p ittegbijwoord
pittig
P òssemis (dezelfstandig naamwoord
Pasen, ook wel de Paasmis
paazelfstandig naamwoord
pa, vader
Paajzelfstandig naamwoord
paandzelfstandig naamwoord
pand
paanezelfstandig naamwoord
kweek, kweekgras
zelfstandig naamwoord
Ill.: Thomé - triticum repens
paap (paopzelfstandig naamwoord
bepaalde kegel
paapke steekewerkwoord
kinderspel
Ieder speler zet een cent op een kurken stop, welke recht geplaatst wordt op den grond; een «meet» wordt op zekeren afstand (drie of vier meter) van den stop op den grond getrokken. Van daar «steekt» ieder op zijn beurt naar den stop; die beurt wordt op de volgende wijze bepaald: voorafgaandelijk «steekt» ieder speler met een groot muntstuk van aan den stop naar de «meet»; die het dichts bij de «meet» ligt, speelt het eerst. Het doel van ieder speler is den stop van af de «meet» met zijn muntstuk omver te « steken » en de centjes alzoo ten gronde te doen vallen; gelukt hij daarin niet, dan «steekt» de volgende speler op zijn beurt, en zoo voort, totdat de stop valt. Degene die de centjes alzoo verspreidt, neemt ze in zijn handen op, rammelt er eens mee, en werpt ze dan omhoog. De centen die dan « kop » vallen, zijn de winst van den opgooier: de stop wordt vervolgens weer recht gezet en de centen die let (pile) vielen, er terug op geplaatst. De beurt van «steken» is nu aan den tweeden speler, die handelt zooals de eerste; de eerste speler plaatst zich laatst; de bij het opgooien « let » vallende centen worden telkenmale op den stop gezet, en de beurt van eerst « steken » komt alzoo aan den derden speler; vervolgens aan den vierden, enz., totdat de opgezette centen alle verwonnen zijn. Het spel herbegint zoolang het den spelers belieft, met een nieuwen opzet van centen.
paaszelfstandig naamwoord
pas (van pas, te pas)
zelfstandig naamwoord
uitdrukking: in de paas staon, zèèn waarschijnlijk van pas als aanduiding voor goed passen - Cees Robben - t Was waor... / t Was in de paas... (19550402) - Cees Robben - Hij stond er heel goed in de paas... (19600701)
paasenaam
w erkwoord, zwak op of bij elkaar passen; kleding passen; betamen
- Dialectenquête Willems (1887) - paase - paaste - gepaast
- En dan: 't komt in dees geval hillemaol nie uit, dè die twee bij mekaar paase, Kareltje Vinken en de dochter van 'n keuterboerke, dè paast krek as 'nen pollepel op 'n onjeklonjefleske!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)
- Cees Robben - Dè paast nie in deez dure tijen! (19541127)
- Pierre van Beek: óp de deur paase - op het huis passen (Tilburgse Taalplastiek 187)
- Cees Robben - Bij unne Paose paast n aaike. (19540417)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - op de deur paase - opletten of er iemand binnenkomt
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - dè paast as ne pik in en weedevraaw - dat past als een bus
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - dè paast nie meej Paose - dat hoort niet met Pasen
- Brabantse Spreekwoorden, Mandos - et paast as en klèp óp en gaanzekooj (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) - gezegd van twee zaken die goed bij elkaar komen; iets dat goed klopt
- De Bont, Dialect van Kempenland (1958) - st. (pies - gepaasse(n)) en zw. (paaste, gepaast) ww., tr. en intr. - passen
- WBD II:1211 et paast goed - het past goed
- WBD III.1.3:9 'niet passen' = niet passen
- WBD III.1.3:9 'goed passen', 'precies passen' = passen (van kleding)
pachterzelfstandig naamwoord
kind (?)
padnaam
pad, weg verkleinwoord: padje, pèdje, paadje, paojke, pòjke
paddegedrèkzelfstandig naamwoord
paddepôotzelfstandig naamwoord
1. weeffout als gevolg van een gebroken kettingdraad
Leo Heerkens - Uit: De mus, Piet Heerkens s.v.d., 1939 'n Weeverke schoot... 'n Weeverke schoot eene paddevoet potjeverdie, zoo'ne paddevoet, en 't weeverke schoot eene paddevoet en de ketting die knapte kapoet. En et weeverke ketterde: potverdot potjeverdikkie wel potverdot, en et weeverke ketterde: potverdot d'r zijn er wel duuzend kapot! En de spoelen klabetterden: retteketet van krijg-de-colère, van retteketet, en de spoelen klabetterden: retteketet ge hè't er nie opgelet! En et weeverke daocht: wè doe ik er mee, wè doe 'k er verdimme-verdomme naa mee, en et weeverke daocht: wè doe ik er mee, wè doe 'k er toch mee, sakee!? Toen is er de weever aon 't kneupen gegaon, aon et knippen en knappen en kneupen gegaon, toen is er de weever aon 't kneupen gegaon mar et stuk was naor de maon. En bij iedere kneup zee ie: Potverdot, potjeverdikkie wel potverdot, bij iedere kneup zee ie: potverdot, d'r zijn er wel duuzend kapot! En de weever kwaam thuis zonder centen aon, zonder sinten en santen en centen aon, en de weever kwaam thuis zonder centen aon en ie spraak zijn vrouwken aon: "Zeg, vrouwke, ik schoot eene paddevoet, potjeverdie, zoo'ne paddevoet, zeg vrouwke, ik schoot eene paddevoet en de ketting die knapte kapoet". En 't vrouwke dè ketterde: potverdot, potjeverdorie toch potverdot, en 't vrouwke dè ketterde: potverdot, dan hebben we niks in de pot! En de kender trompetterden: retteketet, van krijg-de-colère, van retteketet, en de kender trompetterden: retteketet en gongen mee honger te bed. En ze droomden van 'ne paddevoet, potjeverdie, zoo'ne paddevoet, en ze droomden van 'ne paddevoet mar slaopen dè deejen ze goed. Ze ketterden droomende: potverdot, potjeverdikkie wel potverdot, ze ketterden droomende: potverdot d'r zijn er wel duuzend kapot!
zelfstandig naamwoord
2 stapel turf
paddevoetzelfstandig naamwoord
1. weeffout als gevolg van een gebroken kettingdraad
Leo Heerkens - Uit: De mus, Piet Heerkens s.v.d., 1939 'n Weeverke schoot... 'n Weeverke schoot eene paddevoet potjeverdie, zoo'ne paddevoet, en 't weeverke schoot eene paddevoet en de ketting die knapte kapoet. En et weeverke ketterde: potverdot potjeverdikkie wel potverdot, en et weeverke ketterde: potverdot d'r zijn er wel duuzend kapot! En de spoelen klabetterden: retteketet van krijg-de-colère, van retteketet, en de spoelen klabetterden: retteketet ge hè't er nie opgelet! En et weeverke daocht: wè doe ik er mee, wè doe 'k er verdimme-verdomme naa mee, en et weeverke daocht: wè doe ik er mee, wè doe 'k er toch mee, sakee!? Toen is er de weever aon 't kneupen gegaon, aon et knippen en knappen en kneupen gegaon, toen is er de weever aon 't kneupen gegaon mar et stuk was naor de maon. En bij iedere kneup zee ie: Potverdot, potjeverdikkie wel potverdot, bij iedere kneup zee ie: potverdot, d'r zijn er wel duuzend kapot! En de weever kwaam thuis zonder centen aon, zonder sinten en santen en centen aon, en de weever kwaam thuis zonder centen aon en ie spraak zijn vrouwken aon: "Zeg, vrouwke, ik schoot eene paddevoet, potjeverdie, zoo'ne paddevoet, zeg vrouwke, ik schoot eene paddevoet en de ketting die knapte kapoet". En 't vrouwke dè ketterde: potverdot, potjeverdorie toch potverdot, en 't vrouwke dè ketterde: potverdot, dan hebben we niks in de pot! En de kender trompetterden: retteketet, van krijg-de-colère, van retteketet, en de kender trompetterden: retteketet en gongen mee honger te bed. En ze droomden van 'ne paddevoet, potjeverdie, zoo'ne paddevoet, en ze droomden van 'ne paddevoet mar slaopen dè deejen ze goed. Ze ketterden droomende: potverdot, potjeverdikkie wel potverdot, ze ketterden droomende: potverdot d'r zijn er wel duuzend kapot!
zelfstandig naamwoord
2 stapel turf
paddewaajke(szelfstandig naamwoord
Samenstelling van 'Padde' en 'waajke'.
Bij Cees Robben (Robben en Rooms, 'De ballade van broeder Jan', 1981) vinden we: (...) Hij gaat op pad, maar 't is wel vreemd. Hij vindt geen Oel of Loven Geen Korvelshoekske of 't Zaand Geen Paddewaaikes en geen Vraand... [Warande] Geen höfkes meer en hoven. Robben had de tekst al in 1965 gebruikt in een Prent van de week met een enigszins afwijkende bewoording: Hij gaat op zoek maar t is wel vreemd/ Hij vindt geen Oel of Loven/ Geen Körvels-huukske of t Zaand/ Geen Padde-waaikes en geen Vraand/ Geen höfkes en geen hoven. (19651224) De prent gaat over de verstedelijking van Tilburg waardoor oude wijken en natuur verdwijnen.
padscheetzelfstandig naamwoord
klein gezwel aan het ooglid, gerstekorrel, strontje
- Van Delft: ziekten () die door den Tilburgschen volksmond volgenderwijs benaamd worden: "padscheet, leepoog, schurbeuk, snotvruut, prutlip, schurbek, krintenbaord, kletskop (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)
- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Dès hêel ont, zon padscheet op oew ôog - Dat is erg vervelend, zo'n strontje aan het oog. (221210)
- Mar as ge unne stinpöst op oewen dèrriejèère had, èn as bidde nie hielep, dan moeste bij t feitvrouwke van Van Hees zèèn. Die mòkte dr èège zallefkes. Vur pöste, èkseem, fratte, padscheete, èn alles. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
- Jan Naaijkens, Dè's Biks, 1992 - padscheejt zelfstandig naamwoord - klein bultje op het ooglid
- Brabantse Spreekwoorden, Mandos - langs den hòfpad gescheeten hèbbe ('71) - een wegescheet aan het oog hebben, in Tilburg: pad(de)scheet
- Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PADSCHIJTER zelfstandig naamwoord mannelijk - weeroog, Frans: orgelet. Zoo geheeten naar het volksgeloof dat wie zijn gevoeg op den weg doet, een weeroog krijgt.
- WBD III.1.2:336 'padscheet' = strontje; ook: 'paddenscheet'
- WNT - PADDESCHEET - naam voor een zeker klein gezwel (gerstekorrel) op het oog, strontje
zelfstandig naamwoord
pagotter
pagadderzelfstandig naamwoord
Uit Spaans 'pagador' [?]
pagatterzelfstandig naamwoord
Uit Spaans 'pagador' [?]
pagòtterzelfstandig naamwoord
Uit Spaans 'pagador' [?]
pakzelfstandig naamwoord
pak, kostuum
pakêetemanzelfstandig naamwoord
pakkendraogerzelfstandig naamwoord
bagagedrager (van fiets e.d.)
bijwoord
pakkesgerêed
werkwoord
pallesjanke Typoscript van een brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965
palletoozelfstandig naamwoord
palletookezelfstandig naamwoord
pallissaojzelfstandig naamwoord
palissade, paal-omheining
palmzelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
p almmèrt n aam Palm-markt. De markt rond Palmpasen. Nog geen bewijsplaatsen. palmtèkske palmtakje
pampierzelfstandig naamwoord
papier lange ie
pannaam
1. pan (keukengrei)
panaarstewerkwoord
w erkwoord, zwak Veronderstellingen
werkwoord
Betekenissen
panaastewerkwoord
w erkwoord, zwak Veronderstellingen
werkwoord
Betekenissen
panhèrringzelfstandig naamwoord
1. bakharing
zelfstandig naamwoord
2. opvallend magere persoon
Zie het dossier over herring / haring
panlatzelfstandig naamwoord
letterlijk: panlat (bouwmateriaal ) figuurlijk: lang, mager mens

pannekoekzelfstandig naamwoord
pannenkoek
panschèrselzelfstandig naamwoord
samenstelling van 'pan' + afl. van 'schèère' - schrapen.
panschròpselzelfstandig naamwoord
samenstelling van 'pan' + afl. van 'schèère' - schrapen.
paojzelfstandig naamwoord
paojkezelfstandig naamwoord
paadje, padje verkleinwoord van 'pad', via plur. 'paden; paoden' met d-syncope
paolzelfstandig naamwoord
paal
paol steekepaalsteken; spel
paonezelfstandig naamwoord
kweek, kweekgras
zelfstandig naamwoord
Ill.: Thomé - triticum repens
paopzelfstandig naamwoord
paap
paopeköltjezelfstandig naamwoord
Advertentie Nieuwe Tilburgsche Courant - 29 maart 1930 - De Maastrichtse begrafenisonderneming Dielemans opende zijn zaak in Tilburg op 14 december 1929, en kwam daarmee in conflict met begrafenisonderneming Roomsch Leven. De 'begrafeniskwestie' duurde tot november 1932 toen besloten werd dat Dielemans dezelfde rechten als Roomsch Leven had.
paopemutszelfstandig naamwoord
Thomé - kardinaalsmuts, euonymus europaeus
paorzelfstandig naamwoord
paar; enkele verkleinwoord: pòrke
2 bijvoeglijk naamwoord even; naast 'ónpaor' - oneven
paosaajzelfstandig naamwoord
paasei Prent van de week uit Rooms Leven 1970; de ware namen van de tekenaar (PB) en de dichter (Kis-ke) zijn niet bekend
paosbistbijwoord
Ill.: Thomé - paasbloem - narcissus poeticus
paosblomzelfstandig naamwoord
1. paasbloem
zelfstandig naamwoord
Narcissus poeticus - witte narcis, dichtersnarcis 2. als paosblom zeer netjes, op zijn paasbest
D'r wier gepaast, genaoid, gebraaid Al kosse ze niks kóópe Iederéén zocht 'r toen héél frèèd As Paosblom bij te lóópe.
Mee Paose trek ik n nuuw pak aon Dès de gewóónte, jao of nèè? 't Maokt me niks dè dan d'n buurman Zee dè'k 'n echte Paosblom zèè.
Paosezelfstandig naamwoord
Pasen, Paasdag, Paasfeest
naam
Hoogtijdag om nieuwe kleding te kopen
Schòòn genog veur de Paosen.
Feestdag waarop men (te veel) eieren eet
Nilles kwaam bij d'n dokter aon Zee: "'k Weet nie wor dè'k blèf, Meneer d'n dokter ik vergao Van krampe in m'n lèf." "Ik krèg scheute in munnen buik ledere stap die'k lòòp 't Is iets mee m'n dèrreme Die ligge overhòòp." Nilles wier stevig onderzocht Beluisterd en beklopt. D'n dokter zee: "Ik weet 't al Mee wè vur kwaol gij tobt." Mar vur dè'k 'n remedie geef Zò'k wel is wille weete: "Hoeveul hard'aaier hèdde gij Mee Paose nie gegeete?" Pasen als begin van de lente
Goed weer met Pasen
Slecht weer met Pasen
Ze praoten nie, mar denken wel: / Dès vur Paosen gin weer.
Uitdrukkingen - Cees Robben - [ge] komt bij men meej oew aaier nao de Paose..! (19590328)
paoshaosAfbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.
paoskiepzelfstandig naamwoord
paaskip, opgedirkte vrouw
zelfstandig naamwoord
paoskoej paaskoe
Paoskoej - aangeschaft en getoond door slager Ad van Geloven op het terrein van het Tilburgs slachthuis (Abattoir) aan de Enschotsestraat in 1926. Foto: Regionaal Archief Tilburg
paoterzelfstandig naamwoord
pater
paoterkezelfstandig naamwoord
pater
paoternòsterzelfstandig naamwoord
paternoster
- WNT - PATERNOSTER 3 - Bij de R.-Cath.: rozenkrans, rozenhoedje, bidsnoer.
