- naam
b oer met een klein bedrijf; keuterboer.
- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867) - aan een of anderen keuter - zelfstandig naamwoord
keuterstòk
- WBD - (Hasselt) akkerstok (een (gevorkte) stok waarmee men mest e.d. van kouter en rister verwijdert tijdens het ploegen)- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KEUTERMIK zelfstandig naamwoord mannelijk - stok met eene mik, dien de ploegers in de hand dragen om het kouter zuiver te houden; ook 'neersteker' geheeten. - zelfstandig naamwoord
keuvel
- WBD - III.1.3:112 'keuvel' = kap van een lange schoudermantel (kovel) - zelfstandig naamwoord
kezèèn neef; kozijn uit Frans: cousin
- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "kezain - naif - neef"- WBD - III.2.1:55 kozijn- WBD - III.2.2:77 'kozijn' = neef - samentrekking
khèm ik heb hem
- Cees Robben - khem tegen t derde verzekerd [namelijk de auto] mar hij is nog alle riks werd.. (19681101) - zelfstandig naamwoord
khien kin
- Cees Robben - K hè n khaauw khien..... (19550212) [Robben imiteert in een winterprent met sneeuwvlokken en sneeuwballen de nasale uitspraak van een verkouden kind. De prent is ongetwijfeld bedoeld als een voorbeeld van het klankspel dat inherent kan zijn aan het Tilburgs, waarbij zinnen (woordreeksen) klinken als één, voor buitenstaanders onbegrijpelijk, woord: Khènkouwhkien.] - zelfstandig naamwoord
Kiosk op de Heuvel; prentbriefkaart; bron: Regionaal Archief k iejòs , kiejòsk kiosk
- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En nèt as op den Heuvel op de kiejòsk ok aldaor heej vruuger ok ene kiejòsk gestaon die muziek gaaf. Körvel presies inder! - zelfstandig naamwoord
kieke, kiekske kip
- WBD - kieke, kieken, kuikentje, kiepke, tòk, tiet tiet tiet, (Hasselt) tjiep - roepwoorden voor kuikens- WBD - kiekske, kiepke, pieleke - vleinamen voor het kuiken- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KIEKEN is beter dan 'kuiken'. Alle verwante tongvallen hebben I, behalve het Neder-Saksisch en Hoogduitsch.- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord. o. 'kieken' - kuiken (zolang het binnen de dop is); buiten de dop: 'pieleke(n).- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KIEKEN zelfstandig naamwoord. o. -jong hoen; Holl.kuiken; Frans: poulet; vkl. kieksken
b oer met een klein bedrijf; keuterboer.
keuterstòk
keuvel
kezèèn neef; kozijn uit Frans: cousin
khèm ik heb hem
khien kin
Kiosk op de Heuvel; prentbriefkaart; bron: Regionaal Archief k iejòs , kiejòsk kiosk
kieke, kiekske kip
klaarzetten, in het bijzonder: de tafel voor de maaltijd
Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam. Zie ook Opdèkke, Klaormaoke, Opzètte, Tòffel
kraampje verkleinde vorm van 'kraom, met vocaalkrimping
Henk van Rijen - kruimel uit: Kroniek van de Kempen 1994
Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel. kreugel , kreugeltje kruiwagen








kaajkepòt
Ge meut oe moedertaol nie vergeete Agge nor Tilburrug wilt gaon Want as ge daor nie zèèt geboore Dan kunde gè niks verstaon As gij nie plat kunt praote Dan val et abseluut nie meej Dan staode gij vur Laazerus As ene krèùkezèèker zeej: (Refrein) De drie Ks, De drie Ks Die maoke me harstikke zòt De drie Ks, De drie Ks: Ksèè Kaai - Kepòt kaajlègger keienlegger, stratemaker
kaajmaf knettergek kaajscheut zelfstandig naamwoord gebakken aarden knikker
Van unne stinpust op zunne èrrum, as unne proem zo groot, Zis zo groot as unne kaaischeut, tot aon z'n schauwers was ie rood. (Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
kaajscheute knikkeren (niet alleen met kaaischeute, ook met mèèrpels en proeme)
Kaajstoep keistoep
Tilburgsche Courant 13 januari 1871 Nieuwe Tilburgsche Courant 22 januari 1893
keiweg; steenweg


kaajzòt
hoofd, kop
kaankerblom - chrysanthemum segetum
paardebloem, ganzebloem

Cees Robben - Prent van de week 16-06-1972 kaans kans
kaant , kèntje/kantje 1. kant, zijde, grens van een vlak
1.1 Met betrekking tot personen
1.2 Met betrekking tot een plaats of regio
2. Zijden van een paard
3. In verband met textiel
kaast, kasje kast
RBij iemand goed in de kaast ligge - geen kwaad kunnen doen
kaaw 1. koude
2. vogel, kauw, Corvus monedula
kaaw / kaauw koud, koude
zelfstandig naamwoord - de koude
Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937
kauwen
kaawèèrepelbuurt
kaaweg
kaawelek kouwelijk
kaawmèrt Kou-markt. Zo genoemd omdat die markt in de winter werd gehouden, in Tilburg op 25 januari.
kaaziemier
kabinet

k aboutersmidje specht
kabbe
kachel kachel
kachele
kachelpèèp kachelpijp; figuurlijk: hoge hoed
kadeej iemand van forse gestalte; uit de kluiten gewassen persoon; manwijf
kaffetuul kaft, omslag van een boek. Uit Oudfrans covertoir, later: couverture waarschijnlijk dus een samenvoeging van kaft met verbastering van couverture.
kak poep, stront hieronder in figuurlijke vorm
kakbèngske kakbankje; meestal in het meervoud gebruikt
kakhèùs kakhuis, WC
kakhiele op de hiel trappen; figuurlijk: doordrammen, dwarsliggen alleen in de infinief aangetroffen Volgens WNT, lemma Kakhielen afgeleid van 'een misstand of een gebrek van sommige viervoetige huisdieren; 1. Bij het rund. Te ver achteruitstaande - dus door den neervallenden drek bevuild wordende hiel...'
kakke kakken, defaeceren
Hippolais icterina kakkeluut, kakeluut spotvogel - Hippolais icterina
kakkestoelemaaje kinderspel; een persoon vervoeren, zittend op de gekruist samengevatte armen van twee personen Foto: Woordenboek van de Vlaamse dialecten III-6 School- en kinderspelen Detail uit een schilderij van Pieter Brueghel de oudere met kinderspelen
En deze foto met de drie fases van het spel:
kakscholtje bewaarschool
Circa 1860 kakstoe l, kakkestoel kinderstoel met ingebouwd potje
Schilderij van Jan Miense Molenaer - 17de eeuw (detail) Schilderij van Evert Pieters - 17de eeuw (detail) kalf, kalfke, kalf, kalfje
kalfkoej
kalfsmesien
kalftèndjes kalfstandjes
kalfvèèrs
hoofd etymologie onbekend



kalk kalk
kalkaaj
kalleve kalven
zelfstandig naamwoord meervoud van 'kalf', kalveren
kalvermèndje
kalvertaand
kameraod, kammeraod kameraad verkleinwoord = kam(m)eròdje meervoud = kam(m)eraoj
kamgaore
kàmgaoren stuk, K 183 (= Tilburg). kamieon, kameeon, kammeejon
kammemaoker kamslager
kammenèt kabinet, bepaald type kast
kameraden
kamwiel kamwiel
inhoudsmaat voor natte waar, gelijk aan 1,44 liter (in Tilburg in gebruik vóór de invoering van het Nederlands Metriek Stelsel, 1820)
kandelèèr, kandelèrke kandelaar
kandijmik
kanêelwaoter kaneelwater (drank of medicijn)
kanjert kanjer, exemplaar groot in zijn soort
kannadas, kanniedas Canada populier, canada; 'kanada' - Populus canadensis, ook wel: Populus monilifera Ait.
Tilburgsche Courant - 23-9-1888 kaod, kaot, kaoj, kaoje
2. bijwoord
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. het kwaad, ziekte
...en liet Adam ôk enne keer bèète. Dè hasse dus nie moeten doen. Naa waar Adam effe schuldig en han ze saomen kaod gedaon. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
de kwade, de slechte in het meervoud kaoj of kaoje
Kaojen hoek toponiem Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg
kaojeghèd/ kaojeghei kwaadheid, boosheid
kaojer kwader = slechter
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. k aojjonge, kwòjonge
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. kaojke , kaoikes, kaojkes, kaoje, Cees Robben - detail uit Prent van de week van 12 februari 1965, waarschijnlijk vastenavond de enkelvoudige vorm 'kaoj' komt ook voor, het meervoud is dan 'kaoje' de korte vorm 'kòjkes' is gangbaar naast 'kaojkes'
De n in 'kaantjes' is ontstaan uit het meervoud 'kaaien'. Cees Robben - detail uit Prent van de week van 4 oktober 1985 kaoikes
kaoje
kaojkes
kaak het verkleinwoord is kòkske


kaokel kakel, kletskous
kaokele kaokele - kaokelde - gekaokeld (geen vocaalkrimping) kakelen (als een kip)
kaokelgat scheldwoord kakelgat
kakelnest
kaokemènt
kaol, kòlder, kòlst kaal, quasi-welgesteld
ook 'kale neet' of 'nestjong'
Dè kos nie Ze rikte saome jaorelang, dè din ze ammol gèère, èn zaat er in de pot genòg dan ginge ze ònt tèère. Naa zon ze nòr de Schouwburg gaon Trees kocht en zwart-grèès kleeke omdé die kleure zôo op de haor van durre meens geleeke. Sjaan zòcht en aorig truike èùt hêel sjiek, meej kòrte mouwe vuurrood, want Jaonus heure man is zôogezeej enen blauwe. Toen zeej Merie: Ik blèèf mar tèùs, aanders krèède schandaole, kzôo gèère meedoen, mar ge wit: "De mènne is ene kaole." LECHIM kaoljakker, kòljakker onbemiddelde man die dit poogt te verbergen door heer te spelen
2 fantasienaam voor een vogel die Tilburgs spreekt Kaom toponiem Chaam kaomer, kaomerke zelfstandig naamwoord, verkleinwoord kamer
kaones kanes, kanis
Kaper, schilder onbekend kaoper kaper
kaordebòl kaardebol
kaordemaoker
kaordewals
Kaartspelers - Lucas van Leijden kaort , kòrtje ; meervoud: kaorte, kaorde
1. speelkaart
2. andere samenstellingen
Schilderij van Jan Miense Molenaer (detail) - 17e eeuw - Kaartspelers bij kaarslicht kaorte kaarten, kaartspelen
kaortewals kaartenwals
Detail uit een schilderij van Willem Cornelis Duysters kaortspeule kaartspelen
kaot kwaad
kaoter kater
kapbèltje
kapmis kapmes, hakbijl
kapmis, leepel òf schèèr
kapoerewiets
Van kapores gaan
kappe kappen
kappelaon kapelaan
kapelmeester





kapper, kapperke
kappesien 1. capucijn (monnik) lid van de kloosterorde Ordo Fratrum Minorum Capucinorum (franciscanen); afkorting: OFM Cap. In Tilburg gevestigd in een klooster op Korvel.
Cees Robben - Prent van de week - 19661209 4) hun voedselverstrekking aan zwervers: Cees Robben - detail -Prent van de week 19570921
2. soort meikever kappesien - Melolontha hippocastani

kapstòk kapstok
kapstòk kapstok
karaoke
karakòl eetbare slak uit Frans: caracole, en mogelijk daar uit het Spaans caracol de benaming is volgens - WBD - (zie onder) in Tilburg minder gebruikt dan 'huisjesslak' / 'höskesslak'/
karbenaade karbonade
karbied, kerbied
karneuk
karneval carnaval
kasje kastje
kasjenee doek van dunne stof, als sjaal om de hals geknoopt = Franse 'cache-nez'
kasjeweel
kasjewèèle, kassiewèèle uit Hebreeuws 'breng ons terug'; Bargoens 'asjeweine'= weg, dood, kapot. Nederlandse varianten: gasjewijne, kasjewijne, kassiewijle, kassiewijne, sjewijne (zie Van Dale)
kasjezis, kassiezis
Cees Robben kaskenaade, kaskenaoj, kèskenaoj blufferige drukte, opschepperij; noten op z'n zang, pretenties, praatjes
kasse het spel 'klap-kas-afzak' bedrijven, c.q. iemand de in dat spel voorkomende trap geven
Stilleven - Flegel - 19de eeuw kastannie kastanje
kastêel kasteel
kaster
1. Als diernaam (manl.), slechts een enkele maal. Bever. Kastoors haar (of als koppel. kastoorshaar): beverhaar. Castoers hayr om hoeyen te maken, Placc. v. Brab. 1, 414 a [1597]. 3. Voorwerpsnaam, mannelijk. Een van bevervilt of van wat daarvoor door moet gaan gemaakte hoed. kat zelfstandig naamwoord kat, poes
ransuil - rechts: kerkuil velduil katèùl
vreemd


katsebòlle met kaatsballen spelen
katsele kaatsspel (kinderspel)
catechismus
kattekaod
De 'kleine'(links) en de 'grote' catechismus,zoals in gebruik circa 1960. Collectie Ed Schilders
catechismus


kattekòp inhoudsmaat (bier) katteliek bijvoeglijk naamwoord katholiek
kattemèmme tepeltjes van de kat
kattepies letterlijk: kattepis
Tilburg 2019 - Hasseltse kapel. Foto: CuBra. kattespouw, kattespaaw, kattespauw
kattespaawbròkke snoepgoed; brokken druivesuiker ofwel jodevet met nootjes
Ill.: Thomé - kattestèrt - kattenstaart - schaafstro - lythrum salicaria Ill.: Thomé - kattestèrt - lampepoetser - grote lisdodde - typha latifolia
kattestèrt - kattenstaart (Lythrum salicaria)
kavallerie cavalerie
kaviaor kaviaar
kawauwel
kazienee, kazjeneej doek van dunne stof, als sjaal om de hals geknoopt; uit Frans 'cache-nez' (letterlijk: 'neusverberger')
kebao l kabaal
kèbke klein jong varken
verkleinde vorm van 'kab' (met umlaut) kèchele
k edaaj feest, smulpartij
Kedènt toponiem Letterlijk: kwaad (= slecht) einde
kedoow, kedooke cadeau, geschenk = Frans 'cadeau' met vocaalreductie
keduuk, keduukelek Frans: caduc bouwvallig, versleten (ook m.b.t. mensen)
Keej Cornelia
k èèk kijk
1. kijk als mening, deskundig oordeel
Agge op de Ringbaon wonde/ vuulde oe èège vruuger rèèk/ meej veul gruun èn stoere bôome/ èn ge had «ene Schôone kèèk» (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De Ringbaon? Niks mir aon...)
kêek verleden tijd van 'kèèke' keek Bouwschutting rond de afgebrande Febo-frituur. Heuvelstraat 2018. Door de luikjes kan de passant naar de verbouwing kijken.Foto Margriet Bekkers. kèèke kijken kèèke - kêek - gekeeke in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kèkt
Kek wè se kekt! Kek wè se kekt! Witte gij, Kiske, op wie dè se lekt?!"
Lechim - Gedicht van de week. Ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier (1957-1982) Zien Woordspeling
Uitdrukkingen en dergelijke
Sticker op voetgangersstoplicht Willem II-straat. Bij rood laat het licht een kruikenzeiker zien, bij groen loopt hij met zijn kruip over. Het stoplicht is een kunstobject van Marieke Vromans en Irene Vermeulen. Het speelt in op het gegeven dat Tilburgse textielarbeiders in vroeger eeuwen hun urine in een kruik opvingen en voor een paar centen verkochten aan textielfabrikanten. Die gebruikten de zèèk om wol te reinigen en te vollen. De slogan is: Nie zèèke mar kèèke. Foto: CuBra 2019. Carnavals-sticker van vereniging De Raawdaawers'. Foto: CuBra 2020. kèèkgòtje kijkgaatje
kèèl , kèltje keel
kèèle
kèèlgang
kèèlpènt keelpijn
kèènd, kiendje, kind

