R.K. Jongensweeshuis

Daar kwamen de dwergen aandragen. n Hele terrine vol soep voorop Toen volgden aardappels met lawaaisaus, grote bonen en elk n kippepoot. Dat was kostje!!

raandbaaj (raandbaoj
  1. werkwoord

    raande randen, eenmaal overslaan wat te doen gebruikelijk is

    - Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg: Op zondag et lòf raande
    - A.J.A.C. van Delft - "De kip raant, omdat ze muit" of de kip legt niet regelmatig eieren omdat zij ruit. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)
    - WBD (Hasselt) een dag overslaan bij het leggen (door een kip)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - randen, overslaan, erlangs lopen, de meet passeren
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Stelling IV: Hasseltsch raane
    - WNT: RANDEN (I) 5. nalaten wat men gewoon is te doen.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RANDEN, RANNEN - overslaan, verzuimen, achterlaten wat men gewoon is te doen; uitvallen, toevaren, toeblaffen, sprekend v. honden
  2. zelfstandig naamwoord

    raank rank; stengel met bladeren, bloemen etc.; 'rangel'

    - WBD III.1.1:20 'rank', 'rankel' = slank, tenger
    - WBD III.4.3:39 'rank' = idem (stengel), ook 'rangel'
    - C ornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RANK zelfstandig naamwoord m+v. - de slanke stengel van erwten, boonen, hop, winde enz. Naam die men geeft aan verschillende planten, zooals de haagwinde.
  3. naam

    raankel rank

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916 - "raankel - ze is nog raankel (slank) - Verwacht nog geen kindje"
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 05 06 - "Irst waarde 'n raankel mèdje / Volop 't bekèke wèrd, / Gao dus meer naor de fitnes / En wè minder naor de mert." - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 06 28 - Vemèrge mos de "Toer de Fraans" / Op 't raankel fietske stappe / En dan vraogde oew ège aaf: / Wint Jan Raos deez' etappe? - WBD III.1.1:20 'rankel', 'rank' = slank, tenger
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899, - RANK bvw. - licht van lijf en leden, van menschen en dieren gezeid.
  4. naam

    raanzeg, rènzeg

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ranzig
    - WBD III.2.3:31 'ranzig' = rins, ook 'zuursig'
    - WNT - RANZIG - hetzelfde als RANS: van vetten en oliën die zuurstof uit de lucht hebben opgenomen en waarin dientengevolge vluchtige vetzuren zijn vrijgemaakt.
  5. naam

    raas, raaze

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, klank- en vormleer, Tilburg 1996 - 'ra:s' - roze (blz. 3)
  6. bijwoord

    raaw, rauw

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - onzindelijk
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - tis ammòl zo ten raawste op - we zijn bijna door de voorraad heen
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - tis goej vòlk, mar raaw - het is goed volk, maar ruw
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - te raawste - ongeveer (globaal)
    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - raawe melk - ongekookte melk
    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - raaw ketier - slordig huishouden
    - WBD III.1.4:150 'ruw' = slordig
    - WBD III.4.4:44 'rouw weer = slecht weer
    - WBD III.4.4:94 'rouw vriezen' = rijpen; ook 'vorsten'
    - WBD III.4.4:243 'rouw' = ruig
    - WBD III.4.4:11 'rouwe lucht' = onstuimige lucht
  7. Raawbraoke, Ròjbraoke toponiem De Rauwbraken

    - Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, 2005 - Rauwbraken, gebied tussen Tilburg en Enschot
  8. zelfstandig naamwoord

    raawdaaw samengesteld uit ruw en duwen

    - Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, 2005 - ruw, lomp persoon
  9. werkwoord

    Sticker van de Tilburgse carnavalsvereniging De Raawdaawers. Foto CuBra 2020. Ruwen van de wol in de 18de eeuw raawe rouwen, ruwen

    - WBD raawe (II:l056) - rouwen (nabewerking van het weefsel): ook:
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - rouwen, ruwen
    - WBD III.4.4:317 'rouwen' = vezelen
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz.25) 'rawe' = raawe (rouwen)
  10. zelfstandig naamwoord

    raaweghèd ruwheid

    - Paul Spapens e.a., Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, 2005 - ruwheid, ongemanierdheid, ruigte, wildgroei
  11. zelfstandig naamwoord

    raawenes ruwnes, ruignes

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - wildernis
    - WNT - ROUWENIS (II) - van 'rouw (II)' naast ruw - in Z-Ned.: l) "Ruigte der bosschen ... en allerlei wilde gewassen"; 2) allerlei afval van hout, stroo, onkruid enz. = 'rouwage' - ruigte
  12. naam

    raawmoejeg rouwmoedig, berouwvol

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - berouwvol
    - WNT - ROUWMOEDIG - berouwvol
  13. zelfstandig naamwoord

    raawstrôoj rouwstro

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - stro (resp. bed) waarop iemand gestorven is
  14. naam

    raaze, raas rose rad z elfstandig naamwoord rad, wiel

    - Informant Toine Raaijmakers - het rad van Sinte Ketrien - huidziekte die men bij het melken van koeien kon oplopen; openbaarde zich in een kringetje van zweertjes. Ter genezing gingen de boeren hiervoor naar Oosterhout, naar het Catharina-klooster, om er een noveen te houden.
  15. Heilige Catharina van Alexandrië- beeld aan de begraafplaats Binnenstad, Tilburg. Het rad is het symbool van haar marteldood. Onder: devotieprentje.

    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - rad (krt.32)
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAD znw.o. -wiel; mrv. ra(d)er, raaier; verkleinwoord raaiken
  16. zelfstandig naamwoord

    radèske radijsje

    - WBD III.2.3:109 'radijsje' = radijs
    - Piet van Beers -
  17. De bôome stòn volop in bloej as 't naa mar nie gao vrieze want aanders zulle we dees jaor nog hil wè frèùt verlieze. Tèùnbôone, kêele èn radèès die kunne der wèl teege Mar... 't blommezaod in munnen bak zit nie om vòrst verleege. (CuBra, ca. 2004)

rajls
  1. zelfstandig naamwoord

    rails (van tram)

    - Interview Hermans - 1978 - Piusplein oover èn zoo ging hij door de Varkensmarkt, Trouwlaon, Korvel, Korvelseweg en op de Korvelseweg daor laggie midden op de wèg, de rajls, èn zoo is hij van Korvel, war, is hij door Goirle gegaon èn naast ouwe kèrk St. Jan, dè was vroeger en ouw verpleeghèùs, warèn bij Den Hemel kwam ie pas op de groote wèg nòr Hilvaarenbeek!. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
  2. zelfstandig naamwoord

    rak

    - Cees Robben - Zèède wir op rak, Merie... Jao, ik moet wir en hôrt op... (19640320) - Cees Robben - Is oew vrouw thuis, Tinus..? Thuis.. Die straotmus is wir op rak... (19830708) - Cees Robben - Ons Nelleke is wir op rak... (19860321)
    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -op rak zèèn - op stap zijn
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - RAK: 't rak hebben = neiging hebben om te rakken, jagen, stouwen; toegeven aan onweerstaanbare ramscheuten en schoeren? ook wel gebruikt voor andere vormen van onrust dan die welke betrekking hebben op de snelle voltooiing van het werk, bijvoorbeeld erotische verlangens: 'hij is op rak'.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - rak, zelfstandig naamwoord mannelijk - rak, de daad van rakken: 'op (z'ne) rak gaon' - gaan rakken
    - WNT - RAGGEN 1) wild heen en weer loopen, stoeien; 2) een heen-en-weer-schuivende beweging maken.
  3. werkwoord

    rakke

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ravotten, rondzwerven
    - WBD III.1.2:121 'rakken' = slenteren, ronddolen; ook 'bolliën'
    - WNT - RAGGEN - l) wild heen en weer loopen, stoeien; ook gezegd van tochtige dieren; 2) een heen-en-weer-schuivende beweging maken
  4. zelfstandig naamwoord

    ram

    - WBD mannelijk schaap, ook ram, ram, 'raam' of 'bók' genoemd
    - WBD III.4.2:62 ram - mannelijke haas
    - WBD III.2.1:511 ram, rammelaar = rammelaar, mannelijk konijn
  5. zelfstandig naamwoord

    rammel

    - Pierre van Beek dartele, uitgelaten, jongensachtige vrouw of meisje
    - Pierre van Beek - wilde rammel - idem
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - 'Zè waar vruuger nògal unne wilde rammel'
    - Stadsnieuws Dè meens waar me tòch en blèkke rammel - ... een druk type. (200510)
    - WBD III.1.2:45 'rammel' = pak slaag; ook: 'slaag, aframmeling, priegel'
    - WBD III.1.2:45 'aframmeling' idem
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - RAMMEL meisje (vrouw) dat (die) luidruchtig en wild te werk gaat
    - WNT - RAMMEL I, 2) persoon die 'rammelt', altijd door praat.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAMMEL zelfstandig naamwoord v.- rammelaarster, babbelaarster
  6. zelfstandig naamwoord

    RAMMELKONT zelfstandig naamwoord v. - rammelaarster, wauwelaarster

    - WNT - RAMMEL l) voorwerp dat rammelt; 2) persoon die rammelt, d.w.z. altijd door praat; 2) resultaat van rammelen: gebabbel, slaag
  7. zelfstandig naamwoord

    rammelèèr rammelaar

    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -rammelaar (kinderspeelgoedje); ram, mannelijk konijn
    - WBD III.3.2:134 'rammelaar'= idem, ook 'rammeltje' of 'rammel'
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rammelèèr zelfstandig naamwoord - rammel van een kind; mannelijk konijn, ram
  8. werkwoord

    rammenasse ramassen, door elkaar schudden

    - WNT - RAMMENASSEN zie RAMASSEN, dit laatste uit Maleis 'ramas' = kneden. 1) in de oorspronkelijk techn. bet.: masseeren op de bij de inwoners van Oost-Indië gebruikelijke wijze; 2) als gevoelswoord met vervaagde bet.: gewestelijk, en gewoonlijk vergezegd van ('door elkander') werpen, -rammelen. In het bargoens ook: ranselen, vechten.
ramscheut
  1. zelfstandig naamwoord

    Jantje Doomen; Tekening: Tijs Doorenbosch in de bundel Vertesselkes van Piet Heerkens - 1941

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ene ròmscheut neeme (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - ergens plotseling op afvliegen; met vaart weglopen. (Bij het melken komt de melk met scheuten of stralen uit de spenen.) - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -ramscheut/ ròmscheut - snelle start - Sjef Paijmans - Fokkie [de hond] werd nu voor zijn voerbak gecommandeerd. Hij keek naar de spiegel die hij daar nog nooit had gezien. Een woedend gegrom kwam uit zijn keel en omdat de spiegel schuin tegen de muur stond schoot hij met een nijdige grauw naar de achterzijde. Maar daar was niets te zien. Met de nekharen nog overeind kwam hij weer enigszins gerustgesteld naar zijn bak terug. Maar daar was die vermeende rivaal weer. Weer een dreigend gegrom, diep uit zijn keel en weer in een ramscheut achter die spiegel. (CuBra; 2001) - Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek - En welke echte Tilburger heeft niet ooit gehoord: hij nam ne ròmscheut (en had bv. de vlegel te pakken). De betekenis van ròmscheut nemen is: ergens plotseling agressief op afvliegen, al kan het ook wel: met vaart weglopen inhouden. In t Middelnederlands kennen we het woord raemscheute in de betekenis van wakkere uitval. Verder: een raemschot, dat een op goed geluk gemikt schot inhoudt. (TTP 14-10-1971) - Cees Robben - [een kippenboer, die tot zijn verwondering ziet hoe een van zijn kippen een enorm ei heeft gelegd van wel anderhalf ons, haalt dat ei pijlsnel uit]: Tiest Vermeeren naamp unne raomscheut (28-4-1956) - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - RAMSCHEUT: plotselinge van binnenuit komende voorwaartse beweging, onverwacht actief optreden van voor lui of beschouwelijk gehouden personen: 'mee 'ne ramscheut'. De afleiding is wsch. interessant, maar mij onbekend. Mogelijk is 'ram' een verbastering van 'romp'..
  2. zelfstandig naamwoord

    Etymologie - Ed Schilders Van Aajkes tòt Zaandkèùl (2012) - Een van de betekenissen die het - WNT - voor rame geeft, is: een rame van wevene. Dat betekende zoveel als weefraam, weefgetouw (het oudste citaat komt voor in een akte uit Brugge, in 1294) (...) Het Middelnederlandsch Handwoordenboek van Verdam (...): span-, droog-, lakenraam. (...) Als vijfde betekenis van scheut las ik in het WNT: Keer dat de schietspoel door de schering wordt geworpen. Ook hier dus een term uit de handweverij, namelijk het schieten van de spoel, dat zo vaak in weversliedjes bezongen is. Het - WNT - geeft een voorbeeld uit een Haarlemse akte uit 1749 en zegt: Thans nog gewestelijk in Zuid-Nederland. Typoscript van een brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965 ramspoed rampspoed

    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 27) mps > ms ramspoed
  3. zelfstandig naamwoord

    rangel stengel met bladeren, bloemen etc; rank, tak, 'raank'

    - WBD III.4.3:40 rangel - rank, onstevige stengel; ook: rank, rang, rand, stengel, tak
    - WBD III.4.3:77 rangel - tak (alg.) ook knoest genoemd
  4. naam

    ranzeg ranzig

    - WBD III, 2, 3 Eten en drinken (2004) - Lichtelijk zuur smakend.
  5. zelfstandig naamwoord

    Waardering voor Tilburg: frequent. raod raad, advies gemeenteraad

    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Goeje praot kost niks en goeje raod is gèld wèrd.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - ro.t, zelfstandig naamwoord mannelijk 'rood' - raad; gemeenteraad; zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'root'- (honing)raat.
  6. zelfstandig naamwoord

    raodslid, ròdslid

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - 'raotslit, raotsleeje' - raadslid
  7. werkwoord

    raoje raden; adviseren, aanraden

    - Daamen Handschrift (1916) - "dès woar juffrouw, dè roaide (daar heb je gelijk aan)"
    - Daamen Handschrift (1916) - "roaie - dè roaide (daar heb je gelijk aan)"
    - Piet Heerkens; uit Vertesselkes, Hannes Kaokel, van Baokel, 1944 :
  8. Mar jè, ge moet op pad, m'ne man, en ik raoi oe dees ten goeie: ge neemt et dikke Rooike mee,

    - Cees Robben - Mar toch zokkoe wille raoje... (19591003) - Cees Robben - unne èège-geraaide meens valt ôôk nie te raoije... (19680320) - Cees Robben - Ge bent unne èège-geraaide meens en ge wilt nie geraoje zèèn... (19660729)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 09 02 - Mar de baozen in 't bestuur / Die waren nie te raoien - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 07 17 - Hij hee d'n aord naor hullieje pa / Die is ok nie te raoje.
    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dès oe geraoje - dat zou ik maar doen
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - raoje ww - raden; dè's oe geraoje-n-ók!
  9. uitdrukking

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - raoje, raoje pliesiepèt - zoek het maar uit.
    - Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - raoje-raoje-pliesiepèt = Ad van Puijenbroek (blz.64)
    - Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867 - Raojen èn daoje - Raden (raadgeven) en daden (doen). - Een roestpraatje : Gij zè nog al sneu, Trien, help me nou is raoijen en daoijen.
  10. zelfstandig naamwoord

    raojer

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - wielen, raderen
  11. zelfstandig naamwoord

    raojmaoker

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - radmaker, wielenmaker
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - raojmaoker, zelfstandig naamwoord - radmaker
  12. bijwoord

    raok raak

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 06 17 - Allèèn Jaanse op t Körvelpleintje / hee presies ze vadders smaok / Gao deurom daor oew fleske haole / dan witte zeker: ik schiet raok. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 09 14 - Dur z'n prente vol mee stripkes / Stikt ie mee al wè lèft dn draok / En wè'ter onder stao geschreeve / Is aaltij Brabant's, sappig raok. - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - rò.k, bijvoeglijk naamwoord en bijw. 'raok' - raak: ''t Is wél raok mé d'appel deis joor!'
  13. werkwoord

    raoke raken, geraken

    - WBD (Hasselt) van de lèg raoke - van de leg afraken (van een kip)
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - raoke - gij/hij ròkt
    - WBD III.4.4:201 'raken' = grenzen; OOK: 'aansluiten', 'aanliggen'
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - raoke - ròkte - geròkt, met vocaalkrimping, ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij ròkt
    - Dialectenquête 1887 Willems - noteert in alle vormen de lange vocaal.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zw.ww. intr. - raken: 1) toebehoren (aan): Da perceel rakt aan hum'; 2) familie zijn van, verwant zijn met; Da rakt er nog aan' -Dat is er nog familie van.
  14. zelfstandig naamwoord

    raokel

    - WBD rakelijzer (werktuig, meestal van ijzer, om het vuur in een oven te verspreiden)
    - WBD omgebogen ijzer waarmee een oven wordt leeggehaald
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAKELIJZER zelfstandig naamwoord o. - ijzer om den oven te rakelen - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAKELSTOK zelfstandig naamwoord mannelijk -lange stok om den oven te rakelen.
    - WNT - RAKEL (II) - verkorting uit 'rakelstok': gebruikelijk bij de bakkers om koolen en hout in den oven te roeren.
  15. werkwoord

    raokele

    - WBD rakelen, oppoken (van het vuur in een oven)
    - WBD traokele - houtskool uit een oven verwijderen
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zw.ww.tr. + intr. - rakelen, met behulp van een lange stok de gloeiende houtskolen in de oven omroeren.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAKELEN - met het rakelijzer de gloeiende kolen in den oven omroeren.
    - WNT - RAKELEN - 2) met een stok of gaffel het vuur in een haard of oven omroeren
  16. zelfstandig naamwoord

    raom, ròmke raam, raampje raam, venster, ruiten

    - Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Die zit aaltij vur de raom
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 10 25 - "Mar ge mot irst efkes kèke, / Zee d'n Bart, dan zèdde wès, / Op de kaort die vur de raom hangt / Want daorop ziede de près."
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, klank- en vormleer, Tilburg 1996 - 'Doe irst de raom is dicht.' (blz. 96)
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - raom - rumke (u van 'mulder' = mölder)
    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - As vruuger ne meens dôod was, dan stond dieje meens, die stond in hèùs in en kiest èn dan stond ie vur et raom èn dan kosse de meense van bèùten et raom, koste, koste gij nòr den dôoje stòn te kèèke!
  17. zelfstandig naamwoord

    Elders

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAAM zelfstandig naamwoord v. en niet o.
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - raom zelfstandig naamwoord - raam; 'doe de raom dicht'
  18. ambachtelijke toepassingen

    - WBD driehoekig raam om de nek van een kalf, ook genoemd 'ròmke' of 'juk'
    - WBD lèèmraom - lijmraam, raam van latten of gaas, waarop het lijmvlees te drogen wordt gelegd (II 611)
    - WBD óp raom spanne - opspannen van leer op een raam of bord om het te laten drogen (II 641)
    - WBD raom - opspanraam voor leer (II 641)
    - WBD klòsseraom (II:992) - scheerrek (voor scheerklossen)
    - WBD schèrraom, schirraom
    - WBD II:994 - scheerraam, grote haspel; ook: schèr-meule, haspelmeule of schèrkrôon genoemd
  19. werkwoord

