w eetere
  1. w erkwoord, zwak. waarschijnlijk uit 'wateren'

    - Een roestpraatje, in Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882): Want vruug geweeterd zulle ze [de biggen] stug zèn en borstig goed slabbe [drinken].
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - het vee drenken, te drinken geven.
    w eetere
  2. werkwoord

    Weven, 18de eeuw wèève weven

    - WBD - wèève / haandwèève / tèùswèève / bèùtewèève/f a briekswèève / masjienaal w./ masjienaol wèève (II:949)
    - WBD - wèève meej ketoenen inslag (II:1039) - katoen inslaan
  3. wèève - wêef - geweeve

    - tegenwoordige tijd: gij/hij wèèft
    - Dialectenquête 1887 Willems - wèève - wèèfde - geweeve
    - Cees Robben - verdiend meej enkelt wèève... (19610922)
    - Audioregistratie 1978 - Mar dan hadde vruuger nòg wèl, war, dè man èn vrouw wêeven hè, den êene, den êene snachs èn den andere ooverdagwar. (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)
    - WBD - 'inwaeve' (II:1044) - inweven; ook 'krimpe' genoemd
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - 'wèève - wêef - geweeve'
  4. Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Pèèr Wèève = prof. Weeve (blz.83) Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - WEVEN wé:ve wkw

W TT

De tekst luidt: 'Ons poezemien is aaltij op sjanternel... Mar as 't zò ver is... schudt ze hier durren körf om...' De poes is dus veelal uithuizig, op zoek naar een kater, maar de eigenaren van de poes zitten thuis met het nest jonkies. Een tweede verklaring voor 'sjanternel' is eveneens gebaseerd op het Frans. Merkwaardig genoeg werd die verklaring eveneens door Pierre van Beek gegeven, en wel in Tilburgse Taalplastiek nr. 58 (17-6-1968; en later nog eens opgepikt in nr. 181). '"Ze is weer op d're sjanternel geweest" wordt gezegd van een vrouw, die "op stap is geweest". Sommige vrouwen zijn "altijd op sjanternel". De uitdrukking heeft een misprijzende betekenis, die vroeger vermoedelijk sterker geweest is dan te huidigen dage. Ze wordt gebruikt voor een vrouw, die weinig thuis is en het er op aan legt zoveel mogelijk het huishouden in de steek te laten, al of niet gemotiveerd. Het lijkt mogelijk dat we hier te maken hebben met een verbastering van het Franse woord "sentinelle", dat "schildwacht" betekent. We denken dan aan 'n vrouw die in de Franse tijd een "potje" met de "schildwacht" ging vrijen, waarvoor ze dan ook wel motieven zal gezocht hebben. Een verklaring voor de ongunstige betekenis, die we nog voelen, is daarmee dan ook meteen gevonden. We voelen echter toch meer voor een verbastering van een ander Frans woord, nl. "chanternelle", dat "lokvogel" betekent. Een "op sjanternel" zijnde vrouw zou dan een vrouw of meisje zijn, die "als lokvogel" de straat optrekken, wat uiteraard oneerbaar is. Zó ongunstig klinkt de uitdrukking zoals wij ze thans in Tilburg gebruiken echter lang niet meer, maar een denigrerende bijgedachte speelt er op de achtergrond toch nog wel altijd in mee.' En in nummer 181 (5-10-1973): '...het reeds vroeger behandelde "op sjanternel gaan", in welk zonderling woord wij het Franse "sentinelle" zagen. Een vrouw, die een Franse schildwacht opzocht, stond niet zo hoog in de achting. Daardoor kreeg de verbastering "sjanternel" een ongunstige betekenis, in de zin van op pad zijn met niet al te beste bedoelingen, later afgezwakt tot het zoeken van gelegenheden om het huishouden in de steek te laten en zich met als prettiger ervaren zaken bezig te houden.' Een dergelijke betekenis heeft 'sentinelle' in het Frans echter nooit gehad; 'sentinelle' is 'een vrouwelijk schildwacht', niet een vrouw die een schildwacht opzoekt. We vatten voorlopig als volgt samen: 'op sjanternel gaan / zijn' heeft een lange betekenisweg afgelegd. Vanaf het 'lokken' met oneerbaar bevonden motieven, via het uit vrijen gaan of contact zoeken met een man, tot het op stap gaan om zich te amuseren.

waawelèèr
werkwoord

walge walgen

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'wallege' - vervelend doen, treiteren
walgènd
  1. zelfstandig naamwoord

    samenstelling uit walg + eind

    - 2019 verveeloor (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980.
  2. zelfstandig naamwoord

    walkvat walkvat

    - WBD - walkvaate (mv); een om een horizontale as roterend gesloten vat, dat bij diverse bewerkingen in de leerlooierij kan worden gebruikt; (II 697)
    - WBD - walkvaate (mv) - vat waarin wordt gelaafd. (II 623)
    - WBD - walkvaate (mv) - looivat, vat gebruikt bij o.a. de snellooiing (II 636)
  3. naam

    wammis w ambuis, kiel

    - Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): En daor en up spinningen kan i zen wammis niet derven.
  4. naam

    wankelbeureg

    - WBD - III.1.2:113 'wankelbarig wankelbeurig' = onvast ter been
  5. bijwoord

    wanneer wanneer?

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - Waannir komd u bruur jaaw bezuuke?
wanneer dè
  1. voegwoord als

    - Interview Hermans - 1978 - Wanneer dè nu meej dè mesjien gaare gemaakt wòrt (transcriptie Hans Hessels, 2013)
  2. zelfstandig naamwoord

    waofelbinding wafelbinding

    - WBD - waofelbinding (II:1046) - wafelbinding: overeenkomend met wafels
  3. werkwoord

    waoge wagen, durven

    - Dialectenquête 1887 Willems - waoge - waogde - gewaogd; geen vocaalkrimping
    - Pierre van Beek - Wanneer iemand moeilijk een beslissing kan nemen in een bepaalde aangelegenheid omdat er risico aan verbonden is, zegt de oude Tilburger: "Kom, kom, Botermans waogde z'n dochter wel en dè was zo'n kosteluk paand." De heer Botermans dreef destijds het best bekende hotel van Tilburg, namelijk "De gouden Zwaan" op de Heuvel. Zijn dochter trouwde met een kellner uit de zaak, zekere P.F. Bergmans, een verbintenis, die de openbare mening nogal als 'n waagstuk beschouwde. De eervolle levensloop van wijlen de bekende wethouder P.F. Bergmans, naar wie thans in Tilburg zelfs een straat heet, heeft het bewijs geleverd hoe die volksopinie zich vergiste. (Tilburgse taalplastiek 4 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 25 februari 1950)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - die nie waogt die nie wint, die nie schèt die nie stinkt
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ww. (met gemengde vervoeging: woeg, gewaogd) tr. - wagen
  4. zelfstandig naamwoord

    waoge, waogel, waogeltje wagen, kar, auto Het verkleinwoord is waogetje of waogeltje blauwe waoge - ziekenauto voor psychiatrische inrichting

