselijk te zwijgen, want 't is waor: die groote tooten, die praoters en die maawers, al die raoteleers en zwetsers dè zijn de ware kooplui nie, ik mot ze nie, die kletsers! Uit Vertesselkes, 1941
Tilbörg Ik hèb toch iets meej Tilbörg èn dè is gin schaand. Ik kan er zélf soms ok wèl oover maawe. Toch zal ik aaltij van der blèèven haawe. Et is vur mèn: de schonste stad vant laand.
Beeterweeters ' n Vòlkstöntje, dè is niks, zeej Kees van Ballegooie. Ge kunt nôot òp vekaansie gaon tis zaaje òf ogste òf rooje, Èn bovendien moete oewe tèùn ok vrij van onkrèùd haawe, doede dè nie, dan leej 't bestuur wir on oewe kòp te maawe. Wè ik prebeer jullie dèùdeluk te maoke Is: Dè hij die ´t klèèn nie eert. ok nie moet zaonikke èn maauwe want grôote dinge is ie dan nie "wèèr.
Zwemmen han we ons èège geleerd. Asset goei weer waar, s woensdagsmiddags, vroegen we un dubbeltje aon ons moeder om nor et zwembad te meuge. We moese er dikkels lang om maauwe, mar dan docht ze, ben ik wir efkes van die druktemaokers verlost en kan ik beter meej men wèèrk opschieten. Nao veul maauwe van onze kaant kocht ze ene keer un pötje zjem. In èene keer waar dè pötje leeg, kunde begrèèpe. Zij begreep dè dus nie, kaod desse waar
werkwoord
De kènder sliepen zuutjesaon De moeders gingen maauwen Omdè de vadder te veul dronk En niemer op wó haauwen. Uit: Vruuger Toen 'k vroeg Hoe stao'get mee m'n pak? Begos ons Sjaan te snaauwe Ze zee 't Is aaltij wè mee jouw Gij mot óók aaltij maauwe. Uit: Naor de kèrmis Ons Sjaan die meegekeeke ha' Begos sebiet te maauwe Ze zee: t Is d'n hoogste tèèd Mee rôoke op te haauwe. Uit: 'Ge zut niks mit meuge' Tilburg hee himmol gin kultuur Heurde daogeluks maauwe Loat ons dè bietje dètter is Dörom asteblief haauwe! Uit: Haaw vaast, die bilde D'n Heuvel gaot 'r op veuruit 't Verkeer hee wir gewonnen Mar aaltij heur de maauwen van: Wè zèn ze naauw begonnen? Uit: Stoplichten; ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, uit De Tilburgse Koerier
maawerzelfstandig naamwoord
zeurpiet, iemand die kletspraat verkoopt
...want 't is waor: die groote tooten, die praoters en die maawers, al die raoteleers en zwetsers dè zijn de ware kooplui nie, ik mot ze nie, die kletsers!
maawerdzelfstandig naamwoord
zeurpiet, iemand die kletspraat verkoopt
...want 't is waor: die groote tooten, die praoters en die maawers, al die raoteleers en zwetsers dè zijn de ware kooplui nie, ik mot ze nie, die kletsers!
maawmeutzelfstandig naamwoord
kletser leuteraar(ster)
maawmuurzelfstandig naamwoord
Tilburgse variant op de klaagmuur. Monumentaal werk bij het Paleis raadhuis in het centrum, in 2012 gerealiseerd door Miranda Poel e.a. De muur bestaat uit stalen letters: WIE GEEN FOUTEN MAAKT/ MAAKT MEESTAL NIETS. In de muur zijn twee brievenbussen aangebracht waarin klachten gepost kunnen worden, een daarvan speciaal om te maawen bij de gemeente. Foto's: CuBra 2018.
madamzelfstandig naamwoord
m adòrrie potverdorie bastaardvloek (de etymologie is niet duidelijk)
mafnaam
gek kaajmaf - hartstikke gek
mafkeeszelfstandig naamwoord
gek
maggerienezelfstandig naamwoord
margarine
maggezèènzelfstandig naamwoord
magazijn
majenèèszelfstandig naamwoord
mayonaise, mayonnaise
majesjeseezelfstandig naamwoord
marechaussee, veldwachter
zelfstandig naamwoord
marechaussee
malderzelfstandig naamwoord
merel
Kindermallemolen van Janvier. Prentbriefkaart ter promotie van de 'Jaozeetie' (zie dat lemma). Afbeeldingen: facebook.com/dejaozeetie, 2019.
mallemeulezelfstandig naamwoord
mallemolen
mallemoerstaolzelfstandig naamwoord
moedertaal
malleurzelfstandig naamwoord
ongeluk(je), tegenspoed (van het Franse malheur)
zelfstandig naamwoord
ongeluk, pech
malsnaam
mals
mammelsamentrekking
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
manzelfstandig naamwoord
man
mangelknêûpzelfstandig naamwoord
mangelknoop
mangelpeejzelfstandig naamwoord
voederbiet; koolraap ook 'knòlraop', 'knòlleraop', 'knòllekes'
manjuubastaardvloek (juu komt van het Franse dieu; god)
manketijebijwoord
soms
mannezelfstandig naamwoord
manneezjezelfstandig naamwoord
manege: installatie waarmee de dorsmachine door een paard in beweging wordt gebracht
mannefetuurezelfstandig naamwoord
manufacturen
mannelijkhet voetballen As en zondag et spul begient/ dan is zen lêed geleeje/ hij kan fèèn nòr de voetbal toe/ èn is hêel dik tevreeje. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Hij wèl... zij nie tevreeje... ) Ak vruuger nòr de voetbal ging... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Minder gevaor)
manskèèrelzelfstandig naamwoord
mannelijk persoon
mansmaotzelfstandig naamwoord
herenmaat (kleding)
maogzelfstandig naamwoord
maag
maogdekespieszelfstandig naamwoord
samenstelling uit maagd, maagdje en pis
maogernaam
mager
maogpèntzelfstandig naamwoord
maagpijn
maogsapzelfstandig naamwoord
maagsap
maojzelfstandig naamwoord
made, maden
maokewerkwoord
maken maoke - mòkte - gemòkt, met vocaalkrimping; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij mòkt
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - maok et naa èfkes - toe nou!
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Hij mòkt er nie veul van! - Hij brengt er niet veel van terecht!
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - ruziemokster
- Cees Robben; Prent van de week 1960-09-16 - Ik maoket zellef niemir meej...
- Cees Robben; Prent van de week 1985-05-10 - Mèn mesien maoket gelèèk, mevrouw...
- Piet van Beers; t Èlfde buukske, 2010; Karnavalslezing, 2004 - Mokt dègge 't goed mòkt./ Mòkt dègge' t goed stelt./ Mòkt dègge goed zèèt vur oe èège
- WBD - ònzèt maoke - de eerste voor ploegen (in De Hasselt)
- Willems; Dialectenquête 1887 - Mok de gloaze is vol! - vul de glazen
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - Die deur is van beukenhout gemakt.
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - Dè maoke ze meej den dôojer van een aaj
- WBD I II.4.4:318 maken - repareren
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - maoke - maken
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - maoke
maolzelfstandig naamwoord
maal, maaltijd
naam
'kalfvèèrs'
maol haawewerkwoord
een maaltijd aanrichten
maolewerkwoord
malen
maonzelfstandig naamwoord
maan
maondagzelfstandig naamwoord
maandag
maonewerkwoord
manen
maonôogzelfstandig naamwoord
maonstaopelzelfstandig naamwoord
maotzelfstandig naamwoord
1 maat, werkgezel, collega
naam
2 maateenheid
maotschappijzelfstandig naamwoord
maatschappij
maozelezelfstandig naamwoord
mazelen
marbijwoord
maar
bijwoord
voegwoord
mardelzelfstandig naamwoord
merel
margoniezelfstandig naamwoord
mahonie, mahoniehout
Marienuszelfstandig naamwoord
Marinus, Jantje ook als eponiem: jantjemarienes
Markoennaam
Markoen, Sint
Illustratie Naumann - gallinula chloropus
markootzelfstandig naamwoord
klein, zwart eendje met rode bek
marrissamentrekking
maar eens
marsepèènzelfstandig naamwoord
marsepein
marsjepèènzelfstandig naamwoord
marsepein
marsjeseezelfstandig naamwoord
marechaussee
martelaarèszelfstandig naamwoord
martelares
maseurzelfstandig naamwoord
schoonzus, uit Frans ma soeur, mijn zuster
masjenèèszelfstandig naamwoord
mayonaise
masjeseezelfstandig naamwoord
marechaussee
masjienaolbijwoord
machinaal
masseseejzelfstandig naamwoord
marechaussee
mastappelzelfstandig naamwoord
dennenappel, dennenappels
mastendòlzelfstandig naamwoord
dennenappel
Mastepieperke - Regulus regulus - goudhaantje
mastepieperkezelfstandig naamwoord
goudhaantje
matszelfstandig naamwoord
stamp, stamppot
matserzelfstandig naamwoord
glazige aardappel
matskòpzelfstandig naamwoord
glazige aardappel
matteklòpperzelfstandig naamwoord
mattenklopper; hier: de stang waaraan de te kloppen mat werd opgehangen
matteriejaolzelfstandig naamwoord
matterriezelfstandig naamwoord
etter
menaam
we, wij ontstaan door samensmelting van -n + w-; gòn we; gòmme, zo ook zumme, hèmme, kosseme
mèdjezelfstandig naamwoord
meisje verkleinde vorm van 'mèèd', met vocaalkrimping
naam
meid, meisje, dienstmeid, dienstbode
Sticker van een Tilburgse carnavalsvereniging. Maart 2-19. Foto CuBra.
medòlliezelfstandig naamwoord
medaille (uit Frans met vocaalreductie en ronding)
samentrekking
mèèdnaam
meid, meisje, dienstmeid, dienstbode
Sticker van een Tilburgse carnavalsvereniging. Maart 2-19. Foto CuBra.
mèèdenaam
meid, meisje, dienstmeid, dienstbode
Sticker van een Tilburgse carnavalsvereniging. Maart 2-19. Foto CuBra.
mèèdemertzelfstandig naamwoord
meidenmarkt
meejvoorzetsel
met, mee
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Ik speul nie meej meej hullie. - Ik speel niet mee met hen.
- Cees Robben; Prent van de week 20-07-1979 - En as 'n vrouw uitschaait mee kraome, haauwt ze mee d'r kender saome...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 03 19 - Ons Tiesje moes mee mee 't spoor.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 05 31 - Omdè'k nòòt iets mee kilo's kòòp / Mar aaltij mee 't pond.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 07 17 - Mar ik blèf lekker thuis mee's Sjaan.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Töskoome meej niks... - Zonder iets thuiskomen...
- Henriëtte Vunderink; Grôot dikteej van de Tilbörgse taol; k Zal van oe blèève haawe, 2007 - Schrèèfde Tilbörg meej o èn puntjes/ of alleen mar meej en u?/ èn moet meej naa meej en j/ of moet et zonder?/ soodejuu!
- Michels; Stoffen uit de 16e en 17e eeuw - mee als voorzetsel (...) In Brabant is dit het gebruikelijke woord, ofschoon niet overal in dezelfde klankvorm.
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - Dè maoke ze meej den dôojer van en aaj.
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], Baarn, 1978 - 1. voorzetsel met - mee iemand mee, mee 'ne riek; 2. bijwoord meteen, in korte tijd - ze waren er mee, zoo 's mee
bijwoord
oudere uitspraak - mi
meteen
meejdèvoegwoord meteen, nadat
meejèndanbijwoord
nu en dan, soms
meekaaniesbijwoord
meekanniekzelfstandig naamwoord
letterlijk: mechaniek figuurlijk:
mèèlzelfstandig naamwoord
meel
mèèlegnaam
melig, droog door overrijpheid
mèèlemòpzelfstandig naamwoord
marie-koekje, droog koekje; zie ook möpke
meelijezelfstandig naamwoord
medelijden
meelôopewerkwoord
meelopen
mèèlpèèrzelfstandig naamwoord
meelpeer, droge, meelachtige peer
Larven van de meeltor - Wikipedia
mèèlwörmzelfstandig naamwoord
meelworm (Tenebrio molitor). De meelworm is de larve van de meeltor (Tenebrio molitor), een 14-16 mm lange tor met pikzwarte bovenkant en roodbruine onderzijde, die in bakkerij, molens, pakhuizen e.d. wordt gevonden. Meer bekend dan de tor is zijn larve, de meelworm, die rolrond is met glanzende huid en voorkomt in meel, afval en mest. De meelworm vormt geliefd voedsel voor vogels, hagedissen en vissen en wordt daartoe wel gekweekt. Tenebrio molitor - Wikipedia
mèèlzakzelfstandig naamwoord
meelzak
mèèlzolderzelfstandig naamwoord
mèènnaam
mijn, m'n zelfstandig naamwoord het mijne, mijn eigendom
naam
mijn, die van mij, de / het mijne
zelstandig naamwoord de mijne
mèènewerkwoord
menen, bedoelen
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - Dè mainen ze nie; dè was meinens
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - Meenschen die meinen dè...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - K-mèèn! Un mèndje is nòg gin körref! - Alles wat je meent, hoeft nog niet waar te zijn.