- WTT 2011 - van 'pater noster', 'onze vader'; het Onzevader is onderdeel van de rozenkrans
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - rozenkrans
- Cees Robben - De potternoster gao na hil langsem dur mn vingers.. (19540501)
- Lechim - Èn in derre zak òf in der tas/ rammelt de potternoster. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Maaimònd)
- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Mene pòttenòster èn men vrouw, die lêen ik òn gin man èùt
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 05 09 - En in d're zak of in d'r tas / Rammelt de patternoster
- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - liever zene pòtternòster as zen wèèf ('50) - gezegd als iemand zijn vrouw te hard liet werken
- Frans Verbunt - pòternòster
- WBD (III.3.3:191) 'paternoster' = rozenkrans; naar het latijnse 'pater noster' (onze Vader)
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - PATER NOSTER. Komt voor als afstandsbepaling.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk paternoster 1) bidsnoer, rozenkrans; 2) schertsende
zelfstandig naamwoord
naam voor a) ruggegraat, b) handboei.
paoternòsterwèèrkzelfstandig naamwoord
samenstelling uit paternoster + werk
paotersbierzelfstandig naamwoord
patersbier
De herder drinkt uiteraard bier van 'De Schaapskooi', de brouwerij van de Trappisten in Berkel-Enschot/Tilburg; affiche uit de collectie van Tiny Jansen, zoals tentoongesteld in VVV-gebouw Tilburg 2010; foto's WTT. Vergroting affiche en gedicht Jace van de Ven
papzelfstandig naamwoord
pap
stijfsel; versteviging van weefsel
papbèùkzelfstandig naamwoord
pappelzelfstandig naamwoord
zwarte populier, 'pèppel', 'blauwe poopelier' = populus nigra ofwel populus italica, Italiaanse populier Populus nigra (links) - Populus nigra Italica
papsteekewerkwoord
parasjuutveugeltjezelfstandig naamwoord
Parkzelfstandig naamwoord
het Wilhelminapark
parlevinkerzelfstandig naamwoord
1 Gezegd van een (mannelijk) persoon
2 Gezegd van een paard
parnasseszelfstandig naamwoord
pas geleejebijwoord
onlangs, kort geleden
paskoomerzelfstandig naamwoord
neomist, priester die zijn eerste heilige mis opdraagt na zijn wijding
passefietuit Frans passe-vite
zelfstandig naamwoord
patras aardappel mogelijk afgeleid van 'pataat'
patrasfôojzelfstandig naamwoord
uit batatas = aardappel, en fooi = zowel feestelijke gift als kleinigheid
zelfstandig naamwoord
Aardappelkaart uit Van Ginneken, De regenboogkleuren van Nederlands taal , 1931. Grotere weergave
patriejarkzelfstandig naamwoord
patriarch, bedenkelijk heerschap
paveljòtzelfstandig naamwoord
paviejòtzelfstandig naamwoord
pavviejòtzelfstandig naamwoord
pebliekzelfstandig naamwoord
publiek
pèdjezelfstandig naamwoord
1. landweggetje verkleinwoord van 'pad', met umlaut; ook paojke 2. padje, smalle doorgang, middenpad dan als verkleinwoord altijd pèdje, niet paojke
David Teniers - 17de eeuw
peejzelfstandig naamwoord
verkleinwoord: peeke meervoud: peeje 1 wortel, peen, pee
2 Wilde peej = fluitekruid
naam
Anthriscus sylvestris - bron: Wikimedia commons
peejlôofzelfstandig naamwoord
bladerkroon van bieten
peejschèèfnaam
schijf van een peen, wortel figuurlijk en vaak spottend gebruikt voor muntstuk, geld
- Goedgetòld - peejschèeve - zelfstandig naamwoord - geld in klinkende munt. - de peejschèeve groeje nie op mené rug!: het geld groeit me niet op de rug!
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - meej peejschèève kunde nie betaole
- Henk van Rijen (1998): 'Hè de wèl genog peejschèève bè-w om dè te kunne petaole?'
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - de peejschèève groeje nie op menen rug
- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - De peejschèève groeje nie op mene rug.
- Brabantse Spreekwoorden, Mandos - veul peejschèèven hèbbe (HM'70) - veel geld hebben
- Guido Gezelle - lemma PEESCHELLE, de = Schijve die, van dwersten, van eene pee, eenen peewortel, met een schuimw., van eene carote gesneden is. 't Is al wel en gemakkelijk gezeid koop'et! maar waarmee betalen? Met peeschellen? Geh[oord in] Aeltre. (Loquela, 1907)
- Cornelissen & Vervliet - Peeschijf - znw., v. Schijf die op zijn dwars van eene pee gesneden is. 't Is gemakkelik gezeed: koop 'et! maar waarmee betalen! Mè' peeschijven, zeker? (Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1903)
- Cornelissen & Vervliet lemma BETALEN - De gebroken potten betalen, de schade vergoeden, het gelag betalen. (...) Betalen mee potscherven, met de scherven van z'ne pispot, mee peeschijven, geen geld bezitten om iets te betalen. (Bijvoegsel Idioticon van het Antwerpsch dialect, deel A-H - 1936)
- Cornelissen & Vervliet lemma POTSCHERF, znw., o. Z . Wdb. Mee potscherven betalen, geen geld hebben om te betalen. Ook met de scherven van z'ne pispot, mee peeschijven. (Bijvoegsel Idioticon van het Antwerpsch dialect, deel I- Informant Toine Raaijmakers - 1938)
- Herman J. Claeys peeschijven (mv) in: met peeschijven betalen - (Ant) (spottend) platzak zijn. (Vlaams dialectenwoordenboek; lemma PEE; 2001)
- Katleen De Beukeleer - Temmerman gewaagt, behalve kaf, van nog een ander strooiproduct. Volgens hem werden er namelijk wortelschijfjes, symbool van geld, gestrooid in de straat en voor het huis van een mindere partij die omwille daarvan was afgewezen.
WTT - 2013 bij het voorgaande van De Beukeleer - Het betreft het zogenaamde lemen strooien. In Vlaanderen was dit in de 19de eeuw een soort van volksgericht. Als een persoon zich volgens de gemeenschap onwelgevallig had gedragen, werd de straat tot aan zijn of haar voordeur gemarkeerd met strooisel. Daarbij werd vaak het kaf van het koren gebruikt (wit) of blauwsel (voor de was) maar ook het gebruik van wortelschijfjes kwam voor, vooral als het een huwelijk betrof dat geen doorgang vond omdat een van de partijen de mindere partij blijkbaar niet draagkrachtig genoeg was bevonden. De meerdere partij werd daarmee bespot door het strooisel. (Traditionele volkse feestcultuur en modernisering. Het platteland rond Gent ca.1860-ca.1940; hoofdstuk 4.1.4. REACTIES VAN DE GEMEENSCHAP BIJ HET AFBREKEN VAN DE VERKERING OF BIJ ZWANGERSCHAP. Katleen De Beukeleer. Gebaseerd op TEMMERMAN. De kanonniers van de Verhoogstraat. 1982, p. 8.)
peejstaampzelfstandig naamwoord
stamppot van wortels Hèmme alwir peejstamp!
Wè motte tòch meej al die peeje ?? zeej Sjooke Braans teege derre man. "Ge dènkt tòch nie dèk alle weeke ok twee keer peejstamp kook hee Jan." "Nêe Sjoo, dè kan ik nie verlange, al vèèn ik peejstamp nog zo fèèn. Ik ha gedòcht, ik bouw wè kooje, zo vur 'n stuk òf tien kenèèn." Uit: Peeje, Knèène èn "jonge" mèt. (CuBra)
De week daornao, dan eete we wir Peestamp meej Hasjee. As ge er te veul van it schètte de plaanke van de pleej....
Gewoon mar eete... 'Wè zumme mèrge wir is eete?' Dès de vraog van iederen dag Vur peestamp, snert of bruine boone Gao'k metèèn al overstag. Smaokeluk Zàt de medèrne keuke zèn Waor ze veul over kletse? Gif men mar peestamp van ons Sjaan De's nog 'n aauwerwetse. (Beide gedichten uit de Tilburgse Koerier; ongedateerd knipsel; circa 1970)
Peestamp Witte we'k gere te freten heb We'k gere kook, akker de tijd vur heb Peestamp, witte kool, en juine Rookworst, efkes laote bruine Lekker, vanavond lekker buize, peestamp Ge vat wet peejen en wet errepel Schrabbe, snije, koken, en stampt det spul Nasi kruid, en un paor augurken, knoflook, Fleske bier ontkurken Water, ollie, en un snufke zout Oh well, pee stamp, Worst van den boer, peestamp Spek zonder zwoerd Kwakt er wet gehakt meej pinda nutjes bij Pee stamp, witte kool, en juine Rook worst, efkes laote bruine Lekker, vanavond lekker buize, peestamp Oh well, peestamp, Worst van den boer, peestamp Spek zonder zwoerd Kwakt er wet gehakt meej pinda nutjes bij Peestamp, ge heurt er over roepe Peestamp, ge kunt er goed van poepe Lekker, gekleurd Oranje boven, peestamp [Lekker, Pee hee Stamp] [3x] (Tony Ansems, Peestamp; van de cd Gatvermiedenhoet; 2010)
zelfstandig naamwoord
peejstampzelfstandig naamwoord
stamppot van wortels Hèmme alwir peejstamp!
Wè motte tòch meej al die peeje ?? zeej Sjooke Braans teege derre man. "Ge dènkt tòch nie dèk alle weeke ok twee keer peejstamp kook hee Jan." "Nêe Sjoo, dè kan ik nie verlange, al vèèn ik peejstamp nog zo fèèn. Ik ha gedòcht, ik bouw wè kooje, zo vur 'n stuk òf tien kenèèn." Uit: Peeje, Knèène èn "jonge" mèt. (CuBra)
De week daornao, dan eete we wir Peestamp meej Hasjee. As ge er te veul van it schètte de plaanke van de pleej....
Gewoon mar eete... 'Wè zumme mèrge wir is eete?' Dès de vraog van iederen dag Vur peestamp, snert of bruine boone Gao'k metèèn al overstag. Smaokeluk Zàt de medèrne keuke zèn Waor ze veul over kletse? Gif men mar peestamp van ons Sjaan De's nog 'n aauwerwetse. (Beide gedichten uit de Tilburgse Koerier; ongedateerd knipsel; circa 1970)
Peestamp Witte we'k gere te freten heb We'k gere kook, akker de tijd vur heb Peestamp, witte kool, en juine Rookworst, efkes laote bruine Lekker, vanavond lekker buize, peestamp Ge vat wet peejen en wet errepel Schrabbe, snije, koken, en stampt det spul Nasi kruid, en un paor augurken, knoflook, Fleske bier ontkurken Water, ollie, en un snufke zout Oh well, pee stamp, Worst van den boer, peestamp Spek zonder zwoerd Kwakt er wet gehakt meej pinda nutjes bij Pee stamp, witte kool, en juine Rook worst, efkes laote bruine Lekker, vanavond lekker buize, peestamp Oh well, peestamp, Worst van den boer, peestamp Spek zonder zwoerd Kwakt er wet gehakt meej pinda nutjes bij Peestamp, ge heurt er over roepe Peestamp, ge kunt er goed van poepe Lekker, gekleurd Oranje boven, peestamp [Lekker, Pee hee Stamp] [3x] (Tony Ansems, Peestamp; van de cd Gatvermiedenhoet; 2010)
zelfstandig naamwoord
peejsteekerzelfstandig naamwoord
peejzaodzelfstandig naamwoord
suikerbietzaad
peekelzelfstandig naamwoord
dronken; in de uitdrukking 'onder de peekel'
pèèlzelfstandig naamwoord
1. pijl pèèl èn boog 2. haarpijl
pèènzelfstandig naamwoord
Pijpenkop, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg , H. Stoepker 1986 Schilderij: Quiringh van Brekelenkam
pèèpzelfstandig naamwoord
pijp verkleinwoord: pèpke 1 om tabak te roken
zelfstandig naamwoord
Figuurlijk daarbij :
Cees Robben : uit: Fraters 2 anatomie van het paard
3 in de textielindustrie
4 - Informant Ad Vinken; konijnenhol
5 Informant Ad Vinken; schenktuit Cees Robben - Prent van de Week 6 januari 1984 (detail)
peeperkoekzelfstandig naamwoord
peperkoek
pèèpeslufkezelfstandig naamwoord
Pêerzelfstandig naamwoord
Peter, Piet, Pieter, Petrus
zelfstandig naamwoord
pèèr Cees Robben - detail uit Prent van de Week 27 september 1985- I - peer (vrucht)
naam
Dapper, pittig peerebumke, zuute troost in 't traonendal, rijk en vriendelijk suiker-umke, waor ik eens van stroebele zal, mee oe vuutjes staode in d'eerde, mee oe teentjes zuigde sap, mee oe blaoikes aosemde weerde uit de locht, om, nap aon nap, peer aon peer zuut vol te tappe, vol te spanne tot oe vel kleurt en zwelt van rijpe sappe naor den aord van oe gestel: vijftig sappige "Louise bonne d'Avrange" (hoe 'n rare taol!) wilde leveren en ik zie ze al ligge lokken op de schaol! Bonne Louise d'Avranches
Uit: Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant, A. Weijnen 1937 2 oorvijg
zelfstandig naamwoord
Sierarke blèrt wir hèùzehôog./ Hij heej en pèèr gekreege (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wè ist verschil?)
Linosnede: Rolf Janssen
Peerzelfstandig naamwoord
Petertje, Pietje verkleinwoord van 'Peer', met vocaalkrimping
Pirke Donders, gij die ene zeege z èèt vur de meense omd è grènze vur jou nie bestonde omd è vur jou kleur, gelêû f, rang òf staand der nie toe deeje. Pirke Donders, meej oewen oope k èèk op de wèèreld die opkwaam vur iedere meedemeens as vur ene vriend die meej oew gouwe hart t èèd en römte ooverbrugde die liet zien d è God der is vur alle meens Pirke Donders, h èlp ons saome stèèrk te zèèn in moejeleke tije h èlp ons mekaare te leere kènnen èn begrèèpe h èlp ons om de wèèreld schôoner èn beeter te maoke. (2013)
pèèrdzelfstandig naamwoord
paard Cees Robben - Prent van de week 25 juli 1980 - detail Overzicht van lemma's m.b.t. PAARD zelfstandig naamwoord Pèèrd, pèrd In uitdrukkingen In spotnaam In loknaam Afgeleid bijvoeglijk naamwoord Pèèrdeg Verkleinwoord Pèrdje Samenstellingen met Pèèrde... -bak
...mar hij wou er 'ns uit - et beste peerd wil wel 'ns los in de waai loope! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939)
- Naarus (Bernard de Pont; Groot Tilburg; ca. 1940 - En draait oe filmke flink vort dan ziede rijke schoone ridders op prachtige pèrden mee gouwe harnassen en pieken, en die gaon perbeeren om bekare ut t zaodel te schoefelen.
- Pierre van Beek We hebben lang gezocht naar een Nederlandse zegswijze, die overeenkwam met het opschrift van een Italiaans asbakje, dat op onze tafel prijkt. Dit luidt: "Chinasce tondo non può morir quadro!" Letterlijk vertaald wil dit zeggen: "Wie rond geboren wordt, kan niet vierkant sterven." In Tilburg heeft men er een eigen spreekwoord voor en wel het volgende: "As ge as ezel geboren zijt, worde gin pèrd!" De Tilburgse uitdrukking is - naar wij menen - evenwel toch iets enger in de betekenis omdat men er hier het gezegde gewoonlijk bezigt als men aan wil geven, dat iemand die arm is het in de regel wel blijft. Tevens wil men er wel mee aangeven dat het voor een gewoon man moeilijk valt hogerop te komen. (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 17 april 1950)
- Cees Robben - ...over t perd (getild) (19560721) - Cees Robben - Heej jouw perd verstaand..? Verstaand, dè weet ik nie.. Mar gist zit er in. (19800725) - Cees Robben - n steeg perd (19830114) - Cees Robben - Beter n aauw perd kepot as n jong bedörve... (19830819) - Cees Robben - n Perd en n mèèd die t wit van dr ôôgen laoten zien, daor moete nie mee aanlegge... (19840511) [Te veel intimiteit is verdacht] - Cees Robben - n Schôon perd.. (19861107)
- Lodewijk van den Bredevoort (Jo van Tilborg) Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? - 2006: - Hij stampte dan net as un kaoi pèrd, meej zen voeten, op de grond, wè as ons moeder de kaomer nog nie gedaon ha, enne hille stofwolk ten gevolge ha.
- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - Trouwde gij mee den auto of mee t pèrd? - En ik, ik wô gère mee t pèrd trouwe mar menne jongen zee: dûrfde dè? ik zeg: ikke wel mar ik waar me toch bang. (27-12-1968)
- Dirk Boutkan: (blz.97) hij trok et pèèrd òn zene stè(è)rt
- Et Lof wier ok wir ingevoerd, nie desse daor ons nòr toe gekreege ha, meej gin zeuve pèèrd. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
- Hessels 2020 - Als je luidruchtig in de wc plast: - et lèkt wèl et pèrd van ven Gènd èn Lôos! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006)).
zelfstandig naamwoord
Aanvullende bronnen
Uitdrukkingen Kubke Kladder - Uit 't klokhuis van Brabant 1 - Nieuwe Tilburgsche Courant 9 oktober 1929: Hoop op beterschap bestaot er nie want as ge as ezel geboren zijt, worde toch nooit 'n pèrd. Pierre van Beek: 'Beeter en aaw pèèrd kepòt as en jóng ooverkoot', zei de oude boer die meende dat er 'aan hem niet meer zoveel verbeurd was (er dus met hem - bij eventueel overlijden - niet veel verloren ging.) Cees Robben: Prent van de week 11 mei 1984
- Pierre van Beek - "Het is wat te zeggen, as ge met 'n oud perd moet eggen", 't is moeilijk met slecht of oud gereedschap te werken. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - et ging verkeerd, zeej den boer, et pèèrd ging kepot èn et wèèf wier beeter
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - et maogerste pèèrd steeke de blèndaoze et hardst
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - en blènd pèèrd kan er nòg gin schaoj doen
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - en pèèrd zónder voerman - een weduwnaar
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - van wèèrke gòn de biste pèèrde kepòt, èn die hèbbe nòg wèl èèzer ónder der voete
- Miep Mandos, Aantekeningen Brabantse Spreekwoorden - Beeter en aaw pèèrd kepòt as en jóng bedörve.
- Miep Mandos, Aantekeningen Brabantse Spreekwoorden - En vrouwehaand èn en pèèrdetaand meuge nie stilstaon.
- Miep Mandos, Aantekeningen Brabantse Spreekwoorden - Bèdehaand as en vrouwehaand èn en pèèrdetaand.
- Miep Mandos, Aantekeningen Brabantse Spreekwoorden - As ge as eezel geboore zèèt, wòrde gin pèrd.
- Miep Mandos, Aantekeningen Brabantse Spreekwoorden - De krib moet nie nòr et pèèrd koome.
- Miep Mandos, Aantekeningen Brabantse Spreekwoorden - En pèèrd en enen hónd, die hinkt van ene stront
- Brabantse Spreekwoorden, Mandos - et maogerste pèrd steeke de blèndaozen et hardst (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972) - de armsten hebben het het hardst te verduren
- Brabantse Spreekwoorden, Mandos - beeter en aaw pèrd muug gemòkt/ versleete / ooverkoot, as en jóng bedörve ('74) - wordt humoristisch gebruikt m.b.t. mensen en werk
- Brabantse Spreekwoorden, Mandos - den êenen maag en pèrd steele èn den aandere nòg nie oover de hèg kèèke - (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1971) variant : nòg nie óp stal kèèke
- Brabantse Spreekwoorden, Mandos - en goej pèrd wòrdt nie gemèrt (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) - en goed bekend staand meisje gaat niet op pad om een vrijer
- Brabantse Spreekwoorden, Mandos - en pèrd zónder voerman (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) - een weduwnaar
- Brabantse Spreekwoorden, Mandos - ik dòcht dègge en pèrd gescheeten hadt èn dègge dòróp òn kwaamt rije (Kn '50) - plagerij tegen iemand die lang op de WC gezeten heeft.
- Brabantse Spreekwoorden, Mandos - zèlfs en pèrd valt nòg wel, al heetie vier bêen (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972) iedereen maakt wel eens een fout
- Brabantse Spreekwoorden, Mandos - zó stóm zèèn ast pèrd van O.L.Heer (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1974)
Pierre van Beek: zó dóm as et pèèrd van Onzen Lieven Heer (dat was een ezel) (Tilburgse Taalplastiek 740125)
naam
Spot ternij
Loknaam
pèèrdebakzelfstandig naamwoord
paardenbak, waterbak voor paarden
Bedevaartvaantje van Hakendover door Alfred Ost
pèèrdebèèvertzelfstandig naamwoord
letterlijk: paardenbedevaart. Het betreft de bedevaart naar Hakendover. Deze vindt plaats op Eerste en Tweede paasdag, en staat bekend om zijn spectaculaire tocht met boerenpaarden door de ingezaaide akkers. Hakendover is al meer dan honderd jaar een favoriete bedevaartplaats van Tilburgers. De officiële naam is 'Paardenprocessie'.
Tilburgse afvaardiging in Hakendover; 1995; bron: Geheugen van Nederland/ Geheugen van Tilburg
Tekening: A. Ost Nieuwe Tilburgsche Courant - 7 april 1926 Nieuwe Tilburgsche Courant - 26 februari 1927 Nieuwe Tilburgsche Courant - 4 april 1923 Nieuwe Tilburgsche Courant 21 maart 1928 Nieuwe Tilburgsche Courant - 31 maart 1936 Nieuwe Tilburgsche Courant 15 maart 1940
pèèrdeblomzelfstandig naamwoord
paardenbloem (taraxacum officinale) Piet Heerkens, Uit: De mus ; 1939: PEERDEBLOM Simpelste van al de blomme, waor de bieë nie om zomme, niemand hee't er oot geprezen oew eenvoudig, zeejig wezen... Peerdeblom, oew kortgeknipte platte kroon onopgeknapte, ongeonduleerde blaoikes of oew zijig witte zaoikes, uitgebloeid toe parachuutjes die op zofte wende zuutjes over de Maaie-waaie zweeve mee nuuw peerdeblommen-leeve... Peerdeblom, zie ik oe staon, 'k zie oe aaltij efkes aon, simpelste van al de blomme waor de bieën nie om zomme...
pèèrdebrôodzelfstandig naamwoord
pèèrdegnaam
pèèrdegetèùgzelfstandig naamwoord
paardentuig, paardengetuig
pèèrdehoevezelfstandig naamwoord
Leo Heerkens (1940): Peerde-hoeve ploffe neer/ op de ronde harde kaaie...
pèèrdejuuzelfstandig naamwoord
paardenvlees
pèèrdekòpzelfstandig naamwoord
paardenkop
pèèrdemènnekezelfstandig naamwoord
paardenmannetje
pèèrdemèrtIll.: Thomé - pisbloem - paardebloem - mòlslaoj - taraxacum officinale
pèèrdemistzelfstandig naamwoord
paardenmest Piet van Beers, u it: 'veul heure zègge... heurde veul liege' (CuBra): Ik hèb wèl es heure zègge, dè hij, die 't miste mist. De grotste èèrpel ötstikt..... Des aaltij zôo gewist. Ik hèb wèl es heure zègge, dè van unne koejenbist, de stront tòch wèl 't bist is... Dès aaltij zôo gewist. Ik hèb wèl es heure zegge, dè pèèrdemist goed gist. Dèt 't goed is vur den witlòf... Dès aaltij zôo gewist.
pèèrdepielzelfstandig naamwoord
paardenpiel
pèèrdespulzelfstandig naamwoord
paardenspul (in een circus)
Heermoes, hermoes, equisetum arvense
pèèrdestèrtzelfstandig naamwoord
Equisetum arvense
pèèrdestrontzelfstandig naamwoord
paardenstront
pèèrdevoetzelfstandig naamwoord
pèèrewerkwoord
l etterlijk: peren; figuurlijk: hard werken 1. peren = meppen, slaan
ertegenaan peren, erop peren' e.d. 2. weglopen, vluchten
3. ongemanierd eten of drinken
Met al deze betekenissen
Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - pèère ww - slaan, ervandoor gaan
pèèrebumkezelfstandig naamwoord
perenboom, perenboompje
'T PEEREBUMPKE Vijftig peeren aon één bumke, aanderhalve meter hoog! Lekker suikerwaoter-pumpke, 'k aai oe dik mee baai mijn oog'! Dapper, pittig peerebumke, zuute troost in 't traonendal, rijk en vriendelijk suiker-umke, waor ik eens van stroebele zal, mee oe vuutjes staode in d'eerde, mee oe teentjes zuigde sap, mee oe blaoikes aosemde weerde uit de locht, om, nap aon nap, peer aon peer zuut vol te tappe, vol te spanne tot oe vel kleurt en zwelt van rijpe sappe naor den aord van oe gestel: vijftig sappige "Louise bonne d'Avrange" (hoe 'n rare taol!) wilde leveren en ik zie ze al ligge lokken op de schaol! Vijftig peeren aon één bumke, aanderhalve meter hoog! Lekker suikerwaoter-pumpke, 'k aai oe dik mee baai mijn oog'! Peerebumke, stiekum wonder, ik bewonder ou natuur, bron van zuutsel, eens van onder opgegroeid uit rot en zuur; uit 'n mörve peer gesproten die begraove laag in d'eerd, is den drang oe ingegoten om te werken als een peerd! as 'n peerd? Och, peerdekraachte vreuke vreed aon kêr en ploeg, óú gevroet gao daoge, naachte aaltij deur in stil gezwoeg! Goei, zuutsappig suiker-umke, 'k weet, al valt et nie in 't oog, as 'n ieverig waoterpumpke zuigde liters sap omhoog, en die liters destilleerde, zonder deddet smookt en rookt, toe den zuutsten draank op eerde, swijls de zon de kachel stookt! Vijftig peeren aon één bumke, aanderhalve meter hoog! Lekker suikerwaoter-pumpke, 'k aai oe dik mee baai mijn oog'! Daankoe, daankoe, lieven Heerke, veur mijn bruurke Suikerzuut! Daankoe veur Oe zonnig weerke dè doe rijpen heel den buut! Daankoe veur dees bonne Louise, schoon gegroeid uit leevend hout! Daankoe, gulle Gever, die ze vloeie liet uit leevend hout! Wie-t-er Ou nie kan bedaanken as ie 'n peerebumke zie, speult z'ne rol hier op de plaanke van et leeve slecht, of nie! Vijftig peeren aon één bumke, aanderhalve meter hoog! Lekker suikerwaoter-pumpke, 'k aai oe dik mee baai mijn oog'!
pèèrepluuzelfstandig naamwoord
paraplu
Maker onbekend De paraplu - Maria Bashkirceva.
naam
1. paraplu Puk en Muk
2. bijnaam, de gevangenis in Breda
pèèresòlzelfstandig naamwoord
pèèrkelzelfstandig naamwoord
e tymologie niet bekend.
zelfstandig naamwoord
pèèrsnaam
paars
naam
.- ..agge zo durgaot wort oe neus/ van blauw vanèèges pèèrs (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et blauw der aaf)
pèèrsèèchtegnaam
paarsachtig
peesnaam
koord, touw, snoer (van rondgevlochten katoen) in de textielindustrie gebruikt voor aandrijving van machines Anoniem 1959 en toen zeej de klène Kees: "Vadder, ik heb naau wel unne hakdol, / mar 'k heb gin stukske pees." (Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
peesteekerzelfstandig naamwoord
1. gierigaard
2. een kerel, flinke vent
peetzelfstandig naamwoord
peter
peeterzelfstandig naamwoord
als zodanig fungeerde een vrouw, die eigenlijk 'meter' moest heten.
peettaantezelfstandig naamwoord
peezew erkwoord, zwak ijlings verdwijnen; hard werken, ploeteren
pegatterzelfstandig naamwoord
Uit Spaans 'pagador' [?]
pèkzelfstandig naamwoord
pekaantbijwoord
pèkdraodzelfstandig naamwoord
pèkskezelfstandig naamwoord
pakje
1. verpakking
2. kostuum, kledingstuk
pelèèrbèèterzelfstandig naamwoord
pèlgrimzelfstandig naamwoord
pelgrimage, bedevaart
zelfstandig naamwoord
peliesie
pèllewerkwoord
zelfstandig naamwoord
pèlleriene schoudermantel die door pelgrimerende vrouwen gedragen werd; uit het Franse pellerinage; algemener: korte schoudermantel. De uitspraak van het in het citaat hieronder gebruike woord is niet eenduidig.
Pellerine, tekening uit 1911. (Wikipedia)
penduul (dus niet: pènduulzelfstandig naamwoord
klok op de schoorsteenmantel
pènnekezelfstandig naamwoord
pannetje verkleinwoord van 'pan', met umlaut
- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Zèt dè pènneke mar op den aonrècht
- Pierre van Beek Van de andere kant echter is het waar, dat er "geen penneke zo scheef is of er paast 'n dekseltje op!" Dat betekent, dat iedere jongen of meisje de zij of de hij wel te vinden weet om een paar te vormen. Men zegt het speciaal als men een ietwat "raar stel" ontmoet, waarvan ieder zich met verbazing afvraagt hoe ze elkaar hebben weten te vinden. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 8 april 1950)
- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - (Na bijgelegde ruzie) t is wir penneke tot aon t stiltje toe (23-10-1963)
- Pierre van Beek: Ge moet et pènneke bij et stiltje haawe, zi wèfke Eras ( = zuinig zijn) (Tilburgse Taalplastiek 145)
- Ik denk desse dieje worst nie zelf opaten, die gaven ze weg aon meense, die daor elke dag weer aon de poort stonden meej un penneke. Dè waren schooiers, meense die zelf gin eten kosse kôope, die nonnen kôokte volgens mèn aaltij meer dan ze zelf opaten, aanders kwamen die schooiers nie elke dag terug meej der penneke. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Dialectenquête 1879: putjes en pennekes - potjes en pannetjes
- Brabantse Spreekwoorden, Mandos - et is pènneke tòt ònt stiltje toe ('65) - de vriendschap is groot
- uitdrukking: t Is wir penneke tot aon t stiltje toe... (19631122) [Alles is weer goed, bijgelegd tussen echtelieden] - Cees Robben - En t is wir penneke tot stiltje toe... (19710813)
- Brabantse Spreekwoorden, Mandos - hurt es wè et pènneke schruwt (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) - hoor eens hoe het pannetje huilt (de saus bij de aardappels is verdacht dun: 'lawaaisaus')
- Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PANNEKEN, in de Kempen: pänneke(n), penneke(n).
pènnekeslêedzelfstandig naamwoord
samenstelling uit pannetje + leed
pènszelfstandig naamwoord
naam
pènsjelien penicilline
pèntnaam
pijn; moeite
zelfstandig naamwoord
...onze Paa heej pènt in zenne rug... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wir tèèd vur den hòf)
pènwèèrkzelfstandig naamwoord
pepierzelfstandig naamwoord
papier lange ie
zelfstandig naamwoord
papier (stofnaam) korte ie in verkleinwoord, in grondwoord lange ie ook soortnaam: een papier, een papiertje
- Dialectenquête 1879: boeken en pepiere
- Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'die plaot van pepier', 'die plaot deh is 'n pepieren'
- Kees & Bart, krantenrubriek in Tilburgsche Post 1922-193? 'pampier'
- A.J.A.C. van Delft - "As g'oew haande mèr van 't pepier hauwt, doen z'oe niks" zegt de man uit het volk om uit te drukken, dat men nimmer een handteekening onder eenigerlei officieel stuk moet plaatsen, teneinde niet wettelijk aansprakelijk gesteld te kunnen worden. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)
- Heerkens - Over een draaiorgel: Die plaot dè-d-is 'n pepiere / mee allemaol götjes erdeur,/ dan waait er 'nen zucht deur die kiere / en die kiere die geeve geheur. (Piet Heerkens; uit: Dn örgel, Dn örgel, 1938)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 09 16 - "Pepierke zus, pepierke zo, / t Heurt r aaltij bij / Want agge gin pepierkes hèt / Dan zette z'oe opzij."