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - kènderwaoge
  5. zelfstandig naamwoord

    Twee peerde veur éénen waogel? (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Trouwsumke, 1941) En 's Zaoterdags was er et waogeltje klaor, geverfd en gelakt: een gerijke! (Piet Heerkens; uit: Brabant, Den bok, 1941) en laoide ze gaaw op z'n waogeltje... (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De kerk verdouwd, 1944) In dè efkes dek aon dè waogeltje stint waren er kender, die in ettelukke minute vur drie kwartjes nor binne spulden. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

    - Cees Robben - Ze hebben dr waogeltje daor laoten staon... (19600102)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej Dielemanse waogetje nòrt paopeköltje gaon ('72) - overleden zijn [Dielemans = begrafenisonderneming]
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hèdde wir ne nuuwe waoge? et zit er nògal aon!
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'waoge, waogel'
    - Cees Robben - 'die sprong d'n waogel in' [ongedateerd knipsel]
    - WBD - III.3.1:390 'wagen' = voertuig, ook genoemd: 'stootkar of gerij; auto
    - Ruud Damen & G.W.J. Steijns; Et Buukske - Wè en hoe in de Tilburgse Taol, 2008 - waogeslouwe - evenement vóór carnaval waarbij het Tilburgs publiek in aanbouw zijnde wagens in de bouwhal kan bewonderen.
    - WNT - WAGEN (I), WAGEL
waoghaaw(st)er
  1. zelfstandig naamwoord

    waaghouder(ster)

    - Lodewijk van Dorrus Misters - Deze werd niet van gemeentewege benoemd, maar was pachter van de waag op de botermarkt. De laatste die dit baantje waarnam, was mej. Trees van Borne. De botermarkt werd eertijds gehouden op de verhoging voor het stadhuis, maar deze verhoging strekte zich uit zo ver als nu voor het stadhuis klinkerbestrating is gelegd. Op deze verheven vlakte waren Vrijdags de boeren en boerinnen uit Tilburg en omliggende dorpen met hun boter en eieren. Velen van hen hadden ook in de stad hun vaste klanten onder de winkeliers, zoals de firma Bronsgeest, Sjoo de Beer, Ferd. Wittens, in de onmiddellijke omgeving der markt. Vele huismoeders kochten echter op de markt, maar een hele "weg" boter was voor de meesten te veel. Als zij dan hun keuze gemaakt hadden, kochten zij met twee of gedrieën zo'n "weg". Ze lieten die afwegen en verdelen aan de waag en ieder betaalde naar gelang het gewicht dat ieder had; voor het afwegen gold een tarief van 1 cent per pond. De boterwaag had haar vaste plaats voor de deur onder het bordes van het stadhuis. Behalve boter hadden de boerinnen en boeren ook eieren, maar deze werden zoals nog heden per stuk verkocht. Deze boter- en eiermarkt had een groot nadeel. De lui stonden in zomer en winter, in regen en sneeuw, steeds buiten. Om die reden werd dan ook de "boterhal" gebouwd. Hierin werden ook ondergebracht de vleesstalletjes, die door de slagers konden worden gehuurd, zodat ieder steeds een vaste plaats had. Voordien hadden zij hun kraampjes op de markt. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 5 Voorlezer en wijkmeesters; Nieuwe Tilburgsche Courant 17-2-1951)
  2. zelfstandig naamwoord

    waogemaoker wagenmaker, 'kèrsmid'

    - Dialectenquête 1887 Willems - Witte ginne waogemaoker?
    - WBD - (II:2693) 'waogemaoker' - wagenmaker rojmaoker' - rademaker
  3. werkwoord

    waoke waken, wakker blijven, de wacht doorbrengen bij een overledene

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - sloapen en woake
    - Dialectenquête 1887 Willems - waoke - wòkte - gewòkt - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij wòkt
waol
  1. werkwoord

    waone wanen

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - in verl. tijd vocaalkrimping: wònde; waone - wònde - gewònd
    waol
  2. zelfstandig naamwoord

    waope wapen

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - 'waopen', 'waopens'
    - Pierre van Beek - Ze heeget hoog in der waopes - is nogal hoogmoedig (Tilburgse Taalplastiek 174)
    - Hessels 2020 - Bij het zien van een koppel met vrouw in verwachting: - die heej zen waopes te hôog gedraoge! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
  3. bijwoord

    waor, wòr waar

    - Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ast nie waor is, geef ik men gat vur en kummeke soep.
    - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben, (interessante cafépraat: ) ge môt toegeve as t waor is en t is waor, d'es klaor! (09-04-1973)
    - Cees Robben - t Was waor... (19550402) - Dialectenquête 1887 Willems - ik weet nie waor ik em zuuke moet
    - Cees Robben - waor dè ge kekt... (19540724)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as et waor is, zégge ze in de joodekèrk (AM'84) - hiermee wordt twijfel uitgedrukt aan de waarheid van een bewering.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ast nie waor is, steele de dieve me (D'16) - bezweringsformule
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - dès zo waor as de Lonse tram tuut - dat is beslist waar
waoraon en waoraaf
  1. bijwoord

    alle details van een situatie of kwestie 't Menneke moet precies weten waoraon-en-waoraaf. Weten wè-t-ie maag en nie maag, wè-t-ie mot en nie mot doen of laote. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940) ...en toen kos ie ons vertelle, waoraon en waoraaf... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939) - Cees Robben - Zeg mar gerust waoraon of waoraaf meneer dokter... (19650521) - Cees Robben - Dan weten ze tenminste waoraon... en waoraaaf... (19720408) waore, waort werkwoord, persoonsvorm waren, waart

    - Dialectenquête 1887 Willems - verleden tijd van zèèn: wij waore, gij waort, zij waore
  2. zelfstandig naamwoord

    waor end waarheid waos zelfstandig naamwoord

    - WBD - III.4.4:58 waas' = mist; ook: 'wasem', 'mot, of 'smook
    - WBD - III.4.4:212 'waas' = damp, stoom, ook 'blaak', 'rook', stoom
  3. zelfstandig naamwoord

    waot scherpe kant, snede van een wapen

    - WBD - (II:2708) 'Waot' - waat, vouw, snede van een beitel
  4. zelfstandig naamwoord

    Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982) waoter water

    - A.J.A.C. van Delft - Bij noodzaak moet men z'n buren een dienst bewijzen, en dit drukt men volgenderwijs uit: "Waoter en vuur en weigert men ginnen gebuur." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)
    - Pierre van Beek - Water kan geen bloed worden. - Een stiefkind kan men niet als een eigen kind beminnen. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)
    - Cees Robben - We hebben n haoven mee waoter dr in... (19540515) - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - Kaaw óp zen waoter hèbbe - aan een blaasaandoening lijden.
    - Informant Toine Raaijmakers - Waoter, dè dugt nòg nie in oew schoene! (dus niet drinken)
    - WBD - waoterput - waterput (op het boerenerf), ook 'put' genoemd
    - WBD - III.1.1. lemma urine verspreid in Tilburg
    - WBD - III.1.1. lemma urineren - Tilburg Het is hoog water. [Hoge nood hebben]
    - WBD - III.4.4:21 'waterlucht' = regenvoorspellend wolkje
    - WBD - III.4.4:189 'getwater', 'mooswater' = vuil water
    - Dialectenquête 1887 Willems - ik hèb et em afgeraoje óm zoo laot langs et waoter te gaon
    - Dialectenquête 1887 Willems - twaoter zal gaa kooke - het water zal dadelijk koken
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hil wè waoter vèùl gemòkt hèbbe (Pierre van Beek -Tilburgse Taalplastiek '72) - na veel moeite de zaak toch geklaard hebben.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej waoter valt niks goed te maoken èn meej sèùker kunde niks bedeèrve (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - om iets te verbeteren dient men de juiste middelen te gebruiken. (ook - Stadsnieuws - 040508)
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Volgens krt. 6l valt T nog net binnen het gebied waar de vocaal lang is
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - waoter zelfstandig naamwoord - water
  5. Haor WATTER - water

waoterachtig
bijwoord

waterachtig; slechts eenmaal aangetroffen; waarschijnlijk is er een verband met 'watertanden', 'het water loopt in de mond': Daornao gekookte ham, gin gewone zooas ge in de winkels koopt, nèè ham die bij den bakker 'n wijltje in den oven gesmoord hô, half en half gebraojen zoodè 't er 'nen geur afsloeg om waoterachtig van te worren. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

waoterachtig
waoterbisje
zelfstandig naamwoord

waterbeestje

- WBD - III 4.2:179 lemma Schrijvertje - Het schrijvertje of de draaikever (Gyrinus natator) meet 5-7 mm. Vroeger kwam het door Gezelle beroemd geworden zeer kleine schijverke nog algemeen voor, maar het heeft zeer onder de watervervuiling geleden. Het is een klein glanzend zwart roofkevertje dat kringen op het wateroppervlak maakt en bliksemsnel onderduikt bij gevaar. schrijverke frequent in Tilburg watertor Tilburg - WBD - noemt hier voor Tilburg niet schaatsenrijder (wel in Oud Gastel); waterbeestje Tilburg
waotere
  1. werkwoord

    wateren, urineren

    - WBD - III.1.1. lemma urineren - ook in Tilburg
  2. Gallinula chloropus - bron: Wikipedia

waoterhèn
zelfstandig naamwoord

waterhoen (Gallinula chloropus) Ik zèè ok in Orschòt vur moete koome! Vur waoterhènnekes vange! [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

waoterhèn
waoterhoen
  1. zelfstandig naamwoord

    waterhoen (Gallinula chloropus) We waare ònt waoterhoenekes vange èn toen kwaame de majesjesees! [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015] waoterkiepke

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - waterhoen (Gallinula chloropus)
    - WBD - III.4.1:233 'waterkipke' - waterhoen (Gallinula chloropus), ook: 'schieteendje', 'witgatje', 'witkontje' of 'markoot' genoemd
  2. zelfstandig naamwoord

    waoterschòt, -scheut tak die ontstaat op de stam

waotertoore
zelfstandig naamwoord

watertoren Ok de koeltorens [ van de gasfabriek], deur onze onwetendheid waotertorens genoemd, waren geen sieraad vur de buurt. Zij lieten bij enne verkeerde wend, un sôort motregen vallen. Hil vremd waar dè, et gebeurde ok as de zon scheen. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

waotertòr
  1. zelfstandig naamwoord

    watertor

    - WBD - III 4,2:178 lemma Watertor - Watertor is de algemene naam voor kevers die onder de waterspiegel leven. De bekendste soort is de spinnende watertor of waterkever (Hydrous piceus, 35-45 mm; zie afb.), een grote, pikzwarte en bolvormige tor, vroeger zeer algemeen in stilstaand water en sloten, die zich met waterplanten (en soms met viskuit) voedt. Ze ademen lucht in door hun sprieten. (...) Een andere bekende soort is de geelgerande watertor (Dytiscus marginalis, 35 mm), een glanzend groene roofkever die zich met zwakke en zieke (kleine) vissen voedt. watertor zeldzaam in Tilburg
  2. Hydrous piceus Dysticus marginalis

    - WBD - III 4,2:179 lemma Schrijvertje - Het schrijvertje of de draaikever (Gyrinus natator) meet 5-7 mm. Vroeger kwam het door Gezelle beroemd geworden zeer kleine schijverke nog algemeen voor, maar het heeft zeer onder de watervervuiling geleden. Het is een klein glanzend zwart roofkevertje dat kringen op het wateroppervlak maakt en bliksemsnel onderduikt bij gevaar. schrijverke frequent in Tilburg watertor Tilburg - Sjef Paijmans - In de sloten en grachten gingen we:"Ruigt" draaien. Deze sloten en grachten waren onder water bijna dicht gegroeid met allerlei waterplanten. Vooral met waterpest. Met een schepnetje had men weinig succes. Daarom werd er in die sloten alleen maar:"Ruigt gedraaid". Hiervoor werd een dikke tak gezocht, liefst met nog wat uitsteeksels van oude takjes er aan. Die tak werd dan in die dichte begroeing van waterplanten gestoken en paar maal rond gedraaid en dan uit het water getrokken. Op de slootkant werd dan goed nagekeken wat er allemaal tussen die waterplanten mee omhoog gekomen was. Vooral naar salamanders zochten we, want die hadden onze speciale belangstelling en werden thuis in het aquarium gezet. De viskesfreters en torren werden in een glazen pot mee naar school genomen voor de frater, die ons tijdens de natuurkundeles vertelde hoe deze waterdiertjes allemaal heetten en hoe nuttig ze waren. Viskesfreters werden later Libellen. We leerden wat de Geel Gerande Watertor was, de Waterschorpioen en de Zwarte Watertor. Maar wij hadden voor die torren en torretjes onze eigen namen. Een schrijvertje was voor ons een schotelwaserke; en de verschillende larven bleven voor ons viskesfreters. (uit: 'Herinneringen', CuBra, ca. 2001)
  3. bijwoord

    waozeg, wòsseg

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - wazig, mistig
  4. tussenwerpsel

    war (warre)

    - Dialectenquête 1887 Willems - die kèèrs gift en goej licht war - die kaars geeft 'n helder licht he?
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - dè wodde wèl, war - dat zou je wel willen, nietwaar
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 97) die kèèrs gift en schôon licht, nie/ niewaor/ war?
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - war + wòr (krt. 105)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - war tsw - nietwaar?
  5. zelfstandig naamwoord

    Str. war (1:42) Bosch war - nietwaar wasdag, waasdag wasdag

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - mòndag ist wasdag
  6. zelfstandig naamwoord

    samengesteld uit 'waas' + 'dag' washèùs

    - WBD - bijkeuken (op de boerderij), ook 'moos', 'goot' of 'aachterhèus' genoemd
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'waashöös'
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - 'waashèus' huis waarvoor een vrouw de was doet; deel van een huis waarin de was gedaan wordt
  7. zelfstandig naamwoord

    wasmesjien wasmachine

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'waasmesjien'
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WAS(CH)MACHIEN znw.o. (niet v.) - waschmachine
  8. zelfstandig naamwoord