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - meinen menen
- Willems; Dialectenquête 1887 - mèène - mènde gemènd; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij mènt
- Dialectenquête, Willems 1887 - mêne (ê als in frans même)
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - meinen - meenen
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [=Udenhouts] - menen (mèène) - 1. van mening zijn: ik mèèn toch ammal - toch heb ik nog altijd de mening; 2. ernstig bedoelen, geen grapjes maken: dè mènde nie - dat bedoel je niet serieus; ik zeg 't zo ès ik 't mèèn; 3. van plan zijn, op het punt staan: ik mènde nor törp te gaon.
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - meinen voor meenen. Zeer veel werd oudtijds ei gebruikt in werkwoorden die thans de verdubbelde e hebben.
- WBD III.1.4:56 - menen - vermoeden
- WBD III.1.4:48 menen - bevinden
mèènesnaam
serieus bedoeld, menens
meenszelfstandig naamwoord
mens 1. mens, de mensen
- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer; Tilburg 1996.- meens (i-umlaut met rekking); meensen èn pòtlôojer
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1944-12-08 - Lómme irst is uitpraote. Het heele vraogstuk is nie half zoo gecompliceerd as de meensche wel denke. 't Is gewoonweg: de meensche zien ut nie, of ze willen ut nie zien!
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 meenschdom
- Cees Robben; Prent van de week 1960-07-01 - Jan Dokus waar unne goeie meens - Cees Robben; Prent van de week 1964-11-27 - Mar het mar ginne bangen... Ik ben ginne onte meens... - Cees Robben; Prent van de week 1969-03-28 - Ge het abuus, meens... - Cees Robben; Prent van de week 1955-06-18 - Unne Haaikaantse meens liep wè hers en wè geens
- Cees Robben; Prent van de week 1957-07-06 - Meensen van jaore geleje... - Cees Robben; Prent van de week 1964-12-18 - Vur fèèn meensen en motrèègen moette oppaase Tirris.. - Cees Robben; Prent van de week 1977-01-28 - Hoe beter ik de meense leer kenne... Hoe meer ik van munne hond gao haauwe.. - Cees Robben; Prent van de week 1981-12-24 - Meej Kerstmis zen de meensen goed...
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 7, 1929-11-30 - As we bij ons naa ok eenmaol trottoirs hebben dan hoop ik nog één ding en dè is, dè ze 'n bietje fesoenlijker zullen zèn as die in Tilburg; (...) die Tilburgsche trottoirs dè lekt wel snert. Ge kunt ze 't bist vergelijken mee fijn meenschen en motrègen. 'n Aorige vergelijking hè? En toch goed want ze nemen oe er allebaai tusschen en ge zijt nat vur dè ge er erreg in hed!
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 2, 1929-10-16 - Bartje beheurt tot de kalme meenskes, zooas er veul op 'n dorp lèven die Zondags vlak nô de liste Mis 'nen stevigen borrel vatten...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Meensen èn pòtlôojer, schrèève doen ze allebaaj!
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Zenèège gin meens gelèèk vuule... - Zich heel beroerd voelen.
- Elie van Schilt; uit Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, circa 2000) - Un glas bier, was te duur vur erm meessen en die wonden er toen veul in Tilburg.
- Elie van Schilt; uit Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, circa 2000) - Tilburgse meessen die al meer as veftig jaor in Canada of Australië wonen laoten daor de meesen die kaorten zien en zeggen dan nog fréét: "Kek des onze waotertoren"...
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, Tilburg 2007 - Aander meense kender opvoeden en zegge hoe dè moes, daor waar ze goed in
- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ge hèt meense èn ge hèt pòtlôojer Het laatste gezegd tegen een sukkelaar/nietsnut
- Hein Mandos; Brabantse Spreekwoorden 2003 - Ik zit liever onder de bomen dan onder de mensen (opgetekend in Tilburg 1976)
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - As vruuger ne meens dôod was, dan stond dieje meens, die stond in hèùs in en kiest. Èn dan stond ie vur et raom èn dan kosse de meense van bèùten et raom, koste, koste gij nòr den dôoje stòn te kèèke!
2. echtgenoot, man
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - mènne meens - mijn man, mijn echtgenoot (met nadruk)
- Cees Robben; Prent van de week 1976-01-16 - (vrouw spreekt:) mene meens is tòch zoo bevattelijk...
- Cees Robben; Prent van de week ongedateerd - Mar 't biste huwelijk des aaltij nog dè tussen 'n blende vrouw en unne dôove meens... [In: Tilburgs Prentebuukske, deel VII, 2002]
- Cees Robben; Prent van de week 1982-09-24 - Munne meens praot s naachts in zunne slaop...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - heure meens laote zien - haar vrijer voorstellen
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mins- l) mens; 2) manspersoon, man
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mens - man, echtgenoot; gee(n) mens(ch) - niemand
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 - mensch - Een man en wel een getrouwd man. Een getrouwde vrouw van haren man sprekende zal doorgaansch met den meierijschen tongval zeggen, mene mensch of mansmensch.
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - type 'mens' - echtgenoot (kaart 32 en blz.168)
- WBD III.1.4:65 - goede mens - goedzak
3. echtgenote, vrouw
meensezelfstandig naamwoord
mens 1. mens, de mensen
- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer; Tilburg 1996.- meens (i-umlaut met rekking); meensen èn pòtlôojer
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1944-12-08 - Lómme irst is uitpraote. Het heele vraogstuk is nie half zoo gecompliceerd as de meensche wel denke. 't Is gewoonweg: de meensche zien ut nie, of ze willen ut nie zien!
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 meenschdom
- Cees Robben; Prent van de week 1960-07-01 - Jan Dokus waar unne goeie meens - Cees Robben; Prent van de week 1964-11-27 - Mar het mar ginne bangen... Ik ben ginne onte meens... - Cees Robben; Prent van de week 1969-03-28 - Ge het abuus, meens... - Cees Robben; Prent van de week 1955-06-18 - Unne Haaikaantse meens liep wè hers en wè geens
- Cees Robben; Prent van de week 1957-07-06 - Meensen van jaore geleje... - Cees Robben; Prent van de week 1964-12-18 - Vur fèèn meensen en motrèègen moette oppaase Tirris.. - Cees Robben; Prent van de week 1977-01-28 - Hoe beter ik de meense leer kenne... Hoe meer ik van munne hond gao haauwe.. - Cees Robben; Prent van de week 1981-12-24 - Meej Kerstmis zen de meensen goed...
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 7, 1929-11-30 - As we bij ons naa ok eenmaol trottoirs hebben dan hoop ik nog één ding en dè is, dè ze 'n bietje fesoenlijker zullen zèn as die in Tilburg; (...) die Tilburgsche trottoirs dè lekt wel snert. Ge kunt ze 't bist vergelijken mee fijn meenschen en motrègen. 'n Aorige vergelijking hè? En toch goed want ze nemen oe er allebaai tusschen en ge zijt nat vur dè ge er erreg in hed!
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 2, 1929-10-16 - Bartje beheurt tot de kalme meenskes, zooas er veul op 'n dorp lèven die Zondags vlak nô de liste Mis 'nen stevigen borrel vatten...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Meensen èn pòtlôojer, schrèève doen ze allebaaj!
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Zenèège gin meens gelèèk vuule... - Zich heel beroerd voelen.
- Elie van Schilt; uit Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, circa 2000) - Un glas bier, was te duur vur erm meessen en die wonden er toen veul in Tilburg.
- Elie van Schilt; uit Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, circa 2000) - Tilburgse meessen die al meer as veftig jaor in Canada of Australië wonen laoten daor de meesen die kaorten zien en zeggen dan nog fréét: "Kek des onze waotertoren"...
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, Tilburg 2007 - Aander meense kender opvoeden en zegge hoe dè moes, daor waar ze goed in
- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ge hèt meense èn ge hèt pòtlôojer Het laatste gezegd tegen een sukkelaar/nietsnut
- Hein Mandos; Brabantse Spreekwoorden 2003 - Ik zit liever onder de bomen dan onder de mensen (opgetekend in Tilburg 1976)
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - As vruuger ne meens dôod was, dan stond dieje meens, die stond in hèùs in en kiest. Èn dan stond ie vur et raom èn dan kosse de meense van bèùten et raom, koste, koste gij nòr den dôoje stòn te kèèke!
2. echtgenoot, man
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - mènne meens - mijn man, mijn echtgenoot (met nadruk)
- Cees Robben; Prent van de week 1976-01-16 - (vrouw spreekt:) mene meens is tòch zoo bevattelijk...
- Cees Robben; Prent van de week ongedateerd - Mar 't biste huwelijk des aaltij nog dè tussen 'n blende vrouw en unne dôove meens... [In: Tilburgs Prentebuukske, deel VII, 2002]
- Cees Robben; Prent van de week 1982-09-24 - Munne meens praot s naachts in zunne slaop...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - heure meens laote zien - haar vrijer voorstellen
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mins- l) mens; 2) manspersoon, man
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mens - man, echtgenoot; gee(n) mens(ch) - niemand
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 - mensch - Een man en wel een getrouwd man. Een getrouwde vrouw van haren man sprekende zal doorgaansch met den meierijschen tongval zeggen, mene mensch of mansmensch.
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - type 'mens' - echtgenoot (kaart 32 en blz.168)
- WBD III.1.4:65 - goede mens - goedzak
3. echtgenote, vrouw
meensepraotzelfstandig naamwoord
mensenpraat
meenseschaawnaam
mensenschuw
Prentbriefkaart ter gelegenheid van de kermistentoonstelling 'Jaozeetie', Tilburg 2018. Afbeelding uit het 'Nuuw Tilburgs Leesplèngske' dat in 2020 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven in samenwerking met Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant en Erfgoed Tilburg. De Illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn.
meepesaantbijwoord
uit het Frans: en passant - in het voorbijgaan veel nuanceverschillen in de betekenis: terloops, tegelijkertijd, in het voorbijgaan, zodra, onmiddellijk, op hetzelfde moment, ondertussen
andere varianten, uitspraken en spellingen: in passant
impassaant
in pesaant
impesaant
impersant
mee in pesaant
meejpesaant
meepassant
meepesaamt
meepesaant
meepersaant
mepessaant
Scène uit de Tilburgse Revue 'Hemel en Aarde' (1989). De deelnemers moeten het woord raden dat de assistente op het bord heeft geschreven zonder klinkers. De ABN-sprekers staan voor met 26-0 tegen de Tilburgers. De ABN-sprekers geven als antwoord: 'imposant'. En verliezen.
meepraoterzelfstandig naamwoord
meeprater (figuurlijk)
Meer over meikevers in het - WTT3. peulvrucht Pisum sativum subspecies sativum - grauwe erwt; kapucijner; velderwt; voererwt 'sativum' betekent dat het gekweekte soorten betreft ook: kapucijner, schokker, 'brèùne bôon', 'kapesientje' De volksnamen hebben betrekking op diverse soorten; telers onderscheiden strikt: ronde groene erwten, gele erwten, schokkers, kapucijners, rozijn- of grauwe erwten.
zelfstandig naamwoord
4. bloem Tropaeolum majus - Oostindische kers
Emanuel Phillips Fox, Nasturtiums (1912)
zelfstandig naamwoord
kappetaol
Meer over meikevers in het WTTzelfstandig naamwoord
hègwuw moeder van buitenechtelijk kind, ongehuwde moeder (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1963)
naam
achtervoegsel '- heid' in zeer uiteenlopende uitspraken en spellingen zoals: vurzichteghei, wèrkelôoshei, völleghei
- Cees Robben: verveelendeghei; gerèèchtegheid; kaojeghèd
- De Bestuursmeensche die ut daor op aon laote kome laoie 'n verantwoordelukhei op d'r ège die meer dan verschrikkeluk is! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 25 mei 1945)
- Mar op de allerirste plots: publicatie van de naome van meensche die erges de verantwoordelukhei van hebbe. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)
- Waor holde die verwöndighei ineens vandaon? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)
- Dan haj misschien zoveul broerdighei nie in de wereld gebracht. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 11 22 - Dan gromde ze: "Baldaodighei/ die maag hier nie gebeuren.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 07 05 - Veur de waarhei zè k nie bang.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 05 31 - In vrede, veurspoed en veural Gezondhei...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 03 13 - 't Is triest hoe hèèl veul jongelui / Baldaodighei uithaole.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 11 22 - zòveul blòòtighei
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 06 05 - Hij viel dur puure muugighei / In 't waoter, van de slaop.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 05 01 - Mar agge 't goed bekèkt / Wè isser aon saomheurighei / In dertig jaor berèkt?
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 10 17 - "Ge rijdt mar zot, / Zòdègge vur de zekerhei / Op 't pèpke blaoze mot."
Meervoud
mèèregebijwoord
morgen
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - smèèreges - s morgens
- Kees en Bart; in Tilburgsche Post, circa 1925 - toe merregenmiddag; alle mèèreges zaat ie thèùs - elke morgen...
- Cees Robben; Prent van de week 1964-01-31 - Ik wor mèèrege vèèf jaor...