- De seldaote wieren vol pepiersnippers en slierten pepier gegooid. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Hij scharrelde overal in, mistal waar dè ouw pepier. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Hessels 2020 - Wanneer je je handen wast na toiletbezoek: - hèdde durt pepierke gevat? (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
Advertentie uit de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938.
pepierkezelfstandig naamwoord
papier (stofnaam) korte ie in verkleinwoord, in grondwoord lange ie ook soortnaam: een papier, een papiertje
- Dialectenquête 1879: boeken en pepiere
- Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'die plaot van pepier', 'die plaot deh is 'n pepieren'
- Kees & Bart, krantenrubriek in Tilburgsche Post 1922-193? 'pampier'
- A.J.A.C. van Delft - "As g'oew haande mèr van 't pepier hauwt, doen z'oe niks" zegt de man uit het volk om uit te drukken, dat men nimmer een handteekening onder eenigerlei officieel stuk moet plaatsen, teneinde niet wettelijk aansprakelijk gesteld te kunnen worden. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)
- Heerkens - Over een draaiorgel: Die plaot dè-d-is 'n pepiere / mee allemaol götjes erdeur,/ dan waait er 'nen zucht deur die kiere / en die kiere die geeve geheur. (Piet Heerkens; uit: Dn örgel, Dn örgel, 1938)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 09 16 - "Pepierke zus, pepierke zo, / t Heurt r aaltij bij / Want agge gin pepierkes hèt / Dan zette z'oe opzij."
- De seldaote wieren vol pepiersnippers en slierten pepier gegooid. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Hij scharrelde overal in, mistal waar dè ouw pepier. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Hessels 2020 - Wanneer je je handen wast na toiletbezoek: - hèdde durt pepierke gevat? (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
Advertentie uit de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938.
pèpkezelfstandig naamwoord
pijpje
perbeerew erkwoord, zwak proberen
Infinitief
- Miep Mandos, Aantekeningen Brabantse Spreekwoorden: Perbeeren is et nòste (proberen ligt het meest voor de hand).
- Witte naa wir nie, wèttè ies? Wel dan legde op nen steen 'n paor centen en die staon obberus of mis (dè ies zo veul as kruis of munt) en die moette dan perberen om te mikke. (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)
- Cees Robben - [Vader van drie kinderen spreekt:] Praot me nie van perbeere, Filippus.. Van perbeere hekker drie overgehaauwe... (19720107)
- As ik naa laoter toch nog van dè gelôof af zô willen, zôgenaomd afvallige zô willen worre, dan kosse de peetouders perbere, mèn daarvan af te brengen, van dè afvallige willen worre. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Grôot Diktee-07 ge zogget nie hèbbe moete perbeere...
- gewôon es ötperbeere... (Henriëtte Vunderink; Et naojmesjien; k Zal van oe blèève haawe, 2007)
- Ik dòcht bij men èege: dè gaok perbeere. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Dè kunde naa wèl perbeere, mar dè lukt oe tòch nie. (111109)
- as et nie goed is, dan moette zèllef mar es perbeere (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
- Wörrom zok et nie es perbeere? (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)
Vervoegingen
Elders
C.J. Verhoeven, Haorese woorde (2007): PREBEERE - proberen
perbleemzelfstandig naamwoord
probleem
pèrd
pèrdjezelfstandig naamwoord
paardje
Pierre van Beek: Op zen pèrdje zitte - boos zijn (Tilburgse Taalplastiek 740125)
De Kermis
pèrdstrontzelfstandig naamwoord
paardenstront
perduktzelfstandig naamwoord
product
perfiesieatbijwoord
proficiat
pèrgestiekeszelfstandig naamwoord
gebaren uit Frans: gesticuler - gebaren maken; het voorvoegsel 'pèr' is niet verklaard.
zelfstandig naamwoord
pergram programma
pèrkelzelfstandig naamwoord
e tymologie niet bekend.
zelfstandig naamwoord
perlòtzelfstandig naamwoord
pèrmefôojnaam
etymologie onzeker; mogelijk een verbastering van het Franse gezegde par ma foi, wat kan het mij schelen / het maakt mij niets uit.
pèrmetaosienaam
kring, familie, gelederen Frans: parentage In het Tilburgs ook 'nepotisme'.
pèrmeteerew erkwoord, zwak permitteren, toestaan, permissie krijgen, permissie vragen
- Informant: Piet Mutsaerts: smeken
- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - bidden èn pèrmeteere
- Daamen, Handschrift Tilburgs (1916) - "ik heb er om motten bidden en permeteeren om het te kraigen"
- Informant Th. Witters: "hij laag me tòch te permietééren' (te smeken)
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - zenèège pèrmeteere - zich veroorloven
- WBD III.3.1:263 'permitteren' = smeken 275 'permitteren' = klagen
- Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PERMITTEREN (pèrmetere) onov.ww - smeken, jammerklachten uiten, dikwijls in combinatie met 'bidden'.
- De Bont, Dialect van Kempenland (1958) - intr.permitteren 1) dringend bidden, smeken; verbinding 'bidden en parmetere'; 2) aangaan, jammeren, klagen.
- Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PERMETEEREN - misbaar maken, klagen
- Jan Naaijkens, Dè's Biks, 1992 - pèrmeteere ww - veroorloven, jammeren
- WNT - PERMITTEEREN - toelaten; verlof geven
peronkòrtjezelfstandig naamwoord
perronkaartje
pèrregnaam
pèrrepluuzelfstandig naamwoord
paraplu
Maker onbekend De paraplu - Maria Bashkirceva.
naam
1. paraplu Puk en Muk
2. bijnaam, de gevangenis in Breda
pèrresolzelfstandig naamwoord
pèrsblomzelfstandig naamwoord
pèrsegnaam
paarsig, paarsachtig
pèrsekuusienaam
rompslomp, omslachtigheid, gedoe uit 'persecutie'
pèrsenêelnaam
personeel
persèsnaam
proces, proces-verbaal
persèssienaam
processie Weijnen, Dialectatlas van N.-Brab. (1952): de köster lèùjt vur de precèssie
zelfstandig naamwoord
Dirk Boutkan: (blz.99) köster löjt fur de presèsie In de twidde [klas van de lagereschool] zochten ze ôk jungskes èùt, die in un percessie meej zouen willen lôope. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) Toen liepeme nòg meej in de persèssie èn wier et rôozenhuudje nòg gebeeje. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005)
pèrshaorzelfstandig naamwoord
paardenhaar
pèrsiekuusienaam
rompslomp, omslachtigheid, gedoe uit 'persecutie'
persiesbijwoord
in uiteenlopende betekenissen zojuist
Den örgel die rijdt deur de straote, de kerel die draait er z'n wiel, hij draait er persies op de maot en hij draait er mee heel z'n ziel.
Zeg, witte dè nog van Jan Viool: z'ne kokkerd, - rond en rood toe pimpelpeers van rooje kool, - hong nie persies in 't lood.
persiesekesbijwoord
in uiteenlopende betekenissen zojuist
Den örgel die rijdt deur de straote, de kerel die draait er z'n wiel, hij draait er persies op de maot en hij draait er mee heel z'n ziel.
Zeg, witte dè nog van Jan Viool: z'ne kokkerd, - rond en rood toe pimpelpeers van rooje kool, - hong nie persies in 't lood.
pèrsmiszelfstandig naamwoord
paardenmest
pèrsmòpzelfstandig naamwoord
paardevijg
personleknaam
persôonleknaam
pèrstaandzelfstandig naamwoord
pèrstalzelfstandig naamwoord
paardenstal
pèrsvlêeszelfstandig naamwoord
paardevlees
pèrsweekzelfstandig naamwoord
week (meestal de laatste voor de kermis) waarin hard gewerkt, geperst moest worden, i.v.m. de komende vrije dagen
pertaolnaam
.- ..mar de spoor zo hietten ie,- die was nog pertaol dr bij, en hij zi: "dè kamme niks schillen... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
2. portaal - zelfstandig naamwoord
3. d e zolder van een herenbroek - Cees Robben - Dn wend (...) blaost oe pertaol/ zo wè uit oew broek (19600325)
pertènsiezelfstandig naamwoord
pertieneszelfstandig naamwoord
bottines
pertijzelfstandig naamwoord
partij
Afb. uit R. Brody-Johansen, Kleding en het AaBe ervan ; 1953
pertrètzelfstandig naamwoord
Schilderij van Giovanna Carzoni (detail) - Stilleven met perziken pèrzek , pèrzekes perzik
Schilderij van Eugenio de Blaas (Oostenrijk)
naam
pesiesiezelfstandig naamwoord
1. positie, verwachting
2. positie, betrekking
pesjoenzelfstandig naamwoord
pensioen
Tilburgsche Courant 9-8-1891
pesjonkelewerkwoord
w erkwoord, zwak

pèstiemistzelfstandig naamwoord
pessimist
pestôorzelfstandig naamwoord
pastoor
naam
pestoorsfietszelfstandig naamwoord
oudere benaming van wat tegenwoordig de 'omafiets' genoemd wordt; in feite een damesfiets met lage instap ten gerieve van de lange rokken, ook die van de pastoor en zijn kapelaans
pestoorspraotzelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
De huidige uitvoering van de medaille Pro Ecclesia et Pontifice. Afb.: wikipedia pestoorsmèèdekrèùs pastoorsmeidenkruis; spotwoord voor een pauselijke onderscheiding
pestorkezelfstandig naamwoord
pastoor
naam
pestorsmèèdzelfstandig naamwoord
huishoudster van de pastoor
petaolewerkwoord
zelfstandig naamwoord
petat frut, petatte frut patatfriet
petèntzelfstandig naamwoord
patent; in verbindingen datgene waarop patent genomen is ...ons meenschen zèn zô bedaord en kalm as 'n petentollie-lichtje vur 't Heilig Hartbild op 't hoekbenkske. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)
petoffelzelfstandig naamwoord
pantoffel
zelfstandig naamwoord
Wèffer kedooke??? Wè zak onze vadder dees jaor geeve Assie zis èn taageteg word? Van 'ze Fraans krèègt ie petoffels. Hij komt èègelek niks te kort. (CuBra)
petòzziezelfstandig naamwoord
van Frans 'potage' (vlees en groenten; soep), elk gerecht dat in een enkele pot wordt bereid.

zelfstandig naamwoord
Prent van de week van 15 november 1963 Vader heeft vandaag petòzzie gekregen, en zijn echtgenote is daar maar wat trots op. Petòzzie is een dialectische verbastering van het Franse potage, dat tegenwoordig als hoofdbetekenis soep heeft. Maar met soep heeft het Tilburgse petòzzie niets te maken. Het wordt in het Tilburgs uitsluitend gebruikt om stamppotten aan te duiden. Dat komt doordat de afleiding al bestond voordat het Franse woord potage de betekenis soep kreeg. Van oorsprong (13de eeuw) is het een aanduiding voor alles wat in een pot bereid wordt, met name ook groenten. Het grondwoord is dus het Franse pot (spreek uit als po). De verbastering komt veel voor in de Meijerij, de Kempen, en het Antwerps, en wel in de meest uiteenlopende vormen: betassie, petosie, petazzie, peteus, betazzie, petos, petuis. Behalve stamppot kan het ook aardappelpuree betekenen, maar niet in Tilburg.
petrèènezelfstandig naamwoord
verdrukking
Perdix perdix
petrèèszelfstandig naamwoord
patrijs (Perdix perdix) Verkleinwoord: petrèske Dialectenquête 1879: petrêze - patrijzen (voor ê vgl. 'gête' - geiten)
petrètzelfstandig naamwoord
Schilderij van Giovanna Carzoni (detail) - Stilleven met perziken pèrzek , pèrzekes perzik
Schilderij van Eugenio de Blaas (Oostenrijk)
naam
petrolliezelfstandig naamwoord
petroleum
zelfstandig naamwoord
petrôon verkleinwoord: petrontje
werkgever
zelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
petrôonhèllege patroonheilige, schutspatroon
pêûlzelfstandig naamwoord
peul
pêûlew erkwoord, zwak
pèùmewerkwoord
met puimsteen een oppervlak gladschuren
pèùr - peurzelfstandig naamwoord
peutzelfstandig naamwoord
slaag, klap
pèùtôorzelfstandig naamwoord
zeer vervelend persoon
peuzelzelfstandig naamwoord
piedelaastzelfstandig naamwoord
chemische stof: pyridine
piejaamazelfstandig naamwoord
pyama
piejankoowzelfstandig naamwoord
overdreven netjes gekleed
piekzelfstandig naamwoord
piek in diverse betekenissen
uitdrukking van de luie piek de etymologie is vooralsnog niet opgehelderd
piekewerkwoord
piek spelen bij het rikken (1 slag halen)
Pielaatusnaam
(de bijbelfiguur) Pontius Pilatus
pielèèrzelfstandig naamwoord
pilaar
Sint Andreas al bij de pielèèr (uit de volksvoordracht 'De heiligen in 't portaal' )
pielekezelfstandig naamwoord
pieletje, piemeltjes
pielepaosezelfstandig naamwoord
Piel(i)epasen (niet bestaande feestdag)
pielieèèchtegbijwoord
kleinzielig, besluiteloos
pieliejew erkwoord, zwak kieskeurig eten pielieje- pieliede - gepielied
pielieklôotzelfstandig naamwoord
kieskeurige eter
pieliekontzelfstandig naamwoord
van 'pieliën' (prutsen, pitsen met voeding) en 'kont' als beschimping
pieliekonterijzelfstandig naamwoord
van 'pieliën' (prutsen, pitsen met voeding), 'kont' als beschimping, en achtervoegsel 'erij' om dergelijk gedrag samen te vatten.
pieliewèèrkzelfstandig naamwoord
prutswerk, zorgvuldig werk, monnikenwerk
piemelewerkwoord
pienantiezelfstandig naamwoord
verbasterde uitspraak van het Engelse woord 'penalty' > penantie > pienantie
pienaszelfstandig naamwoord
etymologie onbekend
piepewerkwoord
piepen, tevoorschijn komen
piepelenbèèrgzelfstandig naamwoord
verstoppertje
2 werkwoord
piepeltjezelfstandig naamwoord
verstoppertje
► <span style="font-size:12.0pt;font-family:Garamond;mso-bidi-font-family:
piepertjezelfstandig naamwoord
verstoppertje
piepie doenwerkwoord
plassen; kindertaal
pieplozziezelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
pier glimworm, pierworm
piereköltjezelfstandig naamwoord
pierenkuiltje
pierelaandzelfstandig naamwoord
pierenland; figuurlijk: kerkhof
piereverneukerzelfstandig naamwoord
samentrekking van pier en verneuker de eerste borrel op nuchtere maag
'eerste glas jenever' of 'borrel op de nuchtere maag'. Het idee was dat ingewandswormen de maag van streek maakten en dat je ze kon doden, foppen of verschrikken door nog voor het ontbijt een glaasje jenever achterover te slaan. Dat zou je ook van een kater kunnen afhelpen. Pierenverschrikker is in 1874 voor het eerst opgetekend, door de Gorkumse onderwijzer en spreekwoordenverzamelaar P.J. Harrebomée. Ter toelichting schreef hij: De dronkaard neemt zijn' eerste borrel, om zich te ontnuchteren; waarmee hij de wormen zal verjagen, die hij in zijne maag meent te voelen.'
pierewiggelewerkwoord
pierenwiggelen
Pierre van Beek; Van de Buunder en Baksven tot Galgeven; Het Nieuwsblad van het Zuidennaam
Nieuwe Tilburgsche Courant - 1935
3. uitdrukking in/naar den Buunder
4. bezem, borstel
zelfstandig naamwoord
buunderhaaj struikhei (calluna vulgaris)
pierwörmzelfstandig naamwoord
pierworm, glimworm
piesewerkwoord
pissen
Pietzelfstandig naamwoord
Moonen, Piet
zelfstandig naamwoord
1 eigennaam
2 hengst
zelfstandig naamwoord
3 snot Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
pietelèèrzelfstandig naamwoord
e tymologie
pietestallekenaam
piëdestalletje - uit Frans piédestal - sokkel of houten standaard om iets uit te stallen; vaak gebruikt om heiligenbeelden te tonen
[hellig hart = heilighartbeeld] Pediculus capilis
pietjenaam
zelfstandig naamwoord
Kaart lemma Hoofdluis in WBD pietjeszuster pietjeszuster
De pietjeszuster als schrikbeeld van de schooljeugd - De scène werd geschreven door Ed Schilders - Foto: Frans van Aarle
piggemnaam
pik èn pookuitdrukking grote onenigheid tussen twee personen
pikkewerkwoord
pikken
pikkepoeliezelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
pikske spikkeltjes
pillòt - pilloozelfstandig naamwoord
de uitspraak is niet met zekerheid vastgesteld; de klemtoon ligt op de eerste lettergreep; mogelijk uit het Engels: 'pillow', kussen.
