maadeke
zelfstandig naamwoord

maagdje

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - maadekes - bruidjes, maagden, maagdjes
maadeke
maag

1e + 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van 'meuge'; via 'mag' met vocaalrekking

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg; Maag ze meej mèn meej?
- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - Moeder maa'k britsen? (aardappelen tot brei maken)
- Cees Robben; Prent van de week 1964-02-28 - En dan maag ie meej...
maagt
zelfstandig naamwoord

macht; grote hoeveelheid; lichaamskracht

- Kees en Bart; ca. 1925, in Tilburgsche Post - En hil maacht stroojbiljette...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Der laage ne maacht kastannies...
- WBD III.1.2:183 - macht - lichaamskracht
- WBD III.4.4:260 - macht - grote hoeveelheid
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - macht - vrouwelijk; (fysieke) kracht, mannelijk; grote hoeveelheid
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - maacht - kracht, grote hoeveelheid
- WNT - macht - 13) groote hoeveelheid, menigte
maagteg
bijwoord

machtig

- Willems; Dialectenquête 1887 - machtig; zwaar (van voedsel gezegd)
- Grôot diktee van de Tilburgse taol, 2006 - Van die maachteg grôote kèrkkôore...
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - machtig (van voedsel)
- WBD III.2.3 machtig - gezegd van voedsel. Waardering voor Tilburg door WBD: frequent.
maaj
zelfstandig naamwoord

mei

- Dialectenquête Willems 1887 - in de Maai
- Cees Robben; Prent van de week 1954-05-08 - Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Lôôn of Beek....
- Cees Robben; Prent van de week 1960-05-20 - Ter bèèvert in de maond van maai...
- Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek aflevering 159, 04-09-1972; Tot de oud-Tilburgse exclamaties, die men echter nog maar zelden te horen krijgt, behoort: "Jao zeuve (zeven), zeuve, mee de Maai (Mei) aacht!" Ze betekent: Ja, dat geloof ik wel, je kunt me nog meer vertellen! Of: Ben je bedonderd!
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960-1980; uit: Wir volop kleur - Hoera, et is wir de maond van Maai/ ons kan niks mir gebeure/ èn hil wèèreld lèèft wir op/ et barst wir van de kleure...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960-1980; uit: Nie zôo wèèd - Den irste zondag van de Maai/ dan gonge we te voet/ nòr de Sint Jan toe in Den Bosch/ meej ene grôote stoet...
- Ad van den Boom, De wèèvers van Tilburg, circa 2005 In de Maaj mee vrouw en kender/ Gonge ze op bèèvert nor St. Job/ Dan wir nor huis mee unne stok/ Van flötjeshout, unne schar in top
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Rèègent et in maaj, dan is april al lang vurbij...
- Piet van Beers (Spoeje doemmeniemer; 2009) - t Ôog moet ok wè hèbbe: 'n Kriezaant, dè is n nòjaorsblom/ die wòrt geplaant in Maaj...
- Henriëtte Vunderink (Zoas ik et as kèènd beleefde; k Zal van oe blèève haawe, 2007) - Ast Maaj was möoge we meej ons moeder/ nor de Hasselse kepèl...
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - 1) mei, de bloeimaand; 2) meitak
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - maaj Mei
maajbôom
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - maajbôom - meiboom, mastboom die in mei uitloopt
- WBD III.4.3:98 - maajbôom - den; ook genoemd: dèn, dènnenbôom, maast, mastenboom, spar, gròffe maast, hèksemaast of waajbôom
- WBD III.3.2:311 - maajbôom - tak op huizen in aanbouw
maajbôom
maaje
werkwoord

maaien

- Interview echtpaar Staps 1978; transcriptie Hans Hessels 2015 - Èn dan spande ons moeder diejen eezel èùt èn dan spande ze em in dè aander kèrke. Èn dan lisser de zeis op, op dè kèrke èn dan gong ons moeder gras maajemèn moeder. Want die kos ons moeder kos beeter maaje as mèn vaader!
- WBD - maaien (van een paard) - onder het stappen de hoeven naar buiten bewegen
- WBD III.2.1:415 maaien - idem, ook 'afmaaien'
- Dialectenquête Willems 1887 - zoaien en moaie
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - Et hôoj is nòg gruun; tis pas gemaajd...
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - geen umlaut (blz. 91/92)
maaje
maajmònd
zelfstandig naamwoord

meimaand

- Cees Robben; Prent van de week 1957-05-04 - Prent van de Hasseltse kapel, die traditioneel in de aan Maria gewijde meimaand druk bezocht wordt.
- Interview Van den Aker 1978; transcriptie Hans Hessels 2014 - Hasselse kapèl ôok. Daor gingde sondagsmèèreges, sondags, sondags nògal dikkels nòr toe. Mar jè, dès èlke keer in de maajmònde mar, hè!
maajs
  1. naam

    van mei

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - maajse mèrt - markt half mei, waar ook boerenvolk geworven werd voor het nieuwe huurjaar
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - maajse scheut - groeipijn
  2. 2 zelfstandig werkwoord maïs

maajscheut
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 en volgende 'perbeersels' - groeipijn
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - maajse scheut - groeipijn
maajsteek
zelfstandig naamwoord

aantasting door wormen; wörmsteek

- WBD III.2.3:160 maaisteek wormstekig
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - maaisteek - wormsteek in appelen of peren Dieën appel is vol maaisteken...
maajtak
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD III.4.3:116 - maajtak - groene berkentak
  2. Illustratie: Naumann - fringilla coelebs - vink - maajvink (2e van boven)

maajvink
  1. zelfstandig naamwoord

    vink

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - vink (fringilla coelebs)
    maajvink
  2. Tekening: - Cees Robben - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. van de Ven jr., 1946

maand
  1. zelfstandig naamwoord

    mand, korf

    - Dialectenquête Willems 1887 - Ze droeg 'n maand op den rug
    - Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - Kriesje Kleevers die midden op den weg z'n maanden aon 't vlechten was.
    - Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - Toen zaat nog midden op den weg/ Kriest Kleevers mee zn maanden.
    - Cees Robben; Prent van de week 1964-09-04 - Vat die maand waas op...
    - WBD III.2.1:135) - mand, kabas, korf - marktkorf
    - WBD III.3.2:247) - maand - duivenmand
    - WBD III.2.1:137) - draagmand - rugkorf
    maandmaand
  2. uitdrukkingen

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - Tis nen moord in en maand... - een te verwaarlozen zaak
    - Cees Robben; Prent van de week 1986-05-23 - En daor is gin maand over gestölpt of... [daar hebben ze niet lang over hoeven nadenken]
    - Cees Robben; Prent van de week 1962-09-21 - Meej daauw kiepen de maand in... [een vrouw die vrijgezel blijft]
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Daor is gin maand oover gestölpt... - daar is niets aan verloren
    - Hein Mandos; Brabantse Spreekwoorden 2003 - De mand in den hof hèbben hange... (geciteerd uit Nieuwsblad van het Zuiden 1978) - De mand in den hof hebben hangen. De mand in de tuin hebben hangen. 1. Op korte termijn een kind verwachten. (Komt uit de bijenhouderij: je hangt een korf in de tuin als je een bijenzwerm verwacht.) Tilburg (NB) 1978
  3. Mandenmaker - detail van een centsprent met beroepen Mandenmaker - Caspar Luyken

maank
naam

mank

- WBD III.1.2:380 - mank kreupel
- WBD III.4.4:286 - mankement - iets onbelangrijks
maankmaank
maans
naam

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Vat die maand waas op, Fraans, ge zèt maans genog... (1964-08-17)
- Cees Robben; Prent van de week 1964-09-04 - Vat die maand waas op ge zèèd maans genog ...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - mans
maansmeens
zelfstandig naamwoord

letterlijk: mansmens man, mannen

- Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens SVD; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 1940-01-27/1940-02-17) - Uit alle hoeken en kaante kwamen de maansmeense toegeloopen om den braand te blusschen...
- Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens SVD; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1939-02-25/1939-04-18 ) - N en maansmeensch alleen is niks gedaon op den duur...!
maantel
zelfstandig naamwoord

mantel

- Piet Heerkens; uit: De Mus, Mijn deuntje, 1939 - Toen viet et uit z'ne maantelplooi,'n fluit en sloeg aon t fluiten...
- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Mee dieje maantel heb ik ginnen aord, die doek zo nooi aon, t stao wel vlug as ge hard lopt en ik veint wel schôôn mar ik veint nie zo leuk... (1967-07-09) (interessant mode-praatje)
- Cees Robben; Prent van de week 1968-01-19 - k Heb ginne aord meej deeze maantel...
- WBD III.1.3:40 - manteltje - jasje van het mantelpak
- WBD III.1.3:36 - kraagmantel - kraagmantel
- WBD III.1.3:35 - mantel, damesmantel - damesmantel
- WBD III.1.3:71 - mantelpakje - mantelpak
maast
  1. zelfstandig naamwoord

    mast (van een boot), mastbos

    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - 2012 - In het Tilburgs vooral gebruikt om dennen en sparren aan te duiden, alsmede de bossen die zij vormen; dennenbos(sen); met 'den' wordt vooral bedoeld de grove den, pinus sylvestris, ofwel pijnboom.
    - Cees Robben; Prent van de week 1960-07-08 - Hanneken die huizen in de maast. - Cees Robben; Prent van de week 1969-09-09 - Ons dörpke leej rontom in maast en haai gevangen
    - Piet van Beers t Èlfde buukske, 2010 Gin katte: nòr t park of de maast...
    - WBD III.4.3:96 - maast - dennenbos (bos bestaande uit naaldbomen), ook genoemd: mastbossen, mastenbos, bussel, bussels
    - WBD III.4.3:98 - maast - den, ook genoemd: dèn, dènnenbôom, mastenboom, spar, groffe maast, hèksemaast, waajbôom of maajbôom
    - WBD III.4.3:107 - maast, fèène maast, mastenbôom - spar
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mast; zelfstandig naamwoord - mast 1) den; hierbij onderscheidt men 'fene maast' en 'grouve maast'; 2) mastbos respectievelijk mastbossen.
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 mast; zelfstandig naamwoord den (Frans sapin) - fijne, grove, zwarte mast
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1993 maast; zelfstandig naamwoord - mast, den, dennebos
    maast
  2. Samenstellingen

maat
werkwoord

mat verleden tijd van 'meete'

maaw
  1. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - mouw
  2. Promotiekaartje van website Tilburg.com.

maawe
  1. werkwoord

    zeuren, miauwen, zaniken

    - Voorbeeld Sterenborg - Meens, maauwt nie zo! - Man zeur niet zo!
    - Dialectenquête Willems 1887 - De katte in Tilburg blève maauwe...
    - Cees Robben; Prent van de week 1957-06-31 - Wè maauwde van unne haauw-maauw.. maauwer...
    - Cees Robben; Prent van de week 1958-07-05 - Wè zôdder over maauwe...
    - Piet Heerkens - Uit Hannes Kaokel, van Baokel
    maawe
  2. En Hannes Kaokel toog op pad van 't domme dörpke Baokel naor Boekel mee de vette koei, alleenig, Hannes Kaokel; de taanden hield ie op mekaar en ie waar heel vaast besloten om wijselijk te zwijgen, want 't is waor: die groote tooten, die praoters en die maawers, al die raoteleers en zwetsers dè zijn de ware kooplui nie, ik mot ze nie, die kletsers! Uit Vertesselkes, 1941

    - Henriëtte Vunderink - Uit Kzal van oe blèève haawe (2007)
  3. Tilbörg Ik hèb toch iets meej Tilbörg èn dè is gin schaand. Ik kan er zélf soms ok wèl oover maawe. Toch zal ik aaltij van der blèèven haawe. Et is vur mèn: de schonste stad vant laand.

    - Piet van Beers
  4. Beeterweeters ' n Vòlkstöntje, dè is niks, zeej Kees van Ballegooie. Ge kunt nôot òp vekaansie gaon tis zaaje òf ogste òf rooje, Èn bovendien moete oewe tèùn ok vrij van onkrèùd haawe, doede dè nie, dan leej 't bestuur wir on oewe kòp te maawe. Wè ik prebeer jullie dèùdeluk te maoke Is: Dè hij die ´t klèèn nie eert. ok nie moet zaonikke èn maauwe want grôote dinge is ie dan nie "wèèr.

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Uit Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, Tilburg 2006 -
  5. Zwemmen han we ons èège geleerd. Asset goei weer waar, s woensdagsmiddags, vroegen we un dubbeltje aon ons moeder om nor et zwembad te meuge. We moese er dikkels lang om maauwe, mar dan docht ze, ben ik wir efkes van die druktemaokers verlost en kan ik beter meej men wèèrk opschieten. Nao veul maauwe van onze kaant kocht ze ene keer un pötje zjem. In èene keer waar dè pötje leeg, kunde begrèèpe. Zij begreep dè dus nie, kaod desse waar

    - Lechim
  6. werkwoord

    De kènder sliepen zuutjesaon De moeders gingen maauwen Omdè de vadder te veul dronk En niemer op wó haauwen. Uit: Vruuger Toen 'k vroeg Hoe stao'get mee m'n pak? Begos ons Sjaan te snaauwe Ze zee 't Is aaltij wè mee jouw Gij mot óók aaltij maauwe. Uit: Naor de kèrmis Ons Sjaan die meegekeeke ha' Begos sebiet te maauwe Ze zee: t Is d'n hoogste tèèd Mee rôoke op te haauwe. Uit: 'Ge zut niks mit meuge' Tilburg hee himmol gin kultuur Heurde daogeluks maauwe Loat ons dè bietje dètter is Dörom asteblief haauwe! Uit: Haaw vaast, die bilde D'n Heuvel gaot 'r op veuruit 't Verkeer hee wir gewonnen Mar aaltij heur de maauwen van: Wè zèn ze naauw begonnen? Uit: Stoplichten; ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, uit De Tilburgse Koerier

    - WBD III.3.1:258 - mauwen zeuren
    - WBD III.3.1:283 - mauwen - (tijd) verbeuzelen; 294 - zaniken
    - WBD III.2.1:500 - mauwen - miauwen (stemgeluid van de kat)
    - WBD III.1.4:256 mauwen - kreunen; 271 - mauwen (aanhoudend klagen)
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland deel 2 Vocabularium, 1958 - ma.we(n)- mouwen (in de zin van hevig waaien)
maawer
  1. zelfstandig naamwoord

    zeurpiet, iemand die kletspraat verkoopt

    - Piet Heerkens; uit Vertesselkes, Hannes Kaokel, van Baokel, 1944
  2. ...want 't is waor: die groote tooten, die praoters en die maawers, al die raoteleers en zwetsers dè zijn de ware kooplui nie, ik mot ze nie, die kletsers!

    - Cees Robben; Prent van de week 1957-06-31 - Wè maauwde van unne haauw-maauw.. maauwer...
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 en volgende 'perbeersels' - zeurpiet; ook: maawkónt
    - Stadsnieuws - We zèède tòch ene maawerd, tis bij jou nôot goed òf et dugd nie... (2009-03-08) - Wat ben je toch een zeurpiet, het is bij jou nooit goed.
maawerd
  1. zelfstandig naamwoord

    zeurpiet, iemand die kletspraat verkoopt

    - Piet Heerkens; uit Vertesselkes, Hannes Kaokel, van Baokel, 1944
  2. ...want 't is waor: die groote tooten, die praoters en die maawers, al die raoteleers en zwetsers dè zijn de ware kooplui nie, ik mot ze nie, die kletsers!

    - Cees Robben; Prent van de week 1957-06-31 - Wè maauwde van unne haauw-maauw.. maauwer...
    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 en volgende 'perbeersels' - zeurpiet; ook: maawkónt
    - Stadsnieuws - We zèède tòch ene maawerd, tis bij jou nôot goed òf et dugd nie... (2009-03-08) - Wat ben je toch een zeurpiet, het is bij jou nooit goed.
maawmeut
zelfstandig naamwoord

kletser leuteraar(ster)

- WTT 2019 - variant op 'aawmeut'.
maawmuur
zelfstandig naamwoord

Tilburgse variant op de klaagmuur. Monumentaal werk bij het Paleis raadhuis in het centrum, in 2012 gerealiseerd door Miranda Poel e.a. De muur bestaat uit stalen letters: WIE GEEN FOUTEN MAAKT/ MAAKT MEESTAL NIETS. In de muur zijn twee brievenbussen aangebracht waarin klachten gepost kunnen worden, een daarvan speciaal om te maawen bij de gemeente. Foto's: CuBra 2018.

madam
  1. zelfstandig naamwoord

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - madam - steun onder karren en wagens
    madammadammadam
  2. m adòrrie potverdorie bastaardvloek (de etymologie is niet duidelijk)

    - Weekblad van Tilburg (1867-10-05); een roestpraatje - Madorrie! t is al laot, ons klukske sleu daor tien...
maf
naam

gek kaajmaf - hartstikke gek

- WBD III.1.1:17 - maf - pafferig dik
- WBD III.4.4:30 - maf weer - drukkend, benauwd weer
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - maf - 1) pafferig; enen dikke maffe kaerel 2) (van het weer gezegd...) broeierig, zwoel
- WNT - maf - slap, krachteloos, mat, flauw (in een aantal gewesten)
mafkees
zelfstandig naamwoord

gek

- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
- J. Berns e.a.; Brabantse spot- en schertswoorden, Nijmegen 1975 - mafkoei - dik, log wijf
- WNT - IX 87 maf - slap, krachteloos, flauw, zowel van personen als zaken; etymologie onbekend; het element 'log' kan men met 'maf' in verband brengen.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - maf - iemand die maf, traag en vadsig is; mafkoei - dik, log wijf; mafzak.- traag en vadsig mensch
maggeriene
zelfstandig naamwoord

margarine

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, Tilburg 2007 - De goei booter ha al irder et veld moete rèùme. Nao den oorlog waar et vort maggeriene, de goei booter waar allêen nog mar vur rèèke meense en vur den export, zi onze pa...
maggeriene
maggezèèn
zelfstandig naamwoord

magazijn

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - maggezijn - magazijn
majenèès
zelfstandig naamwoord

mayonaise, mayonnaise

- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - majenèès maoke ze van ...
majesjesee
  1. zelfstandig naamwoord

    marechaussee, veldwachter

    - Interview echtpaar Staps, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - ...we waare ònt waoterhoenekes vange èn toen kwaame de majesjesees!
  2. zelfstandig naamwoord

    marechaussee

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - masjesee
    - Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - marsjesee (frequent)
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - marechaussee
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - masseseej
malder
  1. zelfstandig naamwoord

    merel

    - Piet Heerkens; uit De Kinkenduut; Oproep, 1941 - ...spreuwe, malders...
    - Piet Heerkens; uit De Kinkenduut; Naachtegaol, 1941 - ...lijsters, malders, wielewaole...
  2. Kindermallemolen van Janvier. Prentbriefkaart ter promotie van de 'Jaozeetie' (zie dat lemma). Afbeeldingen: facebook.com/dejaozeetie, 2019.

mallemeule
zelfstandig naamwoord

mallemolen

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 02 21 - Mee kermis vol mee mallemeulens
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Jaaaene mallemeule èn enen hoogaatie èn ene ootooskòtters èn zôo
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - De stôommallemeules lôope vort op illetriek...
- Piet van Beers; uit Spoeje doemmeniemer 2009; Bokstènt - Der is naa nòst de mallemeules/ ok wir ' n bokstènt opgericht...
- Stadsnieuws - Agge de kwaast deraf trokt, môogde in de mallemeule nòg ene keer vur niks (2010-12-03)
- WNT - mallemolen draaimolen
- H. Mandos en M. Mandos van de Pol; Brabantse Spreekwoorden, 2003 - 't Kan mijn nie schiïïe, wie de mallemolen draait, als ik er mar in zit. Het kan mij niet schelen wie de mallemolen draait, als ik er maar in zit. Het geeft niet wat er gebeurt, als de spreker maar profijt heeft van dit gebeuren. Opgetekend: Tilburg 1971
mallemeulemallemeule
mallemoerstaol
zelfstandig naamwoord

moedertaal

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); uit Groot Tilburg, 1941; CuBra - dek zoo wir is in bietje mn mallemoersstaol heb kunnen praote...
- EWN; M. Philippa e.a. (2003-2009) - Van oorsprong heeft 'mallemoer' een ongunstige betekenis: een 'malle', dus 'rare' moeder (moer). Te denken valt aan uitdrukkingen als 'geen mallemoer' (niets) of 'naar zijn mallemoer' (kapot, onbruikbaar). Deze ongunstige connotatie is blijkbaar vervallen in de tekst van Naarus. Mallemoerstaal betekent hier in positieve zin 'moedertaal', namelijk het Tilburgs dialect.
malleur
  1. zelfstandig naamwoord

    ongeluk(je), tegenspoed (van het Franse malheur)

    - G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol, 2004 - Dè gaaf wèl wè malleure mar tòch ok veul leut, hurre...
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen; Brussel 1936 malheur (malé:r) - zeer gewoon naast 'ongeluk'
  2. zelfstandig naamwoord

    ongeluk, pech

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 152, Nieuwe Tilburgsche Courant Dat zijn meleuren en daar moet je voor bidden! - troostwoord tot iemand die pech heeft; uit het frans malheur, met vocaalreductie
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 4, Nieuwe Tilburgsche Courant 1929-11-02 - Naa snapte wel, dè den deeze of de geene per ongeluk wel 'ns zis borrels vat as ie wit dè-t-ie er mar vijf hebben kan; dè zen meleuren en daor motte vur bidden.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - malheur (kaartspelersterm)
mals
naam

mals

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, Tilburg 2007 - Dè waar wè wij noemden un malse mèèd en verrèkkes knap...
- Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek, aflevering 146, Nieuwsblad van het Zuiden, 13-01-1972. - Zo mals als het wijf van Frans Staps (...). Wie er mee bedoeld werd, weten we niet...
mammel
samentrekking

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

man
zelfstandig naamwoord

man

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - in de vorm: 'gin man' - geen mens, niemand
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn as ze naa nòg es ene keer nor mèn zon löstere, mar der löstert gin man nòr mèn...
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Goed, ik stao daor dus te wòchte diejen dag, mar ik zie gin man...
- H. Mandos en M. Mandos van de Pol; Brabantse Spreekwoorden, 2003 - Zijn er drie mannen en een vrouw, dan is de vrouw een slaaf, zijn er drie vrouwen en een man, dan is de man een graaf. Opgetekend Tilburg 1967, zegsman J. Sicking.
- WBD III.3.1:326 - grote man vooraanstaande mens
man
mangelknêûp
zelfstandig naamwoord

mangelknoop

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - knoop van zink omwikkeld met linnen [om te voorkomen dat] die tijdens het mangelen stuk gaat.
mangelpeej
zelfstandig naamwoord

voederbiet; koolraap ook 'knòlraop', 'knòlleraop', 'knòllekes'

- Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek, aflevering 105, Nieuwsblad van het Zuiden, 16-07-1970 - Mag iemand "voortaan alles hebben behalve mangelpeejen", dan is hij door de dokter volkomen gezond verklaard. Behoeft derhalve geen dieet meer te houden. De aardigheid zit in die uitzondering van mangelpeejen (voederbieten).
- WBD I:1415 mangelpeej - voederbieten
- WBD III.2.3:107 mangelpee - koolraap
- WNT - mangelwortel - een soort van beetwortel (veevoeder)
manjuu

bastaardvloek (juu komt van het Franse dieu; god)

- KRATS; Schets uit het Tilburgsche leven; Nieuwe Tilburgsche Courant (1926-05-28); uit Mos... mos... mosselen - manju, Antje, kek den diejen is, w'en branie!
manketije
bijwoord

soms

- Pierre van Beek ; Tilburgs folklore; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1958-07-18 - ...hij doet 't zo manketijen - somwijlen, soms
manne
zelfstandig naamwoord

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - klèèn manne - de kleine kinderen (niet noodzakelijk alleen jongens)
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, Tilburg 2006 - Et waar aaltij un hééle eer om de kerskes te meuge ötblaoze, veur die klèèn manne bij ons.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, Tilburg 2007 - Laoter, hil veul laoter, toen we zelf in de klèèn manne zaate, nôot iemand van de femilie van wirskaante nie, gezien of geheurd meej: Redde gullie et wel?
manneezje
zelfstandig naamwoord

manege: installatie waarmee de dorsmachine door een paard in beweging wordt gebracht

- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Omdè onze vadder ha zon klèèn mesjientje meej zonne manneezje eraon. Daor die pèrd derop zôo, ginne schubber òf niks eraon èn dè was gemakker as meej dieje vleegel! Meej de vleegel hèb ik ok nòg gedòrse, meej den dòrsvleegel!
mannefetuure
zelfstandig naamwoord

manufacturen

- Interview heer Bertens, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Bij Fons van Lôon daor ginget nògal. Dè was in de Heuvelstraot èn de was en maggezèèn van mannefetuure...
mannelijk

het voetballen As en zondag et spul begient/ dan is zen lêed geleeje/ hij kan fèèn nòr de voetbal toe/ èn is hêel dik tevreeje. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Hij wèl... zij nie tevreeje... ) Ak vruuger nòr de voetbal ging... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Minder gevaor)

manskèèrel
zelfstandig naamwoord

mannelijk persoon

- Kees en Bart; Tilburgsche Post, ca. 1925 - dartig vrouwen en manskerels
- WBD III.1.1:2 - manskerel - man
- Gr ôot diktee van de Tilburgse taol, 2006 - ...vur de miste manskèèrels van diejen aawer
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - in manskerel ligt meer tautologie dan in vrouwmensch.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - manskèrel - manspersoon
- WNT - manskerel - uitdrukking voor manspersoon
mansmaot
zelfstandig naamwoord

herenmaat (kleding)

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - maansmaot
maog
zelfstandig naamwoord

maag

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg (1945-03-23) - Omdè innen gemiddelden meensch n mogske heej van innen decimeter dursnee, moet ik mee munnen kolossalen maog ok mar zien aon te tobbe
- Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek, aflevering 110, Nieuwsblad van het Zuiden, 03-10-1970 - "Een kat gaat nooit met een lege maag van huis!" is het beeld, dat in onze streek wordt opgevoerd als men van oordeel is, dat er eerst gegeten moet worden alvorens men verder iets onderneemt. Of de kat de haar hier toegedichte eigenschap ook inderdaad bezit?
- WBD III.2.3 - In de maog staon... - gezegd van stevig, zwaar voedsel.
- WBD III.1.2:318 - vuile maag - indigestie
maogdekespies
zelfstandig naamwoord

samenstelling uit maagd, maagdje en pis

- Hans Hessels; opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus, 2019 slappe, kleurloze drank. Voor de volledige lijst Klik hier
maoger
naam

mager

- vergrotende trap: maogerder, superlatief: maogerst
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Bad Baozel, feuilleton in 8 afleveringen in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939 - Daorbij was ze zoo maoger as 'nen musterd...
- Cees Robben; Prent van de week 1967-08-11 - maoger geremt mager geraamte
- WBD III.1.1:22 - mager - mager
- WBD - maoger, schraol of schier - mager, gezegd van een kalf
maogpènt
zelfstandig naamwoord

maagpijn

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den jongen dokter; feuilleton in 3 afleveringen in de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-04-22 -- 1939-05-08 - 't Bleef de eerste daogen druk en 't waar net, of ineens alle jonge dochters verkouwen ware geworren of maogpent kregen...
- Cees Robben; Prent van de week 1981-03-20 ...ge zult er gin maogpent van krèège...
maogsap
zelfstandig naamwoord

maagsap

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-01-26 - Ge kunt beter 'n paor knoezelbuskes minder hebbe dan dè de èspinne aon oe neus hange, of dè oe maogsap bevriest...
maoj
zelfstandig naamwoord

made, maden

- Pierre van Beek; Typische zegswijzen, aflevering 5; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-08-25 - Moe als n maai...
- Cees Robben; Prent van de week 1959-08-01 - Hij viste meej piere/ meej pluimen en maoije...
- Cees Robben; Prent van de week 1968-10-11 - hengelaar op weg naar visstek: - Hedde maoikes..? Antwoord: Jao, mar 'k gao toch...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 10 09 - Mar rap wè waoter bij de soep / En bij de zult wè kaoikes, / Die waare wel nie himmol vors / Mar ge zaagt nog gin maoikes.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Wèn kaoj maoj - Wat een slechte maden
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, Tilburg 2006 - Wij kréége pillekes tegen de maoje. ..
maoke
werkwoord

maken maoke - mòkte - gemòkt, met vocaalkrimping; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij mòkt

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - maok et naa èfkes - toe nou!
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Hij mòkt er nie veul van! - Hij brengt er niet veel van terecht!
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - ruziemokster
- Cees Robben; Prent van de week 1960-09-16 - Ik maoket zellef niemir meej...
- Cees Robben; Prent van de week 1985-05-10 - Mèn mesien maoket gelèèk, mevrouw...
- Piet van Beers; t Èlfde buukske, 2010; Karnavalslezing, 2004 - Mokt dègge 't goed mòkt./ Mòkt dègge' t goed stelt./ Mòkt dègge goed zèèt vur oe èège
- WBD - ònzèt maoke - de eerste voor ploegen (in De Hasselt)
- Willems; Dialectenquête 1887 - Mok de gloaze is vol! - vul de glazen
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - Die deur is van beukenhout gemakt.
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - Dè maoke ze meej den dôojer van een aaj
- WBD I II.4.4:318 maken - repareren
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - maoke - maken
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - maoke
maol
  1. zelfstandig naamwoord

    maal, maaltijd

    - WBD - koe die voor de eerste keer drachtig is, ook 'vèèrs' genoemd
    - WBD - kalfmaol - jonge koe, ook genoemd: 'vèèrs', 'vaors', 'vijrs' of
  2. naam

    'kalfvèèrs'

    - WBD - afgekalfde maal - een maal die voordat ze naar de markt gebracht wordt, reeds kalft
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - , deel 2, Vocabularium, 1958 - mo'.l, moo'l, maal - tweejarig kalf dat, aangestierd, nog moet kalven
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - maol - tweejarig kalf
maol haawe
werkwoord

een maaltijd aanrichten

- Pierre van Beek (onder pseudoniem Kubke Kladder); uit 't klokhuis van Brabant, aflevering 9; Nieuwe Tilburgsche Courant, 30-02-22 - 's Middags om twee uur hebben we in 't Guldhuis bij Merieke Kuijpers in "'t Engeltje" groot maol gehawen.
maole
werkwoord

malen

- WBD III.4.4:206 malen - verpulveren
- Willems; Dialectenquête 1887 - maole - maolde - gemaole
maon
zelfstandig naamwoord

maan

- WBD - halve maon - half-cirkelvormig raam, vaak toegepast in stalruimten
maondag
zelfstandig naamwoord

maandag

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - tòt en mòndag - tot maandag
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Kómde gij en mòndag? - Kom jij maandag?
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - toe un mòndag
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - mòndaggemèèrege maandagmorgen
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - velôore mòndag - eerste maandag na Driekoningen (dan werden de jaarrekeningen uitgeschreven en had men geen tijd voor ander werk)
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - beeter en mòndags pèèrd as ne mòndagse knèècht
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - den mòndag; gebruik bij kasteleins om hun klanten op maandag een gratis borrel te schenken
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Dieje maondaggemèèrge waar ik om negen uur present
- Dialectenquête, Willems 1887 - mondaag maandag
maone
werkwoord

manen

- Willems; Dialectenquête 1887 - maone - mònde gemònd, ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij mònt
maonôog
zelfstandig naamwoord

- WBD - maanblindheid; oogaandoening bij een paard (Hasseltse term), elders 'blèsôog' genoemd
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - maanoog - oog met een witte plek erop, van paarden gezegd
- WNT - maanblind - gezegd van paarden die zeker terugkeerend gebrek aan de oogen hebben dat vaak op blindheid uitloopt
maonstaopel
zelfstandig naamwoord

- WBD - manenstrang - gewelfde bovenkant van de paardenek begroeid met manen, ook genoemd 'maonstòppel' of (Hasseltse term) 'mònstaopel'
maot
  1. zelfstandig naamwoord

    1 maat, werkgezel, collega

    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Moete meej oewe maot meej? - Moet je met je collega mee?
    - Cees Robben; Prent van de week 1979-09-14 - Gij beslèècht men wel, maotje....
    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels, 2014 - Mar toen zèg ik ok teege men andere maote, we waare toen meej zeuve man die daor bè mekaare waare, ik zèg
  2. naam

    2 maateenheid

    - H. Mandos en M. Mandos van de Pol; Brabantse Spreekwoorden, 2003 - Das ginne maat, da's 'ne liter. Dat is geen maat, dat is een liter. Kaartterm. Als iemand bij het kaarten een goede maat blijkt te hebben gekregen. Woordspeling. (Een maatje = 0,1 liter.) Opgetekend Tilburg 1967, zegsman J. Sicking. - Informant Frans Raaijmakers - Alles meej maote, zi de klirmaoker, en hij sloeg zen vrouw meej d'el.
    - Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek, aflevering 103, Nieuwsblad van het Zuiden, 10-06-1970 Wordt er van een man gezegd, dat hij "danst op heur maot", dan hebben we te maken met een man, die geheel en al door zijn vrouw gedirigeerd en geregeerd wordt. Dus een pantoffelheld.
    - WBD II:1384) - maot - maat, hoedenmeter
    - Cees Robben; Prent van de week 1959-09-05 - Wè dist n schrepel maotje.. [De prent gaat over Peerke Donders, die inderdaad zeer mager was.]
maotschappij
zelfstandig naamwoord

maatschappij

- Kees en Bart; in Tilburgsche Post, circa 1925 maotschappij of 'mòtschappij'?
maotschappij
maozele
zelfstandig naamwoord

mazelen

- WBD I II.1.2:369 - mazere - mazelen
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mazelen - de blauw mazelen
mar
  1. bijwoord

    maar

    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - maar - in het noorden der Kempen mar en mer
  2. bijwoord

    voegwoord

    - Ge zaagt me wèl mar ge zit niks teege me...
    - Cees Robben - Gaoget op de mert mar vraogen! (1954-03-06)
    - Cees Robben - En zuuke mar... (1954-04-17)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Hòmmet mar zat... - Hadden we het maar in voldoende hoeveelheid...
mardel
zelfstandig naamwoord

merel

- H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch, uit Vurreej, 1932 - De mardel maag de vink verslaon...
margonie
zelfstandig naamwoord

mahonie, mahoniehout

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); uit Groot Tilburg, 1941; CuBra - t Is van fèn gepolijst margonie mee vurnaome deftige tierelantijne er aon...
Marienus
zelfstandig naamwoord

Marinus, Jantje ook als eponiem: jantjemarienes

- WTT - jantjemarienes zèèn strontzat zijn
- Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek, aflevering 64, Nieuwsblad van het Zuiden, 26-09-1968 - Specifiek Tilburgs is de uitdrukking: "Hij is hardstikke Jantje Marinus", die nog velen als zeer bekend in de oren zal klinken. Het betekent - de oningewijde raadt het nooit! - hij is... dood. Jantje Marinus was exploitant van een zeer bekend café, dat graag door middenstanders werd bezocht. Het stond achter de Heikese kerk aan het smalle steegje naast de eveneens verdwenen winkel van Bronsgeest, welk karakteristiek straatje uitmondde in de niet meer bestaande Prins Hendrikstraat bij het Willemsplein. Waarom "dood" nu uitgerekend aan de naam van Jantje Marinus is verbonden, mag - wie het weet - ons komen vertellen.
- Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek, aflevering 104, Nieuwsblad van het Zuiden, 02-07-1970 - Een oude Tilburger, die van vroeger zat te verhalen, toverde onbewust een sprekend beeld te voorschijn toen hij vertelde, dat Jantje Marinus voor zes cent een borrel schonk "waar ge mee twee ogen in kondt kijken". Niet te vragen hoe groot die borrel wel was. En ook niet hoe lang geleden. Dat kan alleen maar vóór de eerste wereldoorlog geweest zijn. "Jantje Marinus" was in die dagen en ook nog wel later een nu afgebroken middenstandscafé op de hoek van het straatje van Bronsgeest naar het Piusplein, achter de Heikese kerk
- Stadsnieuws - Ik sloeg die wèps hartstikke jantjemarienes - Ik sloeg die wesp hartstikke dood (2007-12-16).
Markoen
  1. naam