- Cees Robben; Prent van de week 1973-06-29 - Ast dan mèèrege wir net is as vandaog...
- Cees Robben; Prent van de week 1971-01-22 - Ak mèèrege iets nuus begien...
- Cees Robben; Prent van de week 1974-02-08 - k Mot mèèrege vruug op, Suus..
- Cees Robben; Prent van de week 1965-09-03 - Ochèèrum ons vèèreke... t mot mèèrege stèèreve..
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Holt mèèregen es en mèèrgpèpke!
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - mä.r(e)ge(n); zelfstandig naamwoord - morgen, ochtend; bijwoord - morgen
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Mèèrege kómt er wir nen dag waor de mèùze nie òn gezeete hèbbe...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Er wòrt van èèges mèèrege...
- WBD III.4.4:122; - morgen, morgend - ochtend
- Willems; Dialectenquête 1887 - mèrrege
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen; Brussel 1936- morgen; bijwoord - mè:rege
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - mergen (uitspraak märregn); bijwoord - morgen
zelfstandig naamwoord
mèèrege, van de
mèèregeziektezelfstandig naamwoord
ochtendziekte
mèèrelzelfstandig naamwoord
merel; Turdus merula Illustratie: Naumann - turdus merula Luister naar het geluid van de merel
mèèrgzelfstandig naamwoord
merg
mèèrgpèèpzelfstandig naamwoord
mergpijp
meerijewerkwoord
meerijden
meerkatzelfstandig naamwoord
meeroejewerkwoord
meeroeien
mèèrpelzelfstandig naamwoord
glazen knikker
- Nicolaas Daamen Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mairbel - wit marmeren knikker
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Wen schôon mèrpelke, kwok et zôo êen hò...
- WBD III.3.2:96) - mèèrpel, stuiter, proem - grote knokker
- Hans Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; Roosendaal 1988-1994 - murpel, murbel, marbel, marber, (I:8, 24)
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - marrebol, marrenbol. merrebol, merrenbol, marmbol, marbol, marbel, mirps, merbel - marmeren of glazen bolletje waar kinderen mee spelen.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen; Brussel 1936 marmer uit Frans marbre
- WNT - marmer - 3) een voorwerp van marmer, b) een marmeren ook wel ivoren of glazen knikker; in deze toepassing komen voor: marmel (zelden marmer), marbel, merbel, ook marrebol, marbol en marboel, ook marmbol; marm is als eene wijziging van marmbol te beschouwen. Andere vormen zijn molber, molper en mulver .
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - marbel, molleber, mulver, murmel, murpel, mervel, mervelär - knikker
mèèrtzelfstandig naamwoord
maart
zelfstandig naamwoord
de maand maart
mèèrvöllezelfstandig naamwoord
merrieveulen
meervoud: pietjes of pietenaam
zelfstandig naamwoord
Kaart lemma Hoofdluis in WBD pietjeszuster pietjeszuster
De pietjeszuster als schrikbeeld van de schooljeugd - De scène werd geschreven door Ed Schilders - Foto: Frans van Aarle
meeszelfstandig naamwoord
mens 1. mens, de mensen
- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer; Tilburg 1996.- meens (i-umlaut met rekking); meensen èn pòtlôojer
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1944-12-08 - Lómme irst is uitpraote. Het heele vraogstuk is nie half zoo gecompliceerd as de meensche wel denke. 't Is gewoonweg: de meensche zien ut nie, of ze willen ut nie zien!
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 meenschdom
- Cees Robben; Prent van de week 1960-07-01 - Jan Dokus waar unne goeie meens - Cees Robben; Prent van de week 1964-11-27 - Mar het mar ginne bangen... Ik ben ginne onte meens... - Cees Robben; Prent van de week 1969-03-28 - Ge het abuus, meens... - Cees Robben; Prent van de week 1955-06-18 - Unne Haaikaantse meens liep wè hers en wè geens
- Cees Robben; Prent van de week 1957-07-06 - Meensen van jaore geleje... - Cees Robben; Prent van de week 1964-12-18 - Vur fèèn meensen en motrèègen moette oppaase Tirris.. - Cees Robben; Prent van de week 1977-01-28 - Hoe beter ik de meense leer kenne... Hoe meer ik van munne hond gao haauwe.. - Cees Robben; Prent van de week 1981-12-24 - Meej Kerstmis zen de meensen goed...
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 7, 1929-11-30 - As we bij ons naa ok eenmaol trottoirs hebben dan hoop ik nog één ding en dè is, dè ze 'n bietje fesoenlijker zullen zèn as die in Tilburg; (...) die Tilburgsche trottoirs dè lekt wel snert. Ge kunt ze 't bist vergelijken mee fijn meenschen en motrègen. 'n Aorige vergelijking hè? En toch goed want ze nemen oe er allebaai tusschen en ge zijt nat vur dè ge er erreg in hed!
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 2, 1929-10-16 - Bartje beheurt tot de kalme meenskes, zooas er veul op 'n dorp lèven die Zondags vlak nô de liste Mis 'nen stevigen borrel vatten...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Meensen èn pòtlôojer, schrèève doen ze allebaaj!
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Zenèège gin meens gelèèk vuule... - Zich heel beroerd voelen.
- Elie van Schilt; uit Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, circa 2000) - Un glas bier, was te duur vur erm meessen en die wonden er toen veul in Tilburg.
- Elie van Schilt; uit Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, circa 2000) - Tilburgse meessen die al meer as veftig jaor in Canada of Australië wonen laoten daor de meesen die kaorten zien en zeggen dan nog fréét: "Kek des onze waotertoren"...
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, Tilburg 2007 - Aander meense kender opvoeden en zegge hoe dè moes, daor waar ze goed in
- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ge hèt meense èn ge hèt pòtlôojer Het laatste gezegd tegen een sukkelaar/nietsnut
- Hein Mandos; Brabantse Spreekwoorden 2003 - Ik zit liever onder de bomen dan onder de mensen (opgetekend in Tilburg 1976)
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - As vruuger ne meens dôod was, dan stond dieje meens, die stond in hèùs in en kiest. Èn dan stond ie vur et raom èn dan kosse de meense van bèùten et raom, koste, koste gij nòr den dôoje stòn te kèèke!
2. echtgenoot, man
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - mènne meens - mijn man, mijn echtgenoot (met nadruk)
- Cees Robben; Prent van de week 1976-01-16 - (vrouw spreekt:) mene meens is tòch zoo bevattelijk...
- Cees Robben; Prent van de week ongedateerd - Mar 't biste huwelijk des aaltij nog dè tussen 'n blende vrouw en unne dôove meens... [In: Tilburgs Prentebuukske, deel VII, 2002]
- Cees Robben; Prent van de week 1982-09-24 - Munne meens praot s naachts in zunne slaop...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - heure meens laote zien - haar vrijer voorstellen
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mins- l) mens; 2) manspersoon, man
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mens - man, echtgenoot; gee(n) mens(ch) - niemand
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 - mensch - Een man en wel een getrouwd man. Een getrouwde vrouw van haren man sprekende zal doorgaansch met den meierijschen tongval zeggen, mene mensch of mansmensch.
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - type 'mens' - echtgenoot (kaart 32 en blz.168)
- WBD III.1.4:65 - goede mens - goedzak
3. echtgenote, vrouw
zelfstandig naamwoord
mens - Cees Robben; Prent van de week 1958-08-23 - Wè gin mees normaol behappen kan...
meesezelfstandig naamwoord
mens 1. mens, de mensen
- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer; Tilburg 1996.- meens (i-umlaut met rekking); meensen èn pòtlôojer
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1944-12-08 - Lómme irst is uitpraote. Het heele vraogstuk is nie half zoo gecompliceerd as de meensche wel denke. 't Is gewoonweg: de meensche zien ut nie, of ze willen ut nie zien!
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 meenschdom
- Cees Robben; Prent van de week 1960-07-01 - Jan Dokus waar unne goeie meens - Cees Robben; Prent van de week 1964-11-27 - Mar het mar ginne bangen... Ik ben ginne onte meens... - Cees Robben; Prent van de week 1969-03-28 - Ge het abuus, meens... - Cees Robben; Prent van de week 1955-06-18 - Unne Haaikaantse meens liep wè hers en wè geens
- Cees Robben; Prent van de week 1957-07-06 - Meensen van jaore geleje... - Cees Robben; Prent van de week 1964-12-18 - Vur fèèn meensen en motrèègen moette oppaase Tirris.. - Cees Robben; Prent van de week 1977-01-28 - Hoe beter ik de meense leer kenne... Hoe meer ik van munne hond gao haauwe.. - Cees Robben; Prent van de week 1981-12-24 - Meej Kerstmis zen de meensen goed...
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 7, 1929-11-30 - As we bij ons naa ok eenmaol trottoirs hebben dan hoop ik nog één ding en dè is, dè ze 'n bietje fesoenlijker zullen zèn as die in Tilburg; (...) die Tilburgsche trottoirs dè lekt wel snert. Ge kunt ze 't bist vergelijken mee fijn meenschen en motrègen. 'n Aorige vergelijking hè? En toch goed want ze nemen oe er allebaai tusschen en ge zijt nat vur dè ge er erreg in hed!
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 2, 1929-10-16 - Bartje beheurt tot de kalme meenskes, zooas er veul op 'n dorp lèven die Zondags vlak nô de liste Mis 'nen stevigen borrel vatten...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Meensen èn pòtlôojer, schrèève doen ze allebaaj!
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Zenèège gin meens gelèèk vuule... - Zich heel beroerd voelen.
- Elie van Schilt; uit Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, circa 2000) - Un glas bier, was te duur vur erm meessen en die wonden er toen veul in Tilburg.
- Elie van Schilt; uit Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, circa 2000) - Tilburgse meessen die al meer as veftig jaor in Canada of Australië wonen laoten daor de meesen die kaorten zien en zeggen dan nog fréét: "Kek des onze waotertoren"...
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, Tilburg 2007 - Aander meense kender opvoeden en zegge hoe dè moes, daor waar ze goed in
- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ge hèt meense èn ge hèt pòtlôojer Het laatste gezegd tegen een sukkelaar/nietsnut
- Hein Mandos; Brabantse Spreekwoorden 2003 - Ik zit liever onder de bomen dan onder de mensen (opgetekend in Tilburg 1976)
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - As vruuger ne meens dôod was, dan stond dieje meens, die stond in hèùs in en kiest. Èn dan stond ie vur et raom èn dan kosse de meense van bèùten et raom, koste, koste gij nòr den dôoje stòn te kèèke!
2. echtgenoot, man
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - mènne meens - mijn man, mijn echtgenoot (met nadruk)
- Cees Robben; Prent van de week 1976-01-16 - (vrouw spreekt:) mene meens is tòch zoo bevattelijk...
- Cees Robben; Prent van de week ongedateerd - Mar 't biste huwelijk des aaltij nog dè tussen 'n blende vrouw en unne dôove meens... [In: Tilburgs Prentebuukske, deel VII, 2002]
- Cees Robben; Prent van de week 1982-09-24 - Munne meens praot s naachts in zunne slaop...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - heure meens laote zien - haar vrijer voorstellen
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mins- l) mens; 2) manspersoon, man
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mens - man, echtgenoot; gee(n) mens(ch) - niemand
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 - mensch - Een man en wel een getrouwd man. Een getrouwde vrouw van haren man sprekende zal doorgaansch met den meierijschen tongval zeggen, mene mensch of mansmensch.