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937


keeper
keejper, K 183 (= Tilburg) kepertje : keeperke, K 183 (= Tilburg) keer keer, maal uitdrukking in de kòrtste keere - zo vlug mogelijk
kèèr, kèrke kar, wagen
kêere keren, omkeren, wenden
kèère vegen
kèère l kerel
k èèreme
kèèrk kerk
kèers, kèrske kaars
kèèrvel kervel, tuinkervel; Anthriscus cerefolium; Echte kervel
Detail uit een stilleven van Pieter Claesz kèès kaas gemèènekèès komijnekaas; snipperskèès - gesneden kaas (in plakjes)
Middenstandsrijm in het dialect in de marktkraam van Kaashandel Bastiaansen uit Molenschot. Tilburg, Koningsplein maart 2019. Foto: CuBra.
Schilderij van Clara Peeters (17e eeuw) - Stilleven met kaas (detail) - 1615
kêet, kitje keet, armoedige houten woning
keetel ketel
ketellapper
keetelbuunder ketelboeter, ketellapper ketellapper, classificeerder
... èn vochte as keetelbuunders/ rondom de mallemeule. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vruuger...veul muuger)
De jonge kok - Joseph Bail keetelbuuter (rondreizend) ketellapper, koperslager
ketelmuziek; lawaai maken met potten, pannen, etc.

kèève kijven
kèèzer keizer
kefeej café = Frans 'café' met vocaalreductie
Nieuwe Tilburgsche Courant 20-11-1889 kejak cognac
kèk gebiedende wijs van kèèke - Cees Robben - Kek uit oew soepers.... (19560211) - Cees Robben - Kek Sjenet... zô is t gekomen (19560714)
concours - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 09 04 - Ons Sjaan ha' 'n gróót schilderij / Op t rik-kekoers gewonne... kèkt persoonsvorm van werkwoord kèèke,gij, hij, zij, et kèkt; en gebidende wijs Kèkt is òf ie kèkt, èn assie kèkt, nie kèèke.
kerel alleen aangetroffen bij Piet Heerkens; verkorting van dialectisch kèèrel;
kèlderbist, -vèèrke
kèlderwènd krik, dommekracht, kelderwinde
kèlfke kalfje
keliek koliek, onderbuikskramp van Frans: 'colique'
kèlriem
kèlsgat keelgat
kèltje
kemêel
Nieuwe Tilburgsche Courant 27-11-1943 Kamelenharen pantoffels (Internet 2013)


Nieuwe Tilburgsche Courant 30-11-1943 kemèène met komijn als ingrediënt; komijnekaas.
kemiek komisch; komiek Frans: 'comique' met vocaalreductie
...hij was dikkels ok grappig, soms kemiek. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
kèmke kammetje; verkleinde vorm van 'kam', met umlaut
kèmme kammen
kemiekerig uit komiek komisch, lachwekkend
de eerste i is mogelijk een verschrijving; deze vorm is nergens anders aangetroffen. - Cees Robben - k Zie ze gaon... die klèène klaanten/ Stap vur stap keminniekaanten... (19560512) Ill.: Thomé - cannabis sativa L. - hennep - kemp kèmp zelfstandig naamwoord hennep

kèmpekurtje de etymologie is onduidelijk; mogelijk samenstelling uit kèmp als këmparen (zie volgende) en kurtje als koordje
kempgaore
kèmpzaod hennepzaad, veelal als vogelvoer gebruikt kemuunie zelfstandig naamwoord het sacrament van de Heilige Communie
konijn
Verkoper van konijnenvellen -19de eeuw
kanarievogel, kanarie

tongetje van een kanarievogel
kenaol kanaal
kenaoldèèk, knòldèèk
kènder - kèènder kinderen
Praot me nie van kiendjes, kender, overal ter wereld zijn d'r; schreuwe... doen ze nergens zuutjes, overal hebben ze vieze snuutjes;
kènderèègteg
kènderjaore kinderjaren
kènderköpke kinderhoofdje; veldkei voor bestrating
kinderwagen
... en vruuger hèk r veul gewaandeld meej de kènderwaoge. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
kènds, kèns kinds

in het bijzonder het bedevaartoord van de heilige Cornelis in Esbeek
kènneke inhoudsmaat (bier) verkleinde vorm van 'kan' met umlaut. kannetje
kenon, knon kanon
kanonbal kè ns, kènds bijvoeglijk naamwoord . kinds, dement
kènskènder kleinkinderen, kindskinderen
kèntje kantje
kepèl , kepèlleke 1. kapel
kapotsnijden; het geslachte varken 'afkappen'
kepòtspeule kapotspelen: bij een bepaald kaartspel alle slagen halen kepòtspeule - spulde kepòt - kepòtgespuld ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij spult kepòt - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - bij het hoogjassen: honderd roem en kapot
k èps blut
kerbied carbid
k è r bòl biljartterm; carambole
carbolineum [ook wel, maar foutief, carboleum] zwarte vloeistof uit steenkooldestillaat om hout te verduurzamen [tegenwoordig verboden wegens schadelijke stoffen] - Cees Robben - teerzeep en kerbol (19701016) kerdaot kordaat
kè rdon kordon
keresier - kèrresier bazige vrouw, heerszuchtige echtgenote van Frans carossier (koetspaard), of van 'kurassier' (= dragonder), dat volgens - WNT - overdrachtelijk 'manwijf' betekent.
kèrhèngst
kèrke verkleinwoord van 'kèèr', met vocaalkrimping: karretje, wagentje
k èrkehöske kerkhuisje
kèrkenbank
kè rkendeur kerkdeur
kerkhof
kèrkwèg kerkweg
kermèènekèès komijnekaas, pitjeskèès, gemèènekèès k èrmenaaj zelfstandig naamwoord karbonade Frans: 'carbonnade' de uitspraak met b komt in het Tilburgs nauwelijks (meer) voor:
Tekening van Frans Mandos Tzn - 1945 kèrmes kermis
kèrmes haawe kermis vieren
kèrmespòt
k èrmesstee l
k èrmesvrijer kermisvrijer, vrijer voor korte duur
Ill.: Thomé - paeonia officinalis - pioenroos - kernillesrôos kernillesrôos, knillesrôos pioenroos (Paeonia), kornelisroos (Paeonia)
k ernòllie uit het Frans: canaille
Dichterlijke definitie door Frans Hoppenbrouwers (CuBra), uit: Kempische karakters:
kerstboom de t valt uit in de uitspraak, ook in Standaardtaal kèrsemannéééééé straatroep waarschijnlijk om kersen te verkopen
Kèrsemes Kerstmis
Bosch kèrsemes - Kerstmis in de Kempen: kässemis; oudere vorm: Korsmes
kèrsenbôom kersenboom
kèrske
kèrsmid wagenmaker, 'waogemaoker'
karrenspoor

kèrspringer
kerststal st+st trekken samen tot st
kastanje
kerstmarkt van kerst en Engels fair (markt)
kerwaaj, kerwaajke karwei
eufemisme voor een reu die een teef zoekt
kesjèt, kersjèt korset
kesjoe rubber, gummi verbastering van Frans caoutchouc
kesjòt cachot, gevangenis
k èskedieje inbrengen, te vertellen hebben
kèskenaoj kèskenaode
Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg ketaaw, ketaauw getouw, weefgetouw
'n jong, vlug weeverke / al op z'n nuuw ketaaw
stemh. spirant is stemloze explosief geworden
Een weefgetouw van een Goirlese thuiswever - archief Pierre van Beek
ketaawstèller getouwsteller, afsteller van het weefgetouw

ketènt, kontènt
ketier, kertier kwartier
1.1. In het gezegde 'Tilburgs ketierke' [korte ie] geaccepteerde want gebruikelijke tijdsoverschrijding bij de aanvang van bijeenkomsten
2. woning
3. de verdeling van de koeienuier in vier delen
4. deel van de week
kètje katje
ketoen katoen
ketoor, ketorke kantoor; met name de ruimte waar de bazen van de fabrieken zetelden.
K èts, de Kaatsheuvel
kètse 1 kaatsen - sport en spel
2. afgeleid van 1; steentjes (stintjes) kètse een kiezelsteen op het wateroppervlak gooien zodat de steen afketst op het water, liefst meerder keren achter elkaar
van het Franse 'couture', zoals in 'haute couture'.
Foto: WTT 2023 k èùf, köfke kuif
k èùke kuiken
keukenbeschuit

kèùl , költje kuil, ook voor bijvoorbeeld aardappels (WBD)
bij een kinderspel met knikkers
kèùp, köpke kuip
kèùper kuiper
k èùs helemaal, finaal, totaal; mooi, gaaf, schoon, zedig, kuis
2. bijwoord
kèùt kuit 1. lichaamsdeel
2. zaad van vissen
keutel, uitwerpsel
kwartel

WTT Ed Schilders 2012 - Coturnix coturnix; uit: De Nederlandse vogelnamen en hun betenis, Henk Blok en Herman ter Stege (1995): Betekenis wetenschappelijke naam: men neemt aan dat Coturnix een gelatiniseerde klanknabootsing is van de roep (de 'drieslag') van deze soort, met name van het mannetje. (...) Van de drie-lettergrepige kwartelroep zijn de volgende volksnamen afgeleid: Kuutjeblik (Gr), Kietkediet (ONB), Kikemedie (NB), Kwikmedit - in Engeland Quick-me-dick - Hutte ke dut (NB) en Prutje-Dut (Ach). k iekkaast kijkkast
kiele kietelen (zie WNT)
naam van een Tilburgse kruidendrank
Foto: - WTT kiem preuts
kleinzerig
kieskeurig
andere betekenissen
uitroep
kiemkaast
kiemoo kiemoo
"Klosse over laote lope, / kimo spinne, pees te gappe, / 'k Wo jou allin mar zegge, / degge aachtermekaar aon kunt stappe." (Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
kien, kieneke kin
Schilderij van Edgar Hunt - 1909 kiep
1 kip
Verkleinwoord: kiepke figuurlijk: kind op de 'bewaarschool'; in de 'kiepkesklas'
...de haontjes zijn wel 'ns laastig veur de kiepkes, mar as ze d'r nie zijn, of al te weinig, dan is 't ok nie goed, dè snapte! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; Nieuwe Tilburgsche Courant 16-9-1939)
Samenstellingen
Uitdrukkingen e.d.
kinderachtig


kiepebòrst
kiepedrèfke, kiepedraf
ki epekôoj, -kòt kippenkooi, kippenhok
ki epere
ki epere
kiepesoep kippensoep
kippenstront
kiepke kippetje, kuikentje
verkleinde vorm van 'kiep'
kiepkesschool bewaarschool
verleden tijd meervoud van kèrve, kerven 't Wier herfst, 't wier wenter, 't weer wier guur en rauwe wende kierve mijn teere zieltjen uur nao uur (Piet Heerkens; uit De knaorrie, Toen en na..., 1949)
dooddoener betekenisloos
kiesje verkleinde vorm van 'kiest' kistje; soldatenschoen
kiespènt kiespijn
kiest, kiesje kist, kistje
kist, opbergmiddel, verpakking
haverkist kist waarin haver werd bewaard om geiten mee te voederen
lijkkist
mottenkist kist waarin kleding werd bewaard werd en met mottenballen werd beschermd tegen slijtage
sigarenkist(je)
timmerkist
tapkast
figuurlijk gebruik kieste werkwoord, zwak kisten Opdruk op cadeauverpakking voor drank - te koop (december 2021) bij Ollie's & Brandstore, Tuinstraat 106, Tilburg k iet zelfstandig naamwoord kiet, huis
kiet gelijk; uit het Franse quitte
kietele kietelen
kietelkaaj kiezelsteen
kietelpinkstere
Kieviet, de toponiem indertijd buitengebied van Tilburg, westelijker dan t Zand; nu ingekapseld door de Reeshof
kieze kiezen
kiezelgoer
► 'kèèke'werkwoord, persoonsvorm, gebiedende wijs van kijk
kikkendril kikkerdril, kikkereieren, kikkerrit, kikkerschot
Raapstelen - kiltjes - Brassica rapa kiltjes keeltjes, Brassica rapa - meiraap
kiltjesstamp stamp van keeltjes kimme erkwoord, zwak - WBD - (van een paard) harkend over de grond klauwen met de voorbenen, ook genoemd 'klaawe', (Hasselt) 'klawe' Gravure van Jacob de Gheyn - 17de eeuw Ill.: Tijs Dorenbosch kinkenduut zelfstandig naamwoord. kikvors - Rana esculenta; nieuwere benaming: Pelophylax lessonae kink is een variant op kik, een klanknabootsing; zoals het WNT schrijft, lemma kikker: Eigenlijk: het dier dat "kikt", het geluid "kik" doet hooren duut is een variant van 'puut', kikvors; zie lemma pút in het Oudnederlands woordenboek (online), en lemma puut in het Vroegmiddelnederlands woordenboek (online).
Rana esculenta
Met uitgesproken n (wegens volgende dentaal)
Kinkenduut, mijn bruurke, kwaoker van beroep, 'k luister dik 'n uurke naor oe rauw geroep.
De koekoek koekoekt deur et hout en wilde duifkes koere, de kinkeduuten worre stout en kwaoken in de moere
Ill.: Rolf Janssen kip
kirke
klanknabootsing - het geluid van vlees dat gebakken wordt