    Markoen, Sint

    - Hein Mandos; Brabantse Spreekwoorden 2003 - Sinte Marcoen veul eten en weinig doen. Met Sint Marcoen veel eten en weinig doen. (Met Sint Marcoen ging men ter bedevaart naar Dorst bij Breda waar de heilige vereerd werd. Hij werd aangeroepen om genezing te verkrijgen van eczeem en andere ziekten o.a. het koningszeer = kropzweren, een soort geelzucht die de koningen van Frankrijk en Engeland genezen konden. Opgetekend: Tilburg-Dorst 1990.
    - WNT - markoen uitdrukking: ...(van) het sinte Markoen hebben - het koningszeer hebben (in geheel Vlaamsch België gewoon).
    - G.H. Dexters; Brabantsche folklore, jaargang 1932 - Sint-Markoen en 't Sint-Markoenzeer - Te Weert en de Neerglabbeek mogen de Sint-Markoenlijders geen varkenskop eten. Men hoort er vaak zeggen: Die of die mag van den kop niet eten!
    Markoen
  2. Illustratie Naumann - gallinula chloropus

markoot
zelfstandig naamwoord

klein, zwart eendje met rode bek

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, Tilburgs dialect, handschrift 1916 - marcoot - klein zwart eendje met rooden bek
- WBD III.4.1:233 - markoot - waterhoen (gallinula chloropus); ook genoemd: 'waterkipke', 'schieteendje', 'witgatje', 'witkontje
markoot
marris
samentrekking

maar eens

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-18 - Asme dè vast marris wiesse!
marsepèèn
zelfstandig naamwoord

marsepein

- Piet Heerkens; De Kinkenduut Mijn irste broek, 1941 - Speklaosie, marsjepijn, te veul om op te eten...
- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Ge moogt oewe schoen zètte, èn de vòllegede mèèrege waare de peeje ènt aaw brôod wèg, èn laager en spikmènneke in, òf en marsepèène vèèrekespotje, òf ene kinkenduut van gevulde seklaa.
marsjepèèn
zelfstandig naamwoord

marsepein

- Piet Heerkens; De Kinkenduut Mijn irste broek, 1941 - Speklaosie, marsjepijn, te veul om op te eten...
- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Ge moogt oewe schoen zètte, èn de vòllegede mèèrege waare de peeje ènt aaw brôod wèg, èn laager en spikmènneke in, òf en marsepèène vèèrekespotje, òf ene kinkenduut van gevulde seklaa.
marsjesee
zelfstandig naamwoord

marechaussee

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - masjesee
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - marsjesee (frequent)
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - marechaussee
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - masseseej
martelaarès
zelfstandig naamwoord

martelares

- Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek, aflevering 180, Nieuwsblad van het Zuiden, 02-10-1970 Het Rijke Roomse Leven heeft ook zijn sporen nagelaten in de taal van de spraakmakende gemeente. "Beter een martelares dan zondares" herinnert aan de 'troost' voor de nabestaanden als een moeder in het kraambed stierf.
maseur
zelfstandig naamwoord

schoonzus, uit Frans ma soeur, mijn zuster

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - maseur schoonzuster
masjenèès
zelfstandig naamwoord

mayonaise

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Daor han ze vruuger extra grôote friekendèlle èn agge in 't wiekent kwaamt krêegder gratis dubbel masjenèès op...
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dus zörg ik vur goeie spòrtvoeding, friet meej extra veul masjenèès...
masjesee
zelfstandig naamwoord

marechaussee

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - masjesee
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - marsjesee (frequent)
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - marechaussee
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - masseseej
masjienaol
bijwoord

machinaal

masseseej
zelfstandig naamwoord

marechaussee

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - masjesee
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - marsjesee (frequent)
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - marechaussee
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - masseseej
mastappel
zelfstandig naamwoord

dennenappel, dennenappels

- WBD III.4.3:101 - mastappel - dennenappel; ook genoemd mastappeltje, appel, mastendol, mastendolleke - meervoud. maastappel
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - maastappel - denneappel
mastendòl
  1. zelfstandig naamwoord

    dennenappel

    - WBD - III.4.3:102 - mastendòl, mastendòlleke - mastappel of mastappeltje
  2. Mastepieperke - Regulus regulus - goudhaantje

mastepieperke
zelfstandig naamwoord

goudhaantje

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - goudhaantje (regulus regulus); ook 'maasttieterke'
- WBD III.4.1:71 - mastpieperke - goudhaantje, ook 'masttieterke'
mastepieperke
mats
zelfstandig naamwoord

stamp, stamppot

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, Tilburgs dialect, handschrift 1916 - savoije mats, oranje mats, en verder alle gematste stamp - groenten met aardappelen
- WBD III.2.3:119 vermeldt geen 'mats'
- Ed Schilders; WTT 2012 - Mogelijk afgeleid van het werkwoord 'matsen'; zie - WNT - lemma 'matsen'. En dan in de betekenis van 'metselen'. Vergelijk: het fijnmaken van het gerecht: prakken.
matser
zelfstandig naamwoord

glazige aardappel

- Ed Schilders; - WTT 2012 - zie 'mats'; mogelijk dus een aardappel die door ouderdom vooral geschikt is om te 'matsen', te prakken, stamppot van te maken.
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - matskoppen van aaw errepuls mee lawaaisaus
matskòp
zelfstandig naamwoord

glazige aardappel

- Ed Schilders; - WTT 2012 - zie 'mats'; mogelijk dus een aardappel die door ouderdom vooral geschikt is om te 'matsen', te prakken, stamppot van te maken.
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - matskoppen van aaw errepuls mee lawaaisaus
matteklòpper
zelfstandig naamwoord

mattenklopper; hier: de stang waaraan de te kloppen mat werd opgehangen

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, Tilburg 2006 - Oôk rekstokken, aon de mattenklopper. Wij noemden dè dwarsèèzer tussen twee paole zôo, omdè ons moeder der aaltij de matten overgooide, om ze öt te kloppen...
matteriejaol
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - matteriejaol - materiaal, gereedschap
matterrie
zelfstandig naamwoord

etter

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - Zo zuiver as 'n oog vol materrie. Zo zuiver als een oog vol etter; geciteerd in Mandos, Brabantse Spreekwoorden 2003 - Spreekwoordelijke vergelijking. Niet zuiver.
- WNT - IX:310 materie - 4b) In 't bijzonder, als euphemismus voor ziektestof , etter enzovoorts
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - materie, matere - etter (diverse dialecten)
me
naam

we, wij ontstaan door samensmelting van -n + w-; gòn we; gòmme, zo ook zumme, hèmme, kosseme

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Gòmme, òf zumme nòg blèève? Dè doeme nie...
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 - me (zonder nadruk); achter de stam van het werkwoord geplaatst: hemme, gomme, zumme, hamme
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - me (toonloos); wordt altijd gebruikt voor: wij, we
mèdje
  1. zelfstandig naamwoord

    meisje verkleinde vorm van 'mèèd', met vocaalkrimping

    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - en schôon mèdje - een knap meisje
    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1944-12-08 - Mar apprepo, Karel, witte gij nie 'n goei medje vur me te zitte?
    - Cees Robben; Prent van de week 1966-04-01 - ...krek passeerde daor n medje...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - en köös mèdje - een mooi meisje
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer; Tilburg 1996. mèdje
    - WBD III.2.2:47 - meidje - jonge vrouw; ook 'jonge meid '
    - WBD III.2.2:84 - meidje - meisje met wie een jongen verkering heeft
  2. naam

    meid, meisje, dienstmeid, dienstbode

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 5 , 1929-11-14 en 07 - Keeke, 'n dochter van Nol van Willeke de Goey, die bij Sjef Koolen vur meid wont, kwaam net toen ik de liste kan vatte, buite geschoten.
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 9, 1930-02-22 - Ik hè zoowè hil den aovond mee Keekes van Nol van Willeke de Goey gedaanst, ge wit wel die bij Sjef Koolen vur meid wont...
    - Cees Robben; Prent van de week 1981-10-02 - Ik was vruuger gewoon mar mèèd... Mar ik hielup in t huishaauwe net zôô veul as twee hullepe na vort hellepe...
    - Cees Robben; Prent van de week 1967-06-16 - n stult van n mèèd...
    - Cees Robben; Prent van de week 1986-11-07 - n schôôn mèèd...
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - De mèèd zi dèttie gelèèk ha... - De dienstbode zei dat hij gelijk had...
    - WBD III.2.2:47 - jonge meid - jonge vrouw (72 meid dochter)
  3. Sticker van een Tilburgse carnavalsvereniging. Maart 2-19. Foto CuBra.

medòllie
  1. zelfstandig naamwoord

    medaille (uit Frans met vocaalreductie en ronding)

    - Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - medollie (frequent), medaollieke
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Nieuwe Tilburgsche Courant; n Staandbild in Baozel, feuilleton in 4 afleveringen (1939-05-20 - 1939-06-17) - Die krijgt nog 'n bende medollies op z'n vistje hangen...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 10 24 - 'n Gouw medollie
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 10 16 - Hup Lia, doe oew bist / Al brengde gin medollie mee / Dur jou hee Tilburg fist. [Bedoeld is Lia Hinten, die meedeed aan de vijfkamp. Ze werd veertiende.]
    - Interview met de heer De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Daor kunde nòg zien, daor stao en medòllie... Dèk daor êen, êen medòllie van gehad hèb, van de spoorwègstaoking
  2. samentrekking

    - Karel de Beer; Bijnamenboek, Tilburg 2000, blz. 96 - Toon medòllie - had veel medailles
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - madalie - medaille, medalie
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - medollie - medaille
mèèd
  1. naam

    meid, meisje, dienstmeid, dienstbode

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 5 , 1929-11-14 en 07 - Keeke, 'n dochter van Nol van Willeke de Goey, die bij Sjef Koolen vur meid wont, kwaam net toen ik de liste kan vatte, buite geschoten.
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 9, 1930-02-22 - Ik hè zoowè hil den aovond mee Keekes van Nol van Willeke de Goey gedaanst, ge wit wel die bij Sjef Koolen vur meid wont...
    - Cees Robben; Prent van de week 1981-10-02 - Ik was vruuger gewoon mar mèèd... Mar ik hielup in t huishaauwe net zôô veul as twee hullepe na vort hellepe...
    - Cees Robben; Prent van de week 1967-06-16 - n stult van n mèèd...
    - Cees Robben; Prent van de week 1986-11-07 - n schôôn mèèd...
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - De mèèd zi dèttie gelèèk ha... - De dienstbode zei dat hij gelijk had...
    - WBD III.2.2:47 - jonge meid - jonge vrouw (72 meid dochter)
  2. Sticker van een Tilburgse carnavalsvereniging. Maart 2-19. Foto CuBra.

mèède
  1. naam

    meid, meisje, dienstmeid, dienstbode

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 5 , 1929-11-14 en 07 - Keeke, 'n dochter van Nol van Willeke de Goey, die bij Sjef Koolen vur meid wont, kwaam net toen ik de liste kan vatte, buite geschoten.
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 9, 1930-02-22 - Ik hè zoowè hil den aovond mee Keekes van Nol van Willeke de Goey gedaanst, ge wit wel die bij Sjef Koolen vur meid wont...
    - Cees Robben; Prent van de week 1981-10-02 - Ik was vruuger gewoon mar mèèd... Mar ik hielup in t huishaauwe net zôô veul as twee hullepe na vort hellepe...
    - Cees Robben; Prent van de week 1967-06-16 - n stult van n mèèd...
    - Cees Robben; Prent van de week 1986-11-07 - n schôôn mèèd...
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - De mèèd zi dèttie gelèèk ha... - De dienstbode zei dat hij gelijk had...
    - WBD III.2.2:47 - jonge meid - jonge vrouw (72 meid dochter)
  2. Sticker van een Tilburgse carnavalsvereniging. Maart 2-19. Foto CuBra.

mèèdemert
zelfstandig naamwoord

meidenmarkt

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 10 29 Honderd jaore Heuvelstraot / Dès reeje om te fiste / Messchien nie vur ons allemaol / Mar toch wel vur de miste. / Vanaaf de Gruijter naor Sjamin / Soms vèfentwintig keere / Liepte dan mee oew kammeraoi / Hèrs en geens te fleneere. / We din daor ommers vruugertèd / Soms uurelang de ronde / Toe dèmme daor naor onze smaok / 'n Mèdje ha'n gevonde. / Gin wonder dé de Heuvelstraot / Ok daordeur hèèl beroemd wier / En dur de jonges - mee 'n laach - / "de Mèdemèrt" genoemd wier.
mèèdemert
meej
  1. voorzetsel

    met, mee

    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Ik speul nie meej meej hullie. - Ik speel niet mee met hen.
    - Cees Robben; Prent van de week 20-07-1979 - En as 'n vrouw uitschaait mee kraome, haauwt ze mee d'r kender saome...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 03 19 - Ons Tiesje moes mee mee 't spoor.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 05 31 - Omdè'k nòòt iets mee kilo's kòòp / Mar aaltij mee 't pond.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 07 17 - Mar ik blèf lekker thuis mee's Sjaan.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Töskoome meej niks... - Zonder iets thuiskomen...
    - Henriëtte Vunderink; Grôot dikteej van de Tilbörgse taol; k Zal van oe blèève haawe, 2007 - Schrèèfde Tilbörg meej o èn puntjes/ of alleen mar meej en u?/ èn moet meej naa meej en j/ of moet et zonder?/ soodejuu!
    - Michels; Stoffen uit de 16e en 17e eeuw - mee als voorzetsel (...) In Brabant is dit het gebruikelijke woord, ofschoon niet overal in dezelfde klankvorm.
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - Dè maoke ze meej den dôojer van en aaj.
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], Baarn, 1978 - 1. voorzetsel met - mee iemand mee, mee 'ne riek; 2. bijwoord meteen, in korte tijd - ze waren er mee, zoo 's mee
  2. bijwoord

    oudere uitspraak - mi

    - Willems; - Dialectenquête 1876 - 'n nij rêtuig mid 'n aauw pêrd er veur; brooikes mi kes; mi hert en ziel
    - Willems; - Dialectenquête 1876 - Hij liep midn gewêr... - Hij liep met een geweer.
    - Willems; - Dialectenquête 1876 - Mit den bêssem kère
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - in sommige samenstellingen: in t voordeel; meehebben, meekrijgen, meevallen, meewillen; iemand in iet mee zijn - gelijk geven
  3. meteen

    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dus ik viet meej de tillefoon èn ik bèl Jaones op.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - 2. op hetzelfde ogenblik.
meejdè

voegwoord meteen, nadat

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Meejdèk em zaag, wies ik et. - Op het moment dat ik hem zag, wist ik het. Ook met weglating van dè: Meej kem zaag, wies ik et.
- De Jager; Taalkundige handleiding - met dat - zoodra; te gelijk als in Genesis.XXXII.2: Ende Jacob seijde, met dat hijse sach...
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - metdat - aangezien, mitsdien, omdat (vergelijk uit het Frans vu que, puisque, parce que)
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - meedat - (uitspraak mettat) me(t)dat
- WNT - IX:619 In voegwoordelijke uitdrukkingen met 'dat', wordt het voegwoord 'dat' soms weggelaten - Met ze was beschonken...
meejèndan
bijwoord

nu en dan, soms

- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 en volgende 'perbeersels' - nu en dan
- Stadsnieuws - Ik drink èègelek nôot, mar zo meejèndan meude wèles van oe gelêûf valle. (2007-01-21)
meekaanies
bijwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - mechanisch
meekanniek
zelfstandig naamwoord

letterlijk: mechaniek figuurlijk:

- Stadsnieuws - Kusse meude gerust, mar van et meekanniek moete afblèève. (2015-11-06)
mèèl
zelfstandig naamwoord

meel

- WBD - mèèlzolder - zolder boven de oven; opslagruimte voor het meel
- WBD - moutmèèl moutmeel; het mout na het 'schroden' in de brouwerij
- WBD III.4.4:205 meel - poeder-
- WBD III.2.3:237 meel - idem
- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer; Tilburg 1996. mèèl, naast meel
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mèèl - meel
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mèèl - slijpsteen, meel
mèèleg
naam

melig, droog door overrijpheid

- WBD I II.3.3:158 meelachtig, melig (ook 'meilecht')
mèèlemòp
zelfstandig naamwoord

marie-koekje, droog koekje; zie ook möpke

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Ik hegget gelèk: plek-brooikes, smèrlappen en mèle moppen. (1963-06-15)
- Cees Robben; Prent van de week 1963-06-28 - mèèlemoppe
- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, ca. 1990 - Hil mun taande zeek kwèêd! k sop zelfs munne mêèlemop!
- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 en volgende 'perbeersels' - Kómde óp de mèèlemòppe? (tegen onaangekondigde bezoeker)
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, Tilburg 2007 - Allêen bij den irste bak krêegde un kuukske, mistal ene mèèle mop...
- Cees - Ze waar zô terug meej un ronde trommel meej mèèle moppen.
- Piet van Beers; 't Èlfde buukske, 2010, uit Euwig sund - Toch, koome der ieder jaor al minder/ kènder op oewe stoep./ Om te zinge vur ene mèèle mop/ èn 'n hèndje vol meej snoep.
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... - maart 2013
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mèèlmoppe
meelije
zelfstandig naamwoord

medelijden

- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - meelije
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - meejelèèje
- WBD - 000.1.4:282 medelijden - idem
meelije
meelôope
werkwoord

meelopen

- Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek, aflevering 84, Nieuwsblad van het Zuiden, 14-08-1969 Hebben onze mensen weinig vertrouwen in een of andere onderneming zonder deze daarbij bij voorbaat als onmogelijk te willen kwalificeren, dan kunnen zij uiting aan hun scepticisme geven met: "Ja, als het lukt dan kalft nog wel een os!" Je weet immers nooit hoe een koe een haas vangt. De optimistische ondernemer zou hem daarop in zijn eigen taaltje van repliek kunnen dienen met "Proberen is 't naaste (eerste voor de hand liggend), nie geschoten is altij mis". Onze scepticus behoeft dan nog niet met de mondvol tanden te staan. Volhardend in zijn twijfel aan succes kan hij nog altijd uit de voeten met de ironische sfeer. "Jao zeker, as alles meelôôpt hebben we optocht!"
mèèlpèèr
  1. zelfstandig naamwoord

    meelpeer, droge, meelachtige peer

    - Cees Robben; Prent van de week 1985-09-27 - Ik heb mèèlpèère, suikerpèère, juutepèère en klapse... en dan hek nog Gôôlse vringpèère, mar die zen enkelt goed vur de stoof...
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... - maart 2013
    - Hans Hessels; opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus, 2019 - letterlijk melige peer, figuurlijk halve zachte
  2. Larven van de meeltor - Wikipedia

mèèlwörm
zelfstandig naamwoord

meelworm (Tenebrio molitor). De meelworm is de larve van de meeltor (Tenebrio molitor), een 14-16 mm lange tor met pikzwarte bovenkant en roodbruine onderzijde, die in bakkerij, molens, pakhuizen e.d. wordt gevonden. Meer bekend dan de tor is zijn larve, de meelworm, die rolrond is met glanzende huid en voorkomt in meel, afval en mest. De meelworm vormt geliefd voedsel voor vogels, hagedissen en vissen en wordt daartoe wel gekweekt. Tenebrio molitor - Wikipedia

- Nicolaas Daamen (Tilburgs dialect, handschrift 1916) - Baos melwurm, asg'em op z'ne kop trapt, is ie dood. Geciteerd in: Mandos - Brabantse Spreekwoorden 2003 - Zo'n baas heeft niet veel gezag. De meelworm is een in oud meel voorkomende larve van de meeltor.
- WBD III 4.2:192 meelworm - larve van de meeltor; frequent in Tilburg.
mèèlwörmmèèlwörm
mèèlzak
zelfstandig naamwoord

meelzak

- Van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; uit Tilburgs folklore, 1958-07-18 - Maar hij heeft onder de meelzak gelopen. - 't Is voor hem niet zonder gevolgen gebleven.
- Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek, aflevering 154, Nieuwsblad van het Zuiden, 15-04-1972 Wie "onder de meelzak heeft gelopen", heeft de gevolgen van een bepaalde daad ondervonden. In letterlijke betekenis demonstreren die gevolgen zich doordat de kleren met meel besmet raken.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Stikte in ene mèèlzak, dan komde gepoejerd in den heemel!
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Den dieje heej veul onder de mèèlzak gelôope!
mèèlzak
mèèlzolder
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 mèèlzulder
- WBD - opslagruimte voor het meel
- WBD - zolder boven de oven
mèèn
  1. naam

    mijn, m'n zelfstandig naamwoord het mijne, mijn eigendom

    - Cees Robben; Prent van de week 1970-10-23 - Wek naa vort t mèèn noem...
  2. naam

    mijn, die van mij, de / het mijne

    - Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - Mèn boek; dès van mèn.
    - Cees Robben; Prent van de week 1954-04-17 - van mèn kiep...
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - mene tön, menen ooverbuurman, menen ond, menen buurman
  3. zelstandig naamwoord de mijne

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 05 17 - "De mèn [mijn vrouw] hè'k bij St. Job gevonde / Aon de scharrekraom - zee Tiest.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - de mèn, de mènne; mijn vrouw, mijn man
    - WBD III.2.2:88 - de mijne; echtgenoot
mèène
werkwoord

menen, bedoelen

- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - Dè mainen ze nie; dè was meinens
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - Meenschen die meinen dè...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - K-mèèn! Un mèndje is nòg gin körref! - Alles wat je meent, hoeft nog niet waar te zijn.
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - meinen menen
- Willems; Dialectenquête 1887 - mèène - mènde gemènd; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij mènt
- Dialectenquête, Willems 1887 - mêne (ê als in frans même)
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - meinen - meenen
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [=Udenhouts] - menen (mèène) - 1. van mening zijn: ik mèèn toch ammal - toch heb ik nog altijd de mening; 2. ernstig bedoelen, geen grapjes maken: dè mènde nie - dat bedoel je niet serieus; ik zeg 't zo ès ik 't mèèn; 3. van plan zijn, op het punt staan: ik mènde nor törp te gaon.
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - meinen voor meenen. Zeer veel werd oudtijds ei gebruikt in werkwoorden die thans de verdubbelde e hebben.
- WBD III.1.4:56 - menen - vermoeden
- WBD III.1.4:48 menen - bevinden
mèènes
naam

serieus bedoeld, menens

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - 't is mèènes - serieus bedoeld
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - meinens - menens, mening, bedoeling - Dä's de mänes!
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . meinens - verbogen vorm van 'meinen'; t is meinens - t is gemeend
- WBD III.1.4:73 menens - ernstig
meens
  1. zelfstandig naamwoord

    mens 1. mens, de mensen

    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer; Tilburg 1996.- meens (i-umlaut met rekking); meensen èn pòtlôojer
    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1944-12-08 - Lómme irst is uitpraote. Het heele vraogstuk is nie half zoo gecompliceerd as de meensche wel denke. 't Is gewoonweg: de meensche zien ut nie, of ze willen ut nie zien!
    - Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 meenschdom
    - Cees Robben; Prent van de week 1960-07-01 - Jan Dokus waar unne goeie meens - Cees Robben; Prent van de week 1964-11-27 - Mar het mar ginne bangen... Ik ben ginne onte meens... - Cees Robben; Prent van de week 1969-03-28 - Ge het abuus, meens... - Cees Robben; Prent van de week 1955-06-18 - Unne Haaikaantse meens liep wè hers en wè geens
    - Cees Robben; Prent van de week 1957-07-06 - Meensen van jaore geleje... - Cees Robben; Prent van de week 1964-12-18 - Vur fèèn meensen en motrèègen moette oppaase Tirris.. - Cees Robben; Prent van de week 1977-01-28 - Hoe beter ik de meense leer kenne... Hoe meer ik van munne hond gao haauwe.. - Cees Robben; Prent van de week 1981-12-24 - Meej Kerstmis zen de meensen goed...
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 7, 1929-11-30 - As we bij ons naa ok eenmaol trottoirs hebben dan hoop ik nog één ding en dè is, dè ze 'n bietje fesoenlijker zullen zèn as die in Tilburg; (...) die Tilburgsche trottoirs dè lekt wel snert. Ge kunt ze 't bist vergelijken mee fijn meenschen en motrègen. 'n Aorige vergelijking hè? En toch goed want ze nemen oe er allebaai tusschen en ge zijt nat vur dè ge er erreg in hed!
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 2, 1929-10-16 - Bartje beheurt tot de kalme meenskes, zooas er veul op 'n dorp lèven die Zondags vlak nô de liste Mis 'nen stevigen borrel vatten...
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Meensen èn pòtlôojer, schrèève doen ze allebaaj!
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Zenèège gin meens gelèèk vuule... - Zich heel beroerd voelen.
    - Elie van Schilt; uit Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, circa 2000) - Un glas bier, was te duur vur erm meessen en die wonden er toen veul in Tilburg.
    - Elie van Schilt; uit Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, circa 2000) - Tilburgse meessen die al meer as veftig jaor in Canada of Australië wonen laoten daor de meesen die kaorten zien en zeggen dan nog fréét: "Kek des onze waotertoren"...
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, Tilburg 2007 - Aander meense kender opvoeden en zegge hoe dè moes, daor waar ze goed in
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ge hèt meense èn ge hèt pòtlôojer Het laatste gezegd tegen een sukkelaar/nietsnut
    - Hein Mandos; Brabantse Spreekwoorden 2003 - Ik zit liever onder de bomen dan onder de mensen (opgetekend in Tilburg 1976)
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - As vruuger ne meens dôod was, dan stond dieje meens, die stond in hèùs in en kiest. Èn dan stond ie vur et raom èn dan kosse de meense van bèùten et raom, koste, koste gij nòr den dôoje stòn te kèèke!
  2. 2. echtgenoot, man

    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - mènne meens - mijn man, mijn echtgenoot (met nadruk)
    - Cees Robben; Prent van de week 1976-01-16 - (vrouw spreekt:) mene meens is tòch zoo bevattelijk...
    - Cees Robben; Prent van de week ongedateerd - Mar 't biste huwelijk des aaltij nog dè tussen 'n blende vrouw en unne dôove meens... [In: Tilburgs Prentebuukske, deel VII, 2002]
    - Cees Robben; Prent van de week 1982-09-24 - Munne meens praot s naachts in zunne slaop...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - heure meens laote zien - haar vrijer voorstellen
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mins- l) mens; 2) manspersoon, man
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mens - man, echtgenoot; gee(n) mens(ch) - niemand
    - K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 - mensch - Een man en wel een getrouwd man. Een getrouwde vrouw van haren man sprekende zal doorgaansch met den meierijschen tongval zeggen, mene mensch of mansmensch.
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - type 'mens' - echtgenoot (kaart 32 en blz.168)
    - WBD III.1.4:65 - goede mens - goedzak
  3. 3. echtgenote, vrouw

    - WTT - hèt meens het mens (altijd een vrouw)
    - WTT - dè meens - dat mens, die vrouw
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen; Brussel 1936 (het) mensch - mins ; verkleinde vorm: minske
    - WBD III.3.1:27 - oud mens - oude vrouw
    - WBD III.1.2:5 mens - vrouw; vrouwmens - vrouw
    - WBD III.2.2:88 - mens - echtgenote
meense
  1. zelfstandig naamwoord

    mens 1. mens, de mensen

    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer; Tilburg 1996.- meens (i-umlaut met rekking); meensen èn pòtlôojer
    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1944-12-08 - Lómme irst is uitpraote. Het heele vraogstuk is nie half zoo gecompliceerd as de meensche wel denke. 't Is gewoonweg: de meensche zien ut nie, of ze willen ut nie zien!
    - Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 meenschdom
    - Cees Robben; Prent van de week 1960-07-01 - Jan Dokus waar unne goeie meens - Cees Robben; Prent van de week 1964-11-27 - Mar het mar ginne bangen... Ik ben ginne onte meens... - Cees Robben; Prent van de week 1969-03-28 - Ge het abuus, meens... - Cees Robben; Prent van de week 1955-06-18 - Unne Haaikaantse meens liep wè hers en wè geens
    - Cees Robben; Prent van de week 1957-07-06 - Meensen van jaore geleje... - Cees Robben; Prent van de week 1964-12-18 - Vur fèèn meensen en motrèègen moette oppaase Tirris.. - Cees Robben; Prent van de week 1977-01-28 - Hoe beter ik de meense leer kenne... Hoe meer ik van munne hond gao haauwe.. - Cees Robben; Prent van de week 1981-12-24 - Meej Kerstmis zen de meensen goed...
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 7, 1929-11-30 - As we bij ons naa ok eenmaol trottoirs hebben dan hoop ik nog één ding en dè is, dè ze 'n bietje fesoenlijker zullen zèn as die in Tilburg; (...) die Tilburgsche trottoirs dè lekt wel snert. Ge kunt ze 't bist vergelijken mee fijn meenschen en motrègen. 'n Aorige vergelijking hè? En toch goed want ze nemen oe er allebaai tusschen en ge zijt nat vur dè ge er erreg in hed!
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 2, 1929-10-16 - Bartje beheurt tot de kalme meenskes, zooas er veul op 'n dorp lèven die Zondags vlak nô de liste Mis 'nen stevigen borrel vatten...
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Meensen èn pòtlôojer, schrèève doen ze allebaaj!
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Zenèège gin meens gelèèk vuule... - Zich heel beroerd voelen.
    - Elie van Schilt; uit Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, circa 2000) - Un glas bier, was te duur vur erm meessen en die wonden er toen veul in Tilburg.
    - Elie van Schilt; uit Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, circa 2000) - Tilburgse meessen die al meer as veftig jaor in Canada of Australië wonen laoten daor de meesen die kaorten zien en zeggen dan nog fréét: "Kek des onze waotertoren"...
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, Tilburg 2007 - Aander meense kender opvoeden en zegge hoe dè moes, daor waar ze goed in
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ge hèt meense èn ge hèt pòtlôojer Het laatste gezegd tegen een sukkelaar/nietsnut
    - Hein Mandos; Brabantse Spreekwoorden 2003 - Ik zit liever onder de bomen dan onder de mensen (opgetekend in Tilburg 1976)
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - As vruuger ne meens dôod was, dan stond dieje meens, die stond in hèùs in en kiest. Èn dan stond ie vur et raom èn dan kosse de meense van bèùten et raom, koste, koste gij nòr den dôoje stòn te kèèke!
  2. 2. echtgenoot, man

    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - mènne meens - mijn man, mijn echtgenoot (met nadruk)
    - Cees Robben; Prent van de week 1976-01-16 - (vrouw spreekt:) mene meens is tòch zoo bevattelijk...
    - Cees Robben; Prent van de week ongedateerd - Mar 't biste huwelijk des aaltij nog dè tussen 'n blende vrouw en unne dôove meens... [In: Tilburgs Prentebuukske, deel VII, 2002]
    - Cees Robben; Prent van de week 1982-09-24 - Munne meens praot s naachts in zunne slaop...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - heure meens laote zien - haar vrijer voorstellen
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mins- l) mens; 2) manspersoon, man
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mens - man, echtgenoot; gee(n) mens(ch) - niemand
    - K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 - mensch - Een man en wel een getrouwd man. Een getrouwde vrouw van haren man sprekende zal doorgaansch met den meierijschen tongval zeggen, mene mensch of mansmensch.
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - type 'mens' - echtgenoot (kaart 32 en blz.168)
    - WBD III.1.4:65 - goede mens - goedzak
  3. 3. echtgenote, vrouw

    - WTT - hèt meens het mens (altijd een vrouw)
    - WTT - dè meens - dat mens, die vrouw
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen; Brussel 1936 (het) mensch - mins ; verkleinde vorm: minske
    - WBD III.3.1:27 - oud mens - oude vrouw
    - WBD III.1.2:5 mens - vrouw; vrouwmens - vrouw
    - WBD III.2.2:88 - mens - echtgenote
meensepraot
zelfstandig naamwoord

mensenpraat

- A.J.A.C. van Delft - Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen, aflevering 108, 1929-04-06 - O, ze zeggen zooveul, mèr op meensepraotjes kunde gin staot maoken.
meenseschaaw
  1. naam

    mensenschuw

    - Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - En hier rèècht teegenoover êenen, hè... Daor dè hèùs daor. Dòr wonde, die was meenseschouw. Witte gij dè nòg? Jaon Mommers! Die kwaam nôojt bèùte dieje meens. Nôojt, die zaagde nôojt, nôojt van zen leeve kwaam die bèùte! Nôojt, die was meenseschouw, zin ze! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
  2. Prentbriefkaart ter gelegenheid van de kermistentoonstelling 'Jaozeetie', Tilburg 2018. Afbeelding uit het 'Nuuw Tilburgs Leesplèngske' dat in 2020 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven in samenwerking met Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant en Erfgoed Tilburg. De Illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn.

meepesaant
  1. bijwoord

    uit het Frans: en passant - in het voorbijgaan veel nuanceverschillen in de betekenis: terloops, tegelijkertijd, in het voorbijgaan, zodra, onmiddellijk, op hetzelfde moment, ondertussen

    - Informant Frans Raaijmakers - direct, onmiddellijk, zodra, ondertussen
    - Informant Frans Raaijmakers - Ik riep en ie kwaam meepesaant - onmiddellijk
    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Dan gaode meepesaant nòr de mèrt. - Dan ga je terloops naar de markt.
    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Mar meepesaant! - Maar ondertussen!
    - J.J. Salverda de Grave, De Franse woorden in het Nederlands; 1967 - blz. 91, 179 - en passant
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], Baarn, 1978 - en passant, intussen; meepesaant - in één moeite door: ja ja, mèr meepesaant (of: mee imperesaant) - ja, maar intussen... (uiting van achterdocht).
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
    meepesaantmeepesaant
  2. andere varianten, uitspraken en spellingen: in passant

    - Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - in passant (frequent)
    - WNT - XII:668 - en passant - vernederlandst tot in passant
  3. impassaant

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - impassaant - ondertusschen
  4. in pesaant

    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941 (CuBra) - 'k Gonk in pesaant mar nor huis
  5. impesaant

    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - impesant, in passant, en passant
  6. impersant

    - Tony Ansems; Olliede gullie de jullieje ok?; Tilburgse Liekes American Style, cd 2008 - Van heel die hitte/ Lopte kaans, impersaant/ Det oewe motor vast komt zitten...
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - impersant - ondertussen
  7. mee in pesaant

    - Naarus; Brieven van een oud Tilburger, circa 1940 (CuBra) - ...en mee in pesaant wier dieën zieken vinger dan is flink aon dè nuske afgevreve.
    - I nformant Th. Witters; Helmond - mee-impesaant
  8. meejpesaant

    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Kunde meejpesaant meej 'n pilske vatte. Dè zô ik doen, in ieders geval.
  9. meepassant

    - Cees Robben; Prent van de week 1956-02-24 - ...en vat meepassaant n tas koffie Fons!
  10. meepesaamt

    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945-04-20 - En meepesaamt zoveul goei beloftes van de candidaten! Kom mar aaf!
  11. meepesaant

    - Cees Robben - (werkster tegen ongeduldige vrouw...) Ik kan na immel nie luien en meepesaant den tooren nog vasthaauwe ôôk... (1982-10-15)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); knipsel uit de Tilburgse Koerier, circa 1970 - Die (de tandarts) vatte 'n hèèl gròòte tang/ 'k Ging meepesaant aont kwèken.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); uit: De tour?..Besjoer..., ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960-1980 - Mar wij, we stòn hier meepesaant/ vur hil de wèèreld gewôon vur schaand.
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - De Piushaove dèttis, dè hèbbe ze toen nòdderaand ok meejpesaant tegelèèk oope gemòkt daor, hè! Dè kenaol, dè is durgetrokke van, jè, van, van, van Den Bosch aaf Klik hier om dit bestand te beluisteren - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Doe meepesaant es en kaffetuuleke om dè buukske... - een kaftje om dat boekje
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Meepesaant ie zaat, zaat ie al rond te schööme... - Hij zat nog niet of hij schooide al...
    - Nel Timmermans; APK; CuBra, 200? - Den èùtslag krèègde meepesaant, van die assistènte...
    - Stadsnieuws - As ge tòch nòr de kèlder gaot, brèngt dan meepesaant en paor flèskes bier meej. (2003-07)
  12. meepersaant

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, Tilburg 2006 - Han ze ginne heilige veur enne naom, dan verzonnen ze der ter plekke, éne bij. Dè waar dan meepersaant oewe patrôonhèlige...
  13. mepessaant

    - Cees Robben; Prent van de week 1981-04-17 - Ge het mepessaant toch n weltje oe verzet gehad...
  14. Scène uit de Tilburgse Revue 'Hemel en Aarde' (1989). De deelnemers moeten het woord raden dat de assistente op het bord heeft geschreven zonder klinkers. De ABN-sprekers staan voor met 26-0 tegen de Tilburgers. De ABN-sprekers geven als antwoord: 'imposant'. En verliezen.

meepraoter
zelfstandig naamwoord

meeprater (figuurlijk)

- Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen, 1959-01-10 - 'n meepraoter is 'n sikje, 'n kinbaardje.
meepraoter
Meer over meikevers in het - WTT
  1. 3. peulvrucht Pisum sativum subspecies sativum - grauwe erwt; kapucijner; velderwt; voererwt 'sativum' betekent dat het gekweekte soorten betreft ook: kapucijner, schokker, 'brèùne bôon', 'kapesientje' De volksnamen hebben betrekking op diverse soorten; telers onderscheiden strikt: ronde groene erwten, gele erwten, schokkers, kapucijners, rozijn- of grauwe erwten.