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - type 'mens' - echtgenoot (kaart 32 en blz.168)
- WBD III.1.4:65 - goede mens - goedzak
3. echtgenote, vrouw
meesjoefelewerkwoord
stilaan meelopen
meespeulewerkwoord
meespelen meespeule - spulde meej meegespuld, ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij spult meej
meetzelfstandig naamwoord
1. eindstreep, aankomststreep (bijvoorbeeld bij wielrennen)
2. meter, peettante
3. pand van een weideperceel
mèètzelfstandig naamwoord
1. mijt
2. grote hoeveelheid
meetewerkwoord
meten
meeterzelfstandig naamwoord
meter
meetrasnatzelfstandig naamwoord
meevalzelfstandig naamwoord
wat de verwachting overtreft; geluk, meevaller
mekaanstbijwoord
bijna, bijkans, bekaan(s)t
mekaar(enaam
elkaar
mekaor(enaam
elkaar
mekeerewerkwoord
mankeren, haperen
meleurzelfstandig naamwoord
ongeluk(je), tegenspoed (van het Franse malheur)
zelfstandig naamwoord
ongeluk, pech
meljoenzelfstandig naamwoord
miljoen
mèlkzelfstandig naamwoord
melk
Schilderij (detail) van Adolphe Charles Marais - 1856
mèlkmikzelfstandig naamwoord
met melk bereid wittebrood voor het verschil, in het Tilburgs, tussen:
mèlktaandezelfstandig naamwoord
melktanden
mèllekboerehondehaorzelfstandig naamwoord
haar van een mens dat lijkt op het haar van de hond die voor de hondenkar van de melkboer gespannen was
Stambòòm Ons Sjefke hee n hundje Waor ie hèèl veul van haauwt n Joekeltje dè aaltij blaft En overal aon knaauwt. t Sjouwt as raozend deur t huis En vliegt van hers naor geens Wie zunne vadder is gewist Jè, dè wit echt gin meens. "De melkboer vroeg m vleeje week: "Sjefke, wès dè veur ras? Toen zeej: "Messchien vènde t zot Mar dè wies ik giestere pas." "Hij is nie van hòòge komaaf Mar dè is gin bezwaor, Hij is van t zelfde ras as gij
mèllekewerkwoord
melken, zeuren
mèllekerzelfstandig naamwoord
mèltonnaam
(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954),
mèmzelfstandig naamwoord
mem, tepel
mènnaam
mijn, m'n zelfstandig naamwoord het mijne, mijn eigendom
naam
mijn, die van mij, de / het mijne
zelstandig naamwoord de mijne
mennaam
mijn, m'n zelfstandig naamwoord het mijne, mijn eigendom
men (m'nnaam
mijn, die van mij, de / het mijne
zelstandig naamwoord de mijne
mèndeverleden tijd van mèène meende (je, ge) tegenwoordige tijd van 'mèène', vragend meen je, bedoel je
mèndjezelfstandig naamwoord
mand, korf
uitdrukkingen
Mandenmaker - detail van een centsprent met beroepen Mandenmaker - Caspar Luyken
zelfstandig naamwoord
mandje, ook meninkje
menemeestal geschreven als munne mijn, de mijne, van mij - Cees Robben; Prent van de week - Wè bonst munne knar... (1954-04-24) - Cees Robben; Prent van de week - Vogels fluiten op munne buiten/ schône weskes... (1954-06-12) - Cees Robben; Prent van de week - [Vraag van een vriend aan een zieke...] Hoe is ter meej bruur?... Nog aaltij deuzig war... En zinkes in munne kop... (1960-02-12) - Cees Robben; Prent van de week - t Körsje kraokt in munne mond... (1960-06-24) - Cees Robben; Prent van de week - Munne rooie kôôl groeit de buurt in.. (1964-09-18)
menèègesamentrekking
mijn eigen, me, mezelf, zelf
meneeziezelfstandig naamwoord
manege
mèngbierzelfstandig naamwoord
menierzelfstandig naamwoord
manier
menisterzelfstandig naamwoord
minister
mènnegt(ezelfstandig naamwoord
menigte, grote hoeveelheid
bijvoeglijk naamwoord menig(e), heel veel
mènnekezelfstandig naamwoord
mannetje verkleinde vorm van man, met umlaut 1. kleine man, jongen, koosnaam voor volwassen man.
Tekening: - Cees Robben - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. van de Ven jr., 1946
2. van de mannelijke soort
3. deurwaarder
4. zangvogel
5. vis
6. hond
7. kalf
8. schaap
9. meikever
Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor een meikever die met meel bestoven lijkt te zijn. mulder Tilburg mulderke Tilburg molenaar Tilburg bakker frequent in Tilburg bakkerke Tilburg kapucientje Tilburg, Goirle manneke frequent in Tilburg wijfje, wijfke frequent in Tilburg
mènnekeskneuterzelfstandig naamwoord
mannetjesputter
mènsie maokeaan de slag gaan, aanstalten maken, serieus gaan werken uitdrukking de oorsprong van mènsie is het Oudfranse mention voor melding, gewag
mèntmeent tegenwoordige tijd van mèène, met vocaalkrimping
mènteneerewerkwoord
in stand houden; van Frans maintenir
meraokelzelfstandig naamwoord
wonder, mirakel
meraokelsbijwoord
miraculeus, mirakels, buitengewoon, wonderlijk
Merieke van-hèmke-raokt-m'n-gatje-nienaam
mèrketonzelfstandig naamwoord
grote gele perzik ; uit Frans mirlicoton
mèrkèùszelfstandig naamwoord
modderkruiper, weeraal De etymologie van de Tilburgse naam is onbekend.
Illustratie: Naumann - garrulus glandarius
mèrkòlzelfstandig naamwoord
Vlaamse gaai, meerkol, markol, broekekster, schreeuwekster
mèrmerêerewerkwoord
mompelen; uit het Frans murmurer
mèrpelzelfstandig naamwoord
glazen knikker
- Nicolaas Daamen Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mairbel - wit marmeren knikker
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Wen schôon mèrpelke, kwok et zôo êen hò...
- WBD III.3.2:96) - mèèrpel, stuiter, proem - grote knokker
- Hans Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; Roosendaal 1988-1994 - murpel, murbel, marbel, marber, (I:8, 24)
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - marrebol, marrenbol. merrebol, merrenbol, marmbol, marbol, marbel, mirps, merbel - marmeren of glazen bolletje waar kinderen mee spelen.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen; Brussel 1936 marmer uit Frans marbre
- WNT - marmer - 3) een voorwerp van marmer, b) een marmeren ook wel ivoren of glazen knikker; in deze toepassing komen voor: marmel (zelden marmer), marbel, merbel, ook marrebol, marbol en marboel, ook marmbol; marm is als eene wijziging van marmbol te beschouwen. Andere vormen zijn molber, molper en mulver .
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - marbel, molleber, mulver, murmel, murpel, mervel, mervelär - knikker
mèrrebelzelfstandig naamwoord
glazen knikker; uit Frans marbre
mèrriezelfstandig naamwoord
vrouwelijk paard
mersjeerewerkwoord
marcheren
mèrtzelfstandig naamwoord
maart
zelfstandig naamwoord
de maand maart
zelfstandig naamwoord
1. markt
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - de vrèddagse mèrt - de vrijdagse markt
- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mert
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - mert
- Piet Heerkens; uit Vertesselkes; Hannes Kaokel, van Baokel, 1944 - Zeg Hannes, mergen is 't Boekelsche mert,/ ik kan zo wijd nie loope;/ gij gaot dus mergenvruug daorheen/ een van ons koei' verkoopen!
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, eerste reeks, aflevering 13, Nieuwe Tilburgsche Courant 1950-05-11 - Komt men als Jan met kraaien naor de mert of mee vijgen nao Paosen dan is men met zijn voorstel te laat.
- Cees Robben; Prent van de week - Gaoget op de mert mar vraogen. (1954-03-06) - Cees Robben; Prent van de week - rond de Mert (1959-02-07); de Oude Markt
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 06 06 - Gao ik is naor de knènemèrt
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 01 20 - Vruuger zin ze: "Wès Tilburg 'n gat / 't Lèkent nog nie op 'n stad, / n Dierepark en 'n automèrt / De rest is nie de moeite wèrd
- Hein Mandos; Brabantse Spreekwoorden 2003 - Daags nao de mert komen, net as Jan mee z'n eksters. Daags na de markt komen, zoals Jan met zijn eksters. Spreekwoordelijke vergelijking. Komen als mosterd na de maaltijd: te laat komen. Varianten: ipv Jan: Hannes, Thomas: ipv eksters: kieviten [kievitís hier een draagmars]; opgetekend in Tilburg 1970
- Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Asse daor en koej nie verkòcht hòn, dan ginge ze nòr de Bosse mèrt, die Tilburgse boere
Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 in de uitdrukking dur de mèrt: gemiddeld, meestal - Cees Robben; Prent van de week - Dur de mert zeggen wellie.. t is wir naatje... (1958-03-15) - Cees Robben; Prent van de week - Dur de mert... (1956-07-21) - Cees Robben; Prent van de week - Des dur de mert nie pluis... (1966-04-29) 2. stront uit Frans merde (verkort)
mèrtewerkwoord
markten, naar de markt gaan; op de markt aanbieden afleiding van mèrt (markt)
mèrtmisterzelfstandig naamwoord
marktmeester
mertuntjezelfstandig naamwoord
sleutelbloem meertuintje - sleutelbloem - primula officinalis helmkruid - scrophularia nodosa
meschientbijwoord
misschien
mesjèsterzelfstandig naamwoord
ribfluweel, ribfluwelen stof
mesjètzelfstandig naamwoord
manchet
mesjienzelfstandig naamwoord
machine
Samenstellingen uit - WBD - voor Tilburg:
mesjienebooterzelfstandig naamwoord
boter die niet door de boer thuis gemaakt wordt, maar op de zuivelfabriek
mesjientjezelfstandig naamwoord
machine
Samenstellingen uit - WBD - voor Tilburg:
mèskenaam
meid, meisje, dienstmeid, dienstbode
Sticker van een Tilburgse carnavalsvereniging. Maart 2-19. Foto CuBra.
zelfstandig naamwoord
meisje, verloofde, dochtertje
- Nicolaas Daamen (Tilburgs dialect, handschrift 1916) - "Ik zai gevreeê", zin 't meske, en ze war mar ééns gekust, op het lelleke van d'r oor. Geciteerd in: Mandos, Brabantse Spreekwoorden 2003 en daar als volgt toegelicht: "Ik ben gevrijd", zei het meisje, en ze was maar eenmaal gekust, op haar oorlelletje. Zeispreuk.
- Nicolaas Daamen (Tilburgs dialect, handschrift 1916) - Soep zonder selderie en bonen zonder spek en 'n mèske zonder vreijer, dè't is toch al te gek. Geciteerd in: Mandos, Brabantse Spreekwoorden 2003.
- Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - Ik zie nog alles vur me staon,/ De stadslui mee d'r meskes.
- Cees Robben; Prent van de week - Ze zagen nog gin meske staon... (1960-03-04) - Cees Robben; Prent van de week - Mn meske lispelt... (1966-10-14) - Cees Robben; Prent van de week - Ik kan mar nie aon n meske komen, vadder... (1977-01-07) - Cees Robben; Prent van de week - Ik heb vur mn 18de nog nôôt n meske gekust... (1980-11-07)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Ons mèskes hèn goej lulle. - Onze meisjes hebben gemakkelijk praten.
- Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Ze zètte ze aaltij ònt wèèrek veul, de mèskes, die waare de duupe. Want agge dan mèskes hèt, war, die en jaor òf neege zèn èn ge hèt en grôot höshaawe, war, dan moese ze veul meejwèrke.
Kaart 96 uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937
mèskesmèrtzelfstandig naamwoord
'meisjesmarkt'; speciaal de Heuvelstraat, waar jongens meisjes plachten te flaneren en contact zochten
mèskesmèrtewerkwoord
mètjezelfstandig naamwoord
mètselèèrzelfstandig naamwoord
metselaar
Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer; Tilburg 1996 - ...onze mètselèèr is zo vèt as en vèèreke..
meuzelfstandig naamwoord
naam
meubelèèr meubilair
meudesamentrekking
mag je, mag u Tweede persoon enkelvoud of meervoud van meuge; jij mag, jullie mogen
meugewerkwoord
mogen meuge - môog gemeugd of gemooge tegenwoordige tijd enkelvoud ik/hij maag, gij meut
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Dè moes nie meuge! - Dat moest niet mogen!
- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - - meuge - mócht gemeuge; ik/hij mag, gij meugt
- Informant Bernard van Dijk - móch en niet môog
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 11 22 - Merieke moog d'n irste keer / Naor 'n echt bal toe gaon
- Dialectenquête, Willems 1887 - meuge
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 2, Nieuwe Tilburgsche Courant 1938-10-08 - ..want ie zaat al aon z'n vierde borreltje, en meer dan vier moog ie er nie nemen van z'n vrouw...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek / Uit het klokhuis van Brabant, aflevering 10, Nieuwe Tilburgsche Courant 1950-04-08; - Het kan in het huwelijk echter ook wel eens anders uitpakken, zodat er voortdurend "gekeven" en geruzied wordt over allerlei kleinigheden. In zo'n geval stond de volksmond klaar met: "Van mekaar meugen (mogen) ze nie en bij mekaar (elkander) deugen ze nie"...
- Cees Robben; Prent van de week - ...dè lèève môôg... (1959-08-22)
- Cees Robben; Prent van de week - Fleej-week-from môôk-ôôk maagdeke zèèn.. (1965-11-12)
- Stadsnieuws - Akket gevraoge ha, hakket nie gemeuge. (2009-11-25)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Gè meut nie meej - jij mag niet mee
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Et is aaltij zôo en et zal nôot aanders worre, wegge nie meugt lèkt, lekkerder, schônder en leuker.
- Henriëtte Vunderink; Jong zèèn, uit Tis de moejte wèrd, 2011 - Dingen doen diege èègelek nie meugt.
Samentrekkingen met het onderwerp
Aanvullende bronnen
meugelekbijwoord
mogelijk
Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937
meugelekheizelfstandig naamwoord
mogelijkheid
mèùkvoorvoegsel pruts- de etymologie is onduidelijk
mèùkewerkwoord
rijpen
mèùkelewerkwoord
aanrommelen, prutsen, onhandig bezig zijn mèùkele - mèùkelde gemèùkeld (steeds lange èù)
- Informant Frans Raaijmakers - Zit nie zó te mèùkele! Houw tòch óp meej oe gemèùkel!
- Cees Robben; Prent van de week - Ze muikelt en koetert in t rond... (1970-01-02)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); uit Sneuw, ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960-1980 - Mar ge mèùkelt mar wè aon...
- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1990 tis unne taotolf die zit te miemökele...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Zèède onderhaand tèène meej dè möökele? - Ben je stilaan uitgestunteld?