    Gravure van onbekende kunstenaar - De wasknijpersnijder waspinneke wasknijper

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'waaspinneke'
    - WBD - ( III.2.1:341) waspin, wasknijper
watjekou
  1. zelfstandig naamwoord

    oplawaai

    - Pierre van Beek - "Iemand een watjekou geven" betekent een opstopper verkopen. - "What you call". (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)
    watjekouwatjekouwatjekouwatjekou
  2. Ewoud Sanders - Waar komt het vandaan? De vroegste verklaring vinden we in 1885 in een bundeling van journalistieke stukken van J. van Rennes, getiteld Vonken en Vlammen. Nieuwe schetsen van een Dagbladcorrespondent . Hierin lezen we: ,,Moet er eerst eens een raadslid een ferme what-you-call - of, zooals wij dat vertalen, watjekou krijgen? t Zou jammer zijn van de lui die vóór den tijd nog dood geslagen worden, als men daarop wacht. (Blog Woordhoek, NRC.nl; 2009) wats oorveeg

    - N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "ik gaaf 'm 'n wats om z'n ooren (een klap)"
    - WNT - WATS (I) - l) slag, bepaaldelijk met de vlakke hand tegen iemands gezicht, wangen e.d., draai om de ooren, oorvijg
  3. Afbeelding uit het 'Nuuw Tilburgs Leesplèngske' dat in 2020 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven in samenwerking met Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant en Erfgoed Tilburg. De illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn.

  1. naam

    wat

    - Cees Robben - wè wilde meer..! (19540213)
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - Wè doetie daor?
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - Ze nemen aalles wetter te krêgen is; wè vur 'n klêd?
    - Dialectenquête 1887 Willems - ik hèb wè kórs
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - gij ók wè? want gij zèèt er ók ginne van Zibrègs (Kn'50) - jij mag meedelen (gezegd als er uitgedeeld wordt: die van Zeebregts hadden bij een erfenis niets gekregen)
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 20) wè
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wè vn - wat
    - Grôot diktee van de Tilburgse taol 2005 - dè waar wèd aanders
  2. tussenwerpsel

    wèblief wat b(e)lieft u?

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - wèblief
wèchche
  1. samentrekking

    wat je -> wè ge Ik zeg: witte wechche dan doet (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945) wèddeschap, wèddingschap zelfstandig naamwoord . weddenschap

    - Dialectenquête 1887 Willems - ze springe wiet vèrste kan vur e wèddeschap
  2. ...naor aonleiding van 'n weddingschap. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939)

    - WBD - (III.3.2:190) weddingschap = weddenschap
  3. bijwoord

    wèdst verst

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - die et wèdst van hèùs zit, mòkt et et bist ('70)
  4. zelfstandig naamwoord

    wèdte, wètte wijdte

    - WBD - III.4.4:196 'wijdte' - uitgestrektheid
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIJDDE (uitspr. wedde) - wijdte. Van hier naar Amsterdam is 'en heel' wijdde.
  5. naam

    wèèd wijds

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - et laand is wèèd - et wèje laand (wèj laand) wèèt laand
wèdst
  1. bijwoord

    wijd, ver, ver weg, wijds

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - enen bòlscheut/kaajscheut wèèd
    - WBD - (Hasselt) 'wèèd staon' (van een paard) - met de benen te ver uit elkaar staan, ook genoemd 'brêed' resp. 'röm , (Hasselt) 'rèùm staon
    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Sint Job dè was Berkel-Enschot, dè was himmel nie zo wèèd hè, hier bi, zo wè bi, binnendeur dan waar, dan zèèder zôo
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 07 14 - Nog efkes en 't is zò wèd... - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 06 04 - Dicht in de buurt, vèf straoten wèd / Is un biebliejoteek.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ók meej klómpen aon kunde wèèd koome, mar dan meuder nie meej klossenbakke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - Iemand van gewone komaf kan het ver brengen als hij zijn manieren maar aanpast.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - te wèèd, Bèt, twee keer van doen ('7l) - aansporing tot zuinigheid
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - wont ie wèèd? - woont hij ver weg?
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'wèèt-eweg' - ver weg
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - et laand is wèèd - het land is wijds - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIJD, wedder, of: wijer
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wèèd bw - wijd, ver, erg
    - WBD - III.1.2:151 'wijd stappen = met grote stappen lopen
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 50; wèèd - wèjer - wèèdst
  2. zelfstandig naamwoord

    weedeman, weeduuwman

wèèd
  1. bijwoord

    wijd, ver, ver weg, wijds

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - enen bòlscheut/kaajscheut wèèd
    - WBD - (Hasselt) 'wèèd staon' (van een paard) - met de benen te ver uit elkaar staan, ook genoemd 'brêed' resp. 'röm , (Hasselt) 'rèùm staon
    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Sint Job dè was Berkel-Enschot, dè was himmel nie zo wèèd hè, hier bi, zo wè bi, binnendeur dan waar, dan zèèder zôo
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 07 14 - Nog efkes en 't is zò wèd... - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 06 04 - Dicht in de buurt, vèf straoten wèd / Is un biebliejoteek.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ók meej klómpen aon kunde wèèd koome, mar dan meuder nie meej klossenbakke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - Iemand van gewone komaf kan het ver brengen als hij zijn manieren maar aanpast.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - te wèèd, Bèt, twee keer van doen ('7l) - aansporing tot zuinigheid
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - wont ie wèèd? - woont hij ver weg?
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'wèèt-eweg' - ver weg
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - et laand is wèèd - het land is wijds - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIJD, wedder, of: wijer
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wèèd bw - wijd, ver, erg
    - WBD - III.1.2:151 'wijd stappen = met grote stappen lopen
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 50; wèèd - wèjer - wèèdst
  2. zelfstandig naamwoord

    weedeman, weeduuwman

weeduuwman
  1. bijwoord

    wèèdèùt

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - verreweg
  2. zelfstandig naamwoord

    weedevrouw weduwe

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 03 26 - 'n Weedevrouw die aachter bleef / Mee zeuve klène kiendjes.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - in wòrsten èn weedevrouwe witte nie wèsse indouwe (Kn'50) - pas op voor een huwelijk met een weduwe
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'weedevraaw'
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - 'weedevraaw'
    - J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - WEDUWVROUW. Men hoort hier onder de mindere klasse meer 'de weduwvrouw N.N.' dan 'de weduwe N.N.
  3. zelfstandig naamwoord

    weduwnaar

    - Interview met de heer De Kok (1978) In mèn jeugd? Jè, veul gezoope! Ik zèè drie keer weeduuwman gewist, dan kundet wèl begrèèpen, hè!?
  4. zelfstandig naamwoord