    - WBD - III.2.3:82 'kapucijntje' = kapucijner; ook 'schokker', 'grauwe erwt'
    Meer over meikevers in het - WTTMeer over meikevers in het - WTTMeer over meikevers in het - WTT
  2. zelfstandig naamwoord

    4. bloem Tropaeolum majus - Oostindische kers

    - Joseph Samyn, Kruidwoordenboek (1888): TROPAEOLUM MAJUS L. Capucijn; Kapucijntjes, Paterskap; Stanse, Stonse; Tabakpijpen. Capucine.
    - Woordenboek der Nederlandsche volksnamen van planten; H. Heukels, 1907 - Het betreft de oostindische kers. Heukels geeft geen benamingen uit Brabant, maar voor Vlaanderen: Capeciene(n), Capecintjes, Capuciene, Capuciene(n)mutsen, Capucintjes, Capucijn, Kappers, Kapuciene(n), Kapucijntjes.
    - Har Brok, Van vergeet-me-nietje tot gebroken hartje, 1993: ...volksnamen die allemaal op de vorm van de bloemen slaan: capucijnenmuts, capucijntje (...) paterklimop, paterskapje, paterskopje...
    - Har Brok, Stinkend-juffertje en duivelskruid - Volksnamen van planten (2006): Vooral in het zuiden deed de vorm van de bloem met slip denken aan de muts of capuchon (kap of tip) aan de pij van de paters kapucijnen. Zo komt men dan tot capucijnenmuts en capucijn(tje) en wat algemener tot paterklimop, paterskapje, pastoorkapje, muntenkapje ('monnikenkapje') en zelfs kwezeltip.
  3. Emanuel Phillips Fox, Nasturtiums (1912)

  4. zelfstandig naamwoord

    kappetaol

    - H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kapitaal
Meer over meikevers in het WTT
  1. zelfstandig naamwoord

    hègwuw moeder van buitenechtelijk kind, ongehuwde moeder (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1963)

    - WBD III.2.2:112 'hegweeuw' = concubine
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - hoagwuw, hoakwuw - ongehuwde moeder
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zelfstandig naamwoordvrouwelijk 'haakweeuw' resp. 'haagweeuw' - schampere benaming voor eene ongehuwde moeder. Vgl. - WNT 1 haagweduwe.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HAAGWEEP (zachte e), in N. Kemp haagweeuw; zelfstandig naamwoord vrouwelijk - ongehuwde moeder
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): hègweuw zelfstandig naamwoord - hegweduwe; ongehuwde moeder
    - WNT hegweduwe - ongehuwde moeder (in de Meierij)
    - hei, -hèdje, -heid, -hedes, -heeën, -heeje
  2. naam

    achtervoegsel '- heid' in zeer uiteenlopende uitspraken en spellingen zoals: vurzichteghei, wèrkelôoshei, völleghei

    - Cees Robben: verveelendeghei; gerèèchtegheid; kaojeghèd
    - De Bestuursmeensche die ut daor op aon laote kome laoie 'n verantwoordelukhei op d'r ège die meer dan verschrikkeluk is! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 25 mei 1945)
    - Mar op de allerirste plots: publicatie van de naome van meensche die erges de verantwoordelukhei van hebbe. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)
    - Waor holde die verwöndighei ineens vandaon? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)
    - Dan haj misschien zoveul broerdighei nie in de wereld gebracht. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 11 22 - Dan gromde ze: "Baldaodighei/ die maag hier nie gebeuren.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 07 05 - Veur de waarhei zè k nie bang.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 05 31 - In vrede, veurspoed en veural Gezondhei...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 03 13 - 't Is triest hoe hèèl veul jongelui / Baldaodighei uithaole.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 11 22 - zòveul blòòtighei
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 06 05 - Hij viel dur puure muugighei / In 't waoter, van de slaop.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 05 01 - Mar agge 't goed bekèkt / Wè isser aon saomheurighei / In dertig jaor berèkt?
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 10 17 - "Ge rijdt mar zot, / Zòdègge vur de zekerhei / Op 't pèpke blaoze mot."
  3. Meervoud

    - ...zukke dommighedes (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun naor zee; Nieuwe Tilburgsche Courant 18-11-1939) - ...ze brengt ons nog in moeilijkhedes! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939) .- ..hij hield erg van zuutighedes... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940) - zuutigheeën... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Troostweeg, 1932)
    - KAREL. Overal is iets op te vène, Sjarel. Moeilukheeje zen er om te worre overwonne. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)
    - Mar daor hoefde gij oe ège toch niks van aon te trekken over de stommigheeje die aander meensche uithaole!? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)
    - transportmoeilukheeje (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)
mèèrege
  1. bijwoord

    morgen

    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - smèèreges - s morgens
    - Kees en Bart; in Tilburgsche Post, circa 1925 - toe merregenmiddag; alle mèèreges zaat ie thèùs - elke morgen...
    - Cees Robben; Prent van de week 1964-01-31 - Ik wor mèèrege vèèf jaor...
    - Cees Robben; Prent van de week 1973-06-29 - Ast dan mèèrege wir net is as vandaog...
    - Cees Robben; Prent van de week 1971-01-22 - Ak mèèrege iets nuus begien...
    - Cees Robben; Prent van de week 1974-02-08 - k Mot mèèrege vruug op, Suus..
    - Cees Robben; Prent van de week 1965-09-03 - Ochèèrum ons vèèreke... t mot mèèrege stèèreve..
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Holt mèèregen es en mèèrgpèpke!
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - mä.r(e)ge(n); zelfstandig naamwoord - morgen, ochtend; bijwoord - morgen
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Mèèrege kómt er wir nen dag waor de mèùze nie òn gezeete hèbbe...
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Er wòrt van èèges mèèrege...
    - WBD III.4.4:122; - morgen, morgend - ochtend
    - Willems; Dialectenquête 1887 - mèrrege
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen; Brussel 1936- morgen; bijwoord - mè:rege
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - mergen (uitspraak märregn); bijwoord - morgen
  2. zelfstandig naamwoord

    mèèrege, van de

mèèregeziekte
zelfstandig naamwoord

ochtendziekte

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Dettie veul laast hee van de merregeziekte is nie zô errig, mar hij rektet toe dettie naor bed gao. (1969-07-04)
- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Hij hee veul laast van de merge-ziekte en des nie zo erg assie t mar nie rekt tot den aovond. (1966-02-24)
mèèrel
zelfstandig naamwoord

merel; Turdus merula Illustratie: Naumann - turdus merula Luister naar het geluid van de merel

- Cees Robben; Prent van de week - Zwarte mèèrel... Felle kèèrel... (1960-10-07)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - mèèrel, mulder - merel (Turdus merula)
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; As ge me zuukt, 2009 - As ge smèèreges de mèèrels/ wir zen bist te keer heurt gaon/ Denk ik wèl es bij mn èège/ Ik gaor vandaog wir tegenaon.
- Hein Mandos; Brabantse Spreekwoorden 2003 - De merel zie op den ekkepost. De merel zit op de paal van het hek. Weersvoorspelling. (Dat is een teken dat het goed weer blijft.) Zegsman J. Mandos sr., Tilburg 1950
- WBD III.4.1:80 - mulder, malder - meelder, molder, lijster, gieteling
mèèrg
zelfstandig naamwoord

merg

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Hòlt mèèregen es en mèèrgpèpke!
mèèrg
mèèrgpèèp
zelfstandig naamwoord

mergpijp

- Cees Robben; Prent van de week - mèèrig-pepkes (1961-12-21)
meerije
werkwoord

meerijden

- Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek, aflevering 106, Nieuwsblad van het Zuiden, 30-07-1970 - "Hij rijdt nogal eens mee" kon men te horen krijgen, welke uitspraak met een bedenkelijk gezicht gepaard placht te gaan. Zij hield dan ook niet zo'n goed nieuws in. Zij duidde er op, dat de betrokkene regelmatig naar het ziekenhuis in de stad ging, hetzij voor zichzelf of voor bezoek aan een opgenomen familielid. Zo kreeg "meerijen" of "er in zitten" (in de tram) tenslotte de waarde van veel tegenslag hebben.
meerkat
zelfstandig naamwoord

- WBD III.4.2:101 - meerkat - modderkruiper (Misgurnus fossilis), ook 'weeraal' genoemd
meerkat
meeroeje
werkwoord

meeroeien

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - hij zal nie lang meeroeje - hij zal het niet lang volhouden
mèèrpel
zelfstandig naamwoord

glazen knikker

- Nicolaas Daamen Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mairbel - wit marmeren knikker
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Wen schôon mèrpelke, kwok et zôo êen hò...
- WBD III.3.2:96) - mèèrpel, stuiter, proem - grote knokker
- Hans Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; Roosendaal 1988-1994 - murpel, murbel, marbel, marber, (I:8, 24)
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - marrebol, marrenbol. merrebol, merrenbol, marmbol, marbol, marbel, mirps, merbel - marmeren of glazen bolletje waar kinderen mee spelen.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen; Brussel 1936 marmer uit Frans marbre
- WNT - marmer - 3) een voorwerp van marmer, b) een marmeren ook wel ivoren of glazen knikker; in deze toepassing komen voor: marmel (zelden marmer), marbel, merbel, ook marrebol, marbol en marboel, ook marmbol; marm is als eene wijziging van marmbol te beschouwen. Andere vormen zijn molber, molper en mulver .
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - marbel, molleber, mulver, murmel, murpel, mervel, mervelär - knikker
mèèrt
  1. zelfstandig naamwoord

    maart

    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - Mèrt ist nòg te kaaw om te katsele. - In maart is het nog te koud om te kaatsen.
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer; Tilburg 1996 - maart
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - märt - maart
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mèèrt - maart
    - WNT - maart - meert
  2. zelfstandig naamwoord

    de maand maart

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Ene dreuge mèrt is gèld wérd, ast in april mar rèègene wil.
    - Stadsnieuws, 2008-03-30 - Ene drêûge mèrt is gèld wèrt, ast in april mar rèègene wil.
mèèrvölle
zelfstandig naamwoord

merrieveulen

- WBD - vrouwelijk jong van een paard, ook genoemd 'mèrreveuleke'
- WBD - vullemèèr - dragende merrie, ook genoemd 'völmèrrie'
- WNT - merrieveulen - vrouwelijk veulen
meervoud: pietjes of piete
  1. naam

    - Goedgetòld - hoofdluis, neten
    - WBD III.4.2. lemma Hoofdluis - hoofdluis (Pediculus capitis) leeft bijna uitsluitend tussen hoofdharen bij de mens. Het is een van de drie verschijningsvormen van de mensenluis, naast de kleerluis en de schaamluis ('platje'). Luizen hebben zuigende monddelen waarmee ze bloed van hun gastheren opzuigen. De eieren (neten) van hoofdluizen worden tegen de haren afgezet; de hoofdluis veroorzaakt jeuk, huidontsteking soms van ernstige aard, en werd vroeger met petroleum en lijnolie bestreden. - WBD III.4.2. lemma Hoofdluis - 'beestje': zeldzaam in Tilburg; 'pietje': in Tilburg, Den Bosch, Lierop en Boxmeer.
    meervoud: pietjes of pietemeervoud: pietjes of piete
  2. zelfstandig naamwoord

    Kaart lemma Hoofdluis in WBD pietjeszuster pietjeszuster

    - WTT 2011: de verpleegkundige van de GGD die de lagere scholen bezocht om leerlingen te controleren op hoofdluis.
    - Tilburgse revue 2007 - Nostalgie in Tivoli -
  3. De pietjeszuster als schrikbeeld van de schooljeugd - De scène werd geschreven door Ed Schilders - Foto: Frans van Aarle

mees
  1. zelfstandig naamwoord

    mens 1. mens, de mensen

    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer; Tilburg 1996.- meens (i-umlaut met rekking); meensen èn pòtlôojer
    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1944-12-08 - Lómme irst is uitpraote. Het heele vraogstuk is nie half zoo gecompliceerd as de meensche wel denke. 't Is gewoonweg: de meensche zien ut nie, of ze willen ut nie zien!
    - Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 meenschdom
    - Cees Robben; Prent van de week 1960-07-01 - Jan Dokus waar unne goeie meens - Cees Robben; Prent van de week 1964-11-27 - Mar het mar ginne bangen... Ik ben ginne onte meens... - Cees Robben; Prent van de week 1969-03-28 - Ge het abuus, meens... - Cees Robben; Prent van de week 1955-06-18 - Unne Haaikaantse meens liep wè hers en wè geens
    - Cees Robben; Prent van de week 1957-07-06 - Meensen van jaore geleje... - Cees Robben; Prent van de week 1964-12-18 - Vur fèèn meensen en motrèègen moette oppaase Tirris.. - Cees Robben; Prent van de week 1977-01-28 - Hoe beter ik de meense leer kenne... Hoe meer ik van munne hond gao haauwe.. - Cees Robben; Prent van de week 1981-12-24 - Meej Kerstmis zen de meensen goed...
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 7, 1929-11-30 - As we bij ons naa ok eenmaol trottoirs hebben dan hoop ik nog één ding en dè is, dè ze 'n bietje fesoenlijker zullen zèn as die in Tilburg; (...) die Tilburgsche trottoirs dè lekt wel snert. Ge kunt ze 't bist vergelijken mee fijn meenschen en motrègen. 'n Aorige vergelijking hè? En toch goed want ze nemen oe er allebaai tusschen en ge zijt nat vur dè ge er erreg in hed!
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 2, 1929-10-16 - Bartje beheurt tot de kalme meenskes, zooas er veul op 'n dorp lèven die Zondags vlak nô de liste Mis 'nen stevigen borrel vatten...
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Meensen èn pòtlôojer, schrèève doen ze allebaaj!
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Zenèège gin meens gelèèk vuule... - Zich heel beroerd voelen.
    - Elie van Schilt; uit Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, circa 2000) - Un glas bier, was te duur vur erm meessen en die wonden er toen veul in Tilburg.
    - Elie van Schilt; uit Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, circa 2000) - Tilburgse meessen die al meer as veftig jaor in Canada of Australië wonen laoten daor de meesen die kaorten zien en zeggen dan nog fréét: "Kek des onze waotertoren"...
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, Tilburg 2007 - Aander meense kender opvoeden en zegge hoe dè moes, daor waar ze goed in
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ge hèt meense èn ge hèt pòtlôojer Het laatste gezegd tegen een sukkelaar/nietsnut
    - Hein Mandos; Brabantse Spreekwoorden 2003 - Ik zit liever onder de bomen dan onder de mensen (opgetekend in Tilburg 1976)
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - As vruuger ne meens dôod was, dan stond dieje meens, die stond in hèùs in en kiest. Èn dan stond ie vur et raom èn dan kosse de meense van bèùten et raom, koste, koste gij nòr den dôoje stòn te kèèke!
  2. 2. echtgenoot, man

    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - mènne meens - mijn man, mijn echtgenoot (met nadruk)
    - Cees Robben; Prent van de week 1976-01-16 - (vrouw spreekt:) mene meens is tòch zoo bevattelijk...
    - Cees Robben; Prent van de week ongedateerd - Mar 't biste huwelijk des aaltij nog dè tussen 'n blende vrouw en unne dôove meens... [In: Tilburgs Prentebuukske, deel VII, 2002]
    - Cees Robben; Prent van de week 1982-09-24 - Munne meens praot s naachts in zunne slaop...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - heure meens laote zien - haar vrijer voorstellen
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mins- l) mens; 2) manspersoon, man
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mens - man, echtgenoot; gee(n) mens(ch) - niemand
    - K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 - mensch - Een man en wel een getrouwd man. Een getrouwde vrouw van haren man sprekende zal doorgaansch met den meierijschen tongval zeggen, mene mensch of mansmensch.
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - type 'mens' - echtgenoot (kaart 32 en blz.168)
    - WBD III.1.4:65 - goede mens - goedzak
  3. 3. echtgenote, vrouw

    - WTT - hèt meens het mens (altijd een vrouw)
    - WTT - dè meens - dat mens, die vrouw
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen; Brussel 1936 (het) mensch - mins ; verkleinde vorm: minske
    - WBD III.3.1:27 - oud mens - oude vrouw
    - WBD III.1.2:5 mens - vrouw; vrouwmens - vrouw
    - WBD III.2.2:88 - mens - echtgenote
  4. zelfstandig naamwoord

    mens - Cees Robben; Prent van de week 1958-08-23 - Wè gin mees normaol behappen kan...

meese
  1. zelfstandig naamwoord

    mens 1. mens, de mensen

    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer; Tilburg 1996.- meens (i-umlaut met rekking); meensen èn pòtlôojer
    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1944-12-08 - Lómme irst is uitpraote. Het heele vraogstuk is nie half zoo gecompliceerd as de meensche wel denke. 't Is gewoonweg: de meensche zien ut nie, of ze willen ut nie zien!
    - Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 meenschdom
    - Cees Robben; Prent van de week 1960-07-01 - Jan Dokus waar unne goeie meens - Cees Robben; Prent van de week 1964-11-27 - Mar het mar ginne bangen... Ik ben ginne onte meens... - Cees Robben; Prent van de week 1969-03-28 - Ge het abuus, meens... - Cees Robben; Prent van de week 1955-06-18 - Unne Haaikaantse meens liep wè hers en wè geens
    - Cees Robben; Prent van de week 1957-07-06 - Meensen van jaore geleje... - Cees Robben; Prent van de week 1964-12-18 - Vur fèèn meensen en motrèègen moette oppaase Tirris.. - Cees Robben; Prent van de week 1977-01-28 - Hoe beter ik de meense leer kenne... Hoe meer ik van munne hond gao haauwe.. - Cees Robben; Prent van de week 1981-12-24 - Meej Kerstmis zen de meensen goed...
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 7, 1929-11-30 - As we bij ons naa ok eenmaol trottoirs hebben dan hoop ik nog één ding en dè is, dè ze 'n bietje fesoenlijker zullen zèn as die in Tilburg; (...) die Tilburgsche trottoirs dè lekt wel snert. Ge kunt ze 't bist vergelijken mee fijn meenschen en motrègen. 'n Aorige vergelijking hè? En toch goed want ze nemen oe er allebaai tusschen en ge zijt nat vur dè ge er erreg in hed!
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 2, 1929-10-16 - Bartje beheurt tot de kalme meenskes, zooas er veul op 'n dorp lèven die Zondags vlak nô de liste Mis 'nen stevigen borrel vatten...
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Meensen èn pòtlôojer, schrèève doen ze allebaaj!
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Zenèège gin meens gelèèk vuule... - Zich heel beroerd voelen.
    - Elie van Schilt; uit Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, circa 2000) - Un glas bier, was te duur vur erm meessen en die wonden er toen veul in Tilburg.
    - Elie van Schilt; uit Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, circa 2000) - Tilburgse meessen die al meer as veftig jaor in Canada of Australië wonen laoten daor de meesen die kaorten zien en zeggen dan nog fréét: "Kek des onze waotertoren"...
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, Tilburg 2007 - Aander meense kender opvoeden en zegge hoe dè moes, daor waar ze goed in
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ge hèt meense èn ge hèt pòtlôojer Het laatste gezegd tegen een sukkelaar/nietsnut
    - Hein Mandos; Brabantse Spreekwoorden 2003 - Ik zit liever onder de bomen dan onder de mensen (opgetekend in Tilburg 1976)
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - As vruuger ne meens dôod was, dan stond dieje meens, die stond in hèùs in en kiest. Èn dan stond ie vur et raom èn dan kosse de meense van bèùten et raom, koste, koste gij nòr den dôoje stòn te kèèke!
  2. 2. echtgenoot, man

    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - mènne meens - mijn man, mijn echtgenoot (met nadruk)
    - Cees Robben; Prent van de week 1976-01-16 - (vrouw spreekt:) mene meens is tòch zoo bevattelijk...
    - Cees Robben; Prent van de week ongedateerd - Mar 't biste huwelijk des aaltij nog dè tussen 'n blende vrouw en unne dôove meens... [In: Tilburgs Prentebuukske, deel VII, 2002]
    - Cees Robben; Prent van de week 1982-09-24 - Munne meens praot s naachts in zunne slaop...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - heure meens laote zien - haar vrijer voorstellen
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mins- l) mens; 2) manspersoon, man
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mens - man, echtgenoot; gee(n) mens(ch) - niemand
    - K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 - mensch - Een man en wel een getrouwd man. Een getrouwde vrouw van haren man sprekende zal doorgaansch met den meierijschen tongval zeggen, mene mensch of mansmensch.
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - type 'mens' - echtgenoot (kaart 32 en blz.168)
    - WBD III.1.4:65 - goede mens - goedzak
  3. 3. echtgenote, vrouw

    - WTT - hèt meens het mens (altijd een vrouw)
    - WTT - dè meens - dat mens, die vrouw
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen; Brussel 1936 (het) mensch - mins ; verkleinde vorm: minske
    - WBD III.3.1:27 - oud mens - oude vrouw
    - WBD III.1.2:5 mens - vrouw; vrouwmens - vrouw
    - WBD III.2.2:88 - mens - echtgenote
meesjoefele
werkwoord

stilaan meelopen

- meesjoefele - sjoefelde meej- meegesjoefeld
meespeule
werkwoord

meespelen meespeule - spulde meej meegespuld, ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij spult meej

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - meespelen, meespeulen - aan een spel deelnemen
meet
  1. zelfstandig naamwoord

    1. eindstreep, aankomststreep (bijvoorbeeld bij wielrennen)

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - startpunt, begin, van meet af aan
    - WBD III.3.2:24) - meet, schreef, streep - meet
  2. 2. meter, peettante

    - WBD III.2.2:90 - meet, meetje - meter (bij doop); ook genoemd: peet, peetje of petetante
  3. 3. pand van een weideperceel

    - WBD - gedeelte van een perceel weiland, dat zich bevindt tussen afwateringssloten; Hasseltse term
mèèt
  1. zelfstandig naamwoord

    1. mijt

    - WBD III 4.2:235 mijt (Tilburg), wemel (zeldzaam in noorden van Tilburg), kalander, klander (Tilburg); De mijten (Acari) vormen een zeer uitgebreide familie van kleine spinachtige diertjes, die veelal schadelijk zijn. Sommige leven parasitair op andere organismes en voeden zich aan hun gastheer, anderen leven van producten van de mens, zoals meel en kaas.
  2. 2. grote hoeveelheid

    - WBD III.4.4:260 mijt - grote hoeveelheid
meete
werkwoord

meten

- WBD II:665 - meete - meten (m.b.t. leer)
- Willems; Dialectenquête 1887 - meete - maat gemeete; vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij mit
- C.J. Verhoeven, Haorese woorde, spreuke en gezegdes; Almere 2007 - mèète - meten
meeter
zelfstandig naamwoord

meter

- Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Als je een beetje in de weg loopt in een kleine ruimte: - gao tòch es wèg van dieje vierkaante meeter!
meetrasnat
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - kookvocht van aardappels; werd vroeger bewaard om op vrijdag te dienen om de botersaus te binden
- Ed Schilders; - WTT - 2012 - Mogelijk is het deel 'tras' overgebleven uit 'patras', aardappel.
- Ed Schilders; - WTT - 2017 - Als het voorgaande juist is, kan 'meetrasnat' in feite een samentrekking van 'mee' en de samenstelling 'patrasnat' zijn. Wat eten we vandaag? We eten 'aardappelen met aardappelsaus', 'èèrepel mee trasnat'.
meeval
zelfstandig naamwoord

wat de verwachting overtreft; geluk, meevaller

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Dès ammòl meeval!
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 3, 1929-10-23) - Den boer hee dees jaor wir 'ns meeval gehad.
- WBD III.3.1:133 meeval, meevaller, bof, voordeeltje, tref - meevaller
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - meeval - goeden uitval; Ik heb met die zaak meeval gehad - in plaats van te verliezen, win ik er nog wat aan.
mekaanst
bijwoord

bijna, bijkans, bekaan(s)t

- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 t schilt mekaanst de helft...
- WBD - mekaanst (frequent)
mekaar(e
naam

elkaar

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Toen ik ut uîtmekaar had, wies ik wel hoe ut in mekaar zaat. (1966-02-24)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - mekaare, bekaare
- Cees Robben; Prent van de week - As ge mekaare mar begrèpt... (1958-07-05) - Cees Robben; Prent van de week - Daor zaate twee döfkes/ hil dicht bij mekaar... (1959-08-22)
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Mar toen zèg ik ok teege men andere maote, we waare toen meej zeuve man die daor bè mekaare waare... Ik zèg: As göllie nouw wilt blèève wèrreke, ik zèg: ...dan moete vort binne blèève, ik zèg: ...want ze brènge oe naor hèùs! Vendaog òf mèèrege krèège we nòg en pak slaog erbij!
mekaor(e
naam

elkaar

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Toen ik ut uîtmekaar had, wies ik wel hoe ut in mekaar zaat. (1966-02-24)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - mekaare, bekaare
- Cees Robben; Prent van de week - As ge mekaare mar begrèpt... (1958-07-05) - Cees Robben; Prent van de week - Daor zaate twee döfkes/ hil dicht bij mekaar... (1959-08-22)
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Mar toen zèg ik ok teege men andere maote, we waare toen meej zeuve man die daor bè mekaare waare... Ik zèg: As göllie nouw wilt blèève wèrreke, ik zèg: ...dan moete vort binne blèève, ik zèg: ...want ze brènge oe naor hèùs! Vendaog òf mèèrege krèège we nòg en pak slaog erbij!
mekeere
werkwoord

mankeren, haperen

- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - ...daor mekeert niks aon
- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Daor zal nie aon mankeere... (1963-10-23) - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Doe de groete thûîs! - Dè zal nie mankeere! (1970-09-23)
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - mankeeren - letten, deren, hinderen, eenige ongesteldheid of lichamelijk gebrek hebben
meleur
  1. zelfstandig naamwoord

    ongeluk(je), tegenspoed (van het Franse malheur)

    - G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol, 2004 - Dè gaaf wèl wè malleure mar tòch ok veul leut, hurre...
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen; Brussel 1936 malheur (malé:r) - zeer gewoon naast 'ongeluk'
  2. zelfstandig naamwoord

    ongeluk, pech

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 152, Nieuwe Tilburgsche Courant Dat zijn meleuren en daar moet je voor bidden! - troostwoord tot iemand die pech heeft; uit het frans malheur, met vocaalreductie
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 4, Nieuwe Tilburgsche Courant 1929-11-02 - Naa snapte wel, dè den deeze of de geene per ongeluk wel 'ns zis borrels vat as ie wit dè-t-ie er mar vijf hebben kan; dè zen meleuren en daor motte vur bidden.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - malheur (kaartspelersterm)
meljoen
zelfstandig naamwoord

miljoen

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - meljoen
mèlk
  1. zelfstandig naamwoord

    melk

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - mèlk van de blaaw koej taptemelk; sterk afgeroomde melk
    - Nel Timmermans; Wètter ammòl òn de deur komt; CuBra, 200? - Dè noemde ze losse melk, èn mistal laag er zon bietje en blauwig waos op dieje melk, dan was ie òngelèngd meej waoter.
    - Hein Mandos; Brabantse Spreekwoorden 2003 - De melk is gegisseld (opgetekend Tilburg 1940) [De melk is met water verdund.]
    - WBD III.4.3:39 - mèlk - sap in planten; ook vòcht
  2. Schilderij (detail) van Adolphe Charles Marais - 1856

mèlktaande
zelfstandig naamwoord

melktanden

- WBD - melkgebit van een kalf
mèllekboerehondehaor
  1. zelfstandig naamwoord

    haar van een mens dat lijkt op het haar van de hond die voor de hondenkar van de melkboer gespannen was

    - Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1990 - mellukboerhondehaor
    - Tony Ansems; As unnen boer op t laand lopt; cd Gatvermiedenhoet, 2010 - Hij krabt in zijn melkboere honden haor...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 06 19
    mèllekboerehondehaor
  2. Stambòòm Ons Sjefke hee n hundje Waor ie hèèl veul van haauwt n Joekeltje dè aaltij blaft En overal aon knaauwt. t Sjouwt as raozend deur t huis En vliegt van hers naor geens Wie zunne vadder is gewist Jè, dè wit echt gin meens. "De melkboer vroeg m vleeje week: "Sjefke, wès dè veur ras? Toen zeej: "Messchien vènde t zot Mar dè wies ik giestere pas." "Hij is nie van hòòge komaaf Mar dè is gin bezwaor, Hij is van t zelfde ras as gij

mèlleke
werkwoord

melken, zeuren

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Lig nie zo te mèlke! Zeur, zanik niet zo!
- Informant Frans Raaijmakers - Die moeste meej de nòld mèlleke, die moeste meej de nèptang mèlleke - een moeilijk te melken koe
- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - Ge hèt gelèèk dègge nen òs kopt: die hoefde nie te mèlleke!
- Pierre Van Beek; Typisch Tilburgs, aflevering 11, Nieuwe Tilburgsche Courant 1958-01-10 - Van iemand, die zich niet lichtvaardig laat beetnemen, zegt men, dat men hem niet in een mendje melkt.
- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - mèlleke - molk - gemolleke
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - verleden tijd mälkte en molk - melken
- Willems; Dialectenquête 1887 - mèlleke - molk - gemolleke
- WBD III.3.1:181:294 - melken speculeren, zaniken
mèlleker
zelfstandig naamwoord

- WBD III.1.4:60 melker - kieskeurig persoon
mèlton
  1. naam

    - Henk van Rijswijk; Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool, 1 september 1950 tot en met juli 1954 - Melton: sterk gevolde lichte wollen stof, niet geruwd, soms licht geschoren met een viltlaag aan beide zijden. Gebruikt voor mantelpakjes, jassen en mantels. Geweven in platbinding, keper of visgraat.
  2. (Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954),

    - J.T. Bonthond; Woordenboek voor de manufacturier, 1947 Melton: Kamgaren bukskin in dubbelkeper geweven, veelal in donkere tinten geverfd. De stof is iets geruwd en voelt zacht aan. Zwaardere kwaliteiten worden vaak als versterkte of dubbelweefsels geweven.
mèm
zelfstandig naamwoord

mem, tepel

- Informant Frans Raaijmakers - òn dirste mèm ligge - een wit voetje hebben
- Informant Ad Vinken; - Van den irsten dag aaf hèk bij men schôonmoeder òn d'irste mèm geleege...
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mèm - borst, speen; on d'aachterste mèm ligge - achtergesteld worden, op de laatste plaats komen
- WBD III.1.1:116 memmen - borsten van een vrouw
- WBD III.1.1:118 mem
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 mem (in de Kempen ook mäm), moederborst; aan de mem liggen...
mèm
mèn
  1. naam

    mijn, m'n zelfstandig naamwoord het mijne, mijn eigendom

    - Cees Robben; Prent van de week 1970-10-23 - Wek naa vort t mèèn noem...
  2. naam

    mijn, die van mij, de / het mijne

    - Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - Mèn boek; dès van mèn.
    - Cees Robben; Prent van de week 1954-04-17 - van mèn kiep...
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - mene tön, menen ooverbuurman, menen ond, menen buurman
  3. zelstandig naamwoord de mijne

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 05 17 - "De mèn [mijn vrouw] hè'k bij St. Job gevonde / Aon de scharrekraom - zee Tiest.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - de mèn, de mènne; mijn vrouw, mijn man
    - WBD III.2.2:88 - de mijne; echtgenoot
men
naam

mijn, m'n zelfstandig naamwoord het mijne, mijn eigendom

- Cees Robben; Prent van de week 1970-10-23 - Wek naa vort t mèèn noem...
men (m'n
  1. naam

    mijn, die van mij, de / het mijne

    - Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - Mèn boek; dès van mèn.
    - Cees Robben; Prent van de week 1954-04-17 - van mèn kiep...
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - mene tön, menen ooverbuurman, menen ond, menen buurman
  2. zelstandig naamwoord de mijne

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 05 17 - "De mèn [mijn vrouw] hè'k bij St. Job gevonde / Aon de scharrekraom - zee Tiest.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - de mèn, de mènne; mijn vrouw, mijn man
    - WBD III.2.2:88 - de mijne; echtgenoot
mènde

verleden tijd van mèène meende (je, ge) tegenwoordige tijd van 'mèène', vragend meen je, bedoel je

- Cees Robben; Prent van de week 1955-10-15 De weffere mende?
mèndje
  1. zelfstandig naamwoord

    mand, korf

    - Dialectenquête Willems 1887 - Ze droeg 'n maand op den rug
    - Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - Kriesje Kleevers die midden op den weg z'n maanden aon 't vlechten was.
    - Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - Toen zaat nog midden op den weg/ Kriest Kleevers mee zn maanden.
    - Cees Robben; Prent van de week 1964-09-04 - Vat die maand waas op...
    - WBD III.2.1:135) - mand, kabas, korf - marktkorf
    - WBD III.3.2:247) - maand - duivenmand
    - WBD III.2.1:137) - draagmand - rugkorf
    mèndjemèndje
  2. uitdrukkingen

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - Tis nen moord in en maand... - een te verwaarlozen zaak
    - Cees Robben; Prent van de week 1986-05-23 - En daor is gin maand over gestölpt of... [daar hebben ze niet lang over hoeven nadenken]
    - Cees Robben; Prent van de week 1962-09-21 - Meej daauw kiepen de maand in... [een vrouw die vrijgezel blijft]
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Daor is gin maand oover gestölpt... - daar is niets aan verloren
    - Hein Mandos; Brabantse Spreekwoorden 2003 - De mand in den hof hèbben hange... (geciteerd uit Nieuwsblad van het Zuiden 1978) - De mand in den hof hebben hangen. De mand in de tuin hebben hangen. 1. Op korte termijn een kind verwachten. (Komt uit de bijenhouderij: je hangt een korf in de tuin als je een bijenzwerm verwacht.) Tilburg (NB) 1978
  3. Mandenmaker - detail van een centsprent met beroepen Mandenmaker - Caspar Luyken

  4. zelfstandig naamwoord

    mandje, ook meninkje

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 135, Het Nieuwsblad van het Zuiden, 28-10-1971; Verkondigt iemand een mening, waarbij de toehoorder van oordeel is, dat de man er maar een slag naar slaat en het best eens mis zou kunnen hebben, dan kan die toehoorder zijn scepticisme uitdrukken met: "Mèndjes zijn geen körfkes". We hebben hier een aardige woordspeling met uitbuiting van een dialectische klankovereenkomst. Er worden hier "mandjes" en korfjes tegenover elkaar gesteld. Een kleine mand is o.a. in het Tilburgs een "mèndje". Het in de uitdrukking opgenomen "mèndje" heeft eigenlijk niets met een kleine mand te maken. Het is afkomstig van "mening", in gewestelijke taal klinkend als "mèèning". Hiervan wordt dan het verkleinwoord "mèndje" (met enige vrijheid!) geconstrueerd. In dit verband wijzen wij ook op het allitererende (aan het begin rijmende): "Gissen doet missen".
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Dan gingde Driekôonenge zinge... Dan ginge ze de straoten aaf èn dan hadde zon mèndje bij... Zon körrefke, èn dan krêede ooveral en paor ... òf en snoepke èn zôo.
mene

meestal geschreven als munne mijn, de mijne, van mij - Cees Robben; Prent van de week - Wè bonst munne knar... (1954-04-24) - Cees Robben; Prent van de week - Vogels fluiten op munne buiten/ schône weskes... (1954-06-12) - Cees Robben; Prent van de week - [Vraag van een vriend aan een zieke...] Hoe is ter meej bruur?... Nog aaltij deuzig war... En zinkes in munne kop... (1960-02-12) - Cees Robben; Prent van de week - t Körsje kraokt in munne mond... (1960-06-24) - Cees Robben; Prent van de week - Munne rooie kôôl groeit de buurt in.. (1964-09-18)

menèège
samentrekking

mijn eigen, me, mezelf, zelf

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dè moet ik tóch vur menèège weete.
meneezie
zelfstandig naamwoord

manege

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - meneezie
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - meneejzie
mèngbier
zelfstandig naamwoord

- WBD - versnijbier; bier dat men gebruikt in een brouwerij om te versnijden, te mengen met een ander brouwsel
menier
zelfstandig naamwoord

manier

- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - menier; óp die menier
- Lauran Toorians; Blauwke; CuBra, 200? - Mar 't was gin menier van doen...
menister
zelfstandig naamwoord

minister

- Dialectenquête, Willems 1887 - Naauw hemme we wir nije menisters - Nu hebben we weer nieuwe ministers.
mènnegt(e
  1. zelfstandig naamwoord

    menigte, grote hoeveelheid

    - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Ik kôôp fleskes veur 5 cent en verkôôp ze veur 3 cent en verdien toch. deur de mennigte (1963-10-23)
    - WBD III.4.4:255 dur de mennigt - menigte, troep
  2. bijvoeglijk naamwoord menig(e), heel veel

    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - mennigte keer
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mènnigte
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 mennig; wordt hier, even gelijk op meer plaatsen, in de volkstaal gezegd voor menig
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - menigte Da zal u menigte frangs kosten! (in de Kempen)
mènneke
  1. zelfstandig naamwoord

    mannetje verkleinde vorm van man, met umlaut 1. kleine man, jongen, koosnaam voor volwassen man.