- WBD III.1.2:18 - muikelen - mompelend heen en weer draaien; ook: koeteren
- WBD III.1.2:96 muikelen morsen; ook: dabben
- WBD III.1.4:372 meukelen - verkeerd handelen
- WBD III.4.4: 89 muikelen - geluid van naderend onweer
- WBD III.4.4:321 - bemuikelen - bevuilen
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - meekelen - Veel geweld doen om aardappelen of iets anders met spade of riek in den grond te krijgen. Langzaam vorderen aan iets: Ge moet u wa'meer spoeien, ge meekelt den eenen tijd aan den anderen.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - mörkelen, mörken - pruttelen, knorren, zijne ontevredenheid laten blijken
- A. de Jager; Woordenboek der frequentatieven in het Nederlandsch, Gouda 1875 muichelen; frequentatief van muiken, dat naar zijn oorsprong betekent: iets ter sluik of heimelijk verrichten.
mèùkendnaam
meukendenaam
mèùlzelfstandig naamwoord
muil
Tekening: - Cees Robben - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. van de Ven jr., 1946
meulezelfstandig naamwoord
molen
Samengestelde woorden met meule
figuurlijk mond
meulepèèrdzelfstandig naamwoord
struise vrouw; letterlijk: molenpaard
meulestèllerzelfstandig naamwoord
assortimentsteller
zelfstandig naamwoord
meulevèt molenvet
werkwoord
mêûrt, meurt
zelfstandig naamwoord
mèùs, möske muis, muis van de hand, muisje Illustraties: Rolf Janssen - Karel de Beer; Bijnamenboek, Tilburg 2000 - de mèùs - frater Euphratius, frater Hungero
meutwerkwoord
mag, mogen 2e persoon enkelvoud + meervoud van meuge met weglaten van de g
meutewerkwoord
kletsen, ouwehoeren meute meutte - gemeut
zelfstandig naamwoord gemeut geklets, geouwehoer
zelfstandig naamwoord
meutel houtworm
werkwoord
meutele wrikken, spartelen meutele - meutelde gemeuteld
- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Eigendiglijk staode daor mar n bietje te meutele... (1963-02-10) - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Wè ge doet motte goed doen, spèkers mee koppe slaon, mar gij ligt te meutele! (1966-10-17)
- Cees Robben; Prent van de week - Hedde wir in de Laai te ligge te meutele, dab-klutje... (1979-05-04)
- Stadsnieuws, 2009-07-15 - Hij zaat meej zene vinger in en götje van de baank te meutele - te peuteren
- WBD III.1.2:4 - meutelen - in beweging komen, beginnen
- WBD III.4.4:89 - meutelen - geluid van naderend onweer
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - meutele, meutere - zeuren, pruttelen, peuteren, bouwvallig worden
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - muitelen, meutelen 1. door de houtworm aangestoken zijn; 2. pruttelen, mopperen.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - meutelen, meuteren peuteren; Ge zit altijd in oe tanden te meutelen; kleine brokjes afpikken, afpeuteren; Ik heb den heelen dag gemeuterd; werken, allerlei werk verrichten
meuwzelfstandig naamwoord
meeuw, meeuwtje
mèùzewerkwoord
muizen
mèùzekeutelzelfstandig naamwoord
muizekeutel
meuzelkezelfstandig naamwoord
mèùzemeeliszelfstandig naamwoord
mèùzetèèrfzelfstandig naamwoord
meziekzelfstandig naamwoord
muziek, ook: de harmonie (onzijdig)
mezjèèrezelfstandig naamwoord
uit het Franse 'misère'; omdat de speler geen enkele slag mag halen.
mezuutjezelfstandig naamwoord
madeliefje, meizoetje
middagzelfstandig naamwoord
middag
middageetezelfstandig naamwoord
middageten, warme maaltijd genuttigd rond het middaguur. Fabrieksarbeiders kregen tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw nog vaak 'tussen de middag' vrijaf om thuis de warme maaltijd te gaan nuttigen.
middezelfstandig naamwoord
midden; in het Tilburgs niet onzijdig maar mannelijk
middehaandzelfstandig naamwoord
middelekbijwoord
onmiddellijk
zelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
Illustratie: Tijs Dorenbosch middelsèèn, middelsèène medicijn(en)
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun en de dames; Nieuwe Tilburgsche Courant 1940-01-20 - Er is mar één middelcijn, zee oome Teun, ge moet ze (de vrouwen) van 't begien aaf onder oewen duim haawen...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den jongen dokter; feuilleton in 3 afleveringen, Nieuwe Tilburgsche Courant 1939-04-22 - 1939-05-08 - ...en hij (de huisarts) hee-t-er mne man deurgebraocht zonder appeteker en zonder middelcijne!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afleveringen, Nieuwe Tilburgsche Courant 1939-02-25 - 1939-04-18 - ...dè-d-is nog de beste middecijn!
- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (Moeder met kinderwagen tegen moeder met kinderwagen...) Dan mok wir naor t consolatie bero en zak wel wir aandere middelezijn krège (1963-10-23)
- Cees Robben; Prent van de week 1964-02-28 - ...èn dan krèègt ie wir aandere middelesèèntjes...
- Cees Robben; Prent van de week 1982-07-30 - Vruuger zaag ik blauw van de snevel (...) en naa vort van de middelsèène...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 09 04 - "Jè, Tiest ge hè't 'n kaauw gevat / Dès 'n kerwaai van weeke." / "Ge klopt mar ied'ren dag 'n aai" / Zee 'tie toen teege Miete, / "En daor motte as middesèn / 'n scheut Cognac bij giete."
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 05 09 - Aander middelcèn
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 09 01 - We weten t is nie gemak / Ge mot veul jaore leren, / Om as arts in de middelcèn / Straks òk iets te prestere.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 02 21 - Ons Jaans haolt strak / 'n Fles konjak / Dan is de griep zó téne / Op t Körvelplèn / Bij Jaansen zèn / De biste middelcènen.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 09 27 - D'r stao n kastje bij mn bed / Gelèk vol middelcènen.
- Interview Bertens, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Daor din ze zogezeej in e zèg et es gauw in ts.. ts.. ts gòdvernondejuu die gebrökte ze zogezeej vur e vur middelsèène vur têen èn taander gebrèùke... - Interview Bertens, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Nou weet ik tòch gòdverdomme nie wèlk febriek dè dè was... Was dè bij den Organon?... Bij den Organon, jè!! Presies, daor wasset jè, daor wiere die ammel zogezeej vur middelsèène gebrökt.
zelfstandig naamwoord
Cees Robben - Prent van de week 1986-30-05 middelstander - middelstaander middenstander
zelfstandig naamwoord
midvêûr middenvoor; in het voetbalelftal
miezelfstandig naamwoord
vrouw in het kaartspel; geit
zelfstandig naamwoord
traditionele Tilburgse dans
Muziek van de Mie Ketoen, zoals gespeeld door het Tilburgse duo straatmuzikanten Mie Fiedel en dere meens. Uit: Rolf Janssen, 'We hebben gezongen en niks gehad'; 1984
mie-karèèmzelfstandig naamwoord
halfvasten; uit Frans
miekezelfstandig naamwoord
verkleinwoord van de naam Mie, geitje
miekemèùkzelfstandig naamwoord
treuzeltrien, droomster
mielietèèrzelfstandig naamwoord
militair
zware geweven stof om uniformen van te vervaardigen
mieljeu(wzelfstandig naamwoord
milieu
miemaawzelfstandig naamwoord
zeur
miemaawewerkwoord
miemèùkelzelfstandig naamwoord
onhandig iemand, stoethaspel
mienejoonaam
mogelijk bedoelt de spreker in het volgende audiofragment het schapenras merino
mienekezelfstandig naamwoord
troetelnaam voor een geitje letterlijk mientje
mienoorès mieniemVerwijzing naar de kloosterorde Ordo Fratrum Minorum Capucinorum, ofwel de in Tilburg zeer bekende kapucijnen, de minderbroeders capucijnen. - Cees Robben; Prent van de week 1957-07-06 - ...paoter Bernardus / minores miniem...
mientjezelfstandig naamwoord
meisje, rokje
mier hèbbewerkwoord
ergens een hekel aan hebben
Mierdzelfstandig naamwoord
Hooge of Lage Mierde ook: de Mierde, Hôoge èn Lêege Mierd
mierewerkwoord
vervelend doen, klieren miere - mierde gemierd; lange ie handhaaft zich
miertzelfstandig naamwoord
1. vogelmuur (Stellaria media) vaak gebruikt als vogeltjesvoer in volière
2. watermuur (Myosoton aquaticum, ook Malachium aquaticum)
3. gewone guichelheil (Anagallis arvensis)
Het guichelheil (Anagallis arvensis) is een 5 tot 40 cm lage plant met liggende stengels dat tapijten vormt. De bladeren zijn eivormig en ongesteeld en groeien tegenoverstaand. De rode of vleeskleurige bloemen groeien in de bladoksels en hebben vijf kroonblaadjes. De bloemen zijn alleen bij zonnig weer in de voormiddag geopend. De bloeitijd duurt van mei tot september. Guichelheil groeit op bouwland, in moestuinen en grazige duinterreinen. 4. muurpeper (Sedum acre)
naam
De muurpeper (Sedum acre) is een klein zodevormend vetplantje van 5 tot 15 cm groot. De stengels zijn kruipend en kort. De lichtgroene bladeren zijn kort en bolrond, staan dicht opeen en bedekken elkaar dakpansgewijs. De bloeiende stengels verschijnen in juni en juli en groeien rechtop; de stervormige bloemen zijn geel en hebben vijf kroonblaadjes. 5. sterremuur (Stellaria media cyrillo) Zie 1
zelfstandig naamwoord
mieter verkorting van soodemieter; bastaardvloek - Cees Robben; Prent van de week 1964-06-19 - As de mieter naor boven... want gij brengt er het brekspul in... miezèère ellende, droefenis, treurnis; uit Frans misère
2. werkwoord, zwak term in het kaartspel rikken
Cees Robben - Prent van de week - 2 januari 1971 Vrouwke Misère en de Dood. Afbeelding uit De Engelbewaarder, jaargang 62 (195-51). Vrouke miezèère h oofdfiguur in een populair volksgedicht van Guido Gezelle. Vooral als voordracht bij feesten en partijen geliefd in vele varianten.
miezerewerkwoord
motregenen, miezelen miezere - miezerde gemiezerd (korte ie)
miezeregnaam
druilerig (van het weer)
miezezonzelfstandig naamwoord
lichte jas; zowel in voorjaar als najaar draagbaar, echter ook voor dameskleding in gebruik
Cees Robben - Prent van de week 22-3-1974
zelfstandig naamwoord
Tilburgsche Courant - 26-10-1879 Demi-saison - advertentie uit Nieuwe Tilburgsche Courant 1895 Het einde van de miezezon Uit een artikel in de Nieuwe Tilburgsche Courant van 25-3-1936 mik
naam
1. witbrood
naam
RVan brôod wòrde grôot, van mik wòrde dik
- Piet Heerkens; Dn örgel; Van de luien bekker, 1938 - Daor was er eens 'nen boeremik,/ nen boeremik mee krente/ van drie en dartig cente,/ en de mik waar lang en dik./ En de boeremik laag dik en lang,/ al donkerbruin van bove,/ te bakken in den ove,/ mee 'n kleurken op z'n wang.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); uit Moederdag, ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960 - 1980 - ..zis man moes worre ötgezakt/ drie sneekes mik, vier dikke rogge/ meej en flitterke gehakt
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); uit Moederdag, ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960 - 1980 - Dan snee ze (moeder) irst de witte mik/ En t kuntje daorvan dè krèèg ik / De smaok daorvan vergeet ik nôôt/ Nao alle daoge roggebrood.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); uit Moederdag, ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960 - 1980 - Ik haol wir vorsgebakke mik/ Bij onzen ègen bekker/ Want toen die mee vekaansie/ Was t nergeraans zó lekker.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ik zôt gaon missen, et eten van die grôte sneeje mik meej reuzel.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ze lieten twee blikskes corned bief aachter en zonne vierkaante witte mik, bij ons waar et brôod aaltij langwerpig.
- Piet van Beers; CuBra, 2008 - Ik haaw nie zôo van mik./ Ge kunt er slèècht van poepe./ Mar.wit meej vèrse aardbeie/ daor kunde me vur roepe.
- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Mik òf soep in oew ôoge oogvuil
naam
Schilderij van Gerrit Heda (detail) - Stilleven met witbrood - 17e eeuw Nieuwe Tilburgsche Courant - 11-2-1921
2. putgalg, vorkvormige vertakking
3. stuit, achterwerk, kont, kruis van het menselijk lichaam
4. voorgaande betekenissen samen
mikke vinkzelfstandig naamwoord
bepaald soort feestelijk brood
millediezelfstandig naamwoord
melodie
millediekezelfstandig naamwoord
melodie
Milstraottoponiem Meelstraat
minnaam
klein, jong
minnebroederzelfstandig naamwoord
minderbroeder (kloosterorde)
Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937
minnekezelfstandig naamwoord
vrouwelijk jong van een geit; variant op
minnekesbijwoord
minimaal
miszelfstandig naamwoord
1. mest
- Van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-20 - We hebben dan tegelijk veul mis voor ons eirepullaand, want huskemis deugt nie daorveur. Dè witte, war
- Weekblad van Tilburg; Een roestpraatje, 1867-10-05 - Veur 't mis.