    Het ramen van het weefsel; 18de eeuw raome

    - WBD (van een merrie) met de benen zwaaien en bewegen tijdens het werpen, ook genoemd 'slaon'
    - WBD II:1056 raome - ramen: het goed door spanning zijn juiste maat geven
raomscheut
  1. naam

    raop, ròpke zelfstandig naamwoord en verkleinwoord raap, knolraap; overdrachtelijk: hoofd

    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Et gao meej de raope de pòt in. (Slordig huishouden)
    - Cees Robben - Prent van de Week - rèècht vur zene raop
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw. vr. 'raop' - raap 1) knolvrucht; 2) schertsende benaming voor een dik, ouderwets horloge; 3) platte benaming voor hoofd / kop.
    raomscheut
  2. werkwoord

    raope rapen

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 07 14 - Ge kunt wir fèn doen wègge wilt / 's Mèrges lekker lang slaopen / Of mee de kènder naor de Laai / Om maastappels te raopen...
    - WBD (Hasselt) - eieren uit de nesten (van kippen) halen
    - Dialectenquête 1887 Willems - raope - ròpte - geròpt
raopelangske
  1. zelfstandig naamwoord

    - Pierre van Beek - "Het is een rapelangske" zei een moeder duidende op een kind, dat in het gezin rond liep en in verhouding tot de anderen erg jong was. Zij bedoelde er mee, dat het een kind was van haar ongehuwde dochter (rapeling is afgevallen fruit). (Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)
  2. zelfstandig naamwoord

    raopkoek, ròpkoek geperste (vee)voederkoek, pak slaag

    - WBD III.1.2:47 'raapkoek' = pak slaag; ook: 'rammel, priegel, oplawaai' enz
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAAPBROOD znw.o. - raapkoek
    - WNT - RAAPKOEK - tot veevoeder bestemde koek, gevormd uit de resten van raap- of koolzaad nadat de olie er uitgeperst is.
  3. zelfstandig naamwoord

    raopollie

    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -raapolie (in den ólliemeule geperst öt kôolzaod)
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'raopòllie' zelfstandig naamwoord - raapolie
  4. zelfstandig naamwoord

    raopstiltjes raapsteeltjes

    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz.33) - raopstiltjes (geen klinkerverkorting)
  5. zelfstandig naamwoord

    raopzaod knolraapzaad

    - WBD I:1429 'raopzaot'
  6. werkwoord

    raoskaole

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - raaskallen, onzin vertellen
    - WBD III.1.2:221 'raaskallen' = ijlen
    - WNT - RAASKALLEN - 1) onzin praten, malen, leuteren; 2) ijlen
  7. zelfstandig naamwoord

    raot

    - WBD III.4.2:136 'raat' - honingraat, ook 'graat' genoemd
  8. werkwoord

    raotele ratelen

    - Cees Robben - Prent van de Week - raotelend meej veul bravoer; veul geraotel
    - WBD III.4.4:248 'ratelen' = rammelen
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RATELEN - reutelen, den doodsreutel hebben
  9. zelfstandig naamwoord

    raovesbòl ook: raogerbòl raogesbòl, ragebol, raagbol 1. borstel op een lange stok om hoger gelegen delen van het huis te kunnen schoonmaken Jan Luyken

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - raovesbòl c.q. grôote steek
    - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - raovesbòl
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - 'raobe(r)sbòl'
    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -raogesbòl, raoversbòl, raovesbòl
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - raovesbol (blz. 95)
    - WBD III.2.1:320 'raovesbòl, raoverskòp, raobesbòl' = ragebol, 'raagbol'
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Par. 225a (blz. 175) is m.b.t. 'ragebol' onvolledig.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw.m. (weinig gebr.) 'raafbol' - ragebol
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'raoversbol' zelfstandig naamwoord - ragebol
    - WNT - RAAGBOL (vrijwel geheel verdrongen door RAGEBOL) bep. borstel, RAAGBORSTEL, ook vervormd tot RAAFBORSTEL, sinds Halma (1710) in de woordenboeken; ook: raag-, raafstok.
  10. 2. in overdrachtelijke zin: het hoofdhaar, al dan niet gelijkend op 1

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939) - ...mee zoo'n lange haoren en zoo'n flabberboks om z'n beene en zoo'n pereplu van 'nen hoed op z'nen raogersbol!"
    - Tony Ansems, Heure pluusen hoed; van de cd Tilburgse Liekes American Style, 2008 - Heure pluusen hoed, op durre raoversbol...
  11. werkwoord

    raoze w erkwoord, zwak razen

    - Cees Robben - ... Hij haauwt nie van klaozen/ Die raozen en daozen.../ Dè paast nie in deez dure tijen! (19541127)
    - WBD III.1.4:230 'razend' = razend van woede; 236 'razen' = opspelen
    - WBD III.4.4:429 'razen'= bulderen
raoze
  1. bijwoord

    rap rap, vlug

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - schrander, pienter
  2. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge zèèt nèt zó rap on Paosen as ikke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - gezegd tegen iemand die wat hard van stapel dreigt te lopen

    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -zo rap as en strontvlieg meej êene vleugel
    - WBD III.1.2:259 'aan de rappe zijn' = diarree hebben
    - WBD III.1.4:147 'rap' = handig
rappe
  1. zelfstandig naamwoord

    in de uitdrukking 'aan de rappe'; aan de diarree

    - Piet van Beers In spinaozie zit ijzer.... zegge ze: Agge er veul van it, goadde gruun aaf en raokte aon de rappe. (With Love; 1982-1987)
  2. zelfstandig naamwoord

    rapplezaant plaatsvervanger verbastering van Frans 'remplaçant'

    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw.vr. 'rapplesant' - remplaçant, (vroeger) plaatsvervanger in de krijgsdienst.
  3. zelfstandig naamwoord

    rat rat

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - muizen en roate (meestal: muis en roate)
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAT znw.v. (in sommige streken o.) Frans: rat
  4. zelfstandig naamwoord

    rats WNT Rats I; vgl.: In de rats zitten.

    - WBD III.1.2:260 'aan de rats zijn' = diarree hebben
    - WBD III.1.4:405 'ratsen' = iemand op de zenuwen werken
  5. zelfstandig naamwoord

    rattestèrt rattenstaart

    - WBD III.4.3:340 rattestèrt - heermoes (Equisetum arvense) ook wel 'paardenstaart' genoemd
rattienee
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD - J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij ratiné of perlé" (zie ook Van Dale bij ratiné"): Dubbelweefsel, waarbij kleinere of grootere noppen op de stof zijn gemaakt, door middel van ratineeren (zie aldaar). Zie ook welliné" Bij ratineeren" zegt J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) : Apprêtuurvorm, waarbij geruwde wollen weefsels onder druk gewreven worden met pluche overtrokken platen, zoodat het weefsel een krullend haardek krijgt." Van Dale zegt bij ratineren": Een stof van nopjes voorzien, tot ratiné maken". Verder noemt Van Dale nog de ratineermachine" en de ratineerrnolen". - WBD rattiné (fr.): het type ratienéé K 183 (= Tilburg) [korte ie].
    - Henk van Rijswijk - Ratiné: een zware wollen strijkgaren stof waarbij het typische ratiné-effect wordt bereikt door de stof te ruwen en het daardoor ontstane haardek op een ratineermachine tot kleine nopjes te wrijven. Geweven in 4 schachts gelijkzijdige keper soms verzwaard met onderinslag. Wordt ook uitgevoerd als dubbelweefsel voor de extra zware kwaliteit. Gebruikt voor jassen en mantels.
  2. naam

    (Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954) rauw, raaw ruw, onzindelijk

    - Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - Tis goej vòlk, mar rauw
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijvoeglijk naamwoord 'rouw', ruw, ruig
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rauw bijvoeglijk naamwoord, ruw, ruig
  3. naam

    uitdrukking Te rauwste - ongeveer, globaal

    - WBD III.3.1:223 'ruw, rouw', 'lomp, boers' = ruw
    - WNT - vermeldt de uitdr. 'uit den rouwe' - onafgewerkt, niet precies.
  4. zelfstandig naamwoord

    razzeldazzel

    - Pierre van Beek - denigrerende volkse benaming voor een Tilburgse dancing in de twintiger jaren (Tilburgse Taalplastiek 186)
Reacties op de website 'Je bent een echte Tilburger als...' - Onderwerp: 'Je bent een echte Tilburger als... je geen sinterklaasinkopen doet maar... gaat klotteren in de ondergrondse!' (gestart 28 februari
  1. Danielle van Son - En dat sinterklaas op 'tafel reed' dat is in de rest van Nederland niet echt bekend. Desiree van Doremalen - Klotteren in de parkeergarage heel gezellig. En Sinterklaas die op tafel reed kennen ze behalve in Limburg [Tilburg?-red] nergens. Mijn man uit Rotterdam wist niet wat ie hoorde Sint die op tafel rijdt!!! Wat doet ie dan... Dorri Eijsermans - Ja! Klotteren; één van de leuke dingen van Sinterklaas. Spannend, ook! En, inderdaad, toen wij nog in de Sint geloofden, "reed" hij op tafel. En niet alleen bij ons; hij had ook op oma's tafel gereden! Voor alle kleinkinderen... Marga Mols - Ik woon al jaren in Den Haag, maar een Sint die op tafel rijdt kennen ze hier ook zeer zeker niet! Andere betekenissen

    - WBD van een koe: bronstig op een andere koe springen, ook 'brulle' genoemd
    - Hij rijdt em - hij is kwaad, opgewonden - Sjonge sjonge wè zoj em rije! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)
    - WBD III.4.2:25 'rijden', ook: 'bespringen', 'dekken'
    - Pierre van Beek - laote ligge rije - laten slingeren
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rije ww - boos worden; geschenken brengen
  2. zelfstandig naamwoord

    de Rije Rijen (deel van de gemeente Gilze-Rijen) rijknèècht zelfstandig naamwoord degene die een paard en wagen ment Audio-opname 1978 - mar toen zaate ze zonder rijknèècht te kèèke èn ik ha nòg nôot meej paard èn kar gereeje èn dè was toevalleg ok nòg zon ròtzak ôokdie sloeg van veure èn die sloeg van aachtere dus as ge daor nie oplètte koste en opsoodemieter krèège! (- Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013) rijnaogel zelfstandig naamwoord

    - WBD (II:2818) 'rijnaogel' - schamelbout / draaipin van een samengestelde kar
  3. zelfstandig naamwoord

    rijtèùg rijtuig

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - 'n nij rêtuig mid 'n aauw pêrd er veur
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ge wòrt dur gin koetsen òf rijtèùgen ooverreeje Het zijn niet de fatsoenlijke mensen die je kwaad doen
rèèchtevort
  1. bijwoord

    rèèchttoevort samentrekking van rechttoe + voor(ui)t. rechtdoor

    - Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - Ge lópt mar rèèchttoevórt - Je loopt maar rechtdoor.
    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - (Gehoord zomaar op straat) Rechttoevôrt, dès duidelijk, mar rij bij Sjaane dn hoek om, dès misschient onbekend mar vraog t mar 'ns, waant iederandeen kent Sjaan van de hoek! (10-03-1967)
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'rèèchttoevórt' altijd maar rechtdoor
    rèèchtevort
  2. rechtstreeks

    - Cees Robben - Dieje weg (...) die rèèchtevort naor t geboer van Van de Braante lopt... (19791102) - Stadsnieuws - rèèchtoevort nor hèùs èn onderweege nie sèmmele (021108)
  3. eerlijk

    - Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867, Een roestpraatje - lk weet er labendig regttoevoort geenen raod toe. Daar geannoteerd als: Om ronduit te spreken.
    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Tis nie rechttoevoort, t is ammaol lôos (24-02-1966)
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijw. (verb.) 'rechttoevoort' - eerlijk, oprecht (bv. bij het kaartspelen)
  4. rechttoe rechtaan

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, Daor wier nie rècht-toe-vort gespuld / Nèè, 't gong over driebaand [over het biljartspel]
  5. zelfstandig naamwoord

    rèèf, rèfke hark

    - Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - De rèèf stao int schòp int huukske
    - Damen Handschrift (1916) - "raif - rijf (hark)"
    - A.J.A.C. van Delft - Een rijf is een hark, een reep is een hoepel, een moor is een ketel, een kakstoel is een kinderstoel. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
    - Pierre van Beek Als we het zinnetje "In 't schop op 't schoor leej de schuup en de reif" bij de kop nemen, slaan we vier vliegen in één klap om dan nog niet eens van de allitererende "sch" te praten. Het "schop" is een klein schuurtje of bijgebouwtje, "'t schoor" wordt gevormd door het zoldertje in zo'n schuurtje, de "schuup" is de schop (om mee te spitten) en "reif" dient door "hark" vertaald te worden. (Tilburgse taalplastiek 12 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 25 april 1950)
    - WBD (III.2.1:410) rèèf, hark = hark
    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - RIJVE - raspe. Zie Ten Kate II,555.
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - type 'rijf' (blz. 161)
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rèèf zelfstandig naamwoord - rijf
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - rijf - hark
    - WNT - RIJF (I) l) hark
  6. werkwoord

    rêeg verleden tijd van 'rèège', rijgen reeg Schilderij van Sara McGregor rèège rijgen rèège - rêeg - gereege

    - WBD 'rèèjge', 'réége (II:1014) - rijgen: inrijgen van weefkam/rietkam
    - WBD 'kàmrééger' (II:1013) - kamrijger
    - WBD 'rééjchhaok' (II:1015) - rijghaak: inrijghaak; ook: kamhòkske of rèèg-nòld genoemd
    - WBD rèège (II:1175) - rijgen; ook 'driege' genoemd
    - WBD III.4.4:305 'rijgen' = idem, ook 'ritsen'
    - Stadsnieuws - Ene goejen boer gao nie öt de rèège zolang ie onder zen òksels nog drêûg is - Een ijverige werker is niet bang voor een beetje regen. (260308)
  7. zelfstandig naamwoord

    z elfstandig naamwoord regen

    - Cees Robben - De sukkelèèr die praot van rèègen... (19580315)
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - regen
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - 'Van fèène rèège èn fèèn meense wòr de ut miste nat' - Door fijne regen en fijne mensen word je het meest bedonderd.
    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -ene goejen boer gao nie öt de rèège zolang ie onder zen òksels nòg drêûg is
    - Piet van Beers Smeeklied om waoter: Ik vraog OE Lieve Hirke,/ stuur ons toch wè verkoeling/ Drie daoge rèègen dè's genog,/ (ginne zondvloed, dè is nie de bedoeling.)/ Bekèkt toch mennen hof o Heer:/ M'n bontjes, praai, mèn sevooje./ Gij staoget toch niet toe o Heer/ Dè'k strak/ alles wèg moet gooie.? (Spoeje doemmeniemer; 2009)
    - De straot nat van de rèège... (Henriëtte Vunderink, Hèrfst, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
  8. zelfstandig naamwoord

    reegel regel, periode

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ze hò aanders al vruug de reegels - nochtans was ze al vroeg ongesteld
    - WBD III.2.2:4 'regels' = menstruatie
  9. werkwoord

    rèègene regenen

    - ...daogs dr nao règenden ut aauw wève op klumpkes... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
    - Pierre van Beek - 't Regent ouwe wijven mee klompen. - 't Giet. - 't Valt er mee bakken uit! (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)
    - Cees Robben - t Règent t zêgent, t zeevert op de stad... (19540724)
    - Ik vat er nog êene,/ ge weet et niemir/ oover en ketierke,/ dan rèègent et wir. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ge wit nôot )
    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -rèègent et in maaj, dan is april al lang vurbaaj
    - Grôot diktee van de Tilburgse taol 04 - dèt oover en uurke begient te rèègene
    - Èn rèègene dè't di èn kaaw dèk ha. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
  10. werkwoord

    Elders

    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - reejgene ww - regenen
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - rèègene (blz. 18, 144)
  11. zelfstandig naamwoord

    rèègeverspèller koekoek

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - 'rèègevuspèller' - koekoek (Cuculus canorus)
    - WBD III.4.1:155 rèègeverspèller - koekoek
  12. zelfstandig naamwoord

    rèèggòtje

    - WBD III.1.3:252 rijggaatje = gaatje voor de veter
rèègkesjèt
  1. zelfstandig naamwoord

    rijgcorset

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 08 26 - Ik haauw van kabberèt / En zeeker agge mèdjes ziet / In 'n aauw règ-kesjèt."
  2. zelfstandig naamwoord

    rèègnòld rijgnaald

    - WBD rèègnòld - rijgnaald; inrijghaak (voor weefkam); ook: kamhòkske of rèèghaok genoemd
  3. werkwoord

    rèègtzètte rechtzetten, rechtop zetten

    - Hessels 2020 - Als je je verveelt; kweenie wèk moet doeoehoeoen!! - zaand òn elkaar knêûpe! of: - den aop vlôoje! of: - leege zakke rèèchtzètte! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
  4. zelfstandig naamwoord

    reej verleden tijd van 'rije' 3e pers. enk. verl. tijd van 'rije': reed uitdrukking Hij reej em - Hij was kwaad, opgewonden reeje reden rèèjer zelfstandig naamwoord

    - WNT - REIER (I) - reider, reeder < REEDEN (I) 2) verwerken tot een eindproduct ... van vezels, garens en geweven stoffen
    - Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - ene reyer - handelaar/ tussenpersoon in ruwe wol (blz. 94)
  5. zelfstandig naamwoord

    reejschaof

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - rijschaaf (werktuig)
  6. naam

    rèèk, rèèker, rèkst rijk Rgezegde Ik zèè de rèèke Jan Coole nie. - Ik heb het geld niet op mijn rug groeien

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - den könning is rêk
    - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - de'minse' zòchte rèèk te wòrre
    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -beeter rèèk te lèèven as rèèk te stèèrve
  7. zelfstandig naamwoord

    Dirk Boutkan (1996) - rèkste naast rèekste

    - Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de rèèke Jan Koole = Jan Kolen (blz. 50)
    - Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de rèèke schôojster = Joh. de Werd (blz. 83)
    - WBD III.3.1:203 'rijk zijn' = rijk zijn
  8. de rijken

    - Cees Robben - Meej al mn zörgen en slameur,/ Heur ik toch bij de rèèke... (19580705)
  9. werkwoord

    rèèke

    - WBD III.1.2:85 'reiken' = reiken (naar)
    - Dialectenquête 1887 Willems - rèèke - rèkte - gerèkt
    - Cees Robben - Muug van t rèèke... (19580426)
  10. zelfstandig naamwoord

    reekenderij gereken, rekenarij

    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - reekenderij: en hil reekenderij
    - WNT - REKENARIJ - het rekenen, gecijfer (Bij Ter Laan: reeknderij)
  11. zelfstandig naamwoord

    reekening rekening

    - WBD nòg en week òn de reekening, nòg en week aaf - de koe moet over een week kalven
  12. zelfstandig naamwoord

    rèèkreekenerij

    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - het kunstje om zich rijk te rekenen
  13. werkwoord

    rèèle

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - reilen
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - 'Ut rèèle èn zèèle'
  14. werkwoord

    rèème rijmen

    - Dialectenquête 1887 Willems - rèème - rèmde - gerèmd
  15. ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij rèmt

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 12 01
  16. Rèmkes... Kèk, de maon schènt dur de bòòme Of dur de bòòme schènt de maon, Zó komt ons taol de liste weeke Hèèl dikkels vur schut te staon. Iederèèn die mot naa rème 't Gift nie oover wè of hoe Asser mar 'n rèmke bijzit De rest doe'ter verder nie toe. Ge zit op oew potlòòd te knaauwe En prakkezeert oew ège zot Wè remt op unne koffiemeule? Of wè rèmt op mosterdpot? Al is't 'n rèmke zonder rème Al is de tekst fienaol verkeerd As degeene die 't krègt strak 't Prebeere mar wardeert.