in orde
kitse
kittel ketel
klaacht klacht
klaaj klei
klès
klèts klets 1.1 verkoudheid uitdrukking: en klèts vatte - een kou vatten, een verkoudheid oplopen
1.2 kleine hoeveelheid, kliekje
1.3 gepraat verkorting van 'kletspraat' 4. klap
kleiboer boer die op kleigrond zijn bedrijf uitoefent
handelaar die met kar of wagen langs de deuren gaat om aardappelen te verkopen
klaank, klank klank
'k Steek men aawe breeje klaanke noot meer onder stoel' en baanke, 'k zal oe zinge, stug en stoer, klaor en open as 'nen boer!
klaavere ... as aopen klaoveren ze tege die ketels omhoog... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) Toen ik zo in de helft van Maai is op mn fietske was geklaoverd... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
klaaw, klòw
klaawe
alleen aangetroffen bij Leo Heerkens; mogelijk samenhangend met 'klabots'; hoe dan ook een klanknabootsend werkwoord
klabots 1. proppenschieter
2. snel reagerende vrouw
klanknabootsing; mogelijk uit klap en bots
geluid dat de weefspoel maakt bij het schieten door het weefraam
klad
stapelwolk (?)
klak
stapelwolk (?)
klak
iets wat vochtig en tegelijk plakkerig aanvoelt; onder andere witbrood dat met vocht geplet is tussen de vingers en vervolgens gebruikt wordt als aas om vissen te vangen ook: taaj, taai, week
klampe Accipter nisus klamper, klaamper zelfstandig naamwoord. naam voor diverse roofvogels, zoals buizerd, havik, en sperwer. De naamgeving houdt verband met (vast)klampen, klemmen, het met de klauwen vangen van de prooi. (zie lemma Klamper in Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Klaas J. Eigenhuis; 2004) In Tilburgs gebruikt voor de sperwer (Accipiter nisus), cf. Daamen, Handschrift 1916: "klaampvogel - sperwer"
klamtrèkke
klander verkorting van kalander; ook genoemd: 'mijt' of 'wemel'
klaoge
klaoger klager
klaor klaar 1. klaar, gereed
2. helder; louter
Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - van waoter drinke krèède ne klaoren hals - ... word je niet dronken
klaorbraoje
klaore klare (heldere) jenever
klaormaoke, klòrmaoke klaarmaken, in het bijzonder: de tafel voor de maaltijd m et de vocaalkrimpingen conform maoke: mòkte, gemòkt.
Waardering voor Tilburg door WBD: algemeen. Zie ook Opdèkke, Opzètte, Klaorzètte, Tòffel
iets wat vochtig en tegelijk plakkerig aanvoelt; onder andere witbrood dat met vocht geplet is tussen de vingers en vervolgens gebruikt wordt als aas om vissen te vangen ook: taaj, taai, week
klampe Accipter nisus klamper, klaamper zelfstandig naamwoord. naam voor diverse roofvogels, zoals buizerd, havik, en sperwer. De naamgeving houdt verband met (vast)klampen, klemmen, het met de klauwen vangen van de prooi. (zie lemma Klamper in Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Klaas J. Eigenhuis; 2004) In Tilburgs gebruikt voor de sperwer (Accipiter nisus), cf. Daamen, Handschrift 1916: "klaampvogel - sperwer"
klamtrèkke
klander verkorting van kalander; ook genoemd: 'mijt' of 'wemel'
klaoge
klaoger klager
klaor klaar 1. klaar, gereed
2. helder; louter
Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - van waoter drinke krèède ne klaoren hals - ... word je niet dronken
klaorbraoje
klaore klare (heldere) jenever
klaormaoke, klòrmaoke klaarmaken, in het bijzonder: de tafel voor de maaltijd m et de vocaalkrimpingen conform maoke: mòkte, gemòkt.
Waardering voor Tilburg door WBD: algemeen. Zie ook Opdèkke, Opzètte, Klaorzètte, Tòffel
iets wat vochtig en tegelijk plakkerig aanvoelt; onder andere witbrood dat met vocht geplet is tussen de vingers en vervolgens gebruikt wordt als aas om vissen te vangen ook: taaj, taai, week
klampe Accipter nisus klamper, klaamper zelfstandig naamwoord. naam voor diverse roofvogels, zoals buizerd, havik, en sperwer. De naamgeving houdt verband met (vast)klampen, klemmen, het met de klauwen vangen van de prooi. (zie lemma Klamper in Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Klaas J. Eigenhuis; 2004) In Tilburgs gebruikt voor de sperwer (Accipiter nisus), cf. Daamen, Handschrift 1916: "klaampvogel - sperwer"
klamtrèkke
klander verkorting van kalander; ook genoemd: 'mijt' of 'wemel'
klaoge
klaoger klager
klaor klaar 1. klaar, gereed
2. helder; louter
Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - van waoter drinke krèède ne klaoren hals - ... word je niet dronken
klaorbraoje
klaore klare (heldere) jenever
klaormaoke, klòrmaoke klaarmaken, in het bijzonder: de tafel voor de maaltijd m et de vocaalkrimpingen conform maoke: mòkte, gemòkt.
Waardering voor Tilburg door WBD: algemeen. Zie ook Opdèkke, Opzètte, Klaorzètte, Tòffel
iets wat vochtig en tegelijk plakkerig aanvoelt; onder andere witbrood dat met vocht geplet is tussen de vingers en vervolgens gebruikt wordt als aas om vissen te vangen ook: taaj, taai, week
klampe Accipter nisus klamper, klaamper zelfstandig naamwoord. naam voor diverse roofvogels, zoals buizerd, havik, en sperwer. De naamgeving houdt verband met (vast)klampen, klemmen, het met de klauwen vangen van de prooi. (zie lemma Klamper in Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Klaas J. Eigenhuis; 2004) In Tilburgs gebruikt voor de sperwer (Accipiter nisus), cf. Daamen, Handschrift 1916: "klaampvogel - sperwer"
klamtrèkke
klander verkorting van kalander; ook genoemd: 'mijt' of 'wemel'
klaoge
klaoger klager
klaor klaar 1. klaar, gereed
2. helder; louter
Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - van waoter drinke krèède ne klaoren hals - ... word je niet dronken
klaorbraoje
klaore klare (heldere) jenever
klaormaoke, klòrmaoke klaarmaken, in het bijzonder: de tafel voor de maaltijd m et de vocaalkrimpingen conform maoke: mòkte, gemòkt.
Waardering voor Tilburg door WBD: algemeen. Zie ook Opdèkke, Opzètte, Klaorzètte, Tòffel
iets wat vochtig en tegelijk plakkerig aanvoelt; onder andere witbrood dat met vocht geplet is tussen de vingers en vervolgens gebruikt wordt als aas om vissen te vangen ook: taaj, taai, week
klampe Accipter nisus klamper, klaamper zelfstandig naamwoord. naam voor diverse roofvogels, zoals buizerd, havik, en sperwer. De naamgeving houdt verband met (vast)klampen, klemmen, het met de klauwen vangen van de prooi. (zie lemma Klamper in Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Klaas J. Eigenhuis; 2004) In Tilburgs gebruikt voor de sperwer (Accipiter nisus), cf. Daamen, Handschrift 1916: "klaampvogel - sperwer"
klamtrèkke
klander verkorting van kalander; ook genoemd: 'mijt' of 'wemel'
klaoge
klaoger klager
klaor klaar 1. klaar, gereed
2. helder; louter
Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - van waoter drinke krèède ne klaoren hals - ... word je niet dronken
klaorbraoje
klaore klare (heldere) jenever
klaormaoke, klòrmaoke klaarmaken, in het bijzonder: de tafel voor de maaltijd m et de vocaalkrimpingen conform maoke: mòkte, gemòkt.
Waardering voor Tilburg door WBD: algemeen. Zie ook Opdèkke, Opzètte, Klaorzètte, Tòffel
alleen als infinitief gebruikt waarschijnlijk afleiding van 'klaas' - onbeholpen persoon
zelfstandig naamwoord meervoud van klaos, klaas, hier: sinterklaas
klapbus proppenschieter
bromfiets
klaploper; uitvreter
Carnavals-sticker van vereniging De Klaplôopers. Foto CuBra 2020. klapmuts slaapmuts
klappaaj klappei, vrouw die veel kletst, babbelt; iemand die kwaadspreekt
klappe
klappees
...die klapperde alles daolijk et dörp deur... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 8; Nieuwe Tilburgsche Courant 19-11-1938)

De 'klapse peer' heeft zijn eigen monument en wel in Dorchester, een stadje nabij Boston. klapskoord



klapzaand
klapzuur brandend maagzuur
klasjeneere druk praten over gewichtige zaken, maar ook over zaken die slechts in schijn gewichtig zijn verbastering van 'collationeren' - uit het Frans: collationner > met betekenisverschuiving naar 'babbelen', 'gezellig praten'
Begin van de Collationes van Cassianus Het woord is gebaseerd op de Collationes (Gesprekken) van Johannes Cassianus (4de of 5de eeuw), geschreven in de vorm van gesprekken tussen kluizenaars en monniken. (Rey, Dictionnaire historique de la langue française; 1998)
Klasjeneere
Klasjionneere
Klassieoneere
Klassineere
Klassionneere
Klasjonneere
Klazineere
Klazieneere
Klazjeneere
Andere bronnen
klèdderiedètse
kleddertje, kliekje
klêed kledingstuk, kleed; uitsluitend voor vrouwen; in het bijzonder een jurk
Kleef toponiem; de stad Kleef, gebruikt om gierigheid aan te duiden
klêeje, kleeje
kleeke 1. (niet al te dure, eenvoudige) jurk
2. klein vloer- of tafelkleed
3. textiel
4. herenkleding
klèèn, klènder, klènst klein, kleiner, kleinst de kleine(n), de kleintjes, kleine kinderen, boreling
het klein(e)
bijwoord
gezegdes
toponiem
kleding, kleren ook 'klêere' komt voor
klêeraozie klerage, klerenDialectenquête 1887 Willems - III.1.3:1 ' klerage' = kleren, kledij
klaver de uitspraak varieert tussen [kleever] en [klèèver] zowel voor de plant als de kleur in het kaartspel 1. klaver (plant) klaver, veldklaver (Trifolium) Meer dan 300 soorten uit het plantengeslacht Trifolium. De botanische naam Trifolium verwijst naar de bladeren, die meestal uit drie deelblaadjes zijn samengesteld (Latijn: tres is drie en folium is blad). Bij de witte klaver komt zeer soms een vierbladig exemplaar voor; de zeldzaamheid wil dan ook dat het vinden van een klavertjevier geluk brengt. Trifolium - Klavertje vier Witte klaver Rode klaver
2. klaveren (kaartspel) klèèveres - klaveren, kaart met het teken 'klaver'; in het kaartspel ook: kleeveres - klaveren
klaver de uitspraak varieert tussen [kleever] en [klèèver] zowel voor de plant als de kleur in het kaartspel 1. klaver (plant) klaver, veldklaver (Trifolium) Meer dan 300 soorten uit het plantengeslacht Trifolium. De botanische naam Trifolium verwijst naar de bladeren, die meestal uit drie deelblaadjes zijn samengesteld (Latijn: tres is drie en folium is blad). Bij de witte klaver komt zeer soms een vierbladig exemplaar voor; de zeldzaamheid wil dan ook dat het vinden van een klavertjevier geluk brengt. Trifolium - Klavertje vier Witte klaver Rode klaver
2. klaveren (kaartspel) klèèveres - klaveren, kaart met het teken 'klaver'; in het kaartspel ook: kleeveres - klaveren
waarschijnlijk van 'klepperen'




klèmbakkes kaakklem (trismus), krampachtige samentrekking van de kauwspieren als gevolg van een infectie, waardoor de mond niet meer geopend kan worden.
klèmmond
klènder kleiner
klè ns uitdrukking: van klèns af aon - van kindsbeen af
klènst kleinst van 'klèèn', met vocaalkrimping.
klep (met name van de broek), ook voor 'deksel' hoofddeksel

deksel, bedekking
zoals postduiven onverwacht weer thuis komen en op de klep van het duivenkot'neerstrijken
mond
klèpbroek bepaalde mannenbroek, lijkend op de tirolerbroek
klèpke zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van klap
klèpschouw verlegen, schuw, schichtig uit de duivensport: een duif die bang is, of treuzelt, om 'op de klep te vallen'
klèptiet klikspaan
bijvoorbeeld het ketsen van steentjes op water (spel, meestal ketsen genoemd)
klètskoek kletskoek, kletspraat, onzin
klètskòp
kletswijf
klèùf, klöfke kluif
etymologie onbekend
de etymologie is onduidelijk; waarschijnlijk is er een verband met klepel in de betekenis klepel van een kerkklok
klirbòrsel kleerborstel
klirkaast kleerkast
klirkes kleertjes
verkleinwoord van 'kleere', met vocaalkrimping klirmaoker kleermaker
kliske
Klisstòk Kaart Topografische atlas; ca. 1900 toponiem Quirijnstok
klocht zwerm, troep, vlucht, klucht van Nederlnds 'klucht', vlucht, troep Kees en Bart: 'de klocht loopjongens'; "n klocht ganzen'
Moeders meej hêel klòchte kènder... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aovendvierdaogse) Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - asser èrges êen kraaj neerstrèkt, laandt er sebiet en hêele klócht (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - waar aas is, verzamelen de gieren zich. Henk van Rijen en klocht kènder - veel kinderen
en klócht dèuve; en klócht kènder;
kloek wijs van Dale. (gewestelijk: verstandig, wijs) Daamen -Handschrift 1916: "ik kan er mar nie kloek uit worren (wijs)" kloeke Werkwoord, zwak - H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - gezellig bij elkaar klitten (zitten) klöfke zelfstandig naamwoord, verkleinwoord kluifje
Cees Robben - Pietje.. lustte iets van t kuuske../ Platte ribben.. zult of spek.../ Kaoikes.. balkenbrei [sic] of klöfkes.../ Kienebak soms uit de nek... (19550205) klöjster kluister
klòk 1. de klok, uurwerk
2. kip
Ill.: Thomé - vaccinium myrtillus - bosbes - klòkkebaaj klòkkebaaj bosbes - Vaccinium myrtillus, gewone of blauwe bosbes WBD: De blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) is een klein struikje uit de heidefamilie. Het is een bodembedekker in bossen op zure grond met fijn getande, lichtgroene blaadjes, met bleekpaarse bolvormige bloempjes en met blauw bestoven besjes met kenmerkend blauw sap. In Tilburg ook: Klokkebei, Klokkebeien, Sint-jansbezem. - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - moerbeejzem zelfstandig naamwoord - blauwe bosbes
...daor groeien de klokkebaaie mee duuzende kilos. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) Wieste, dè bosbessen in ons tòltje/ klòkkebaaje hiete? (Henriëtte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blèève haawe, 2007) Stadsnieuws: Klòkkebaaje vènde op plòtse in et bos waor et en bietje donkerder is (280109)
Hees klokkebaaje (1:18)
Str. klokkebaaje (2:20) klökske zelfstandig naanwoord, verkleinwoord klokje 1. bloem akelei - Aquilegia vulgaris - wilde akelei In Tilburg ook: akelei, klokjesbloem, klokskesblom, soms pantoffelbloem (WBD) WBD: De akelei (Aquilegia vulgaris) wordt 30 tot 80 cm hoog. De stengels groeien rechtop en zijn bovenaan vertakt. De bladeren zijn meestal 3-tallig met brede, diep gekartelde blaadjes. De bloemen zijn groot en hangend, blauw of donkerviolet van kleur (soms roze of wit); de kroonbladeren zijn trechtervormig, met aan de top een naar binnen gebogen spoor. Akelei bloeit van mei tot juni en groeit vrij zeldzaam in lichte bossen, aan oevers en in weiden. - WBD - III.4.3:240 klökskesblom - akelei (Aquilegia vulgaris) Foto: Leo Michels 2. klokje as 't klukske klept drie keeren... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Maonnaacht , 1932) 't Klökske rikketikt op taoffel (Piet Heerkens; uit: De Mus, Tijd en nood, 1939) tik-tik-tik as van n klökske... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Naachtegaol, 1941)
Illustratie van Tijs Dorenbosch klomp klomp Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg ...daogs dr nao règenden ut aauw wève op klumpkes... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ók meej klómpen aon kunde wèèd koome, mar dan meuder nie meej klòssenbakke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - Iemand van gewone komaf kan het ver brengen als hij zijn manieren maar aanpast. Henk van Rijen de klomp öthaole - eruit halen wat Sinterklaas erin gelegd heeft
Nieuwe Tilburgsche Courant 1944 De jonge klompenmaker - Henry Ossawa Tanner klonterbrôojke
samenstelling uit klont + vinger





kloojoow stuntelaar: onhandig, kwaadaardig
Eufemistische variant op 'klooier', of samentrekking van 'klootjong'?
man, vrijer
klôot
1.1. man, manspersoon, mens, gewone man
1.2 kloot, kloten, teelbal
1.3 kloot - als eerste lid in samenstellingen - iets kleins, iets dat minder belangrijk is
1.4 kloot - als tweede lid in samenstellingen met de betekenis als onder 1.1.
punniken
klöske
klòsse
klòssebakke
klòssembak
kloster klooster
klot tegenwoordige tijd enkelvoud van 'klôote' Henk van Rijen - hij klot zôo mar aon - hij doet zo maar aan (zonder resultaat)
klòtje
klötje kluitje Nao en pan gebakke èèrpel/ meej en klötje vèèrkesvèt/ stuurde ze vruuger de kènder/ meej en volle maog te bèd. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De prèès van dèèrpel)
klòtte klòttere werkwoord, zwak 1. vallen
...en ze klotterde over 'nen eemer mee waoter... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939)
2. de markt bezoeken op klompen, op klompen lopen
klèùt, klötje kluit, kloot
kleutergat klein kind
kleuve klieven
kleviere handen, klauwen
Cees Robben; 10e Buukske - 'Laot die schaol nie uit oew klaviere valle' klimme klimmen, ook: stijgen, rijzen, klaveren
klink
klinke klinken
klinkerd
klippel knuppel
Hees klippel (V:64,67) Verh.KLIPPEL mannelijk - knuppel; lomperd
iets om op te kauwen, tussendoortje
knaawbôon tuinboon, 'tèùnbôon', 'lapbôon', 'boeretêen'
Wurrom kunne die jong van de tegesworrige tèd ok nie mir mee knaauwboone speule? Hoe koom ut dè dè ut de mode is gegaon? (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Ied'ren dag wè aanders Ons Sjaan schepte 'n maondag op Nou, dè ròòk lang nie gek Ik heb geschraanst toe'k niemir kos Van lap-bòòne mee spek. 'n Dinsdag was 't presies gelèk Dè zaat nie goed bij mèn Mar ze zee: "man ge ziet toch wel, Dè't moffelbòòne zèn." 'n Woensdag wir dezelfden hap Ik vuulde me genèpt Ons Sjaan riep: "hee schiet op, ik heb Knaauwbòòne opgeschèpt. Toen 't vendaog krek inder was Ging ik pas goed te keer, Ze laachde en zee: "Asteblief, knaawe
Henk van Rijen ze meugenet haawe; khèb liever wè te knaawe - ze mogen het houden; ik heb liever iets te eten
knaawer kamkeraar
knaawnèffepap
k nabbele
'n Knallie is een strenge vrouw, ze heeft veelal een harde stem, haar eisen zijn zo zout als brem: juist daarom staat ze in de kou. kèrrad karrad, kar(re)wiel
kè rreljon
k èrrenemulk karnemelk
kèrreseere commanderen uit Frans 'carrosser' en 'carrosse', koets, de koets besturen
kèrresier karossier, koetsier
kèrrevèn caravan
kanaal; in het Tilburgse altijd het Wilhelminakanaal
knaop knaap
knapper 1. zoete kers; Spaanse kers Prunus avium; ook: Cerasus avium
2. verpakkingsvorm van munten
k naspert zeer slechte tabak