    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Kom mar gaa, mènneke... - Kom maar gauw, jongen...
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, Tilburg 1984 - Menneke gao toch slaopen...
  2. Tekening: - Cees Robben - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. van de Ven jr., 1946

    - Jan Triborgh (pseudoniem van John Majoie); serie van 4 artikelen uit Nieuwe Tilburgsche Courant over de feestelijkheden vanaf 27 oktober 1954 ter herdenking van de tiende bevrijdingsdag van Tilburg Kènde gij mèn? Waarop de ander direct reageert: Jè, ik kèn jouw hil goed mènneke! En de eerste weer ad-remt: Dan deugde gij òk nie!
    - Cees Robben; Prent van de week - Waor leej mn schaors, troeleke..? Op dn naoricht... menneke... (1958-01-18)
    - Grôot Diktee van de Tilburgse Taol 6 - ...èn dan klèèn mènnekes vur de vrouwestèmme.
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - et mènneke lópt bèrrevoets
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - manneke(n); in de Kempen ook: männeke(n) en menneke(n)
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mènneke
  3. 2. van de mannelijke soort

    - Cees Robben; Prent van de week - n menneke... of wel n wefke (1957-05-25)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Zôo ut mènneke, zôo ut gespènneke. - De vakman herkent men aan zijn gereedschap.
    - Stadsnieuws, 2009-06-03 - Meej zon pak aon zèède wèl et mènneke. - Met zo'n kostuum aan kun je wel voor den dag komen.
  4. 3. deurwaarder

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 mènnekes - belastinggaarders die in pension gedaan werden bij mensen die belastingschuld hadden; ter vereffening hiervan.
    - Pierre van Beek; Typisch Tilburgse uitdrukkingen, aflevering ?, Nieuwe Tilburgsche Courant 1959-08-29 - Bij een moelgevecht klonk het: Bij ons hebben de Mennekes nooit op de vloer gezeten lek bij jullie. Dit stamt uit de dagen, dat het nogal eens voorkwam, dat bij beslaglegging door de deurwaarder alles in huis werd verzegeld en twee heren daar dan dag en nacht de wacht hielden, die men nog bovendien te eten moest geven ook. (Die twee wakers waren de Mennekes.)
    - Karel de Beer; Bijnamenboek, Tilburg 2000 - de mènnekes - zonen Mutsaerts-van Waesberghe
  5. 4. zangvogel

    - WBD III.4.1:24 - mannetje (ook manneke) - mènneke - mannelijke zangvogel
  6. 5. vis

    - WBD III.4.2:70 mannetje - mannelijke vis
  7. 6. hond

    - WBD III.2.1:476 - mannelijke hond
  8. 7. kalf

    - WBD - mannelijk kalf
  9. 8. schaap

    - WBD - ha mènneke-; ha jónge, schaopke, woojke, wòjke - vleiwoorden voor het schaap
  10. 9. meikever

    - WBD III 4.2:162 - meikever met witachtige rug
  11. Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor een meikever die met meel bestoven lijkt te zijn. mulder Tilburg mulderke Tilburg molenaar Tilburg bakker frequent in Tilburg bakkerke Tilburg kapucientje Tilburg, Goirle manneke frequent in Tilburg wijfje, wijfke frequent in Tilburg

    - Piet Brock; Vuurstintjes ketsen, 1996 - Mölders/ Ge het zin soorten:/ nen bèkker of kappesien,/ n mènneke of n wèfke,/ dè kunde hil goed zien.
mènnekeskneuter
zelfstandig naamwoord

mannetjesputter

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mennekus knueter - een flinke man, krachtig en uit één stuk
- Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek, aflevering 81, Nieuwsblad van het Zuiden, 06-06-1969 Wordt een mens gekwalificeerd als "mennekeskneuter", dan hebben we te maken met het ABN-equivalent van "mannetjesputter", waarmee een grote sterke man of vrouw wordt getypeerd.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - harde werker
mènsie maoke

aan de slag gaan, aanstalten maken, serieus gaan werken uitdrukking de oorsprong van mènsie is het Oudfranse mention voor melding, gewag

- Ed Schilders; - WTT - 2012 - Hoewel in het taalgebruik mènsie en apprènsie synoniem gebruikt zijn in uitdrukkingen met maken voor bijvoorbeeld aanstalten maken, is mènsie geen verkorting van apprènsie. In de betekenis melding, gewag maken komt de uitdrukking al voor bij Kiliaen
mènt

meent tegenwoordige tijd van mèène, met vocaalkrimping

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - gij, hij, zij, et mènt
mènteneere
werkwoord

in stand houden; van Frans maintenir

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - in stand houden, zich doen gelden
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mènteneere - in ere houden, handhaven
- WNT - mainteneeren - iemand onderhouden, van het noodige voorzien; vroeger in ruimere toepassing dan thans.
menuut
zelfstandig naamwoord

minuut, minuutje

- Cees Robben; Prent van de week ongedateerde bron - Dè veraandert meej de menuut...
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - Hij kómt nôot en menuut te laot!
menuutje
zelfstandig naamwoord

minuut, minuutje

- Cees Robben; Prent van de week ongedateerde bron - Dè veraandert meej de menuut...
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - Hij kómt nôot en menuut te laot!
meraokel
zelfstandig naamwoord

wonder, mirakel

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Tis gin meraokel dèttie wir zat is. - Het is geen wonder dat hij weer dronken is.
- Cees Robben; Prent van de week - Tis gewoonwèg en meraokel!
- Cees Robben; Prent van de week - ...dè klinkklaor en smeujig meraokel (1957-09-21)
- WBD III.3.3:344 - meraokel mirakel
- WNT - mirakel - bovennatuurlijk feit
meraokels
bijwoord

miraculeus, mirakels, buitengewoon, wonderlijk

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); uit Vurjaor, ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960-1980 - Tis ieder jaor wir en meraokel/ dègge dè wir belèève meut.
- Cees Robben; Prent van de week - Ge trèft er meraokels goej weer óp...
- Cees Robben; Prent van de week, obgedateerd knipsel - Dè hèdde meraokels goed gedaon!
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - bijwoord - mirakels, buitengewoon, zeer
- WNT - mirakelsch - hetzelfde als het vreemde woord miraculeus
Merieke van-hèmke-raokt-m'n-gatje-nie
naam

- Cees Robben; Prent van de week - Merieke van-hemke-raokt-m'n-gatje-nie... (1962-03-02 )
mèrketon
zelfstandig naamwoord

grote gele perzik ; uit Frans mirlicoton

- Leo Heerkens; uit De knaorrie (Piet Heerkens); Vruuger en naa, 1949 - Vruuger, och man, 't geluk hong veur 't grijpe,/ zijjig en zoft as 'ne merkaton/ mar naa; oei-oei, wa kan 't er nijpe,/ na ben ik al blij mee 'n klein bietje zon.
- WBD III.2.3:171 - merkaton
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mèrketòn
- WNT - merketon - In Zuid-Nederland de naam van eene soort van groote gele perzik, waarvoor men in het Fransch de namen vindt: mirecouton, mirelecoton, millicoton, mericoton, merlicoton, berlicoton.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - merkaton - groote gele perzik die rijp is op 't einde van de herfst
mèrketon
mèrkèùs
  1. zelfstandig naamwoord

    modderkruiper, weeraal De etymologie van de Tilburgse naam is onbekend.

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - merkuis visch, weeraal
    - WNT - modderkruiper (Misgurnus fossilis) Uit de familie der karpers, zoo genoemd omdat hij onrustig wordt en aan de oppervlakte komt bij naderend onweer.
    mèrkèùs
  2. Illustratie: Naumann - garrulus glandarius

mèrkòl
zelfstandig naamwoord

Vlaamse gaai, meerkol, markol, broekekster, schreeuwekster

- Van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110, Nieuwe Tilburgsche Courant 1929-04-20 - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan gaon we veugeltjes zuuken en we vinden veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees...
- WBD III.4.1:147 markol, merkol, mjarkol, morkol, mòrkòlf - gaai (Garrulus glandarius); ook: broekhannek, hannekbroek, hannebroek, roeter, broekekster- meerkol - daarnaast andere namen voor verschillende vogels: 1. in beteekenis gelijk aan meerkoet (kol doet denken aan het Fries); 2. Vlaamsche gaai, Corvus glandarius, vanouds marcolf, zie aldaar
- Jan N aaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mèrkol
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - maarkolle (Achterhoek, Veluwe); contaminatie van maarkolf en meerkol (meerkoet)
mèrkòlmèrkòl
mèrmerêere
werkwoord

mompelen; uit het Frans murmurer

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 07 09 - Zò zit ons Sjaan te mèrmereere...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 10 29 - "Asser strak wir gevoetbald wordt / En 't komt nie op de teevee / Dan schaai ik 'r kaaihard mee uit / Dan poel ik nòòt mir mee." / Zò mèrmereerde òòme Tiest
mèrpel
zelfstandig naamwoord

glazen knikker

- Nicolaas Daamen Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mairbel - wit marmeren knikker
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Wen schôon mèrpelke, kwok et zôo êen hò...
- WBD III.3.2:96) - mèèrpel, stuiter, proem - grote knokker
- Hans Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; Roosendaal 1988-1994 - murpel, murbel, marbel, marber, (I:8, 24)
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - marrebol, marrenbol. merrebol, merrenbol, marmbol, marbol, marbel, mirps, merbel - marmeren of glazen bolletje waar kinderen mee spelen.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen; Brussel 1936 marmer uit Frans marbre
- WNT - marmer - 3) een voorwerp van marmer, b) een marmeren ook wel ivoren of glazen knikker; in deze toepassing komen voor: marmel (zelden marmer), marbel, merbel, ook marrebol, marbol en marboel, ook marmbol; marm is als eene wijziging van marmbol te beschouwen. Andere vormen zijn molber, molper en mulver .
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - marbel, molleber, mulver, murmel, murpel, mervel, mervelär - knikker
mèrrebel
zelfstandig naamwoord

glazen knikker; uit Frans marbre

- Willems; Dialectenquête 1887 - marmer
mèrrie
zelfstandig naamwoord

vrouwelijk paard

- WBD - vrouwelijk paard, ook genoemd mirrie
- WBD - fòkmèrrie, fòkmèèr - fokmerrie
- WBD - mèèrvölle, mèrreveuleke - vrouwelijk jong van een paard
- WBD - völmèrrie - dragende merrie, ook genoemd vullemèèr
mersjeere
werkwoord

marcheren

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 06 03 - Vier aovenden d'n èkker in / Dur bossen en dur haai / Mersjeeren langs d'n Buunder / t Baksven en langs de Laai.
mèrt
  1. zelfstandig naamwoord

    maart

    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - Mèrt ist nòg te kaaw om te katsele. - In maart is het nog te koud om te kaatsen.
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer; Tilburg 1996 - maart
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - märt - maart
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mèèrt - maart
    - WNT - maart - meert
  2. zelfstandig naamwoord

    de maand maart

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Ene dreuge mèrt is gèld wérd, ast in april mar rèègene wil.
    - Stadsnieuws, 2008-03-30 - Ene drêûge mèrt is gèld wèrt, ast in april mar rèègene wil.
  3. zelfstandig naamwoord

    1. markt

    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - de vrèddagse mèrt - de vrijdagse markt
    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mert
    - Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - mert
    - Piet Heerkens; uit Vertesselkes; Hannes Kaokel, van Baokel, 1944 - Zeg Hannes, mergen is 't Boekelsche mert,/ ik kan zo wijd nie loope;/ gij gaot dus mergenvruug daorheen/ een van ons koei' verkoopen!
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, eerste reeks, aflevering 13, Nieuwe Tilburgsche Courant 1950-05-11 - Komt men als Jan met kraaien naor de mert of mee vijgen nao Paosen dan is men met zijn voorstel te laat.
    - Cees Robben; Prent van de week - Gaoget op de mert mar vraogen. (1954-03-06) - Cees Robben; Prent van de week - rond de Mert (1959-02-07); de Oude Markt
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 06 06 - Gao ik is naor de knènemèrt
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 01 20 - Vruuger zin ze: "Wès Tilburg 'n gat / 't Lèkent nog nie op 'n stad, / n Dierepark en 'n automèrt / De rest is nie de moeite wèrd
    - Hein Mandos; Brabantse Spreekwoorden 2003 - Daags nao de mert komen, net as Jan mee z'n eksters. Daags na de markt komen, zoals Jan met zijn eksters. Spreekwoordelijke vergelijking. Komen als mosterd na de maaltijd: te laat komen. Varianten: ipv Jan: Hannes, Thomas: ipv eksters: kieviten [kievitís hier een draagmars]; opgetekend in Tilburg 1970
    - Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Asse daor en koej nie verkòcht hòn, dan ginge ze nòr de Bosse mèrt, die Tilburgse boere
  4. Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 in de uitdrukking dur de mèrt: gemiddeld, meestal - Cees Robben; Prent van de week - Dur de mert zeggen wellie.. t is wir naatje... (1958-03-15) - Cees Robben; Prent van de week - Dur de mert... (1956-07-21) - Cees Robben; Prent van de week - Des dur de mert nie pluis... (1966-04-29) 2. stront uit Frans merde (verkort)

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mert - ik heb er mert aan (str...) [stront]
mèrte
werkwoord

markten, naar de markt gaan; op de markt aanbieden afleiding van mèrt (markt)

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 91, 5-12-1969; "Een goei paard wordt niet gemert" heeft zowel een letterlijke als een figuurlijke betekenis. Iedere boer weet, dat een goed paard niet op de markt komt. Dit heeft in zijn eigen omgeving wel een zodanige reputatie, dat zo'n dier gemakkelijk onderhands verkocht wordt. Als we dit volksgezegde zouden willen moderniseren, dan behoeven we maar het woord "paard" door "auto" te vervangen. In overdrachtelijke zin gebruikt, wordt met het "paard" een "meisje" bedoeld. Een te goeder naam en faam bekend staand meisje komt gewoonlijk vanzelf wel aan een vrijer. Zij behoeft in ieder geval niet de jongens achter na te lopen.
- Cees Robben; Prent van de week - Mietje Mutsers was aon t merten (1962-04-13)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 10 27 - Efkes mèrten
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 markten; wordt hier in het gemeen gebruikt voor ter markt gaan, zoo wel om te koopen als om te verkoopen.
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - markten; de markt bezoeken om te (ver)kopen
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - merten
mèrtmister
zelfstandig naamwoord

marktmeester

- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - mèrtmister
mertuntje
zelfstandig naamwoord

sleutelbloem meertuintje - sleutelbloem - primula officinalis helmkruid - scrophularia nodosa

- Informant Piet Mutsaers - sleutelbloem; marteunisje
- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - meertuintje (Primula vere)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); uit Et begien van de kèndervekaansie, ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960-1980 - De bos pèèrse petuunekes/ die giestere nòg schôon stond/ leej naa as ene toddenhôop/ verrèègend òp de grond.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 mèrtuntje - gewoon sleutelbloempje (Primula officinalis)
- WBD III.4.3:259 - mèrtuntje - sleutelbloem (Primula veris)
- WBD III.2.1:445 meteuntje - petunia (Petunia hybrida)
- WBD III.2.1:447 mateuntje - primula (Primula vulgaris), ook genoemd 'sleutelbloem'
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - mertuntje
- J.J. Salverda de Grave; De Franse woorden in het Nederlands; Groningen 1967 - meteuntje, beteunie, betonie
- H. Heukels, Woordenboek der Nederlandsche volksnamen van planten (1907), herdruk 1987 - 1907, 199 - metuintje gewone sleutelbloem (Primula officinalis Jacq.); een woord dat (...) een doorzichtige vervorming is van betonia.
meschient
bijwoord

misschien

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Meschient kómt óns oomaa en zóndag. - Misschien komt grootmoeder zondag.
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925- meschiend (frequent), misschiend, mischiend
- Jos Naaijkens; Mèn voljèère; CuBra - Ge hègget meschient al deur.
- Tillie B. (pseudoniem van Nicole de Jong); uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - Meschient wòrtie wèl et nuuwe gruune hart van onze stad waor we meej zen alle wir frêet op kunne zèèn.
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Messchient kunde zèllef iets verzinne.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - misschiens, misschienst
meschientmeschient
mesjèster
zelfstandig naamwoord

ribfluweel, ribfluwelen stof

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - en mesjèsterse broek - ribfluwelen broek van machester
- Piet van Beers; With Love; Baos in eige huis/tuin, 1982-1987 - Ik vat 'n Aauw Mesjester broek/ en doe m'n leerzen aon,/ 'n fleske kaauwe slappe thee/ en ik zeg Salluu we gaon.
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; De buurvrouw vertèlt, 2009 - Waor is m'n aaw mesjèsterbroek...
- Stadsnieuws, 2008-07-13 - En mesjèsterse broek verslètte nie zo gemak
- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Ze stonke nòr smoutolie, dè wèl, mar ze mòkten ok laoke èn ze mòkte flenèl. Èn rips, èn baaj, èn ok mesjèster.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mesjèster
mesjèt
zelfstandig naamwoord

manchet

- WBD III.1.3:139 manchetknoop
mesjien
  1. zelfstandig naamwoord

    machine

    - Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - mechienen (meervoud), 't mesjien (frequent), 't vliegmesjien, vliegmechienen
    - Leo Heerkens; uit De kinkenduut, Piet Heerkens; t Mesjien, 1940 - Haaw ik van ou, raar stuk spektaokel?/ stemt die meziek van ou me tevree?/ Och, gij stampt en gij doet mar, mesjien,/ en spek mar goed dik mijn portemenee.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); uit Moederdag, ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960-1980 - De moederkes van teegesworrig/ douwe der wasgoed int mesjien.
    - Interview Bertens, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 As ge nou en mesjien moest wasse, want die had tweej mesjiene vur gehaktmesjiene, heej... Aachter hatttie et staon vur de Joode èn veur gewoon zogezeej, we zulle mar zègge jan-en-alleman, de kattelieke èn, èn dinge... Klik hier voor audiofragment
  2. Samenstellingen uit - WBD - voor Tilburg:

    - WBD II:600 - óntklitmesjien - ontklitmachine in de leerindustrie
    - WBD II:608 - vlêesmesjien - vleesmachine, om huiden te ontvlezen
    - WBD II:614 - schaofmesjien - schaafmachine in de leerindustrie
    - WBD II:649 - ötzètmesjien(ne) - uitzetmachine in de leerindustrie
    - WBD II:652 - slichtmesjien - stolmachine in de leerindustrie
    - WBD II:655 - falsmesjien - falzmachine voor het egaliseren van leer
    - WBD II:663 - glaansstôotmesjien - glansstootmachine om leer te glanzen
    - WBD II:665 - meetmesjien - meetmachine in de leerindustrie
    - WBD II:972 - döts mesien (of: dötsmesien) - schaftmachine
    - WBD III.2.1:336 - machientje petroleumstelletje
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - ...teegewórreg'spinne ze allêeneg mar meej mesjienes...
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - machien
mesjienebooter
zelfstandig naamwoord

boter die niet door de boer thuis gemaakt wordt, maar op de zuivelfabriek

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - 'mesjienbooter' - kunstboter, margarine
mesjientje
  1. zelfstandig naamwoord

    machine

    - Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - mechienen (meervoud), 't mesjien (frequent), 't vliegmesjien, vliegmechienen
    - Leo Heerkens; uit De kinkenduut, Piet Heerkens; t Mesjien, 1940 - Haaw ik van ou, raar stuk spektaokel?/ stemt die meziek van ou me tevree?/ Och, gij stampt en gij doet mar, mesjien,/ en spek mar goed dik mijn portemenee.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); uit Moederdag, ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960-1980 - De moederkes van teegesworrig/ douwe der wasgoed int mesjien.
    - Interview Bertens, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 As ge nou en mesjien moest wasse, want die had tweej mesjiene vur gehaktmesjiene, heej... Aachter hatttie et staon vur de Joode èn veur gewoon zogezeej, we zulle mar zègge jan-en-alleman, de kattelieke èn, èn dinge... Klik hier voor audiofragment
  2. Samenstellingen uit - WBD - voor Tilburg:

    - WBD II:600 - óntklitmesjien - ontklitmachine in de leerindustrie
    - WBD II:608 - vlêesmesjien - vleesmachine, om huiden te ontvlezen
    - WBD II:614 - schaofmesjien - schaafmachine in de leerindustrie
    - WBD II:649 - ötzètmesjien(ne) - uitzetmachine in de leerindustrie
    - WBD II:652 - slichtmesjien - stolmachine in de leerindustrie
    - WBD II:655 - falsmesjien - falzmachine voor het egaliseren van leer
    - WBD II:663 - glaansstôotmesjien - glansstootmachine om leer te glanzen
    - WBD II:665 - meetmesjien - meetmachine in de leerindustrie
    - WBD II:972 - döts mesien (of: dötsmesien) - schaftmachine
    - WBD III.2.1:336 - machientje petroleumstelletje
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - ...teegewórreg'spinne ze allêeneg mar meej mesjienes...
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - machien
mèske
  1. naam

    meid, meisje, dienstmeid, dienstbode

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 5 , 1929-11-14 en 07 - Keeke, 'n dochter van Nol van Willeke de Goey, die bij Sjef Koolen vur meid wont, kwaam net toen ik de liste kan vatte, buite geschoten.
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); Nieuwe Tilburgsche Courant; uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 9, 1930-02-22 - Ik hè zoowè hil den aovond mee Keekes van Nol van Willeke de Goey gedaanst, ge wit wel die bij Sjef Koolen vur meid wont...
    - Cees Robben; Prent van de week 1981-10-02 - Ik was vruuger gewoon mar mèèd... Mar ik hielup in t huishaauwe net zôô veul as twee hullepe na vort hellepe...
    - Cees Robben; Prent van de week 1967-06-16 - n stult van n mèèd...
    - Cees Robben; Prent van de week 1986-11-07 - n schôôn mèèd...
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - De mèèd zi dèttie gelèèk ha... - De dienstbode zei dat hij gelijk had...
    - WBD III.2.2:47 - jonge meid - jonge vrouw (72 meid dochter)
  2. Sticker van een Tilburgse carnavalsvereniging. Maart 2-19. Foto CuBra.

  3. zelfstandig naamwoord

    meisje, verloofde, dochtertje

    - Nicolaas Daamen (Tilburgs dialect, handschrift 1916) - "Ik zai gevreeê", zin 't meske, en ze war mar ééns gekust, op het lelleke van d'r oor. Geciteerd in: Mandos, Brabantse Spreekwoorden 2003 en daar als volgt toegelicht: "Ik ben gevrijd", zei het meisje, en ze was maar eenmaal gekust, op haar oorlelletje. Zeispreuk.
    - Nicolaas Daamen (Tilburgs dialect, handschrift 1916) - Soep zonder selderie en bonen zonder spek en 'n mèske zonder vreijer, dè't is toch al te gek. Geciteerd in: Mandos, Brabantse Spreekwoorden 2003.
    - Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - Ik zie nog alles vur me staon,/ De stadslui mee d'r meskes.
    - Cees Robben; Prent van de week - Ze zagen nog gin meske staon... (1960-03-04) - Cees Robben; Prent van de week - Mn meske lispelt... (1966-10-14) - Cees Robben; Prent van de week - Ik kan mar nie aon n meske komen, vadder... (1977-01-07) - Cees Robben; Prent van de week - Ik heb vur mn 18de nog nôôt n meske gekust... (1980-11-07)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Ons mèskes hèn goej lulle. - Onze meisjes hebben gemakkelijk praten.
    - Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Ze zètte ze aaltij ònt wèèrek veul, de mèskes, die waare de duupe. Want agge dan mèskes hèt, war, die en jaor òf neege zèn èn ge hèt en grôot höshaawe, war, dan moese ze veul meejwèrke.
  4. Kaart 96 uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - mäske(n)
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mèske
    - WBD III.2.2.:19 meiske, meid
    - WBD III.2.2.:73 - meske - dochter
mèskesmèrt
zelfstandig naamwoord

'meisjesmarkt'; speciaal de Heuvelstraat, waar jongens meisjes plachten te flaneren en contact zochten

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); uit t Klokhuis van Brabant, aflevering 5, Nieuwe Tilburgsche Courant 1929-11-14 en 07 t Gebeurt ôk wel is nen ennigte keer, dè 'k 'sondagsaovends - as ik gin zin om te kaorten hè - evetjes mee m'n fiets op en neer rij. Ik zet mn fiets on t station en dan maok ik n blökske van den Heuvel over de mèskes-mert - dè is toch de Heuvelstraot is nie? - dur de Nuuwlandstraot en over de Spoorlaon terug.
mèskesmèrte
werkwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Heuvelstraatje pikken (waar de jeugd elkaar ontmoette)
mètje
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - matje
mètselèèr
  1. zelfstandig naamwoord

    metselaar

    - Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 metselair, metselaer
  2. Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer; Tilburg 1996 - ...onze mètselèèr is zo vèt as en vèèreke..

    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant; kaart 84, 1937 - mètselèèr
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - ...ónze mètselèèr is zó vèt as en vèèreke...
meu
  1. zelfstandig naamwoord

    - WNT - meu (zie moei); eerst is moei een naam voor de tante die zuster is van de moeder, doch het is daarna ook toegepast op de zuster van de vader, ten slotte op de vrouw van den oom.
    - Cees Robben; Prent van de week - zi toen ons Maajke-meu
  2. naam

    meubelèèr meubilair

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 06 18 - Mar 't meubelèr van 't nuuw stadhuis / Za' drie meljoen gaon kosse.
meude
samentrekking

mag je, mag u Tweede persoon enkelvoud of meervoud van meuge; jij mag, jullie mogen

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Dè meude nie doen!
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Meude göllie meej?
- Cees Robben; Prent van de week - En dörrom meude hier naa staon. (1959-09-12)
- Cees Robben; Prent van de week - .. en liege meude nôôt... (1964-12-31)
- Cees Robben; Prent van de week - Dè meude gerust, Miena... (1984-04-06)
meuge
  1. werkwoord

    mogen meuge - môog gemeugd of gemooge tegenwoordige tijd enkelvoud ik/hij maag, gij meut

    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Dè moes nie meuge! - Dat moest niet mogen!
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - - meuge - mócht gemeuge; ik/hij mag, gij meugt
    - Informant Bernard van Dijk - móch en niet môog
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 11 22 - Merieke moog d'n irste keer / Naor 'n echt bal toe gaon
    - Dialectenquête, Willems 1887 - meuge
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 2, Nieuwe Tilburgsche Courant 1938-10-08 - ..want ie zaat al aon z'n vierde borreltje, en meer dan vier moog ie er nie nemen van z'n vrouw...
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek / Uit het klokhuis van Brabant, aflevering 10, Nieuwe Tilburgsche Courant 1950-04-08; - Het kan in het huwelijk echter ook wel eens anders uitpakken, zodat er voortdurend "gekeven" en geruzied wordt over allerlei kleinigheden. In zo'n geval stond de volksmond klaar met: "Van mekaar meugen (mogen) ze nie en bij mekaar (elkander) deugen ze nie"...
    - Cees Robben; Prent van de week - ...dè lèève môôg... (1959-08-22)
    - Cees Robben; Prent van de week - Fleej-week-from môôk-ôôk maagdeke zèèn.. (1965-11-12)
    - Stadsnieuws - Akket gevraoge ha, hakket nie gemeuge. (2009-11-25)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Gè meut nie meej - jij mag niet mee
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Et is aaltij zôo en et zal nôot aanders worre, wegge nie meugt lèkt, lekkerder, schônder en leuker.
    - Henriëtte Vunderink; Jong zèèn, uit Tis de moejte wèrd, 2011 - Dingen doen diege èègelek nie meugt.
  2. Samentrekkingen met het onderwerp

    - WTT - maak? - mag ik?
    - Pierre van Beek; Tilburgse Typen, aflevering 13, 1958-03-28 - Dè meugde nie... - Dat mag niet...
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; ... in (een) wèkje geleeë zaag ik op t bordje van de Tilburgsche Cursus, hil meewaorig afgedrukt staon: Niks meude mir. De Tilburgsche Cursus was een cartooneske rubriek in Groot Tilburg. Het plaatje was steeds hetzelfde: een professor bij een schoolbord. Op het schoolbord stond een treffende Tilburgse uitspraak geschreven.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Mie, meume meew meej? - Mie, mogen we met je mee?
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - meens, meumer op? - meneer, mogen wij erop? (bijvoorbeeld achter op een kar)
  3. Aanvullende bronnen

    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - meugen voor mogen - Dit is geenszins eene verbasterde uitspraak; want, dat men oudtijds zoowel meugen als mogen zeide, getuigt nog heden ten dage tegen heug en meug...
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - meugen - mogen; meugen van - verlof hebben van
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - meujge
    - WNT - mogen, gewestelijk meugen
    - WBD III.3.1:230 - mogen, gaarne mogen, lijden, goed kunnen zetten; staan op iemand - iemand graag mogen
meugelek
  1. bijwoord

    mogelijk

    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant; kaart 62, 1937 - meu(j)gelek
  2. Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . MEUGELIJK en MEUGENTLIJK bvw, bw. - mogelijk, Frans: possible, peut-être
meugelekhei
zelfstandig naamwoord

mogelijkheid

- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 meugelijkhei
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - meej gin meugelekhèd - onmogelijk
meugelekheimeugelekhei
mèùk

voorvoegsel pruts- de etymologie is onduidelijk

- Cees Robben; Prent van de week - Nog aaltij mieke-muik-wèèrik... [Nog steeds prutswerk...]
- WNT - meuken - muiken (beide vormen hebben een overvloed aan betekenissen)
mèùke
werkwoord

rijpen

- WBD III.2.1:375 - meuken - fruit in een donkere, koele, soms geheime bergplaats leggen om het rijp te laten worden
mèùkele
werkwoord

aanrommelen, prutsen, onhandig bezig zijn mèùkele - mèùkelde gemèùkeld (steeds lange èù)

- Informant Frans Raaijmakers - Zit nie zó te mèùkele! Houw tòch óp meej oe gemèùkel!
- Cees Robben; Prent van de week - Ze muikelt en koetert in t rond... (1970-01-02)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); uit Sneuw, ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960-1980 - Mar ge mèùkelt mar wè aon...
- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1990 tis unne taotolf die zit te miemökele...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Zèède onderhaand tèène meej dè möökele? - Ben je stilaan uitgestunteld?
- WBD III.1.2:18 - muikelen - mompelend heen en weer draaien; ook: koeteren
- WBD III.1.2:96 muikelen morsen; ook: dabben
- WBD III.1.4:372 meukelen - verkeerd handelen
- WBD III.4.4: 89 muikelen - geluid van naderend onweer
- WBD III.4.4:321 - bemuikelen - bevuilen
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - meekelen - Veel geweld doen om aardappelen of iets anders met spade of riek in den grond te krijgen. Langzaam vorderen aan iets: Ge moet u wa'meer spoeien, ge meekelt den eenen tijd aan den anderen.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - mörkelen, mörken - pruttelen, knorren, zijne ontevredenheid laten blijken
- A. de Jager; Woordenboek der frequentatieven in het Nederlandsch, Gouda 1875 muichelen; frequentatief van muiken, dat naar zijn oorsprong betekent: iets ter sluik of heimelijk verrichten.
mèùkend
naam

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - möökende kaort - kaarten die tijdens het spel nog goed moeten worden
meukende
naam

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - möökende kaort - kaarten die tijdens het spel nog goed moeten worden
mèùl
  1. zelfstandig naamwoord

    muil

    - WBD III.4.2:32 - muil - bek; ook genoemd: bakkes, bek, kweek
    - WBD III.1.3:245 - muil - muiltje
  2. Tekening: - Cees Robben - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. van de Ven jr., 1946

meule
  1. zelfstandig naamwoord

    molen

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 151, 1972-03-23; - Als het waait, draaien alle meulens". Daarmee wordt aangegeven, dat men met geluk wèl kan varen, aldus onze zegsman. Het lijkt ons echter niet uitgesloten, dat we hier te maken hebben met een sceptische opmerking, waarmee men door het voorwaardelijke "als" belachelijk wordt gemaakt. Zo in de geest van die andere uitdrukking: "Als ons kat een koei was, dan konde (kon je) ze melken". We hebben ook daarvan wel eens de scherpere variatie gehoord: "en dan konde gij ze nog nie melken."
    - Dialectenquête, Willems 1887 - ...den mulderszoon is op den meule
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - meulen; figuurlijk: de tanden, het gebit
    - Hans Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; Roosendaal 1988-1994 - IV:22 - meule
    - WNT - molen, daarnaast meulen
    meule
  2. Samengestelde woorden met meule