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - Hoe rèmde dè tesaom
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ook: rèèmele
    - Cees Robben - Prent van de Week - 'rèèmet nie? vroeg Faosse droevig'
    - WBD III.4.4:91 rijmen = lichtjes vriezen
  17. rêep 1. hoepel, reep D16 "reep - hoepel" Bij de smid met een gebroken rêep; houtgravure, Katholieke Illustratie, ca. 1890 Centsprent - 19de eeuw - A.J.A.C. van Delft - Een rijf is een hark, een reep is een hoepel, een moor is een ketel, een kakstoel is een kinderstoel. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929) Klèèn Sjuuleke viel meej de rêep. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wè ist verschil?)

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - hoe zèède gekoome? Meej de rêepkist naa goed! - hoe ben je gekomen? met de hoepel; is het nu goed (antw. op vraag naar bekende weg)
  18. zelfstandig naamwoord

    èn rêepe meej en fietswiel,/ èn hakke meej ne tol. (Henriëtte Vunderink; Vruuger; k Zal van oe blèève haawe, 2007) Nie dè wij der ok mar/ êen woord van begrêepe,/ mar ons moeder zo wèl nie vur niks/ ons nor bèüte rêepe. (Henriëtte Vunderink; De Pestoor; k Zal van oe blèève haawe, 2007) Hij ript den hillen dag dur et hèùs... (Henriëtte Vunderink; Vriendje; k Zal van oe blèève haawe, 2007)

    - WBD (III.3.2:118) rêep = hoepel
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - re.p, zelfstandig naamwoord mannelijk 'reep' - hoepel
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - Bredanaars zeggen nooit 'hoepel, hoepelen', maar altijd 'reep', 'reepen';
  19. zelfstandig naamwoord

    K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - REEP: een boogswijze geboge hout, het geen boven op de berden van ene kar word geplaatst om de huif over te spannen. Dezelven zijn doorgaans vier in getal. Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rêêp zelfstandig naamwoord - hoepel

    - WBD (II:2770) 'rêêp' - wielband, wielbeslag
    - WBD (II:2907) 'reep' - kuipband
    - WNT - REEP (l) 3b) als kinderspeelgoed. Thans nog in n.-Brab., Limb. en Z.-Nederl. ... de hoepel wordt ook in zeker dansspel gebruikt.
    - WBD III.1.3:66 'reeprok', 'hoepelrok' = hoepelrok
    - WBD III.4.4:230 'reep' - kring, ook 'hoepel'
    - WNT - REEP (I) 3) Smalle cirkelvormig gebogen band, oorspronkelijk van wilgen- of populieren rijshout. Thans ook vaak van metaal. Hoepel; b) als kinder-speelgoed
  20. 2. vertier uitsluitend in uitdrukking 'op rêep'

    - op rêep - op (vrouwen)jacht
  21. Pierre van Beek - óp rêep gaon - op stap gaan met de bedoeling flink wat te verteren.

    - WNT - REEP (I) 4 (kol. 1065) Zegsw. Aan den reep gaan staan, op jonge dochters die naar de jaarmarkt gaan, dikwijls om er kennis met jongelingen te krijgen (Joos, Waas idioticon)
  22. 3. andere betekenissen

    - WBD III.2.2:36 'reep' = lat of twijg om te straffen
  23. naam

    Nederlands ABC-boek Pieter Breughel de oudere; detail uit zijn schilderij Kinderspelen rèèp rijp

    - WBD slachtklaar: vet genoeg om geslacht te worden (van vee gezegd)
  24. ónrèèp - niet rijp, onvolgroeid, ook 'beneepe'

    - WBD nie rèèp - nog niet uitgerezen (gezegd van deeg)
  25. rèèp - klaar om gebakken te worden (zie WBD: rèèpe)

    - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - die pèèr is nie rèèp
    - WBD III.4.4:93 'rijp' = idem, ook 'rijm'
  26. zelfstandig naamwoord

    rêepaovend

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - uitgaansavond, uiteraard in gezelschap van een meisje
    - WNT - REPEN (III) l) haastig gaan; 2) zich druk bewegen, onrustig zijn; enz.
  27. werkwoord

    Boer met koe voor de èrdkèèr. De kinderen hebben hoepels of rêepe als speelgoed Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel. rêepe rêepe - ripte - geript, met vocaalkrimping

    - Dirk Boutkan (1996, 41) ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij ript
    - Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) rêepe - hij ript
  28. 1. hoepelen Afbeelding uit Kroniek van de Kempen - 1992 - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "reepen - hoepelen"

    - Rêepe èn, èn touwke springe èn diejabooloowe! [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]
  29. werkwoord

    Réépe, ôok wel hoepelen genoemd waar un sport, waor wij hil veul plezier aon belèèfde. Ge zieget tegesworrig niemes mir doen. Et waar hil populair bij jongens, die aaltij op straot speulden en et werkte as volgt: Ge hadt nôdig, un fietswiel, daor de spaoke öt ware, ze mochten er nog wel inzitten mar dan waar et wiel veuls te zwaor. Hoege daor aon kost komen aon zon wiel, weet ik niemer, mar alle jungskes, bruurkes en zonen öt de hille buurt han zon wiel. Enne enkeling, daor zet thös kosse betaole, ha enne echte hoepel, waor et aondrèèfèzer omheen gelast zaat. Wilden wij dè gesloopte fietswiel, dè onze hoepel waar, in beweging zetten, dan moese we meej un endje hout tegen dieje velg slaon en der neffe lôope, op un drefke. Dè wiel liete dan langs de kaaibaand rollen, terwèèl ge zelf op de stoep blift lôope. We hebben, op die manier, de halve stad leren kennen. Ge liept wè aaf en mistal op klompen. Naa zon ze zeggen, et waar enne echte duursport. Te vergelèèke meej de marathon of de Kennedymars. Et ha één naodeel, asset begos te vriezen, gingen die wielen, die hoepels et hok in tot et veurjaor. Wij zaten dan mar te hopen dè de vorst deur zô zetten.

    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - REPEN (ree:pe) onov.ww - l) met de hoepel of reep lopen;
    - Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) - rêepe - hoepelen
    - WBD (III.3.2.119) rêepe = hoepelen
    - WNT - REPEN (I) - 4) met een hoepel spelen, hoepelen
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - REEPEN - riepe wkw (rg.) - hoepelen
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - REEPEN - hoepelen; met den reep, den hoepel spelen
  30. 2. vertier zoeken, uitgaan, een meisje zoeken

    - Informant Toine Raaijmakers - vrijen
    - Informant Toine Raaijmakers - Gaode wir rêepe venaovend?
  31. Verstoppertje, hinkelen en touwke springen of réépe, dè wier der wel veul gedaon, ge liet dieje hoepel, bij et réépe neffen de kaaibaand rollen. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

    - Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) - rêepe - uitgaan met de kennelijke bedoeling de bloemetjes goed buiten te zetten
  32. Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rêêpe ww - uit vrijen gaan

    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - REPEN (ree:pe) onov.ww - 2) driftig en gulzig achter iets of iemand bv. de meisjes aan zitten.
  33. 3. in repen snijden

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - erlangs rêepe - ergens een reep afsnijden (bijvoorbeeld kaas of koek)
    - Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) - rêepe - een snelle wat ongenuanceerde snijbeweging maken
  34. 4. pijnigen

    - WBD III.1.2:65 'repen' = geselen, gispen
    - WBD III.1.4:405 'repen' = iemand op de zenuwen werken
  35. werkwoord

    rèèpe rijpen, rijp worden

    - WBD klaar geraken om gebakken te worden (gezegd van rijzend deeg)
  36. werkwoord

    rèèpe - rèpte - gerèpt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rèpt rèère beven, rillen, bibberen

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - et meens rèèrde van de kaaw
    - Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867, Een roestpraatje - 'k rèèr as ik denk, aon de zwaor cijzen, laasten en paachten
    - Daamen Handschrift 1916 - "raire - beven"
    - Pierre van Beek Daar hebben we dan het werkwoord "reiren", dat voor "beven" gebruikt wordt. "Hij reirde as 'n rietje" zegt men en geeft er nog 'n alliteratie gratis bij. (Tilburgse taalplastiek 12 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 25 april 1950)
    - Cees Robben - Ik begien er van te rèère... (19561208) - Cees Robben - Biljerten... en zonder te rèèère [sic] (19571221) - Cees Robben - Van den drift te rèère... (19710102)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 08 31 - De R die is wir in de maond / Dè heurt gin-niemand gère / Want in dè kaauw, nat laand van ons / Wordt dè mistentèd Rère.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 03 16 - rèrend van kaauw
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 02 15 - Ze zaat te rère in d'r flat
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 05 03 - Agge rèrt in oewen overjas
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 01 31 - De meens van de belastingen / Die rèrde van de kaauw...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 09 06 - De R die is wir in de maond / Dè heur ik echt nie gère / Want veur mèn is dè mistentèd / De R van zitten Rèren.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - rèèren as en waoterhoentje (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1964)
    - Henriëtte Vunderink, Tis de moejte wèrd, 2011 - "Och Eerwaarde" zi Betje, terwèèl ze wè rèèrde,/ "Ik wil teege jou nie gòn katte./ Al is jouw bediening van nòg zoveul wèèrde,/ ik hèb me bedòcht, ik blèèf tòch mar op èèrde. Tot dèsse ineens van kaojeghèd zeej:/ "Ik lig vur piet snòt hier, Gòddoome!"
    - F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn dè meens wier himmel zenuwèèchtig èn ze begos te rèère èn alles.
  37. Elders

    - WNT - Rijeren - Rillen, bibberen, sidderen, huiveren. Hetzelfde als Rijelen. In N.-Nederl. verouderd. Rijderen, rijeren. Tremere, trepidare, intremere, palpitare, horrere, KIL. Ick schudd' end reyer seer verschrickt; Anxt ende vrees heeft my verstrickt, MARNIX, Ps. 55, 3. God sach toe ende dede de Heydenen reyeren, MARNIX, Geschr. 2, 711. Rijeren van de körts, CORN.-VERVL.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zw.ww. intr. 'rijeren' - rillen, bibberen, beven.
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - RIJEREN (réére) onov.ww - rillen, beven, sidderen: iteratiefvorm van 'rijen'.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - RIJDEN hoort men door de dorpelingen der Baronie van Breda bezigen voor 'beven'. Het is afgeleid van het oude rijde, ridde, rede, koorts.
    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - REIJEREN - schudden, beven.
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rèère - ww - beven, rillen
    - A. Weijnen - Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - rieren, rijere - bibberen (brab., limb., vel.)
    - WBD III.1.2:211 'rijderen' - bibberen
    - WBD III.1.2:212 'rijderen' = huiveren
    - WBD 'rèrren', 'rèrre' (van een paard) - bevend schudden met de huid, ook genoemd 'bibbere'.
  38. zelfstandig naamwoord

    rèès, rèske reis

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - en rèès van zeuven uure
    - Cees Robben - En naor Beek gao de rèès... (19600102) - Cees Robben - Van t Krèèvent naor t Kedent is mar unne bolscheut... zisse... Mar t stikt zn gat aanders wèèd aachteruit, en t lekt wel op n Bossche rèès... (19850504) - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord vrouwelijk - reis
    - WBD III.4.3:74 'rijs' = twijg of jonge tak
  39. Afbeelding uit het 'Nuuw Tilburgs Leesplèngske' dat in 2020 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven in samenwerking met Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant en Erfgoed Tilburg. De illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn.

Reeshòf
  1. naam

    toponiem stadsdeel van Tilburg: De Reeshof reeskak zelfstandig naamwoord diarree, schijterij

    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Ik lus t wel mar dan zèk zô aan de reeskak (diahree) en dan ist hard loôpe geblaoze. (17-10-1972)
    - WBD III.1.2:256 'racekak' = diarree
    ReeshòfReeshòfReeshòfReeshòf
  2. zelfstandig naamwoord

    rèèsplaank

    - WBD rijsplank (de plank - soms het deksel van de baktrog - waarop de bolrijs plaatsvindt)
    - WBD óp de rèèsplaank zètte - deegbollen wegzetten om deze te laten rijzen
  3. zelfstandig naamwoord

    rèèst rijst

    - Cees Robben - Prent van de Week - rèèstepap meej sèùker:
    - WBD III.2.3:137 'rijstepap', 'rijstpap' ,'rijstebrij', 'stijve rijst' = rijstebrij
    - WBD III.2.3:221 'rijstvlaai', 'rijstevlaai' = idem
  4. zelfstandig naamwoord

    rèèstepap rijstepap

    - Pierre van Beek - Rijstepap spreekt men uit met: "rèèstepap". (De ij trekt men al sprekend tot èè; de à tot áá.) (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)
    - Cees Robben - Bij Petrus aon de rééstepap...! (19550709) [In de Roomse folklore was rijstepap het gerecht dat in de hemel gegeten werd. Het werd gegeten met zilveren lepeltjes en men dronk er ambrozijn bij.]
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 11 02 - Alle heiligen zaate saome / Aon d'r bord mee rèstepap
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 11 01
  5. Alle hemelse Hèllige Vierde vendaog gròòt fist Omdè't vur ammol tegelèk Verjaordag is gewist. Ambrosius en Bèrnedèt Sint Jan en Bonnefaos Die zitte aon èèn taofeltje Saome mee Sindreklaos. Mee 'n zilvere leepeltje Eete ze rèstepap Ze kèke aaventoe omlèèg Laage d'r ège slap. "Wè zèn't daor onder stumpers war? Vèchte om 'n stuk bròòd Wörom? Want over honderd jaor Zèn z'òòk allemol dòòd." Arabis caucasica

    - WBD (III.2.1:430) rèèstepap = randjesbloem (Arabis caucasica)
  6. zelfstandig naamwoord

    reet

    - WBD III.1.1. lemma achterwerk - reet, Tilburg
    - WBD III.1.1. lemma bil c.q. dij reet, ook in Tilburg
    - WBD III.1.1. lemma aarsspleet reet, ook in Tilburg
  7. werkwoord

    rèève rijven, harken

    - Dialectenquête 1887 Willems - rèève - rêef - gereeve
    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "raiven - rijven (harken)"
  8. Meej ons moeder meej, om kokse te gaon raope op de gasfebriek. Ge kréégt dan zon harkske in oew haand, daormee moeste gij tussen de sintels de nog gloeiende kokse apart rèève. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - RIJVEN - harken, klouwen, ook raspen.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RIJVEN - reef - gereven - harken
    - WNT - RIJVEN (I) - 1) harken; 2) raspen
  9. rèèze w erkwoord, sterk rijzen, omhooggaan, zich oprichten

    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Mee deez weer mot ik aaltij rèzen, t is nie zô slecht mar ôk nie kaai-goed (09-07-1967)
    - WBD III.1.2:8 'rijzen' = omhooggaan; ook: stijgen, klimmen, klaveren
    - Dialectenquête 1887 Willems - rèèze - rêes - gereeze ook zwak?
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - RIJZEN (rééze), (iteratiefvorm: rijzelen) uitvallen van koren uit de droge halmen; ook gezegd van stof dat door kieren van de zolder naar beneden komt.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - re.ze(n) st. en zw (et reesde) ww intr. rijzen, afvallen resp. uitvallen (vooral v. bladeren en van zaad).
    - WNT - RIJZEN (II) Uit de hoogte omlaag gaan. In de alg. taal v. N.-Nederl. onbekend. A. (geleidelijk) naar de laagte gaan of komen van bijvoorbeeld bladeren, zaad, zand, stof, meel, gruis e.d. enz.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RIJZEN - nederwaarts bewegen, dalen, zachtjes naar beneden komen, neerwaarts glijden; glijden, baantje glijden.
  10. werkwoord

    rèèze reizen

    - Dirk Boutkan (1996) - rèèze, (hij) rèèst (blz.37)
    - Dialectenquête 1887 Willems - rèeze - rèèsde - gerèèsd
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GEREZEN: 3e hoofdvorm van 'reizen'; REES: 2e hoofdvorm
    - WNT - REIZEN - Naast het normale part. praet. gereisd komt in vulgaire taal door verwarring met het part. praet. van 'rijzen' veelvuldig de vorm gerezen voor.
  11. zelfstandig naamwoord

    rèèzeger

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - reiziger
  12. handelsreiziger, vertegenwoordiger

    - WNT - REIZIGER - 10) Hij die in dienst van en namens een ander cliënten bezoekt om opdrachten te verwerven, contracten af te sluiten en derg.; handelsreiziger.
  13. zelfstandig naamwoord

    rèffel rafel De rèffels hange deraon.