- WBD - mis, mist - mest, stalmest (in Hasselt)
- WBD - miskèùl - mestkuil, mestvaalt
- WBD - mis rije - mest naar de akker brengen (op Korvel)
- WBD - mis aftrèkke - mest van de kar trekken (in Hasselt)
- WBD - mishupke mesthoopje; op de akker liggend hoopje mest (in Hasselt)
- WBD - mis brèèjke - mest verspreiden (in Hasselt)
- WBD I.4.1:54 - mis - vogelmest, ook vogeltjespoep genoemd
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - mis, mes - mest
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], Baarn, 1978 - mis mest; zn mis hoo:g draoge - lange benen hebben.
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant. 1937 - mis (kaart 56); mis, mist (bladzijde 143); zie afbeelding hierboven.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mis, mes - mest
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mis - mest

misfòltzelfstandig naamwoord
mestvaalt
mishaokzelfstandig naamwoord
mishôopzelfstandig naamwoord
mesthoop
mishupkezelfstandig naamwoord
mesthoop
Misjenaaresstraottoponiem Missionarisstraat
missewerkwoord
mesten
misseleknaam
misselijk echter hier niet in de betekenis van 'neiging tot braken' of 'onpasselijk' maar om aan te geven dat iets niet zeker is of onbekend.
naam
Andere betekenissen
missezinzelfstandig naamwoord
smoesje
missiekiendjezelfstandig naamwoord
misstikzelfstandig naamwoord
mistzelfstandig naamwoord
mest
bijwoord
mistalbijwoord
meestal
mistebijwoord
werkwoord
mesten
mistegetijebijwoord
meestentijds, meesttijds, meestal
mistentè(è)dsbijwoord
mistentijbijwoord
meestal
misterzelfstandig naamwoord
meester, schoolmeester, onderwijzer
misterknèèchtzelfstandig naamwoord
meesterknecht
Foto: Henri Berssenbrugge - Regionaal Archief Tilburg
misthôopzelfstandig naamwoord
mistkeeverzelfstandig naamwoord
mestkever
Geotrupes stercorarius - Wikipedia Aphodius fimetarius - Wikipedia
mistvörkzelfstandig naamwoord
mestvork
miszeejverleden tijd en voltooid deelwoord van
miszèggewerkwoord
miszinverleden tijd van
mitjezelfstandig naamwoord
meetje, op de grond getrokken streep
mitjesteekewerkwoord
meetje steken
naam
möddekevèùlzelfstandig naamwoord
smerige vrouw, smerig meisje mogelijk is 'möddeke' afgeleid van 'modder'.
mòddenwerkwoord
overhoophalen
moederzelfstandig naamwoord
1. moeder
2. echtgenote
moederkezelfstandig naamwoord
1. moeder
2. echtgenote
moedermeejnsallêenbijwoord
moederziel alleen
moedermeejsallêenbijwoord
moederziel alleen
moefelewerkwoord
moffelen, verbergen
moefelèèrzelfstandig naamwoord
moffelaar
Typoscript - Archief Pierre van Beek
moejewerkwoord
bemoeien moeje - moejde gemoejd, korte oe
moejerzelfstandig naamwoord
1. moeder
2. echtgenote
moejzèèkerzelfstandig naamwoord
mier
moeljènnienaam
machine waarop het garen gesponnen wordt voordat het bij het weven gebruikt kan worden; in de tweede helft van de 19de eeuw vervangen door de 'self actor'
. De Mule Jenny, het enige bekende exemplaar dat door de uitvinder Samuel Crompton zelf gebouwd is; collectie Bolton Museum and Archive Service. Advertentie Nieuwe Tilburgsche Courant 15-10-1899 Advertentie Tilburgsche Courant 19-3-Willems 1876
moelvèèchtewerkwoord
moerzelfstandig naamwoord
moerbalkzelfstandig naamwoord
Vaccinium myrtillus
moerbeeziezelfstandig naamwoord
blauwe bosbes
moerkeverkleinwoord van moer - moeder - Cees Robben; Prent van de week 1960-11-18 - ...goeie moerke
moesverleden tijd van moest
moeskòpzelfstandig naamwoord
stroper
moeskòppewerkwoord
moetzelfstandig naamwoord
moet (mòtwerkwoord
moet tegenwoordige tijd van moete
moetewerkwoord
moeten
samentrekkingen met moete moetem moet je hem - Cees Robben; Prent van de week 1978-12-22 - Dan moetem is in zn hemd zien staon...
moetet moet het, of moet je het - Cees Robben; Prent van de week 1960-02-19 Mar k moetet irst nog zien... - Cees Robben; Prent van de week 1973-05-11 Dan moetet lepeltje dr uit haole... moetiejer moet hij er - Cees Robben; Prent van de week 1981-05-08 Dan moetiejer zunne tèèd mar over doen...
zelfstandig naamwoord
mòttekiest mottenkist
moezelienzelfstandig naamwoord
moezelien; stofnaam (textiel) - WBD II.4, pagina 879 - los geweven stof van katoen, wol of zijde; genoemd naar de stad Mosoel in Turkije; mousseline: moezelien, K 183 (= Tilburg)
moffelzelfstandig naamwoord
moffelbôonzelfstandig naamwoord
tuinboon Illustratie: Thomé - tuinboon, 'knaawbôon', 'lapbôon', 'boeretêen', vicia faba L.
naam
Ied'ren dag wè aanders Ons Sjaan schepte 'n maondag op Nou, dè ròòk lang nie gek Ik heb geschraanst toe'k niemir kos Van lap-bòòne mee spek. 'n Dinsdag was 't presies gelèk Dè zaat nie goed bij mèn Mar ze zee: "man ge ziet toch wel, Dè't moffelbòòne zèn." 'n Woensdag wir dezelfden hap Ik vuulde me genèpt Ons Sjaan riep: "hee schiet op, ik heb Knaauwbòòne opgeschèpt. Toen 't vendaog krek inder was Ging ik pas goed te keer, Ze laachde en zee: "Asteblief, Tuinbòòne vur menheer."
zelfstandig naamwoord
mògske
zelfstandig naamwoord
mòj
zelfstandig naamwoord
mòkkel meisje, jonge vrouw
zelfstandig naamwoord
mòkkepaajer
zelfstandig naamwoord
mòksel maaksel mòkt, mòkte werkwoord, persoonsvorm maakt, maakte gebiedende wijs, 2e (gij) en 3e (hij) persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van maoke; met vocaalkrimping
zelfstandig naamwoord
Kleurenets - Molenaar - W. Witsen - 1910 mölder 1. molenaar (maalder )
- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - mölder naast mulder
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Et zô nog efkes duren, veur dè we naor de mölder moese, om enne zak rog te laote maole.
- Toine Raaijmakers - Van een moeilijk probleem: Dè kan alleên Gòd èn de mölder schaaje.; Lòt dè God èn de mölder mar schaaje.
- Lowie van Dorrus Misters; Onze Tilburgse folklore, aflevering 20 Over mulders en molens; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1952-10-04 - Waarschijnlijk heeft ieder van ons wel eens het spreekwoord gehoord: Dat zullen we God en de mulder maar laten scheiden, die scheiden zo veel. () Velen zullen de mulder wel eens bezig hebben gezien. Het aangebrachte koren of graan gaat eerst naar boven tussen de maalstenen, het meel hiervan gemalen komt door een gleuf van ca. 25 cm naar beneden. Deze gleuf heeft schuin opstaande wanden van 10 tot 15 cm hoogte en aan het einde is er een plankje, dat in de gleuf past en er bij het scheiden tegen kan worden gezet. De zak waarin het meel wordt opgevangen, hangt open aan die gleuf met twee haakjes. De voorkant van die zak wordt opengehouden door een haakje verbonden aan een touwtje, dat over een katrolletje loopt en waaraan een gewicht is bevestigd. Toen de boer de zak bracht, was er bijv. 50 kg graan in, dus er zou ook 50 kg meel in moeten komen. Neen, zegt de mulder, want van dat meel verstuift onderweg of blijft kleven aan molenstenen en waar het verder passeert. De mulder staat onder bij de zak en meent op zeker moment dat er genoeg in is. Hij neemt bovengenoemd plankje en zet het tegen de latjes aan het eind der gleuf. Nu loopt er geen meel meer in de zak. De mulder heeft gescheiden, even de zak losgemaakt en op de bascule. Is er te weinig in, dan gaat er een schep bij, andersom een schep er uit. Dat is het scheiden van de mulder en iedereen zal nu het bovenaangehaalde gezegde wel begrijpen.
- Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 april 1950 Dè zullen we den duvel en de mulder mar laoten schaaien, die schaaien 't zô veul!, waarbij gesuggereerd wordt, dat de molenaar nogal relatie heeft met de duivel. De uitdrukking wordt in het algemeen gebezigd als men bedoelt aan te geven, dat men een zaak maar op haar beloop moet laten - er zich niet in moet verdiepen.
- Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-04-17 - De molenaars schijnen vroeger bij het volk een niet al te goede reputatie te hebben genoten. Vanwaar anders de uitdrukking: Als de mulder z'ne Paosen gehouwen heej, is de pastoor deur zn werk? Hieruit blijkt, dat men aannam, dat een mulder ieder jaar nogal wat op zijn geweten heeft en daarom zijn Paasbiecht maar liefst tot het laatste moment uitstelt. Die zwaarbezette kerfstok kan hem moeilijk anders zijn toebedeeld, dan dat men hem verdacht van het achterhouden van meel wanneer hij graan te malen kreeg.
- Pierre van Beek; NvhZ, Tilburgse Taaklplastiek, aflevering 178 , 25-08-1973 - "Mulders- en brouwersvarkens zijn altijd het vetst" wordt gebruikt in de betekenis van: baas boven baas. Er wordt hierbij uitgegaan van de gedachte, dat er bij molenaars en brouwers altijd overvloedig voedsel voor de varkens aanwezig is.
- Pierre van Beek; NvhZ, Tilburgse Taalplastiek, aflevering 104, 02-07-1970 - "Dat is ander koren", zei de mulder en hij beet in een muizekeutel."
- Pierre van Beek; NvhZ, Tilburgse Taalplastiek, 18-07-1964 - De molenaar scheen in het verleden niet veel vertrouwen genoten te hebben. Men insinueerde graag, dat hij van de te malen gebrachte rogge meel achterhield, zoals men van de kleermaker wel zei, dat hij "stof door het oog van de naald haalde". Als het allemaal waar was, valt het te begrijpen, dat de molenaar, wiens ziel wel heel zwart moest zijn, niet hard liep om te biechten te gaan, maar dit liever zo lang mogelijk uitstelde. Daarvan hebben we dan de uitdrukking overgehouden: "Als de mulder zijn Pasen gehouden heeft, is de pastoor door z'n werk".
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, NvhZ, 22-10-1965 "Gij zijt er zeker enen van de mulder" kon een kind met wit haar wel eens te horen krijgen, maar zo'n kind begreep die uitdrukking dan vaak niet en steevast volgde dan de vraag: Waarom.
- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie door Hans Hessels, 2015 - èn bij de mölder moes ik ok gòn wèrke. Daor nèffen ons bè die van Tuurlings èn die zin aaltij teege mèn: Jaon, ge kunt beeter hier wèrke as daor bè de mölder! Ik zeg: Wòrrom?, want daor wèrd priema gekokt netuurlek! Daor zien ze hoeveul dègge it! Öt zon grôote schaol ziede dè nie!
- Cees Robben; Prent van de week 1957-05-25 - En ik ken er gin man.. Alleenig nog molder Mathèèse...
- Cees Robben; Prent van de week 1958-05-24 - Dè laoten we God.. en/ Dn mölder beschaaijen
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 mulder - molenaar èn meikever. Ik achte het zooveel te zijn als meuler, meulder, van meulen, hetwelk men, zoowel als molen, vindt bij Kiliaan
- Dialectenquete Willems, 1879 - Den mulderszoon is op den meule...
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 - mulder molenaar
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - meulder - molenaar, mulder
naam
2. meikever (Melolontha vulgaris) Melolontha vulgaris M eikevers vangen - uit: Kroniek van de Kempen
- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mulder - meikever
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun als opvoeder, feuilleton in 6 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-03-02 - 1940-04-06 - ...terwijl de mölders om z'ne kop snorden.
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Boere-Profeet; feuilleton in 5 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-07-01 - 1939-07-29 - Een van de knechts had enkelde mulders in z'ne zak meegebraocht en zette ze stiekum aachter op 't haor van de meiden.
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - As ge hil vruug op waart koste daor nog wel is innen mulder uit schudden...