    - WBD - vurmeule voorploeg; het losse, tweewielige voorste deel van de ploeg (Hasselt)
    - WBD - dur de meule draaje - worstvlees en -vet kleinmaken, ook genoemd durdraaje
    - WBD - óntkiemingsmeule moutpoetsmachine; apparaat waarmee het geëeste graan van kiemen en onzuiverheden werd ontdaan in de brouwerij
    - WBD - schrootmeule - moutmolen (in de brouwerij)
    - WBD - standerdmeule standerdmolen
    - WBD II:994 - schèèrmeule, haspelmeule - scheerraam, grote haspel; ook: schèrraom, schirraom of schèrkrôon genoemd
    - WBD II:l027 wèndneule, wéntmujl windmolen, windmeulen
    - WBD II:2814 - meujle - voorstel van een samengestelde kar
  3. figuurlijk mond

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Die wèèven, derre meulen stond ginne ôgenblik stil...
meulepèèrd
zelfstandig naamwoord

struise vrouw; letterlijk: molenpaard

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dus ik zèg, Tieske, as gij meej dè meulepèrd wilt traawe, zèllef wete.
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als..., maart 2013
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - meulepèrd - molenpaard; grof gebouwde vrouw
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], Baarn, 1978 - molenpaard - 1.paard dat de molen in beweging houdt; 2. zwoeger; 3. grof gebouwde vrouw.
- J. Berns e.a.; Brabantse spot- en schertswoorden, Nijmegen 1975 -meulen(n)pèèrd; struisch, stevig vrouwmensch
- WNT - van toepassing op eene vrouw van lompe, groote gestalte
meulestèller
  1. zelfstandig naamwoord

    assortimentsteller

    - WBD II:938 - meulestèller assortimentsteller
    - Anoniem; Tilburgs folklore; n Kaoi rikkemedaosie, Nieuwe Tilburgsche Courant 1959-11-19 - De meulesteller was unne neetoor/ die Nillus wel 'n bietje zocht,/ Om dettie bij hum, gin sigaore/ of 'n rulleke pruimtebak kocht.
    meulestèller
  2. zelfstandig naamwoord

    meulevèt molenvet

    - WBD II:938 - meulevèt - afval uit assortiment
  3. werkwoord

    mêûrt, meurt

    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - stinkt; 2e + 3e persoon enkelvoud
    - WNT - moor, ook nog bekend in den vorm moer; onstaan uit veengrond, moeras. Alleen in Zuid-Nederland
    - WNT - moren - door de modder loopen, er in wroeten; vergelijk muieren
  4. zelfstandig naamwoord

    mèùs, möske muis, muis van de hand, muisje Illustraties: Rolf Janssen - Karel de Beer; Bijnamenboek, Tilburg 2000 - de mèùs - frater Euphratius, frater Hungero

    - Henriëtte Vunderink; Et möske; uit Tis de moejte wèrd, 2011 - Der zaat en möske in mene tèùn,/ zon klèèn grèès spitseg ding.
    - Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek, aflevering 98, Nieuwsblad van het Zuiden, 09-03-1970 "Twee vrouwen in één huis zijn as twee katten mee één muis". Dat "akkedeert" niet. Die maken ruzie. "Akkederen" komt van het Franse "accorder", dat is: overeenstemmen.
    - Dialectenquête, Willems 1887 - muizen en roate (meestal: muis en roate) (ui = eu van Meuse)
    - Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden (manuscript, getranscribeerd door Wil Sterenborg) - En mèùs heej meer dan êen hölleke... - Het is altijd gemakkelijk over meer dan één mogelijkheid te kunnen beschikken...
    - WBD III.2.1:497 - mèùs of mèùskat - muizenvanger
    - WBD III.1.1:151 muis - muis van de hand
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - muis, kat (die bijzonder goed muist)
meut
werkwoord

mag, mogen 2e persoon enkelvoud + meervoud van meuge met weglaten van de g

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Gij meut nie meej.
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Tilbörg, dègge zôo meut blèève!
- Cees Robben; Prent van de week 1975-05-16 - Bruurke, gij meut die krintjes nie uit de mik pölleke...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Ge meut er nie òn dènke... - Je moet er niet aan denken...
meutmeutmeut
meute
  1. werkwoord

    kletsen, ouwehoeren meute meutte - gemeut

    - Informant Piet Mutsaers - aawbètte, aawmeute
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], Baarn, 1978 - meuten - kletsen; gewoonlijk in verbinding met ouw-, vergelijk ouwehoeren. Wie het doet, is een meut of ouwmeut, waarschijnlijk van moet of meuj; tante (zuster van moeder)
    - Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 - meute
  2. zelfstandig naamwoord gemeut geklets, geouwehoer

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Agge meej un half oor meej lösterde nao der gemeut waarde subiet hillemaol op de hôogte meej wetter in de buurt spêûlde.
  3. zelfstandig naamwoord

    meutel houtworm

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 meutel
    - Stadsnieuws 2007-06-17 - Dè kasje zok niemir in hèùs zètte, dè lopt wèg op de meutel...
    - WBD III.4.2:l98 - meutel houtworm; ook genoemd houtwormpje, mot
    - WBD III.2.1:459 - meutel houtmeel; ook genoemd mòlm, òlm, vermòlmd hout
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - meujtel
  4. werkwoord

    meutele wrikken, spartelen meutele - meutelde gemeuteld

    - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Eigendiglijk staode daor mar n bietje te meutele... (1963-02-10) - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Wè ge doet motte goed doen, spèkers mee koppe slaon, mar gij ligt te meutele! (1966-10-17)
    - Cees Robben; Prent van de week - Hedde wir in de Laai te ligge te meutele, dab-klutje... (1979-05-04)
    - Stadsnieuws, 2009-07-15 - Hij zaat meej zene vinger in en götje van de baank te meutele - te peuteren
    - WBD III.1.2:4 - meutelen - in beweging komen, beginnen
    - WBD III.4.4:89 - meutelen - geluid van naderend onweer
    - A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - meutele, meutere - zeuren, pruttelen, peuteren, bouwvallig worden
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - muitelen, meutelen 1. door de houtworm aangestoken zijn; 2. pruttelen, mopperen.
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - meutelen, meuteren peuteren; Ge zit altijd in oe tanden te meutelen; kleine brokjes afpikken, afpeuteren; Ik heb den heelen dag gemeuterd; werken, allerlei werk verrichten
    ► ötmeutele
meuw
zelfstandig naamwoord

meeuw, meeuwtje

- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer; 1996 - möw meuw
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - meeuw
mèùze
werkwoord

muizen

- WBD III.2.1:506 - mèùze muizen; ook jaoge genoemd
mèùzekeutel
zelfstandig naamwoord

muizekeutel

- Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek, aflevering 104, Nieuwsblad van het Zuiden, 02-07-1970 Zei-gezegde: "Dat is ander koren", zei de mulder en hij beet in een muizekeutel.
meuzelke
zelfstandig naamwoord

- WBD III.2.3:127 meuzeltje - klein stukje vlees of kaas
mèùzemeelis
zelfstandig naamwoord

- Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek, aflevering 57, Nieuwsblad van het Zuiden, 01-06-1968 De uitdrukking "'t Is muizen melis", die ons wordt toegezonden, hebben we nooit eerder gehoord. Volgens onze zegsman betekent ze, dat er armoe heerst: "Erremoei is troef". Muizen treden daarbij wel op, want we zeggen in zo'n geval, dat "de muizen dóód vur de kast ligge(n)". Nou dan is het wel erg. Maar we overdrijven nogal graag. In het Bargoens (dieventaal) betekent "melis" zak of buik. Verder werd er vroeger een mindere kwaliteit broodsuiker mee aangeduid.
mèùzetèèrf
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 muizentarwe; vergif voor muizen
meziek
zelfstandig naamwoord

muziek, ook: de harmonie (onzijdig)

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, Tilburg 1984 - schôndere meziek
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 t muziek
- Korvelse Revue Vruuger en naa; advertentie, 1926 - Toneelspul, zang, meziek en daans
- Cees Robben; Prent van de week - Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Lôôn of Beek.... (1954-05-08)
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - in de aoola hier van, van et hèùs, dan was ok zon, zon hèrmenieke van die aaw manne die ok ammel bij de meziek gewist waare vruuger èn naa meej de aaw manne bij mekaare gebleeve zèn. Èn dan geeve ze hier òf daor zon, zon konsèrtje, hè Et Hèrmenieke noeme ze derèège, hè Dès leuk!
mezjèère
zelfstandig naamwoord

uit het Franse 'misère'; omdat de speler geen enkele slag mag halen.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 06 11 - Hij rikt, zij paast, ik doe d'r aacht / D'n buurman wil mesjère / 'n Bèkske tròòst, 'ne kaauwe pils / Zò hè'k 't lève gère.
mezuutje
zelfstandig naamwoord

madeliefje, meizoetje

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mezuutje - dubbelbloemig weibloempje
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 mèèjzuutje - madeliefje (Bellis perennis)
- H. Heukels, Woordenboek der Nederlandsche volksnamen van planten (1907 & 1987) - mezuutjes (Vlaamsche naam) - Bellis perennis L. - madeliefje
middag
zelfstandig naamwoord

middag

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - op de middag, in de middag
middageete
zelfstandig naamwoord

middageten, warme maaltijd genuttigd rond het middaguur. Fabrieksarbeiders kregen tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw nog vaak 'tussen de middag' vrijaf om thuis de warme maaltijd te gaan nuttigen.

- WBD III.2.3 - warme maaltijd op de middag, meestal bestaande uit vlees of vis, aardappelen en groenten; frequent in Tilburg
midde
zelfstandig naamwoord

midden; in het Tilburgs niet onzijdig maar mannelijk

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - dur de midde - middendoor, in tweeën, doormidden
- Interview De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - As en vrouw, as en vrouw, as en vrouw ene klèène krêeg dan ginge ze em, meej drieje ginge ze em òngeeve! Èn dan môog ik in de midde lôope want et was ene klèène van mèn.
middehaand
zelfstandig naamwoord

- WBD - het middendeel van een paard, ook genoemd middelhaand' of lèèf of midderib (Hasselts)
middelek
  1. bijwoord

    onmiddellijk

    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Toen dè febriek afgebraand is, hèbbe zem (Cees van Arendonk) middelek teege de grond òn gespoote jè jao dès afgebraand daor op de Körvelsewèg.
  2. zelfstandig naamwoord

    - WBD III.3.3:23 middelgang of breeje gang middengang, middenpad; middelschip - middenschip
  3. zelfstandig naamwoord

    Illustratie: Tijs Dorenbosch middelsèèn, middelsèène medicijn(en)

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun en de dames; Nieuwe Tilburgsche Courant 1940-01-20 - Er is mar één middelcijn, zee oome Teun, ge moet ze (de vrouwen) van 't begien aaf onder oewen duim haawen...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den jongen dokter; feuilleton in 3 afleveringen, Nieuwe Tilburgsche Courant 1939-04-22 - 1939-05-08 - ...en hij (de huisarts) hee-t-er mne man deurgebraocht zonder appeteker en zonder middelcijne!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afleveringen, Nieuwe Tilburgsche Courant 1939-02-25 - 1939-04-18 - ...dè-d-is nog de beste middecijn!
    - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (Moeder met kinderwagen tegen moeder met kinderwagen...) Dan mok wir naor t consolatie bero en zak wel wir aandere middelezijn krège (1963-10-23)
    - Cees Robben; Prent van de week 1964-02-28 - ...èn dan krèègt ie wir aandere middelesèèntjes...
    - Cees Robben; Prent van de week 1982-07-30 - Vruuger zaag ik blauw van de snevel (...) en naa vort van de middelsèène...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 09 04 - "Jè, Tiest ge hè't 'n kaauw gevat / Dès 'n kerwaai van weeke." / "Ge klopt mar ied'ren dag 'n aai" / Zee 'tie toen teege Miete, / "En daor motte as middesèn / 'n scheut Cognac bij giete."
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 05 09 - Aander middelcèn
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 09 01 - We weten t is nie gemak / Ge mot veul jaore leren, / Om as arts in de middelcèn / Straks òk iets te prestere.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 02 21 - Ons Jaans haolt strak / 'n Fles konjak / Dan is de griep zó téne / Op t Körvelplèn / Bij Jaansen zèn / De biste middelcènen.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 09 27 - D'r stao n kastje bij mn bed / Gelèk vol middelcènen.
    - Interview Bertens, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Daor din ze zogezeej in e zèg et es gauw in ts.. ts.. ts gòdvernondejuu die gebrökte ze zogezeej vur e vur middelsèène vur têen èn taander gebrèùke... - Interview Bertens, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Nou weet ik tòch gòdverdomme nie wèlk febriek dè dè was... Was dè bij den Organon?... Bij den Organon, jè!! Presies, daor wasset jè, daor wiere die ammel zogezeej vur middelsèène gebrökt.
  4. zelfstandig naamwoord

    Cees Robben - Prent van de week 1986-30-05 middelstander - middelstaander middenstander

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Bij ons Taantida zaag et er ôk veul deftiger èùt dan bij ons, gin matten maar vaaste vloerbedekking. Ons Taantida waar dan ôk enne middelstander volgens ons moeder.
  5. zelfstandig naamwoord

    midvêûr middenvoor; in het voetbalelftal

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven; Tilburg heeget nôodeg; ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960-1980 - ...of midveur van Velocitas...
mie
  1. zelfstandig naamwoord

    vrouw in het kaartspel; geit

    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - schuppemie - schoppenvrouw
    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - schuppemieje bepaald kaartspel dat ermee eindigt dat een der spelers met schoppenvrouw blijft zitten
    - H. Mandos en M. Mandos van de Pol; Brabantse Spreekwoorden, 2003 - ...et eróp hèbben as den bók op mieje (Kn'50.) - ...er zo belust op zijn als de bok op geiten
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - Mie (mi.i), Marie; verkleinde vorm Mieke; bij het kaartspel is de miej een benaming voor de vrouw
    miemie
  2. zelfstandig naamwoord

    traditionele Tilburgse dans

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - boerendans
  3. Muziek van de Mie Ketoen, zoals gespeeld door het Tilburgse duo straatmuzikanten Mie Fiedel en dere meens. Uit: Rolf Janssen, 'We hebben gezongen en niks gehad'; 1984

mie-karèèm
zelfstandig naamwoord

halfvasten; uit Frans

- WBD III.3.3:228 - mi-carême halfvastenzondag;- van Frans mi-carême
mieke
zelfstandig naamwoord

verkleinwoord van de naam Mie, geitje

- WBD - mieke, mieke mieke, gijt, gèt - roepwoorden voor de geit; mieke, mieneke mieneke - vleiwoorden voor de geit
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mieken; miekegeit - geit in de kindertaal
miekemèùk
zelfstandig naamwoord

treuzeltrien, droomster

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Wè zèè de tòch un miekemöök! - Wat ben je toch een droomster!
mielietèèr
  1. zelfstandig naamwoord

    militair

    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Dies mielietèèr bè de soldaote - Dubbele benaming.
    mielietèèr
  2. zware geweven stof om uniformen van te vervaardigen

    - Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - ... mar as ge dan die goedere hòd, ik zal zègge mielietèèr, duffel, hil dè zwaore goed... Toen ginge ze vort de uuriene van de mènse, ginge ze ooveral ophaole die vroeger toenzèèk noeme ze et, war. Dè ginge ze toen daor bij verplaatse om et boeltje nòg dicht te krijge.
mieljeu(w
zelfstandig naamwoord

milieu

- Interview echtpaar Staps, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Mar naa zègge ze van mieljeuw èn hiegiejeene...
miemaaw
zelfstandig naamwoord

zeur

- Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, Tilburg 2004 - Nòr die miemaawe moete niemir löstere...
miemaawe
werkwoord

- Zegsman Toine Raaijmakers - leuteren
miemèùkel
zelfstandig naamwoord

onhandig iemand, stoethaspel

mienejoo
naam

mogelijk bedoelt de spreker in het volgende audiofragment het schapenras merino

- Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - De fijnste wolle die koome öt de Mienejoo schaap, öt Frankrijk èn Itaalieje
mieneke
zelfstandig naamwoord

troetelnaam voor een geitje letterlijk mientje

- Cees Robben; Prent van de week 1961-09-29 - t mieneke van Jantje Ram/ Moes op gezette tijje/ Vur de vuruitgang naor t Laor.../ Want daor stond vruuger kaant en klaor/ Den bok... der kontereije...
mienoorès mieniem

Verwijzing naar de kloosterorde Ordo Fratrum Minorum Capucinorum, ofwel de in Tilburg zeer bekende kapucijnen, de minderbroeders capucijnen. - Cees Robben; Prent van de week 1957-07-06 - ...paoter Bernardus / minores miniem...

mientje
zelfstandig naamwoord

meisje, rokje

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - ...t is zoon mientje - onnoozel meisje; ...t is mar 'n mientje - kleedje of mogelijk rokje
mier hèbbe
werkwoord

ergens een hekel aan hebben

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Aan glad gebuunde zeil of perketvloeren hèk innen mier, as innen Israëlliet aon spek.
Mierd
zelfstandig naamwoord

Hooge of Lage Mierde ook: de Mierde, Hôoge èn Lêege Mierd

miere
werkwoord

vervelend doen, klieren miere - mierde gemierd; lange ie handhaaft zich

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Lig nie te miere! - Verveel niet zo!
- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 118; Naar beschaafder spraak; Nieuwe Tilburgsche Courant 1929-06-08 - Iemand, die allerhande karweitjes uitvoert zonder dat men weet, wat het allemaal is, wordt toegevoegd: - Wè zèdde toch aon 't mieren?; De zieke stumper lag te mieren in z'n bed.
- Cees Robben; Prent van de week 1986-05-23 - Gullie miert, maauwt en moppert
- Stadsnieuws, 2007-02-11 - Lig nie zo te miere, man, soodemieter aanders mar op!
- WBD III.1.4:271 mieren - aanhoudend klagen
- WNT - jeuken, aan iets peuteren, peuterwerk doen; in Zuid-Nederland.: mikken, op iets turen, loeren.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - miere - zeuren
miert
  1. zelfstandig naamwoord

    1. vogelmuur (Stellaria media) vaak gebruikt als vogeltjesvoer in volière

    - Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - miert - plantje dat hier menigvuldig voorkomt
    - WBD III.4.3: 276 - De vogelmuur (Stellaria media) is een klein onkruidje, dat bijna het gehele jaar bloeit, op alle mogelijke plaatsen voorkomt en zeer algemeen is.
    - WBD III.4.3:277 - miert (frequent in Kempen en in het midden van Tilburg)
  2. 2. watermuur (Myosoton aquaticum, ook Malachium aquaticum)

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - watermuur (Malachium aquaticum)
    - WBD III.4.3:277 - De watermuur (Myosoton aquaticum of Malachium aquaticum) heet in Tilburg miert. Het is verwant aan vogelmuur, maar groeit alleen op vochtige plaatsen.
  3. 3. gewone guichelheil (Anagallis arvensis)

    - WBD III.4.3:315 - rôoje miert - guichelheil (Anagallis arvensis)
  4. Het guichelheil (Anagallis arvensis) is een 5 tot 40 cm lage plant met liggende stengels dat tapijten vormt. De bladeren zijn eivormig en ongesteeld en groeien tegenoverstaand. De rode of vleeskleurige bloemen groeien in de bladoksels en hebben vijf kroonblaadjes. De bloemen zijn alleen bij zonnig weer in de voormiddag geopend. De bloeitijd duurt van mei tot september. Guichelheil groeit op bouwland, in moestuinen en grazige duinterreinen. 4. muurpeper (Sedum acre)

    - WBD III.4.3:365 mier; ook genoemd: vètkrèùd of peeperplantje
  5. naam

    De muurpeper (Sedum acre) is een klein zodevormend vetplantje van 5 tot 15 cm groot. De stengels zijn kruipend en kort. De lichtgroene bladeren zijn kort en bolrond, staan dicht opeen en bedekken elkaar dakpansgewijs. De bloeiende stengels verschijnen in juni en juli en groeien rechtop; de stervormige bloemen zijn geel en hebben vijf kroonblaadjes. 5. sterremuur (Stellaria media cyrillo) Zie 1

    - H. Heukels, Woordenboek der Nederlandsche volksnamen van planten (1907 & 1987) - mier (Stellaria media cyrillo); muur, ten oosten van Tilburg
  6. zelfstandig naamwoord

    mieter verkorting van soodemieter; bastaardvloek - Cees Robben; Prent van de week 1964-06-19 - As de mieter naor boven... want gij brengt er het brekspul in... miezèère ellende, droefenis, treurnis; uit Frans misère

    - Piet Heerkens; De Mus; Kenderpraot, 1939 - Kenderpraot,/ ik heur 't zo geere!/ Babbelen uit 'ne kendermond/ maokt me los van veul mizeere...
    - Piet Heerkens; De Kinkenduut; Mijn irste broek, 1941 - ochheere, wèn misère...
    - Henriëtte Vunderink; k Zal van oe blèève haawe; Vruuger, 2007 - Mar wij as kènder wiese van/ gin zörregen èn miezèère...
    - Henriëtte Vunderink; Tis de moejte wèrd; Jong zèèn, 2011 - Zij kènne nòg gin zörrege, gin miezèère.
  7. 2. werkwoord, zwak term in het kaartspel rikken

    - Tilburgse scheurkalender, 2007-08-28 - miezjèèr - Speelwijze waarbij de speler meent te kunnen voorkomen dat hij een slag haalt.
    - oope miezjèèr - idem, met de kaarten open op tafel
    - oope miezjèèr meej en pròtje - de tegenspelers mogen overleggen, dit laatste noemen natnekken ook wel misère ouvert consultative
    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - (ik) miezèèr; ik speel en ga geen enkele slag halen; de speler heeft zeer lage kaarten. Als hij zelfverzekerd is, biedt de speler oope miezèèr, waarbij hij zijn kaarten op tafel legt; de drie tegenspelers mogen echter niet overleggen hoe zij hun kaarten gaan uitspelen om de bieder er alsnog in te spelen. De hoogste vorm van lage kaarten hebben, is het bod oope miezèèr meej en pròtje: de tegenspelers mogen overleggen.
    - Cees Robben; Prent van de week 1971-01-02 - En opa riep/ Dan naa of nôôt... miesèère!!/ Heel hendig wier t spel gespuld,/ Hij zôtter eene haole...!!! (De laatste regel uiteraard gezien vanuit opas tegenstanders)
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Meej aoze kunde nie maoze... - Met azen kun je geen misere spelen...
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Af en toe wiert er éne kaod, omdè zenne maot der neffen braoide of omdettie meej de liste slag der nog in misèèrde
  8. Cees Robben - Prent van de week - 2 januari 1971 Vrouwke Misère en de Dood. Afbeelding uit De Engelbewaarder, jaargang 62 (195-51). Vrouke miezèère h oofdfiguur in een populair volksgedicht van Guido Gezelle. Vooral als voordracht bij feesten en partijen geliefd in vele varianten.

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Ik kos reedelek vurdraogen al zeg ik etzelf dus vroeg ik et woord vur Vrouwke Misère. Ik heb der sukses meej gehad, elke verjaordag as hullie taante Toos kwaam, waar et: Lodewijk draogde gij Vrouwke Misère nog ens veur, dè vèèn ik zôo schôon.
miezere
werkwoord

motregenen, miezelen miezere - miezerde gemiezerd (korte ie)

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Zót naa hil den dag blèève miezere! - Zou het nou de hele dag blijven motregenen!
- WBD III.4.4:65 miezeren - lichtjes regenen
- WNT - miezelen - zacht, dun regenen; verwant met mist
miezereg
naam

druilerig (van het weer)

- WBD III.4.4:39 - miezerig weer - wisselvallig weer
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - miezerig - 1. regenachtig, druilerig; 2. iezegrimmig - ...wa heesse toch e miezerig gezicht!
- WNT - miezerig - druilerig of ook slechtgehumeurd; stuursch. Het woord beteekent ook: onwelvarend, ziekelijk.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - miezer; miezerig - bedrukt, treurig, ziekelijk; hij zag er zoo miezer uit; ze kan zoo miezerig zien
miezezon
  1. zelfstandig naamwoord

    lichte jas; zowel in voorjaar als najaar draagbaar, echter ook voor dameskleding in gebruik

    - Ed Schilders; - WTT - 2013 - Uit het Frans demi-saison met weglating van de als lidwoord opgevatte eerste lettergreep; dat wil zeggen: bij demi is het deel de' opgevat als het Nederlandse lidwoord de, alsof er stond: de misaison, uitgesproken miesezon of miezezon
    - Cees Robben; Prent van de week 1974-03-22 - Ik docht ik laot mn koo-ver-kooke mar is uit en ik trek mee dees weer mn miezezonneke mar is aon...
    - Cees Robben; Prent van de week 1957-07-06 - Den pronten staand van geenekaant/ Die haauwe vaast mee haand en taand../ en draogen nog meej eere.../ dn missieson.. dn sjetten sok/ t flenelleke.. dn baaijen rok/ al is t ôok nie te keere....
  2. Cees Robben - Prent van de week 22-3-1974

    - Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad; Tilburg Plus, 2009 - We droege gin boezeroen mir, mar missiezonnekes. Èn palletoo èn kooverkookes. Dè waar ammòl vur ooverdaags.
    - WBD III.1.3:33 - demi-saison - lichte herenoverjas; ook: demi
  3. zelfstandig naamwoord

    Tilburgsche Courant - 26-10-1879 Demi-saison - advertentie uit Nieuwe Tilburgsche Courant 1895 Het einde van de miezezon Uit een artikel in de Nieuwe Tilburgsche Courant van 25-3-1936 mik

    - WNT - Etymologisch zal mik wel verwant zijn met het Franse miche, doch men kent dit verband niet.
    - Ed Schilders; - WTT - 2012 - De etymologie is sindsdien duidelijker geworden. Rey - Dictionnaire historique de la langue française geeft onder lemma miche: est issu (1172-1190) du latin populaire micca, forme renforcée de mica parcelle, miette.
  4. naam

    1. witbrood

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 108 , NvhZ, 13-08-1970 - Is een zaak of situatie zoals zij behoort te zijn, valt er geen omissie, gebrek of tegenspraak te ontdekken, dan kan de Tilburger voldaan constateren: "Het klopt als twaalf aaieren (eieren) mee 'nen mikken boterham". (Mik is wittebrood). Wij voor ons zijn op het eerste gezicht geneigd te denken, dat dit een nogal ongewone maaltijd betekent en dat het derhalve helemaal niet klopt. De gedachte zal hier derhalve wel uitgaan naar een stevige maaltijd. Als zodanig is het dan wel wéér in orde. Het is: "dikke mik!"
    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - ...òch èèrm stèùversmikske, wè hèdde tóch wèèneg krèùm [...wat stel je toch weinig voor].
    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - ...meej de Paose krèège me mik óp mik èn kèès dertusse
    - A. Wibbelt; uit het feuilleton Ome Teun en de iemkers (Nieuwe Tilburgsche Courant vanaf 07-09-1940, vertaald en naverteld door Piet Heerkens - Den aawe Teurlings wiste de taoffel aaf mee 'nen slip van z'ne kiel, sloeg de kat naor den aanderen hoek van de kaomer en smeet et brood en de mik in de kaast. - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Hier zèn twee mikke; mar ik lus gin mik. - Hier zijn twee wittebroden; maar wittebrood lust ik niet.
    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - ene mikken botteram - een boterham van wittebrood
    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - dikke mik - dik in orde; dikke mik meej zuure zult - heel dik in orde
  5. naam

    RVan brôod wòrde grôot, van mik wòrde dik

    - Piet Heerkens; Dn örgel; Van de luien bekker, 1938 - Daor was er eens 'nen boeremik,/ nen boeremik mee krente/ van drie en dartig cente,/ en de mik waar lang en dik./ En de boeremik laag dik en lang,/ al donkerbruin van bove,/ te bakken in den ove,/ mee 'n kleurken op z'n wang.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); uit Moederdag, ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960 - 1980 - ..zis man moes worre ötgezakt/ drie sneekes mik, vier dikke rogge/ meej en flitterke gehakt
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); uit Moederdag, ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960 - 1980 - Dan snee ze (moeder) irst de witte mik/ En t kuntje daorvan dè krèèg ik / De smaok daorvan vergeet ik nôôt/ Nao alle daoge roggebrood.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); uit Moederdag, ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960 - 1980 - Ik haol wir vorsgebakke mik/ Bij onzen ègen bekker/ Want toen die mee vekaansie/ Was t nergeraans zó lekker.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ik zôt gaon missen, et eten van die grôte sneeje mik meej reuzel.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ze lieten twee blikskes corned bief aachter en zonne vierkaante witte mik, bij ons waar et brôod aaltij langwerpig.
    - Piet van Beers; CuBra, 2008 - Ik haaw nie zôo van mik./ Ge kunt er slèècht van poepe./ Mar.wit meej vèrse aardbeie/ daor kunde me vur roepe.
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Mik òf soep in oew ôoge oogvuil
  6. naam

    Schilderij van Gerrit Heda (detail) - Stilleven met witbrood - 17e eeuw Nieuwe Tilburgsche Courant - 11-2-1921

    - WBD III.2.3:186 mik - wittebrood; ook witte mik of wit mikje; brood van fijn gebuild tarwemeel waar alle zemelen uit verwijderd zijn
    - WBD III.2.3:192 - ronde mik - rond wittebrood
    - WBD III.2.3:188 - mik tarwebrood
    - WBD III.2.3:193 - mik - langwerpig wittebrood
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 mik - Deze soort van brood wordt hier veel gebakken, zoowel van tarwe als van rogge.
    - K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster, 1968) mik - Een soort van brood uit bloem van roggemeel en zomtijds uit tarwemeel gebakken.
  7. 2. putgalg, vorkvormige vertakking

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-02-04 - Dat komt uit als spurrie met n mikske () Voor een niet-Tilburger is deze uitdrukking ongetwijfeld met duisternis omhangen. Spurrie, dat als voeder voor het vee door de boeren op de akker verbouwd wordt, kent men nog wel, maar met dat mikske wordt het al wat moeilijker. Dit is het verkleinwoord van mik. En hieronder verstaan wij in onze streken (behalve een wittebrood) ook een gaffel. Gaffel heeft ook de betekenis van hooivork maar die wordt hier niet bedoeld, al houdt ook deze benaming toch wel verband met onze mik. Een mik dan duidt een vorm aan van een Griekse ie, dus Y. Men treft deze o.a. veel aan in houtgewassen, daar waar takken of stammen zich in V-vorm splitsen. Nu schijnt het een eigenschap van spurrie te zijn, dat deze zich ook V-vormig vertakt. Als dit gebeurt, wordt voldaan aan een voorwaarde, waaraan spurrie behoort te voldoen. Dan is de zaak in orde. Dan klopt ze dus.
    - WBD - 1. putgalg; naast de put staande gaffelvormige paal met putzwengel; 2. deel van een boom waar de stam zich in tweeën splitst
    - WBD III.4.3:53 - mik - splitsing van een stam; ook vork of gaffel genoemd
    - WBD III.3.2:130 - mikske - stokje dat aan één kant in twee uiteinden uitloopt, waarmee kinderen vogelnestjes uithalen
  8. 3. stuit, achterwerk, kont, kruis van het menselijk lichaam

    - WBD III.1.1:135 - mik - kruis
    - Stadsnieuws, 2007-03-04 - Bij et voetballe wier ie ontiegelek teege zene mik geschupt.
  9. 4. voorgaande betekenissen samen

    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], Baarn, 1978 - mik - 1. wittebrood; 2. plaats waar aan een boom een zijtak groeit; 3. kruis, plaats waar de benen beginnen: toe zne mik toe.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - ene mik 1. weg; 2. wittebrood
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - mik 1. gaffelvormig hout (nen boom mè 'ne mik); 2. brood van tarwebloem, wit brood; 3. kruis der broek
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mik 1. witbrood; 2. gaffelvormige boomtak; 3. plaats waar de dijen bij elkaar komen
mikke vink
zelfstandig naamwoord

bepaald soort feestelijk brood

- A.J.A.C. van Delft; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-12-05 - Zoo hadde bevoorbild mikke vinken. Nou ziede die niemeer, net zo min as unne mik mee vinken. () Mikke vinken waren kleine broodjes op een stokje van brooddeeg gebakken met soms een paar oogjes van krenten er in en een kippeveertje als staartje. Die werden gestoken in een, liefst ronde, roggemik, die met Sinterklaas op tafel prijkte: dat was de mik mee vinken
mikke vinkmikke vinkmikke vink
milledie
zelfstandig naamwoord

melodie

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, Tilburg 1984 - ...ik ken 'n milledieke
milledieke
zelfstandig naamwoord

melodie

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, Tilburg 1984 - ...ik ken 'n milledieke
Milstraot

toponiem Meelstraat

- Interview Van den Aker. 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Toen wonde wij nòg in de Milstraot (Meelstraat), zo lang is dè geleeje... Jè, ik hèb driejenvirteg jaor in etzèllefde hèùs gewond in de Ballingstraot
min
naam

klein, jong

- Interview Jolen, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Hil men lèève geroktsiegaare Jao, mar toenk nòg zo min was rokte ik nie veul siegaare... Het gebeurde òf zôo, mar siegrètte nie, die hèk nôot gerokt!
minnebroeder
  1. zelfstandig naamwoord

    minderbroeder (kloosterorde)

    - Cees Robben; Prent van de week 1964-12-31 - Toen we nog vreeje waarde unne echte minnebroeder... Naa zèède vort unne kruisheer...
    - Ed Schilders; - WTT - 2012 - De uitdrukking (bij Robben) is een woordspel met de twee kloosterorden minderbroeders en kruisheren. Minderbroeders zijn franciscanen (Ordo Fratrum Minorum, O.F.M.), volgelingen van Franciscus van Assisi; naastenliefde kenmerkt hun streven. Kruisheren behoren tot de Orde van het Heilig Kruis (Latijn: Ordo Sanctae Crucis, OSC); de uitdrukking is uiteraard ook gebaseerd op de uitdrukking dat iets of iemand een kruis', een last, is; vergelijk ieder huisje heeft zijn kruisje.
    - Van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 111; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-27 - Zoolang ze vrijen, zijn het minnebroeders, doch getrouwd worden het kruisheeren.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 15; Nieuwsblad van het Zuiden, 1964-10-21 - Ja, hoe gaat het eigenlijk met die mannen: Zolang ze vrijen zijn het minnebroeders, getrouwd worden het kruisheren.
    - Noord en Zuid, jaargang 7, 1884 , pagina 148 - Zoo heet ook de minderbroeder (minoriet of Franciscaner monnik) in het Middenederlands nog minrebroeder, en zelfs nog bij Hooft, Henrik de Grote (uitgave 1626, bladzijde 146). Verkeerde opvatting van hett woord heeft de assimilatie van nr tot nn in de hand gewerkt en den vorm minnebroeder doen ontstaan.
  2. Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

minneke
zelfstandig naamwoord

vrouwelijk jong van een geit; variant op

- WBD - minneke - vrouwelijk jong van een geit
- WBD - mieneke mieneke - vleiwoorden voor een geit
- WBD III.2.1:492 - minneke, minneke poes - benaming voor een kat, roepnaam van de kat
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - minneke, minnekepoes - naam dien men aan eene kat geeft
minnekes
bijwoord

minimaal

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); 't Klokhuis van Brabant, aflevering 3; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-23 - ...'t stond er zoo minnekes bij
- WBD III.1.1:25 - minnekes - zwak; ook min
mis
zelfstandig naamwoord

1. mest

- Van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-20 - We hebben dan tegelijk veul mis voor ons eirepullaand, want huskemis deugt nie daorveur. Dè witte, war
- Weekblad van Tilburg; Een roestpraatje, 1867-10-05 - Veur 't mis.
- WBD - mis, mist - mest, stalmest (in Hasselt)
- WBD - miskèùl - mestkuil, mestvaalt
- WBD - mis rije - mest naar de akker brengen (op Korvel)
- WBD - mis aftrèkke - mest van de kar trekken (in Hasselt)
- WBD - mishupke mesthoopje; op de akker liggend hoopje mest (in Hasselt)
- WBD - mis brèèjke - mest verspreiden (in Hasselt)
- WBD I.4.1:54 - mis - vogelmest, ook vogeltjespoep genoemd
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - mis, mes - mest
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], Baarn, 1978 - mis mest; zn mis hoo:g draoge - lange benen hebben.
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant. 1937 - mis (kaart 56); mis, mist (bladzijde 143); zie afbeelding hierboven.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mis, mes - mest
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mis - mest
mis
misfòlt
zelfstandig naamwoord

mestvaalt

- WBD - mesthoop op het erf, ook misthôop genoemd
- WBD - mestkuil; vaak omlijst door een laag stenen muurtj; ook misfölt of miskèùl genoemd
- WBD - misfölt - mestkuil, ook misfòlt genoemd
- WBD - miskèùl mestkuil
misfòltmisfòltmisfòltmisfòlt
mishaok
zelfstandig naamwoord

- WBD - mesthaak; gereedschap om de mest uit de stal of van de kar te trekken
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mishaak, meshaak, mesthaak - drietandige omgebogen haak om het mest uit den stal of van de kar te trekken
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mishaok - tweetandige vork
mishôop
zelfstandig naamwoord

mesthoop

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 mishoop - mesthoop, rommeltje, troep
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - mishoop vuilnisbelt
- WBD - mesthoopje op het land (in Hasselt)
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mishoop, meshoop - mesthoop
mishupke
zelfstandig naamwoord

mesthoop

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 mishoop - mesthoop, rommeltje, troep
- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - mishoop vuilnisbelt
- WBD - mesthoopje op het land (in Hasselt)
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mishoop, meshoop - mesthoop
Misjenaaresstraot

toponiem Missionarisstraat

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Koske van de Wouw wonde op de hoek van de Misjenaaresstraot in dè kefeejke daor!
misse
werkwoord

mesten

- Van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110, Nieuwe Tilburgsche Courant 1929-04-20 As we dan goed misten, dan haolen we een vat van de roei, de zetters en verrekeseirepul nie meegerekend, nee alleen een vat eeters, zoo keuvelde een Hasseltsche huiswever
- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1990 - Goed dek giestere gemist heb.T'is vandaog zo mistig!
- WBD - misse - mesten (op Korvel)
misselek
  1. naam

    misselijk echter hier niet in de betekenis van 'neiging tot braken' of 'onpasselijk' maar om aan te geven dat iets niet zeker is of onbekend.