    wèèf, wèfke, wèève vrouw, wijf

    - Hoe komt zunne sinjeur naa nog aon 'n wefke? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)
    - Pierre van Beek Met het rijmpje "Beter de broek aan een wieg gescheurd dan een aauw (oud) wijf op bed gebeurd" geeft ons volk uiting aan zijn mening over een huwelijk van een bejaarde man met een nog jonge vrouw. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant, 8 april 1950)
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ik was liever zene rôozekraans as zen wèèf
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - ik zeej teegen et wèèf - ik zei tegen mijn vrouw
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hij is ermee gestèld as ene wèèver meej en lui wèèf (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1966)-hij kan met zo iemand niet werken; die is hem meer tot last dan tot hulp
    - WBD - 'òwt wèèf' (II:1051) - oud wijf, benaming van een verkeerde knoop (zie: aawwèèveknêup)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ge kunt nie alles hèbbe: goej booter èn en vèt wèèf
    - Piet van Beers Van tèùn veraandere is ok nie alles: Tienus Môone ha 'n wèfke,/ zèg mar gerust, en lillek wèèf. (Brabants Bont 1; z.j., ca. 2005)
    - WBD - III.3.1:23 'wijf', vrouw - vrouw
    - WBD - III.3.1:194: 'wijf', 'schooierswijf, schooister, schooierin, schooier, trut, sloerie' = schooiersvrouw
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIJF znw.o. - De buitenlieden gebruiken nog immer 'wijf' om hun echtgenoote aan te duiden en vinden daar niets onbeleefds of minachtends in.
    - J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - WIJF. De bouwlieden der Baronie van Breda, aan den kant der Langestraat wonende, noemen, van hunne eigene vrouwen sprekende, dezelve standvastig 'mijn wijf.
    - WBD - (III.3.2:178) wèèf = vrouw in het kaartspel
    - WBD - (III.1.1:5) 'wijf = vrouw
    - WBD - (III. 1.4:35) 'stom wijf' = domme vrouw
  5. zelfstandig naamwoord

    wèèfketaaw weefgetouw

    - Ad van den Boom, uit: Bè de wèèvers òn tòffel, circa 2005 - Ze werkten mee hil wèènig schoft [schafttijd] Durlôopend op dur wèèfketaaw
    - Ad van den Boom, uit: De wèèvers van Tilburg, circa 2005 - Ge hurt de fluit van ut febriek al/ Ent wèèfketaaw dè wocht
    - WBD - ketaaw (II:944) getouw; handketaaw, haandgetaaw (II:944)
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. 'weefketaauw' weefgetouw
  6. zelfstandig naamwoord

    wèèfkam wèèfkam, weefraam

    - WBD - wèèfkam, kam (II:966) - weefkam
  7. zelfstandig naamwoord

    weeg weg 'in de weeg' - in de weg 'öt de weeg' - uit de weg

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - in de weeg - in de weg (De rekkingsvocaal duidt op een oorspronkelijk open lettergreep "wege" in de datief enkelvoud.)
    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ziede nie dègge in de weeg staot?
    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ik gao gin man öt de weeg - Ik ga voor niemand opzij.
    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - öt de weeg kunnen - zich kunnen verplaatsen; kunnen rondkomen
    - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben, (Horen zeggen tegen iemand die zwaar in verband zat) - Gij het zeker erges in de weeg gestaon (04-07-1969)
    - In die straot voetballen ging nie, de stoep waar te smal en op die kaaien koste alléén oewe nek breken, as ge nie ötkéékt en die kaaibaande zaten ok verekkes in de weeg. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - weeg zelfstandig naamwoord - weg 'in de weeg'; ötteweejg' - uit de weg
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - WEG 3) in de uitdr. 'uit de weg' uitgesproken als 'weeg'.
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw.verb. 'uitteweeg' (d.i. uit de weg)
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEEG - te weeg - op het punt: Ik was zjust te weeg om te vertrekken.
  8. werkwoord

    weege wegen

    - Dialectenquête 1887 Willems - weege - wôog - gewooge
    - geen vocaalkrimping in tegenwoordige tijd
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'wèège'
    - Cees Robben - kwók wies wèk woog [ongedateerd knipsel]
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st.ww. (woeg: vgl. Franck e.a.) tr.+ intr. wegen
  9. werkwoord

    wèègere weigeren

    - Dialectenquête 1887 Willems - wèègere - wèègerde - gewèègerd
    - geen vocaalkrimping
    - WBD - III.1.4:51 'weigeren' = iemand weerstaan - WBD - III.1.4:333 'weigeren' = idem
  10. voorzetsel

    weeges wegens Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - WEGENS - wé:ges weegescheet zelfstandig naamwoord

    - WBD - III.1.2:336 'wegenschaat = strontje
  11. zelfstandig naamwoord

    weegetaks

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - wegenbelasting
  12. zelfstandig naamwoord

    weejband

    - WBD - 'weejbant' (II:1391) - w-band (bep. versiering van een pet)
weejseej
  1. zelfstandig naamwoord

    wc, water closet

    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En die weejseejs, die waaren er toen nòg gin. En dan wieren er en paor van die paolen in de grond gezèt èn daor laag zonnen ballek laag ooverheene èn as gij behoefte moest doen dan koste gij meej oew blôote reet op zonnen ballek gòn zitte, dan viel dè aachter oewe rug, viel dè in zonne grit neer! Klik hier om dit bestand te beluisteren
  2. zelfstandig naamwoord

    week week

    - in de week = doordeweeks, op weekdagen: ...in de week iederen mèrgen om kwart veur aachte op de zwartgelakte klumpkes nor de kerk klefferen... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)
    - WBD - nòg en week aaf, nòg en week òn de reekening - de koe moet over een week kalven
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - we.k, zelfstandig naamwoord vrouwelijk - week
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEEK (met zachtl. e) znw.v.: de Witte week - Goede week; gebroken week
  3. zelfstandig naamwoord

    wêek

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - het weken, het weekprooes
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - iets in de wêek zétte
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - week zelfstandig naamwoord - iets in de week zètte
  4. naam

    bijvoeglijk naamwoord zacht

    - WBD - wêek (gezegd van een paard) - week in de bek
    - WBD - III.1.4:68 'week' = zachtzinnig
    - WBD - III.4.4:211 'week' - klam, ook 'taai', 'klammig', 'klef'
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEEK, WEEKELIJK - zwak van gezondheid
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEEK (met scherpl. e) bvw.: week hout - dat gemakkelijk bewerkt wordt
  5. zelfstandig naamwoord

    wèèk wijk; ook: het weken (zacht maken)

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - wijk
  6. werkwoord

    wêeke weken, zacht maken

    - Dialectenquête 1887 Willems - wêeke - wikte - gewèkt
  7. werkwoord

    in tegenwoordige tijd ook vocaalkrimping: gij/hij wikt; part. gewikt! wèèke wijken