- Cees Robben ; Prent van de week 1957-05-25 - Mölders zuuke... (titel van de prent)
- Cees Robben ; Prent van de week 1957-05-25 - Wij schudden ons mölderkes mist uit de heg... - Cees Robben; Prent van de week 1957-05-25 - Mölderke mölderke tel toch oe geld... (uit een kinderliedje); het tellen duidt op de bewegingen die de meikever met zijn pootjes maakt als hij op zijn rug ligt - Cees Robben; Prent van de week 1957-05-25 - Naa hedde daor himmel gin mölderkes mir...
- Pierre van Beek - mölders schudde - meikevers uit een heg schudden
- Henriëtte Vunderink; Zoas ik et as kèènd beleefde; k Zal van oe blèève haawe, 2007 - ...langs en waaj vol booterbloeme/ èn en hèg meej mölders...
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - Wanneer de meikevers weer te vinden waren in de buurt van de beukenhagen, werden deze door de kinderen gevangen. Ze werden opgeborgen in een lucifersdoosje met een blaadje sla. Vervolgens bonden de kinderen een draadje garen aan de poten van het dier en begonnen dan te zingen tot hij ging vliegen: - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 mölder, mulder, molenaar - bepaalde meikever
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - mulder - meikever (versch illende dial ecten )
- Hans Heestermans; Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen, 1988-1994 - mulder, meulenèèr
- Dr. Jan Stroop; Sprekend een Westbrabander, 1979 mulder
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 - Ook een kever doorgaans molenaar genoemd.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - meuldenèèr, meuldertèèr - meikever
- WBD III 4,2:160- meikever - De meikever (Melolontha melolontha) wordt 25 mm lang. Het was vroeger een algemeen bekende en onder schoolkinderen populaire middelgrote kever met een licht bruinrood schild, een zwarte kop en borststuk en een witte beharing op de buik, maar hij is nu zeldzamer. mulder; frequent in Midden-noordbrabant; mulderke; Tilburg.
- WBD III 4.2:164 - kleine bruine meikever - Voor kleinere, glimmend bruine meikevers zijn er ook specifieke benamingen in gebruik. kapucien; Tilburg, Goirle, Hilvarenbeek; bakker; Tilburg - WBD III 4.2:165 - mannetje van de meikever
Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor het mannetje van de meikever. Vele respondenten noemen de grotere voelhorens als een onderscheidend kenmerk. mulder; zeldzaam in Tilburg; koninkske; zeldzaam in Tilburg - WBD III 4,2:162 - meikever met witachtige rug - Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor een meikever die met meel bestoven lijkt te zijn. mulder; Tilburg mulderke; Tilburg molenaar; Tilburg bakker; frequent in Tilburg bakkerke; Tilburg kapucientje; Tilburg, Goirle manneke; frequent in Tilburg wijfje, wijfke; frequent in Tilburg
Mölders In de mond van maaj vende langs de weg de bruine mölders in de buukeheg. Ge he't z'in soorten: 'nen bèkker of kappesien, 'n mènneke of 'n wèfke, dè kunde hil goed zien. Ge bewaort ze in 'n potje meej 'n buukeblaoike. En soms maag ie vaastgebonden vliegen on 'n draoike. De heggen zèn gerooid. Verkaoveld hil 't veld. En niemer heurde zingen: mölderke, mölderke telt oe geld... Veul van vruuger is verdwenen, ginne mölder mir te zien, ginne bekker mir te vèène, zelfs ginne blòòte-voete kappesien. Rolf Janssen - We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - Wanneer de meikevers weer te vinden waren in de buurt van de beukenhagen, werden deze door de kinderen gevangen. Ze werden opgeborgen in een lucifersdoosje met een blaadje sla. Vervolgens bonden de kinderen een draadje garen aan de poten van het dier en begonnen dan te zingen tot hij ging vliegen: mùlderke, mùlderke telt oew geld en gao dan nog s vliegen
mògskezelfstandig naamwoord
maag
mölder - meikevernaam
De Mölder = Kees Teurlings (blz.77) [Tuerlings was een molenaar] 4. merel
mölderblazelfstandig naamwoord
beukenblad; geliefd voedsel van de meikever - Cees Robben; Prent van de week 1957-05-25 - en n mölderblad toe...
mölderbladhègbeukenhaag, waarin de meikever graag verblijft - Cees Robben; Prent van de week 1957-05-25 We gaven ze gruun van de mölder-blad-heg...
mölkzelfstandig naamwoord
melk, maar in het Tilburgs specifiek voor karnemelk in gebruik geweest; gewone melk was 1. karnemelk
- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Bij ons vènte ze rôome, rôome hiet dè! ...in de straot vènte, èn möllek, dès karnemèlk!
- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mulk karnemelk
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - ...aongebraande, geschifte mölkse pap...
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ik weet zeker dèk overal naor zô gaon zuuke mar nôot van ze lang zal ze lève nie, naor aongebraande, geschifte mölkse pap, zôas die bij ons hiete.
- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - dieje karnemèlk..
- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - In het woord mölk (melk, karnemelk) vinden we ronding en centralisering vóór l.
- WBD - mölk, rôome, rómme (in Hasselt) melk; ook karnemelk genoemd
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - mölk - karnemelk
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], Baarn, 1978 - mölk karnemelk; n gezicht ès mölk - een pips en grauw gezicht
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - die mölk (verouderd) is dun en zuur
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - mölk - karnemelk
Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 2. kuit; hom
3. het uitlopen van het zaad van rogge
mölkaajzelfstandig naamwoord
Illustratie: Rolf Janssen
möllekzelfstandig naamwoord
melk, maar in het Tilburgs specifiek voor karnemelk in gebruik geweest; gewone melk was 1. karnemelk
- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Bij ons vènte ze rôome, rôome hiet dè! ...in de straot vènte, èn möllek, dès karnemèlk!
- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mulk karnemelk
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - ...aongebraande, geschifte mölkse pap...
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ik weet zeker dèk overal naor zô gaon zuuke mar nôot van ze lang zal ze lève nie, naor aongebraande, geschifte mölkse pap, zôas die bij ons hiete.
- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - dieje karnemèlk..
- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - In het woord mölk (melk, karnemelk) vinden we ronding en centralisering vóór l.
- WBD - mölk, rôome, rómme (in Hasselt) melk; ook karnemelk genoemd
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - mölk - karnemelk
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], Baarn, 1978 - mölk karnemelk; n gezicht ès mölk - een pips en grauw gezicht
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - die mölk (verouderd) is dun en zuur
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - mölk - karnemelk
Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 2. kuit; hom
3. het uitlopen van het zaad van rogge
möllekewerkwoord
2 zelfstandig naamwoord, verkleind molletje, verkleinwoord van 'mòl'
möllekepapzelfstandig naamwoord
karnemelksepap
mòllestèrtzelfstandig naamwoord
mòlletaksiezelfstandig naamwoord
lijkwagen
mòlmzelfstandig naamwoord
houtmeel
mòlshôopzelfstandig naamwoord
mòlslaojzelfstandig naamwoord
Illustratie Thomé - molsla - ganzetong - taraxacum officinale blad van de paardebloem, molsla, ganzentong (Taraxacum)
mòltijzelfstandig naamwoord
maaltijd
mòltjezelfstandig naamwoord
maaltje, hoeveelheid voor een maaltijd
möltjezelfstandig naamwoord
muil
Tekening: - Cees Robben - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. van de Ven jr., 1946
zelfstandig naamwoord
muiltje
mondzelfstandig naamwoord
mond
mòndzelfstandig naamwoord
maand
mòndagzelfstandig naamwoord
maandag
mondfiejatnaam
welbespraakt
mòndmèrtzelfstandig naamwoord
maandelijkse maandagmarkt
mòndschèèterzelfstandig naamwoord
Mondvoltaandelaonzelfstandig naamwoord
Montfortanenlaan
monikazelfstandig naamwoord
harmonica, mondharmonica, trekharmonica, accordeon
Monika-speulder Ge trekt en sjouwt, ge douwt en trekt en et örregelt zuut deur de straote; ge kekt benauwd en oe blauwe neus lekt en ge laot er oe monika praote. Kek, bende getrouwd? En oe vrouwke trekt mee ou deur de stille gementen? Gij douwt en trekt, zij trekt en sjouwt én ze schooit er oe schellep vol cente!
Illustratie van Staf Rijckers, in Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook. Illustratie: Frans Masereel 1922
monnekskezelfstandig naamwoord
monnikje (vogelnaam)
naam
monnemènt monument
Schilderij van Giuseppe Magni - 'De eerste dans'
monniekazelfstandig naamwoord
harmonica, mondharmonica, trekharmonica, accordeon
Monika-speulder Ge trekt en sjouwt, ge douwt en trekt en et örregelt zuut deur de straote; ge kekt benauwd en oe blauwe neus lekt en ge laot er oe monika praote. Kek, bende getrouwd? En oe vrouwke trekt mee ou deur de stille gementen? Gij douwt en trekt, zij trekt en sjouwt én ze schooit er oe schellep vol cente!
Illustratie van Staf Rijckers, in Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook. Illustratie: Frans Masereel 1922
monniekaspeulerzelfstandig naamwoord
accordeonspeler uit 'harmonica'
monsienjeurzelfstandig naamwoord
monseigneur
monsterzelfstandig naamwoord
monster
monteleurzelfstandig naamwoord
monteur; in de schoenindustrie
mòntjezelfstandig naamwoord
maan
zelfstandig naamwoord
maantje verkleinde vorm van maon, met vocaalkrimping
môo(g)twerkwoord
mocht
moobieliezaasiezelfstandig naamwoord
mobilisatie; tijdens de Eerste Wereldoorlog
môog(ewerkwoord
mocht, mochten in de gehele verleden tijd van meuge; in het meervoud echter ook de vormen met mocht
môokzelfstandig naamwoord
eerste maag van een herkauwer, onbepaalde hoeveelheid
Mookerhaajtoponiem Mokerheide
moolukzelfstandig naamwoord
oorspronkelijk een fantasievogel die als kinderschrik fungeerde, namelijk om hen te behoeden voor onbezonnen daden
Môonezelfstandig naamwoord
Moonen, Piet
môoniekazelfstandig naamwoord
harmonica, mondharmonica, trekharmonica, accordeon
Monika-speulder Ge trekt en sjouwt, ge douwt en trekt en et örregelt zuut deur de straote; ge kekt benauwd en oe blauwe neus lekt en ge laot er oe monika praote. Kek, bende getrouwd? En oe vrouwke trekt mee ou deur de stille gementen? Gij douwt en trekt, zij trekt en sjouwt én ze schooit er oe schellep vol cente!
Illustratie van Staf Rijckers, in Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook. Illustratie: Frans Masereel 1922
zelfstandig naamwoord
trekharmonica
zelfstandig naamwoord
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. moor waterketel
- Van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 109; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-13 - Een rijf is een hark, een reep is een hoepel, een moor is een ketel, een kakstoel is een kinderstoel.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - de schaaw blòkt èn de môor wòsemt - de schoorsteen rookt en de waterketel stoomt
- Stadsnieuws, 2008-06-01 - Doe es waoter in de moor vur men krèùk!
- WBD III.2.1:192 - moor - waterketel, ook marmiet genoemd
- Taalkundig Magazine I moor - een groote ketel, die door het langdurig blootgesteld zijn aan het vuur geheel zwart wordt; vandaar zijn naam.
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - moor, moer - waterketel
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - moor - waterketel
- WNT - moor waterketel, die in het gebruik zwart wordt door telkens op het vuur te staan, waarin het water wordt gekookt om koffie mee te zetten; inzonderheid in Zuid-Nederland
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 moor - ketel om water in te koken (zo genoemd omdat hij zwartgeblakerd was?)
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - moor (scherpe o) - bolronde of wijdgebuikte koperen of ijzeren waterketel, met hengsel en toot, waar men water voor de koffie in kookt
zelfstandig naamwoord
moord moord
zelfstandig naamwoord
moordenèèr moordenaar
zelfstandig naamwoord
moorkòp
zelfstandig naamwoord
moos keuken (op de boerderij), (drek van) afvalwater
- Toine Raaijmakers, informant moos - drassige plaats waar het afvalwater van het huiswerk terechtkwam uit de goot
- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - moos boerenachterkeuken; ruimte achter den herd
- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - Van 'nen kaauw moos komen. Een erge tegenvaller hebben. [Vergelijk: van een koude kermis thuiskomen.]
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 moos - vuilnishok, voor die aan de keuken grenzende plaats, welke men elders het vaathok noemt; het woord is van hoogen oorsprong.
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 moos, mouws - modderige, open afvoer van waswater en andere vloeibare ongerechtigheid; verwant met modder en moeras.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - moos - keuken, afvalwater
- WNT - moos - de plaats waar het vuil langs gaat; thans nog: plaats waar het vaatwerk wordt gewasschen.
- WBD - moos - bijkeuken (op de boerderij), ook goot genoemd, of washèùs of aachterhèùs.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - moos 1. achterplaats in de boerenhuizen, waar afgewassen wordt; 2. modder, slijk
zelfstandig naamwoord
moosgat, mòzzegat, moozegoot gat in de muur voor waterafvoer vanuit de keuken naar een open afwatering
zelfstandig naamwoord
moosput / moosputje zinkputje
zelfstandig naamwoord
mooswaoter huiselijk afvalwater
Advertentie uit 1922
mooniekazelfstandig naamwoord
harmonica, mondharmonica, trekharmonica, accordeon
Monika-speulder Ge trekt en sjouwt, ge douwt en trekt en et örregelt zuut deur de straote; ge kekt benauwd en oe blauwe neus lekt en ge laot er oe monika praote. Kek, bende getrouwd? En oe vrouwke trekt mee ou deur de stille gementen? Gij douwt en trekt, zij trekt en sjouwt én ze schooit er oe schellep vol cente!