    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs Ge hoeft er nie mee te simmen al hangen de reffels aon oewen jas (17-10-1966)
    - WBD 'rèèfel' (II:1254) - rijfel, rafel
    - WBD III.1.3:14 'reffel' = rafel
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw.m. 'reifel', afgescheurde strook v. een of andere stof, ook wel strook in het algemeen, bv. een strook land.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - REIFELEN - rafelen, uitrafelen
  14. werkwoord

    rèffele rafelen

    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Mn nylons willen wel ladderen mar reffelen doen ze nie (23-09-1970)
    - Cees Robben - Oew broek is aon t reffele... (19770812)
    - WBD 'rijfele' en 'rèèfele' (II:1255) - rijfelen, rafelen
    - WBD III.1.3:16 'reffelen' = rafelen
    - WBD III.4.4:248 'rafelen' = rammelen (et rôozenhuuke afrèffele, WS) - WBD III.4.4:317 'reffelen' = vezelen
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zw.ww. ntr. 'reifelen', losgaan van draden van een weefsel, rafelen
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - REIFELEN - rafelen, uitrafelen; da' goed reifelt fel; ook RIJFELEN Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rèffele ww - rafelen
  15. zelfstandig naamwoord

    rèfke harkje

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - hij is wir binne mee zene zak èn zen rèfke - daar heb je hem weer!
  16. werkwoord

    regeere regeren ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij regirt

    - Dialectenquête 1887 Willems - regeere - regirde - geregird
  17. zelfstandig naamwoord

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. regeur strengheid, hardheid; regime, norm uitdrukking: Teegen et regeur in - tegen de draad (in), in de contramine, dwars

    - Cees Robben - De kender (...) zen tegen t regeur (19650507)
    - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - hij is aaltij teegenet regeur
    - WNT - verwijst naar het onvindbare RIGUEUR
    - Mnl.wdb - RIGUER - strengheid, meedoogenloosheid, hardheid, van ofra/fra. 'rigueur' lat. rigorem.
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - REGEUR v - regel, regime, strenge maatregelen (Fr. rigueur): tegen 't regeur in - weerbarstig, eigenwijs. - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw.o., 'regeur' - (wettelijk) gezag: teigen et regeur in.
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - regeur zelfstandig naamwoord - gezag
  18. zelfstandig naamwoord

    rejaol royaal, gul, vrijgevig

    - WBD III.5.1:219 'royaal', 'gul' = hartelijk
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijv.nw. 'riaal/reaal' - royaal
  19. zelfstandig naamwoord

    rejaoleghèd

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - goedgeefsheid
  20. rèk

    - WBD III.2.3:203 'rek' = bederf in het brood, ook 'derf', 'schimmel'
    - WNT - Rekken I, 4. Taai, kleverig worden, lijmen. Van bier en andere dranken, soms ook van brood. Alleen gewest. Dat zulk Bier, somtijds, na eenigen tijd gelegen te hebben aan 't rekken of lijmen raakt, Prijsvr. Ned. Huish. Maatsch. 1819, n° 170. Rekken. Wordt alleen gezegd van brood, dat te lang heeft gelegen en daardoor taai en dradig geworden is, DEK [1928].
  21. werkwoord

    rèkke rekken

    - Dialectenquête 1887 Willems - rekke - rók/ rèkte - gerèkt/ gerókke
    - WNT - REKKEN - De gewestelijk in Z.-Ned. voorkomende sterke vormen rok, getrokken zijn als secundair te beschouwen, wsch. onder invloed van de sterke vormen van 'trekken'.
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rèkke ww - rikken (kaartspel)
  22. zelfstandig naamwoord

    reklaome werving(sgeschrift): reklaome in de brievenbus

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - reclame, klacht, bezwaar
  23. zelfstandig naamwoord

    rèksdòlder

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - rijksdaalder
  24. naam

    rèkst, rèèkst

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - rijkst
    - Dirk Boutkan (1996) - (blz. 35) rèèkst, maar met flexie: rèkste of rèèkste
  25. naam

    rèkstrôoj sterfbed

    - A.J.A.C. van Delft - "Hij ligt op rekstrooi" wil zeggen, dat iemand in financieele moeilijkheden verkeert en nog tracht zijn zaak zoolang mogelijk gaande te houden. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
    - Wie bij zijn suikertante het zó ver gebracht heeft, mag het beste hopen tegen de tijd, dat zij - helaas nogal "oneerbiediglijk" gezegd van een brave tante! - "op het rekstrooi ligt", d.i. "op sterven ligt". We nemen aan, dat bij deze laatste uitdrukking gedacht moet worden aan het stro, waarop men vroeger in de alkoven sliep en op het languitgerekt liggen, zoals dit bij een stervende meestal het geval is. Meer figuurlijk kan de uitdrukking gebruikt worden voor iemand, die in financiële moeilijkheden verkeert en tracht zijn zaak nog zo lang mogelijk gaande te houden. Die zaak is dus ook stervende en tegen de dood inworstelend, en men rekt het sterven. (- Pierre van Beek -Tilburgse Taalplastiek P 27-2-1965)
    - Èn agge op et rèkstrôoj ligt,/ dèt dan beheurlek mis is? (Henriëtte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blèève haawe, 2007)
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw.o. 'rekstro', reeuwstro: 'op z'n rekstrooi ligge' - op het strefbed liggen.
  26. werkwoord

    rèkt(e) reikt(e) tegenwoordige tijd/verleden tijd van 'rèèke', met vocaalkrimping rèmt, rèmde werkwoordsvorm; persoonsvorm rijmt, rijmde tegenwoordige tijd, verleden tijd van 'rèème', met vocaalkrimping

    - Cees Robben - Prent van de Week - 'grèès dè remt toch nie op sokken'
  27. zelfstandig naamwoord

    rèndje

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - randje
  28. óp et rèndje aaf - op het kantje af

renewaotie
  1. zelfstandig naamwoord

    - A.J.A.C. van Delft - "Wat een renewaotie": Wat een verwoesting. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
  2. werkwoord

    rèngele [Tilburgs?] regenen

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - 'rèngele, rèègene'
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RENGENEN w. onp. - regenen: ook RENGEREN - regenen (N. der Kempen)
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - regeren, regelen - regenen (znl.) uit 'regenen' door dissimilatie
  3. zelfstandig naamwoord

    rèntenier rentenier

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - rèntenier èèrm dier (HM'70) - een rentenier moet vaak van bescheiden middelen rond zien te komen
  4. naam

    rènzeg, raanzeg

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ranzig
  5. werkwoord

    rèppereere, rippereere uit Frans 'réparer', repareren

    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'reppereeren'
    - rèppereere - rèppereerde - gerèppereerd
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zw.ww.tr. 'reppereren' - repareren
  6. werkwoord

    rèpt(e)

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - rijpt(e)
rèsje
  1. zelfstandig naamwoord

    restje

    - Dirk Boutkan (1996) - (blz. 28) uit het cluster stj wordt de t verzwegen.
  2. zelfstandig naamwoord

    rèske reisje

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - huweleksrèske
rèsteraant
  1. zelfstandig naamwoord

    rètteketèt luidruchtige vrouw

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RETTEPETET zelfstandig naamwoord mannelijk - iemand die heel rad ter tong of heel snel is in zijne bewegingen.
    - WNT - RETTEPETET zelfstandig naamwoord en tusschenw. Van klanknabootsenden oorsprong. Geluid dat met een snelle beweging gepaard gaat. Vgl. retteren. Als zelfstandig naamwoord is alleen de meton. bet. aangetroffen. RETTEKETET zelfstandig naamwoord en tusschenw. Nabootsing van het geluid van een blaasinstrument. 2)b) naam voor een snapachtige vrouw.
  2. zelfstandig naamwoord

    rètterèèr

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - slomerik, vertrager
    - van Frans 'retarder' (?) = uitstellen, vertragen, later komen
  3. werkwoord

    rèttereere, rittereere bedrijvig zijn zonder veel te presteren

    - Cees Robben - Wè rettereerde gij toch ammol hers en geens .. (19720630) - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Wè rittereerde gij toch ammaol hers en geens (onrustig heen en weer lopen) (20-03-1968)
    - Cees Robben - Wè rettereerde gij toch hil den dag rond, moeder.. (19790223)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 09 23 - Ons Mien blèft aon 't rèterreere / Dörom ging ik d'n hort mar op.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier 80 03 20 - Ik heur de musse in de geut/ hèrs èn geens rèttereere/ mènnekes aachter de pupkes aon/ om rap iets te prebeere.
    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -'rittereere' - hinderlijk bedrijvig zijn, beredderen
    - WBD III.1.2:140 'rettereren' = druk heen en weer lopen -
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rittereere ww - druk beredderen
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zwak werkwoord intransitief 'rettereren' (< retireren), bedrijvig heen en weer lopen (zodanig dat het anderen verveelt).
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Verbastering van 'reïtereren', telkens herhalen?
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - in verband gebracht met 'retireren'. onov.ww RETTEREREN - druk doende zijn en grote bedrijvigheid uitstralen zonder nochtans opvallend produktief te worden; vooral gezegd in verbinding met 'rond': ze rèttereerde mèr rond - ze gaf blijk van nerveuze dadendrang.
    - WNT - REÏTEREEREN 1)(Handelingen enz.) opnieuw doen, verrichten of toepassen, herhalen; 2)(bestaande verordeningen, overeenkomsten enz.) vernieuwen, opnieuw vastleggen
  4. zelfstandig naamwoord

    rèttereur slomerik

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dieje rèttereur is meej zen hielen òn de vurkaart geboore die slomerik is met zijn hielen aan de voorkant geboren
    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - sloom persoon (van Frans: retarder [?] - vertragen, talmen)
    - Stadsnieuws - Dieje rèttereur wit van veure nie dèttie van aachtere lèèft - Die slome heeft nergens erg in. (301209)
  5. zelfstandig naamwoord

    rèùf, röfke

    - WBD paarderuif
    - Cees Robben - Prent van de Week - hij frèt vórt meej de knèèn öt de rèùf; [datum]
  6. naam

    rèùg, rèùger, rögst ruig, ruw

    - Cees Robben - Prent van de Week - den rèùgen sloeber (Tilburgse Taalplastiek 740125)
    - Pierre van Beek - zó rèùg as en flès (gezegd van een jongeman die zich onnodig scheert)
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - 'nen ruigen board (ui als in Frans: Meuse, fleuve)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zó rèùg zèèn as en flès (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1979) - ironisch voor 'heel glad' zijn (tegen een puber die erg volwassen wil overkomen)
  7. werkwoord

    rèùke ruiken

    - Dialectenquête 1887 Willems - rèùke - rôok - gerooke
    - in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rökt
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - st.ww.tr. en intr. - ruiken
  8. werkwoord

    rêûke rêûke - rukte - gerukt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rukt roken (van vlees)

    - WBD 'rôôke', 'rêûke', 'ruuke' - roken van vlees ter conservering
    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - gerukte pòlling
  9. werkwoord

    rèùle

    - Dialectenquête 1887 Willems - rèùle - rölde - geröld
  10. ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij rölt

    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zw.ww.tr. en intr. - ruilen
  11. 1. ruilen

    - Cees Robben - Prent van de Week - zal oe rèùle vur den buurman?
  12. Trouwes dè rèùle en tèùtele wier dur ons veul gedaon, zeker as et net Siendereklaos waar gewist. [over het onderling ruilen van cadeautjes die men op sinterklaasdag had gekregen] (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - kòp óp stèrt rèùle (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973)- met gesloten beurzen afrekenen

    - WBD III.4.4:304 'ruilen' = wisselen
  13. Stadsnieuws - Hij hò zene pindòl meej mèn geroole (281007) 2. uitdrukking rèùlen èn tèù(te)le

    - combinatie van ruilen en tuitelen = handelen
    - WBD III.3.1:55 'ruilen', 'kwanselen, tuitelen, verhandelen' = kwanselen
    - WBD III.3.1:49 'ruilen', 'tuitelen, vertuitelen, vertutselen, matsen' = verkwanselen
    - WBD III.3.2:191 rèùle, rèùtele, tèùtele = tuitelen, ruilen
  14. bijwoord

    rèùm ruim; nogal

    - WBD 'röm', (Hasselt) 'rèùm' staon (van een paard) - met de benen te ver uit elkaar staan, ook genoemd 'breed', resp. (Hasselt) 'wèèd' staon
    - Cees Robben - Prent van de Week - Tis wèl rèùm kort;
    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - wèèvershöskes waare vruuger rèùm klèèn
  15. werkwoord

    Anti-hondenpoepactie van de gemeente Tilburg. Kromhoutpark 2017/ rèùme

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ruimen
    - A.J.A.C. van Delft - Als de beerput vol is, "komt de boer ruimen" en "nimt dan de bruid mee".(Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)
  16. Dirk Boutkan (1996) - rèùme - gerömd (blz.41)

    - WBD III.1.4:347 'ruimen' = goed opschieten met zijn werk
    - WBD III.4.4:199 'ruimen' = plaatsmaken
  17. zelfstandig naamwoord

    rèùn

    - WBD gesneden mannelijk paard, ook 'run' of 'reujn' genoemd
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw.m. - ruin, gesneden manlijk paard.
  18. werkwoord

    rèùse ruisen Dirk Boutkan (1996) - roe:se = ruisen (blz. 3) rèùt, rötje zelfstandig naamwoord ruit in een raam; de vorm ruit; kaarten met het ruit-teken (rèùtes) Rèùtes troef, meej schuppenaos Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - tis en rèùt öt een glas (Handschrift Damen 1916) - het is een klein verlies (Vroeger bestonden de ramen uit kleine ruitjes.) ...enen daas meej en bonte rèùt... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Zosse en ugske op em hebbe?) Audio-opname 1978 Dhr. Bertens En dan stonde ze wir vur en rèùt èn dan waarde bang dèsse dur die rèùt heene soodemieterde (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels

    - WBD rèùtstuk (II:918) - ruitjesgoed, ook 'rèùt'
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - snòt òn de rèùte smèère - etalages kijken, niets kopen
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw. m.(kaartspelersterm) - ruiten, mv. 'rötes'
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUITENS - ruiten. Ruitens is troef
  19. zelfstandig naamwoord

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. rèùteketèùt in de uitdrukking 'op (de) rèùteketèùt' - zonder voorzorgen, op de bonnefooi, op goed geluk

    - Cees Robben - [Onderwijzer:] Wes t verschil tussen ruiteketuit en bonnefooi... [leerlinge:] Volgens men is dè één tiet-mem, mister... [onderwijzer: Heel mooi, Filleke.. (19840120)
    - Pierre van Beek - Op ruitekeduit ergens heengaan. - Op de bonnefooi ergens heen gaan. - Op goed geluk, in goed vertrouwen. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)
  20. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - óp rèùte kadèùt ('78) - op goed geluk (Wsch. een overblijfsel van de toverformule 'har-uit, kaduit, de schoorsteen uit'; zie ald.) Daamen Handschrift (1916) - "ruiterkenduit - zonder geld (op zwart zaad)"

    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Wellicht een schertsende vorming van 'ruiten' = volgens - Van Dale - 'roof plegen', op woeste wijze rondlopen, rinkelrooien.
    - WNT - RUITEN (IV) - 1) roof plegen, rooven, plunderen; 2) in Belgisch Brabant voor: op een woeste wijze rondloopen, rinkelrooien
  21. zelfstandig naamwoord

    reutel

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - steeds weerkerende handeling
  22. o p de reutel kôope - op de pof kopen

    - Cees Robben - Prent van de Week - Valt er nog wè te rèùtele of te tèùtele?
    - WBD III.3.1:56 ''op de reutel kopen', 'op de pof kopen' = poffen
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - REUTEL znw.v. - speelterm. Handvol knikkers die niet goed rond zijn (Turnhout) (Dit citaat ook in het WNT) (7)
    - WNT - REUTEL 6) kerfstok
  23. werkwoord

    rèùtele ruilen (niet bij De Jager; in - WNT - 'Westfries voor RUIEN') ...èn rèùtele heese nôot gehoeve/ al wast ok dikkels ene toer... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

    - Cees Robben - Valt er nog wè te ruitele of te tuitele... (19760903)
  24. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - valt er nòg wè te rèùtele òf te tèùtele? ('72)

    - WBD (III.3.2:191) rèùtele, tèùtele, rèùle = ruilen
    - WBD (III.4.4:304) 'ruitelen' = wisselen - te handelen
rèstooraant
  1. zelfstandig naamwoord

    rètteketèt luidruchtige vrouw

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RETTEPETET zelfstandig naamwoord mannelijk - iemand die heel rad ter tong of heel snel is in zijne bewegingen.
    - WNT - RETTEPETET zelfstandig naamwoord en tusschenw. Van klanknabootsenden oorsprong. Geluid dat met een snelle beweging gepaard gaat. Vgl. retteren. Als zelfstandig naamwoord is alleen de meton. bet. aangetroffen. RETTEKETET zelfstandig naamwoord en tusschenw. Nabootsing van het geluid van een blaasinstrument. 2)b) naam voor een snapachtige vrouw.
  2. zelfstandig naamwoord

    rètterèèr

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - slomerik, vertrager
    - van Frans 'retarder' (?) = uitstellen, vertragen, later komen
  3. werkwoord

    rèttereere, rittereere bedrijvig zijn zonder veel te presteren

    - Cees Robben - Wè rettereerde gij toch ammol hers en geens .. (19720630) - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Wè rittereerde gij toch ammaol hers en geens (onrustig heen en weer lopen) (20-03-1968)
    - Cees Robben - Wè rettereerde gij toch hil den dag rond, moeder.. (19790223)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 09 23 - Ons Mien blèft aon 't rèterreere / Dörom ging ik d'n hort mar op.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier 80 03 20 - Ik heur de musse in de geut/ hèrs èn geens rèttereere/ mènnekes aachter de pupkes aon/ om rap iets te prebeere.
    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -'rittereere' - hinderlijk bedrijvig zijn, beredderen
    - WBD III.1.2:140 'rettereren' = druk heen en weer lopen -
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rittereere ww - druk beredderen
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zwak werkwoord intransitief 'rettereren' (< retireren), bedrijvig heen en weer lopen (zodanig dat het anderen verveelt).
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Verbastering van 'reïtereren', telkens herhalen?
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - in verband gebracht met 'retireren'. onov.ww RETTEREREN - druk doende zijn en grote bedrijvigheid uitstralen zonder nochtans opvallend produktief te worden; vooral gezegd in verbinding met 'rond': ze rèttereerde mèr rond - ze gaf blijk van nerveuze dadendrang.
    - WNT - REÏTEREEREN 1)(Handelingen enz.) opnieuw doen, verrichten of toepassen, herhalen; 2)(bestaande verordeningen, overeenkomsten enz.) vernieuwen, opnieuw vastleggen
  4. zelfstandig naamwoord

    rèttereur slomerik

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dieje rèttereur is meej zen hielen òn de vurkaart geboore die slomerik is met zijn hielen aan de voorkant geboren
    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - sloom persoon (van Frans: retarder [?] - vertragen, talmen)
    - Stadsnieuws - Dieje rèttereur wit van veure nie dèttie van aachtere lèèft - Die slome heeft nergens erg in. (301209)
  5. zelfstandig naamwoord

    rèùf, röfke

    - WBD paarderuif
    - Cees Robben - Prent van de Week - hij frèt vórt meej de knèèn öt de rèùf; [datum]
  6. naam

    rèùg, rèùger, rögst ruig, ruw

    - Cees Robben - Prent van de Week - den rèùgen sloeber (Tilburgse Taalplastiek 740125)
    - Pierre van Beek - zó rèùg as en flès (gezegd van een jongeman die zich onnodig scheert)
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - 'nen ruigen board (ui als in Frans: Meuse, fleuve)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zó rèùg zèèn as en flès (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1979) - ironisch voor 'heel glad' zijn (tegen een puber die erg volwassen wil overkomen)
  7. werkwoord

    rèùke ruiken

    - Dialectenquête 1887 Willems - rèùke - rôok - gerooke
    - in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rökt
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - st.ww.tr. en intr. - ruiken
  8. werkwoord

    rêûke rêûke - rukte - gerukt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rukt roken (van vlees)

    - WBD 'rôôke', 'rêûke', 'ruuke' - roken van vlees ter conservering
    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - gerukte pòlling
  9. werkwoord

    rèùle

    - Dialectenquête 1887 Willems - rèùle - rölde - geröld
  10. ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij rölt

    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zw.ww.tr. en intr. - ruilen
  11. 1. ruilen

    - Cees Robben - Prent van de Week - zal oe rèùle vur den buurman?
  12. Trouwes dè rèùle en tèùtele wier dur ons veul gedaon, zeker as et net Siendereklaos waar gewist. [over het onderling ruilen van cadeautjes die men op sinterklaasdag had gekregen] (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - kòp óp stèrt rèùle (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973)- met gesloten beurzen afrekenen