k nèècht knecht
knêel kaneel knêelstòk zelfstandig naamwoord. kaneelstok, bepaald snoepgoed in stangvorm Konijn op een beschilderd bord , aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg , H. Stoepker 1986 knèèn, knèntje zelfstandig naamwoord. konijn, konijntje
Riet had giestere 't knèèn al opgezet gehad. Naa móésset wel lekker gaor zèèn. (Jos Naaijkens; Kèrsemis meej zonder dn ammarillus; CuBra, ca 2005)
knèènekôoj ook: knènskôoj konijnenkooi
konijnenmarkt
knèèpe knijpen
k neeve l knevel, bovenlipbaard
knèèze
Knègte l een bekende Tilburgse slijter, laatstelijk tot ca.1985 in de Heuvelstraat gevestigd.
knèlle
2 te strak zitten, afknellen
knèlpestoor knelpastoor, kind dat zit te knoeien
knetteren, een scheet laten
k neukel 1. alikruik, eetbare zeeslak met huisje - Littorina littorea L.
2. een lichaamsdeel

kn eukelvaast knêûp, knupke knoop (sluitingsmiddel, toegehaalde strik, moeilijkheid); navel
...daor zit 'm de kneup!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; Nieuwe Tilburgsche Courant 1-10-1938) Pierre van Beek "Hij leet er 'nen kneup op" wordt gezegd van iemand, die zich aan een flinke krachtterm waagt. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)
mv. 1) teelballen; 2) de gezamenlijke spenen van een zog. k nêûpe knopen
k neut margarine
k neuter, kreuter Ill.: Naumanns - kneuter - acanthis cannabina ofwel carduelis cannabina
knie, knieke, kniejes knie, knietje, knieën
Ut is un feen weef, de wel de. Gin haor op dur taande mar wel flink mos aon dur knieje... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)
k niebaan d
k nijs
Ik heb lang veur de gek gelopen/ Dikkels in de knijs gelopen... (Tony Ansems, Gin wonder dek zo muug ben; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)
engelenbeeld met ingebouwd offerblok, waarvan het hoofd buigt als er geofferd wordt knikker zelfstandig naamwoord knikker; figuurlijk: hoofd
knillesrôos, kernillesrôos kornelisroos, ook pioenroos - Paeonia officinalis Hees knillesroos (VI:31,34) Str. knillesrôos (2:75) knip zelfstandig naamwoord. verende knijper of klem; klap
Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - de knip van de pòrtemeneej zwèèrt (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973) - de portemonnee kan niet open (gezegd als iemand niets wenst te geven)
engelenbeeld met ingebouwd offerblok, waarvan het hoofd buigt als er geofferd wordt knikker zelfstandig naamwoord knikker; figuurlijk: hoofd
knillesrôos, kernillesrôos kornelisroos, ook pioenroos - Paeonia officinalis Hees knillesroos (VI:31,34) Str. knillesrôos (2:75) knip zelfstandig naamwoord. verende knijper of klem; klap
Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - de knip van de pòrtemeneej zwèèrt (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973) - de portemonnee kan niet open (gezegd als iemand niets wenst te geven)
in het bijzonder het bedevaartoord van de heilige Cornelis in Esbeek
kènneke inhoudsmaat (bier) verkleinde vorm van 'kan' met umlaut. kannetje
knipoogje
Foto: CuBra 2018 knipmik
knipmis zakmes
k nippe
knippe - knipte - geknipt
knuppel [ ?]

knipschèèr schaar contaminatie Zntw. KNIPSCHÈÈR znw.v. - bij goudsmeden: soort van kleine tang met omgebogen stangen, wier platte en scherpe uiteinden dienen om metalen draden door te knippen. knòbbelbêen zelfstandig naamwoord.
knòbbele
knoebele
knoedel [?] Op de grond dommelden paddestoelen van wel tienderhaande sort: heel kleine knoedeltjes, rood mee witte pikskes er op. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)
knoeperd
Dichterlijke definitie door Frans Hoppenbrouwers (CuBra), uit: Kempische karakters: Knoepert Een knoepert is heel grof gebouwd, hij is haast als een stier zo sterk, doet met plezier het lomper werk, of hij nou spaait of maait of sjouwt. knoerselbintje Nicolaas Daamen - handschrift 1916 "knoerselbeentje - kraakbeen" Bosch knoerzel - stukjes kraakbeen in vlees knoest zelfstandig naamwoord. boomstronk, datgene wat achterblijft na het omhakken/omzagen van een boom
kluwen
knoezel kruisbes (Ribes uva-crispa; ook: Ribes grossularia) Zèn de knoezels bè öllie al rèèp?
K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KROESEL - kruisbes. Kiliaen heeft kroes-besie, kroeselbesie. Verh KNOERZEL v., ook wel 'knoezel'; kroezel, kruisbes.
knoezelbêen
knoezelbos kruisbessenstruik; onverzorgd kapsel Informant Raaijmakers - Hij vlôog erop aaf as nen haon op ne knoezelbos. Kees en Bart: ...vlôog op ... as enen haon óp ene knoezelbós. Ge kunt beter 'n paor knoezelbuskes minder hebbe dan dè de èspinne aon oe neus hange,of dè oe maogsap bevriest. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 26 januari 1945)
knòl
Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - as gewilt gòn vrije, dan moete ene knòl óp zak hèbbe (Daamen - Handschrift 1916: zie aldaar onder Made)
knòldèèk kanaaldijk, ook straatnaam zie: kenaoldèèk knòlderedèske zelfstandig naamwoord, verkleinwoord radijsje (Raphanus)
knòlderaop Brassica oleracea Piet van Beers t Ôog moet ok wè hèbbe: Nòst Bontjes slaoj èn knòlderaop,/ spinòzzie praaj èn jè ù n. / Hek ok nòg hil wè blomme staon/ dè ôog gift òn de tèùn. (Spoeje doemmeniemer; 2009)
k nölleke 'keel', 'knòl'; lief meisje
As 't naa nog gegaon ha over asperges of knolleradès! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 18 mei 1945)



Knolraap oogsten - Robert Cree Crawford (detail) knòlraop Brassica oleracea koolraap, koolrabi, 'knòlleraop', 'knòlraop'
k nook bot, been
Cees Robben: ene knook vur ónzen hónd
knootwilg
k nöpke knopje
knoppen, metafoor voor de borsten van een vrouw


k nòppert joviale benaming voor mannelijke personen
Laps KNOEPERT - (ouwe - ) rare oude man knörft
knòrrie kanarie; serinus canaria domesticus
Gevange vogel in gouwe cel, wè klinken oe liekes helder en fel! Hoe komde gij aon oe gelukkig geluid? Wè lierde gij blij en wè haolde diep uit! Wè fraozelde zuut en wè leuterde vlot, Wè zingde gij, zingde gij, zingde gij zot! Wè schokkelde, klingelde en kloekte gij vol mee tie-tie-fluiten en waoterrol! Gekooide zanger, as goud zo geel, 'k bewonder oe hartjen, oe liekes, oe keel! Piet Heerkens - De knaorrie - 1949 - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 04 14 - Ik heb 'ne knaoriepiet geörven.
knòrriekôoj kanariekooi
En knòrriekooi... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Willem wies wètter was)
Stadsnieuws: Hij hò in et schòp en knòrriekôoj meej en paor poppe èn aoreg wè manne die schôon kosse zinge (140307)
kanariepiet(je)



't Knorrie-pietjen in z'n kooike (Piet Heerkens; uit: Dn örgel, Stilleeve, 1938) En juffrouw Jaanse ha gezien, dè den nuuwen kapelaon ook al 'n kanarieveugeltje ha, zooals zijzelf. "Hij hee 'n kanaoriepietje, 't zal wel 'nen goeien meens zijn, aanders hield ie nie van veugeltjes." (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; Nieuwe Tilburgsche Courant 1-10-1938)
Et knòrriepietje stao op zulder/ den hond leej jaankend in et schòp... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Den hòrt op) Ik heb ene knorriepiet geörven/ en mènneke, nòg wèl wè jòng... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Oopas Pietje) As es moeder de gerdèène waast/ witte nie wégge ziet/ Niemand heej dan nog aord in hèùs/ nog nie de knorriepiet. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: As de gerdèène gewaasse worre) Bij ons op school zit ôok nne knòrriepiet. (Jos Naaijkens; Mèn voljèère; CuBra) k nòrrievoejer kanarievoer, -zaad knòrrievoogel, knòrrieveugel zelfstandig naamwoord. kanarie(vogel) Kees en Bart: 'knorrievogel' ..."hier in Baozel zitten zooveul veugeltjes, d'r moeten wel enkelde nachtegaoltjes en kanaorieveugeltjes onder zitte! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 4; Nieuwe Tilburgsche Courant 22-10-1938) Mienen knorrievogel zingt veul schonder as ie ooit hee gedaon... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
kanarievogeltongetjes
k nösje verkleinwoord van 'knöst', met uitstoting van de t. ook: - WBD - III.4.3:125 knösje - stronk van de wilg; ook genoemd: knoest of stomp knöst zelfstandig naamwoord. 1. lichaamsdeel: knuist, vuist, kop, hoofd
1.1. grote, sterke handen Alleen meervoudig gebruikt
2. boomstronk
knösteg
knöstkèès hoofdkaas
knupke
waardeloos, droevig, het lijkt naar niets; etymologie onbekend (Van Dale)
knupsgat, knupsgòtje knoopsgat Kees en Bart: knupsgat Henk van Rijen gimme et knupsgaoterschèrken es Hij moes meej enne kraant in zen rechterhaand ötkèèke naor un dame, die gekleed waar in un blauw maantelpekske meej un anjer in et linkerknupsgat van der jeske. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) Want die aander vèèf, die hèbben ok gin mundje as en knupsgòtje. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009) k nut, knutje zelfstandig naamwoord.
k nutje
van Dale KNOT - bosje ineengedraaid en opgestoken haar
knuts e
koebak houten voerbak voor de koeien
Schilderij van Willem Roelofs - Koeien drenken (detail)
Mar nie dek me van n bietje nat laot koeijeneere... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) Iemes die ons goei vuraawerkes platgebraand en doodgekoeieneerd hee... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
tand van een koe
koejhaomer
K oejmèrt toponiem gedeelte van de Heuvel tussen Spoorlaan en Telegraafstraat koejmis koemest
koejstal
koejstaok
koejstr èùf koestront Kees en Bart: koejstrèuf koek, kuukske zelfstandig naamwoord. koek, koekje
verhaspeling 'van gin koeke gin blaoze weete' - van toeten noch blazen weten
pannenkoeken Soms bakte ons moeder dan ok koekebak, laoter heurde wij dè dè pannekoeken waren, mar ons moeder zeej aaltij koekebak. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
dwaas
Etalage van een kledingwinkel in Den Bosch. Foto: M. Bekkers, 2 september 2021 koekwous min of meer dezelfde betekenis als koekebakker, koekert; dwaas, dromer
koelschip
koepèèrd
koeponneke
koer speelplaats; uit het Franse 'cour', binnenplaats
Kleine advertentie in het huis-aan-huisblad De Tilburgse Koerier

koes
koeter iemand die alsmaar heen en weer loopt ook: koeterkont; onrustig, bedrijvig persoon koetere Werkwoord, zwak (onrustig) heen en weer lopen koetere - koeterde - gekoeterd
koeterkont, koeter iemand die alsmaar heen en weer loopt
En taante van me, Aldegond,/ dè was en èchte koeterkont./ Hil den dag liep ze mar rond,/ omdèsse nèrges rust tòch vond. (Henriëtte Vunderink, Taante Aldegond, uit: Tis de moejte wèrd; 2011) koeverkoot PM halflange overjas van betr. lichte stof, met onder ca. vijf naden Van Eng. 'cover' + 'coat' (covered coat = jagers-, ruitersjasje) koewe Werkwoord, zwak koewe - koede - gekoed - lange oe Pierre van Beek - roepen bij het kinderspel verstoppertje, nl. wanneer men zich veilig waant en de zoeker mag starten; vermoedelijk werd er 'Koe-oe-oe' geroepen.
koezemèm kamperfoelie, haagkers, geitenblad - Lonicera periclymenum; volgens Linnaeus: Lonicera caprifolium
Handschrift Damen 1916
Etymologisch
Voorlopige conclusie: Kamperfoelie werd in het Tilburgs 'koezemèm' genoemd omdat de buisvormige bloeiwijze deed denken aan de speen, dan wel spenen, van een koe.
mempoes: Hooge Mierde, memmenkruid: Veldhoven; Antwerps memmetjeskruid (memmekeskruid): Mechelen; Antwerps memmetjes (memmekens, memmekes): Wechelderzande; Antwerps memzuiger: Kaatsheuvel. memzuigers (ook mamzuigers): Roosendaal, Hoeven en Kaatsheuvel; zuigers: Deurne in de Peel. zuigertjes: Nispen. honingzuigers (honikzukers): Cuijk. honingbloem (ook honingblom): Baarle-Nassau en Retie. - IDEM: dat verschuiving van het beeld niet ongewoon is, mag blijken uit de benoemingen van kamperfoelie als zijnde van de geit, de koe, de poes, de haan (en diens kam), en de haas. kòffer koffer et kòffer is te zwaor (onz.; ABN: m.) Koffiekopje, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg , H. Stoepker 1986 kòffie zelfstandig naamwoord. koffie Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - de kòffie is daor mar koud (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - gezegd van een koele vrouw Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - hêete vrouwen èn kaawe kòffie is tèèdwinst ( '72) - ironische opmerking van mannen: bij beide komt men sneller tot het gewenste doel. lichte maaltijd
Beschrijving van het WBD: Tussendoortje tussen het middag- en het avondmaal. Vroeger at men dan meestal een boterham. Waardering voor Tilburg door WBD: verspreid. kòffiedrinke Praktisch uitsluitend als infinitief in gebruik; meestal ondersteund door het hulpww. 'gaon' of 'moete'. Verbuiging leidt tot letterlijke interpretatie.
drup is waarschijnlijk een verkorting van druppel


kòffievòs
k öfke verkleinwoord van 'kèùf', met vocaalkrimping kòg zelfstandig naamwoord.
kojboj, kojbojke cowboy, cowboytje
kòjeghèd, -hei kwaadheid, boosheid
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
residu (slakken) van uitgebrande cokes, nog bruikbaar voor verwarming in de huiselijke kachel Kees en Bart: kòksen Meej ons moeder meej, om kokse te gaon raope op de gasfebriek. Ge kréégt dan zon harkske in oew haand, daormee moeste gij tussen de sintels de nog gloeiende kokse apart rèève. Asse afgekoeld of bekaant koud waren, moeste ze in enne baole zak doen. Ons moeder kosse wij nie bijhaawe. Fèèn wèèrk waar et ôk nie. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) Advertentie voor de verkoop van cokes door de 'gasfabriek'; Nieuwe Tilburgsche Courant 1905 Bericht uit de Nieuwe Tilburgsche Courant, 16-1-1920 [H.L. = hectoliter] Advertentie uit de Nieuwe Tilburgsche Courant - 3-12-1921 Ingezonden brief over de prijs van cokes in Tilburgsche Courant 13-2-1902 kòkseklòppersstèm zelfstandig naamwoord

kòkske kokt werkwoord, persoonsvorm kookt 2e + 3e persoon enkelvoud en 2e persoon meervoud tegenwoordige tijd van 'kooke' Cees Robben: Et waoter kókt al. Cees Robben: Mèn vrouw kókt van kaojeghèd ak zat ònkoom Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): twaoter kókt al kòl, kol zelfstandig naamwoord.
Ill.: Naumann - kölder k ölder vogel: wulp (Numenius arquata)
Cees Robben - ...kölders die bij vennekes/ wè vruuten in t vuil... (19600708)
kò lder, kòlst kaler, kaalst
comparat./superlat. van 'kaol, met vocaalkrimping kòldèùf Houtduif - Columba palumbus palumbus
ES 2012: Tilburg: vliegende rat kòl jakker, kaoljakker onbemiddelde man die dit poogt te verbergen door heer te spelen
kollesaol kolossaal K- Dialectenquête 1887 Willems - kollesaol Cees Robben: ene kollesaole niemendal
kòl loosieke