    - WNT - misselijk - onzeker, hachelijk; thans verouderd. Bij deze betekenis denkt men onwillekeurig aan het werkwoord missen; een woordje misselijk', daarvan inderdaad afgeleid, bestaat in West-Vlaanderen in de zin van: kunnende gemist worden, ontbeerlijk.
    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Hoe laot ie töskómt, dès misselek!
    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Hoeveul er in de pòt zit, dès misselek!
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], Baarn, 1978 - misselijk - moeilijk te raden. Als bijvoorbeeld gevraagd werd wat iemand wel aan bezit of inkomen had en het antwoord luidde dès misselijk, betekende dit dat het bedrag zeker niet laag zou zijn.
  2. naam

    Andere betekenissen

    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - misselijk - voor misnoegd, te onvrede; bijvoorbeeld misselijk over iets zijn.
missezin
zelfstandig naamwoord

smoesje

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Dès nòg ene schôone missezin! - Dat is nog eens een mooi smoesje!
missiekiendje
zelfstandig naamwoord

- Elie van Schilt; As ge katteliek geboren wierd; CuBra, circa 2000 - Dun pastoor en ok dun fabrikaant zagen ut liefst un huyshouwe mee un stuk of aacht jong, ut mòògen ur ok gerust meer zèèn, mar det wò nie zeggen det iederèèn zun èègen daor aon hield. Durum kwamen Cappesienen of Paoters aaf en toe donderpreken houwen, ze noemde die weken dan un missieweek. De meesen waoren daor dan zó van verschoten, veul din ut dan wir zó as ut moes. Dus nie mee ut kruyske de kerk uyt of daogen tellen. Wier ur dan negen maonden laoter un kiendje geboren, dan was ut un missiekiendje. Dus zò'n kiendje had zun lèèven te danken aon ut katteliek zèèn van zun ouwelui.
misstik
zelfstandig naamwoord

- WBD - meststik - gereedschap voor opeengeperste mest
mist
  1. zelfstandig naamwoord

    mest

    - Cees Robben; Prent van de week 1961-12-29 - En pruufde van dn mist...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Zólang èèrpel zètten as ge mist hèt... - volhouden zolang je kunt
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ...in dieje mist ziede dieje mist nie - in die mist zie je die mest niet
    - WBD - mist - mest, stalmest, ook genoemd mis (in Hasselt)
    - WBD - mistkalf - mestkalf
    - WBD - mistvörk - mestriek
    - WBD - mistkèèr - mestkar
    - WBD - mist laoje - mest laden
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - mis (kaart 56); mis en mist (bladzijde 143)
  2. bijwoord

    - Cees Robben; Prent van de week 1955-08-06 - En naa treft mèn wel t mist...
    - Cees Robben; Prent van de week 1958-05-24 - Wie heej naa zn èègen t mist laoten paaien...?
    - Cees Robben; Prent van de week 1980-07-1 t Staoter zôô mar schraol bij... Jè, wie nie mist, mist t mist... Wie niet mest, mist het meest... en daarom staat het gewas er maar schraal bij; tegenwoordige tijd hier van misse (missen) en tegenwoordige tijd van miste (mesten)
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, 1970 - Wie et miste heej, stèèrft et nôojst (ook geciteerd in Mandos; Brabantse Spreekwoorden, 2003)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Nòr de miste van de liste fiste is ie meej gewist.
mistal
bijwoord

meestal

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, Tilburg 1984 - óns moeder zaat mistal te spinne
- Cees Robben; Prent van de week 1957-05-25 - Wij schudden ons mölderkes mist uit de heg ...of vonge ze rond de lantèère op straot...
- Cees Robben; Prent van de week 1965-04-16 - As gem iets vraogt gift ie mistal gin sjoegel...
- Cees Robben; Prent van de week 1970-10-16 - En boven deze soeppot hong... Mistal n locht van smôôr
- Cees Robben; Prent van de week 1978-06-30 Mistal drek
- Jos Naaijkens; Mènne ceeveej; CuBra - Wèl vúr 19.00 uur belle. Ze leej mistal vruug in bèd.
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Frietkot, 2009 - Op Zondag hèk mistal gin zin om te kooke.
miste
  1. bijwoord

    - Cees Robben; Prent van de week 1955-08-06 - En naa treft mèn wel t mist...
    - Cees Robben; Prent van de week 1958-05-24 - Wie heej naa zn èègen t mist laoten paaien...?
    - Cees Robben; Prent van de week 1980-07-1 t Staoter zôô mar schraol bij... Jè, wie nie mist, mist t mist... Wie niet mest, mist het meest... en daarom staat het gewas er maar schraal bij; tegenwoordige tijd hier van misse (missen) en tegenwoordige tijd van miste (mesten)
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, 1970 - Wie et miste heej, stèèrft et nôojst (ook geciteerd in Mandos; Brabantse Spreekwoorden, 2003)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Nòr de miste van de liste fiste is ie meej gewist.
  2. werkwoord

    mesten

    - Cees Robben; Prent van de week 1957-03-09 - Mn haande vol blèène van t kreugeltje douwe... van t misten en spaoje
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Kèrsmes vruuger...; ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960-1980 - Akt aachteraaf bekèèke moet/ vierde we Kèrsmes vruuger goed./ Meej en knèntje, zèlf gemist/ ha hil et höshaawe grôot fist.
    - Piet van Beers; Brabants - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - 1, z.j., circa 2005 - Van veul heure zègge: Ik hèb wel es heure zègge,/ dè hij, die 't miste, mist./ De grotste èèrpel ötstikt/ Dès aaltij zôo gewist.
mistegetije
bijwoord

meestentijds, meesttijds, meestal

- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - meestegetijje
- Stadsnieuws, 2008-11-19 - Hij heej mistegetije nòg gin tèèd om rusteg zenen botram te eete
mistentè(è)ds
bijwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - mistentè(è)ts - meestal, meestentijds
- Grôot Dikteej, 2007 - Mistentèèds zitter en vrouw in de spreekkaomer...
mistentij
bijwoord

meestal

- Jan Jaansen; (pseudoniemen van Piet Heerkens svd); feuilleton Bad Baozel, 8 afleveringen, Nieuwe Tilburgsche Courant 1938-12-31 - 1939-02-18 - De barones laag mistentij op et bed...
mister
zelfstandig naamwoord

meester, schoolmeester, onderwijzer

- Cees Robben; Prent van de week 1968-06-28 - Mister, ge mot er op tèèd wè aaikes onder lègge...
- Cees Robben; Prent van de week 1970-08-21 (Onderwijzer tegen leerling...) Gij Pietje... de drie trappen (van vergelijking) van sterk. ...stèèrik, mister... onnut stèèrik ...en t pèèrd van Jantje Groenen, mister...
- Cees Robben; Prent van de week 1984-01-06 - Dè weet ik, mister...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Wè zal de mister ene slòdder beure! - wat zal de meester veel verdienen!
- Stadsnieuws, 2006-09-13 - In Tilbörg waare hil wè misters die ôot fraater han wille wòrre
- Karel de Beer; Bijnamenboek, Tilburg 2000 - de mister - Jos Eras (bladzijde 38)
- Karel de Beer; Bijnamenboek, Tilburg 2000 - de meester - Eduard van Spaendonck (bladzijde 73)
- WBD III.3.1:450 mister - meester, hoofdmeester, hoofd, schoolhoofd
- Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mister - meester, onderwijzer
misterknèècht
  1. zelfstandig naamwoord

    meesterknecht

    - Interview De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Jaa jaa jaa jaa jaa ik hèb er tweejendèrteg jaor meesterknecht, noemde ze dè toen. Baas, hè. Mar dè was vruuger, dan zin ze mar ôo, dè was ene misterknèècht, hè
    - Interview De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Ik krêeg bericht dèttek dan èn dan om, om twaalf uur moes koome bij Riche op den Heuvel, hè! Daor was de misterknèècht van de fabriek, hè! Van en Duitse firma!
  2. Foto: Henri Berssenbrugge - Regionaal Archief Tilburg

misthôop
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - mesthoop, puinhoop
- Elie van Schilt; - Aachter in onze tuin, laag net as bij iederéén de misthòòp, daor laag van alles, de mist uit de konijnehokken, èèrpelschellen, afval van gruunte, sjuust en ok dieje misthòòp had ok zunnen eigen stank. Stonk ie te hard, dan wieren er un paor schoepen zaand overgegooid en dan stonk allèèn de zijkaant nog.
misthôop
mistkeever
  1. zelfstandig naamwoord

    mestkever

    - WBD III 4.2:175 mestkever - Mestkever is de algemene naam voor een familie van kevers die van mest leven; de bekendste twee soorten zijn de grote zwarte mestkever (Geotrupes stercorarius, ongeveer 2 cm) die vooral op de hei voorkomt en zn nest volpropt met mest en de kleine veldmestkever (Aphodius fimetarius, 5-8 mm), een klein algemeen voorkomend kevertje met een oranjebruin schild en een zwart borststukje dat leeft op en van halfdroge paarden- en koeienmest. Samengestelde woorden met mest- en strontinsecten:
    - WBD - strontkever (frequent in Tilburg) - WBD - mestkever (frequent in Tilburg) - WBD - strontmulder (midden van Tilburg maar zeldzaam) - WBD - strontbeest (Tilburg) - WBD - stronthommel (Tilburg)
  2. Geotrupes stercorarius - Wikipedia Aphodius fimetarius - Wikipedia

mistvörk
zelfstandig naamwoord

mestvork

- WBD - mestriek; ook genoemd 'riek'
mistvörkmistvörk
miszègge
werkwoord

- Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, Tilburg 2004 - miszègge - verkeerde dingen zeggen, de mond voorbij praten
miszin

verleden tijd van

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - missin miszeiden; missin ik wè? - zei ik iets verkeerds?
- Cees Robben; Prent van de week, ongedateerde aantekening - Mar ze miszin gin woord...
- WNT - miszeggen l. iets zeggen dat verkeerd, onjuist, ongepast is; 2. iemand iets beleedigends zeggen
mitje
zelfstandig naamwoord

meetje, op de grond getrokken streep

mitjesteeke
  1. werkwoord

    meetje steken

    - Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, Tilburg 2004 - mitjesteeke kinderspel; landje veroveren
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - ...en dan was 't hil den dag mitje steke.
    - Pierre Van Beek; Tilburgse Typen, aflevering XIII; Nieuwe Tilburgsche Courant, 28 maart 1958 - En mitje stêke, een spelletje om centen, was vroeger bij politieverordening verboden.
    - Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Toen din ze niks as mitje steeke, war, èn stintje klètse! Der konde klèèn èn der konde grôote meej doen mar et ging aatij om de sènte èn dè waare mist grôote. Die hòn meer sènte as de klèèn mar ze môoge dan tòch wèl ene keer van hullieje vadder meej doen!.
  2. naam

    - Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1990 - De kleen brakke zen in dun hof ont mitje steke!
    - Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1990 - Kiesde gij bij ut Mitje steke Obburus of Munt ?
    - Cees Robben; Prent van de week - mitje steeke meej schèfkes; blikken bovenstukken van garenpijpen
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ok midjesteken wier veul gedaon. Ge moest dan perberen van un bepaolde afstand centen in enne getékende hoed op de grond te gooien. As oe dè lukte, mochte alle centen, die er omhene lagen, hebben. Wij deeje daor nie aon meej want wij han gin centen, et blééf bij kèèke.
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mitjesteejke - meetje steken
    - WBD III.3.2:206 - mitjesteeke - meetje steken
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - meet - geteekende schreef, waar men den voet of de hand moet houden om het spel te beginnen; meetje schieten - een spel waarbij de jongens met geldstukken werpen naar eene op den grond getrokken schreef
möddekevèùl
zelfstandig naamwoord

smerige vrouw, smerig meisje mogelijk is 'möddeke' afgeleid van 'modder'.

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - möddekevuil - smerig, vuil meisje
- WNT - modde, moddeke - scheldnaam voor eene vrouw, inzonderheid, naar het schijnt, voor een vuil, lomp en onhandig vrouwmensch
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 modde, moddeken - wordt hier, in de straattaal, wel gebruikt voor een vuil, slordig, vrouwspersoon
mòdden
werkwoord

overhoophalen

- WBD III.1.2:74 - modden, modderen - overhoophalen
moeder
  1. zelfstandig naamwoord

    1. moeder

    - Cees Robben; Prent van de week 1954-02-13 - n moederke vol stil geluk......
    - H. Mandos en M. Mandos van de Pol; Brabantse Spreekwoorden, 2003 - zen èège moeder nie gekoozen hèbbe (Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, 1969) - gezegd als er kritiek komt op de mening, c.q. het gedrag van de moeder.
    - WBD III.2.2: 66 moeder - idem, ook ons moeder
  2. 2. echtgenote

    - Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Dè was en dwèèltocht, war, toedè we tös kwaame èn dan laagen ons ôogen al en bietje boovenop èn dan kwaame we tèùs èn dan viele we in de bèdsteej oover ons moeder heen, omdè ge zat waart!
moederke
  1. zelfstandig naamwoord

    1. moeder

    - Cees Robben; Prent van de week 1954-02-13 - n moederke vol stil geluk......
    - H. Mandos en M. Mandos van de Pol; Brabantse Spreekwoorden, 2003 - zen èège moeder nie gekoozen hèbbe (Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, 1969) - gezegd als er kritiek komt op de mening, c.q. het gedrag van de moeder.
    - WBD III.2.2: 66 moeder - idem, ook ons moeder
  2. 2. echtgenote

    - Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Dè was en dwèèltocht, war, toedè we tös kwaame èn dan laagen ons ôogen al en bietje boovenop èn dan kwaame we tèùs èn dan viele we in de bèdsteej oover ons moeder heen, omdè ge zat waart!
moedermeejnsallêen
bijwoord

moederziel alleen

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], Baarn, 1978 - moejermiesallee:n - moederziel alleen
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - moedermens(ch)alleen, moederziel-alleen - gans alleen
moedermeejsallêen
bijwoord

moederziel alleen

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], Baarn, 1978 - moejermiesallee:n - moederziel alleen
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - moedermens(ch)alleen, moederziel-alleen - gans alleen
moefele
werkwoord

moffelen, verbergen

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - iets wegmoefele - doen verdwijnen
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 moffelen - verbergen. Het is een zeer goed woord, komende van moffel, mof, eigenlijk iets dat bedekt, wordende moffel in het Hoogduits ook genaamd zekere soort van ketel, door de scheikundigen gebruikt wordende. In het Fransch zijn mouffles wanten of handschoenen van welke de vingers niet van elkander gescheiden zijn.
- WNT - moffelen iets behendig in zijn moffel wegstoppen
moefelèèr
  1. zelfstandig naamwoord

    moffelaar

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 187, 1974-07-15 - Van verbergen gesproken: In dit verband kennen we het woord moefelèr. Dat is iemand, die iets stiekum verbergt, ongemerkt wegpikt of iets laat verdwijnen. We hebben hier te maken met wegmoffelen, wat ons doet denken aan de mof, een accessoire van dames uit het begin van deze eeuw, dat meestal uit bont bestond en in de winter gedragen werd om beide handen in weg te steken. Toen kloosterlingen nog habijten met wijde mouwen droegen, plachten zij vaak hun handen in die mouwen te steken. Daardoor kregen ze wel de spotnaam van moefelèr.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 moefelèèr - iemand die iets verbergt
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende per beersel, 1996 - kloosterling (die zijn handen in zijn wijde mouwen stak)
    - Stadsnieuws, 2006-02-11 - Meej dije moefelèèr moete ötkèèke: hij naajt oe wòr ge bij staot!
  2. Typoscript - Archief Pierre van Beek

moeje
werkwoord

bemoeien moeje - moejde gemoejd, korte oe

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - zenèège moeje - zich bemoeien
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Waor moejde oewèège teegenaon? - Waar bemoei je je mee?
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-10 - ... hil de omgeving moeide z'n eigen mee de opvoering
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-18 - Asse naa nie is héél gaaw gaon publiceere wie die zen, dan zulle wij er ons ège is mee gaon moeie, Karel.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Daor ha ene paus, bisschop of pestoor zen èège niemer tegenòn te moeie.
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik zèg, Moeide gij oewèège nèèreges tegenaon, verrekten drèùpsnor!
- WBD III.1.4:106 - moeial, bemoeial - snotneus
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958, deel 2, Vocabularium, 1958 - moeien - zich bemoeien met
moejer
  1. zelfstandig naamwoord

    1. moeder

    - Cees Robben; Prent van de week 1954-02-13 - n moederke vol stil geluk......
    - H. Mandos en M. Mandos van de Pol; Brabantse Spreekwoorden, 2003 - zen èège moeder nie gekoozen hèbbe (Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, 1969) - gezegd als er kritiek komt op de mening, c.q. het gedrag van de moeder.
    - WBD III.2.2: 66 moeder - idem, ook ons moeder
  2. 2. echtgenote

    - Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Dè was en dwèèltocht, war, toedè we tös kwaame èn dan laagen ons ôogen al en bietje boovenop èn dan kwaame we tèùs èn dan viele we in de bèdsteej oover ons moeder heen, omdè ge zat waart!
moejzèèker
zelfstandig naamwoord

mier

- Informant Piet Mutsaers mier
- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - moierzaike mieren
moeljènnie
  1. naam

    machine waarop het garen gesponnen wordt voordat het bij het weven gebruikt kan worden; in de tweede helft van de 19de eeuw vervangen door de 'self actor'

    - Gerard van Leijborgh (pseudoniem van Lambert de Wijs) - De laatste Tilburgsche huiswever 2, in Nieuwe Tilburgsche Courant 1940-11-09; aan het woord is Frans van Geloven, de laatste huiswever - Het garen kregen we op zgn. tuiten, soms ook op strengen, er waren toen nog geen blikken pijpen en het garen werd dus zoo maar op de spil van de selfading# of moeljenie* gesponnen en daarvan gewoon afgetrokken. Dit garen werd dan door ons op het scheerijzer gezet en vandaar in gangen op het scheerraam gedraaid, totdat we de juiste hoogte van de ketting kregen.
    - Ed Schilders; - WTT - 2020 Opmerkingen bij het voorgaande citaat uit Van Leijborghs De laatste Tilburgse thuiswever 1) moeljenie: bedoeld is de fijnspinmachine genaamd mule-jenny. 2) selfading is mogelijk een zetfout; bedoeld wordt selfacting, in het Tilburgs 'salfak' genoemd. Over de salfak had Van Leijborgh al eerder geschreven: Onze oude Tilburgsche spinners spreken nog met weemoed over de oude muljenies die hun wat meer zweet gekost hebben dan de moderne selfactors (Historische Tips, Nieuwe Tilburgsche Courant, 7-4-1926).
  2. . De Mule Jenny, het enige bekende exemplaar dat door de uitvinder Samuel Crompton zelf gebouwd is; collectie Bolton Museum and Archive Service. Advertentie Nieuwe Tilburgsche Courant 15-10-1899 Advertentie Tilburgsche Courant 19-3-Willems 1876

moelvèèchte
werkwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - bekvechten
moelvèèchtemoelvèèchtemoelvèèchte
moer
zelfstandig naamwoord

- WBD III.4.2:135 moer - bijenkoningin
- WBD III.4.4:165 moer - zwarte, ondoordringbare aardlaag
- WBD III.4.4:166 moer - veengrond
moerbalk
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD - ankerbalk; zware dwarsverbinding tussen twee tegenover elkaar geplaatste stijlen; bevordert de stabiliteit van een gebouw
  2. Vaccinium myrtillus

moerbeezie
zelfstandig naamwoord

blauwe bosbes

- Frans Verbunt ; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende per beersel, 1996 - blauwe bosbes
- Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, Tilburg 2004 - blauwe bosbes, moerbei; zie: klòkkebaaje
- WBD - De blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) is een klein struikje uit de heidefamilie. Het is een bodembedekker in bossen op zure grond met fijn getande, lichtgroene blaadjes, met bleekpaarse bolvormige bloempjes en met blauw bestoven besjes met kenmerkend blauw sap. In Tilburg ook: klokkebei, klokkebeien, sint-jansbezem. - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - moerbeejzem - blauwe bosbes
moerbeezie
moerke

verkleinwoord van moer - moeder - Cees Robben; Prent van de week 1960-11-18 - ...goeie moerke

moes

verleden tijd van moest

- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - ...wij moesen mar 's zeggen dè ...
- Cees Robben; Prent van de week 1956-05-12 - Wè d ons moeder toch moes spaoren/ vur de swiet... de kaskenade... De prent behandelt het feest van de Eerste Communie en de kosten daarvan, die ook voor het oog van het kerkvolk gemaakt werden.
- Cees Robben; Prent van de week 1959-09-12 - Swels det ik efkes wochte moes...
- Cees Robben; Prent van de week 1965-04-02 - Hij moes zn port hebben...
- Cees Robben; Prent van de week 1967-03-17 - Den dokter (chirurg) moes twee keer zn mis aonwitte..
- Cees Robben; Prent van de week 1980-06-20 - Wè waren ze toch wèès mee dren irste klèène... Hil de reutemeteut moes er op...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 08 08 - Mientje moes op ziekebezuuk
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Ze mossen oe gehad hèn! - ze hebben je nodig
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Agger nie meej schreuwe most, dan moster meej laage...
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - most - 2e hoofdvorm van moeten
- WNT - moeten - als verleden tijd heeft het Middelnederlands naast moeste ook most
moeskòp
zelfstandig naamwoord

stroper

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - moeskòp stroper
moeskòppe
werkwoord

- WNT - moeskoppen l. uit stelen gaan, stroopen, vooral van soldaten; 2. moorden, doodslaan.
moet
zelfstandig naamwoord

- Informant Piet Mutsaers - tante, oudtante; wordt achter de eigennaam gezet, bijvoorbeeld Hannemoet
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], Baarn, 1978 - moet, ook -moei en - meuj (-mö:j); achter de naam als aanduiding van oudtante of tante; miemoet.
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958, deel 2, Vocabularium, 1958 - moet tante; achter de voornaam geplaatst
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - moet, mut - moei; wordt altijd voorafgegaan door een eigennaam: Trienemut, Annemoet.
- WNT - moet moei; naam voor de tante die zuster is van de moeder...
moet (mòt
werkwoord

moet tegenwoordige tijd van moete

- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - dè mótte gelêûve
- Cees Robben; Prent van de week 10-01-1975 - Wies, waor ist hier, want ik mót zôo ...
- Dialectenquête, Willems 1887 - Wie nie heure wil, mot vule
moete
  1. werkwoord

    moeten

    - Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - dè mótte gelêûve
    - Cees Robben; Prent van de week 1962-10-05 - En desseme gadeeseme nog tesse mosse ôôk...
    - Cees Robben; Prent van de week 1987-01-02 - En naa zegde onderwege nie .. akkoe naor huis breng, degge wir mot (hier dus: naar de wc moeten
    - Willems; Dialectenquête, 1887 - mó'k - moet ik?; mottewe - moeten wij? mótte - mós - gemótte; mót moet; mótte - moeten
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - mótte
    - WBD III.1.4:328 - moeten, moet; moetje - verplichting
  2. samentrekkingen met moete moetem moet je hem - Cees Robben; Prent van de week 1978-12-22 - Dan moetem is in zn hemd zien staon...

    - Cees Robben; Prent van de week 1964-07-31 - Moeten daor zien staon te kèèke...
    - Cees Robben; Prent van de week 1982-09-24 - Dan moettem overdag ôôk mar de kaans geven
  3. moetet moet het, of moet je het - Cees Robben; Prent van de week 1960-02-19 Mar k moetet irst nog zien... - Cees Robben; Prent van de week 1973-05-11 Dan moetet lepeltje dr uit haole... moetiejer moet hij er - Cees Robben; Prent van de week 1981-05-08 Dan moetiejer zunne tèèd mar over doen...

  4. zelfstandig naamwoord

    mòttekiest mottenkist

moezelien
zelfstandig naamwoord

moezelien; stofnaam (textiel) - WBD II.4, pagina 879 - los geweven stof van katoen, wol of zijde; genoemd naar de stad Mosoel in Turkije; mousseline: moezelien, K 183 (= Tilburg)

- J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier, 1947 - mousseline - Zacht en doorzichtig weefsel in effen binding geweven. Effen en bedrukt. Katoen mousseline: ketting en inslag uit zacht getwist garen. Wol mousseline: zacht getwist kamgaren. Toepassing: dameszomerkleeding.
- WNT - 1908 mousseline - in de volkstaal ook wel moezelien; van Frans mousseline. Benaming van zekere los geweven stoffen, oorspronkelijk van katoen, doch later ook wel van zijde of wol.
moffel
zelfstandig naamwoord

- WBD III.4.4:278 - moffel - mondvol
moffelbôon
  1. zelfstandig naamwoord

    tuinboon Illustratie: Thomé - tuinboon, 'knaawbôon', 'lapbôon', 'boeretêen', vicia faba L.

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 07 10
  2. naam

    Ied'ren dag wè aanders Ons Sjaan schepte 'n maondag op Nou, dè ròòk lang nie gek Ik heb geschraanst toe'k niemir kos Van lap-bòòne mee spek. 'n Dinsdag was 't presies gelèk Dè zaat nie goed bij mèn Mar ze zee: "man ge ziet toch wel, Dè't moffelbòòne zèn." 'n Woensdag wir dezelfden hap Ik vuulde me genèpt Ons Sjaan riep: "hee schiet op, ik heb Knaauwbòòne opgeschèpt. Toen 't vendaog krek inder was Ging ik pas goed te keer, Ze laachde en zee: "Asteblief, Tuinbòòne vur menheer."

    - Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer, 2009 - Op dieet: Mar...moffelboone meej 'n papke,/ zèn nie te eete zonder spek.
    - WBD III. 2.3:84 moffelboon - tuinboon, ook labboon
    - WNT moffel - groote boonen heeten in Brabant moffels of moffelboonen
    - K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw, woordenlijsten Verster, 1968 - moffelbonen - roomsche bonen, boerenbonen. De boeren zeggen flodderbonen, op zommige plaatsen lapbonen.
  3. zelfstandig naamwoord

    mògske

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - mògske maagje
    - WBD III.1.1:193 maagje - maag
  4. zelfstandig naamwoord

    mòj

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 mòj - moeder
  5. zelfstandig naamwoord

    mòkkel meisje, jonge vrouw

    - Cees Robben; Prent van de week 1985-06-07 - Ik zèè mee mn mokkel in de Laai wiste dokkele...
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Waor kwaame die vrèmde mòkkeltjes, as die zoone strak gonge vrije, der èège tegen òn moeie?
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Onze Co kwaam mistal om un uur of êen aon en ons Jaoneke, nie veul laoter. Dè laag der aon, waor de mokkeltjes wôonde, diese naor hèùs han moete brengen.
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Nog 'n pròtje gemòkt meej 'n paor mòkkels, mar die wo'n nie.
    - WBD III.2.2:84 mokkel - meisje met wie een jongen verkering heeft
    - WBD III.2.2:104 mokkel - kus
    - WNT - mokkel, daarnaast ook moggel - dik, mollig kind of meisje, ook eene dikke vrouw
  6. zelfstandig naamwoord

    mòkkepaajer

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mokkepaaier - slachter van verdacht vee
  7. zelfstandig naamwoord

    mòksel maaksel mòkt, mòkte werkwoord, persoonsvorm maakt, maakte gebiedende wijs, 2e (gij) en 3e (hij) persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van maoke; met vocaalkrimping

    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Mòkt dègget goed mòkt. - Zorg dat je het goed maakt.
    - Cees Robben; Prent van de week 1982-12-03 - Maokt gin ongelukken Tinus as ge op huis aon-gaot...
    - Cees Robben; Prent van de week 1975-09-12 n aauw môônika maokt ôôk meziek...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Hij mòkt er nie veul van! - Hij brengt er niet veel van terecht!
  8. zelfstandig naamwoord

    Kleurenets - Molenaar - W. Witsen - 1910 mölder 1. molenaar (maalder )

    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - mölder naast mulder
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Et zô nog efkes duren, veur dè we naor de mölder moese, om enne zak rog te laote maole.
    - Toine Raaijmakers - Van een moeilijk probleem: Dè kan alleên Gòd èn de mölder schaaje.; Lòt dè God èn de mölder mar schaaje.
    - Lowie van Dorrus Misters; Onze Tilburgse folklore, aflevering 20 Over mulders en molens; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1952-10-04 - Waarschijnlijk heeft ieder van ons wel eens het spreekwoord gehoord: Dat zullen we God en de mulder maar laten scheiden, die scheiden zo veel. () Velen zullen de mulder wel eens bezig hebben gezien. Het aangebrachte koren of graan gaat eerst naar boven tussen de maalstenen, het meel hiervan gemalen komt door een gleuf van ca. 25 cm naar beneden. Deze gleuf heeft schuin opstaande wanden van 10 tot 15 cm hoogte en aan het einde is er een plankje, dat in de gleuf past en er bij het scheiden tegen kan worden gezet. De zak waarin het meel wordt opgevangen, hangt open aan die gleuf met twee haakjes. De voorkant van die zak wordt opengehouden door een haakje verbonden aan een touwtje, dat over een katrolletje loopt en waaraan een gewicht is bevestigd. Toen de boer de zak bracht, was er bijv. 50 kg graan in, dus er zou ook 50 kg meel in moeten komen. Neen, zegt de mulder, want van dat meel verstuift onderweg of blijft kleven aan molenstenen en waar het verder passeert. De mulder staat onder bij de zak en meent op zeker moment dat er genoeg in is. Hij neemt bovengenoemd plankje en zet het tegen de latjes aan het eind der gleuf. Nu loopt er geen meel meer in de zak. De mulder heeft gescheiden, even de zak losgemaakt en op de bascule. Is er te weinig in, dan gaat er een schep bij, andersom een schep er uit. Dat is het scheiden van de mulder en iedereen zal nu het bovenaangehaalde gezegde wel begrijpen.
    - Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 april 1950 Dè zullen we den duvel en de mulder mar laoten schaaien, die schaaien 't zô veul!, waarbij gesuggereerd wordt, dat de molenaar nogal relatie heeft met de duivel. De uitdrukking wordt in het algemeen gebezigd als men bedoelt aan te geven, dat men een zaak maar op haar beloop moet laten - er zich niet in moet verdiepen.
    - Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-04-17 - De molenaars schijnen vroeger bij het volk een niet al te goede reputatie te hebben genoten. Vanwaar anders de uitdrukking: Als de mulder z'ne Paosen gehouwen heej, is de pastoor deur zn werk? Hieruit blijkt, dat men aannam, dat een mulder ieder jaar nogal wat op zijn geweten heeft en daarom zijn Paasbiecht maar liefst tot het laatste moment uitstelt. Die zwaarbezette kerfstok kan hem moeilijk anders zijn toebedeeld, dan dat men hem verdacht van het achterhouden van meel wanneer hij graan te malen kreeg.
    - Pierre van Beek; NvhZ, Tilburgse Taaklplastiek, aflevering 178 , 25-08-1973 - "Mulders- en brouwersvarkens zijn altijd het vetst" wordt gebruikt in de betekenis van: baas boven baas. Er wordt hierbij uitgegaan van de gedachte, dat er bij molenaars en brouwers altijd overvloedig voedsel voor de varkens aanwezig is.
    - Pierre van Beek; NvhZ, Tilburgse Taalplastiek, aflevering 104, 02-07-1970 - "Dat is ander koren", zei de mulder en hij beet in een muizekeutel."
    - Pierre van Beek; NvhZ, Tilburgse Taalplastiek, 18-07-1964 - De molenaar scheen in het verleden niet veel vertrouwen genoten te hebben. Men insinueerde graag, dat hij van de te malen gebrachte rogge meel achterhield, zoals men van de kleermaker wel zei, dat hij "stof door het oog van de naald haalde". Als het allemaal waar was, valt het te begrijpen, dat de molenaar, wiens ziel wel heel zwart moest zijn, niet hard liep om te biechten te gaan, maar dit liever zo lang mogelijk uitstelde. Daarvan hebben we dan de uitdrukking overgehouden: "Als de mulder zijn Pasen gehouden heeft, is de pastoor door z'n werk".
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, NvhZ, 22-10-1965 "Gij zijt er zeker enen van de mulder" kon een kind met wit haar wel eens te horen krijgen, maar zo'n kind begreep die uitdrukking dan vaak niet en steevast volgde dan de vraag: Waarom.
    - Interview met Heikanters, 1978; transcriptie door Hans Hessels, 2015 - èn bij de mölder moes ik ok gòn wèrke. Daor nèffen ons bè die van Tuurlings èn die zin aaltij teege mèn: Jaon, ge kunt beeter hier wèrke as daor bè de mölder! Ik zeg: Wòrrom?, want daor wèrd priema gekokt netuurlek! Daor zien ze hoeveul dègge it! Öt zon grôote schaol ziede dè nie!
    - Cees Robben; Prent van de week 1957-05-25 - En ik ken er gin man.. Alleenig nog molder Mathèèse...
    - Cees Robben; Prent van de week 1958-05-24 - Dè laoten we God.. en/ Dn mölder beschaaijen
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 mulder - molenaar èn meikever. Ik achte het zooveel te zijn als meuler, meulder, van meulen, hetwelk men, zoowel als molen, vindt bij Kiliaan
    - Dialectenquete Willems, 1879 - Den mulderszoon is op den meule...
    - K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 - mulder molenaar
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - meulder - molenaar, mulder
  9. naam

    2. meikever (Melolontha vulgaris) Melolontha vulgaris M eikevers vangen - uit: Kroniek van de Kempen