    - WBD III.4.4:304 'ruilen' = wisselen
  13. Stadsnieuws - Hij hò zene pindòl meej mèn geroole (281007) 2. uitdrukking rèùlen èn tèù(te)le

    - combinatie van ruilen en tuitelen = handelen
    - WBD III.3.1:55 'ruilen', 'kwanselen, tuitelen, verhandelen' = kwanselen
    - WBD III.3.1:49 'ruilen', 'tuitelen, vertuitelen, vertutselen, matsen' = verkwanselen
    - WBD III.3.2:191 rèùle, rèùtele, tèùtele = tuitelen, ruilen
  14. bijwoord

    rèùm ruim; nogal

    - WBD 'röm', (Hasselt) 'rèùm' staon (van een paard) - met de benen te ver uit elkaar staan, ook genoemd 'breed', resp. (Hasselt) 'wèèd' staon
    - Cees Robben - Prent van de Week - Tis wèl rèùm kort;
    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - wèèvershöskes waare vruuger rèùm klèèn
  15. werkwoord

    Anti-hondenpoepactie van de gemeente Tilburg. Kromhoutpark 2017/ rèùme

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ruimen
    - A.J.A.C. van Delft - Als de beerput vol is, "komt de boer ruimen" en "nimt dan de bruid mee".(Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)
  16. Dirk Boutkan (1996) - rèùme - gerömd (blz.41)

    - WBD III.1.4:347 'ruimen' = goed opschieten met zijn werk
    - WBD III.4.4:199 'ruimen' = plaatsmaken
  17. zelfstandig naamwoord

    rèùn

    - WBD gesneden mannelijk paard, ook 'run' of 'reujn' genoemd
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw.m. - ruin, gesneden manlijk paard.
  18. werkwoord

    rèùse ruisen Dirk Boutkan (1996) - roe:se = ruisen (blz. 3) rèùt, rötje zelfstandig naamwoord ruit in een raam; de vorm ruit; kaarten met het ruit-teken (rèùtes) Rèùtes troef, meej schuppenaos Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - tis en rèùt öt een glas (Handschrift Damen 1916) - het is een klein verlies (Vroeger bestonden de ramen uit kleine ruitjes.) ...enen daas meej en bonte rèùt... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Zosse en ugske op em hebbe?) Audio-opname 1978 Dhr. Bertens En dan stonde ze wir vur en rèùt èn dan waarde bang dèsse dur die rèùt heene soodemieterde (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels

    - WBD rèùtstuk (II:918) - ruitjesgoed, ook 'rèùt'
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - snòt òn de rèùte smèère - etalages kijken, niets kopen
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw. m.(kaartspelersterm) - ruiten, mv. 'rötes'
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUITENS - ruiten. Ruitens is troef
  19. zelfstandig naamwoord

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. rèùteketèùt in de uitdrukking 'op (de) rèùteketèùt' - zonder voorzorgen, op de bonnefooi, op goed geluk

    - Cees Robben - [Onderwijzer:] Wes t verschil tussen ruiteketuit en bonnefooi... [leerlinge:] Volgens men is dè één tiet-mem, mister... [onderwijzer: Heel mooi, Filleke.. (19840120)
    - Pierre van Beek - Op ruitekeduit ergens heengaan. - Op de bonnefooi ergens heen gaan. - Op goed geluk, in goed vertrouwen. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)
  20. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - óp rèùte kadèùt ('78) - op goed geluk (Wsch. een overblijfsel van de toverformule 'har-uit, kaduit, de schoorsteen uit'; zie ald.) Daamen Handschrift (1916) - "ruiterkenduit - zonder geld (op zwart zaad)"

    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Wellicht een schertsende vorming van 'ruiten' = volgens - Van Dale - 'roof plegen', op woeste wijze rondlopen, rinkelrooien.
    - WNT - RUITEN (IV) - 1) roof plegen, rooven, plunderen; 2) in Belgisch Brabant voor: op een woeste wijze rondloopen, rinkelrooien
  21. zelfstandig naamwoord

    reutel

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - steeds weerkerende handeling
  22. o p de reutel kôope - op de pof kopen

    - Cees Robben - Prent van de Week - Valt er nog wè te rèùtele of te tèùtele?
    - WBD III.3.1:56 ''op de reutel kopen', 'op de pof kopen' = poffen
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - REUTEL znw.v. - speelterm. Handvol knikkers die niet goed rond zijn (Turnhout) (Dit citaat ook in het WNT) (7)
    - WNT - REUTEL 6) kerfstok
  23. werkwoord

    rèùtele ruilen (niet bij De Jager; in - WNT - 'Westfries voor RUIEN') ...èn rèùtele heese nôot gehoeve/ al wast ok dikkels ene toer... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

    - Cees Robben - Valt er nog wè te ruitele of te tuitele... (19760903)
  24. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - valt er nòg wè te rèùtele òf te tèùtele? ('72)

    - WBD (III.3.2:191) rèùtele, tèùtele, rèùle = ruilen
    - WBD (III.4.4:304) 'ruitelen' = wisselen - te handelen
reutemeteut
  1. zelfstandig naamwoord

    vrijwel altijd met voorafgaand 'de hele'; dus: iedereen

    - WNT - lemma REUT 1. Ter aanduiding van een (ongeordende) verzameling personen: troep, bende, gezelschap, en zaken: bende, en bepaaldelijk: warboel, rommel, (rot)zooi. Het tweede deel van de samenstelling is niet verklaard. - Cees Robben - Wè waren ze toch wèès mee dren irste klèène... Hil de reutemeteut moes er op... (19800620) [De Prent stelt een geboortekaartje voor, met kind, ouders, twee honden, een papegaai in een kooi en een kaketoe op een standaard.]
  2. zelfstandig naamwoord

    Wij, de zusjes en de bruurkes, jè de hille reutemeteut, vonden et toch wel zielig veur ons moeder, dè ze zô te lije ha, van dè gevloek en getier, assie kaod waar. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) rèùter

    - Paul Spapens e.a., Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, 2005 - cavaleriesoldaat, ruiter
  3. naam

    Stadsnieuws - Iedere rèùter is wir kappietein - we zijn allemaal weer gelijk (290306) rèùtes

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ruiten (bij kaartspel)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - 'Röötes is troef'
    - WBD III.3.2:174 - rèùtes = ruiten (van een kaartspel)
    - WNT - RUITEN (I) gewestelijk (Vlaanderen) ook RUITENS - znw., mv., vrouwelijk benaming voor de roode ruitvormige figuren op sommige speelkaarten
  4. zelfstandig naamwoord

    revèllie reveille, réveil Naar Frans 'réveille' met spellinguitspraak van de 'll'

    - Pierre van Beek - op revèllie gaon - ongeveer 'óp sjanternèl gaon', later afgezwakt tot 'het zoeken naar gelegehheden om het huishouden in de steek te laten en zich met als prettiger ervaren zaken bezig tehouden'. Als bij de soldaten 'de réveille geblazen was' wisten de vrouwen dat die wakker waren. (Tilburgse Taalplastiek 181)
  5. zelfstandig naamwoord

    revier rivier

    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - RIVIER - revi:r znw.vr.(zeldz.) Men zegt doorgaans: een water of zelfs eene Dijl.
  6. zelfstandig naamwoord

    rezèèn, rezèntje rozijn

Riesj
  1. naam

    Hotel Riche op het Heuvelplein.

    - Audio-opname 1978 - Die paoskoeje zogezeej dan, daor gingde meej rond, èn ge moester meej dur de Heuvelstraot èn dan bleefde staon bij Riesj (Hotel Riche) vur de deur want dan ging den baos, die leeverde daoraon witte wèl, èn die ging daor en pötje bier vatte èn assie dan trugkwaam, dan môogdet ok êen vatte! (- Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)
  2. zelfstandig naamwoord

    riggeleteur regulateur

    - WBD riggeleteur (II:1041) - regulateur (ook: reejgelateur)
  3. werkwoord

    rij uitdrukking: 'in de rij zèèn' - blijkbaar gezegd van vrouwen die onlangs bevallen waren; zie de vindplaats ; niet elders aangetroffen (2013) Anoniem 1959 Nillus ha zis klène bluukes, daor ware twee platte kender bij, Jaans moes nog wè zuutjes aon doen, was pas efkus in de rij. (Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie) rije rijden rije - reej - gereeje

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - rije
    - A.J.A.C. van Delft - "Het is met haar rijden en omzien." Dit is: Zij is zeer bij de hand. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
    - Pierre van Beek Met een vrouw, waarmee het "rijden en omzien" is, heeft men het getroffen want die gaat voor bijdehand door. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 8 april 1950)
    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jaa, dan reeje we sondags dan hier es nòr toe èn dan daor es nòr toe, dan es nòr Rotterdam èn dan wir es en ènd vèrder èn zôo èn dan, èn dan gong we nòr de Acht Zaligheden zôo èn dan din we zôo wè rondrije zôo, en liefhèbberij zo mar es, hè. Ik had em eigelek zo mar vur de liefhèbberij!
  4. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. Sinterklaas uitdrukkingen

    - 'op tòffel rije' - in de nacht van 5 op 6 december de geschenken brengen op de cadeautafel; 'in de schoen / klomp rije' - sinterklaas laat kleine cadeautjes achter in de schoen die de kinderen gezet hebben.
    - En 't wier dan Siendereklaos, - ik zal et nooit vergeten! - de heilige Man ree heel veul suikergoed en koek (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Mijn irste broek, 1941)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 10 27 - "Want of 'r wèrrek is of nie / In goei of slèchte tije / As t strak wir vèf december is / Dan gao de Sint aon t rije.
    - D an had Siendereklaos op tòffel gereeje. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
rikkemedaosie
  1. zelfstandig naamwoord

    uit Frans 'recommendation', aanbeveling 'n kaoi rikkemedaosie, een slechte aanbeveling (na ontslag); titel van een Tilburgs gedicht door een onbekende auteur (1959) - voor de volledige tekst

    - daor hedde plezier van en gemak, en rikkemedaosie en gezellighei en k weet nie wèt al nie meer. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - aanbeveling
    - WNT - RECOMMANDATIE, recommendatie
  2. werkwoord

    rikraoje geen beslissing durven nemen (?)

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - niet kunnen besluiten (speciaal bij kaartspel)
  3. zelfstandig naamwoord

    riks reeks Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - rikse ( meervoud) risico Robben varieert op de Engelse verzekeringsterm: all risk - Cees Robben - Hij [de auto] is nog alle riks werd.. (19681101)

rillebille
  1. werkwoord

    rillen

    - Pierre van Beek - Hij leg te "rillebillen" van de kou. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)
  2. bijwoord

    rillek(e) redelijk Ze stellen et er rillek goed. - Ze stellen het er tamelijk goed. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'rilleke', zi Paulus (D16) zeispreuk: Het kan door de beugel

    - Daamen Handschrift (1916) - "rilleke - redelijk, tamelijk"
    - Cees Robben - [Vraag van een vriend aan een zieke] Hoe is ter meej bruur... Rillekes Jan.. Rillekes... (19600212)
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - RILLEKE - redelijk, tamelijk (zie ook blz. 63)
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rillek bijvoeglijk naamwoord - redelijk
  3. zelfstandig naamwoord

    rillekwie relikwie, reliek (lichaamsdeel of voorwerp dat herinnert aan een heilige) uitdrukking: de rillekwie vereere, figuurlijk: een kusje geven, zoals gelovigen relikwieën aan de lippen drukten - Cees Robben - Mar maag ik dan de rillekwie verére..? (19840406) Een variant op deze prent bevestigt het kussen: - Cees Robben - Dan zal ik de rillekwie wel kussen... (19840406) [Waarom er twee versies van deze prent bestaan is onduidelijk.] In beide varianten verwijst Robben waarschijnlijk naar het kussen van het achterwerk. Zie voor die zinspeling ook

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - rillekwiekes mar gin rillekwiekus
    - Mar meej en rillekwie van ieder laand. (Henriëtte Vunderink, Jong zèèn, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
    - WBD (III.3.3:58) rillekwiekasje = relikwiekastje
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rillekwie zelfstandig naamwoord - relikwie
rils
  1. zelfstandig naamwoord

    rail; rails

    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'rels' (plur.)
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - ''n koei van de rils jaogen'
    - Cees Robben - Prent van de Week - De rils ligge der al.
    - WBD III.3.1:409 'rails' = rails, spoorweg
    - WBD III.3.1:409 'railsbaan' = spoorweg
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - rils, resp. rilse(n), waarnaast ook 'rails', 'riels,rails' - rails
  2. zelfstandig naamwoord

    rimmestraans remonstrans, monstrans; liturgisch voorwerp van zilver of goud waarin de hostie zichtbaar uitgestald wordt ter aanbidding en verering ...gouwe en zilvere miskelken, cibories, Rimmestraanze enzoovort. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) rimmetiek zelfstandig naamwoord rheuma(tiek)

    - Cees Robben - Om rimmetiek te weere (19570706)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 02 02 - ... gin laast van m'n maog mir, of van rimmetiek.
    - Piet van Beers Plannen zat: En ons Keej,... draogt vur der rimmetiek/ naa wèèrme onderbroeke. (Spoeje doemmeniemer; 2009)
    - Vur snaags hamme AaBee. Wolle deekes. Goed vur teege de rimmetiek. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
    - WBD III.1.2:305 'reumatiek' = reumatiek
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw. en bijvoeglijk naamwoord 'rimmetiek'; znw.o. reumatiek
    - WNT - RHEUMATIEK - naast RHEUMATIEK komen een groot aantal vervormingen voor, o.a. ram(m)atiek, ro(e)matiek, rimmetiek.
  3. zelfstandig naamwoord

    ring, ringeske ring

    - Gezegde: - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - meej ne smalle ring getrouwd zèèn - het niet zo nauw nemen met het huwelijk
    - Dirk Boutkan (1996) - verkleinwoord: ringske (blz.53) (vorm, gereedschap); ringetje (vinger)
    - WBD III.1.3:263 'oorring', 'oorbelletje', 'belletje' =oorring
    - WBD III.4.4:229 'ring' = cirkel
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RINK zelfstandig naamwoord mannelijk -ring, Frans anneau; in den rink komen - komen vechten.
rilze
  1. zelfstandig naamwoord

    rail; rails

    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'rels' (plur.)
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - ''n koei van de rils jaogen'
    - Cees Robben - Prent van de Week - De rils ligge der al.
    - WBD III.3.1:409 'rails' = rails, spoorweg
    - WBD III.3.1:409 'railsbaan' = spoorweg
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - rils, resp. rilse(n), waarnaast ook 'rails', 'riels,rails' - rails
  2. zelfstandig naamwoord

    rimmestraans remonstrans, monstrans; liturgisch voorwerp van zilver of goud waarin de hostie zichtbaar uitgestald wordt ter aanbidding en verering ...gouwe en zilvere miskelken, cibories, Rimmestraanze enzoovort. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) rimmetiek zelfstandig naamwoord rheuma(tiek)

    - Cees Robben - Om rimmetiek te weere (19570706)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 02 02 - ... gin laast van m'n maog mir, of van rimmetiek.
    - Piet van Beers Plannen zat: En ons Keej,... draogt vur der rimmetiek/ naa wèèrme onderbroeke. (Spoeje doemmeniemer; 2009)
    - Vur snaags hamme AaBee. Wolle deekes. Goed vur teege de rimmetiek. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
    - WBD III.1.2:305 'reumatiek' = reumatiek
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw. en bijvoeglijk naamwoord 'rimmetiek'; znw.o. reumatiek
    - WNT - RHEUMATIEK - naast RHEUMATIEK komen een groot aantal vervormingen voor, o.a. ram(m)atiek, ro(e)matiek, rimmetiek.
  3. zelfstandig naamwoord

    ring, ringeske ring

    - Gezegde: - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - meej ne smalle ring getrouwd zèèn - het niet zo nauw nemen met het huwelijk
    - Dirk Boutkan (1996) - verkleinwoord: ringske (blz.53) (vorm, gereedschap); ringetje (vinger)
    - WBD III.1.3:263 'oorring', 'oorbelletje', 'belletje' =oorring
    - WBD III.4.4:229 'ring' = cirkel
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RINK zelfstandig naamwoord mannelijk -ring, Frans anneau; in den rink komen - komen vechten.
ringbaon
  1. zelfstandig naamwoord

    ringbaan, in Tilburg de ringweg rondom het stadscentrum (niet te verwarren met de 'City Ring'), voltooid circa 1960. Deze Ringbaan bestaat uit vier delen: Ringbaan Noord, Oost, West en Zuid. Variant op het gezegde Oost, west, thuis best. Tshirt op een marktkraam in Tilburg-Noord. Foto: CuBra/WTT 2021. ringeloore èn blòkstarte uitdrukking

    - Pierre van Beek - dreigement met een manier van straffen (inhoud onbekend)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - oren ringen en staart afknotten
    - WNT - RINGELOOREN - l) Eig. van sommige dieren ... 2) oneig.: meestal van menschen: bedwingen, in bedwang, in toom houden, kort houden, klein houden, 'ringelen' enz.
  2. zelfstandig naamwoord

    ringspinmesjien

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - snelwerkende fijnspinmachine
rinkelrôojer
  1. zelfstandig naamwoord

    - Pierre van Beek - Ouderen zeggen nog wel ooit: "'t Is een echte sjappietouwer" (of sjanfoeter), waarmee ze een straatslijper bedoelen, waarvan iedereen last heeft; een gemene kerel, 'n doordraaier, 'n lanterfanter, 'n lichtmis, 'n rinkelrooier, 'n sjappie. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)
    rinkelrôojer
  2. zelfstandig naamwoord

    rink ring

    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - rink (krt.38)
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - rink, zelfstandig naamwoord mannelijk 'rink' - ring
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - RING - rink
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RINK zelfstandig naamwoord mannelijk - ring, Frans anneau; in den rink komen - komen vechten
    - WNT - RING (Mnl. rinc)
  3. zelfstandig naamwoord

    rinnewaosie

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ravage, schade
  4. bijwoord

    rins rins smaak

    - Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004)
  5. Beschrijving van het WBD: Lichtelijk zuur smakend. Het woord rins stamt af van Middelnederlands rins, rijnsch. Rijnsch betekent 'van de Rijn'. Rins verwijst op die manier naar de smaak van de wijn uit de Rijnstreek. Waardering voor Tilburg door WBD: verspreid. gevoel

    - Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004). Beschrijving van het WBD: Een oneffen gevoel bij de tanden ten gevolge van het eten van zure vruchten. Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam
  6. bijwoord

    rinsig

    - Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004). Beschrijving van het WBD: Lichtelijk zuur smakend. Het woord rins stamt af van Middelnederlands rins, rijnsch. Rijnsch betekent 'van de Rijn'. Rins verwijst op die manier naar de smaak van de wijn uit de Rijnstreek. Waardering voor Tilburg door WBD: frequent.
ripfluuwêel
  1. zelfstandig naamwoord

    ribsfluweel - WBD II.4. p. 884 Geribde fluweelachtige stof'. Van Dale zegt bij manchester": Zwaar geribd of glad katoenfluweel, inz. voor werkkleding (genoemd naar de Engelse stad)". - J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij "manchester": "Ribs-fluweel van zware kwaliteit. Zie ook fluweel. Toepassing o.a. voor werkkleeding." ripke zelfstandig naamwoord, verkleinwoord reepje