- Pierre van Beek: Men moet ze [bombazijn] echter niet verwarren met "pilo" van het Engelse "pillow". Dit was een soort gekeperd half linnen, half katoenen weefsel, dat vooral gebruikt werd voor werkkleding. Wij herinneren ons nog het woord "pilobroek". (TTP 96; 1970)
- WBD II.4. p. 882 - Van Dale zegt bij "pilo" (uit het Engelse woord "pillow"): "Soort van glad fustein, gekeperd half linnen, half katoen weefsel, vooral gebruikt voor werkkleding." - J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij "pilou" (wordt hier het Franse woord pilou" bedoeld in de betekenis van "pluizige katoenstof?); "Katoenen weefsel in satijnbinding geweven en in donkere kleuren geverfd. Normale ketting en een inslag uit dik, grof en kortvezelig garen (voor het ruwen van de achterzijde). Toepassing: werkmanskleeding." Burgers zegt bij "pilow": "Zware katoenen stof, garen no. 5-16. Voornamelijk in het binnenland gebruikt voor mannenbovenkleding. Ook wel geschreven pilo, piloux." Ook deze definitie maakt dus de zaak niet duidelijker. "Pilo" wordt door de respondent van K 174 vereenzelvigd met "Turks leer" dat gebruikt wordt voor bruine broeken. - pilo: pielóó, K 183 (= Tilburg)
- WNT, lemma Pilo 1923 - (klemt. op de 1ste lettergr.), zelfstandig naamwoord onz.; mv. ongebruikelijk. Ook in den niet-vernederlandschten vorm pillow. Ontleend uit het Eng. pillow in dezelfde bet., een bijzondere toepassing van het woord pillow, dat identisch is met ndl. peluw, peuluw (verg. PEULUW). Benaming van zekere geweven stof voor kleedingstukken: eene soort van fustein dat glad is. Pilo is een half linnen, half katoenen weefsel, dat zeer sterk is en veel door werklieden wordt gedragen, WINKLER PRINS, Encyclop. 13, 661 b. - Het fustein is eigentlijk katoenen bombazijn; men onderscheidt ruw en glad fustein. Het gladde of pillow (pillow) heeft òf eene 4-schachtige keper van denzelfden aard als het croisé , doch is grover en van dichter weefsel dan het croisé, òf eene 4-schachtige éénzijdige keper, KUYPER, Technol. 2, 269. - Bij sommige fluweelsoorten is de geheele vlakte van het doek gelijkmatig met floers bedekt, bij andere wisselt het floers met gewone weefsels af, en vertoont bloemen of strooken (koord-manchester, pillow), GROTHE, Mechan. Technol. 369 [1879]. bijvoeglijk gebruik
- Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De mol van Baokel, 1944 - in z'n piloowe pekske...
- De Bont, Dialect van Kempenland (1958) - bijvoeglijk naamwoord pillows, van pillow ''n piellese broek'

pillòtbroekzelfstandig naamwoord
manchesterbroek
Tilburgsche Courant 7-10-1911
pimpremuntzelfstandig naamwoord
pepermunt de klankverandering mogelijk naar de Engelse vorm: peppermint
pinzelfstandig naamwoord
1 pin, dennennaald
zelfstandig naamwoord
2 overdreven zuinig iemand, gierigaard
3 dooddoener
naam
4 Informant Ad Vinken; Gehaast
6 onderdeel werktuig
7 figuurlijk - sigaar
Pindaverkoper - bron: Het geheugen van Nederland
pindamènnekezelfstandig naamwoord
pindamannetje
zelfstandig naamwoord
pindanutje pindanootje; pinda
pindòlzelfstandig naamwoord
pindraodzelfstandig naamwoord
prikkeldraad
pineegelzelfstandig naamwoord
egel, stekelvarken
figuurlijk gebruik
scheldwoord - Cees Robben - Ik zeej: dr uit pinegel.. (19650402)
pinhaorzelfstandig naamwoord
pinkewerkwoord
pinkerewerkwoord
zelfstandig naamwoord
Ill. Thomé - pinksterblom - margriet - chrysanthemum leucanthemum pinksterblom, pinksterblumke pinksterbloem(pje)
pinnewerkwoord
walmen
pinnegnaam
gierig
pinnekesdraodzelfstandig naamwoord
prikkeldraad
zelfstandig naamwoord
draad met pinnen; prikkeldraad
pinnekesgewichtzelfstandig naamwoord
nauwkeurig gewicht; geen streepje meer of minder op de schaal
pintzelfstandig naamwoord
pinwòrtelzelfstandig naamwoord
Pirkezelfstandig naamwoord
Peter, Piet, Pieter, Petrus
zelfstandig naamwoord
pèèr Cees Robben - detail uit Prent van de Week 27 september 1985- I - peer (vrucht)
naam
Dapper, pittig peerebumke, zuute troost in 't traonendal, rijk en vriendelijk suiker-umke, waor ik eens van stroebele zal, mee oe vuutjes staode in d'eerde, mee oe teentjes zuigde sap, mee oe blaoikes aosemde weerde uit de locht, om, nap aon nap, peer aon peer zuut vol te tappe, vol te spanne tot oe vel kleurt en zwelt van rijpe sappe naor den aord van oe gestel: vijftig sappige "Louise bonne d'Avrange" (hoe 'n rare taol!) wilde leveren en ik zie ze al ligge lokken op de schaol! Bonne Louise d'Avranches
Uit: Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant, A. Weijnen 1937 2 oorvijg
zelfstandig naamwoord
Sierarke blèrt wir hèùzehôog./ Hij heej en pèèr gekreege (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wè ist verschil?)
Linosnede: Rolf Janssen
naam
peertje verkleinwoord van 'pèèr' Petrus - Pirke - Donders; detail van een 'creditcard' met op de achterzijde een smeekbede Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.
zelfstandig naamwoord
Petertje, Pietje verkleinwoord van 'Peer', met vocaalkrimping
Pirke Donders, gij die ene zeege z èèt vur de meense omd è grènze vur jou nie bestonde omd è vur jou kleur, gelêû f, rang òf staand der nie toe deeje. Pirke Donders, meej oewen oope k èèk op de wèèreld die opkwaam vur iedere meedemeens as vur ene vriend die meej oew gouwe hart t èèd en römte ooverbrugde die liet zien d è God der is vur alle meens Pirke Donders, h èlp ons saome stèèrk te zèèn in moejeleke tije h èlp ons mekaare te leere kènnen èn begrèèpe h èlp ons om de wèèreld schôoner èn beeter te maoke. (2013)
pirzekzelfstandig naamwoord
perzik (Persica)
pirzikzelfstandig naamwoord
perzik (Persica)
piszelfstandig naamwoord
pis, urine
Ill.: Thomé - pisbloem - paardebloem - mòlslaoj - taraxacum officinale
pisblomzelfstandig naamwoord
paardebloem, pisbloom, pissebloem (Taraxacum)
piskezelfstandig naamwoord
peesje, katoentje van een lamp of kaars de touwsoort die gebruikt werd om bij het kinderspel haktollen de tol tijdens het werpen aan het draaien te brengen - Cees Robben - [Kinderen in een winkeltje:] Meneer, verkôôpte sewèèle nog drèèfdöllekes meej n zwipke en hakdöllekes meej n piske... (19800418) pees van een handboog - Cees Robben - t Taaije piske wier gespannen (19560714) de touwsoort die gemakkelijk brandt en smeult
piskeblaoze, -braande
zelfstandig naamwoord
Schilderij van Jan Steen - 'Bezoek van de huisarts' - 17e eeuw piskèèker piskijker
pitjeskèèspitjeskaas - Henk van Rijen (1998): = gemèènekèès: komijnekaas, nagelkaas - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - komijnekaas, Leidse kaas - WBD III. 2.3:147 'pitjeskaas' = komijnekaas
pitszelfstandig naamwoord
slechte eter
pitsewerkwoord
pitsen, kieskeurig eten; met beetjes opeten
- Daamen, Handschrift Tilburgs (1916) - "pitsen - overal even van proeven"
- Cees Robben - Zit nie zôô te pitse.. pie-lie-klôôt.. (19800718)
- Ik zaat mar te pitse, meej de leepel te ruure. (Henriëtte Vunderink, haovermoutepap, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
- WBD III.2.3:17 'pitser' = IDEM
- WBD III.2.3:24 'pitsen' = met kleine beetjes eten
- Jan Naaijkens, Dè's Biks, 1992 - pitse ww - pielieje
- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - PITSEN - sterken drank drinken, den sterken drank met kleine slokjes drinken.
- Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PITSEN onov.ww - kieskeurig eten = pieliën.
- De Bont, Dialect van Kempenland (1958) - pits ə (n), zwak werkwoord intransitief 'pitsen' - 1) met lange tanden eten; 2) sterke drank met kleine beetjes drinken.
- Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PITSEN - scherp nijpen, knijpen met duim en wijsvinger, met de nagelen of eene tang, Frans: pincer; nauwelijks het voedsel aanraken, zonder lust eten
- Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PITSEN - eventjes aanraken en er een stuksken afnemen
- Goemans, Leuvens taaleigen (1936): PITSEN pits ə wkw (reg.) - nijpen
pittezelfstandig naamwoord
klappen, slaag pitte beure - slaag krijgen (minder zwaar dan 'slaog')
pjeedepoelwerkwoord
placht (verleden tijd van 'plegen')
plzelfstandig naamwoord
plaankzelfstandig naamwoord
plank, plankje
plaantewerkwoord
planten
plaaszelfstandig naamwoord
plas, plasje
plaaske/plèskezelfstandig naamwoord
plas, plasje
plakzelfstandig naamwoord
plek stuk grond, oppervlakte
zelfstandig naamwoord
vlek
zelfstandig naamwoord
plak, plakje, plaats, plaatsje, plek, plekje
plandèèszelfstandig naamwoord
naam
planke van houten planken
naam
planke hèùze Maycrete woningen aan de Jan van Rijzewijkstraat; circa 1949. Collectie Regionaal Archief Tilburg
plankzelfstandig naamwoord
plank, plankje
plaogewerkwoord
plagen
plaogstòkzelfstandig naamwoord
plaaggeest
plaotzelfstandig naamwoord
plaat, plaatje, ook grammofoonplaat(je)
zelfstandig naamwoord
plaotepoetser platenpoetser, knecht in de bakkerij die de bakplaten voorbereidt
plaotswerkwoord
plasse plassen, urineren
plaotskewerkwoord
plasse plassen, urineren
plasterzelfstandig naamwoord
pilaster
platzelfstandig naamwoord
naam
M'N AAW PLAT Ik haaw toch zoveul van m'n schoon aaw plat; et rolt zo gezond van oew lippe en et slibbert er over oew tong zo glad en et huppelt zo locht op oew lippe. En ik veen et zo zund dè m'n schoon aaw plat zo zuutjesaon gao verdweene... 't is ruig, 't is rauw, - dè-d-is et! - 'n Fát die kan er geen schoon aon veene! Mar ìk, och, ik haaw toch zo veul van m'n plat; 't is oermuziek in m'n oore; 'k hè deurom et plat van m'n weeversstad veur m'n liekes uitverkore.
2.1 bijvoeglijk naamwoord, in het bijzonder toegepast op kinderen die nog niet kunnen lopen
Nillus ha zis klène bluukes, daor ware twee platte kender bij, Jaans moes nog wè zuutjes aon doen, was pas efkus in de rij.
platienehaokzelfstandig naamwoord
platinehaak uit Frans 'platine' en haak
Foto circa 1904. Fotograaf: Henri Berssenbrugge (?)
plattebèùszelfstandig naamwoord
lange kookkachel met langwerpige platte buis en zichtbare pot; potkachel met naar achteren verlengd rookkanaal onder verlengde kookplaat
platwèèfselzelfstandig naamwoord
plavèùszelfstandig naamwoord
plavuis, gebakken vloertegel
pleezelfstandig naamwoord
plee, W.C.
plèègewerkwoord
plegen
pleejzelfstandig naamwoord
plee, W.C.
pleejbòrselzelfstandig naamwoord
wc-borstel
plèènzelfstandig naamwoord
plein
plèètebij woord pleite uit het Henreeuws
pleisterewerkwoord
plèkzelfstandig naamwoord
kleverige, doorschijnende vloeistof uit sommige bomen; plèksel, hars, mèlk
plaats
vlek
kleefkruid
Galium aparine - kleefkruid
plèkbaandzelfstandig naamwoord
plèkbòlzelfstandig naamwoord
benaming voor (vooral heren-)kapsel met veel brillantine
plèkbrôozelfstandig naamwoord
broodsoort
plèkdrzelfstandig naamwoord
bolus, bepaald baksel; ook 'plèkbrôojke'
zelfstandig naamwoord
plèkjaones lekkernij van brood, bolus
plèkkewerkwoord
plakken 1. met lijm e.d. hechten, kleven
Stickers op de vuilcontainer plakken. Ontwerp van Sander Neijnens en Ivo van Leeuwen.
werkwoord
2. Figuurlijk: ergens blijven, niet weg (willen) gaan uitdrukking - blèève plèkke - niet weten te vertrekken
Sticker van de Tilburgse carnavalsvereniging De Raawdaawers. Foto CuBra 2020. Sticker van de Tilburgse carnavalsvereniging De Jassen. Foto CuBra 2024.
plèkplòtjezelfstandig naamwoord
plakplaatje, etiket
plèkselzelfstandig naamwoord
plaksel, met water aangemaakt plakmeel; kleverige,doorschijnende vloeistof uit sommige bomen; plèk, hars, mèlk
zelfstandig naamwoord
plèktrommel plaktrommel; een trommeltje waarin kinderen tijdens de vastentijd hun snoepgoed opspaarden om pas met Pasen op te eten. In de tussentijd was veel zoetigheid plakkerig geworden.
plèkskezelfstandig naamwoord
plak, plakje, plaats, plaatsje, plek, plekje
zelfstandig naamwoord
kleverige, doorschijnende vloeistof uit sommige bomen; plèksel, hars, mèlk
plaats
vlek
kleefkruid
Galium aparine - kleefkruid
plèkzakzelfstandig naamwoord
plèngskezelfstandig naamwoord
plank, plankje
zelfstandig naamwoord
plankje
gezegde metafoor voor de borsten van een vrouw
plènnekezelfstandig naamwoord
plannetje = Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1935 - 'plenneke'
plèntzelfstandig naamwoord
plint
plèntjezelfstandig naamwoord
plein
plèskezelfstandig naamwoord
plèssewerkwoord
plessen
plèsterijzelfstandig naamwoord
plesserij, de afdeling in het textielfabriek waar geweven stukken gewassen worden
plèùmzelfstandig naamwoord
pluim
plèùszelfstandig naamwoord
pluis
plèùsèèzerzelfstandig naamwoord
1. pluisijzer, instrument om oneffenheden uit weefsels te verwijderen; nopijzer
Tilburgse nopsters, begin 1900 gefotografeerd door Henri Berssenbrugge. Uit: Jef van Gils en Ronald Peeters, Tilburgers in beeld (1996) Nopijzer - 1960 - collectie Audax Textielmuseum Nopijzer - 1960 - collectie Audax Textielmuseum 2. overdrachtelijk: pincet voor huishoudelijk gebruik
Piet van Beers Gin vergif op de tùin: En zitten er in kôol of slaoi/ wè slekke, of wè lùize,/ dan laot ik heur z'er èen vur èen/ mee 'n pincet ùitplùize. (With Love; 1982-1987)
zelfstandig naamwoord
plèùster pluister; lakenpluister; nopster
NieuweTilburgsche Courant 16-1-1920
plèùzewerkwoord
pluizen; handmatige nabewerking van geweven stukken (net als noppen): plèùze - plôos - geplooze (overgankelijk) geen vocaalkrimping de pluizen in het weefsel verwijderen.