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mulder - meikever
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun als opvoeder, feuilleton in 6 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-03-02 - 1940-04-06 - ...terwijl de mölders om z'ne kop snorden.
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Boere-Profeet; feuilleton in 5 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-07-01 - 1939-07-29 - Een van de knechts had enkelde mulders in z'ne zak meegebraocht en zette ze stiekum aachter op 't haor van de meiden.
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - As ge hil vruug op waart koste daor nog wel is innen mulder uit schudden...
    - Cees Robben ; Prent van de week 1957-05-25 - Mölders zuuke... (titel van de prent)
    - Cees Robben ; Prent van de week 1957-05-25 - Wij schudden ons mölderkes mist uit de heg... - Cees Robben; Prent van de week 1957-05-25 - Mölderke mölderke tel toch oe geld... (uit een kinderliedje); het tellen duidt op de bewegingen die de meikever met zijn pootjes maakt als hij op zijn rug ligt - Cees Robben; Prent van de week 1957-05-25 - Naa hedde daor himmel gin mölderkes mir...
    - Pierre van Beek - mölders schudde - meikevers uit een heg schudden
    - Henriëtte Vunderink; Zoas ik et as kèènd beleefde; k Zal van oe blèève haawe, 2007 - ...langs en waaj vol booterbloeme/ èn en hèg meej mölders...
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - Wanneer de meikevers weer te vinden waren in de buurt van de beukenhagen, werden deze door de kinderen gevangen. Ze werden opgeborgen in een lucifersdoosje met een blaadje sla. Vervolgens bonden de kinderen een draadje garen aan de poten van het dier en begonnen dan te zingen tot hij ging vliegen: - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 mölder, mulder, molenaar - bepaalde meikever
    - A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - mulder - meikever (versch illende dial ecten )
    - Hans Heestermans; Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen, 1988-1994 - mulder, meulenèèr
    - Dr. Jan Stroop; Sprekend een Westbrabander, 1979 mulder
    - K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 - Ook een kever doorgaans molenaar genoemd.
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - meuldenèèr, meuldertèèr - meikever
    - WBD III 4,2:160- meikever - De meikever (Melolontha melolontha) wordt 25 mm lang. Het was vroeger een algemeen bekende en onder schoolkinderen populaire middelgrote kever met een licht bruinrood schild, een zwarte kop en borststuk en een witte beharing op de buik, maar hij is nu zeldzamer. mulder; frequent in Midden-noordbrabant; mulderke; Tilburg.
    - WBD III 4.2:164 - kleine bruine meikever - Voor kleinere, glimmend bruine meikevers zijn er ook specifieke benamingen in gebruik. kapucien; Tilburg, Goirle, Hilvarenbeek; bakker; Tilburg - WBD III 4.2:165 - mannetje van de meikever
  10. Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor het mannetje van de meikever. Vele respondenten noemen de grotere voelhorens als een onderscheidend kenmerk. mulder; zeldzaam in Tilburg; koninkske; zeldzaam in Tilburg - WBD III 4,2:162 - meikever met witachtige rug - Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor een meikever die met meel bestoven lijkt te zijn. mulder; Tilburg mulderke; Tilburg molenaar; Tilburg bakker; frequent in Tilburg bakkerke; Tilburg kapucientje; Tilburg, Goirle manneke; frequent in Tilburg wijfje, wijfke; frequent in Tilburg

    - Piet Brock, uit Vuurstintjes ketsen, 1996
  11. Mölders In de mond van maaj vende langs de weg de bruine mölders in de buukeheg. Ge he't z'in soorten: 'nen bèkker of kappesien, 'n mènneke of 'n wèfke, dè kunde hil goed zien. Ge bewaort ze in 'n potje meej 'n buukeblaoike. En soms maag ie vaastgebonden vliegen on 'n draoike. De heggen zèn gerooid. Verkaoveld hil 't veld. En niemer heurde zingen: mölderke, mölderke telt oe geld... Veul van vruuger is verdwenen, ginne mölder mir te zien, ginne bekker mir te vèène, zelfs ginne blòòte-voete kappesien. Rolf Janssen - We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - Wanneer de meikevers weer te vinden waren in de buurt van de beukenhagen, werden deze door de kinderen gevangen. Ze werden opgeborgen in een lucifersdoosje met een blaadje sla. Vervolgens bonden de kinderen een draadje garen aan de poten van het dier en begonnen dan te zingen tot hij ging vliegen: mùlderke, mùlderke telt oew geld en gao dan nog s vliegen

mògske
zelfstandig naamwoord

maag

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg (1945-03-23) - Omdè innen gemiddelden meensch n mogske heej van innen decimeter dursnee, moet ik mee munnen kolossalen maog ok mar zien aon te tobbe
- Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek, aflevering 110, Nieuwsblad van het Zuiden, 03-10-1970 - "Een kat gaat nooit met een lege maag van huis!" is het beeld, dat in onze streek wordt opgevoerd als men van oordeel is, dat er eerst gegeten moet worden alvorens men verder iets onderneemt. Of de kat de haar hier toegedichte eigenschap ook inderdaad bezit?
- WBD III.2.3 - In de maog staon... - gezegd van stevig, zwaar voedsel.
- WBD III.1.2:318 - vuile maag - indigestie
mölderbla
zelfstandig naamwoord

beukenblad; geliefd voedsel van de meikever - Cees Robben; Prent van de week 1957-05-25 - en n mölderblad toe...

mölderbladhèg

beukenhaag, waarin de meikever graag verblijft - Cees Robben; Prent van de week 1957-05-25 We gaven ze gruun van de mölder-blad-heg...

mölk
  1. zelfstandig naamwoord

    melk, maar in het Tilburgs specifiek voor karnemelk in gebruik geweest; gewone melk was 1. karnemelk

    - Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Bij ons vènte ze rôome, rôome hiet dè! ...in de straot vènte, èn möllek, dès karnemèlk!
    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mulk karnemelk
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - ...aongebraande, geschifte mölkse pap...
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ik weet zeker dèk overal naor zô gaon zuuke mar nôot van ze lang zal ze lève nie, naor aongebraande, geschifte mölkse pap, zôas die bij ons hiete.
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - dieje karnemèlk..
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - In het woord mölk (melk, karnemelk) vinden we ronding en centralisering vóór l.
    - WBD - mölk, rôome, rómme (in Hasselt) melk; ook karnemelk genoemd
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - mölk - karnemelk
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], Baarn, 1978 - mölk karnemelk; n gezicht ès mölk - een pips en grauw gezicht
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - die mölk (verouderd) is dun en zuur
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - mölk - karnemelk
  2. Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 2. kuit; hom

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mulk - hom van visch, hoofdzakelijk van haring en bokking
    - Cees Robben; Prent van de week 1968-04-05 - Aacht vorse bukkeme, liefst meej mölluk/ En gin zaaiers...
    - WBD III.4.2:79 - mulk - hom, ook hommeke genoemd
  3. 3. het uitlopen van het zaad van rogge

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mulk - de rogge laag pursies in z'n mulk toen de vorst kwaam; het zaad was in den grond als melk aan het uitloopen
mölkaaj
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD - bebroed onbevrucht ei (van een kip)
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958, deel 2, Vocabularium, 1958 - - mulkei - ei zonder kiem
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - mölkaaj - ei zonder dooier
    mölkaaj
  2. Illustratie: Rolf Janssen

möllek
  1. zelfstandig naamwoord

    melk, maar in het Tilburgs specifiek voor karnemelk in gebruik geweest; gewone melk was 1. karnemelk

    - Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Bij ons vènte ze rôome, rôome hiet dè! ...in de straot vènte, èn möllek, dès karnemèlk!
    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mulk karnemelk
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - ...aongebraande, geschifte mölkse pap...
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ik weet zeker dèk overal naor zô gaon zuuke mar nôot van ze lang zal ze lève nie, naor aongebraande, geschifte mölkse pap, zôas die bij ons hiete.
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - dieje karnemèlk..
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - In het woord mölk (melk, karnemelk) vinden we ronding en centralisering vóór l.
    - WBD - mölk, rôome, rómme (in Hasselt) melk; ook karnemelk genoemd
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - mölk - karnemelk
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], Baarn, 1978 - mölk karnemelk; n gezicht ès mölk - een pips en grauw gezicht
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - die mölk (verouderd) is dun en zuur
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - mölk - karnemelk
  2. Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 2. kuit; hom

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mulk - hom van visch, hoofdzakelijk van haring en bokking
    - Cees Robben; Prent van de week 1968-04-05 - Aacht vorse bukkeme, liefst meej mölluk/ En gin zaaiers...
    - WBD III.4.2:79 - mulk - hom, ook hommeke genoemd
  3. 3. het uitlopen van het zaad van rogge

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mulk - de rogge laag pursies in z'n mulk toen de vorst kwaam; het zaad was in den grond als melk aan het uitloopen
mölleke
  1. werkwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - melken
    mölleke
  2. 2 zelfstandig naamwoord, verkleind molletje, verkleinwoord van 'mòl'

    - Cees Robben ; Prent van de week 1956-06-09 t poeske aaide langs de neus.../ En t mölleke zee: Hik...
    - Cees Robben ; Prent van de week 1958-05-31 - Ze slaope daor, de dröllekes/ In beddekes... as möllekes...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - wiegekind, weggestopt in het wiegje
möllekepap
zelfstandig naamwoord

karnemelksepap

- Cees Robben ; Prent van de week 1959-09-19 - Hij hield van (...) zuute mölkse pap...
- Cees Robben ; Prent van de week 1961-12-21 - mölleke-pap
- Cees Robben ; Prent van de week 1959-05-02 - Hoem-pap-hemme...? Mölleke...
- Interview Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - èn ik ha gèère möllekepap, dès karnemèlk, hè. Èn dan moek dè daor haole, mar die schèpt meej zon schèp. Dè was tweejènnenhalleve sènt, zon schèp
- Ad van den Boom; Bè de wèèvers òn tòffel, circa 2005 - En as besluit vant wèèrem eete/ un lekker bordje möllekepap
- WBD III.2.3:137 melksepap - karnemelksepap; ook botermelksepap
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958, deel 2, Vocabularium, 1958 - mulken - van mulk; karnemelk; mölleke páp; karnemelkspap.
mòllestèrt
zelfstandig naamwoord

- WBD III.4.3:57 - mòllestèrt - zijwortel, ook genoemd: knoest, knol, dikkewortel
mòlletaksie
zelfstandig naamwoord

lijkwagen

- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als..., maart 2013
mòlm
zelfstandig naamwoord

houtmeel

- WBD III.2.1:458 - mòlm houtmeel; ook genoemd vermolmd hout, olm respectievelijk meutel
mòlshôop
zelfstandig naamwoord

- WBD III.4.2:40 molshoop; ook mollenhoop
mòlslaoj
zelfstandig naamwoord

Illustratie Thomé - molsla - ganzetong - taraxacum officinale blad van de paardebloem, molsla, ganzentong (Taraxacum)

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - molsloai - jonge scheuten van de ganzenbloem die men in de lente hoofdzakelijk in molshoopen vindt
- WBD III.4.3:287 - mòlslaoj - bladrozet van de paardebloem; ook morgenster
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - molsalaad - het loof van de wilde suikerij (Taraxacum officinale)
- WNT - molsla, molsalade - naam voor de paardenbloem, aldus genoemd omdat het blad, onder de molshoopen groeiende, door gebrek aan licht verbleekt en dan als spijs wordt gebruikt
mòltij
zelfstandig naamwoord

maaltijd

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - maoltèèj, mòltèèj - maaltijd
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958, deel 2, Vocabularium, 1958 - - maaltijd
mòltij
mòltje
zelfstandig naamwoord

maaltje, hoeveelheid voor een maaltijd

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Ze plukten in den hòf en mòltje bontjes.
möltje
  1. zelfstandig naamwoord

    muil

    - WBD III.4.2:32 - muil - bek; ook genoemd: bakkes, bek, kweek
    - WBD III.1.3:245 - muil - muiltje
  2. Tekening: - Cees Robben - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. van de Ven jr., 1946

  3. zelfstandig naamwoord

    muiltje

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 möltje - muiltje
mond
zelfstandig naamwoord

mond

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Pas mar op dè oewe mond nie eer versleeten is as oew kont; gezegd tegen een praatziek iemand
- WBD - ovenmond; opening in de oven waardoor brandstof en brood naar binnen worden geschoven
mònd
zelfstandig naamwoord

maand

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - oover drie mònde - over drie maanden
- WBD III.2.2:4 maand; maandstond menstruatie
mòndag
zelfstandig naamwoord

maandag

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - tòt en mòndag - tot maandag
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Kómde gij en mòndag? - Kom jij maandag?
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - toe un mòndag
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - mòndaggemèèrege maandagmorgen
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - velôore mòndag - eerste maandag na Driekoningen (dan werden de jaarrekeningen uitgeschreven en had men geen tijd voor ander werk)
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - beeter en mòndags pèèrd as ne mòndagse knèècht
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - den mòndag; gebruik bij kasteleins om hun klanten op maandag een gratis borrel te schenken
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Dieje maondaggemèèrge waar ik om negen uur present
- Dialectenquête, Willems 1887 - mondaag maandag
mondfiejat
naam

welbespraakt

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Felix Dónders was wèl mondfiejat - Felix Donders kon goed praten
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - móntfijat mondfiat; over een flux de bouche beschikkend; rad van tong
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - mòndfiejat - mondfiat, welsprekend
- WBD III.3.1:295 mondfiat - welbespraakt
mòndmèrt
zelfstandig naamwoord

maandelijkse maandagmarkt

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-09 - ...ik mot 'n Mondag toch nor de mondmert...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 mòndmèrt - markt op de eerste maandag van de maand
mòndschèèter
zelfstandig naamwoord

- WBD - paard dat last heeft van maandelijkse diarree (Hasseltse term)
Mondvoltaandelaon
zelfstandig naamwoord

Montfortanenlaan

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - gehoord in t Zand, 1972-02-23 - Ik geleuf dettie wôônt in de Mondvoltaandelaon
monika
  1. zelfstandig naamwoord

    harmonica, mondharmonica, trekharmonica, accordeon

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 3; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-23 - Toen ik vurbij 't Engeltje ging kwaam er monnica-muziek uit de half openstonde deur gejoedeld.
    - Willem van Mook; Het land der Brabantsche week; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1930-07-31 - Van dren bijnaom hieten ze de Manke en de Schoeft. De leste spult mondmonika of zingt; de Manke begeleidt m dan op de trek-monika, mar ie zingt zelf ook gewoonlijk mee. - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun als opvoeder, feuilleton in 6 afleveringen, Nieuwe Tilburgsche Courant 1940-03-02 - 1940-04-06 - ...en toen 't kermis waar, kocht ie veur Arnold 'n monika, nie zoo'n mondharmonika, mar 'nen echten trekörgel.
    - Piet Heerkens; Monika-speulder; De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941
    monikamonikamonika
  2. Monika-speulder Ge trekt en sjouwt, ge douwt en trekt en et örregelt zuut deur de straote; ge kekt benauwd en oe blauwe neus lekt en ge laot er oe monika praote. Kek, bende getrouwd? En oe vrouwke trekt mee ou deur de stille gementen? Gij douwt en trekt, zij trekt en sjouwt én ze schooit er oe schellep vol cente!

    - Cees Robben; Prent van de week 1975-09-12 - n aauw môônika maokt ôôk meziek; as ge mar speule kunt... - uitdrukking om aan te duiden dat ouderdom geen belemmering vormt voor liefde
    - Henriëtte Vunderink; Zoas ik et as kèènd beleefde; k Zal van oe blèève haawe, 2007 - Kha liever dèsse en möpke spulden/ op en môonieka...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - monnieka - harmonika
    - Cursus in Tilburgs een krantenrubriek in Groot Tilburg, circa 1940 (afl. 119) - Kekkis wen klèn monica-ke...
    - WBD III.3.2:335 - moonieka harmonica, ook: trekzak
    - WBD III.3.2:337 - mondharmonica, mondmonica - mondharmonica
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - monika, monika - harmonika
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - monica - harmonica, accordeon
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - mònnieka - harmonika
  3. Illustratie van Staf Rijckers, in Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook. Illustratie: Frans Masereel 1922

monnekske
  1. zelfstandig naamwoord

    monnikje (vogelnaam)

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - huismus (Passer domesticus)
  2. naam

    monnemènt monument

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 06 02 - De Tongerlose Hoef // Eens zèdde gij iets schòòns gewist / Ge waart 'n monnement, / t Is triest, ak naauw zie hoe dè gij / Vort afgetaokeld bent.
  3. Schilderij van Giuseppe Magni - 'De eerste dans'

monnieka
  1. zelfstandig naamwoord

    harmonica, mondharmonica, trekharmonica, accordeon

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 3; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-23 - Toen ik vurbij 't Engeltje ging kwaam er monnica-muziek uit de half openstonde deur gejoedeld.
    - Willem van Mook; Het land der Brabantsche week; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1930-07-31 - Van dren bijnaom hieten ze de Manke en de Schoeft. De leste spult mondmonika of zingt; de Manke begeleidt m dan op de trek-monika, mar ie zingt zelf ook gewoonlijk mee. - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun als opvoeder, feuilleton in 6 afleveringen, Nieuwe Tilburgsche Courant 1940-03-02 - 1940-04-06 - ...en toen 't kermis waar, kocht ie veur Arnold 'n monika, nie zoo'n mondharmonika, mar 'nen echten trekörgel.
    - Piet Heerkens; Monika-speulder; De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941
    monniekamonniekamonnieka
  2. Monika-speulder Ge trekt en sjouwt, ge douwt en trekt en et örregelt zuut deur de straote; ge kekt benauwd en oe blauwe neus lekt en ge laot er oe monika praote. Kek, bende getrouwd? En oe vrouwke trekt mee ou deur de stille gementen? Gij douwt en trekt, zij trekt en sjouwt én ze schooit er oe schellep vol cente!

    - Cees Robben; Prent van de week 1975-09-12 - n aauw môônika maokt ôôk meziek; as ge mar speule kunt... - uitdrukking om aan te duiden dat ouderdom geen belemmering vormt voor liefde
    - Henriëtte Vunderink; Zoas ik et as kèènd beleefde; k Zal van oe blèève haawe, 2007 - Kha liever dèsse en möpke spulden/ op en môonieka...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - monnieka - harmonika
    - Cursus in Tilburgs een krantenrubriek in Groot Tilburg, circa 1940 (afl. 119) - Kekkis wen klèn monica-ke...
    - WBD III.3.2:335 - moonieka harmonica, ook: trekzak
    - WBD III.3.2:337 - mondharmonica, mondmonica - mondharmonica
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - monika, monika - harmonika
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - monica - harmonica, accordeon
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - mònnieka - harmonika
  3. Illustratie van Staf Rijckers, in Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook. Illustratie: Frans Masereel 1922

monniekaspeuler
zelfstandig naamwoord

accordeonspeler uit 'harmonica'

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 9; Nieuwe Tilburgsche Courant, 30-02-02 - In tegenstelling mee aandere jaoren wanneer we 'n orkestje van de Hermonie hadden, hôn we deze keer 'ns twee trekmonnicaspeulers genomen, den Doedel en den Tjoeker. Die kèrels speulen vur 'n paor gulden d'r vingers blauw as ge mar zorgt dè ze volop te drinken hebben, want dè 'ne monnica-artiest zonder bier nie speulen kan is zo klaor as 'n klontje.
- Stadsnieuws ongedateerd knipsel - Diejen blènde mooniekaspeuler keek stiekum òfdègge wèl gèld in zen pèt gôojde...
monsienjeur
zelfstandig naamwoord

monseigneur

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Monsienjeur Deken Sanders...
monsienjeurmonsienjeur
monster
zelfstandig naamwoord

monster

- WBD II.4:1043 - môoster monster, in de betekenis van doorsnede van een weefsel; deze doorsnede bestond uit slechts enige ingeweven draden ofwel schoten, en gaf de plaats aan waar het weefsel moest worden afgeknipt.
monteleur
zelfstandig naamwoord

monteur; in de schoenindustrie

- Interview De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Èn dè was denbij van Aorendonk wassie monteleur gewist, schoenmonteleur, hè!
mòntje
  1. zelfstandig naamwoord

    maan

    - WBD - halve maon - half-cirkelvormig raam, vaak toegepast in stalruimten
  2. zelfstandig naamwoord

    maantje verkleinde vorm van maon, met vocaalkrimping

    - WBD III.1.1:160 maantje; op de nagel; ook half maantje
môo(g)t
werkwoord

mocht

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Gè môot òk wèl us wè hèn! - Jij mocht ook wel eens wat hebben.
moobieliezaasie
zelfstandig naamwoord

mobilisatie; tijdens de Eerste Wereldoorlog

- Interview Jolen, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Ik was in dienst, war, in de moobeliezaasie was dè (1914-1918). Et irst van de moobeliezaasie... èn toen hadde we oefening èn moeste ammel springe èn venalles... èn hardlôope èn zôo, hè
môog(e
werkwoord

mocht, mochten in de gehele verleden tijd van meuge; in het meervoud echter ook de vormen met mocht

- Cees Robben; Prent van de week 19 79-05-25 - Ik môog vruuger nie leere omdè we gin geld han...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 12 13 - Dinge die vruuger ammol mòòge / Zitte naauw vol haoke en òòge.
môok
zelfstandig naamwoord

eerste maag van een herkauwer, onbepaalde hoeveelheid

- WBD - maag van een koe
- WNT - mook - In Zuid-Nederland bekend als naam voor de eerste maag van herkauwende dieren, ook wel voor pens of buik in ruimeren zin.
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 - mook (moo:k) - Eerste maag van een koe, maag in het algemeen, minder eerbiedige aanduiding voor dikke buik. Van iemand die in de oorlog veel clandestien slachtte: z'nen hof wiegelt van de moo:ke.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - mook - de eerste maag der herkauwers
Mookerhaaj

toponiem Mokerheide

- Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek, aflevering 13; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-05-11 - op de Mokerhaai mee z'n beentjes te liggen rammelen (), dan is men effenaaf dood
mooluk
zelfstandig naamwoord

oorspronkelijk een fantasievogel die als kinderschrik fungeerde, namelijk om hen te behoeden voor onbezonnen daden

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 104; in NvhZ 1970-07-02 - Een mysterieus woord is voor ons "moluk", dat in enige zegswijzen in uiteenlopende betekenissen schijnt voor te komen. Wanneer iemand veel geeuwt, kan hij te horen krijgen "Ben je een moluk?" De volgende uitdrukking "Hij hoest en krecht als een moluk" wordt ons als "zwaar Tilburgs" op tafel gezet. In de plaats van de "moluk" kan ook de "ketelbuunder" optreden. In dat geval krijgt de vergelijking wel een begrijpelijk reliëf, daar het boenen van fabrieksketels een werk is, waarbij men veel stof te slikken krijgt, wat uiteraard de longen niet ten goede komt. Voor de derde keer zien we de "moluk" optreden in het aanbod: "Zal ik voor jou eens een moluk vangen?", waarmee men kinderen voor het lapje hield. Hier was dan de "moluk" een vogel of meer algemeen een beest met als kenmerkende eigenschap, dat hij of het niet bestaat in de werkelijkheid al heeft het beestje een naam
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 môolek - fantasievogel of -beest
- WNT - molik, molijk, molok, moluk (Middelnederlands moloc) afgodsbeeld, vogelschrik
Môone
zelfstandig naamwoord

Moonen, Piet

- H. Mandos en M. Mandos van de Pol; Brabantse Spreekwoorden opgetekend in Tilburg 1978 - Piet Moonen gezien hebben. Flink in de lorum zijn; dronken zijn. [Piet Moonen was een smid in Tilburg die heel lang op de stoel in de soos zat.]
môonieka
  1. zelfstandig naamwoord

    harmonica, mondharmonica, trekharmonica, accordeon

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 3; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-23 - Toen ik vurbij 't Engeltje ging kwaam er monnica-muziek uit de half openstonde deur gejoedeld.
    - Willem van Mook; Het land der Brabantsche week; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1930-07-31 - Van dren bijnaom hieten ze de Manke en de Schoeft. De leste spult mondmonika of zingt; de Manke begeleidt m dan op de trek-monika, mar ie zingt zelf ook gewoonlijk mee. - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun als opvoeder, feuilleton in 6 afleveringen, Nieuwe Tilburgsche Courant 1940-03-02 - 1940-04-06 - ...en toen 't kermis waar, kocht ie veur Arnold 'n monika, nie zoo'n mondharmonika, mar 'nen echten trekörgel.
    - Piet Heerkens; Monika-speulder; De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941
    môoniekamôoniekamôonieka
  2. Monika-speulder Ge trekt en sjouwt, ge douwt en trekt en et örregelt zuut deur de straote; ge kekt benauwd en oe blauwe neus lekt en ge laot er oe monika praote. Kek, bende getrouwd? En oe vrouwke trekt mee ou deur de stille gementen? Gij douwt en trekt, zij trekt en sjouwt én ze schooit er oe schellep vol cente!

    - Cees Robben; Prent van de week 1975-09-12 - n aauw môônika maokt ôôk meziek; as ge mar speule kunt... - uitdrukking om aan te duiden dat ouderdom geen belemmering vormt voor liefde
    - Henriëtte Vunderink; Zoas ik et as kèènd beleefde; k Zal van oe blèève haawe, 2007 - Kha liever dèsse en möpke spulden/ op en môonieka...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - monnieka - harmonika
    - Cursus in Tilburgs een krantenrubriek in Groot Tilburg, circa 1940 (afl. 119) - Kekkis wen klèn monica-ke...
    - WBD III.3.2:335 - moonieka harmonica, ook: trekzak
    - WBD III.3.2:337 - mondharmonica, mondmonica - mondharmonica
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - monika, monika - harmonika
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - monica - harmonica, accordeon
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - mònnieka - harmonika
  3. Illustratie van Staf Rijckers, in Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook. Illustratie: Frans Masereel 1922

  4. zelfstandig naamwoord

    trekharmonica

    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Nèt as toen die lui... nèt as die van... van Kessels. Ge had aaltij hier of daor meense die mòkten en môonieka òf dêen of daander instruumènt èn zôo. Èn dè zèn ok wèl plòtse dèsse zon klèèn konsèrtje bè mekaare kosse krèège, zak zègge, meej en paor man...
    - Interview De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Kiske de Paoter, die kèn ik ammòl nòg Jè, meej, meej de môonieka... Kiske de Paoter. Èn dan op straot begos ie te zinge
  5. zelfstandig naamwoord

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. moor waterketel

    - Van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 109; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-13 - Een rijf is een hark, een reep is een hoepel, een moor is een ketel, een kakstoel is een kinderstoel.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - de schaaw blòkt èn de môor wòsemt - de schoorsteen rookt en de waterketel stoomt
    - Stadsnieuws, 2008-06-01 - Doe es waoter in de moor vur men krèùk!
    - WBD III.2.1:192 - moor - waterketel, ook marmiet genoemd
    - Taalkundig Magazine I moor - een groote ketel, die door het langdurig blootgesteld zijn aan het vuur geheel zwart wordt; vandaar zijn naam.
    - A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - moor, moer - waterketel
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - moor - waterketel
    - WNT - moor waterketel, die in het gebruik zwart wordt door telkens op het vuur te staan, waarin het water wordt gekookt om koffie mee te zetten; inzonderheid in Zuid-Nederland
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 moor - ketel om water in te koken (zo genoemd omdat hij zwartgeblakerd was?)
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - moor (scherpe o) - bolronde of wijdgebuikte koperen of ijzeren waterketel, met hengsel en toot, waar men water voor de koffie in kookt
  6. zelfstandig naamwoord

    moord moord

    - Daamen, Handschrift Tilburgs (1916) - tis en moord in en maand/ in en hölleke - het is een soort te verwaarlozen zaak.
  7. zelfstandig naamwoord

    moordenèèr moordenaar

    - Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 moordenaer
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 moordenèèr moordenaar
  8. zelfstandig naamwoord

    moorkòp

    - WBD - paard met zwarte kop
    - WNT - moorkop - een paard met zwart grondhaar, vermengd met witte haren, en waarbij hoofd, benen, manen en staart zwart zijn.
  9. zelfstandig naamwoord

    moos keuken (op de boerderij), (drek van) afvalwater

    - Toine Raaijmakers, informant moos - drassige plaats waar het afvalwater van het huiswerk terechtkwam uit de goot
    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - moos boerenachterkeuken; ruimte achter den herd
    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - Van 'nen kaauw moos komen. Een erge tegenvaller hebben. [Vergelijk: van een koude kermis thuiskomen.]
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 moos - vuilnishok, voor die aan de keuken grenzende plaats, welke men elders het vaathok noemt; het woord is van hoogen oorsprong.
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 moos, mouws - modderige, open afvoer van waswater en andere vloeibare ongerechtigheid; verwant met modder en moeras.
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - moos - keuken, afvalwater
    - WNT - moos - de plaats waar het vuil langs gaat; thans nog: plaats waar het vaatwerk wordt gewasschen.
    - WBD - moos - bijkeuken (op de boerderij), ook goot genoemd, of washèùs of aachterhèùs.
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - moos 1. achterplaats in de boerenhuizen, waar afgewassen wordt; 2. modder, slijk
  10. zelfstandig naamwoord

    moosgat, mòzzegat, moozegoot gat in de muur voor waterafvoer vanuit de keuken naar een open afwatering

    - WBD - moowsgat (in Hasselt), moozegat gootgat; afvoergat in de buitenmuur van de bijkeuken
    - WBD - moozegoot vuilwatergoot; goot of greppel, waardoor het water uit de keuken en ander vuil water afvloeit naar de zinkput; in Hasselt goowt
    - WNT - moosgat, mozegat - (bij Kiliaen: lavatrinae foramen) kleine opening onder in den muur van waschhuizen, kamers
    - K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 mosekuil, mosik - een kuil waarin het vuile nat, bijzonder de pis der koeien inloopt.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mozikgat, moosgat
  11. zelfstandig naamwoord

    moosput / moosputje zinkputje

    - Interview echtpaar Staps, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Diejen boer, die heej meej emmers nòr, nòr, nòr veure brènge. Dan was daor ene moosput èn daoraachter laag den mèsthôop.
    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - moosput vuilwaterput
    - WBD - moosput, moowskèùl (in Hasselt) - zinkput voor vuil water o.a. uit de gootsteen
    - H. Mandos en M. Mandos van de Pol; Brabantse Spreekwoorden, 2003 - stinken as en moosputje
  12. zelfstandig naamwoord

    mooswaoter huiselijk afvalwater

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mooswoater vuilniswater
    - WBD - III.4.4:188 mooswater - vuil water, ook get, drekwater
  13. Advertentie uit 1922

moonieka
  1. zelfstandig naamwoord

    harmonica, mondharmonica, trekharmonica, accordeon

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 3; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-23 - Toen ik vurbij 't Engeltje ging kwaam er monnica-muziek uit de half openstonde deur gejoedeld.
    - Willem van Mook; Het land der Brabantsche week; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1930-07-31 - Van dren bijnaom hieten ze de Manke en de Schoeft. De leste spult mondmonika of zingt; de Manke begeleidt m dan op de trek-monika, mar ie zingt zelf ook gewoonlijk mee. - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun als opvoeder, feuilleton in 6 afleveringen, Nieuwe Tilburgsche Courant 1940-03-02 - 1940-04-06 - ...en toen 't kermis waar, kocht ie veur Arnold 'n monika, nie zoo'n mondharmonika, mar 'nen echten trekörgel.
    - Piet Heerkens; Monika-speulder; De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941
    mooniekamooniekamoonieka
  2. Monika-speulder Ge trekt en sjouwt, ge douwt en trekt en et örregelt zuut deur de straote; ge kekt benauwd en oe blauwe neus lekt en ge laot er oe monika praote. Kek, bende getrouwd? En oe vrouwke trekt mee ou deur de stille gementen? Gij douwt en trekt, zij trekt en sjouwt én ze schooit er oe schellep vol cente!