    - WBD ripke (II:918) - reepje, stuk (afgesneden) weefsel, ook 'koepónneke'
    - WBD III.2.3:50 'reepke' = lapje spek
  2. werkwoord

    Dirk Boutkan (1996) - (blz. 53) rêep - ripke rippereere, rèppereere repareren, herstellen Eéne avend in de week kwaam Piet de schoenlapper nog aaltij bij ons òn, om de kepotte schoen te rippereren. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) as gij dè nou es rippereert... (Henriëtte Vunderink; Enen appel; k Zal van oe blèève haawe, 2007) rippertwaar zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - repertoir, lijst
  3. werkwoord

    rippeteere repeteren Naar Frans 'répéter', met verkorting van de 1e en reductie van de 2e vocaal

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'ik probeer en ik rippeteer'
  4. zelfstandig naamwoord

    rippetiesie repetitie Naar Frans 'répétition'

    - Grôot diktee van de Tilburgse taol .06 ons Sjaan is venaovend nòr de rippetiesie
rips
  1. werkwoord

    De ripsnijder; hij 'ript' de 'repen' voor de kuiper. De repen waren van hout of ijzer. ript 2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'rêepe', met vocaalkrimping ripte verleden tijd van rêepe hoepelde riske, risje zelfstandig naamwoord, verkleind

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - rijtje
    - WBD III.2.3:152 'ris', 'rist', 'rits' = tros vruchten
    - WBD III.4.4:307 'op rij zetten' = idem
    - WBD III.4.4:308 'ris' = rij of reeks; 'riske' en 'rits' idem
  2. werkwoord

    rissele

    - WBD III.4.4:246 'risselen' = ritselen
risteraosie
  1. zelfstandig naamwoord

    restauratie Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982) rits zelfstandig naamwoord

    - Pierre van Beek - vrouw die alles heel vlug doet
    - WBD III.4.3:267 rits - perzikkruid (Polygonum persicaria)
    - óp rits - op stap
    - WBD III.1.4:378 'in ene rits' = in alle haast
    - WBD III.1.4:399 'het rits hebben' = geen rust hebben
    - WBD III.2.5:152 'rits', 'ris', 'rist' = tros vruchten
    - WBD III.4.4:308 'rits' = rij, reeks
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 11 19 - Klottere... / / Ge ziet ze gepakt en gezakt / Over de straote lòòpe / De moeders die vur Sindreklaos / De spulle in gaon kòòpe. / / Ons Sjaan is ied'ren dag op rits / Om nog wè bij te haole / Ik docht ze kent dè lieke nie / Van wie zal dè betaole.
    - Stadsnieuws - Ons wèrkvrouw is me tòch en rits: meejdèsse binnen is, staoget hèùs al op zene kòp (170906)
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - rits III, znw.m, 'rits' - de daad van het ritsen: Hij is aaltèn op s'ne rits.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RITS bw 'rits zijn' - alles verloren hebben; weg, verdwenen, vertrokken.
    risteraosie
  2. naam

    bijvoeglijk naamwoord

    - WBD geslachtsdrift vertonend (van een koe), ook 'brösteg' of 'stiereg' genoemd; handschrift K 183 = Tilburg: 'rits (ritsig, tochtig)
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RITS(CH) bvw - ritsig, bokkig, paardriftig, sprek. v. eene geit.
    - WNT - RITS (VII) 1) eig. m.b.t. de geslachtsdrift: een sterke geslachtsdrift gevoelende, geil, in groote mate wellustig, dartel, wulpsch
  3. werkwoord

    ritse snel, nerveus en bedrijvig ergens heen gaan

    - WBD III.1.2:157 'ritsen' = beweeglijk rondlopen; ook 'rondritsen'
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RITSEN - vlug loopen, vliegen, snel door de lucht varen.
    - WNT - RITSEN (IV) Van het in z.-nederl. dialectwdbb. voorkomende 'ritsen': "wegloopen, ijlings, stillekens heengaan, opstelen, vluchten, wegsluipen, wegvluchten, vlug loopen enz. is verwantschap met 'rijden' hoogstwaarschijnlijk.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zw.ww. intr. 'ritsen' - vlug en licht lopen.
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - RITSEN - ritse wkw (rg.) - hard loopen
    - WNT - RITSEN (IV) ... zich wegpakken, maken dat men weg komt, er van door gaan
  4. Andere betekenissen

    - WBD III.1.2:90 'ritsen' = weggrissen; ook: 'gritsen, ratsen'
    - WBD III.1.2:l49 'ritsen' = door een staand gewas lopen
    - WBD III.4.4:305 'ritsen' = rijgen; 306 'ritsen' = afritsen
rizzeltaot
  1. zelfstandig naamwoord

    resultaat ...nôot hagget rizzeltaot... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dakloôs) ròdsel, ròdseltje zelfstandig naamwoord en verkleinwoord raadsel

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'raodseltje'
  2. naam

    ròdselèèchteg

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - 'ròtselèègteg' - raadselachtig
  3. zelfstandig naamwoord

    ròdslid, ròdsleeje raodslid

    - Informant Ad Vinken; raadslid
    - Informant Ad Vinken; alle ròdsleeje zaaten in van die grôote ròtsleeje - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - 'raotslit'
roeddoe
  1. zelfstandig naamwoord

    Schilderij van William Orpen - In het washuis roefel 1. wasbord; bedrag

    - WBD (III.2.1:329) roefel - wasbord
    - uitdr. de volle roefel betaole - alles tot de laatste cent betalen
    - Jan Naaijkens: Naast de plee bevond zich onder een half open afdak het washok, dat het domein van moeder was. Er stond een grote, zwarte ketel waaronder met musterds een vuur gestookt kon worden. Er werden soms aardappels voor het varken in gekookt, maar als regel ging de was erin. Die werd goed ingesmeerd met groene zeep en dat was nodig, want er werd maar eens per week verschoond. Er ging houtzeep bij en Sunlightzeep en bij wit goed een zakje Reckitts blauw. Dan ging de was in een kuip en met opgestroopte mouwen en druipend van het zweet, haalde moeder het nog warme goed over de roefel.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 05 10 - Vruuger waaste ze mee de roeffel / Naauw zegge ze: "Mèn nie gezien" / De moederkes van teegesworrig / Douwe d'r wasgoed in 't mesjien.
    - WNT - Roffel I - Een in N.-Holland [Nederland] bekend woord voor: oneffenheid, rimpel, bobbel. Vergelijk daarnaast (met langen klinker) het bij KIL. voorkomende ruyffel: ruga. Buiten het Ndl. behooren hierbij waarschijnlijk eng. ruffle: oneffenheid, rimpel, ruff: rimpelkraag. Misschien verwant met Robben; (...) Hij het roffels in zen gezicht, BOEKENOOGEN. Zoo pas was 'et ijs mooi, maar nou moeten we 'en heel end over de roffeltjes rijje, Ald.
  2. zelfstandig naamwoord

    2. slaag

    - Damen - Handschrift (1916) - 'hij kreeg roefel' (slaag)
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - rufel, zelfstandig naamwoord roeffel - in de verb. 'roeffel krege' - slaag krijgen.
    - WNT - ROFFEL IV,2: in Zuid-Ned. bekend in de zin van 'slaag' .
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROEFEL zelfstandig naamwoord mannelijk - rammeling, vracht slagen. Roefel krijgen; hoop, menigte; pak, lukslag; vangst.
  3. werkwoord

    roefele wrijven, strijken (nogal hardhandig)

    - Cees Robben - Akkoe saoves over oewen ruggestrang roefel... (19650514)
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROEFELEN - aframmelen, ranselen; de trom roeren
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zw.ww.tr. 'roeffelen' - roffelen, een roffel op de trom slaan
    - WNT - ROFFELEN III, bedr. (en onz.) zw.ww. 2) In Zuid-Ned. is gebruikelijk 'roffelen' d.i. 'roffel geven' slaag geven. ROFFELEN IV, 2) slaan, ranselen, rossen.
  4. zelfstandig naamwoord

    roej

    - korte oe
  5. lengte- of oppervlaktemaat

    - roede, lengtemaat = 5,75 m (Verhoeff) = 20 voet van elk 10 duim roede, bijvoorbeeld gordijnroede
    - Pierre van Beek - vlaktemaat van +_ 33 m2 (Verhoeff: 33,06 m2)
    - A.J.A.C. van Delft - "As we dan goed misten, dan haolen we een vat van de roei, de zetters en verrekeseirepul nie meegerekend, nee alleen een vat eeters", zoo keuvelde een Hasseltsche huiswever (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)
    - Audioregistratie 1978 - Gij hèt et nouw oover enen buunder, hè, mar ge had vroeger lupse èn ge had en roej ôok, hè. Dè waare ok maote van, van die dingen, hè. En roej èèrappel, ik weet nie hoe, was dè gin aacht meeter òf zôo? Zeuve, zeuve meeter zeuvenentaacheteg! È n, èn, èn, èn, èn lupse? En lupse was en zisde pòrt van enen hèktaare! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels) - WBD roede (oppervlakte-maat)
    - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - roej (locale landmaat)
  6. uitdrukkingen

    - Pierre van Beek - Hij heej zen liste roejke ingeslaon - hij ligt op sterven
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - der et roejke ingeslaon hèbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - de laatste adem uitgeblazen hebben (Weverstaal: afronding van de zaak. Een roede in de sprong van de ketting betekende dat de wever een stuk op het getouw af had. Daarlangs werd dan het stuk afgesneden.)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - de roej is van de kont - het gevaar is geweken
  7. zelfstandig naamwoord

    diverse betekenissen

    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - ROEDE - ruj, znw.vr.: van (met) de - krijgen
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROEI znw.v. - roede, Frans verge
  8. in samenstellingen

    - WBD roej (II:1021) - roede: aanrijgstok
    - WBD roej (II:999) vitsroede; ook: flèsroej
    - WBD krèùsroej (II:1009) - kruisroede (onderdeel weefgetouw)
    - WBD flèsroej (II:1009) - flesroede; ook: 'roej'
    - WBD (III.2.1:72) roej - roede (m.n. voor traploper)
    - WBD roej (II:1020) - roede; roetje
    - WBD klèmroej (II:1020) - klemroede: sluitroede
    - WBD lèmroej (II:1023) - lijmroede: platroede; ook: lèmstòk
  9. werkwoord

    roeje roeien; figuurlijk: leven

    - Pierre van Beek - niet lang roeje - het niet lang uithouden
  10. zelfstandig naamwoord

    roelèt

    - WBD (II:782) roulette: het tandwieltje, al dan niet afgeschuind, waarmee men kanten en zolen van figuurtjes voorziet
roepert
  1. zelfstandig naamwoord

    roesje roux

    - WBD (III.2.1:364) roesje = roux, ook genaamd 'maizenapap'
  2. zelfstandig naamwoord

    roest hoenderstok

    - Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): k Heb grooten vaok , kom nao de roest
    - Cees Robben - [Van de menukaart in een restaurant:] Irst kiepe-soep... Dan kiepe-regout. Dan poelepetaat mee n tietaai toe... Dan nog efkes kaokele en de roest op... (19710709) - Cees Robben - ...en [het vogeltje] van de roest viel van verdriet... (19600603)
    - WBD kieperoest - kippenzolder
    - WBD hènneroest, (Hasselts:) roest - kippenhorde (een latwerk, vaak niet meer dan een oude egge, opgehangen in de achterstal, bereikbaar langs een kippenladdertje, voor de kippen dienend als slaapplaats)
    - WBD III.4.4:154 'roest' = kwartszand
    - WBD III.4.4:200: 'roesten' = blijven hangen
    - WNT - ROEST (II) l) de rust- of slaapplaats der hoenderen; idem van andere vogels; 3) te roest gaan - gaan slapen
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - rust, zelfstandig naamwoord mannelijk 'roest' - latwerk in het hoenderhok waarop de hoenders slapen.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROEST, RUST znw.m., niet v. - hoenderrek, staak waarop de hoenders slapen.
  3. zelfstandig naamwoord

    roestpraatje Samenstelling uit Roest (zie aldaar) + praatje. Een praatje voor het slapen gaan.

    - WTT 2017 - In 1867 verscheen op 5 oktober in het Weekblad van Tilburg een berijmde tekst van ongeveer 60 regels onder de titel Een roestpraatje. Het is een dialoog tussen een boer en diens vrouw in het dialect van Hilvarenbeek. Ze bespreken het wel en wee van hun dagelijks bestaan. De inzet is van didactische aard: dialectische woorden en uitdrukkingen behouden voor een groter publiek. De auteur van het rijm wordt niet vermeld, wel de naam van degene die de tekst aan het weekblad heeft aangeboden als ingezonden stuk: Jan C. van Alfheim (waarschijnlijk een pseudoniem). Een roestpraatje werd echter herdrukt in de driedelige verzameling met teksten uit zeer veel regio Van de Schelde tot de Weichsel (1882), en daarin wordt de auteursnaam wel gegeven: Hendrik Broeders, een schoolmeester uit Hilvarenbeek. De versie in Van de Schelde tot de Weichsel is overigens een tiental regels uitgebreider dan die in Weekblad van Tilburg. Waarschijnlijk is dit de oudste dialecttekst die in Tilburg in druk is verschenen. Het gedicht eindigt met de woorden van de boer:
  4. werkwoord

    'Madorrie! t is al laot, ons klukske sleu daor tien, k Heb grooten vaok , kom nao de roest, t sa, gaauwkes, hurre Trien!...' roetse zich snel verplaatsen Pierre van Beek - Dè wèèf roetst ooveral óp aaf

    - WBD III.4.4:306 : 'afroetse' = afritsen, ook 'afratsen'
  5. zelfstandig naamwoord

    roetse - roetste - geroetst ròfke wondkorstje (verkleinwoord v. Ned. roof)

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - 'rofke'
    - WNT - ROOF (III) l) schurftachtige uitslag; 2) korst op een wond, op een zweer of puist. In verkleinvorm 'roofje'
  6. zelfstandig naamwoord

    röfke

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ruifje
  7. zelfstandig naamwoord

    ròg rogge

    - WNT - ROGGE, in vele streken ROG
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROG zelfstandig naamwoord meest mannelijk - rogge
  8. voejerròg - rog bestemd voor veevoer

    - Audioregistratie 1978 - Asseme graon op et vèld han staon èn dè was dan ròg èn dè ròg wèrd binnegehòld mar dan moeste van de tien hôope, er wèrre vier òn vier gezèt, moester êene laote staon! Èn dè was tiend! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
  9. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hier groeit ròg op de opkaomer (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973) - gezegd bij het zien van rogge op een hooggelegen akker

    - WBD I:1403 rogge: koore, rog
    - WBD III.2.3:141 'roggemelepap' = roggepap; ook 'meelpap'
  10. zelfstandig naamwoord

    ròggebrôod roggebrood Dan snee ze [moeder] irst de witte mik/ En 't kuntje daorvan dè krèèg ik / De smaok daorvan vergeet ik nôôt/ Nao alle daoge roggebrood. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

    - WBD ròggebrôodmesjien - machine om roggebrood-deeg te maken
    - WBD III.2.3:187 'roggebrood' = brood van ongezeefd meel
  11. Wikipedia 2012 - Roggebrood was vroeger in Nederland voor velen naast aardappels het hoofdvoedsel. Er zijn verschillende streekrecepten die onderling flink verschillen. Hoofdzakelijk zijn er twee soorten: Fries en Brabants roggebrood. Fries roggebrood wordt voornamelijk van gebroken roggekorrels gemaakt en Brabants roggebrood van gemalen rogge. Afbeelding uit het 'Nuuw Tilburgs Leesplèngske' dat in 2020 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven in samenwerking met Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant en Erfgoed Tilburg. De illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn.

ròg
  1. zelfstandig naamwoord

    rogge

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 07 07 - De rog was nog nie van dn èkker.
    ròg
  2. zelfstandig naamwoord

    rögt onkruid, wildernis, ruigte, wildgroei

    - Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - Zenen hòf was niks as rögt.
    - Dirk Boutkan (1996) - (blz.34) 'rögt', 'rögte', 'rèùgte'
    - WNT - RUIGTE, ook RUIGT - 2) alles wat in de natuur wild door elkander groeit, wild gewas
    - Daamen Handschrift (1916) - "röcht - onkruid"
    - A.J.A.C. van Delft - In een slechte weide groeit "veul dings" (veel onkruid) en op een "vuilen ekker groeit veul rugt". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)
    - Naarus - innen hillen bos mee allerhande ruigtzaod vur mn knorries (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - (Gehoord van een volkstuinder:) munne rooie kôôl groeit de buurt in, munne spinaozie stao vol ruigt en mun peekes zèn nog nie bekwaom (17-08-1964)
    - Cees Robben - t Is paone en tis enkelt röcht.. (19600219) - Cees Robben - Munne spinaozie stao vol röcht... (19640918) - Cees Robben - ...wol mee röcht.. of wol mee kemkes... (19560630)
    - Lauran Toorians, Nòjaorsaovend, CuBra; 200? - En as de kraaie kaauwen/ in p'rtaaien-in de bôôme/ en de rögt al rot begient te stinke
rollekesvlêes
  1. zelfstandig naamwoord

    rolletjesvlees; waarschijnlijk: blinde vink ...savoyen, abricozen, koud rollekesvleesch mee houtjes erin... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30) rölt, rölde werkwoordsvorm; persoonsvorm ruilt, ruilde tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'rèùle', met vocaalkrimping ròmde(n) verleden tijd van 'raome'

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - raamde(n)
  2. werkwoord

    römde(n) ruimde(n)

    - Cees Robben - Prent van de Week - dan römden ik de kat op;
  3. zelfstandig naamwoord

    verleden tijd van '(op)rèùme' ròmke raampje

    - WBD driehoekig raam om de nek van een kalf, ook genoemd 'raom' of 'juk'
    - Cees Robben - Prent van de Week - der moet en gerdèntje vur et ròmke koome
  4. Oudere uitspraak

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - raom - rumke (u als in mulder = mölder)
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - rumke: de u = aan de oeu in boeuf, oeuf - zèttet ròmke mar oope
    - WTT 2012 - Deze uitspraak met gekrompen vocaal (römke in plaats van ròmke) wordt bevestigd in een interview met Hein Quinten door Paul Spapens: "Hij praat vol vuur over de nicht die 49 jaar geleden naar Duitsland emigreerde en die hij onlangs nog eens heeft bezocht. Bij zijn nicht ontdekte hij in de praktijk een bekend fenomeen, namelijk dat dialectsprekers in den vreemde de oorspronkelijke taal zijn blijven spreken omdat ze nooit zijn beïnvloed door bijvoorbeeld radio en televisie. Met andere woorden, wie nog origineel Tilburgs of Goirles wil horen, moet elders zijn. Ik zeg ròmke tegen een raampje, zij zegt römke. Toen ik het hoorde dacht ik: ja, zo zei onze pa dat vroeger ook. (Uit: Goirles Belang 19-12-2012; Hein Quinten is HaaQuu van Goirles Belang (1)
  5. zelfstandig naamwoord

    romkooker melkkoker rom = room rommel zelfstandig naamwoord rommel

    - WBD rómmels (Hasselt) - bellen aan het haam, ook 'bèlle' genoemd
    - WBD rómmels (Hasselt) - bellen aan het hoofdstel
    - WBD III.3.1:94 'rommel', 'bocht, rotzooi' = onbruikbare voorraad
    - WBD III.4.4:310 'rommelig' = ongeordend
    - WBD III.4.4:312 'rommel', 'rommelzooi' = warboel
rommelpòt
  1. zelfstandig naamwoord

    muziekinstrument uit de volkscultuur; een pot met daarover een varkensblaas gespannen waardoor een rietstengel gestoken is. In Tilburg ook foetelpot of foekepot.