k oltje verkleinwoord van 'kôol', met vocaalkrimping Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - as ge en kóltje hèt, wilde en törfke teege ('84)-geld trouwt graag geld Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - die en törfke brèngt, kómt en kóltje teege ('50) - geld trouwt graag geld.
k öltje
verkleinwoord van 'kèùl', met vocaalkrimping
Dan mòkte we in et midde vant bòrd in de boerekôol en költje om de sjuu in te doen. Èn dan mar britse, meneer. Lèkker! Èn dabbe, èn prakke. Gin gepielie. Spaoje! (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
költjeknikkere Kom, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg , H. Stoepker 1986 kom, kummeke, kumke zelfstandig naamwoord. kom sauskummeke
k omaaf afkomst, afstamming
Cees Robben: zôotie zeej, is ie van hôoge kómaaf;
Stadsnieuws: Dèsser wèl êene van goeje komaaf, mar ik weet nie waor et meej em nòrtoe gao - Die man heeft wel zijn familie mee, maar ik maak me zorgen om zijn toekomst (060808)
kombineetje bepaald kledingstuk: rok en blouse en eventueel jasje van dezelfde stof Naar Franse 'combiner' ES 2012: kombineeke
commanderen - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Kommendeert oewen hond èn blaft zèlf Gezegd wanneer je niet gediend bent van de orders die de ander uitdeelt
douanebeambte, grenspolitie Hij waar aaltij smokkelèèr gewist en hil wè aachternao gezeete gewist dur de kommieze, aggem wot gelêûve. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) kompelemènt, komplemènt zelfstandig naamwoord uit Frans 'compliment' groet (door bemiddeling van een derde), gewoonlijk in het meervoud De kómplemènte van óns moeder èn òf dè ge... (inleidende formule, vooral men (iets van) de aangesprokene nodig had)
S.G. blz. 86, 111, 113, 182 (aant. Witters)
compagnie
computer
komvort Pierre van Beek - kind dat nauwelijks kan lopen en derhalve aan de hand van een (ongeduldige) moeder wordt voortgetrokken
Dere meens òf kammeraod lopt naa vort aachter de waoge meej en plat kèènd èn, asse en bietje opgeschoote hèbben aachter de bèddeplaank, ok nòg meej ene komvort dernèffe. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2007) Bosch komvortkeind - dreumes die pas heeft leren lopen
konferènsie
konfrènsie
konnegin koningin Cees Robben: de medòllie die ik van de konnegin gekreegen heb
contact, sociaal verkeer
konnekteur conducteur
Liedtekst over de sloop van de Koningswei; uit een Tilburgs liedschrift van Toos van Poppel-van Es.
koninkje; verkleinwoord van konning
konsieènsiestòpper grote, dikke, propperige aardappel

Handschrift Daamen ES 2012: Het woord, zoals door Daamen opgetekend, staat nog steeds in Van Dale, en is in feite geen dialectisch woord. Het heeft echter wel een bijzondere voorgeschiedenis. Het betekent zoveel als iets waarmee men het geweten (conscientie) sust, of gewetensnood tegengaat. het begrip is waarschijnlijk pas een aanduiding voor aardappelen geworden met de publikatie van het boek 'Zes jaren te paard. Herinneringen uit het Hollandsche Dragonderleven' van P. Dekker jr. (1852). Dekker hekelt daarin zeer fel de wantoestanden in het Nederlandse leger. Het boek zelf heb ik niet kunnen inzien, wel een bespreking ervan, waaruit het volgende: "... er [worden] daadzaken in aangevoerd, zoo als omtrent de voeding b.v.; bij wier behandeling verzwegen is den invloed van den hongersnood, door 't mislukken van den aardappeloogst, toen een tijd lang goede aardappelen en zelfs goede erwten niet te bekomen waren, zonder met goud te worden opgewogen..." (Vaderlandsche letteroefeningen, anoniem, 1852) Dekkers schotschrift riep een reactie op: 'Inspectie over de zes jaren te paard etc.' (1852), waarin J. H. Burlage een tegengeluid laat horen. Onder andere met een passage waarin een officier zijn manschappen juist beschermd heeft tegen het opdrijven van de aardappelprijs: '...den officier [...] die bij de keuring der aardappelen (consciëntie-stoppers, zoo als gij ze noemt), er zich geene consciëntie van maakte, op de publieke markt, zijn leverancier den degen in de ribben te draaijen, woedend tegen den bedrieger, die zijnen soldaten te kort had willen doen? In mijn tijd noemde men die consciëntiestoppers "patrassen," en na 5 dagen dienst, kon ik ze "jassen"...' kont, kuntje zelfstandig naamwoord kont, achterwerk
Het verkleinwoord is
Uitdrukkingen e.d.
J- an Naaijkens - Jos was de goedheid zelf, zo iemand waarvan men zei: "Hij zo zn kont weggeve en zelf dur zn ribbe schèète". (Het dorp van onze jeugd, 1999)
Samenstellingen ik kos verstaandig meej der praote. Et waar gin giechelkont. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
Andere betekenissen
kont ènd
kon tènt , ke tènt
kontenuu onafgebroken, (textiel) deel van het 'assòrtiemènt
kontfrèùt

achterwerk
kontkrèùpe
kontkrèùper vleier
Dichterlijke definitie door Frans Hoppenbrouwers (CuBra), uit: Kempische karakters: Kontekrùiper 'n Kontekrùiper houdt van slijmen, wil een wit voetje bij het groot, z'n maten schopt hij in de goot: hij weet dat kennelijk te rijmen. kontspier sluitspier
kontwèèrek achterwerk van een rund Audio-opname 1978 - Dan sneede gij zak zègge van aachtere, boove de koej wier dè durgeslaon, zak zègge, dè kontwèèrek zogezeej, dòr aachter witte wèl, èn dan, jè, dan moeste diejen ènteldèèrem deröt haole èn dan lòsmaoken èn doen èn dan viel er hil dieje pèns, die viel in êene keer in diejen bak neer! (- Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013) Illustratie uit Handboek voor de slager ; 1956; onder hoofdredactie van J.W. Baretta,een uitgave vanwege het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. koogel zelfstandig naamwoord. kogel
kôoj, kôojke kooi in diverse betekenissen bed
groep dieren
vrouwelijk geslachtsdeel
lichaamsdeel
bargoens
kôojlam etymologie onduidelijk; mogelijk: zo vermoeid zijn dat men nar het bed verlangt
kook kooksel
kooke
ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kókt; imp. kók Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): twaoter zal gaa kooke; t kókt al
kookedoores
Kokadorus-standbeeld in Amsterdam e tymologie Krantenkop van een artikel uit de Nieuwe Tilburgsche Courant - 3 oktober 1958
kokos-vloerbedekking - kokosmat [kookesmat]; «Nuuwe kookes komt er wèl/ akkum verinneweer» (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Op de latte) kooker zelfstandig naamwoord.



kookèt
kookwòrst
kôol, koltje kool Pierre van Beek - Wanneer we zeggen "ik zè oe zô muug as kaauw pap" dan kon je er van overtuigd zijn, dat je vertrek niet kwalijk genomen wordt zoals ook het "hij is van tel als een rotte kool bij den gruunteboer" niet als een compliment beschouwd behoeft te worden. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)
Koole Koolen, Jan Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - hij is de rèèke Jan Koole ('86) gezegd van iemand die het goed gaat (In Tilburg, Eindhoven en Middelbeers zegt men te weten wie Jan Koolen was; de figuur is echter in geheel NoordBrabant en daarbuiten bekend.)
Frans: colère - woede Den irste keer wô'k koleirig worre... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929) koolekèèr zelfstandig naamwoord.
handen Ge kost em ôk nergens aon laote draaien meej die grôote koleschoepe van em. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
koolzaad
koome komen koome - kwaam - gekoome; uitsl. stam: ik koom; dan koomet In tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij komt; gebiedende wijs: kom!
Oude verleden tijd
kòp zelfstandig naamwoord.


verkleinwoord kop, hoofd
Uitdrukkingen e.d.
Inhoudsmaat
Andere betekenissen
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. kòpbreekeswèèrk hersenwerk
köpke
waarschijnlijk het afkluiven van vlees van een dierenkop (konijn?) alleen aangetroffen op:
kôopman koopman Cees Robben: '... zeej d'n kôopman' köppeg bijvoeglijk naamwoord . koppig
kòppeltouwke zelfstandig naamwoord, verkleinwoord - WBD - (Hasselt) hotlijnt (een touw dat midden onder de kop van het paard vastzit aan de schudhalster; de stuurman kan er de richting mee aangeven) kòppènt zelfstandig naamwoord. Samenst. van 'kòp' + 'pènt' - hoofdpijn Ik krèèg kòppènt van dè gewèld. De groote muts blijft in de kaast: die is te zwaor, daor krège ze vort koppent van - zeggen ze - en darrum zette ze liever 'n huudje op. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929) Tis dekker gin koppènt van krèèg avvetoe van dè gedonderjaog (Jos Naaijkens; Mèn voljèère; CuBra)

kò pspaone
kopt 2e + 3e pers. enk. van 'kôope', met vocaalkrimping koopt
kòpzeel
körf, körfke 1. mand ...mee 'ne klont boter in z'ne körf en z'n hart vol zaolige liefde... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940) ...'n Klein ouwelijk juffrouwke kwaam binnen, mee 'n körf aon den erm. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 22-4-1939 8-5-1939) - Waor is de zaolige tèd gebleve dèk mee kurven vol gratis vur niks de vietemienen uit de netuur kos gaon haolen. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Pierre van Beek - mèndjes zèn gin körfkes
Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): der mèske is meej en körfke nòr et bós gegaon
2. bedstee met deurtje of klein raampje 3. figuurlijk Henk van Rijen - körf zonder zörg - zorgeloos iemand
4. achterwerk
► 'Kurf'körk kurk
korke Ons Sjaan is venaovend nòr de rippetiesie. Zis teegesworreg onder en korke bij ons in de pròchie, vur te zinge meej ötvòrten èn zôo meer van die fiste. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2006)
corner, hoekschop
kòrrel
kors koorts
Den aandre leej meej firtig kòrs/ meej griep int liddekaant. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Den êene èn den aandere)
Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ik hèb wèl kórs
Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 kòrsdaoge de kerstdagen
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. kòrsemes, kòrsmis, kèrsemes Kerstmis
't Was op een van die vriesaovenden vlak vur Korsmis. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29) Cees Robben: ene zaolege kòrsemes; meej de kòrsemes ist óppaase geblaoze;
körsje, kostjes korstje
Goed kostjes ete Fraanske, dan kunde laoter goed fluite... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)
kòrst korst
2. bijvoeglijk naamwoord, overtreffende trap van 'kòrt' kortst
kòrt kort uitdrukking : zenèège te kòrt doen - zichzelf (financieel) benadelen; zelfmoord plegen
kòrtelèt koteletten Van Frans 'côtelette', met hypercorrecte r van 'kort'.
Vur heur allêen hasse un kòrtelètje gebakken. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
Tilburgse kòrtjes - te koop (december 2021) bij Ollie's & Brandstore, Tuinstraat 106, Tilburg kòrtje kaartje
kòrtoore
kòrtstart
Haor. KORTSTART - kortstaat: paard met een gecoupeerde staart Körvel Kaart: D. Zijnen toponiem de herdgang, stadswijk Korvel Actum Tillib. 7:32 - Korvel van 'kurve'? (Smits) Actum Tillib. 7:33 - Korvel ontstaan uit Korvelo? (Vromans)
op et Körvel òf int Zaand,/ den Haajkaant òft Kedènt. (Henriëtte Vunderink, Tilbörg trakteert, uit: Tis de moejte wèrd; 2011) Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Meej Jan Sanne nòr Körvel meejgegaon Fraanske Tuurlings in de Zwijsestraot Sjèf Verbunt òn de Bredòssewèg (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels als Köllever De verwisseling van de - Informant Toine Raaijmakers - en de L (methatesis) komt vaker voor in het Tilburgs; zie: - A.J.A.C. van Delft - Een dorpel noemt hij een "dulleper"; een orgel een "ulleger"; zelfs hoort men de wijk Korvel ooit "Kullever" noemen. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929) Kees en Bart - 'Köllever', 'Kölleverscheweg' (Korvelseweg)
Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): Körvels huukske (bep. wijk)
kos(se) kon(den) v erleden tijd van 'kunne'
nevenvorm 'konne'
Koosje
kòsse
Wè zot kòsse? - Wat zou het kosten?
kösselek kostbaar, waardevol, duur en kösselek bildje - een kostbaar beeldje
kossem
kosseme konden wij Versmelting van ww-uitgang (n) met pers.vn (w) levert m op.
köster koster De köster hee dees truuk utgedocht dus gift on de köster wè vur de köster is. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)
Pierre van Beek - gezegde Ik hèb die stèm nôot geheurd, zi de köster, èn de gèèt stónd óp et koor (Tilburgse Taaklplastiek 131)
Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): de köster lèùjt vur de precèssie
Tony Ansems - Gauw 't Roozenhuuke bidde/ Die ouw vrouwkes waren snel... (De Hasseltse kapel; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008) Ed Schilders - Wij moese aatij irst de [Hasseltse] kepèl in èn n rôozehuuke bidde vurdèmme vur êen of twee cènte snuupkes mochte kôope. En ik moet zègge, dan smòkte-n-et ok beeter. Et joodevèt, de stroopseldòtjes, de dròpveeters, t zuuthout, tôoverbòlle. (Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009) Ed Schilders - Toen wonde bij t pleintje ok nòg Virginie Doorakkers. Die waar bijna hèllig, zoveul rôozehuukes as die had vurgebeeje in de kepèl. (Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009) Gerard Steijns - Toen liepeme nòg meej in de persèssie èn wier et rôozenhuudje nòg gebeeje. (Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005)
ROOZENHUUKE Roozenhuuke, perelsnoer, schoon gebed veur heer en boer. Roozenhuuke, waor 'k aon bid as ik stil en alleenig zit. 's Aovonds ritseltikte trouw ter eere van Ons Lieve Vrouw. Weesgegroetjes vijf keer tien en vijf Gloria's bovendien. Op z'nen tijd vijf Vadderonzen laot ik daor deurhenen gonzen. Weesgegroetjes van geloof, hoop en liefde die ik beloof. Weesgegroetjes van berouw via Onze Lieve Vrouw. Weesgegroetjes van geluk, blumkes die ik geere pluk. Roozenhuuke. perelsnoer, schoon gebed veur heer en boer. ròpke
ròpkoek, raopkoek Pierre van Beek - raapkoek, afvalprodukt bij het olie-maken ròpt(e) werkwoordsvorm; persoonsvorm. raapt(e)
ròs
Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'ros' zelfstandig naamwoord - graszode ròsdoek Pierre van Beek - zak onder de wagen voor paardevoer
Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hil wè in zene ròsdoek hèbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - heel wat in zijn mars hebben (Rosdoek= zak die boeren en voerlui vroeger onder hun kar of wagen hadden hangen, waarin hooi, haver, brood voor het paard zat.)
rösmis - rolploeg, eind 19e eeuw - het mesvormige rösmis snijdt de grond vertikaal, waarna de driehoekige ploegschaar de grond horizontaal snijdt - uit: Rijke oogst van schrale grond, tentoonstellingscatalogus Noordbrabants Museum, 1991 rösmis
ròsse
rösse wrijven
't Was net of Onze Lieve Heer z'n verfdoos leeggerosen hô, de liste kladdekes hier en daor nirgesmeerd, en toen bij z'n eige gezee hô: Zie zoo, ik schaai er dees jaor aaf mee verven... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)
Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rösse ww - stevig wrijven
ròssege
rössele de kachel oppoken door het rooster te schudden
roster rooster
ròszode roszode, graszode
ròt rot
Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'rot' bijvoeglijk naamwoord - rot rötje ruitje De raomen in de klas han un hèle hôop klène rötjes. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) rötjesbroek zelfstandig naamwoord
kòst eten goeje kòst - voedzaam eten
koste kon je Henk van Rijen - hoe koste erin? - hoe kon je binnenkomen?
kostbaar, waardevol
kòstgènger kostganger Kees en Bart: kôstgènger
kòt hok, krot, gevangenis
Henk van Rijen ge gaot vur et kòt kepòt - je verliest op het nippertje
k ötje
kòttegissemus catechismus - katechismus De kòttegissemus moeste van bèùte kènne. - De catechismus moest je uit het hoofd kennen. ...consciencie, dè stond in den aawe kottechiesmus en 't beteekent geweten. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940)
komt voor naast kaaw
kous kous Tekening: - Cees Robben - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. van de Ven jr., 1946 Hij [de pastoor op de preekstoel] hô 't over bloote nekken, vleeschkleurige kouskes, te duur kleer, polka haor enz., afijn, hij wô eigenlijk zeggen dè 't er vul te veul geneuk in de wereld is. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929) Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - trèk mar óp meej oew zije kouse (Daamen - Handschrift 1916) - wees maar niet zo veeleisend (zijden kousen werden door deftige mensen gedragen)
kousenbraajer
bijwoord koosjer
kraacht kracht, ook werkkracht
kraaj kraai; Corvus Tekening: - Cees Robben - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. van de Ven jr., 1946 Pierre van Beek Komt men "als Jan met kraaien naor de mert (markt)" of "mee vijgen nao Paosen" dan is men met zijn voorstel te laat. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant donderdag 11 mei 1950) Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - asser èrges êen kraaj neerstrèkt, laandt er sebiet en hêele klócht (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - waar aas is, verzamelen de gieren zich Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - en kraaj gefreeten hèbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973) - een flater begaan hebben, een verkeerde uitspraak gedaan hebben.
kraans krans Frans Verbunt - wekelijkse bijeenkomst (van pastoors)
kraanse kransen
ook in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping kraanselier sukkelaar
kraansèùl Henk van Rijen - 'kraansööl' - kerkuil (Tyto alba)
kraansvoogele
kraant, krantje krant
kruidnagel meervoud: kruinaogels
krab Pierre van Beek - Wie des avonds "zô zat as 'n kanon" is, loopt veel gevaar des morgens "zô ziek as 'n krab" te zijn, beweert men in Tilburg al is het ons niet duidelijk waarom hier nu juist die "krab" en dat "kanon" bij te pas moeten komen. . (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950) krabbe werkwoord, zwak krabben
Pierre van Beek - Waor gin jêûk is, daor krabde nie (Tilburgse Taaklplastiek 184) Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - êen katje krabt em nie (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - die is niet bang uitgevallen K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KRABBEN: de vuiligheid, onkruid en het lange gras tusschen het schaarhout uithalen, hetwelk dan tot Strausel word gebruikt.
oudere persoon die slecht ter been is
kraffele krabbelen, onbeholpen schaatsen ooverènd kraffele - overeind komen ...en toen ik wir trug gekraffeld was... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; 1988-1994. - kriffele (I:84)
Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRUIFELEN (uitspr. kröffələn ) - krabbelende kruipen (Eng. to crawl)
kram, krammetje; hechting in wond Et waar net Siendereklaos, zon witte kien hattie naa, van de pleisters dieter op geplekt zaten. Daor zaate wel tien kremkes in, zi ons moeder. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) Ill.: Naumann - kramlèèster (turdus pilaris) kramlèèster zelfstandig naamwoord
Luister naar de kramlèèster krampeere kreperen A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - krämpe.rə(n) , zw. ww. intr. 'kremperen' (met invloed van 'kramp' misschien)
Noord en Zuid, jrg. 10, 1887, p. 11 Diverse Meijerrijse woorden - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook (...) krampiere... kraog, krògske kraag
A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - znw.m. - kraag kraoke kraken Pierre van Beek - begiene te kraoke - de eerste barensweeën voelen/oud worden
Cees Robben - Ge hèt den hillen dag mar vórt te doen dè oew naoj kraoke; kraokend;
Dialectenquête 1887 Willems - kraoke - kròkte - gekròkt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kròkt OT 72:196 kraaken: zyn wyf begint te kraaken = 'zijn vrouw toont de voortekenen van de naderende bevalling'
A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - zw.ww., intr. - kraken Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 1992 - kraoke ww - kraken
kraol kraal A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ik zal oe kraolekes geeve