    - WBD - III.1.2:159 'wijken' = achteruitgaan
    - Dialectenquête 1887 Willems - wèèke - wêek - geweeke
    - in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij wèkt
  8. zelfstandig naamwoord

    wèèkmister wijkmeester Lowie van Dorrus Misters rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 5 Voorlezer en wijkmeesters; Nieuwe Tilburgsche Courant 17-2-1951 De Wijkmeesters of Burgerkapiteinen vertonen in hun functiën overeenkomst met de honderdmannen uit de Frankische tijd. In de Middeleeuwen stond aan het hoofd van elk tiental huisgezinnen (tiendemanschap of gebuurte) een deken of tiendeman. Aan het hoofd van tien tiendemannen stond een honderdman of wijkmeester. Elke wijk of herdgang had er één. Vóór 1810 werden zij aangesteld door de Heer, doch ook wel door de schout (later drost) en schepenen. De wijkmeesters waren de hoofden en rustbewaarders der wijken terwijl zij ook als brandmeesters optraden. Tevens verrichtten zij met (door hen opgeroepen) manschappen politie- of schuttersfuncties, bijv. bij het jacht maken op bedelaars en landlopers, of bij het afzetten van het terrein bij executies. In een oude verordening op de brandweer in de gemeente Tilburg (van 18 Aug. 1856) lezen we als volgt: Art. 9. De wijkmeesteren der onderscheidene wijken zullen ten allen tijde zes personen, die niet tot de brandspuit behoren, bij voorraad commanderen, welke bij het ontstaan van brand zich met schoppen of platte rieken bij den brand zullen moeten doen vinden ten einde des noodig het brandende puin met aarde te overschieten. Art. 10. Voor de in art. 9 bedoelde gecommandeerde personen zullen de wijkmeesters lijst houden en zal niemand hunner zich daaraan mogen onttrekken. Wie de wijkmeesters in de 19de eeuw aanstelde wordt niet vermeld. Instructies of benoemingen waren tot dusverre niet te vinden. Ze zijn misschien als semi-officieel te beschouwen. In een register van de plaatselijke bedieningen (1852) worden zij wel genoemd, maar over de aanstelling wordt niet gerept. weeks bijvoeglijk naamwoord

    - WBD - III.1.3:3 'weekse kleren', ''s weekse kleren' = doordeweekse kleren
  9. zelfstandig naamwoord

    wèèl, wèltje wijle, poos, tijd

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Et zal nòg wèl en wèltje duure vurdèt zoomer is.
    - WBD - III.4.4:131 'wijl' = poosje, ook 'hortje, 'wijltje
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - we.l, zelfstandig naamwoord vrouwelijk - wijl, wijle, tijd
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wèèl zelfstandig naamwoord - tijd, poos
    - WNT - WIJL (I) - begrensde tijd van zekeren duur
  10. zelfstandig naamwoord

    calandra granaria - Wikipedia weemel graanklander - cakandra granaria

    - WBD - III 4,2:158 lemma Kevers - De kalander (Calandra granaria, een snuitkever die in meel of graan leeft) heet in het Kempenlands Wb. 1 en het Noordmeierijs Wb. wemel.
    - WBD - III 4,2:235 lemma Mijt - De mijten (Acari) vormen een zeer uitgebreide familie van kleine spinachtige diertjes, die veelal schadelijk zijn. Sommige leven parasitair op andere organismes en voeden zich aan hun gastheer, anderen leven van producten van de mens, zoals meel en kaas. mijt Tilburg wemel zeldzaam in Noorden van Tilburg kalander, klander Tilburg - WBD - III 4,2:238 lemma Meelmijt - De meelmijt (Tyroglyphus farinae) is een zeer kleine mijtsoort die in vochtig meel leeft. Enkele woordtypen berusten waarschijnlijk op verwarring met andere diertjes die in het meel kunnen leven, zoals de kakkerlak (...) en de kalander (...) Sommigen [van de respondenten] noemen alles wat het meel doet bewegen foutief 'klander'. wemel zeldzaam in Tilburg
  11. naam

    Wijnflessen, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg , H. Stoepker 1986 wèèn 1. wijn

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - bier en wên (ê: vgl. gête - geiten)
    - Dialectenquête 1887 Willems - de pestoor heej goeje wèèn
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - Latèèn drinkt wèèn (Kn 34) - mensen met gymn. opleiding drinken wijn
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - kóm drinke we wèèn, bier èn spons; ópt gèld stao te leeze 'God zij mèt óns (D'16) - aansporing om het glas te heffen
  12. ...strak zèèdet ammol meej mèn êens/ dè wèèn verrèkkes fèèn is. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wès wèèn tòch fèèn)

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - as den boer wèèn drinkt èn de pestoor mèlk, dan zèn der twee ziek
  13. Dettie waoter veraanderde in wèèn. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

    - Stadsnieuws - As den boer wèèn drinkt èn de pestoor mèlk, dan zèn der twee ziek (13040?)
  14. zelfstandig naamwoord

    2 . dommekracht N. Daamen - handschrift 1916 - "wain - een dommekracht" Wijnetiketten ter promotie van het lettertype TilburgsAns. Bron: internet 2018. wèènaos, wènaos windas N. Daamen - handschrift 1916 - "wainoas - windas"

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'wèènaas'
    - WBD - I.1.169 wend(as) K 183; wainoas hs Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 -
  15. werkwoord

    wèène winden; wenden; woelen

    - Cees Robben - s naachts doek niks as ruure en wèène... (19780407) - Cees Robben - Ik kan nie slaope en lig hil de naacht al te ruure en te wèène... (19851206)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nò veul wèènen èn draaje wast gevónde (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969)- na veel wenden en keren; na een langdurig proces was de oplossing gevonden.
  16. Piet van Beers De IFF: Ak saoves (laoter dan normaol)/ nog flink getòffeld hèb/ èn ik hèb wè stèèrke draanke ingenoome/ dan lig ik irst nog uurelang/ te wèène in m n bèd/ vur dè teliste toch de slaop gao koome. (Spoeje doemmeniemer; 2009) Piet van Beers Hoest: k Laag te draaie èn te wèène. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

    - Dialectenquête 1887 Willems - wèène - wón - gewónde
  17. K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - WIJNEN - winden. Kiliaen - heeft 'wijnden'. Z.a.

    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'waennen' (d.i. weinnen), weinden, wenden, omkeren
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GEWONNEN: 3e hoofdvorm van 'wijnen' (winden) WIJNEN - winden; wenden, omkeeren
  18. telwoord

    wèèneg weinig òn diejen boom zitte mar wèèneg pèèren aon.