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 02 06 - Witte gij nog van vruuger Jaon, / Hoe we op vaastenaovend / Rond trokken mee de rommelpot / Ons haanden opeschaovend?
  2. zelfstandig naamwoord

    rompeschompes

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ongeluk, ongans
  3. naam

    roms rooms goed roms - veel melk (in de koffie) gebruikend

    - Cees Robben - Wilde n schutje... [koffiemelk] Gif mar unne scheut... Ik ben nog aaltij goed rôôms... (19691017) - Cees Robben - En de miste kasteleins zen nog t biste rôôms ôôk... Ze dôôpen dren snevel nog aaltij aauwverwets... (19831007) [water bij de jenever doen]
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ek zèè goed roms mar slèècht katteliek - graag veel melk in de koffie
  4. naam

    Stadsnieuws - Hij is nog romser as de paus - nog orthodoxer (310509) - Overdrachtelijk: Hij is overdreven precies in zijn opvattingen en methoden. Agge in Tilbörg zègt dègge goed roms zèèt, dan kan dè tweej dinger betêekene. Teegesworreg mènde dan mistentèèds dègge en goej scheut rôome in oew tas kòffie lust. Mar hil wèèneg meense zulle daormeej naa nòg bedoele dèsse persies doen wè de paus van Rôome höllie veròrdeneert. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005) Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'roms' bijvoeglijk naamwoord - Rooms ròmscheut ròmt, ròmde werkwoordsvorm; persoonsvorm

    - tegenwoordige tijd, verleden tijd van 'raome', met vocaalkrimping
    ► 'raome'
  5. römt w erkwoord, persoonsvorm ruimt Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) rèùme - hij römt

    - tegenwoordige tijd 2e + 3e pers. enk. van 'oprèùme' (met vocaalkrimping)
rondbòllieje
werkwoord

rondheure

- Ik wil wel hier en daor is vur oe rondheure mar veul kaans geef ik oe nie. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - informeren, navragen
- WNT - RONDHOOREN - Al rondgaande naar iets hooren, dat men wenscht te vernemen; her- en derwaarts gaan om onderzoek naar iets te doen, rondgaan om naar iets te vernemen of inlichtingen aangaande iets in te winnen.
rondomheene
  1. bijwoord

    er omheen

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 10 19 - Ok al is 'r rondomheene / Bekaant alles volgebouwd.
  2. werkwoord

    rondspòldere

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - wild spelen, rondspringen
  3. zelfstandig naamwoord

    ronsel rondsel, getande cilinder of klein tandrad

    - WBD rónsel (II:1041) - onderdeel van regulateur: ook genoemd: kamwiel, kamwieleke, wisselwiel of schaokelwiel
    - WNT - RONDSEL, RONSEL
  4. bijwoord

    rontelom rondom (= rondalom, met verscherping van de d)

    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Wè lôpen de nunnekes dr toch frèèt bij tegesworrig, vruuger waren ze rontelom toe (10-01-1970)
    - Cees Robben - t bruujt rontelom... (19570309) - Cees Robben - Pikdonker was t er rontelom (19590815)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 11 01 - 't Is èèn geritsel rontelom / Van de blaoier die vielen
  5. voorzetsel

    - Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - Róntelóm de kiejòs waar veul vòlk.
    - rontelom in golvend koren (Piet Heerkens; uit: De Mus, Dörp, 1939)
  6. bijwoord

    en oew haor lee fijn te kroezele

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 02 02 - Rontelom jonge mèdjes, mee 'n pruik en 'ne kiel...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 05 25 - Bonte kleure, gouwe tresse / Frommeltjes van zilverdraod / Volop meziek en spiktaokel / Rontelom de Heuvelstraot.
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'rontelom' vz - rondom
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - rommetom, rommedom - rondom (wnbr.)
rontom
  1. naam

    rôod, rôoj(e) rood

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - rôoje tiest - rood hoofd
    - Schôon rôod is nie lillek. -Mooi rood is niet lelijk (gezegd van iemand met rood haar).
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - iemand meej en rooj paspoort - landloper, ex-gevangene
  2. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - beeter rooj haor dan blónd óp en eezelskont ('71)

    - WBD I:1446 'rooj witbloem' = rode witbloem, bep. aardappelsoort
    - WBD I:1446 'blaeke rooj' = bleke rode, bep. aardappelsoort
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - rôoj gerdèène vuuge daor nie bij - rode gordijnen staan daar niet bij
    - WBD III.2.3:177 'rode bezie', 'rode bezem' - rode aalbes
  3. zelfstandig naamwoord

    rôof, rofke

    - WNT - ROOF (III) 1) schurftachtige uitslag, 2) korst op een wond, zweer of puist
  4. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - tis en roof van men hart (Handschrift Damen 1916) - het is een pak van mijn hart

    - WBD III.1.2:267 'roof' = roof; ook: korstje
    - WBD III.1.2:268 'roofje' = roof, korstje
  5. naam

    rôojbont

    - WBD roodbont (vee)
    - WBD rôojbónt pèrd - roodbont paard, ook genoemd 'vòsbónt pèèrd' of (Hasselt) 'koepèèrd'
  6. werkwoord

    rôoje Pierre van Beek - de plavuizen vloer rood maken met rooisel Pierre van Beek - de plevèùze rôoje (gebeurde vroeger in een ordentelijke woning) (Tilburgse Taalplastiek 167) rôoj, rôoje bijvoeglijk naamwoord rood Aantekening op systeemkaart Wil Sterenborg - Rôoj gerdèène vuuge daor nie bij. - Rode gordijnen staan daar niet bij.

    - Dirk Boutkan; 1996 - et hèùs is rôod / rôoj - het huis is rood
  7. naam

    iemand met rood haar

    - Frans Verbunt; rôoje rôoje, / ik zal oe gôoje, / meej ene stêen / teegen oew bêen, / meej ene klèùt / teegen oew snèùt; / rôoje rôoje, de kèèrk is èùt.
    - Audioregistratie interview met Heikanters; transcriptie door Hans Hessels, 1 978 - Toen kwaam ik nèffe de rôoje Lèpper zitte, die zaat vur den irsten dag in de school!
  8. Tilburgs biermerk, foto Cubra, november 2021. ziekte

    - WBD III.1.2:367 'rode' = roodvonk
    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - ROIJEN HOND, roden hond, - roodvonk, roodgrond.
  9. socialistisch of communistisch

    - Interview met de heer De Kok (1978) Koole Bond, dè was ginne rôojen bond mar hij was tussenin, hè
Rôoj Harte
naam

Rode Harten, congregatie van missionarissen (o.a. in Tilburg gevestigd) die op hun pij een rood hart droegen.

- A.J.A.C. van Delft - Men spreekt hier van "de rooi harten", daarmede bedoelende de Paters van het Missiehuis van het H. Hart aan den Bredascheweg, die een rood hart op de zwarte soutane dragen bij officieele gelegenheden. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
- Cees Robben - De Rooie Harten Congregatie M.S.C. 100 JAAR! (Prent om een inzamelingsactie bij dit jubileum te steunen.) (19550514)
Rôoj Panne
  1. naam

    Rode Pannen Het (vroegere) Sint Joseph studiehuis van de congregatie van de Fathers of Mill Hill aan de Dr. Ahausstraat, gebouwd in 1914, en wegens de kenmerkende rode dakpannen in de volksmond 'de rôoj panne' genoemd.

    - A.J.A.C. van Delft - Als men het St. Josephstudiehuis der Paters van Mill-Hill aan de Tongerloosche Hoefstraat wil aanduiden, en ook wel als men de bewoners van dit huis bedoelt, spreekt men van "de rooi pannen". Men weet dat dit gebouw met roode pannen gedekt is. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
  2. Pierre van Beek (over Mobilisatieherinneringen van een landweerman, door J.B.S., en C.J.M. Acket) - De schrijver wordt nu duidelijker met zijn plaatsbenaming. Hij voert de lezer naar "de Hasselt" en blijkt met "de rooi pannen", de populaire benaming voor het voormalige studiehuis van de Missionarissen van Mill Hill aan de Tongerlose Hoefstraat te Tilburg, niet onbekend. Nu bij den pastoor in de Hasselt te gast, Maar die had van ons al heel weinig last, Want al die weken... ja, dat was me 'n bak... Was 't immers dagelijks: "richting op 't rooie dak!" O, menschen, o, als ik dat rooie dak weer zie, Dan denk ik aan al 't zweet, vergoten daar door d'eerste Compagnie! (uit: Mobilisatie: Gijn en pijn, Nieuwsblad van het Zuiden, 27-2-1969) Pierre van Beek (in een artikel over Tilburgs Lied a.k.a. Van Tilburg net as ikke) Kende de Rooi Harten wel, Gève [gaaf, hier in de betekenis van: net] paoters, 't is m'n stel, De Rooi Pannen in de haai, Den Awen Dèk [Dijk], de Koningswaai... (Specifiek Tilburgs Liedje, Nieuwsblad van het Zuiden, 28-2-1970)

    - Cees Robben - De huizen en boerderijen [in t Zand] lagen achteloos gestrooid langs de zandwegen, en alleen in de Reitsehoevenstraat vondt ge even enige regelmaat in de bebouwing. Daar had ge een rij weverswoningen tot aan de Rooi Pannen. Daar stond tegenover de oeroude
  3. Tongerlose Hoef, mediterend in landelijke rust. (in: Bôôdschappen doen bij Bronsgeest, Robben en Rooms, 1981)

    - Elie van Schilt; is. Nie vergeten, de Rooi pannen, die hadden un éégen boerderij. (in: Boeren in de stad, www.cubra, ca. 2003)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - de róójpanne - voorheen studiehuis van de St. Josephcongregatie van Mill Hill (Eng.) Dr. Ahausstraat 1 (nu r.-k. scholengemeenschap : centrum voor ondernemers-onderwijs "De Rooi Pannen"). (1998)
  4. zelfstandig naamwoord

    Jan Fontijn (over een retraite van de schrijver Frederik van Eeden in de Rooi Panne) - Op 7 augustus [1921] nodigde pater Van Ginneken Van Eeden uit voor een retraite in het Sint-Josefstudiehuis in Tilburg. Ook Brouwer en Borel zouden komen. Van Ginneken maakte hem duidelijk dat hij niet met de abdij in Oosterhout zou concurreren, waar de liturgische kant van het katholicisme geleerd werd. In Tilburg zou het over de ethische kant gaan. Twee à drie keer per dag zou Van Ginneken een overweging geven van ongeveer drie kwartier, daarbij geholpen door pater Willem Kemper. Op 25 en 26 augustus was Van Eeden in Tilburg. In het retraitehuis werden jongens opgeleid tot missionaris. Het gezelschap was volgens Van Eeden een gewoon troepje, precies reizigers op een scheepsreis of pensionbewoners of sanatoriumpatiënten. (Jan Fontijn - Trots verbrijzeld, Het leven van Frederik van Eeden vanaf 1901 1997) rôojsel M TW roodaarde, dodekop

    - WBD III.4.4:163 in Tilburg ook 'roodsel' = dodekop - Dodekop is de roodbruine aarde met veel ijzeroxide, waarmee de stijlen, balken en kozijnen van vakwerkhuizen werden gekleurd.
  5. werkwoord

    rôok rook (van rieken, stinken)

    - Cees Robben - Den wèèver rook naor zn getaauw (19701016)
  6. zelfstandig naamwoord

    rôok 1. rook

    - WBD III.2.1:218 'rook' = 'blaak', 'damp'
    - WBD III.4.4:213 'rook' = damp, stoom, ook 'waas', 'blaak'
  7. werkwoord

    2. rookwaren Et is me wè - zeej Dorus triest - / ik krèèg gin gèld mir vur rôok... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dè zôn ze wèl wille) rôoke Dirk Boutkan (1996) - (blz. 40) Het postencliticum 'der' (er) veroorzaakt verkorting, bijvoorbeeld ''k rok-der vier', maar (blz. 41): 'ik rôok-er vier' 1. roken van tabak Der wòrdt nie veul pèèptebak mir gerokt. - Er wordt niet veel pijptabak meer gerookt. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - rôokende nòr de kèèrk is schèètend nòr de hèl (Handschrift Damen 1916)

    - Cees Robben - Prent van de Week - as ge der ötschaajt meej rôoken èn drinke;
    - Cees Robben - Prent van de Week - niks as rôoken èn ötgaon; ok al rôoket er meej toere; al is het er nu en dan niet pluis.
    - Interview Jolen - 1978 - Hil men lèève geroktsiegaare Jao, mar toenk nòg zo min was rokte ik nie veul siegaare, het gebeurde òf zôo, mar siegrètte nie, die hèk nôot gerokt!. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
  8. 2. niet pluis zijn

    - Cees Robben - Meej vrije daogen en kaoj weer dan rôôket bij ons thuis... (19650507) - Cees Robben - [Man spreekt:] Ôôk al rôôketer [tookt het er] meej toere... Mar dè went van lieverleej.. (19610512)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ok al rôoket er meej toere - ook al spant het er wel eens
  9. 3. roken van vlees Het voltooid deelwoord is dan 'gerukt'

    - Elie van Schilt; Kwaamde bij de slager binnen en hingen er aon de haken vers gerukte hammen, worsten, ok die lucht kietelde oe neus, waordeur ge vanzelf trek kreegt. (Uit: Ut stonk mar toch mis ik de stank van vruuger; Cubra, ca. 2000)
  10. Assik ergens ene godsgruweluke hekel ha, dan waar et òn gebakke gerukt spek bè de èèrpel. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROOKEN - schier uitsl. gebezigd in den zin van 'in den rook hangen; hesp rooken, spek rooken, gerookt vleesch'.
rôojendèndrum
zelfstandig naamwoord

rododendron (azalea) nog geen Tilburgse bewijsplaats Noord en Zuid, jrg. 10, 1887, p. 11 Diverse Meijerrijse woorden - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook van (...) rooiendendrum... rôojenhond zelfstandig naamwoord besmettelijke kinderziekte die op mazelen lijkt (rubeolae)

- WBD III.1.2:368 'rodehond' = rodehond
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk 'rooienhónd' - rodehond (de bekende ziekte)
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROO(D)ENHOND znv, mannelijk - roode koorts, roodvonk
- WNT - ROODEHOND, oudtijds roodhond - 2) Thans in Z.-Nederl. als benaming voor een ongesteldheid of ziekte, die zich kenmerkt door huiduitslag of vurigheid van de huid ...
rôokwèèrek
  1. zelfstandig naamwoord

    rookwerk, namelijk tabak of sigaretten

    - Audioregistratie 1978 - Want die [Amsterdammers] hòn van alles! Rôokwèèrek! Kwatta! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
    rôokwèèrek
  2. zelfstandig naamwoord

    Frank-Antoine Bail - Twee melkmeisjes rôomboer melkboer Of ge naa kruienier, roomboer, kolenboer of slachter zèt... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) rôome zelfstandig naamwoord in het Tilburgs is rôome altijd volle melk; koffiemelk; bij Robben ook: de kan met koffiemelk - Cees Robben - Mar zulde de rôôme nie omstôôte... (19580118) - veul rôome in de kòffie.

    - Damen Handschrift (1916) - "rôome - zoete melk: de rôome zen zuur"
    - 'n boerinneke [...] mee twee eemers versche roome, die ze pas gemolken had, et schuim stond er nog op te broezen. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; Nieuwe Tilburgsche Courant 16-9-1939) - Ik zaag er [paddenstoelen] zô wit as roome, zô gèl als boter, wir aandere zô bruin as peperkoek en vettig blinkend of er ollie over gesmèrd zaat... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)
    - WBD rôome - melk van het paard ook genoemd 'zog' of 'biest'
    - Cees Robben - Vur n bietje rôôme.. (19590905) - Cees Robben - [de stier spreekt] Ik (...) snoepte van dn zwiers en t gras/ Dn klèèver en dn rôôme... (19600415) - Cees Robben - [Onderwijzer:] As is zeg.. t land van boter melk en kaas.. Wè bedoel ik dan... [leerling:] t Laand van de rôôme den kneut en de lub, mister... [onderwijzer:] Goed, Gijs... (19701030] - Cees Robben - Hij zet iedere aovend unne liter rôôme aon zunne kop... (19720121) - Cees Robben - Ôôk al is oe rôôme zoer... (19540821)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 12 17 - 't Komt zò wèd dètter strak niemand / Nog iets gezonds te drinke hee. / / Allèèn de koeie staon te laache / Ze zegge: "Naauw koom 't pas goed, / Omdè iederèèn van d'n èrmoei / Vort wel ròòme drinke moet."
    - Audioregistratie 1978 - Bij ons vènte ze rôome, rôome hiet dè, in de straot vènte, èn möllek, dès karnemèlk (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
    - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - de rôome spöt öt den èùjer van de koej
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - vur mèn meude nèt zolang dèddere tòt er rôome van komt - wat mij betreft, mag je wachten tot je een ons weegt
    - Agge in Tilbörg zègt dègge goed roms zèèt, dan kan dè tweej dinger betêekene. Teegesworreg mènde dan mistentèèds dègge en goej scheut rôome in oew tas kòffie lust. Mar hil wèèneg meense zulle daormeej naa nòg bedoele dèsse persies doen wè de paus van Rôome höllie veròrdeneert. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005
    - WBD III.2.3:134 'room' = room van de melk
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mv. (pl.tant.) 'roomen' - melk 'Melk hiet hier rome'
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ROME (roo:me) v - melk, dikwijls mv: d'r romen optrekken, van een koe gezegd die haar melk inhoudt; daarnaast ook van iemand die zich plotseling genoodzaakt ziet een toontje lager te zingen.
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - roome = melk (krt.92)
  3. zelfstandig naamwoord

    Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 rôomkènneke zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - melkkannetje .
    - WBD (III.2.1:199) 'roomkanneke' = melkkannetje
  4. zelfstandig naamwoord

    rôomkooker

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - melkkoker
  5. zelfstandig naamwoord

    rôos, ruske roos, roosje

    - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - die rôoze hèbbe lange doores
  6. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - schôon is de roos, mar de doore die stikt (Si'67) - gezegd van iets dat men van tevoren als prettig beschouwde, maar dat achteraf tegenvalt