werkwoord
Toen ging ie mee bukkum leure, mee de kreugel van de buur, Jaans pluisde wol, deej stukke, 't was genog vur brood en huur. (Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie) manier van eten
plevèùszelfstandig naamwoord
plavuis
plezaantnaam
plezierig
plezantnaam
plezierig
pliesiezelfstandig naamwoord
politie(apparaat), politieagent
Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1935 - pliesie, plisie, plitie, pelisie, peliesie, pelissie
zelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
pliesiebroo, pliesiebuuroo politiebureau
pliesiegèntzelfstandig naamwoord
agent van politie
pliesiemutszelfstandig naamwoord
politiepet (?)
plimpzelfstandig naamwoord
wimper
plimperzelfstandig naamwoord
wimper
plintzelfstandig naamwoord
plöddekezelfstandig naamwoord
in twee betekenissen; zowel negastief als positief
zelfstandig naamwoord
1 geniepig, klein persoontje, trage, vadsige persoon
2 troetelnaam ...lillik plöddeke daor ge staot (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940)
zelfstandig naamwoord
3 andere bronnen
ploegewerkwoord
ploegen
ploegstartzelfstandig naamwoord
ploegstaart
plòkzelfstandig naamwoord
werkwoord
verleden tijd van plukke plok
plömkezelfstandig naamwoord
pluim
zelfstandig naamwoord
pluimpje
zelfstandig naamwoord
plonsplee primitieve toiletvoorziening waarbij de ontlasting direct in het water van de onderliggende put valt
zelfstandig naamwoord
plôoje
plôoswerkwoord
ploos, pluisde
verleden tijd van plèùze
plöskezelfstandig naamwoord
pluis
zelfstandig naamwoord
pluisje
zelfstandig naamwoord
ploster [plöster ?] pleister
plòtjezelfstandig naamwoord
plaat, plaatje, ook grammofoonplaat(je)
zelfstandig naamwoord
plaotepoetser platenpoetser, knecht in de bakkerij die de bakplaten voorbereidt
zelfstandig naamwoord
plaatje Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1935 - fietsplòtje
plòtszelfstandig naamwoord
plaats; omsloten binnenplaats achter een huis
plòtsewerkwoord
plaatsen
werkwoord
p luiere Aan een slepende ziekte of een kwaal lijden.
plòtskezelfstandig naamwoord
plaats; omsloten binnenplaats achter een huis
pluierijzelfstandig naamwoord
nare zaak, in het bijzonder een ziekte of kwaal
plukkewerkwoord
plukken
zelfstandig naamwoord
plukselköltje plukselkuiltje
pluuszelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord: pluchen korte u
poejer ewerkwoord
poelzelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
prijs mogelijk van Engels 'pool', de geldelijke inleg bij het voorspellen van sportuitslagen
poel knippewerkwoord
kinderspel
poelekezelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
Pierre van Beek - Gift den oome is en poeleke. Witt. - kinderwoord voor 'handje'
poelenwerkwoord
poolen [Engels: pool]
poelepetaotzelfstandig naamwoord
parelhoen (Numida meleagris)
naam
numida meleagris- poelepetaot Benamingen parelhoen in Woordenboek van de Brabantse Dialecten
vrouwspersoon die opvalt door dom of raar doen
poeliezelfstandig naamwoord
Pierre van Beek - aaw poelie - oude vrijster
poeliejewerkwoord
met of in water spelen
poeliepèètzelfstandig naamwoord
slappe koffie, loerie
poemzelfstandig naamwoord
geld
zelfstandig naamwoord
poep poep
poepewerkwoord
Poeper de Leppernaam
Poepersteegzelfstandig naamwoord
De Hoogtestraat, die vroeger een slechte reputatie had
Toen ik nog een jungske was Van een jaar of negen Kwam ik in de poepesteeg Een grote joekel tegen Ik dacht als ik nou verder loop Dan kan ie misschien wel bijten Maar hij schoot een poortje in En ging daar zitten schijten Tralala lala (bis)
Poepesteegzelfstandig naamwoord
De Hoogtestraat, die vroeger een slechte reputatie had
Toen ik nog een jungske was Van een jaar of negen Kwam ik in de poepesteeg Een grote joekel tegen Ik dacht als ik nou verder loop Dan kan ie misschien wel bijten Maar hij schoot een poortje in En ging daar zitten schijten Tralala lala (bis)
poepestèùverzelfstandig naamwoord
achterste, gat, kont vorm en kleur van de oude munt 'stuiver' doen vermoeden dat met name de aars, de sluitspier bedoeld is
Henk van Rijen - 'poepstööver'
zelfstandig naamwoord
poepke
poepstèùverzelfstandig naamwoord
achterste, gat, kont vorm en kleur van de oude munt 'stuiver' doen vermoeden dat met name de aars, de sluitspier bedoeld is
Henk van Rijen - 'poepstööver'
zelfstandig naamwoord
poepke
poeszelfstandig naamwoord
vrouwelijk geslachtsdeel
poeskezelfstandig naamwoord
katje; aarachtige bloeiwijze van sommige bomen
zelfstandig naamwoord
poetjakker
poetjezelfstandig naamwoord
in essentie verkleinwoord van poes diverse betekenissen 1 slecht verzorgd meisje
naam
2 koosnaam
naam
3 roepnaam 4 kinderspel
poetzakzelfstandig naamwoord
Poetzak heeft zeer uiteenlopende betekenissen dan wel verklaringen: bed, poetszak, troetelwoord voor een kind. Brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965 - archief erven Pierre van Beek
poffewerkwoord
pofferolzelfstandig naamwoord
mogelijk de verbastering van het Franse gerecht 'profiterol'
zelfstandig naamwoord
pòkke pokken; ziekte
pòjkezelfstandig naamwoord
paadje, padje verkleinwoord van 'pad', via plur. 'paden; paoden' met d-syncope
pòlzelfstandig naamwoord
hand, handen, handje Uit Latijns pollex = duim (of grote teen) In het Javaans 'pol' (verkorting van djempol) = duim
zelfstandig naamwoord
verkleinwoord
naam
roepnaam
pòllezelfstandig naamwoord
hand, handen, handje Uit Latijns pollex = duim (of grote teen) In het Javaans 'pol' (verkorting van djempol) = duim
zelfstandig naamwoord
verkleinwoord
naam
roepnaam
pòlleepelzelfstandig naamwoord
pollepel
Uitdrukking
pòllekezelfstandig naamwoord
hand, handen, handje Uit Latijns pollex = duim (of grote teen) In het Javaans 'pol' (verkorting van djempol) = duim
zelfstandig naamwoord
verkleinwoord
naam
roepnaam
zelfstandig naamwoord
polletje Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
pöllekewerkwoord
pulken, peuteren
pòllemikskezelfstandig naamwoord
pollebaksel, baksel zo groot als een kinderhand (mik = witbrood)
pòllesjaankewerkwoord
kijven, snauwen; de etymologie is niet bekend
polletiekzelfstandig naamwoord
politiek
pòlleviejezelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
Palingverkoopster op de markt - Foto: Regionaal Archief Tilburg pòlling Europese paling - Anguilla anguilla 1. paling
Ik dènk nog òn de tèèd zô´t vruuger was. Ge naamt dan bosse polling meej nòr hèùs. Ons moeder ha iets lèkkers opt fernèùs, èn sáoves nòr ´n kroeg of ´n tèrras.
Ons Jantje maauwt om olliebolle Ons Mietje om 'n suikerspin Ons Wies die vraogt gerukte paoling Ieder wil z'nen ège zin,
zelfstandig naamwoord
Òn alles hèb ik meegedaon k hèb ooveral ingezeete. Kenêelstok sèùkerspin èn friet Zèlfs pòlling hèk gegeete.
2. uit de neus gepeuterd snot
Prentbriefkaart ter promotie van de 'Jaozeetie' (zie dat lemma). Afbeelding: facebook.com/dejaozeetie, 2019.
pòltjezelfstandig naamwoord
paaltje
pommeleejzelfstandig naamwoord
Uit Frans 'pommelé' = appelgrauwe schimmel
pommeraanszelfstandig naamwoord
pomerans, dopje van leer of vilt aan de punt van de keu
werkwoord
pompe pompen
pomphoorezelfstandig naamwoord
Henk van Rijen - roerdomp (Botaurus stellaris)
pomstêenzelfstandig naamwoord
stenen bak onder een pomp
pömstêenzelfstandig naamwoord
puimsteen nog geen bewijsplaatsen aangetroffen
pomstesjonzelfstandig naamwoord
pompstation
ponzelfstandig naamwoord
verkorte vorm van japon
ponniezelfstandig naamwoord
pony , hit, klein paard van het Shetlandras (Hitland) 1 het paardje
naam
2 overdrachtelijk: dienstmeid, dienstmeisje
pontefiekaolbijwoord
pontificaal
ponteneurzelfstandig naamwoord
eergevoel uit Frans 'point d'honneur'
pôojzelfstandig naamwoord
pookewerkwoord
poken; opstoken, opgewonden raken of zijn
poolew erkwoord, zwak
werkwoord
pellen, peulen, uit de huls halen
pôotzelfstandig naamwoord
poot, pootje, voet
Tilburgse bijnamen
popzelfstandig naamwoord
pop, diverse betekenissen
poppelierzelfstandig naamwoord
populier, 'poopelier', 'flierbôom', 'pèppel', 'waajbôom'
poppestrontzelfstandig naamwoord
poppenstront
Pòrkes, de [Porkes ?] volkstoponiem Deel van de wijk Korvel. De uitspraak is niet zeker, gezien de enige bron:
pòrsblòkzelfstandig naamwoord
persblok
pòrsewerkwoord
persen
pòrtzelfstandig naamwoord
part, deel, aandeel
pòrtansiezelfstandig naamwoord
belang
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
pòrtebriezeezelfstandig naamwoord
Advertentie in Nieuwe Tilburgsche Courant 10-8-1918 Etymologie
- Ed Schilders; WTT 2013 - In het Tilburgs opgetekende varianten zijn onder andere: porteveseedeur, pòrtebrisseejdeure. Deze woorden zijn tot nu toe nooit geboekstaafd in hun werkelijke betekenissen maar altijd in latere, humoristische varianten waarin sprake is van 'dubbele' en 'schuifdeuren'. De vormen met 'fesee' zijn afgeleid van het Franse 'porte-vitrée' dat eenvoudigweg iedere 'deur met daarin glas' betekent. In het dialect van Hilvarenbeek is de afleiding beter zichtbaar gebleven doordat de 'ie' volgens Naaijkens (Jan Naaijkens, Dè's Biks, 1992) behouden is gebleven: 'porteviezeedeur'. De vormen met 'briesee' zijn afgeleid van het Franse 'porte-brisée' ('gebroken deur') waarmee oorspronkelijk vouwdeuren bedoeld werden. Vergelijk: Lodewijk Lievevrouw-Coopman, Gents woordenboek deel 2, 1951: PORTE-BRISÉE. (Fr.) Vouwdeur, samengesteld uit 3, 4, soms 6 deelen, die aan elkander hangen, de twee buitenste bevestigd aan de omlijsting of de muren.
- WNT - 1936, lemma Porte-brisée - Ze komt gewestelijk ook in allerlei verbasterde vormen voor, zoo bijvoorbeeld als pordevisée in Nederl. Limburg (Onze Volkst. 2, 226 a); (...) Een verduidelijkende samenst. is portebrisée-deur (zie S. DE GRAVE, Frans: Woorden 333), die nog in verschillende verbasteringen bekend is; portefeseedeur (in de Zaanstreek: Onze Volkst. 1, 41; in Z.-Afr.: MANSVELT); portefiséedeur (in de Ned.-Betuwe: Onze Volkst. 1, 178); portesiedeur (MANSVELT).
- WNT - 1967 - lemma Vleugeldeur - 1. Dubbele deur, vouwdeur, uit twee helften bestaande deur. Porte brisée, à deux battants, vleugel-, dubbele deur, V. MOOCK 957 b [1824]. Porte-brisée. Dubbele deur tusschen twee vertrekken en suite, welke ook moeten kunnen worden afgesloten. Maakt men de deuren draaiend, dan noemt men ze ook Vleugeldeuren, ZWIERS 2, 230 b [1920]. Scherstend
- WNT - 1936, lemma Porte-brisée Om een sterk pleonasme aan te duiden zegt men schertsend wel: dat is een dubbele portebrisée-deur met twee openslaande deuren.
- Ed Schilders; WTT 2013 - Deze woordgrap dateert uit de 19de eeuw, getuige dit bericht uit de Nieuwe Tilburgsche Courant van 18-9-1906:
- Tilburgsche Courant 9-8-1906 anoniem artikel over modieus taalgebruik - Zou het grootste nadeel van het gebruik van vreemde woorden misschien niet zijn dat zoo weinigen [deze woorden] begrijpen (...) Zou dit berichtje niet nog duidelijker worden, zoo hieraan was toegevoegd wat wij in onze jeugd eenmaal uit den mond van een oude type van een onderwijzer opvingen: dubbele porte-brisée-schuifdeur, die van weerszijden open en toe gaan.
- Cees Robben - 'dubbel open-slaonde porte-vesee-deuren' [bedoeld als overdrijving voor een luxueuze inrichting] (Prent van de week 15-1-1965)
- Henk van Rijen - oopestònde dubbele pòrtefeseeschööfdeure - openstaande dubbele schuifdeuren
- Noord en Zuid, jrg. 14, 1891, p. 178 Over pleonasmen [...een zin] die doet denken aan een rijdenden cavalerie-ruiter te paard" of een porte-briséedeur met twee deuren, die aan beide kanten opengaat."
zelfstandig naamwoord
Tilburgse bronnen
Advertentie in Nieuwe Tilburgsche Courant 14-10-1918 Advertentie in Nieuwe Tilburgsche Courant 15-4-1900 Advertentie in Tilburgsche Courant 19-4-1900 Een bijzonder verbasterde weergave
Nieuwe Tilburgsche Courant - 15-11-1933 - Te koop in goeden staat zijnde deuren met kozijnen, Trappen, Porte-forsé deuren, schoonen marmer schoorsteenmanteltje Vlimmenhoefstraat 77.
portefeseedeurezelfstandig naamwoord
Advertentie in Nieuwe Tilburgsche Courant 10-8-1918 Etymologie
- Ed Schilders; WTT 2013 - In het Tilburgs opgetekende varianten zijn onder andere: porteveseedeur, pòrtebrisseejdeure. Deze woorden zijn tot nu toe nooit geboekstaafd in hun werkelijke betekenissen maar altijd in latere, humoristische varianten waarin sprake is van 'dubbele' en 'schuifdeuren'. De vormen met 'fesee' zijn afgeleid van het Franse 'porte-vitrée' dat eenvoudigweg iedere 'deur met daarin glas' betekent. In het dialect van Hilvarenbeek is de afleiding beter zichtbaar gebleven doordat de 'ie' volgens Naaijkens (Jan Naaijkens, Dè's Biks, 1992) behouden is gebleven: 'porteviezeedeur'. De vormen met 'briesee' zijn afgeleid van het Franse 'porte-brisée' ('gebroken deur') waarmee oorspronkelijk vouwdeuren bedoeld werden. Vergelijk: Lodewijk Lievevrouw-Coopman, Gents woordenboek deel 2, 1951: PORTE-BRISÉE. (Fr.) Vouwdeur, samengesteld uit 3, 4, soms 6 deelen, die aan elkander hangen, de twee buitenste bevestigd aan de omlijsting of de muren.
- WNT - 1936, lemma Porte-brisée - Ze komt gewestelijk ook in allerlei verbasterde vormen voor, zoo bijvoorbeeld als pordevisée in Nederl. Limburg (Onze Volkst. 2, 226 a); (...) Een verduidelijkende samenst. is portebrisée-deur (zie S. DE GRAVE, Frans: Woorden 333), die nog in verschillende verbasteringen bekend is; portefeseedeur (in de Zaanstreek: Onze Volkst. 1, 41; in Z.-Afr.: MANSVELT); portefiséedeur (in de Ned.-Betuwe: Onze Volkst. 1, 178); portesiedeur (MANSVELT).