    - Cees Robben - die zèn er vórt zó wèèneg; tis sund dèk zó wèèneg verstaand hèb;
    - Cees Robben - dès te wèèneg;
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - gèllie kree wênig - gijlieden kreegt weinig
    - Cees Robben - ''tis sunt dek zoo wèènig verstaand heb want prakkezeere ak toch dikkels doe'
    - WBD - III.4.4:257 'weinig' = gering aantal
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord l) weinig, niet veel; 2) klein: Hij is wänig va perseun - klein van gestalte.
  19. zelfstandig naamwoord

    wèèntapper

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - tapuit (Oenanthe oenanthe), ook 'stêenbikker'
    - WBD - III.4.1:92 'wijntapper', 'holkruiper' of 'steenbikker' voor de tapuit
    - WNT - WIJNTAPPER 3) benaming voor verschillende vogelst a) mees, b) roodstaartje, c) de gewone tapuit (Saxicola oenanthe)
  20. zelfstandig naamwoord

    Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982) weer kwast in het hout; weersgesteldheid

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et weer is goed, zi den boer, as et trèktemènt ók mar goed was (Si '67)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - tis goej weer vur de èèkel (Bi'40) - het is zonneschijn na regen
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - gin weeren in de haande krèège (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972)- 'n hekel hebben aan werk
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej rauw weer gevange zèèn (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - er slordig en ongekapt uitzien
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - weer van de Nobis Jacobis krèège (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - heel slecht weer krijgen (Nobis - plaats des duivels, hel, heeft altijd ongunstige betekenis) - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - et schonste weer van de wèèreld - heel mooi weer
    - WBD - III.1.2:350 'weer' = eelt
    - WBD - III.4.4:25 'schoon weer' = mooi weer; ook 'goed weer', 'fijn weer', 'droog weer', 'open weer' - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - weer, wier, wieër - eelt, knoest, kwast
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - WEER v-l) weder; 2) verweer: z'n weer hebben - niet om een weerwoord verlegen zitten; in zijn knollentuin zijn (of; het weer mee hebben); 3) m - kwast in het hout.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEER (scherpe e) zelfstandig naamwoord mannelijk en niet o. - eelt, hardigheid in de huid; knoop, knoest, kwast in het hout.
    - WBD - III.4.3:68 'weer' = knoest in het hout
    - WBD - III.4.4:26 'vast weer' - bestendig weer, ook 'staand weer', hangend weer', 'goed weer'
    - WBD - III.4.4:25/57 talloze kwalificaties van 'weer' - WBD - III 4.4:82 'zwaar weer' = onweer
  21. zelfstandig naamwoord

    wèèr war

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - in de wèèr - in de war;
  22. Wie doeget öt de wèèr? - Wie ontwart het?; dur de wèèr - in de war (contaminatie van 'in de wèèr' en 'dur mekaare')

    - Cees Robben - t Zit nog gelèèk in de wèèr... (19690502)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - et weer is wir in de wèèr, war - het weer is weer van streek, nietwaar
    - Steeds in de wèèr om noote te verzaomele... (Henriëtte Vunderink, Vlòmse gaaj, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
    - WBD - (III.4.4:311 'in de war', 'door de war' = in de war
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WÈÈR znw.v. - in de wèèr zijn - druk bezig zijn
  23. zelfstandig naamwoord

    wèèrde waarde

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - waerde
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge leert de wèèrde van ene fèfteger pas kènne, as ge der êene moet gòn lêene (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970)
  24. naam

    wèèrdelôos waardeloos

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - 'wairdeloos'
    - WBD - III.4.4:282 'waardeloos' - onbelangrijk
  25. zelfstandig naamwoord

    weere

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - groeven, kloven in de handen
  26. wèère warren, in de war raken

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - de draoj zèn dur bekaar gewèèrd - de draden zijn in de war geraakt
  27. werkwoord

    wèèreke werken

    - Dialectenquête 1887 Willems - wèrke - wèrkte - gewèrkt
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 22) 'wèèreke'
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Gij zult vant wèèreke ginne krommen rug krèège. (= Je werkt niet hard)
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - haard wêrreke is z'n zoak nie - hard werken is zijn zaak niet
    - Dialectenquête 1887 Willems - hij kan nie gaon wèèreke
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - van et wèèreke ginne kromme rug krèège (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 197l)-niet hard werken
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - as wèèrken in en fles zaat, krêeder et stöpke nie aaf
    - WBD - de koej weèrkt - maakt uitdrijvende bewegingen bij het kalven; ook genoemd: de koej 'arbèjt', arbèt', perst'
    - Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - WERKEN - wè:reke wkw (rg.)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wèèreke ww - werken
    - Pierre van Beek - Gij zult van et wèèreke ginne kromme rug krèège (- Gezegde:Tilburgse Taalplastiek 120)
  28. zelfstandig naamwoord

    wèèreld wereld

    - Informant Toine Raaijmakers - Aachter men gat vergao de wèèreld (opmerking van onverschilligheid)
  29. Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Beeter in de wije wèèreld as in nen èngen bèùk.

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - waereld, waireld, wereld
    - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben, Hij kan nooît zn haande tuîs kaauwe, ik geleuf dettie erg van de wèreld is (17-10-1966)
    - Cees Robben - Hij is echt vur de wèèreld..! (19661111)
    - Cees Robben - Detter vuls te veul vrouwen op de wèèreld zen... (19720818)
    - Cees Robben - De wèèreld is nie dur unne haos gedekt... (19780217) [haastige spoed is zelden goed]
  30. zelfstandig naamwoord

    Pierre van Beek - van de wèèreld zèèn - niet weglopen voor de erotiek

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - wêreld (ê = Frans même)
    - Dialectenquête 1887 Willems - die mòkte hil de wèèreld ònt vèèchte
    - Cees Robben - 'hij kekt onwèès de waereld rond'
    - WBD - III.2.2:8 'op de/ ter wereld komen' = geboren worden
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WERELD zelfstandig naamwoord v + m, Frans monde
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'werreld' - wereld, grond
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - WERELD (wéérelt) v - dikwijls gebruikt in de zin vans wereldse gezindheid, zin in erotiek en huwelijk: 'r zit gin wéérelt in - hij/zij zal wel een ongehuwd leven leiden.
  31. werkwoord

    Haor WERRELD - wereld wèèreme warmen

    - Stadsnieuws - Die et kòrtst bij et vuur zit, wèèremt zenèègen et bist (060108)
wèèrepe
werkwoord

werpen

- wèèrepe - wierp/wierepe - gewòrrepe
wêergaoj
zelfstandig naamwoord

van: weergave, zijns gelijke "Dè daankt me de weergaoi, köster, 't is oorlog!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 27-1-1940 17-2-1940) ...om den weergaoi nie! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun naor zee; Nieuwe Tilburgsche Courant 18-11-1939) "Loop naor den weergaoi", riep den kapelaon... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 10; Nieuwe Tilburgsche Courant 3-12-1938) - Cees Robben - Wè trekt ie [het kind] toch op dn aauwe, war/ Haoreender de weergaoi... (19840217) - in uitroepen met as de: in zeer hoge mate, verschrikkelijk [- WNT - lemma Weerga 5.f.a] - Cees Robben - Dooien doeget as de weergaoi.. (19580315)

weerik
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD - III.4.3 weerik - grote wederik (Lysimachia vulgaris)
  2. zelfstandig naamwoord

    wèèrk, wèèrek, wèèrik werk

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - gin wèrek
    - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben, en kussen as ze kan. ze maokt 'r echt wèrk van (23-10-1963)
    - Cees Robben - Bende klaor meej oe wèèrik Merie? (19650917) - Cees Robben - t is wir mieke-muik-wèèrik, Wimke... Ge hetter wir meej oew pet naor gegooid... (19770909) - Cees Robben - Want ge wit toch dè goei wèèrik heel veul tèèd en geld maag koste... (19780210)
  3. Schôon wèèrk waar, programmabuukskes vur concerten van et toonkunstkoor o.l.v. Louis Toebosch. Buukskes vur concerten van de Nieuwe Koninklijke Harmonie, ondertrouwkaorte, bidprentjes, geboortekaortjes en visitekaortjes (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - wèrrek (è = scherplang)
    - Dialectenquête 1887 Willems - zwaor wèèrek;
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zó te wèèrk gaon (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) zo te keer gaan, misbaar maken
    - WBD - III.1.4:305 'werk' = handeling
  4. Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - WERK - wè:rek znw.o. Frans: travail