    - Cees Robben; Prent van de week 1975-09-12 - n aauw môônika maokt ôôk meziek; as ge mar speule kunt... - uitdrukking om aan te duiden dat ouderdom geen belemmering vormt voor liefde
    - Henriëtte Vunderink; Zoas ik et as kèènd beleefde; k Zal van oe blèève haawe, 2007 - Kha liever dèsse en möpke spulden/ op en môonieka...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - monnieka - harmonika
    - Cursus in Tilburgs een krantenrubriek in Groot Tilburg, circa 1940 (afl. 119) - Kekkis wen klèn monica-ke...
    - WBD III.3.2:335 - moonieka harmonica, ook: trekzak
    - WBD III.3.2:337 - mondharmonica, mondmonica - mondharmonica
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - monika, monika - harmonika
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - monica - harmonica, accordeon
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - mònnieka - harmonika
  3. Illustratie van Staf Rijckers, in Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook. Illustratie: Frans Masereel 1922

  4. zelfstandig naamwoord

    trekharmonica

    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Nèt as toen die lui... nèt as die van... van Kessels. Ge had aaltij hier of daor meense die mòkten en môonieka òf dêen of daander instruumènt èn zôo. Èn dè zèn ok wèl plòtse dèsse zon klèèn konsèrtje bè mekaare kosse krèège, zak zègge, meej en paor man...
    - Interview De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Kiske de Paoter, die kèn ik ammòl nòg Jè, meej, meej de môonieka... Kiske de Paoter. Èn dan op straot begos ie te zinge
  5. zelfstandig naamwoord

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. moor waterketel

    - Van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 109; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-13 - Een rijf is een hark, een reep is een hoepel, een moor is een ketel, een kakstoel is een kinderstoel.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - de schaaw blòkt èn de môor wòsemt - de schoorsteen rookt en de waterketel stoomt
    - Stadsnieuws, 2008-06-01 - Doe es waoter in de moor vur men krèùk!
    - WBD III.2.1:192 - moor - waterketel, ook marmiet genoemd
    - Taalkundig Magazine I moor - een groote ketel, die door het langdurig blootgesteld zijn aan het vuur geheel zwart wordt; vandaar zijn naam.
    - A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - moor, moer - waterketel
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - moor - waterketel
    - WNT - moor waterketel, die in het gebruik zwart wordt door telkens op het vuur te staan, waarin het water wordt gekookt om koffie mee te zetten; inzonderheid in Zuid-Nederland
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 moor - ketel om water in te koken (zo genoemd omdat hij zwartgeblakerd was?)
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - moor (scherpe o) - bolronde of wijdgebuikte koperen of ijzeren waterketel, met hengsel en toot, waar men water voor de koffie in kookt
  6. zelfstandig naamwoord

    moord moord

    - Daamen, Handschrift Tilburgs (1916) - tis en moord in en maand/ in en hölleke - het is een soort te verwaarlozen zaak.
  7. zelfstandig naamwoord

    moordenèèr moordenaar

    - Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 moordenaer
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 moordenèèr moordenaar
  8. zelfstandig naamwoord

    moorkòp

    - WBD - paard met zwarte kop
    - WNT - moorkop - een paard met zwart grondhaar, vermengd met witte haren, en waarbij hoofd, benen, manen en staart zwart zijn.
  9. zelfstandig naamwoord

    moos keuken (op de boerderij), (drek van) afvalwater

    - Toine Raaijmakers, informant moos - drassige plaats waar het afvalwater van het huiswerk terechtkwam uit de goot
    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - moos boerenachterkeuken; ruimte achter den herd
    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - Van 'nen kaauw moos komen. Een erge tegenvaller hebben. [Vergelijk: van een koude kermis thuiskomen.]
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 moos - vuilnishok, voor die aan de keuken grenzende plaats, welke men elders het vaathok noemt; het woord is van hoogen oorsprong.
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 moos, mouws - modderige, open afvoer van waswater en andere vloeibare ongerechtigheid; verwant met modder en moeras.
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - moos - keuken, afvalwater
    - WNT - moos - de plaats waar het vuil langs gaat; thans nog: plaats waar het vaatwerk wordt gewasschen.
    - WBD - moos - bijkeuken (op de boerderij), ook goot genoemd, of washèùs of aachterhèùs.
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - moos 1. achterplaats in de boerenhuizen, waar afgewassen wordt; 2. modder, slijk
  10. zelfstandig naamwoord

    moosgat, mòzzegat, moozegoot gat in de muur voor waterafvoer vanuit de keuken naar een open afwatering

    - WBD - moowsgat (in Hasselt), moozegat gootgat; afvoergat in de buitenmuur van de bijkeuken
    - WBD - moozegoot vuilwatergoot; goot of greppel, waardoor het water uit de keuken en ander vuil water afvloeit naar de zinkput; in Hasselt goowt
    - WNT - moosgat, mozegat - (bij Kiliaen: lavatrinae foramen) kleine opening onder in den muur van waschhuizen, kamers
    - K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 mosekuil, mosik - een kuil waarin het vuile nat, bijzonder de pis der koeien inloopt.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mozikgat, moosgat
  11. zelfstandig naamwoord

    moosput / moosputje zinkputje

    - Interview echtpaar Staps, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Diejen boer, die heej meej emmers nòr, nòr, nòr veure brènge. Dan was daor ene moosput èn daoraachter laag den mèsthôop.
    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - moosput vuilwaterput
    - WBD - moosput, moowskèùl (in Hasselt) - zinkput voor vuil water o.a. uit de gootsteen
    - H. Mandos en M. Mandos van de Pol; Brabantse Spreekwoorden, 2003 - stinken as en moosputje
  12. zelfstandig naamwoord

    mooswaoter huiselijk afvalwater

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - mooswoater vuilniswater
    - WBD - III.4.4:188 mooswater - vuil water, ook get, drekwater
  13. Advertentie uit 1922

mooter
zelfstandig naamwoord

motor

- Cees Robben; ongedateerde bewijsplaats - ik maok naa vur ene mooter plòts...
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 - zene mooter is kepòt
mooter
möpke
  1. zelfstandig naamwoord

    1. eenvoudige liedje of melodietje verkleinwoord van mòp

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Bad Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-31 1939-02-18 - ...et waar 'n lustig möpke en et hiette die Lustige Witwe!?
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel, feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-05-20 1939-06-17 - En Teuntje speulde verschaaiene möpkes...
    - Piet Heerkens; Kritieke; bijlage De Zaaier; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941 - In dees miseraobele tije/ kan 'n möpke er veul verblije!
    - Cees Robben; Prent van de week 1981-06-19 (Priester...) Moet ik de Prefatie zingen, köster..? (Koster...) Nèè, paoter, t is vandaog n stille mis... We zingen aleen mar wè möpkes...
    - Piet van Beers; t Èlfde buukske, 2010 - Ene gewôone zondagmiddag: op den aachtergrond spulden ze n möpke...
    - Henriëtte Vunderink; Zoas ik et as kèènd beleefde; k Zal van oe blèève haawe, 2007 - Kha liever dèsse en möpke spulden/ op en môonieka...
    - Gerard Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol, 2006 - Dè zèn dan wèl nie van die leutege möpkes diese dan zinge, mar alleej...
  2. 2. koekje

    - WBD III.2.3:235 mopje, meupke - koekje van overgeschoten deeg
mörf
naam

murw, zacht, week verrot

- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - èrte kooke tòt ze mörf zèn
- Cees Robben; Prent van de week 1968-02-09 - Vleje-week-vrom waren oew pèère buikzuut.. oew appelesiene mörf.. oewe knolraop vôôs... en oew èèrepel glaozig... steeket zelf mar in oewe kaones...
- WBD III.2.3:33 murw, murf - gaar
- WBD III.4.4:207 murw - bros
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - murw, gaar; van aardappels, vlees en eieren
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - mörg (uitspraak mörrech) - murw, gaar, genoeg gezoden of gebraden
- WNT - murw - week zacht, niet hard, niet vast; malsch, fijn, niet grof
mòrke

oude verleden tijd van mèrke

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 06 20 - Mar dikkels blèk t echt gin kènderspul. / Dè morke de vier die onder 't verpleege / Gedaacht' op 't rekord vur 't rikke kreege.
mòrkòlf
  1. zelfstandig naamwoord

    Vlaamse gaai, meerkol, markol, broekekster, schreeuwekster

    - Van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110, Nieuwe Tilburgsche Courant 1929-04-20 - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan gaon we veugeltjes zuuken en we vinden veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees...
    - WBD III.4.1:147 markol, merkol, mjarkol, morkol, mòrkòlf - gaai (Garrulus glandarius); ook: broekhannek, hannekbroek, hannebroek, roeter, broekekster- meerkol - daarnaast andere namen voor verschillende vogels: 1. in beteekenis gelijk aan meerkoet (kol doet denken aan het Fries); 2. Vlaamsche gaai, Corvus glandarius, vanouds marcolf, zie aldaar
    - Jan N aaijkens; Dès Biks, Hilvarenbeek 1992 - mèrkol
    - A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - maarkolle (Achterhoek, Veluwe); contaminatie van maarkolf en meerkol (meerkoet)
    mòrkòlfmòrkòlf
  2. zelfstandig naamwoord

    Vlaamse gaai, meerkol, markolf Garrulus glandarius

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - mòrkòl, mèrkòl - gaai
    - Elie van Schilt; Tilburg waor zen oe bossen; CuBra, circa 2000 - Ok wieren dur ons jong morkolven uitgehaold. Zagen die kaans om gròòt te worren, ok die hadden pech want die gingen dan de soep in.
    - Stadsnieuws, 2008-12-24 - De blauwe vèrkes van ene mòrkòlf stòn schôon op ene hoed
    - WBD III.4.1:147 - mòrkòlf - gaai
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 - morkolf - meerkol, Vlaamse gaai.
    - A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - maarkolf, maerkef, merjoef, meelkörf, marklau, markloper, marklover, markrover
mörmeleere
werkwoord

mompelen, morren, murmureren; uit het Franse murmurer

- Cees Robben; Prent van de week 1958-07-05 - Wè zodde mörmereeren... [Robben bedoelt morren]
- Hans Hessels; opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus, 2019 mörmeleere - mompelen, murmelen.
mörmereere
werkwoord

mompelen, morren, murmureren; uit het Franse murmurer

- Cees Robben; Prent van de week 1958-07-05 - Wè zodde mörmereeren... [Robben bedoelt morren]
- Hans Hessels; opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus, 2019 mörmeleere - mompelen, murmelen.
mòrrelboon
zelfstandig naamwoord

tuinboon

- WBD III. 2.3:84; daar aangeduid als 'verspr. Tilb.' = verspreid over Tilburg. Mogelijk een uitspraakvariant van 'moffelbôon'
mòs
  1. zelfstandig naamwoord

    mos

    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Meej mòs òn der kniejes... kapitaalkrachtig; in het bijzonder m.b.t. een vrouw in geval van een mogelijk huwelijk
    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - ze hee mos an d'r kuiten - ze heeft geld
    - Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek, aflevering 7; Nieuwe Tilburgsche Courant 1950-03-18 een meid mee mos aon dr kniejes (); daaronder verstaan we in Tilburg een bemiddeld meisje
    - Pierre van Beek; Typisch Tilburgs, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1958-01-10 - zij heeft mos aan dr knieën - zij is rijk.
    - Cees Robben; Prent van de week 1956-12-15 - gin mos aon dr kniejes... en toch lief... - niet rijk en toch lief.
    - Cees Robben; Prent van de week 1987-07-24 - Pa, mèn meske heej mos aon dr kniejes...
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Dè kostte un kapitaol, dòchte wij, mar jè as we onze pa moese gelêûve nie zô èèrg, ze ha immers un paor cente, mos òn der knieëns zin wij van mèskes daor ze et tèùs goed kosse doen.
  2. mos oude verleden tijd van moeten

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, - 57 11 15 - D'r was ne keer ne slimme Vos / Die wies nie wè'tie zeggen mos...
mos

verleden tijd van moest

- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - ...wij moesen mar 's zeggen dè ...
- Cees Robben; Prent van de week 1956-05-12 - Wè d ons moeder toch moes spaoren/ vur de swiet... de kaskenade... De prent behandelt het feest van de Eerste Communie en de kosten daarvan, die ook voor het oog van het kerkvolk gemaakt werden.
- Cees Robben; Prent van de week 1959-09-12 - Swels det ik efkes wochte moes...
- Cees Robben; Prent van de week 1965-04-02 - Hij moes zn port hebben...
- Cees Robben; Prent van de week 1967-03-17 - Den dokter (chirurg) moes twee keer zn mis aonwitte..
- Cees Robben; Prent van de week 1980-06-20 - Wè waren ze toch wèès mee dren irste klèène... Hil de reutemeteut moes er op...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 08 08 - Mientje moes op ziekebezuuk
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Ze mossen oe gehad hèn! - ze hebben je nodig
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Agger nie meej schreuwe most, dan moster meej laage...
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - most - 2e hoofdvorm van moeten
- WNT - moeten - als verleden tijd heeft het Middelnederlands naast moeste ook most
Mòsbrèmpt

toponiem De exacte lokatie is niet vastgesteld; alleen aangetroffen in een interview uit 1978:

- Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - daor gingeme ok aatij voogeltjes vange De Mòsbrèmpt!! De Mòsbrampt brèmpt! Van hil die kontrije daor koste gij van de Biksewèg bij de irste waaj.. Nouw zit er De Kat meej zen febriek èn teegenoover zaat Franke vruuger
möske
  1. zelfstandig naamwoord

    muisje; ver kleinde vorm van mèùs, met vocaalkrimping

    - Dialectenquête, Willems 1887 - mùske (ù als frans oeu)
    - Cees Robben; Prent van de week 1962-07-20 - De möskes vènde overal... [hier dus: meisje]
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Hij goojde meej et miske vant mèske nòrt möske...
  2. Verkoper van mosterd - 19de eeuw

mòsterdmènneke
  1. zelfstandig naamwoord

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - mosterdmannetje (ging langs de huizen)
    - Karel de Beer; Bijnamenboek, 2000 mòsterdmènneke; Frans Elen
    - Karel de Beer; Bijnamenboek, 2000 - de mòsterdmadam; Johannes Elen
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 Ènt mòsterdmènneke, mòsterdmadammeke.... Die is lang gewist, die wonde in de Atteljeestraot (Atelierstraat) èn daor wont naa en neef die dè oovergenoomen heej van em. Die doe dè nòg verkôope èn dè is goeje mòsterd, hor
    - Henriëtte Vunderink; Tis de moejte wèrd, 2011:
    mòsterdmènneke
  2. Et mòsterdmènneke Weekeleks kwaamie bij ons òn de deur, meej zen dèfteg visgraotjasken aon, èn en pet op, die ik em zo schôon vond staon. Hij had ok aaltij zon fris-rôoje kleur. En tunneke, meej koopere baanden, in zen haand. Die baande blonken asòf ge vur ne spiegel stond. Ons moeder gaafem dan en glas, èn verdomd, hij knoejde nôot, assie teegen de kaant van dè glas meej zenen houte leepel mèpte, èn de mòsterd tòt òn de raand vur ons moeder daorin schèpte, die, al meej der sènten in der haand klòrstond, èn et mènneke zich dórnao fïef wir rèpte nòr de vòlgende klaant.

    - Nel Timmermans; Wètter ammòl òn de deur komt; CuBra; 200? - En aaf en toe dan kwaam et mosterdmènneke òn de deur, die zaag er aaltij hêel netjes èùt, alles gepoetst tot èn mèt zen tunneke meej koopere baande, mar ok zen schoene. En wèffer glas dèttie ok vol moes doen, hij mikte meej zen houte lepeltje der nôot nèffe.
mòt
  1. zelfstandig naamwoord

    de klerenmot of kleermot (Tineola bisselliella)

    - Wikipedia, 2023 - een nachtvlinder uit de familie Tineidae, de echte motten. De rupsen leven ook binnenshuis en eten van verschillende soorten organische materialen zoals wol, haar, bont, leer, veren en zijde, katoen en linnen maar ook plantaardig voedsel.
  2. Vandaar de volgende namen voor berglaatsen waarin kleing werd opgeborgen en de mot werd bestreden met mottenballen mòttekiest

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 11 06 - Ze hee toen munne blaauwe kiel / Uit de mottekiest gehaold
  3. mòttezak

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 02 20 - De kielen in de mottezak
mot
werkwoord

moet tegenwoordige tijd van moete

- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - dè mótte gelêûve
- Cees Robben; Prent van de week 10-01-1975 - Wies, waor ist hier, want ik mót zôo ...
- Dialectenquête, Willems 1887 - Wie nie heure wil, mot vule
mòtje
  1. zelfstandig naamwoord

    herenmaat (kleding)

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - maansmaot
  2. zelfstandig naamwoord

    1 maat, werkgezel, collega

    - Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Moete meej oewe maot meej? - Moet je met je collega mee?
    - Cees Robben; Prent van de week 1979-09-14 - Gij beslèècht men wel, maotje....
    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels, 2014 - Mar toen zèg ik ok teege men andere maote, we waare toen meej zeuve man die daor bè mekaare waare, ik zèg
  3. naam

    2 maateenheid

    - H. Mandos en M. Mandos van de Pol; Brabantse Spreekwoorden, 2003 - Das ginne maat, da's 'ne liter. Dat is geen maat, dat is een liter. Kaartterm. Als iemand bij het kaarten een goede maat blijkt te hebben gekregen. Woordspeling. (Een maatje = 0,1 liter.) Opgetekend Tilburg 1967, zegsman J. Sicking. - Informant Frans Raaijmakers - Alles meej maote, zi de klirmaoker, en hij sloeg zen vrouw meej d'el.
    - Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek, aflevering 103, Nieuwsblad van het Zuiden, 10-06-1970 Wordt er van een man gezegd, dat hij "danst op heur maot", dan hebben we te maken met een man, die geheel en al door zijn vrouw gedirigeerd en geregeerd wordt. Dus een pantoffelheld.
    - WBD II:1384) - maot - maat, hoedenmeter
    - Cees Robben; Prent van de week 1959-09-05 - Wè dist n schrepel maotje.. [De prent gaat over Peerke Donders, die inderdaad zeer mager was.]
  4. zelfstandig naamwoord

    1 maatje, werkgezel; aanspreking van oudere tot jongere

    - Cees Robben; Prent van de week ongedateerde bewijsplaatsen - Gij beslèècht mèn wèl, mòtje? ...dè löstert hêel naaw, mòtje
  5. 2 kleine inhoudsmaat, met name van sterke drank

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 2; Nieuwe Tilburgsche Courant 1929-10-16 - ...en iedere gebeurtenis van veul of weinig beteekenis ongrèpen as 'n welkome gelegenheid om 'n half motje in de flesch te haolen.
    - Dialectenquête, Willems 1876 n motje - een maatje (gewicht)
    - WBD III.4.4:296 maatje - deciliter
mòtrèège
zelfstandig naamwoord

motregen

- Cees Robben; Prent van de week 1964-12-18 - Vur fèèn meensen en motrèègen moette oppaase Tirris..
- Pierre van Beek; Dialect en spreekwijzen; Nieuwe Tilburgsche Courant 1959-01-10 - Voor fijne mensen en motregen moet men oppassen. - Huichelaars gelove men niet.
- H. Mandos en M. Mandos van de Pol; Brabantse Spreekwoorden, 2003 lemma mens 24 - Voor fijne mensen en motregen moette oppassen. Voor fîjne mensen en motregen moet je oppassen. Men moet geen huichelaars geloven. Opgetekend in Tilburg 1975.
mòtte
  1. werkwoord

    moeten

    - Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - dè mótte gelêûve
    - Cees Robben; Prent van de week 1962-10-05 - En desseme gadeeseme nog tesse mosse ôôk...
    - Cees Robben; Prent van de week 1987-01-02 - En naa zegde onderwege nie .. akkoe naor huis breng, degge wir mot (hier dus: naar de wc moeten
    - Willems; Dialectenquête, 1887 - mó'k - moet ik?; mottewe - moeten wij? mótte - mós - gemótte; mót moet; mótte - moeten
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - mótte
    - WBD III.1.4:328 - moeten, moet; moetje - verplichting
  2. samentrekkingen met moete moetem moet je hem - Cees Robben; Prent van de week 1978-12-22 - Dan moetem is in zn hemd zien staon...

    - Cees Robben; Prent van de week 1964-07-31 - Moeten daor zien staon te kèèke...
    - Cees Robben; Prent van de week 1982-09-24 - Dan moettem overdag ôôk mar de kaans geven
  3. moetet moet het, of moet je het - Cees Robben; Prent van de week 1960-02-19 Mar k moetet irst nog zien... - Cees Robben; Prent van de week 1973-05-11 Dan moetet lepeltje dr uit haole... moetiejer moet hij er - Cees Robben; Prent van de week 1981-05-08 Dan moetiejer zunne tèèd mar over doen...

  4. zelfstandig naamwoord

    mòttekiest mottenkist

mòtverdikke

mòt is een verbastering van god, verdikke is een afgezwakte vorm van verdomme

- Cees Robben; Prent van de week 1984-10-19 - motverdikke
mouw
zelfstandig naamwoord

mouw

- Pierre van Beek; Typisch Tilburgs, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1958-01-10 - De Tilburgers noemde men vroeger messentrekkers of messenstekers, omdat men bij vechten vlug met het mes was. Dan voegde men daaraan toe: Ze hebben het achter (of in) de mouw. Dit is dan de oorspronkelijke betekenis der uitdrukking, toen men het mes in de mouw droeg, zodat de tegenstander het niet zag. Dr. F.A. Stoet schrijft, dat men vroeger verboden wapenen in de mouw droeg, en dat bewijst het Keurboek van Haerlem. 27: waert dat yement enige wapene anders droege dan geschreven staet, heymelyc in bosemen, in mouwen, in cousen, enz. In West-Vlaanderen zegt men ook Een mes in de mouw hebben, voor trouweloos en wreedaardig zijn; onbetrouwbaar.
mouwe
werkwoord

mouwen

- Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek, aflevering 141; NvhZ, 13-12-1971 - "Het zal er straks mouwen, zeej de molenaar en toen laas-ie het zeuvende gebod." We stuiten hier op een wel ongewoon werkwoord, dat is afgeleid van het zelfstandige naamwoord "mouw". Hoe zit dat in elkaar en wat heeft de molenaar daarmee te maken? In het verleden waren de molenaars het zwarte schaap bij de boeren. Dit hield verband met de eens in zwang zijnde betaling van de molenaar in natura, het zgn. scheploon. De molenaar was gerechtigd een zeker deel van het meel als "maalloon" te incasseren. Daarvoor gebruikte hij een houten schep. De ene molenaar schepte dieper dan de ander. Ook van het tempo waarin het scheppen geschiedde, hing het af of er weinig of veel meel per schep genomen werd. Van een molenaar die nogal royaal voor zichzelf schepte, werd gezegd dat hij "zijn mouwen mee liet scheppen". Hieruit ontstond het werkwoord "mouwen". De molenaar aan wie de uitdrukking wordt toegeschreven, was van plan méér dan de normale maat naar zich toe te halen. De toevoeging, dat hij het zevende gebod (gij zult niet stelen) las, vestigt in dit verband op een geestige wijze de aandacht op het moreel ongeoorloofde van het "scheppen met de mouwen". Het maalloon uit de tijd van het "scheppen" bedroeg een zestiende van het geheel. Tengevolge van de vele klanten werd dit scheppen afgeschaft en ontstond de verplichting van het gebruik van geijkte maten, welke boven of "onder het kruis" niet meer dan twee duim middellijn mochten hebben.
mouwerke
zelfstandig naamwoord

verkleinde vorm van mouwer; iemand die mouwt, zeurt

- Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Als je steeds aan het zeuren en mouwen bent: - ast mouwerke dôod is, meugde gij et mouwerke wòrre!
mòwke
zelfstandig naamwoord

- WBD - mouw - gewrichtsziekte bij jonge paarden; ook genoemd mòk of haozenhak
mud
zelfstandig naamwoord

inhoudsmaat voor droge waar; 301 liter, verdeeld in 8 schepels van ieder 37,6 liter (in Tilburg in gebruik vóór de invoering van het Metriek Stelsel in 1820).

- Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - en mud èèrpel, mòssel, koole
- WBD III.4.4:300 - mud hectoliter; ook schepel of spint
muggesnapper
zelfstandig naamwoord

Illustratie: Naumann - ficedula striata

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - grauwe vliegenvanger (Muscicapa striata)
- WNT - muggensnapper - in Groningen benaming voor den grauwen vliegenvanger ( Muscicapa grisola)
mugighet
zelfstandig naamwoord

moeheid, vermoeidheid

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - hij hèègt van muugeghèd - hij hijgt van moeheid
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Onder waoter, ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960-1980 - ...hij viel dur puure muugighed/ int waoter, van de slaop
- Stadsnieuws, 2009-08-26 - Toen ze et hèùs gekèèrd ha, kosse van muugeghèd hòst niemir op de bêen staon...
- Cursus in Tilburgs; krantenrubriek circa 1940 - Hij hègt van de mugighet
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mugigheid
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 mugigheid - vermoeidheid
mugighetmugighet
Muk de drakendoder

Daar kwamen de dwergen aandragen. n Hele terrine vol soep voorop Toen volgden aardappels met lawaaisaus, grote bonen en elk n kippepoot. Dat was kostje!!

mulder
zelfstandig naamwoord

merel Illustratie: Naumann - turdus merula Luister naar het geluid van de merel - WBD - 'mulder', 'malder' (meelder, mölder; 'lijster', 'gieteling')

mulder
muldere
werkwoord

- WBD III 4,2:167- mulderen - tellen, pompen - pompen van de meikever; het herhaalde malen met de vleugels bewegen voordat een meikever opvliegt
muldere
mulderke
zelfstandig naamwoord

merel, kleine meikever

- WBD - III 4.2:160 - meikever - De meikever (Melolontha melolontha) wordt 25 mm lang. Het was vroeger een algemeen bekende en onder schoolkinderen populaire middelgrote kever met een licht bruinrood schild, een zwarte kop en borststuk en een witte beharing op de buik, maar hij is nu zeldzamer. - WBD III 4.2:162 - meikever met witachtige rug
muldig
naam

mul, rul

- Piet Heerkens; De Mus; Wende, 1939 - D'r maone zwieren en d'r harde hoeven klotteren dof in muldig stof en zaand
mulk
zelfstandig naamwoord

melk

- WTT - - 2012 - de uitspraak zonder umlaut - mulk - lijkt ook voor te zijn gekomen voor (gewone) melk, met name in samenstellingen
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 5, Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-07 & 14 - In de vruugt, as de miste meenschen nog op één oor liggen haol ik bij de boeren de kannen op en breng die in Tilburg naor 't mulkfebriek.
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 5, Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-07/14 - Ik hè dees week de toer om de mulkwaogen te rijen.
mullek
zelfstandig naamwoord

melk

- WTT - - 2012 - de uitspraak zonder umlaut - mulk - lijkt ook voor te zijn gekomen voor (gewone) melk, met name in samenstellingen
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 5, Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-07 & 14 - In de vruugt, as de miste meenschen nog op één oor liggen haol ik bij de boeren de kannen op en breng die in Tilburg naor 't mulkfebriek.
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 5, Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-07/14 - Ik hè dees week de toer om de mulkwaogen te rijen.
mullekboer
zelfstandig naamwoord

melkboek

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 11 04 - t Perd van onze Mullekboer / Kende persies mèn deur, / Want iedre mèrge krèk op tèd / Dan stopte ie daor veur.
mundeg
naam

mondig

- WBD III.2.2:45 mundig mondig, meerderjarig
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mundig - mondig, meerderjarig
- C.J. Verhoeven, Haorese woorde, spreuke en gezegdes; Almere 2007 - muntig - mondig
mundje
zelfstandig naamwoord

mondje

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek; t Klokhuis van Brabant; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-09 - ...want ik zè nie op mn mundje gevallen al zeg ik t zelf
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 96, NvhZ 1970-02-26 - "Als ge mee dè mundje mot gaan schooien, zulde nie veul krijge." Wie zich dit hoort toevoegen, wordt niet erg geschikt geacht om te bedelen. Er wordt daarbij van uit gegaan, dat men de psychologisch juiste woorden moet weten te vinden om tot medelijden te bewegen. Het bedelen was immers voor sommigen in slechtere tijden een vak.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 96, NvhZ 1970-02-26 - laagende mundjes zèn bèètende hundjes - waarschuwing: vertrouw vriendelijke mensen niet altijd (Mandos; Brabantse Spreekwoorden, 2003)
- Piet Heerkens; De Kinkenduut; t Mundje, 1941 - Mundje gehouen/ zal niemand berouwen/ mundje te vrij/ maokt niemand nie blij
- Tony Ansems; Agge oew mundje goed ruurt; cd Tilburgse Liekes American Style, 2008 - Agge oew mundje goed ruurt, draaider oew kundje wel in...
- Dialectenquête, Willems 1876 mundje
- WBD III.1.1:96 mondje - mond
- WBD III.2.2:104 mondje - kus
muntig
bijwoord

koe die nog melk geeft

- Weekblad van Tilburg, 5-10-1867 Uit: Een roestpraatje - t Doe niks af om t (de koe) muntig op de haai te vaoren staauwen.
- WNT - muntig - nog thans (1908) is in Zuid-Nederland die term in gebruik voor eene koe die nog melk geeft, maar sedert een jaar niet vol of drachtig is geweest...
murt
naam

- WBD III.2.3:159 murt - rot (fruit); ook voos, verrimpeld
mus
zelfstandig naamwoord

mus, mussen Illustratie Naumann - huismus - Passer passer Luister naar het geluid van de huismus - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 128, NvhZ 21-07-1971 - "Waar een mus doorhenen vliegt, blijft een mug hangen". De gedachten dienen hier uit te gaan naar een spinneweb. De betekenis van de uitspraak is dat de grote Piet zich in de maatschappij allerlei zaken kan veroorloven waarvoor de kleine man in de kraag gegrepen wordt.

- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Asse die gemaajd hadde dan kosseme musseklèmme zètten èn musse vange Èn dan ging... hamme sondagsmiddags, hamme fist. Dan ginge we die musse slachte! We hòlde ze èùt èn we din ze in et zout... Èn sondags, Gust ven den Broek èn onze Jaon èn Kees de Wolf, han we zon pan meej musse... èn, èn de smòkte goed!
- Dialectenquête, Willems 1887 - muske - kleine musch of mosch
musse
zelfstandig naamwoord

mus, mussen Illustratie Naumann - huismus - Passer passer Luister naar het geluid van de huismus - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 128, NvhZ 21-07-1971 - "Waar een mus doorhenen vliegt, blijft een mug hangen". De gedachten dienen hier uit te gaan naar een spinneweb. De betekenis van de uitspraak is dat de grote Piet zich in de maatschappij allerlei zaken kan veroorloven waarvoor de kleine man in de kraag gegrepen wordt.

- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Asse die gemaajd hadde dan kosseme musseklèmme zètten èn musse vange Èn dan ging... hamme sondagsmiddags, hamme fist. Dan ginge we die musse slachte! We hòlde ze èùt èn we din ze in et zout... Èn sondags, Gust ven den Broek èn onze Jaon èn Kees de Wolf, han we zon pan meej musse... èn, èn de smòkte goed!
- Dialectenquête, Willems 1887 - muske - kleine musch of mosch
musterd
zelfstandig naamwoord

takkenbos, mutsaard, mutserd

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - In den oven wiere irst takkenbossen, musterd genoemd, geschoven en in braand gestoken.
- WBD III.3.4:81 - musterd - takkenbos
- WBD III.4.3:80 - mutserd - takkenbos, muster
- WBD III.4.3:93 - mutserd - kreupelhout, struikgewas
- WBD III.2.1:261 - mutserd - mutsaard
- WBD III.4.4:258 - musterd - bundel
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 musterd mutsaard, takkenbos
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - musterd - mutsaard; daarnevens mutserd en mutsaard
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mutserd - takkenbos
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836- mutsaard - takkebossen. Het woord komt van mutsen, caedere
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster,1968 mutserd -takken
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 musterd - mutsaard, takkenbos; gebruikt als aanmaakhout en om oven en sopketel te stoken
muts
zelfstandig naamwoord

muts

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, NvhZ, aflevering 101, 08-05-1970 - Wanneer men "voor iemand de muts niet over z'n oren behoeft te trekken", kan men de andere partij vrij in de ogen kijken, omdat men niets op zijn geweten heeft, waarvoor men de ogen behoort neer te slaan of dat het daglicht niet verdragen kan.
- Karel de Beer; Bijnamenboek, 2000 - ene Muts - lid van de familie Mutsaer(t)s
muts
mutserd
zelfstandig naamwoord

takkenbos, mutsaard, mutserd

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - In den oven wiere irst takkenbossen, musterd genoemd, geschoven en in braand gestoken.
- WBD III.3.4:81 - musterd - takkenbos
- WBD III.4.3:80 - mutserd - takkenbos, muster
- WBD III.4.3:93 - mutserd - kreupelhout, struikgewas
- WBD III.2.1:261 - mutserd - mutsaard
- WBD III.4.4:258 - musterd - bundel
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 musterd mutsaard, takkenbos
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - musterd - mutsaard; daarnevens mutserd en mutsaard
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mutserd - takkenbos
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836- mutsaard - takkebossen. Het woord komt van mutsen, caedere
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster,1968 mutserd -takken
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 musterd - mutsaard, takkenbos; gebruikt als aanmaakhout en om oven en sopketel te stoken
mutsewaaser
  1. zelfstandig naamwoord

    mutsenwasser Iemand die de grote en kostbare Brabantse mutsen wast en daarin blijkbaar ook handelt:

    - Willem van Mook; Het land der Brabantsche week; Nieuwe Tilburgsche Courant 1930-07-31 - Mie de mutsewaasser kan alle meskes van den Heuvel nog aon schoon gewaasse mutsen helpen; dus kènder, as ge ze mee d'ren kurf op den Heuvel ziet dan weet-te gellie hoe laot 't is!
  2. Blijkbaar een bezigheid waarmee vooral kwezels zich bezighielden:

    - Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - èn dan de kweezeltjes! De kweezeltjes hèb ik ok nòg! De kweezeltjes Biezemans! Oôôô... de mutsewaasers!
  3. Bedrukt Tshirt. Markt Tilburg Noord. Foto: Cubra/- WTT - 2021.

muug
  1. Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - muug - moe; vergrotend muujger; overtreffend muujgst
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - muug - moede, vermoeid; muge beenen hebben
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - muug - moe
    - C.J. Verhoeven, Haorese woorde, spreuke en gezegdes; Almere 2007 - muug - moe, beu
  2. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

muugeghèd
zelfstandig naamwoord

moeheid, vermoeidheid

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - hij hèègt van muugeghèd - hij hijgt van moeheid
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Onder waoter, ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier, 1960-1980 - ...hij viel dur puure muugighed/ int waoter, van de slaop
- Stadsnieuws, 2009-08-26 - Toen ze et hèùs gekèèrd ha, kosse van muugeghèd hòst niemir op de bêen staon...
- Cursus in Tilburgs; krantenrubriek circa 1940 - Hij hègt van de mugighet
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - mugigheid
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 mugigheid - vermoeidheid
muugeghèdmuugeghèd
muuger
  1. Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - muug - moe; vergrotend muujger; overtreffend muujgst
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - muug - moede, vermoeid; muge beenen hebben
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - muug - moe
    - C.J. Verhoeven, Haorese woorde, spreuke en gezegdes; Almere 2007 - muug - moe, beu
  2. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

muugt(e
zelfstandig naamwoord

vermoeidheid, moeheid Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - Ik kos nie' meegaan van de muugte.

- De Wijs, 1969-07-04 - As ik mee mn voete in wè laaw waoter mee wè zout gao zitte, trekt er de muugt wel ûît.
- Cees Robben; Prent van de week 1970-09-25 - ...en van muugte pèèrs en blauw. - Cees Robben; Prent van de week 1979-03-02 - Ik ben hil den dag toch zô aorig, war... En dè komt van de muugte...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 05 21 - Mar nao'n ketierke zaag ie pèrs / En hègde van de muugte.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - muugte - vermoeidheid.
muuk
zelfstandig naamwoord

- Ed Schilders; - WTT - 2020 - Warme bewaarplaats voor fruit, om door de warmte de vruchten sneller te laten rijpen; zon plaats was bijvoorbeeld onderdeel van het voeteneind van het ledikant dan wel de bedstee.
- Ed Schilders; - WTT - 2020 het zelfstandig naamwoord is voor het Tilburgs niet opgetekend, maar mag verondersteld worden op basis van het werkwoord Muuke, zie het volgende lemma.
- WNT - muik (verwant met meuk) - plaats waar fruit wordt bewaard
- A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - muik, muuk, mèùk - bewaarplaats om fruit te doen rijpen
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [= Udenhouts], 1978 muik (mö:k) - vooral in de verkleinvorm gebruikt (mökske) - kleine hoeveelheid, voorraadje, kwèkske; n mooi mökske èèrpel
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 Meuk, doorgaans muek uitgesproken, is hier eene zich langzamerhand bijeen gepakt en zich vast gezet hebbende vergadering van kwade stoffen in het menselijk ligchaam, bij de Franschen un depót genaamd. Muek beteekent in Neder-Saksen zooveel als rot, verrot.
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 muijk - ene plaats alwaar men appelen, peren of ander fruit bewaart. Ook wel in t gemeen ene bewaarplaats.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen; Brussel 1936 meuk muik; in de meuk liggen
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - muik - plaats waar fruit te muiken ligt
muuke
werkwoord

muuke - muukte gemuukt (steeds korte uu) fruit ter rijping op een warme plaats bewaren; zie hiervoor lemma muuk

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - ...loat ze mar wè muuken (laat het fruit nog maar wat liggen, dan wordt het wat zachter). Men zegt het ook als een grapje bij het kaarten.
- Van Delft; Van Vroeger Dagen aflevering 109; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-13 Ik laot me kaort iets muuke, zegt een kaartspeler, die zijn kaarten bijeen laat liggen totdat ze rondgedeeld zijn en allen ze opnemen.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 - muiken - hetzelfde als Hollands meuken; fruit wegleggen en bewaren opdat het malsch zou worden
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - zie meuk, mueken voor meuken. Bij Kiliaen is het 'muycken', als bedrijvend werkwoord, van hetwelk de beteekenis beantwoordt aan die van het Fransche 'mitonner' (o.a. 'langzaam laten smelten')
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 muuken - week laten worden; thans meuken
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - muken - halfrijp fruit wegstoppen (vooral in het bedstro) om het zacht te doen worden.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen; Brussel 1936- meuken - muike (mökte, gemökt)
muur
zelfstandig naamwoord

muur

- De Wijs, 27-12-1968 - Wè, de hôôge C zingen, des mar n stukske alfabet, de kalk môt van de muure
- WBD - muurplaot - balk of plaat die plat op de buitenmuur van de lange gevel ligt
- WBD - muurke tasmuurtje; laag wandje, meest van hout of vlechtwerk, dat de scheiding vormt tussen dorsvloer en tasruimte; muur met lange uu, muurke met korte -uu-
muurmuur
muurke
zelfstandig naamwoord

muur

- De Wijs, 27-12-1968 - Wè, de hôôge C zingen, des mar n stukske alfabet, de kalk môt van de muure
- WBD - muurplaot - balk of plaat die plat op de buitenmuur van de lange gevel ligt
- WBD - muurke tasmuurtje; laag wandje, meest van hout of vlechtwerk, dat de scheiding vormt tussen dorsvloer en tasruimte; muur met lange uu, muurke met korte -uu-
muurkemuurke
muurschilderaaj /muurschilderij
zelfstandig naamwoord

de beschildering van de gewelven in de kerk

- WBD III.3.3:32 - Beschildering van de holgebogen zoldering van het kerkgebouw; opgetekend voor Tilburg en Weelde.
muuziekaant
zelfstandig naamwoord

muzikant

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen), Gent 1899 . - muzikant (in de Kempen: muzzikaant) - speelman
muuziekaol
naam

muzikaal

- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 - muzikaol
muwke
  1. zelfstandig naamwoord

    meeuw, meeuwtje

    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer; 1996 - möw meuw
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - - meeuw
  2. zelfstandig naamwoord

    meeuwtje

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - meeuwtje
×