kraom, kròmke kraam, kraambed; marktwinkel Cees Robben - en vrouw int kraombèd; Èn as ons moeder dan in de kraom laag, kwaam de femielie èn de buurt meej de krommen èèrem. Die bròchte dan vur heur in der körf ammòl lèkker spul meej om òn te stèèrke. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2001)
A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - znw.vr - kraam; dem. 'kromke(n)' Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRAAM znw.o. en niet v. 1) marktwinkel; 2) bevalling van een kind
kraome kramen, bevallen, verlost worden
kraome - kròmde - gekròmd; ook in praes. vocaalkrimping: gij/zij kròmt
kruimeltje
krèmmelkòtje Pierre van Beek - te klein woonhuis (voor een gezin) Henk van Rijen - 'krèmmelkòtje' - klein, miezerig huisje Frans Verbunt - 'krèmmelhökske' - klein vertrek
Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KREMMELKOT znw.o. - nauwe en belemmerde woning, waar men niet dan al kremmelende kan binnengeraken. k rèmpeg
kram, krammetje; hechting in wond Et waar net Siendereklaos, zon witte kien hattie naa, van de pleisters dieter op geplekt zaten. Daor zaate wel tien kremkes in, zi ons moeder. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) Ill.: Naumann - kramlèèster (turdus pilaris) kramlèèster zelfstandig naamwoord
Luister naar de kramlèèster krampeere kreperen A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - krämpe.rə(n) , zw. ww. intr. 'kremperen' (met invloed van 'kramp' misschien)
Noord en Zuid, jrg. 10, 1887, p. 11 Diverse Meijerrijse woorden - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook (...) krampiere... kraog, krògske kraag
A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - znw.m. - kraag kraoke kraken Pierre van Beek - begiene te kraoke - de eerste barensweeën voelen/oud worden
Cees Robben - Ge hèt den hillen dag mar vórt te doen dè oew naoj kraoke; kraokend;
Dialectenquête 1887 Willems - kraoke - kròkte - gekròkt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kròkt OT 72:196 kraaken: zyn wyf begint te kraaken = 'zijn vrouw toont de voortekenen van de naderende bevalling'
A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - zw.ww., intr. - kraken Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 1992 - kraoke ww - kraken
kaneel nog geen Tilburgse bewijsplaats Noord en Zuid, jrg. 10, 1887, p. 11 Diverse Meijerrijse woorden - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook van (...) krenél ... krèng zelfstandig naamwoord
3) scheldnaam voor dieren en menschen A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - znw.vr. - kreng, lastig, onhandelbaar paard of mens. Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRENG znw.v. en niet o. -oud, mager peerd; fig.: magere, kleine krènk
k rèntebölleke klein krentenbroodje (eenpersoons)
krèntemik
krèp karbonade; crêpe, (gekroest weefsel) Cees Robben - ...of wilde krep... (19550205)
Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; 1988-1994. - kripke spek (I:50) C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KREP (krèp) m - carbonade (ook: kermenèèj), deel van het geslachte varken dat naar de pastoor gebracht wordt. A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - krap, zelfstandig naamwoord vrouwelijk - karbonade met twee, drie, soms vier ribben aaneen.
Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KREP of KRIP zelfstandig naamwoord mannelijk - snede spek of hesp krèp pôot
crèche, kinderdagverblijf
Toponiem; het Krijthuis, onderdeel van Den Eùlevlucht, op Korvel Krijthuis (?)
Willem van Mook
krèùd, meervoud kruije sintjaakòpskrèùd - kruiskruid - senecio hoefkrèùd - klein hoefblad - tussilago farfara boerewörmkrèùd / tanacetum vulgare sintjanskrèùd - sedum telephium kruid, 'toekruid' bôonekrèùd - bonenkruid
251 hoefkrèùd - klein hoefblad (Tussilago farfara)
toponiem Kruiwagen-akker De precieze ligging is niet bekend Nieuwe Tilburgsche Courant 28-12-1929 Keeke van Broekhoven, anoniem





krèùjer

Waterkruik, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg , H. Stoepker 1986 krèùk, krökske 1. kruik blèkke krèùk - drinkkruikje van de fabrieksarbeider ... meej men krökske nòr et wèèrk... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ötverkôop ) 2. bijnaam, spot- of geuzennaam van een Tilburger
Cees Robben - ...Want van afkomst... n kruik.. (19561006)
Cees Robben - (detail uit Prent van de Week 19790209) Cees Robben - (detail uit Prent van de Week 19660916) Cees Robben - (detail uit Prent van de Week 19600226)
Menukaart van een Tilburgs café, Tilburg 2018.
kruikenbruiloft; de folkloristische bruiloft aan het begin van carnaval Èn dan hèmme nòg de krèùkebrölòft, de krèùkemis en et krèùkekonsèrt. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009) Carnavalspatch, 2020; foto - WTT -

spot- dan wel geuzennaam van Tilburg, met name gedurende carnaval; de stad van de kruikenzeikers

krèùkezèèk
Op een bouwschutting rond het afgebrande pand van Febo, Heuvelstraat 2018. Foto Margriet Bekkers, 2019. Afbeelding uit het 'Nuuw Tilburgs Leesplèngske' dat in 2020 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven in samenwerking met Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant en Erfgoed Tilburg. De illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn. krèùkezèèker kruikezeiker, vroeger een spotnaam voor een Tilburger, tegenwoordig een geuzennaam
'Ruud Vreeman' Ik ben geboren in Loon op Zand maarons moeder dat was ´n "kruikin". Toen ik vijftig jaar terug, hier wonen kwam. Paste ik er ook zo maar niet in. DUS: Als je nu kijkt naar "Onze Ruud" Dat is helemaal gene kruikenzeiker, die is nog "splinternuut" Ruud Vreeman komt, van boven de Kalie en ie kreeg in 't begin al flink op z´n falie. Want hij zette z'n eigen en de kruikezeiker (als symbool van de kruikenstad) flink in de kijker. en ontlokte zodoende 'n heftig dispuut. Maar Ik neem Onze Ruud dat niet al te kwalijk. Want "Onze Ruud" die is pas nuut. Als ge straks bent gesetteld in de stad van de kruiken En ge bent wat gewoon geraakt aan onze gebruiken. --Dat gaat niet van eigens-- dat gaat niet acuut-- Dan hoor je er voort bij Ruud, dan ben je niet meer nuut. ---Absoluut--- Bouwschutting. Spoorlaan, bij renovatie Rabo-bank. 2015.
Foto: CuBra 2018. V oetgangersstoplicht Willem II-straat. Bij rood laat het licht een kruikenzeiker zien, bij groen loopt hij met zijn kruik over. Het stoplicht is een kunstobject van Marieke Vromans en Irene Vermeulen. De slogan is: Nie zèèke mar kèèke. Foto: CuBra 2019.
vrouwelijke inwoner van Tilburg; minder algemeen dan 'krèùk' voor de mannen.


krèùm energie kruim, klein afgebrokkeld stukje van een of andere spijs; het zachte binnenste van brood in tegenstelling tot de korst
zegsw.' erges kröm aachter zette' - ergens kracht achter zetten.
kruimel
krèùn, kröntje bladdragende takmassa
kreune kreunen Dialectenquête 1887 Willems - kreune - krunde - gekrund - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij krunt k rèùpe werkwoord, sterk kruipen Cees Robben - 'Daor kröpt zo veul vrije tèèd in war' Dialectenquête 1887 Willems - krèùpe - krôop - gekroope - in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kröpt A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - st.ww. intr. - kruipen krèùs, kröske zelfstandig naamwoord kruis, kruisje
Cees Robben - mar dès ók men êenegst krèùs; zèède meej oew krèùs kóntènt;
A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - en krèùs - tweej krèùze Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - poepe dègge krèùs nòch munt kunt zien ('16) - m.b.t. een tiptop dametje
Frans Verbunt - èlk hèùs hee,j zen krèùs, de klèène van hout, de grôote van goud
kruisbeeld Elken aovend stond der dan wel den êene of aandere fanaat meej un krösbild te zwaaien op de prikstoel. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) krèùse werkwoord, zwak kruisen
Dirk Boutkan (1996) - verleden tijd: krèùste naast kröste (blz. 59) krèùsheer kruisheer (kloosterorde) 1929 - A.J.A.C. van Delft - "Zoolang ze vrijen, zijn het minnebroeders, doch getrouwd worden het kruisheeren." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929) 1964 - Pierre van Beek - Ja, hoe gaat het eigenlijk met die mannen: "Zolang ze vrijen zijn het minnebroeders, getrouwd worden het kruisheren". (Tilburgse Taalplastiek afl. 15; Nieuwsblad van het Zuiden, 21-10-1964) 1969 - Cees Robben - Toen we nog vreeje waarde unne echte minnebroeder... Naa zèèdevört unne kruisheer... (19641231) 1998 - Henk van Rijen - wè zèède toch ene kröösheer - wat ben je toch een bandiet!
krèùshout Henk van Rijen - 'krööshaawt' - kruishout, aftekenhaak voor timmerlieden krèùsing zelfstandig naamwoord kruising
krèùsl ènt
krèùslievenheer kruisbeeld
kruisweg Elke mèèrge liep ie, op un holleke naor de kerk. Hij ging nie naor de mis, nèè, hij deej dan de krösweg, elke mèèrge, hij ha enne kröswegmanie. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)


kruithuisje; toponiem - precieze plaats niet bekend; mogelijk verbastering van Krètshöske ( zie hier )
krib
Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRIB, KRU- Dialectenquête 1887 Willems - znw.v.- kribbe. Spr. 'Op de krib bijten' - komen als alles opgeëten is. Reclameposter voor een humoristisch theaterstuk door de Tilburgse tekenaar/ontwerper Charles Verschuuren. kribbebèèter
Figuur op een staldeur, ontstaan door het kribben van een paard. Opmerkelijk is, dat de voorstelling lijkt op een paard dat ergens overheen springt. Afbeelding uit een videoclip van een interview met Tom Waits op YouTube. Volledige clip: http://youtu.be/3FVp2ipKEJw
kribbòrsel vrouw met haar op de bovenlip
Schilderij van Osias Beert (detail) - Stilleven met krieken (kersen) - 17e eeuw kriek krekel; instrument om op te krikken; oneetbare bes; kers en z'n eugskes die blonken as krieke... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, De paoter en de kinkenduut, 1941)
C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - kriek mannelijk 1. krekel; 2. instrument om op te krikken
... 'ne witte maaidoornboom, die 's zomers vol lekkere krieken hong. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929) krieke, krikke houtskool
A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - KRIKKEN (totaal uitgedoofde) houtskool, voor vulling v. strijkijzers. Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRIK znw.v. - houtskool, inz. brandende kriekzwart pikzwart (naar een bepaalde kers, de kriek) zo zwart als een stuk houtskool
kriel
krieleke
Stadsnieuws - de boerin ha vur der plezier en tôom krielekes; vur de aajer hoefde ze et nie te doen (181006) Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRIELEKE(N) znw.o.- slag v. zeer kleine hoenders
kriemel PM kruimel
C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KRIEMEL m - kruimel kri emele Henk van Rijen - kriebelen
krikkel teer, secuur; korzelig, geprikkeld; fragiel Henk van Rijen - 'priegel' - erg klein, secuur Lozziemaoken is en krikkel wèèrk Pierre van Beek - en krikkel geval - een teer geval
Henk van Rijen - wèt is et tòch en krikkel bòske - ... een teer knaapje Stadsnieuws - Ons buurvrouw waar mar en krikkel meenske, mar kwèèke dèsse kos. (181009) Piet van Beers Naoderhaand moete nie maauwen: ...jè, dè blyft 'n krikkel ding. (With Love; 1982-1987) Piet van Beers Nòdderhaand moete nie maawe: jè, dè blèèft 'n krikkel ding. (Brabants - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - 1; z.j., ca. 2005)
Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRIKKEL bvw - oploopend, gauw gestoord, korzelig
A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - krɪkəl , bijvoeglijk naamwoord 1) licht breekbaar, teer; 2) weinig kunnende verdragen, licht geraakt.
uitroep crimineel! Die is wèl getrouwd! Mee 'n dochter van Door de Vries en dè wit-ie-zelf ook, want ie hee twaalf gegooid hurre! Krimmeneel wen vrammes is dè! (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