Illustratie van Staf Rijckers, in Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook. Illustratie: Frans Masereel 1922
zelfstandig naamwoord
trekharmonica
zelfstandig naamwoord
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. moor waterketel
- Van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 109; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-13 - Een rijf is een hark, een reep is een hoepel, een moor is een ketel, een kakstoel is een kinderstoel.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - de schaaw blòkt èn de môor wòsemt - de schoorsteen rookt en de waterketel stoomt
- Stadsnieuws, 2008-06-01 - Doe es waoter in de moor vur men krèùk!
- WBD III.2.1:192 - moor - waterketel, ook marmiet genoemd
- Taalkundig Magazine I moor - een groote ketel, die door het langdurig blootgesteld zijn aan het vuur geheel zwart wordt; vandaar zijn naam.
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - moor, moer - waterketel
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - moor - waterketel
- WNT - moor waterketel, die in het gebruik zwart wordt door telkens op het vuur te staan, waarin het water wordt gekookt om koffie mee te zetten; inzonderheid in Zuid-Nederland
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 moor - ketel om water in te koken (zo genoemd omdat hij zwartgeblakerd was?)
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - moor (scherpe o) - bolronde of wijdgebuikte koperen of ijzeren waterketel, met hengsel en toot, waar men water voor de koffie in kookt
zelfstandig naamwoord
moord moord
zelfstandig naamwoord
moordenèèr moordenaar
zelfstandig naamwoord
moorkòp
zelfstandig naamwoord
moos keuken (op de boerderij), (drek van) afvalwater
- Toine Raaijmakers, informant moos - drassige plaats waar het afvalwater van het huiswerk terechtkwam uit de goot
- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - moos boerenachterkeuken; ruimte achter den herd
- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - Van 'nen kaauw moos komen. Een erge tegenvaller hebben. [Vergelijk: van een koude kermis thuiskomen.]
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 moos - vuilnishok, voor die aan de keuken grenzende plaats, welke men elders het vaathok noemt; het woord is van hoogen oorsprong.
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 moos, mouws - modderige, open afvoer van waswater en andere vloeibare ongerechtigheid; verwant met modder en moeras.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - moos - keuken, afvalwater
- WNT - moos - de plaats waar het vuil langs gaat; thans nog: plaats waar het vaatwerk wordt gewasschen.
- WBD - moos - bijkeuken (op de boerderij), ook goot genoemd, of washèùs of aachterhèùs.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - moos 1. achterplaats in de boerenhuizen, waar afgewassen wordt; 2. modder, slijk
zelfstandig naamwoord
moosgat, mòzzegat, moozegoot gat in de muur voor waterafvoer vanuit de keuken naar een open afwatering
zelfstandig naamwoord
moosput / moosputje zinkputje
zelfstandig naamwoord
mooswaoter huiselijk afvalwater
Advertentie uit 1922
mooterzelfstandig naamwoord
motor
möpkezelfstandig naamwoord
1. eenvoudige liedje of melodietje verkleinwoord van mòp
2. koekje
mörfnaam
murw, zacht, week verrot
mòrkeoude verleden tijd van mèrke
mòrkòlfzelfstandig naamwoord
Vlaamse gaai, meerkol, markol, broekekster, schreeuwekster
zelfstandig naamwoord
Vlaamse gaai, meerkol, markolf Garrulus glandarius
mörmeleerewerkwoord
mompelen, morren, murmureren; uit het Franse murmurer
mörmereerewerkwoord
mompelen, morren, murmureren; uit het Franse murmurer
mòrrelboonzelfstandig naamwoord
tuinboon
mòszelfstandig naamwoord
mos
mos oude verleden tijd van moeten
mosverleden tijd van moest
Mòsbrèmpttoponiem De exacte lokatie is niet vastgesteld; alleen aangetroffen in een interview uit 1978:
möskezelfstandig naamwoord
muisje; ver kleinde vorm van mèùs, met vocaalkrimping
Verkoper van mosterd - 19de eeuw
mòsterdmènnekezelfstandig naamwoord
Et mòsterdmènneke Weekeleks kwaamie bij ons òn de deur, meej zen dèfteg visgraotjasken aon, èn en pet op, die ik em zo schôon vond staon. Hij had ok aaltij zon fris-rôoje kleur. En tunneke, meej koopere baanden, in zen haand. Die baande blonken asòf ge vur ne spiegel stond. Ons moeder gaafem dan en glas, èn verdomd, hij knoejde nôot, assie teegen de kaant van dè glas meej zenen houte leepel mèpte, èn de mòsterd tòt òn de raand vur ons moeder daorin schèpte, die, al meej der sènten in der haand klòrstond, èn et mènneke zich dórnao fïef wir rèpte nòr de vòlgende klaant.
mòtzelfstandig naamwoord
de klerenmot of kleermot (Tineola bisselliella)
Vandaar de volgende namen voor berglaatsen waarin kleing werd opgeborgen en de mot werd bestreden met mottenballen mòttekiest
mòttezak
motwerkwoord
moet tegenwoordige tijd van moete
mòtjezelfstandig naamwoord
herenmaat (kleding)
zelfstandig naamwoord
1 maat, werkgezel, collega
naam
2 maateenheid
zelfstandig naamwoord
1 maatje, werkgezel; aanspreking van oudere tot jongere
2 kleine inhoudsmaat, met name van sterke drank
mòtrèègezelfstandig naamwoord
motregen
mòttewerkwoord
moeten
samentrekkingen met moete moetem moet je hem - Cees Robben; Prent van de week 1978-12-22 - Dan moetem is in zn hemd zien staon...
moetet moet het, of moet je het - Cees Robben; Prent van de week 1960-02-19 Mar k moetet irst nog zien... - Cees Robben; Prent van de week 1973-05-11 Dan moetet lepeltje dr uit haole... moetiejer moet hij er - Cees Robben; Prent van de week 1981-05-08 Dan moetiejer zunne tèèd mar over doen...
zelfstandig naamwoord
mòttekiest mottenkist
mòtverdikkemòt is een verbastering van god, verdikke is een afgezwakte vorm van verdomme
mouwzelfstandig naamwoord
mouw
mouwewerkwoord
mouwen
mouwerkezelfstandig naamwoord
verkleinde vorm van mouwer; iemand die mouwt, zeurt
mòwkezelfstandig naamwoord
mudzelfstandig naamwoord
inhoudsmaat voor droge waar; 301 liter, verdeeld in 8 schepels van ieder 37,6 liter (in Tilburg in gebruik vóór de invoering van het Metriek Stelsel in 1820).
muggesnapperzelfstandig naamwoord
Illustratie: Naumann - ficedula striata
mugighetzelfstandig naamwoord
moeheid, vermoeidheid
Muk de drakendoderDaar kwamen de dwergen aandragen. n Hele terrine vol soep voorop Toen volgden aardappels met lawaaisaus, grote bonen en elk n kippepoot. Dat was kostje!!
mulderzelfstandig naamwoord
merel Illustratie: Naumann - turdus merula Luister naar het geluid van de merel - WBD - 'mulder', 'malder' (meelder, mölder; 'lijster', 'gieteling')
mulderewerkwoord
mulderkezelfstandig naamwoord
merel, kleine meikever
muldignaam
mul, rul
mulkzelfstandig naamwoord
melk
mullekzelfstandig naamwoord
melk
mullekboerzelfstandig naamwoord
melkboek
mundegnaam
mondig
mundjezelfstandig naamwoord
mondje
muntigbijwoord
koe die nog melk geeft
murtnaam
muszelfstandig naamwoord
mus, mussen Illustratie Naumann - huismus - Passer passer Luister naar het geluid van de huismus - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 128, NvhZ 21-07-1971 - "Waar een mus doorhenen vliegt, blijft een mug hangen". De gedachten dienen hier uit te gaan naar een spinneweb. De betekenis van de uitspraak is dat de grote Piet zich in de maatschappij allerlei zaken kan veroorloven waarvoor de kleine man in de kraag gegrepen wordt.
mussezelfstandig naamwoord
mus, mussen Illustratie Naumann - huismus - Passer passer Luister naar het geluid van de huismus - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 128, NvhZ 21-07-1971 - "Waar een mus doorhenen vliegt, blijft een mug hangen". De gedachten dienen hier uit te gaan naar een spinneweb. De betekenis van de uitspraak is dat de grote Piet zich in de maatschappij allerlei zaken kan veroorloven waarvoor de kleine man in de kraag gegrepen wordt.
musterdzelfstandig naamwoord
takkenbos, mutsaard, mutserd
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - In den oven wiere irst takkenbossen, musterd genoemd, geschoven en in braand gestoken.
- WBD III.3.4:81 - musterd - takkenbos
- WBD III.4.3:80 - mutserd - takkenbos, muster
- WBD III.4.3:93 - mutserd - kreupelhout, struikgewas
- WBD III.2.1:261 - mutserd - mutsaard
- WBD III.4.4:258 - musterd - bundel
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 musterd mutsaard, takkenbos
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - musterd - mutsaard; daarnevens mutserd en mutsaard
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mutserd - takkenbos
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836- mutsaard - takkebossen. Het woord komt van mutsen, caedere
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster,1968 mutserd -takken
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 musterd - mutsaard, takkenbos; gebruikt als aanmaakhout en om oven en sopketel te stoken
mutszelfstandig naamwoord
muts
mutserdzelfstandig naamwoord
takkenbos, mutsaard, mutserd
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - In den oven wiere irst takkenbossen, musterd genoemd, geschoven en in braand gestoken.
- WBD III.3.4:81 - musterd - takkenbos
- WBD III.4.3:80 - mutserd - takkenbos, muster
- WBD III.4.3:93 - mutserd - kreupelhout, struikgewas
- WBD III.2.1:261 - mutserd - mutsaard
- WBD III.4.4:258 - musterd - bundel
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 musterd mutsaard, takkenbos
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - musterd - mutsaard; daarnevens mutserd en mutsaard
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mutserd - takkenbos
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836- mutsaard - takkebossen. Het woord komt van mutsen, caedere
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster,1968 mutserd -takken
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 musterd - mutsaard, takkenbos; gebruikt als aanmaakhout en om oven en sopketel te stoken
mutsewaaserzelfstandig naamwoord
mutsenwasser Iemand die de grote en kostbare Brabantse mutsen wast en daarin blijkbaar ook handelt:
Blijkbaar een bezigheid waarmee vooral kwezels zich bezighielden:
Bedrukt Tshirt. Markt Tilburg Noord. Foto: Cubra/- WTT - 2021.
muugKaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
muugeghèdzelfstandig naamwoord
moeheid, vermoeidheid
muugerKaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
muugt(ezelfstandig naamwoord
vermoeidheid, moeheid Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Ik kos nie' meegaan van de muugte.
muukzelfstandig naamwoord
- Ed Schilders; - WTT - 2020 - Warme bewaarplaats voor fruit, om door de warmte de vruchten sneller te laten rijpen; zon plaats was bijvoorbeeld onderdeel van het voeteneind van het ledikant dan wel de bedstee.
- Ed Schilders; - WTT - 2020 het zelfstandig naamwoord is voor het Tilburgs niet opgetekend, maar mag verondersteld worden op basis van het werkwoord Muuke, zie het volgende lemma.
- WNT - muik (verwant met meuk) - plaats waar fruit wordt bewaard
- A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - muik, muuk, mèùk - bewaarplaats om fruit te doen rijpen
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 muik (mö:k) - vooral in de verkleinvorm gebruikt (mökske) - kleine hoeveelheid, voorraadje, kwèkske; n mooi mökske èèrpel
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 Meuk, doorgaans muek uitgesproken, is hier eene zich langzamerhand bijeen gepakt en zich vast gezet hebbende vergadering van kwade stoffen in het menselijk ligchaam, bij de Franschen un depót genaamd. Muek beteekent in Neder-Saksen zooveel als rot, verrot.
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 muijk - ene plaats alwaar men appelen, peren of ander fruit bewaart. Ook wel in t gemeen ene bewaarplaats.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen; Brussel 1936 meuk muik; in de meuk liggen
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - muik - plaats waar fruit te muiken ligt
muukewerkwoord
muuke - muukte gemuukt (steeds korte uu) fruit ter rijping op een warme plaats bewaren; zie hiervoor lemma muuk
muurzelfstandig naamwoord
muur
muurkezelfstandig naamwoord
muur
muurschilderaaj /muurschilderijzelfstandig naamwoord
de beschildering van de gewelven in de kerk
muurzeikerzelfstandig naamwoord
mier
muuziekaantzelfstandig naamwoord
muzikant
muuziekaolnaam
muzikaal
muwkezelfstandig naamwoord
meeuw, meeuwtje
zelfstandig naamwoord
meeuwtje