- WNT - 1967 - lemma Vleugeldeur - 1. Dubbele deur, vouwdeur, uit twee helften bestaande deur. Porte brisée, à deux battants, vleugel-, dubbele deur, V. MOOCK 957 b [1824]. Porte-brisée. Dubbele deur tusschen twee vertrekken en suite, welke ook moeten kunnen worden afgesloten. Maakt men de deuren draaiend, dan noemt men ze ook Vleugeldeuren, ZWIERS 2, 230 b [1920]. Scherstend
- WNT - 1936, lemma Porte-brisée Om een sterk pleonasme aan te duiden zegt men schertsend wel: dat is een dubbele portebrisée-deur met twee openslaande deuren.
- Ed Schilders; WTT 2013 - Deze woordgrap dateert uit de 19de eeuw, getuige dit bericht uit de Nieuwe Tilburgsche Courant van 18-9-1906:
- Tilburgsche Courant 9-8-1906 anoniem artikel over modieus taalgebruik - Zou het grootste nadeel van het gebruik van vreemde woorden misschien niet zijn dat zoo weinigen [deze woorden] begrijpen (...) Zou dit berichtje niet nog duidelijker worden, zoo hieraan was toegevoegd wat wij in onze jeugd eenmaal uit den mond van een oude type van een onderwijzer opvingen: dubbele porte-brisée-schuifdeur, die van weerszijden open en toe gaan.
- Cees Robben - 'dubbel open-slaonde porte-vesee-deuren' [bedoeld als overdrijving voor een luxueuze inrichting] (Prent van de week 15-1-1965)
- Henk van Rijen - oopestònde dubbele pòrtefeseeschööfdeure - openstaande dubbele schuifdeuren
- Noord en Zuid, jrg. 14, 1891, p. 178 Over pleonasmen [...een zin] die doet denken aan een rijdenden cavalerie-ruiter te paard" of een porte-briséedeur met twee deuren, die aan beide kanten opengaat."
zelfstandig naamwoord
Tilburgse bronnen
Advertentie in Nieuwe Tilburgsche Courant 14-10-1918 Advertentie in Nieuwe Tilburgsche Courant 15-4-1900 Advertentie in Tilburgsche Courant 19-4-1900 Een bijzonder verbasterde weergave
Nieuwe Tilburgsche Courant - 15-11-1933 - Te koop in goeden staat zijnde deuren met kozijnen, Trappen, Porte-forsé deuren, schoonen marmer schoorsteenmanteltje Vlimmenhoefstraat 77.
pòrtefezeedeurezelfstandig naamwoord
Advertentie in Nieuwe Tilburgsche Courant 10-8-1918 Etymologie
- Ed Schilders; WTT 2013 - In het Tilburgs opgetekende varianten zijn onder andere: porteveseedeur, pòrtebrisseejdeure. Deze woorden zijn tot nu toe nooit geboekstaafd in hun werkelijke betekenissen maar altijd in latere, humoristische varianten waarin sprake is van 'dubbele' en 'schuifdeuren'. De vormen met 'fesee' zijn afgeleid van het Franse 'porte-vitrée' dat eenvoudigweg iedere 'deur met daarin glas' betekent. In het dialect van Hilvarenbeek is de afleiding beter zichtbaar gebleven doordat de 'ie' volgens Naaijkens (Jan Naaijkens, Dè's Biks, 1992) behouden is gebleven: 'porteviezeedeur'. De vormen met 'briesee' zijn afgeleid van het Franse 'porte-brisée' ('gebroken deur') waarmee oorspronkelijk vouwdeuren bedoeld werden. Vergelijk: Lodewijk Lievevrouw-Coopman, Gents woordenboek deel 2, 1951: PORTE-BRISÉE. (Fr.) Vouwdeur, samengesteld uit 3, 4, soms 6 deelen, die aan elkander hangen, de twee buitenste bevestigd aan de omlijsting of de muren.
- WNT - 1936, lemma Porte-brisée - Ze komt gewestelijk ook in allerlei verbasterde vormen voor, zoo bijvoorbeeld als pordevisée in Nederl. Limburg (Onze Volkst. 2, 226 a); (...) Een verduidelijkende samenst. is portebrisée-deur (zie S. DE GRAVE, Frans: Woorden 333), die nog in verschillende verbasteringen bekend is; portefeseedeur (in de Zaanstreek: Onze Volkst. 1, 41; in Z.-Afr.: MANSVELT); portefiséedeur (in de Ned.-Betuwe: Onze Volkst. 1, 178); portesiedeur (MANSVELT).
- WNT - 1967 - lemma Vleugeldeur - 1. Dubbele deur, vouwdeur, uit twee helften bestaande deur. Porte brisée, à deux battants, vleugel-, dubbele deur, V. MOOCK 957 b [1824]. Porte-brisée. Dubbele deur tusschen twee vertrekken en suite, welke ook moeten kunnen worden afgesloten. Maakt men de deuren draaiend, dan noemt men ze ook Vleugeldeuren, ZWIERS 2, 230 b [1920]. Scherstend
- WNT - 1936, lemma Porte-brisée Om een sterk pleonasme aan te duiden zegt men schertsend wel: dat is een dubbele portebrisée-deur met twee openslaande deuren.
- Ed Schilders; WTT 2013 - Deze woordgrap dateert uit de 19de eeuw, getuige dit bericht uit de Nieuwe Tilburgsche Courant van 18-9-1906:
- Tilburgsche Courant 9-8-1906 anoniem artikel over modieus taalgebruik - Zou het grootste nadeel van het gebruik van vreemde woorden misschien niet zijn dat zoo weinigen [deze woorden] begrijpen (...) Zou dit berichtje niet nog duidelijker worden, zoo hieraan was toegevoegd wat wij in onze jeugd eenmaal uit den mond van een oude type van een onderwijzer opvingen: dubbele porte-brisée-schuifdeur, die van weerszijden open en toe gaan.
- Cees Robben - 'dubbel open-slaonde porte-vesee-deuren' [bedoeld als overdrijving voor een luxueuze inrichting] (Prent van de week 15-1-1965)
- Henk van Rijen - oopestònde dubbele pòrtefeseeschööfdeure - openstaande dubbele schuifdeuren
- Noord en Zuid, jrg. 14, 1891, p. 178 Over pleonasmen [...een zin] die doet denken aan een rijdenden cavalerie-ruiter te paard" of een porte-briséedeur met twee deuren, die aan beide kanten opengaat."
zelfstandig naamwoord
Tilburgse bronnen
Advertentie in Nieuwe Tilburgsche Courant 14-10-1918 Advertentie in Nieuwe Tilburgsche Courant 15-4-1900 Advertentie in Tilburgsche Courant 19-4-1900 Een bijzonder verbasterde weergave
Nieuwe Tilburgsche Courant - 15-11-1933 - Te koop in goeden staat zijnde deuren met kozijnen, Trappen, Porte-forsé deuren, schoonen marmer schoorsteenmanteltje Vlimmenhoefstraat 77.
pòrtefuuliezelfstandig naamwoord
portefeuille Uit Frans: 'portefeuille'
portegbijwoord
etymologie onbekend
werkwoord
pòrtele portelen, hier: winden laten
pòrtemeneejzelfstandig naamwoord
portemonnee ; uit Franse portemonnaie - Cees Robben - Mn portemenee laag toch vattesgereed... (19860613)
portjezelfstandig naamwoord
poortje; achteringang
pòsbojzelfstandig naamwoord
postbode - Cees Robben - Dn postboj (19570706)
pösjezelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
pòsseegel postzeegel
In onze jeugd werd ons iets verteld over de post, dat reeds lang is vervallen. Het was namelijk strafbaar een geadresseerde brief van de ene plaats naar de andere te vervoeren of bij zich te dragen buiten de plaats van herkomst. (De P.T.T. heeft nu nog het monopolie van brievenvervoer.) Met de postzegels ging het integendeel nogal te goeder trouw. Althans in Tilburg. Op Korvel bijv. hebben wij meermalen gezien, dat brieven in de bus, die stond tegen de oude kerk, werden gestoken en daarbij 5 centen in een papiertje gevouwen. Het postkantoor was ver weg en daar ging men niet om de haverklap naar toe.
zelfstandig naamwoord
puist, puistenm, puistje
pòstzelfstandig naamwoord
post
pöstzelfstandig naamwoord
puist, puistenm, puistje
pöstezelfstandig naamwoord
puist, puistenm, puistje
pòtzelfstandig naamwoord
pot, potje eet- en drinkgerei
Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tapt ene pòt vant biste bier want grutvadder is dôod (D'16) - Men loopt op de erfenis vooruit.
verpakking
maaltijd
partijtje
pispot
pòtaasenezelfstandig naamwoord
potassium
pòtdoomebastaardvloek, verbasteriing vamn 'godverdomme'
potjezelfstandig naamwoord
poot, pootje, voet
Tilburgse bijnamen
zelfstandig naamwoord
pootje
pötjezelfstandig naamwoord
pot, potje eet- en drinkgerei
Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tapt ene pòt vant biste bier want grutvadder is dôod (D'16) - Men loopt op de erfenis vooruit.
verpakking
maaltijd
partijtje
pispot
zelfstandig naamwoord
potje
potjelappewerkwoord
beentje lichten, pootje lappen
pötjesmèrtzelfstandig naamwoord
rommelig vertrek; rommelmarkt
pòtjeverdeezeme bastaardvloek
pòtlôodzelfstandig naamwoord
potlood
pòtlôojerzelfstandig naamwoord
potloden
potszelfstandig naamwoord
plat, baret-achtig hoofddeksel
pòtstalzelfstandig naamwoord
achterstal
zelfstandig naamwoord
pòtternòster paternoster, rozenkrans
pòtstukzelfstandig naamwoord
vervelend iemand
pòtte(r)nòsterzelfstandig naamwoord
rozenkrans
► <span style="font-size:12.0pt;font-family:Garamond;mso-bidi-font-family:
pòttentrulzelfstandig naamwoord
kinderspel
pòtverdeesemebastaardvloek
pòtverdòt bastaardvloek alleen aangetroffen in een dialectvers van Leo Heerkens
pòtvergimme bastaardvloek
pòtverdommekezelfstandig naamwoord
sikje, sierbaardje onder onderlip de beeldspraak is niet duidelijk
praachtzelfstandig naamwoord
pracht
praajnaam
prei - Allium ampeloprasum - een plant uit de lookfamilie (Alliaceae);
werkwoord
Ill.: Thomé - allium porrum Linnaeus (links onder B) en allium scorodoprasum (rechts onder A) prakkedènke contaminatie van prakkezeren en denken
prakkezaosiezelfstandig naamwoord
Henk van Rijen - zorg, bekommernis
prakkezeerewerkwoord
prakkezeren, diep nadenken, bedenken, uitdenken, overwegen
praogerkezelfstandig naamwoord
praomzelfstandig naamwoord
praam, prangijzer Bij de hoefsmid Praam rond de neus van het paard - bron: wwe.imadia Door het aandraaien van de praam komen er hormonen (endorfinen) los in het bloed waardoor het paard niet gestresst raakt.
Bij de radenmaker
zelfstandig naamwoord
uitdrukking - De praom eróp zètte - de duimschroeven aandraaien Bij de molenaar
praotzelfstandig naamwoord
praat wat iemand te zeggen heeft, gezien de omstandigheden
zelfstandig naamwoord
een praatgraag persoon - Cees Robben - Ons Filleke des toch zon praot war.. (19720714)
praatjes, in de zin van ongunstige berichten, geroddel
ter sprake komen
► 'pròts' en volgende tefwoorden
praotewerkwoord
praten praote - pròtte - gepròt, met vocaalkrimping; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij pròt
282 'deftig,hoog, uit de hoogte, Haags praten' = bekakt praten
praoterijzelfstandig naamwoord
roddel
praotwaoterzelfstandig naamwoord
praatwater alcoholische drank benaming van een Tilburgse biersoort (triple) Foto: CuBra 2018 preediekaosie zelfstandig naamwoord predicatie; een lezing in de protestantse kerk; in tegenstelling tot 'preek' in de katholieke kerk
preejzelfstandig naamwoord
waarschijnlijk afgeleid uit het Franse 'prêt', in de betekenis van loon dat op voorhand werd uitgekeerd.
preekew erkwoord preken
ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij prikt
1. een predikatie houden, vanaf de preekstoel spreken
2. andere betekenissen
prèèkewerkwoord
prijken
prèèszelfstandig naamwoord
prijs (zowel beloning als waarde-aanduiding)
prèèzewerkwoord
prijzen
prefêetzelfstandig naamwoord
profeet
prefèètzelfstandig naamwoord
profijt, voordeel
prefèssiezelfstandig naamwoord
beroep, professie
prèlwègzelfstandig naamwoord
Tilburgsche Courant 8-9-1877
prèngelzelfstandig naamwoord
gierigaard
- WTT 2013 - afgeleid van het werkwoord 'prèngele'; dit werkwoord hangt waarschijnlijk samen met het moderne 'pingelen', 'afdingen'. Wie altijd afdingt = gierig.
- Èn wieste, dè ne prèngel/ nôot ene sènt kan misse? (Henriëtte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blèève haawe, 2007)
- WNT - lemma PRENGEL zelfstandig naamwoord mannelijk (vr?) van de wortel 'prang' (± = klem), met verkleinwoordsuffix -el - 1) dikke stok, knuppel; II) naam v.persoon: 1) lompe vlegel, pummel; 2) in Gron. nietig, tenger ventje; in Maastr. 3) dik, mollig kind;
- WNT - lemma PRENGELEN - Samenstellingen: PRENGEL, 1°. Gierigaard, in N.-Brab. (Onze Volkst. 1, 220; SCHUERM. [1865-1870]); 2°. Iemand, inzonderheid een vrouw, die altijd afdingt (SCHUERM. [1865-1870]; CORN.-VERVL.) PRENGELAAR (prangeleer, JOOS [1900-1904]; prengelèèr, CORN.-VERVL.; prenkeleer, SCHUERM. [1865-1870]). PRENGELKONT, vrouw die altijd afdingt (CORN.-VERVL.).
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PRENGEL zelfstandig naamwoord v. - vrouw die altijd prengelt alvorens te koopen.
- Henry J. Blacquière, u it: De boeren van Kleidorp Noordbrabant, 1956 - Toen het zaterdagavond was en het werkvolk op de "geut" stond om hun loon te ontvangen, stond de deur naar het woonvertrek open. En toen de baas tegen Hanneske zei: "Ou koei is gestierd van de weak, dus da's veur jou zeuve stuivers minder," klonk het opeens door de open deur uit het woonvertrek:""Neeë, aacht!" Zodoende kreeg Hanneske acht stuivers minder uitbetaald en Mie had haar zin. Ze had hem toch nog een stuiver afgeprengeld.
- Schuermans - DJANGELEN, o. w. bij het koopen scherp afdingen : die vrouw kan niets koopen zonder djangelen. Dit woord, veel met prangelen verbonden, schijnt ons den zelfden wortel te hebben als dingen, waar het een verbasterd freq. van wezen zal. Men zegt ook te Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - st. en pr. afdjangelen, in Br. afprengelen of afprenkelen ( Z. blz. 11 ). (Algemeen Vlaamsch Idioticon; 1865 e.v.)
- Schuermans - onder PRENGEL - in Antw., KL.-Br., Kemp. en elders: aanhoudend drukken, geweld, moeite doen, bijzonderlijk in den handel, in het koopen en verkoopen om wat af te dingen, en vandaar dat afprengelen 't zelfde is als : afdingen, djangelen. Prengel bet. in N.-Br. : een die altijd afdingt, een gierige en vrekkige mensch ; te Maastr.: een dik kind; elders in Limb. : iemand die stijf en lomp is, een kinkel. PRENGELAAR, een die prengelt. (Algemeen Vlaamsch Idioticon; 1865 e.v.)