krimpe krimpen krimpe - krómp - gekrómpe Dirk Boutkan (1996) - (blz. 27) in 2e pers. en 3e pers. enk. presens wordt in het cluster mpt de p verzwegen. krint, krintje zelfstandig naamwoord krent
Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - Ge kunt meej de fiets van dêen krint nòr daander. variant- zie beek A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - znw.vr - krent
krentenbol Piet van Beers Griepepidemie: Èn ene zak meej krintebolle... (Spoeje doemmeniemer; 2009) krintemik zelfstandig naamwoord krentenbrood
Cees Robben - ...in dn krintemik gebakke... (19681108) - Cees Robben - n krintemikske (19540731) Frans Verbunt - 'krèntemik' Piet van Beers Advertènsies leeze: oover taarte, brôod èn oover krintemik. (Spoeje doemmeniemer; 2009) Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 1992 - krintemik zelfstandig naamwoord - krentebrood k rispendènsie zelfstandig naamwoord correspondentie, briefwisseling De krispondentie mee oome Teun waar veuls te eenzijdig om lang schoon te kunne staon... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Naor oome Teun; Nieuwe Tilburgsche Courant 24-2-1940) A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - krɪspəndänsi , zelfstandig naamwoord vrouwelijk - korrespondentie
kroefelen, waarschijnlijk een variant op kraffelen, krabbelen, vooral op schaatsen
krògske kraagje verkleinde vorm van 'kraog', met vocaalkrimping krökske zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm kruikje Cees Robben - ik vulde steeds men krökske Cees Robben - ons drinkeskrökske waar ok blauw ...wörom dan gin blauw krökske? (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Tis allêen de naom) Nieuwe Tilburgsche Courant 3-6-1904 (volledig bericht) kròkstêen zelfstandig naamwoord vruchtenpit
Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRAAKSTEEN (uitspr. krokstieën) zelfstandig naamwoord mannelijk - kerse- of kriekesteen (uitspr. ook: kroksteen)
kròkstoel
kròkte kraakt(e) Cees Robben - et körsje kròkt in mene mónd 2e + 3e pers.enk.tegenwoordige tijd van 'kraoke', resp. verleden tijd kròlstart zelfstandig naamwoord
A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - zelfstandig naamwoord mannelijk - staart die krult 'enen hond m'ne krolstart'.
krò ltje Henk van Rijen - kraaltje Dirk Boutkan (1996) - (blz. 95) ik zal oe kròltjes geeve
krom; dat wat niet recht is; gebogen; in de volkstaal zeer vaak gebruikt om vergroeiingen van lichaamsdelen aan te duiden; daarnaast als bijnaam die naar het gebrek verwijst, en dan niet noodzakelijk als spotnaam 1. Niet recht
2. verwijzend naar een lichamelijk gebrek, een lichamelijke onvolkomenheid
2.1. Gebrek aan de voet
2.2. Gebrek aan de benen O-benen, X-benen
Stien Ollie - foto Regionaal Archief Tilburg
Pierre van Beek - Avonden achtereen daverde door de zaal van de Liedertafel aan de Willem IIstraat het schone lied: "Hebt ge kromme benen,/ Jicht of reumatiek,/ Ga naar Sequah henen,/ Die geneest je met muziek." (Het Nieuwsblad van het Zuiden - donderdag 18 maart 1971; Dokter Sequah - Charlatan zet Tilburg op stelten - Staaltjes van kwakzalverij in de vorige eeuw.)
Jo van Tilborg; uit: Kosset den brèüne eigeluk wel trekken 2, 2007)
► <span style="font-size:12.0pt;2.3 Gebrek aan de rug, veroorzaakt door zwaar werk
2.4 Gebrek aan de neus
2.5 De overtreffende trap van krom Keeke van Broekhoven; illustratie bij het artikel van Lambert de Wijs
3. om uitwerpselen aan te duiden
4. toegepast op dieren
5. voor geldgebrek in de uitdrukking 'krom staon' = slecht bij kas zijn
kraon, kròntje kraan
kredietjas zelfstandig naamwoord slipjas, gedragen door mannen bij kerkbezoek
Pierre van Beek en de "credietjas" aan (we vermoeden, dat hiermee een slipjas of "billetikker" bedoeld wordt) naar de kerk zijn gegaan. (Tilburgse taalplastiek 14 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 23 mei 1950) krêeg kreeg Dirk Boutkan (1996) - ik krêeg/kreeg, wij krêege/kreege, enz. (blz. 77) verleden tijd v. 'krèège'; soms apocope van g: toen krêede niks
Henk van Rijen - ge krêet et vur en spaawke - je kreeg het bijna voor niets
krèège Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 krijgen krèège - krêeg - gekreege; geen vocaalkrimping; soms apocope van g- krèède gij? ge krèèt er gin, toen krêede niks
T-shirt met reclame voor de Kringloopwinkel Tilburg (2018) krèèmer, ook: teut Henk van Rijen - kramer, kremer, venter, koopman Dirk Boutkan (1996) - (blz. 23) 'krêemer' (kramer) Bosch kremer - marskramer
k rèèmerke spit N. Daamen - handschrift 1916 - "kraimerke - ik heb et kraimerke of te wel het schot of te wel het spit in m'ne rug (pijn die men bij den ruggegraat heeft, ter hoogte der lendenen)"
Bosch kremerke - spit in de rug Het Ned. woord wordt niet gebruikt. krèèse krijsen
Dirk Boutkan (1996) - krèèse - krêes - gekreese: wordt ook zwak vervoegd k rèèt krijt
K rèèven t toponiem Kraaiven het Kraaiven vroeger buitengebied in Tilburg Noord-West, tegenwoordig grootdeels industrieterrein - Cees Robben - Van t Krèèvent naor t Kedent is mar unne bolscheut... zisse... (19850504) kreew
krèk precies, juist, correct; zojuist, daarnet uit het Franse 'correct'; het is echter niet duidelijk hoe 'krèk' bovendien aan de betekenissen 'zojuist, daarnet' gekomen is. Een bijzondere betekenis is ook 'gezond':
Krèk heeft vele nuances: precies - gelijk - maatgevend: er is geen verschil
precies, naar believen
zojuist, heel kort geleden
om precies te zijn - precisering
maar net, zo goed als precies - en ie kwaam mar krek op tijd... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; Nieuwe Tilburgsche Courant 16-9-1939) - en dè ze heel den dag krek tien centen ha'n verteerd. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 6; Nieuwe Tilburgsche Courant 5-11-1938) net op tijd
Bronnen
kromme-arm, kromme arm in het gezegde meej de krommenèèrm lopen of gaan, met de kromme arm gaan of lopen

1 Gezegde - op kraamvisite gaan
2 Een geschenk brengen aan de pastoor, met name na de slacht van het varken
Cees Robben - detail Prent van de week 3 augustus 1957
Frans Verbunt - kreupel zijn k rönaogel zelfstandig naamwoord kruidnagel, 'kruinagel', 'kruidnaogel', 'naogelgrèùs' Henk van Rijen - "zèn öllie kröötnaogel pèèrs of wit?" - zijn hun seringen ...?
Bosch kruinagel - kruidnagel, seringen A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - znw.m. - kruidnagel, sering Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; 1988-1994. - kruinagels (I:74) Jan Stroop, Sprekend een Westbrabander, 1979, 1981 - krönaogel (I:109)
krontje kroontje k ròntje zelfstandig naamwoord verkleinde vorm kraantje
Cees Robben - men neus lópt as en kròntje; verkleinde vorm van 'kraon', met vocaalkrimping kröntje Henk van Rijen - kruintje k rontjespèn zelfstandig naamwoord kroontjespen krôon, krontje zelfstandig naamwoord kroon bladdragende takmassa; alle boomtakken samen
Cees Robben - Wie krèègt laoter den grótsten krôon in den heemel?
krôone kronen krôone - krónde - gekrónd ook in tegenwoordige tijd vooaalkrimping: gij/hij krónt k rôop kroop verleden tijd van 'krèùpe' kroot zelfstandig naamwoord kroot, biet Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - as ge krooten it dan kakte bloed (JM'50) - het is je eigen schuld
krop van een vogel, met name van een duif
Vunderink - òf vroolek soms ge-èèrmd, èn ok bij toere/ stòn ze mekaaren öt de kròp te voere. (Henriëtte Vunderink, Raoze mòndag, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
tarwebrood met zemelen, zemelenbrood
k röpt persoonsvorm; tegenwoordige tijd 2e + 3e pers. enk. van 'krèùpe' kruipt
k rösbild kruisbeeld
Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRUISBELD znw.o. - kruisbeeld
kruisbeeld Elken aovend stond der dan wel den êene of aandere fanaat meej un krösbild te zwaaien op de prikstoel. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) krèùse werkwoord, zwak kruisen
Dirk Boutkan (1996) - verleden tijd: krèùste naast kröste (blz. 59) krèùsheer kruisheer (kloosterorde) 1929 - A.J.A.C. van Delft - "Zoolang ze vrijen, zijn het minnebroeders, doch getrouwd worden het kruisheeren." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929) 1964 - Pierre van Beek - Ja, hoe gaat het eigenlijk met die mannen: "Zolang ze vrijen zijn het minnebroeders, getrouwd worden het kruisheren". (Tilburgse Taalplastiek afl. 15; Nieuwsblad van het Zuiden, 21-10-1964) 1969 - Cees Robben - Toen we nog vreeje waarde unne echte minnebroeder... Naa zèèdevört unne kruisheer... (19641231) 1998 - Henk van Rijen - wè zèède toch ene kröösheer - wat ben je toch een bandiet!
krèùshout Henk van Rijen - 'krööshaawt' - kruishout, aftekenhaak voor timmerlieden krèùsing zelfstandig naamwoord kruising
krèùsl ènt
krèùslievenheer kruisbeeld
kruisboog, vereniging van kruisboogschutters
kröske kruisje; eindstadium van de H. Mis: Bij et kröske de kèèrk öt gaon
kruisje-nulletje
kröskestèèreve iets beloven; onder kinderen! een 'eed' afleggen met twee gekruiste vingers, middelvinger over ringvinger. Meestal eerst als vraag gesteld, waarna degene die iets 'zweert' het woord als uitroep herhaalt. Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - varianten op 'kröske stèèrve': kröske stèèrven èn hónderdduuzend èèzere bótterammen ópeete ('70) (Als dat niet klopt, eet ik mijn pet op '70)
kröspunt kruispunt Dirk Boutkan (1996) - (blz. 33) 'krèùspunt' (er kan klinkerverkorting optreden) krösweg zelfstandig naamwoord kruisweg, de veertien staties in de r.-k. kerk Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - kèèken as en hèllegebildje dè van de kröswèg is gevalle (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971)- beduusd kijken
Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KRUISWEG zelfstandig naamwoord mannelijk - de afbeelding van de lijdensweg van Jezus k röwaoge Henk van Rijen - kruiwagen, 'kreugel' K rucht , De zelfstandig naamwoord, toponiem, onderdeel van De Uilenvlucht, op Korvel - Krucht is hier waarschijnlijk een verbastering van krocht, bedoeld als benaming voor een primitief of verborgen bouwsel Willem van Mook Den Uilenvlucht was de verzamelnaam voor drie grote weverswoningen. Ze stonden zeer afgelegen, op een open veld, waar toen nog geen andere bebouwing was. Er voor, er achter en bezijden niets dan weide, heide en bossen. In bet begin van deze eeuw waren die drie huizen tot ruines vervallen en toch woonden er toen nog mensen in. Het Kretshuis was het voornaamste van de drie. De Keet en de Krucht waren dépendances van het grote Kretshuis dat in het begin van de vorige eeuw, toen Tilburg onder Frans bewind stond (1795-1813), gebruikt is geweest als Leprosie (Melaatsenhuis). Omdat er in Tilburg gelukkig geen melaatsen waren, bestemde men het voor quarantaine bij besmettelijke ziekten. (Nieuwe Brabantse novellen; 1970) Henk van Rijen - 'de Krucht' - jammer- en kreunonderkomen van leproserie 'Den öölevlucht kruije zelfstandig naamwoord; plur. van 'krèùd', met d-syncope kruiden
werkwoord, zwak kruien Henk van Rijen - de aase ötkruije - het vuile werk doen Frans Verbunt - van kruie krèède lange èèrme èn grôote neusgaote Dialectenquête 1887 Willems - kruie - krój - gekroje ik krui,gij/hij kruit A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - st.ww., tr.en intr. - kruien: 1) een kar terugduwen (door een paard), 2) molenaarsterm, 3) een kruiwagen voortduwen, 4) (van muren gezegd) wijken, een weinig uit het gelid gaan. Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 1992 - krèije ww - kruien kruijenier kruidenier 'kruidenier' met gesyncopeerde d krukke krukke - krukte - gekrukt
Henk van Rijen - (textiel) - houten vorken die ondersteboven in de grond werden geplaatst en waarop de gelijmde 'kèttings' gedroogd werden.
krukstoel
N. Daamen - handschrift 1916 - krukstoel leuningstoel krulle krullen maken; spannen Frans Verbunt - et zal er krulle! - het zal er spannen krulle - krulde - gekruld Cornelis - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - krullen ww. - behalve in de zin van 'krullen maken' ook onpers. gebruikt in de uitdrukking 'het zal er krullen' - het zal er spannend toe gaan, er zullen klappen vallen. (Van een wateroppervlak dat rimpelt?)
krupsie kwaal van Franse 'corruption' = kleine kwaal, ziekelijke gril, treurige toestand van lichaam en geest. Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - aaltij krupsies hèbbe (We '37) N. Daamen - handschrift 1916 - "krupsies - hij hee aaltij allerlei krupsies (kwalen)"
kruisweg Elke mèèrge liep ie, op un holleke naor de kerk. Hij ging nie naor de mis, nèè, hij deej dan de krösweg, elke mèèrge, hij ha enne kröswegmanie. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)


kruk, onhandig persoon
Henk van Rijen - kruimel uit: Kroniek van de Kempen 1994
Crucifix Waarschijnlijk een contaminatie van crucifix en kruisje.
kuieren, ontspannen lopen, wandelen; met name na de maaltijd
kulleke Zegsman Ad Vinken - klein kind (vertederend) Zegsman Ad Vinken - wèdist tòch en kulleke, war S&S KUL: klein, nietig ventje: e kulleke van e manneke (Corn. II 97)
Bosch kulleke - liefkozend woord voor een klein kind k ullevoe fopperij
Kommetje zonder oor , aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg , H. Stoepker 1986 kumke 1. kommetje
Dirk Boutkan (1996) - (29) kwalitatieve mutatie: kom - kumk; (51) kumke/ kummeke Mar mijnheer, vat toch nog 'n köpke koffie, 't zijn zoo'n kleine kumkes, 't is de moeite nie werd. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939)
C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KUMKE o - kommetje, vooral: koffie- of theekopje zonder oor. Bosch kumke - kop of kom zonder oor. 2. plant
De gewone waternavel (Hydrocotyle vulgaris) is een moerasplant die behoort tot de klimopfamilie (Araliaceae). Waternavel
kuieren, langzaam wandelen, een ommetje maken Op de Spoorlaan is 't mistal nie druk en as ge daor dan hillemol op oe eentje te kuieren lopt... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)
kunne werkwoord, sterk kunnen Dirk Boutkan (1996) - kunne - kón/kós - gekund