    - WBD III.4.3:152 'wilde roos' = idem, ook 'wild roosje'
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROOS (de o is scherplang) Frans rose; fig. bloemig meisje, meisje met fleurig, blozend gelaat.
  7. werkwoord

    rôove roven

    - WBD III.3.1:386 'roven' = plunderen, ook 'jatten'
  8. werkwoord

    rooze

    - WBD bep. ziekte bij drachtige runderen; ook genoemd 'roozeg zèèn'
  9. zelfstandig naamwoord

    rôozekraans rozenkrans

    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ik was liever zene rôozekraans as zen wèèf.
    - Cees Robben - Mar zo ze han geleerd,/ wier irst den roozenkraans gebid (19670428) - Cees Robben - Haolt vlug den rôôzenkraans (19670428) - Cees Robben - Dn rôôzenkraans kwaamp van de muur (19601111)
  10. zelfstandig naamwoord

    Lechim - zuutjes tikken in en huukske/ de kraole van ene rôozekraans. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De kepèl is klaor...) Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - bij de kweezels moete gin rôozekraanse kôope, want die bidde zèlf te gèère (JM50)

    - Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de rôozekraans (Jos Vasteravendts) (blz. 79)
    - WNT - ROZENKRANS 3) in de - Informant Toine Raaijmakers - .-K. kerk: een gebedsformulier bestaande uit ... het bidsnoer (Corona sive corolla precatoria)
  11. zelfstandig naamwoord

    Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'ròòzekrans zelfstandig naamwoord - rozenkrans rôozenhuuke , -huudje rozenhoedje, rozenkrans (abstract) ...vur 't nor bed gaon prompt 'n rozenuke bidden (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929) Mee 'nen zucht liet kapelaon Fleskes de juffrouw uit, die recht naor de kerk stapte om enkelde rozenhuukes te bidden veur den goeien afloop... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; Nieuwe Tilburgsche Courant 10-12-1938)

    - Cees Robben - t roozenhuuke.. och wen kruis (19601111)
    - Audioregistratie 1978 - En as dan gewoon et rôozenhuuke afgelôope was, dan wèrd de littanie gebid èn dan moeste op oew knieje, dan zaate zôo op, op oew knieje op de bank teege de muur òn te kèèke (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
    - Elie van Schilt; Mar er waren ok kender die moessen iedere avond op hun knieën mee hil de familie ut rózenhuudje bidden, de miste hadden toen nog kokosmatten op de vloer en die waren echt nie lekker vur oe knieën. (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)
  12. Lodewijk van den Bredevoort we hebben wè rôzenhuukes gebid(ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

rötjesklêed
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD III.1.3:63 'ruitjeskleed' = geruite jurk
  2. zelfstandig naamwoord

    ròtzak een onbetrouwbaar paard Audio-opname 1978 - ik ha nòg nôot meej paard èn kar gereeje èn dè was toevalleg ok nòg zon ròtzak ôokdie sloeg van veure èn die sloeg van aachtere dus as ge daor nie oplètte koste en opsoodemieter krèège! (- Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013) ròtzakkerij zelfstandig naamwoord streken

    - Interview dhr. Van den Aker - 1978 - Mar toen was dè veul gezèlleger onder mekaar, de kènder spulde veul fènder mar naa ist niks as ròtzakkerij dèsse öthaole èn dè was toen nie! (transcriptie Hans Hessels 2014)
  3. zelfstandig naamwoord

    rrrrrr een wind

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 09 11 - Mèrge gao ik naor de mèrt / Daor kòòp ik unne zak mee mossele / En 'n zondag hèmme snèrt. / Want van die flèpse zoomer-hèpkes / Zonder vet, ammol hèèl licht / Daor kunde ginne rrrrrr van laote / Agge in de bedstee ligt.
rug
  1. zelfstandig naamwoord

    rug, rugje

    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Gij zult vant wèèrke ginne krommen rug krèège (Jij werkt niet hard)
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ge snijdt gin twee rugge öt êen vèèreke;(geen dubbel profijt)
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - ze droeg 'n maand op den rug
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - iemand meej zene rug nòg nie ònkèèke (RL'48) - links laten liggen
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - van et wèèreke ginne kròmme rug krèège (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971)- niet hard werken
    - WBD III.3.1:174 'rode rug' = bankbiljet van f 1000
  2. Dirk Boutkan (1996) - verkleinwoord: rugske

    - WBD (III.2.1:149) 'rug' - botte kant aan het lemmet van een mes
    - WBD (III.1.2:379) 'hoge rug' = schoft, bochel
    - WBD III.1.:125 'rug' = schouders
    - WBD III.4.4:144 'rug' = hoogte
    - Dirk Boutkan (1996) - (blz.53) rug - rugske
  3. zelfstandig naamwoord

    rugdèèk toponiem straat lopend van de Vlashoflaan naar de Quirijnstokstraat Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nòr de rugdèèk gaon (Handschrift Damen 1916) - naar bed gaan ruggestrang, ruggestrèng PM ruggestreng, ruggegraat, wervelkolom

    - Cees Robben - [Moeder tegen een kind dat door haar in bad wordt gedaan na een dag van buiten spelen] - Den hillen dag speule en rondbolliën dè kunde war, mar akkoe saoves over oewe ruggestrang roefel, dan begiende te brellen as unne jongen hond die op zunne verjaordag verzopen wordt... (19650514) [met roefele wordt de ruggengraat hier vergeleken met een wasbord, de roefel]
    - WBD III.1.1:128 rug(gen)strang', 'ruggenstreng' = ruggengraat
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - RUGGESTRANG m - ruggegraat
    - WNT - RUGGESTRENG, voorheen ook en nog thans in Z.-Ned. RUGSTRENG, -STRANG, znw, vrouwelijk Nd. rüggestrang, enz.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk 'rugstrank' - ruggegraat.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUGSTRANG, RUGSTRENG znw.v. - ruggegraat
  4. Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - ruggestreng zelfstandig naamwoord - wervelkolom

ruggeske
  1. zelfstandig naamwoord

    rug, rugje

    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Gij zult vant wèèrke ginne krommen rug krèège (Jij werkt niet hard)
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ge snijdt gin twee rugge öt êen vèèreke;(geen dubbel profijt)
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - ze droeg 'n maand op den rug
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - iemand meej zene rug nòg nie ònkèèke (RL'48) - links laten liggen
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - van et wèèreke ginne kròmme rug krèège (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971)- niet hard werken
    - WBD III.3.1:174 'rode rug' = bankbiljet van f 1000
  2. Dirk Boutkan (1996) - verkleinwoord: rugske

    - WBD (III.2.1:149) 'rug' - botte kant aan het lemmet van een mes
    - WBD (III.1.2:379) 'hoge rug' = schoft, bochel
    - WBD III.1.:125 'rug' = schouders
    - WBD III.4.4:144 'rug' = hoogte
    - Dirk Boutkan (1996) - (blz.53) rug - rugske
  3. zelfstandig naamwoord

    rugdèèk toponiem straat lopend van de Vlashoflaan naar de Quirijnstokstraat Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nòr de rugdèèk gaon (Handschrift Damen 1916) - naar bed gaan ruggestrang, ruggestrèng PM ruggestreng, ruggegraat, wervelkolom

    - Cees Robben - [Moeder tegen een kind dat door haar in bad wordt gedaan na een dag van buiten spelen] - Den hillen dag speule en rondbolliën dè kunde war, mar akkoe saoves over oewe ruggestrang roefel, dan begiende te brellen as unne jongen hond die op zunne verjaordag verzopen wordt... (19650514) [met roefele wordt de ruggengraat hier vergeleken met een wasbord, de roefel]
    - WBD III.1.1:128 rug(gen)strang', 'ruggenstreng' = ruggengraat
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - RUGGESTRANG m - ruggegraat
    - WNT - RUGGESTRENG, voorheen ook en nog thans in Z.-Ned. RUGSTRENG, -STRANG, znw, vrouwelijk Nd. rüggestrang, enz.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk 'rugstrank' - ruggegraat.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUGSTRANG, RUGSTRENG znw.v. - ruggegraat
  4. Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - ruggestreng zelfstandig naamwoord - wervelkolom

ruggestrèngmèèrg
zelfstandig naamwoord

merg uit de ruggengraat van een rund; zou geneeskrachtige werking hebben Audio-opname 1978 Dhr. Bertens .op dere vinger òf dere dèùm hasse zogezeej zon honsblaos derop staon nèt asse zinne.ik zal es en stukske ruggestrèngmèèrg meejbrèngeèn en uur nòdderaand wast oopegebrooke. (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels

ruij
  1. zelfstandig naamwoord

    rui

    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Hij zit in ene kaoje ruij Het gaat momenteel niet goed met zijn gezondheid.
  2. zelfstandig naamwoord

    ruk afstand

    - WNT - RUK 3) in overdr. toepassing: a) de afstand over welken de ruk zich beweegt
  3. zelfstandig naamwoord

    rukkerd

    - WBD paard dat met rukken trekt
  4. werkwoord

    rukt(e) rookt(e) tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'rêûke', met vocaalkrimping rulleke zelfstandig naamwoord, verkleinwoord rolletje Anoniem Nieuwe Tilburgse Courant - 19 november 1959, uit Tilburgs folklore, 'n Kaoi rikkemedaosie De meulesteller was unne neetoor, die Nillus wel 'n bietje zocht, Om dettie bij hum, gin sigaore of 'n rulleke pruimtebak kocht.

    - WBD rullekes (II:1036) - rolletjes: spoelrollen; ook: rólle of wieltjes
  5. zelfstandig naamwoord

    runderhaos runderhaas

    - WBD III, 2, 3 - Beschrijving van het WBD: Stuk vlees uit de lenden van een rund. Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam.
  6. zelfstandig naamwoord

    runstoof Afbeelding uit Kroniek van de Kempen - 1992

    - Informant Toine Raaijmakers - kachel in de vorm van een plattebuis, zonder de versmalling boven de asla, waarin als looistof gebruikte fijngestampte eikeschors (zgn. run) werd gestookt.
    - WNT - RUNSTOOF - groot komfoor met gedroogde schors, waaruit de looistof reeds getrokken is
  7. zelfstandig naamwoord

    ruske roosje russel zelfstandig naamwoord rooster; spel

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - Men vadder heej et gèld al op de russel ötgetèld.
    - A.J.A.C. van Delft - Ook had men nog het centen steken in een rutsel. Een rutsel noemde men drie lijntjes, welke evenwijdig van elkaar getrokken waren. Hierbij moest men de centen in den rutsel werpen, waarbij de middellijn de voornaamste was. Ook werd daarbij wel "bescheiden" (bepaald), dat de centen, die niet in den rutsel lagen, voor den dichtsten steker waren. Met de overgebleven centen wierp men weer de lucht in, als hiervoor omschreven. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 9 maart 1929)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - de russel zaat hòst himmel toe - bijna helemaal dicht
    - WNT - Zie - WNT - XIII:1344 'Het geld wordt daar op den rooster geteld.'
    - WBD (III.2.1:237) 'rosel' = rooster
  8. zelfstandig naamwoord

    Stadsnieuws - Onze vadder heej et gèld op de russel getèld - Mijn vader heeft zijn geld verbrast (040109) Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - russel zelfstandig naamwoord - rooster russele, hussele werkwoord, zwak

    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -schudden (van speelkaarten)
  9. zelfstandig naamwoord

    russelstòk

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - stok of pook waarmee men het kachelrooster heen en weer beweegt; zenuwachtig persoon die steeds heen en weer loopt en niet weet waaraan te beginnen
  10. naam

    rut alles verloren hebbend

    - WBD (III.3.2:38) rut, blut, kèps, tèp = alles kwijt (bij een spel)
  11. werkwoord

    rutsele rutsele - rutselde - gerutseld 1. schudden in het algemeen

    - Ik liep dur 'n dreef van klinkklaor goud, dè rammelde en rutselde alsof ieder blaoike wè vertellen wilde... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)
    - WBD (III.3.2:208) rutsele, hutsele, schudde = hutselen
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zw.ww.tr. 'rutselen' - door elkaar schudden, hutselen...
    - WNT - RUTSELEN 2. Flink schudden, door elkaar schudden, hutselen. Ge moet dieën drank goed rutselen, eerda' ge 'm inneemt, CORN.-VERVL. Rutselt is met da' fleschken, maar niet te hard, of ge zult den drank er uit rutselen, Ald. De nummers voor de loterij goed ondereen te rutselen! Loquela (Wdb.) [1907]. 2. schudden van het sjèpflèske
  12. et sjèpflèske rutsele - het flesje dropwater schudden

    - A.J.A.C. van Delft - "Rutselen", dit is schudden. Een jongen "rutselt sjepwater". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)
    - Cees Robben - Ik heb t op munne borstrok, moeder... Hedde nie wè sjep om te rutselen... (19641113)
    - En as ge vur unne cent sjepdròp kòcht, dan konde die in n flèske meej waoter onder oe bèd bewaore en flink rutsele. Dan konde fèèn sjèpke trèkke. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUTSELEN - eenige vloeistof sterk schudden, hutselen. Ge moet dieën drank goed rutselen.
  13. zelfstandig naamwoord

    rutselflèske sjèpflèske, waarmee uiteraard geschud werd

rutselflèske
  1. zelfstandig naamwoord

    het flesje waarin de sjepdrop op water werd gezet; daarna op een donkere plaats werd bewaard; en regelmatig geschud, totdat een zwart drankje ontstond. Door de inhoud te schudden, ging de sjep schuimen. Het smakelijke schuim werd dan niet gedronken, maar opgezogen. Dit heette 'sjèpke trèkke' of ook 'schömke trèkke'. Het schudden van het flesje heette 'rutsele'.

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - dropwaterflesje
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Rutsel us meej oew sjèpflèske' - Schud eens met je dropwaterflesje.
    rutselflèskerutselflèskerutselflèskerutselflèske
  2. Afbeeldingen: WTT

Ruudèèk

toponiem Rugdijk (Tilburg Noord, Heikant)

- Audioregistratie 1978 - Ik hèb et daor bij Drikka Kools op de Ruudèèk gedaon. Toen was ik en jaor of vèftien, virtien (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
ruuk
  1. zelfstandig naamwoord

    reuk, een geurtje uit een flesje

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, klank- en vormleer, Tilburg 1996 - 'rük' - geurtje
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 06 14 - Zò'n schèrfleske mee ruuk.
    - Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, 2005 - reukwater, geurtje, onjeklonje
    - F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ikzèllef ha ok wè ruuk òpgedaon
    - WBD III.1.3:278 'reuk' = eau de cologne
  2. werkwoord

    ruuke ruiken, maar ook rieken, stinken

    - ruuke - rôok - gerooke
    - steeds korte uu
  3. 1 iets ruiken

    - ik ruuk geluk in 't geure van de blommen... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Geluk, 1941)
    - ruukte de pap van 't penneke? (Piet Heerkens; uit: Dn örgel, Pieterke, 1938)
    - Cees Robben - Ze ruuken dn weg naor t Cenakel... (19570921)
    - Cees Robben - ...en al ruukte er wè... (19540515)
    - Cees Robben - Ge ruuket... ge pruuvet... (19570309)
    - Hessels 2020 - Als je de kamer binnenkomt en beweert dat het daar stinkt: - dòrnèt nòg nie! of: - doet oewe mond es dicht èn ruukt nòg es! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: KLIK HIER )
  4. 2 naar iets ruiken

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - kóm òn men hart, want ge ruukt nor sneevel (Handschrift Damen 1916) - schertsende liefdesverklaring; van een drinker aan zijn glas
    - En lekker ruuke! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 20 april 1945)
    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - wè staode toch te snuffelen - kruuk liever kruinaogels (seringen) dan snoffels (anjers), mun dalidassen staon schôon maar ruuken nie (10-03-1967)
    - Dè [wierook] ruukte dur de hille kerk, ik vond dè wel lekker ruuke, mar daor waaren ok meense dieter hartstikke misselek van wieren. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
    - Piet van Beers Aaftersjeef: dè flèske meej diejen gouwen dop/ waor ge lekker van gaot ruuke. (Spoeje doemmeniemer; 2009)
  5. 3 stinken

    - WBD III.1.1:252 'ruiken' = stinken
  6. Aanvullende bronnen

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - ruike; (ruikt eens = rukt is) ui als Frans Meuse; u als in pötje
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - ruuke (kort) / ruuke (lang) in het westen v. Midden-N-Brab.
  7. rèùke in het oosten v. Midden-N-Brab. (blz.5l)

    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - RUEKEN, voor ruiken, rieken.
  8. zelfstandig naamwoord

    ruukske

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - reukje, geurtje, parfum, eau de cologne
  9. werkwoord

    ruure roeren, beroeren, aanraken ruure - ruurde - geruurd steeds lange uu

    - Informant Toine Raaijmakers - Ruure, vrouw Paones, de sèùker is nòr den bójem gezakt. (tegen iemand die in zijn koffie/thee blijft roeren)
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - die kan,zen smoel zó ruure
    - Pierre van Beek - Hij heeft in de nest geruurd - bij 'n huwelijksaanzoek niet de oudste der dochters op 't rijtje af gevraagd, doch 'n jongere dochter. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)
    - Cees Robben - Wegge ruurt/ Degge meevuurt [Wat je aanraakt, dat moet je nemen] (19640313) - Cees Robben - Ruurt oe tungske op n aander (19600116) woelen - Cees Robben - s naachts doek niks as ruure en wèène... (19780407) - Cees Robben - Ik kan nie slaope en lig hil de naacht al te ruure, te wèène en te draaie... (19851206)
  10. Pierre van Beek - een kind moet 'ruuren òf truure' = in beweging of treurig zijn (Tilburgse Taalplastiek 120) gez.Pierre van Beek - 'Hij heeft in het nest geroerd' (zie boven CR) wil zeggen dat een vrijer niet de oudste dochter uit een gezin koos, maar een der volgende.

    - Gezegde: - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - en kèènd moet ruuren of truure - als een kind zich niet beweegt, heeft het verdriet (?)
  11. Want die aander vèèf, die kunne nammòl der mundje ok goed ruure in et Tilbörgs. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - RUEREN voor roeren. Men vindt dit heel veel bij de oude Vlaamsche en Brabandsche schrijvers. Zoo ook berueren, verrueren enz.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUREN - roeren: zijnen bek/ zijn bakkes ruren - veel praat hebben; rure-rure, de pap brandt aan.
    - WBD III.4.4:314 'roeren' = vermengen
  12. zelfstandig naamwoord

    ruurèèzer roerijzer

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - koffie- of theelepel
  13. zelfstandig naamwoord

    ruuzing ruzie Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'ruziemokster' Die twee hadden zitten praoten over trouwen en over vrouwen. Ge moet weten, dè ze geen van baaien getrouwd geweest waren en er dus vrij over kossen praoten zonder ruzing te krijgen in d'r eigen huishaawe. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun en de dames; Nieuwe Tilburgsche Courant 20-1-1940)

    - WBD III.3.1:237 'ruzing' = twist; ook 'bekvechterij'
    - WBD III.1.4:240 'ruzie maken', 'ruziën' = kibbelen
    - WBD III.3.1:24= 'ruzie maken' = bekvechten
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'ruzing' - ruzie, twist
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUZING znw.v. - hetzelfde als ruzie, twist
    - WNT - RUIZING, RUZING (van 'ruizen' (i) - luidruchtig zijn) - leven, lawaai, rumoer, twist
×