prèngelewerkwoord
scherp afdingen
prèskezelfstandig naamwoord
prijs (zowel beloning als waarde-aanduiding)
presonteerewerkwoord
presteren
prèùkzelfstandig naamwoord
pruik, pruikje
prèùkemaokerzelfstandig naamwoord
prèùmew erkwoord, zwak pruimen (van tabak) prèume - prömde - geprömd, met vocaalkrimping in tweede en derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd - gij / hij prömt
prèùmetèèdzelfstandig naamwoord
pruimentijd
prèùmtebakzelfstandig naamwoord
pruimtabak
Advertentie voor pruimtabak - Nieuwe Tilburgsche Courant 17 november 1921
prèùmzuutendirkzelfstandig naamwoord
priegelzelfstandig naamwoord
slaag
Ilex aquifolium - bron: wikipedia
prikbladzelfstandig naamwoord
hulst (Ilex aquifolium)
prikdraodzelfstandig naamwoord
prikkewerkwoord
prikken
Preekstoelen in Tilburgse kerken - vlnr: Goirke, Noordhoek, Hoefstraat - bron: Beeld on line
prikstoelzelfstandig naamwoord
preekstoel
- N. Daamen (handschrift 1916) - "prikstoel - predikstoel' de pastoor prikt goed; hij hee laank geprikt"
- A.J.A.C. van Delft, Nieuwe Tilburgsche Courant 30 november 1929 - Wanneer te Tilburg een paar "aongeteekend" is, d.w.z. ingeschreven ten ondertrouw in de registers van den Burgerlijken Stand, wordt ook de Kerk in 't ceremonie betrokken doordat het toekomstige paar driemaal van den preekstoel afgeroepen moet worden. Dit heet hier ter stede "de roepen krijgen", terwijl men elders spreekt van "van den preekstoel vallen". - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont) in: Groot Tilburg 1941 - Hij kwaamp zelvers op zn prikstuultje, en zoo treffend schoon en zó eenvoudig, sprook ie mee zn parochiaone, dèk er verschaaie keer minne zaddoek van heb motte gebruiken...
- Cees Robben - [pastoor spreekt:] Ak op den prikstoel stao... (19750425)
- Pierre van Beek - As de boeren oud wòrre, stòn ze ónder de prikstoel (= worden ze 'fijn') (Tilburgse Taalplastiek 136)
- Audioregistratie 1978 - Agge hil et jaor oewe kattechismes gekènd had, dan krêede, wèrd dè op de prikstoel gezeej. Dan krêede en prèntje! Ik kon mene kattechismes van veur tot aachtere opzègge zonder meej vraoge èn antwoorde! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - De gisseluke, de pestoor of kapelaon, verkondigde et wel meej overtöging van de prikstoel, en et brave volk geleufde dè...
- WBD 'prikstoeltje - driepotig stoeltje v.d.schoenmaker, hs K183 (II 695)
- Frans Verbunt - ze zèn van de prikstoel gerold - hun voorgenomen huwelijk is op de preekstoel bekendgemaakt; de aankondiging bestond uit drie 'roepen' op drie opeenvolgende zondagen.
- Elie van Schilt; Prikstoelen mee houtsnijwerk, waorvan ge nou zegt: 'Hoe konden ze ut maoken.' (uit: Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, ca. 2000)
- WBD (III.3.3:34) prikstoel, kansel = preekstoel
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - PRIK, voor 'preek', door de hier zeer gebruikelijke uitspraak der ee als eene i. (zie ook 'prikt')
- Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992) - prikstoel zelfstandig naamwoord - preekstoel
Preekstoeltje spelen - Francesco Bergamini
prikstuultjezelfstandig naamwoord
preekstoeltje
prikt(ewerkwoord
2e + 3e pers.enk. van 'preeke', met vocaalkrimping - preekt(e) tegenwoordige tijd resp.verleden tijd
prinszelfstandig naamwoord
prins
prinsepolsezelfstandig naamwoord
letterlijk principaalste, de belangrijkste
naam
Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek 32 - Ze waren thuis met elf kinderen: negen meisjes en twee jongens. Had het voor een meisje eindelijk eens een nieuwe jurk kunnen lijden, dan moest die bewonderd worden als ze hem de eerste keer aantrok. Moeder zei dan: "Wè zède toch schôon, ge zijt net ene prinse polse". Onze lezeres weet niet wat de uitdrukking betekent. "Je bent net een prinses" zou logisch zijn, maar waar blijven we dan met dat vreemde woordje "polse?" Geen idee! En u? [20-3-1965]
prippereerewerkwoord
prepareren
prissewerkwoord
bakken en braden
prissentaosiezelfstandig naamwoord
presentatie, voorkomen (i.h.b. van vrouwen en daarbij i.h.b. van de boezem)
prissenteerbladzelfstandig naamwoord
prissenteerewerkwoord
presenteren, aanbieden
pròchiezelfstandig naamwoord
parochie
naam
Historisch taalgebruik
proemzelfstandig naamwoord
glazen stuiter; knikker
Van unne stinpust op zunne èrrum, as unne proem zo groot, Zis zo groot as unne kaaischeut, tot aon z'n schauwers was ie rood.
proemewerkwoord
knikkeren (met glazen knikkers)
profèètzelfstandig naamwoord
profijt, voordeel
proffeteerewekkwoord, zwak
prökskezelfstandig naamwoord
pruik, pruikje
pròlzelfstandig naamwoord
prombeerewerkwoord
proberen nog geen Tilburgse bewijsplaats; mogelijk ook prambeere
prömdepersoonsvorm van 'prèùme', het pruimen van tabak, met vocaalkrimping hij pruimt; hij pruimde
prömkezelfstandig naamwoord
pruimpje, ook kleine tabakspruim
prömtpersoonsvorm van 'prèùme', het pruimen van tabak, met vocaalkrimping hij pruimt; hij pruimde
prömzuurzelfstandig naamwoord
prononsiezelfstandig naamwoord
prognose, voorspelling
zelfstandig naamwoord
WTT 2013 - Deze uitleg door Van Beek is nagevolgd door:
WTT 2013 - Etymologie
pronselenwerkwoord
prontbijwoord
1 . het bijvoeglijk naamwoord 'pront' = Nederlands
- WNT (lemma 'pront') geeft als betekenissen onder andere: Vlug en correct. Goed. Mooi. Precies gelijkend. Stellig, zeker. Wakker, monter, flink. Trotsch, parmantig.Goed gekleed, netjes. Goed gebouwd, knap van figuur.
- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Zèède gij ene pronte meens ... - Ben je een oppassend iemand ...
- Piet Heerkens, uit: Dn örgel, Pronte moeder, 1938 - 's Lieve Vrouw ha' zeuve vreugde' en / zeuve weeën in d'r hart; / iedere pronte moeder krijgt zoo / van veul zuut en zuur d'r part.
- Tony Ansems, Gatvermiedenhoed, van de cd Gatvermiedenhoet, 2010 - Onzen Opa was vruuger unne pronte/ Stijle witte haor, stond 'em goed...
- Tony Ansems, 't Willeminapark, van de cd Tilburgse Liekes American Style 2, 2009 - De ouwere jonges, öt de buurt/ Ha'n aaltij kauwgum in dere mond/ En ze liepe aaltij pront/ Mee de schonste meskes rond...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), 'De nuuwe dokter, feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 27-1-1940 17-2-1940 - [aantrekkelijk in geldelijk opzicht] ... 'nen pronten ongetrouwden dokter... - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), 'Boere-Profeet, feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939 - ientje van Kampen, krijgt tienduuzend mee en de kaast vol linnen, nou-en-of, 'n héél pront durske!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), 'De nuuwe dokter, feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 27-1-1940 17-2-1940 - [goede huisvrouw] "Meens, meens, zuuk toch naor 'n pronte vrouw, dan komt er regelmaot in oe leeve!"
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12, Nieuwe Tilburgsche Courant 17-12-1938 - ...'n heel net meiske - en 't zal 'n pront vrouwke veur julliën Harrie worren.
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939 - [goed van maatschappelijke stand] - Echt goei pront boerenvolk van den aawe stempel!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939 - ...en ze zaag er om den doojen dood nie zoo slecht uit: et is 'n pront, net meiske, Anneke, dè is 't!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939 - ...mar hij kos as dokter toch slecht de dochter van 'n mutskesvrouwke trouwen, al waren et nóg zoo'n pronte lui.
- A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect, Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956 - "Ze mos niks hebben van swiet en kaskenaode mèr vur de kleeraozie kwaam ze op. We moesten er pront opstaon."
- Cees Robben - Den pronten staand van geene kaant (19570706) [de bemiddelde bevolking (fabrikanten) uit het noorden van Tilburg] - Cees Robben - n heel pront stel (19670428) - Cees Robben - En van pronten en deftigen staand (19580308) - Cees Robben - In elk pront Tilbörgs höshaawe daor hebbe ze unne frater, n non, n piano en n dochter die Miet hiet... (19690627) - Cees Robben - Ons Too en ik zen wegge noemt/ Nog van dn pronten staand (19700116) - Cees Robben - Ons Sieleke is n pront mèdje en heeget himmol nie op mansvolk begrepen... (19790406)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 03 14 - Wij meuge op die vuraauwers / Ons ège echt beroeme / Om dè de schrèvers van dè boek / Ze "Pronte meense noemen.
- WTT 2015 - Cees Robben heeft enige teksten geschreven op de melodie van het bekende Tilburgse lied Zèède gij ene pronte meens. Als opschrift van de Prent van 1970- 04- 03 gaf hij deze wijze nadrukkelijk aan: Op de wèès van: Zèède gij unne pronte meens... - Frans Verbunt - pronte staand - betere stand, beter gesitueerden
- Anoniem, Nieuwe Tilburgse Courant, 19 november 1959, Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie
bijwoord
Nillus probeerde van alle kaante, liep van hers naor geens, Hij ha goei haande aon z'n lèf, stond bekend als unne prompte meens.
naam
Andere bronnen
proopenêerewerkwoord
proponeren (?), kaartspel (spelregels niet bekend)
pröpkezelfstandig naamwoord
propje, kort dik persoontje
prössewerkwoord
prösvrouwzelfstandig naamwoord
pròt(tewerkwoord
praat 2e + 3e pers.enk. tegenwoordige tijd resp. verleden tijd van 'praote' met vocaalkrimping
pròtjezelfstandig naamwoord
praatje
pròtszelfstandig naamwoord
praats, praatjes
pròtsendierewerkwoord
misschien: pretenderen; uit Frans prétendre, zich laten voorstaan op iets, beweren nog geen Tilburgse bewijsplaats
pròtsmaokerzelfstandig naamwoord
praatjesmaker
prulderijzelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
prulleke klein kind
prutzelfstandig naamwoord
naam
bijwoord - vrijwel altijd in een bijwoordelijke uitdrukking met ontkenning 'niet'
- gezegde: nie prut - niet verlegen uitgevallen, niet mis
- Cees Robben - Ze is nie prut.. (19631122) - Cees Robben - Mar ikke ôôk nie prut, ik zeej: dr uit pinegel... (19650402) - Cees Robben - [vrouw spreekt:] Ik wil bist weten dek n kaoi boor zèè... Mar gij bent ôôk nie prut... (19761008)
- N. Daamen (handschrift 1916) - "de die is nie prut (ze is niet wel)" "an d'r kamizool"
- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - (Gehoord bij n familie-oordeel) ze zit vol goeiigèèt mar som is ze nie prut! (23-10-1963)
- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - Ik wil bist wete dèk n kaoi boor ben mar zij is ôk nie prut (23-09-1970)
- Henk van Rijen - ons taante Jaans waar irst nie prut, mar na vórt wèl
- Cursus in Tilburgs krantenrubriek circa 1940 - (113) 'Dè wefke is nie prut, hùrre'
- WBD III.1.4:134 'nie prut' = stoutmoedig
- WBD III.1.4:81 'nie prut' = een lastig karakter hebbend
- WBD III.1.2:186 'nie prut' = onwel
- WBD III. 1.4:134 'nie prut' = stoutmoedig
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PRUT - nie(t) prut vallen - niet pluis zijn, niet gemakkelijk vallen, zelfstandig naamwoord koffiedik.
- Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992) - prut bn - prut, niet gemakkelijk
prutskezelfstandig naamwoord
overschotje warm eten
pruttewerkwoord
pruttelen, uit de grond halen (van aardappels), zachtjes koken
werkwoord
pruttele pruttelen = zachtjes winden laten
prutter2e lid in een samenstelling liefhebber van ...
pruufkezelfstandig naamwoord
proefje, proefneminkje (?)
pruuvewerkwoord
proeven, in het bijzonder genieten van sterkedrank
steeds korte uu
Oover 't brugske bij Mie Pieters Gong'k mee 'ze pa wel duuzend keer Want as we zondags ginge waandele Strèèke we daor aaltij neer. Daor zaagde jaogers, vissers, streupers
D'n haos of vis wier allengs gròòter Dè kwaam dur 't pruuve dèsse din.
pruuverzelfstandig naamwoord
proever, drinker (van alcoholische drank)
pulzelfstandig naamwoord
pullingzelfstandig naamwoord
peluw, een met kaf of veren gevulde zak op het voeteneinde v. h. bed langwerpig, rond onderkussen onder het hoofdkussen
zelfstandig naamwoord
(lat. pulvinus)
pultjezelfstandig naamwoord
peultje, peulerwt, 'sèùkerèrtje', 'haawke', peul
pulverseerglaszelfstandig naamwoord
pumkezelfstandig naamwoord
pompje
pumperemuntzelfstandig naamwoord
pepermunt(jes)
punderzelfstandig naamwoord
punder, ponder, weegstok, unster
punterzelfstandig naamwoord
pupkezelfstandig naamwoord
popje
zelfstandig naamwoord
puston piston, blaasinstrument, cornet
zelfstandig naamwoord
put, putje put
- WBD waterput (op het boerenerf); in de Hasselt ook 'waoterput' genoemd
- WBD putkèùp - putkuip (bovengrondse afsluiting rond eigenlijke put)
- WBD putmik - putgalg (naast de put staande gaffelvormige paal met putzwengel)
- WBD puthaok (ook in Hasselt) - puthaak (stok welke scharnierend of d.m.v. een ketting opgehangen is aan de putzwengel)
- WBD putról (Hasselt) - windas boven de put; ook genoemd: wèndas, wènaos
- WBD moosput (ook in hs KI83) - zinkput (voor vuil water uit o.a. gootsteen), ook genoemd 'mooskèùl', Hasselt: 'moowskèùl'
- WBD puteemer (ook Hasselt en Korvel) - putemmer (zinken of gekuipte houten emmer waarmee men water put
- WBD III.4.4:145 'put' = dal
- WBD III.1.1:77 'putje' = kinkuiltje
- WBD III.1.1:152 'putjes' = kneukelkuiltjes
- Lowie van Dorrus Misters - De welwaterput kennen we allen wel, die zijn er op de dorpen nog genoeg te zien. Waar hier de waterleiding nog niet bestaat, zal er wel een pomp zijn aangelegd. Maar voor hen, die geen put kennen, willen wij hiervan een korte beschrijving geven. De oude put was van baksteen opgetrokken en ca. 3 à 4 meter diep, rond van vorm en ruim 1 meter in doorsnee. Op de bovenlaag, iets boven de begane grond, stond de putkuip gemaakt van planken, zeskantig van vorm en ca. 1 meter hoog. Op een paar meter afstand achter de putkuip stond de putmik. Dit is een boom van ca. 15-20 cm dik en ongeveer 3 meter hoog, waarvan het boveneinde een mik was, dus een V. In deze mik lag een ronde ijzeren staaf en daarop de putroei met inkeping en het dikste eind naar achter. Aan de roei was met een ketting verbonden de putzwengel, een lange dunne spar, waaraan onder een flinke haak, veeltijds een halfsleets hoefijzer om de emmer aan te hangen. Bij het water putten werd deze emmer met de zwengel omlaag gelaten. Bij het water een forse naar onder gerichte slag en de emmer kon vol worden opgehaald. Om het ophalen van die gevulde emmer te vergemakkelijken vormde het achtereind van de putroei een tegengewicht, dat zo nodig door het opleggen van een tweede stuk hout nog werd verzwaard. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 6 Hygiëne in vroeger dagen; Nieuwe Tilburgsche Courant 28-4-1951)
zelfstandig naamwoord
Putmik - Cornelis Dusart - 17de eeuw
putjesèèrepelzelfstandig naamwoord