...ze moesse doen al wè ze kosse om er 'n stökske veur te steke... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939) ...die twee kosse mekare nie zoo goed lije, ziede... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; Nieuwe Tilburgsche Courant 1-10-1938) Daor waren lollige bij, die goed kosse koken en dieter niks van bakten. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - dè bumke zal daor moejlek kunne groeje
Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - GEKUNNEN: derde hoofdvorm van 'kunnen' kunningkòp koningskop
kunsbooter margarine Frans Verbunt - margarine Henk van Rijen - 'kunsbotter' Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 1992 - 'kunstbooter' kunsèèsbaon zelfstandig naamwoord Henk van Rijen - kunstijsbaan kunsmis zelfstandig naamwoord
kunsmisspraajer
kunstenèèr kunstenaar Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KUNSTENÈÈR zelfstandig naamwoord mannelijk - kunstenmaker
kuntje kontje, gatje
verkleinde vorm van 'kónt', met umlaut Uiteinde van een brood - als laatste afgesneden, meer korst dan brood Dan sneej ze irst de witte mik/ ènt kuntje daorvan dè kreeg ik/ De smaok daorvan vergeet ik nôot/ nao alle daoge roggebrôod. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Kèrsmes vruuger...) Bijnamen Anron van de Wiel - Maar een kroeghoudster aan de Koemarkt (dat was bij het slachthuis aan de Enschotsestraat) had een, wat A. Jacobs noemde, "partos posteriorus" dat zowat 15 cm te hoog stond. Dus heette zij Kuntje Reijnen... (Transcriptie in website HET GEHEUGEN VAN TILBURG; 2007; Bijnamen vóór 100 jaar; tekst uit manuscript van 'Postscriptum' - op basis van een manuscript in Regionaal Archief Tilburg ca. 1920, coll 370, nr. 75).
korf
kusse
vrouwelijk geslachtsdeel zowel de uiterlijke als inwendige delen worden bedoeld
vallen WNT: omkukele Ons moeder waar meej mèn op den èèrm van den onderstre tree van de trap gekukeld en ha der béén gebroken. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 ) Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. Brabantse kuukskes, gefotografeerd in september 2021 bij bakkerij Eigenzinnig in de Molenbochtstraat 46 in Tilburg. Ook verkrijgbaar in de smaak vanille. Foto: CuBra/- WTT - . kuukske verkleind zelfstandig naamwoord uit koek, met umlaut koekje
Nieuwe Tilburgsche Courant - 16 maart 1931 - Advertentie ter gelegenheid van 'Halfvasten' kuule Henk van Rijen - koelen kuure werkwoord, zwak Pierre van Beek - zichzèlf kuure - zich behaaglijk voelen Familie Willems - collectie Wim van de Wouw (CuBra) kuus, kuuske zelfstandig naamwoord naam, ook koosnaam voor een varken of een rund (koe, kalf) in Tilburg vrijwel altijd voor het varken I benaming voor varken A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - - küs zelfstandig naamwoord mannelijk - 2) varken
N. Daamen - handschrift 1916 - "kuus - varken"
Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; 1988-1994. - kuus (V:62) Jan Stroop, Sprekend een Westbrabander, 1979, 1981 - kuus (1:27)
A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - küs zelfstandig naamwoord mannelijk - 3) (van mannelijke personen gezegd) lompe, ongemanierde kerel. III Tilburgse bijnamen
I- Informant Ad Vinken; benaming voor een rund kuusèèrepel zelfstandig naamwoord, meervoud voor varkens gekookte aardappelschillen; ook wel kleine, nietvoor menselijke consumptie geschikte aardappelen
k uuskalf
kuuske varkentje
Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - ik maag er nòg wèl zèèn, war, want de kuuskes zèn der ôok (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - gezegd door iemand die van zichzelf vindt dat hij er voor zijn leeftijd nog goed uitziet. C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KUUSKE o - jong varken, kalfje
kuusvoejer varkensvoer kuute tussenwerpsel
C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KUUTJE v - jong varken, kalfje k waam, kwaamp werkwoord, persoonsvorm kwam WTT 2003 - de p verschijnt blijkbaar vooral als het volgende woord met een klinker begint Cees Robben - In de schônste stad van t laand/ kwaam... En mee gin lege haand/ Tôôntje... Prent over de geboorte van de 127.000ste Tilburger, genaamd Tôôntje van Zundert. De schonste stad van et laand is de volksnaam voor Tilburg. (19540213)
k waanse l Pierre van Beek - vloeibaar voedsel, in het bijzonder bier, van slechte kwaliteit
Carnavalsvignet met het motto 'Kwaansele zo sund zèèn'. Kees Kruik, getekend door Luc Verschuuren. Uit: Kees Kruik Kronieken, 2022. kwaansele, kwaanselbier In het Tilburgs vrijwel altijd: morsen met vloeistof, in het bijzonder bier. Het werkwoord overleeft vooral in de samenstelling 'kwaanselbier', waarmee niet zozeer 'gemorst bier' wordt bedoeld maar bier van inferieure kwaliteit, of schraal bier. Etymologie
Het "kwanselbier" was de bijeengekwanselde kliekjes, die in de glazen waren achtergebleven. Had de herbergier ook daarvan een vat vol, dan ging het naar den brouwer terug. Deze goot dat niet weg, doch verzamelde het na voorzichtig overgieten in een grooter vat of okshoofd. Dan begon het opnieuw te gisten (melkzuurgisting) en na een tijdje was het geheel verzuurd en werd dan gebruikt als "snijbier", waarmede het versch gebrouwen bier werd versneden. Dit versneden bier werd verkocht onder den naam "oud bier". (Nieuwe Tilburgsche Courant 22-1-1935; Uit vroeger dagen: Het bier en de folklore 1) (Van Aajkes tot Zaandkeul, 2012, hoofdstuk Dabbe) 1 - knoeien met bier Naa waar de maot vol bij den örgenist, hij sloeg mee z'n vuist op de taofel en de bitterkes begosse te daanse en te kwaanselen op taofel... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; Nieuwe Tilburgsche Courant 8-10-1938)
2- het heen en weer bewegen vloeistof in een kan o.i.d. heen en weer bewegen; zwalpen, walsen, ook klotsen
3. moeizaam lopen, zwalken
4. vergooien, verspillen
5. verspillen met ruilhandel
kwanselen: voortdurend zijn goederen ruilen of verkopen.
kwaant
kwaast, kwasje
kwak, kwèkske grote hoeveelheid
kwakke
Ill.: Rolf Janssen kwakkel kwartel Hij is zoo doof as 'n kwakkel! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939) ...hij waar zoo doof as 'n kwakkel en ha niks geheurd. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; Nieuwe Tilburgsche Courant 10-12-1938) Henk van Rijen - kwartel (Coturnix coturnix); ook 'kiekemeda, kiekemedie'
kwèbke kleine kwab(be) Henk van Rijen - Et lèste kwèbke öt de maand - de laatste dochter uit een gezin.
Berberis vulgaris kwee, kweej 1. planten
Cydonia vulgaris - Köhlers Medizinal-Pflanzen in naturgetreuen Abbildungen und kurz erläuterndem Texte; Franz Eugen Köhler (1883-1914) 2. vogel Henk van Rijen - keep (vogel) (Fringilla montifringilla)
Fringilla montifringilla 3 . koe
kweek kweekschool
Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel. kwèèk 1. schreeuwerig, plat vrouwspersoon; schreeuwlelijk
2. grote mond N. Daamen - handschrift 1916 - n'groote kwaik opzetten (n'groten mond)"- Informant Toine Raaijmakers - Houdt oewe kwèèk! "Jongens, haawt oe kwijk," riep Graard, "'t spul begient!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 27-1-1940 17-2-1940) Pierre van Beek - en grôote kwèèkerd ópzètte - een grote mond opzetten (kwèèk?) A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - hij zètte zen kwèèk oope - hij zette zijn strot open, schreeuwde hard Stadsnieuws - As die kwèèk der kènder roept, kundet in Gôol heure. (219307 Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWÈÈK znw.v. - in de lage taal: mond. Houd oe' kwèèk! C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KWÉÉK v. - grote mond, vooral in geopende toestand. Bosch kwèèk - grote mond
3. vogel N. Daamen - handschrift 1916 - "kwaik - geep (vogel)"
Afb.: Naumann: braamsluiper sylvia curruca kwêek persoonsvorm verleden tijd van kwèèke huilde, schreeuwde
kweeke kweken
kwèèke kwaken, schreeuwen, schreien, huilen, roepen, zingen kwèèke - kwêek - gekweeke vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij kwèkt 1. schreeuwen, hard praten, roepen
2. huilen
3. zingen
kwèèker(d) schreeuwer(d), schreeuwlelijk Pierre van Beek - iemand die hard roept of schreeuwt
Henk van Rijen - ene grôote kwèèkerd opzètte - een grote mond hebben
Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWÊKER zelfstandig naamwoord mannelijk - soort van vink die niet zingt of slaat als de andere. kwèèkmèdje zelfstandig naamwoord Frans Verbunt - lid van meisjeskoor kwèèle werkwoord, zwak kwijlen
kwèèle - kwèlde - gekwèld, met vocaalkrimping; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kwèlt kwèèlebalk Henk van Rijen - slijmerd, huichelaar kwèène werkwoord, zwak kwijnen Dialectenquête 1887 Willems - kwèène - kwènde - gekwènd ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kwènt wègkwèène - niet goed groeien (van planten); 'nie tiere'
toponiem




kwaklocht
kwakpôot N. Daamen - handschrift 1916 - "kwakpoot - vrouw met wat zwaren gang" kwalm zelfstandig naamwoord walm
kwansèùs waarschijnlijk ontleend aan het Oud-frans. De etymologie is niet definitief vastgesteld. In de Tilburgse bewijsplaatsen: alsof er niets aan de hand is, terloops, tussen neus en lippen door
kwaoke kwaken
kwaol, kwòltje kwaal
kwart zelfstandig naamwoord
kwartier
muntstuk van 25 cent
kwast, kwasje kwast
kwatse praten over niet al te belangrijke zaken, vergelijk Engels 'small talk', gezellig praten, keuvelen Henk van Rijen - onzin vertellen (Duits: Quatsch) Frans Verbunt - kwatspraot is ok praot Ontleend aan het Duits: QUATSCHEN = kletsen, een kletsend geluid maken kwatsert zelfstandig naamwoord Henk van Rijen - kletskous, praatjesmaker
Vergelijk Duits: QUATSCHKOPF = kletskous, bazelaar kwatske
kwatspraot Frans Verbunt - kletspraat Frans Verbunt - kwatspraot is ok praot Sticker van een Tilburgse carnavalsvereniging onder een knop op een voetgangerslicht. De tekening van links naar rechts: een kruik, Heuvelse kerk, Interpolisgebouw, West Point. Foto's CuBra 2019.
bankje waarop je met elkaar gezellig kunt praten Foto: CuBra 2018. 'Bèngske' bij het Paleis Raadhuis in Tilburg. kwatta zelfstandig naamwoord reep chocolade ene kwatta van Tjòklat ze hèbben ammòl ene kwatta gehad van siendereklaos naar de merknaam 'Kwatta' kwattastrôojsel zelfstandig naamwoord chocoladehagel, hagelslag


Gebroek, zin wij vruuger aaltij hè, die kwèbbe dan, dè moeras, hè. [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]



kwèbbel
kwèèt kwijt
A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ze is de hèlft van der rôome kwèèt Veiligheidscampagne tegen inbraak tijdens carnaval. Gemeente Tilburg. Frebruari 2019. Foto: CuBra. kwèètspeule Henk van Rijen - verliezen, verspelen Stadsnieuws - Ik hèb zoveul kwèètgespuld dèk wir op men zaod zit (150309) - Ik heb zoveel verloren dat ik weer terug ben bij mijn oorspronkelijk ingelegde geld. kweezel zelfstandig naamwoord 1. overdreven vrome vrouw N. Daamen - handschrift 1916 - "kwezel - halve religieuse - Norbertus-kwezels enz." De deugd weegt zwaor in de weegschaol", zee kwezelke Van Hest... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939) Pierre van Beek "Een kwezel, 'nen ezel en 'nen notenbôom moeten slaogen hebben" getuigt ook niet van sympathie voor de kwezel, die zich hier in een zonderling gezelschap bevindt. Zo men weet worden noten niet geplukt of geschud als bijv. appels, maar afgeknuppeld. Hier is het slaan dus op zijn plaats. 'n Ezel behoorde het volgens de dierenbescherming zeer zeker niet te moeten ondergaan maar helaas hij krijgt wel eens slaag en de kwezel verdient het naar de volksmond blijkbaar. (Tilburgse taalplastiek 8 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 25 maart 1950)
Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - bij de kweezels moete gin rôozekraanse kôope, want die bidde zèlf te gèère (JM'50) - zaken die iemand zelf gebruikt, moet je niet proberen in bezit te krijgen. Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - tis en spurriekweezel ('71) - een kwezelachtig meisje dat toch wel trouwen wil als 'de ware Jozef' komt Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 1992 - 'kweejzel' zelfstandig naamwoord - vrome vrouw, pannelap
2. lapje om (warme) voorwerpen mee aan te pakken N. Daamen - handschrift 1916 - "kwezel - doekje, dat aan de kachel hangt om voorwerpen aan te pakken, die te heet zijn voor de bloote handen"
3. tuinboon N. Daamen - handschrift 1916 - "kwezel - zeggen de kinderen tegen een zwarte tuinboon, als ze met groote boonen spelen" kwèkkerd
kwèkske kleine hoeveelheid; kwakje N. Daamen - handschrift 1916 - "kwekske - kleine hoeveelheid"
Henk van Rijen - wèn klèèn kwèkske - wat een klein beetje! Frans Verbunt - 'kwèkske', 'kwatske'
C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KWEKSKE (kwèkske) o. - kleine kwak, beperkte hoeveelheid van meestal kleine, gelijksoortige voorwerpen, klein genoeg om te kwikken en neer te kwakken; 'n kwèkske èèrpel. 'Een hille kwak' is 'een hel del', een grote hoeveelheid. kwèl kwijl
kwèlleke Henk van Rijen - klein beetje Frans Verbunt - slokje
Stadsnieuws - Drinkt oew tas es leeg vurdèk wir inschènk, der zit nog en kwelleke in. - ... er zit nog een koud restje in. kwèlt, kwèlde kwijlt, kwijlde tegenwoordige tijd 2e/3e pers. sing., verleden tijd van 'kwèèle', met vocaalkrimping kwènt, kwènde werkwoord, persoonsvorm. kwijnt, kwijnde tegenwoordige tijd 2e+ 3e pers.sing., verleden tijd van 'kwèène', met vocaalkrimping kwèps zelfstandig naamwoord
Stadsnieuws - Ik wòr zo kwèps van al dieje limmenaade; gif naa mar es iets stèèrekers. (200110) Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWEPS(CH) bijvoeglijk naamwoord, bijwoord - flauw, smakeloos, van spijzen kwètje zelfstandig naamwoord
Luister naar het geluid van de grasmus
toponiem, buurtschap Kwetterij, de; deel van de wijk Oerle Weekblad van Tilburg 18 juli 1867 Tilburgsche Courant 9 augustus 1874 Tilburgsche Courant 18 februari 1871 kwèttersteel veelpraatster N. Daamen - handschrift 1916 - "kwettersteel - veelpraatster"







kwiezjèèr fornuis, cuisinière vierkante kookkachel met een of meer ovens, waarop men verschillende dingen tegelijk kan koken, braden of stoven Foto: internet 2012
Henk van Rijen - 'kwiezejèèr'
Verbastering van 'cuisinière' (fr.) Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; 1988-1994. - kwiesjèère (II:66)
kwikke optillend het gewicht schatten Lòt es kwikke hoe zwaor dè't is. - Laat eens voelen hoeveel het weegt. Cees Robben - as ie is maag kwikke:
Bosch kwikke - het gewicht van iets schatten door het op te tillen Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; 1988-1994. - kwikke (I:27) Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 1992 - kwikke ww kwikken Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWIKKEN iets met de hand wegen om er de zwaarte van te schatten. A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - kwɪkə(n) zw.ww. intr. en tr. kwikken - 1) intr. omhoog gaan, opslaan (van een kar), 2) tr. (lett. omhoog doen gaan) pondus manibus examinare.
Haor KWIKKE - wegen (in het vrachtvervoer) kwikmedrilleke Henk van Rijen - klein mager vrouwtje met veel verbeelding kwikriem zelfstandig naamwoord
A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - znw.m - riem die dezelfde dienst doet als het kwikzeel. Motacilla alba kwikstèrt kwikstaart Henk van Rijen - witte kwikstaart (Motacilla alba) kwikzeel zelfstandig naamwoord
C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KWIKZEEL (kwikzee:l) o - touw, zeel, dat onder de buik van het paard door de ene berrie van de kar met de ander verbindt om het achteroverslaan te voorkomen. A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - kwɪkse.l znw.o. - zeel onder de buik v.h.paard en aan de burries van de kar vastgemaakt; dit belet het opslaan (= kwikken). kwitskwedilleke
kwòjong kwajongen, kwajongens De mister wier ziek van die kwòjóng. Henk van Rijen - 'kwòjonge, kaojjonge; (mv. kwòjong, kaojjong)'
Ook gehoord als 'kwòjonge': Ons moeder heej aatij gezeej: Gij bènt en kwòjonge! Gij zèèt verkeerd geboore! zisse dan! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]
kwòlek kwalijk
A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder dOerse taol, 1958 etc. - bijwoord 'koolijk', 'kalijk' - kwalijk, nauwelijks, moeilijk, bezwaarlijk Leo Goemans - Leuvens taaleigen, 1936 - KWALIJK - ku:lək Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KWA(D)ELIJK (uitspr. kwaoiələk, Kemp.: kaolək ) bw brasch, gramstorig, kwaad. (Kwadelijk verschilt van kwalijk) kwòltje kwaaltje Cees Robben - vur derèège èn der kwòltjes
Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal CuBra Home