    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. - werk, arbeid
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. - 'werk' - afvaldraden van vlas of hennep
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - -WERK, in samenstellingen (wèèrek) behalve 'werk van', bv. Kinderwerk: l) achter onbep.wijs, met verbindings-s: aanleiding tot, reden voor, meestal met ontkenning: 't is gin lagerwèèrek - er is geen reden om te lachen) 2) achter een stam, zonder verbindings-s: spullen, het geheel waarmee iets gedaan kan of moet worden: breekwerk, snoepwerk.
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - wèèrk (blz. 18)
  5. naam

    wèèrm, wèèrem, wèrm warm

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - wêrm (lange ê)
    - Cees Robben - As t wèèrum is...(19830805)
    - Cees Robben - n wèrm wiegske. (19540213) - Cees Robben - Wè lief is mn blumke...... / Wè wèrm mn bloed...... (19540424) Wij gongen elke dag naor ons wèèrk, we kwaame tusse de middag gewoon thèùs om wèèrm te eete net as onze paa. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
    - - Dialectenquête 1887 Willems - et is wèèrm gewist vandaog
    - WBD - III.2.3:40 - 'warm eten' = middageten
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz.97) tis ene wèèremen dag gewist
    - Stadsnieuws - Wèsset toch wèèrm war! (180606)
    - Hessels 2020 - Als je in je broek hebt gekakt: - dè blèft nie lang wèèrm! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: KLIK HIER )
  6. naam

    Aanvullende bronnen

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WARM, WERM (Kemp.) - warm
  7. zelfstandig naamwoord

    weeròpper

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - in zene weerópper koome ('65) - in zijn weeropper komen: er bovenop komen; weer beter worden (opperweert = naar boven)
    - N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "hij komt wir in z'n weeropper - wordt weer tevreden, weer beter)
  8. zelfstandig naamwoord

    wêes persoonsvorm, verleden tijd van wèèze wees hij wêes ons de gerichste wèg wêes wees, kind zonder ouders wèès, wèske zelfstandig naamwoord wijs, wijze, melodie

    - WBD - III.1.4:306 'wijze = manier
  9. naam

    De stadslui mee d'r meskes,/ Die naor 't concert van Korvel gaon,/ Daor spulde ze de wèskes. Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926. wèès, wèèzer, wèèst wijs

    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Iemand wèèsmaoke dè onze Lieven Heer Hèndrik hiet èn in de Bikse haaj peeje stao te steeke.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zó wèès as Saaloomóns kat; die viel van wèèshei van de trappe (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - ter hekeling van iemand die zich wijs voordoet
    - WBD - III.1.4:25 'wijs' = idem; 31 'wijs - vlug van begrip; 67 'wijs' = braaf
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Hast [haast] zo wèès as ene meens Compliment dat meteen teniet wordt gedaan
  10. J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - WIJS wordt hier veel gebruikt voor slim of verstandig.

weesee
  1. zelfstandig naamwoord

    w.c., wc, (afkorting van water closet)

    - WBD - III.1.1. lemma Naar de WC gaan naar de wc gaan - frequent noordelijk Tilburg
    - WBD - III.1.1. lemma Naar de WC gaan naar de wc moeten vooral noordelijk Tilburg
    weesee
  2. zelfstandig naamwoord

    weesgegruutje

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - weesgegroetje
    - WBD - ( III.3.3:185) weesgegroetje = weesgegroet
  3. werkwoord

    wèèsmaoke wijsmaken, op de mouw spelden Lòt oe tòch niks wèèsmaoke! weesmaoke - mòkte wèès - wèèsgemòkt

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIJSMAKEN: Iem. iet wijsmaken - hem iets duidelijk maken, aan 't verstand brengen
  4. zelfstandig naamwoord

    weet

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - et is mar en weet èn vlooje vangen is en gaaweghèd
  5. werkwoord

    weete weten weete - wies - geweete klinkerverkorting in de 2 e en 3 e persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd, in de gebiedende wijs, en soms 2 de persoon meervoud in plaats van jullie

    - je weet / ge wit / witte gij
    - hij weet / hij wit
    - zij / ze weet / ze wit
    - jullie weten / gullie wit / witte gullie
    - weet! / wit...!
  6. Infinitief

    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - weejte ww weten
    - Pierre van Beek - Nie beeters te weete - voor zover ik weet.
  7. Tegenwoordige tijd 1 e persoon - ik Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden Sprikt! Pròt òf lòt en scheet, dèk iets weet. [Zeg iets, al is het nog zo weinig]

    - Cees Robben - Gij moet nie zóveul praote; dan weete de meense nie hoe lómp dègge zèèt.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - dè week nòg wèl - dat weet ik nog wel
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - Dè beger ik vaan jaau te wète (è: tusschen ee en è)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'Dèk weet, weet ik zó goed as de pestoor!', zi den boer,' mar nie zó veul' (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - zeispreuk
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz.99) ik wee(t) nie waor k em moet gòn zuuke
  8. Tegenwoordige tijd 2 e persoon jij, gij, ge

    - Dialectenquête 1887 Willems - witte ginne waogemaoker?
    - Kubke Kladder - Witte wè ze bij ons schaand noemen? Zelf goei boter eten en oe kender margerine (Column in Nwe. Tilb. Crt. 1930)
    - Kubke Kladder - Toen de goeie boerin nog een tas dampende koffie ingeschonken en mee 'ne punt van d'ren blauwen schort 'ne tip van de tafel schoongeveegd had, zei ze voldaan: "Ziezoo Toontje, ge kunt aan den slag," en ze voegde er lachend bij: "as ge nie genog hed wittet mar te zeggen... (Column in Nwe. Tilb. Crt. 1930)
    - Jan Jaansen - "Alla kom, haawdoe war, en dè ge bedaankt bent dè witte wel!" (pseudoniem van Piet Heerkens; uit: Nieuwe Tilburgsche Courant, t briefke van duuzend, 1939)
    - Piet Heerkens - Zeg, witte gij nog van Jan Viool/ die langs de deure liep/ en geurde naor 'n vuil riool/ en in de schuure sliep? (Uit Jan Viool, in Den Örgel, 1938)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - agge wir wè wit - als je weer eens wat weet!
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - witte ww. - weet je
    - Piet van Beers; Want dieje lucht van vlêes... dè witte/ gao wèl in oe klêere zitte. (uit: Eete van unne steen, 2004)
    - Rudolph van Veen - 2012 - 'Manneke witte gij wel wa dat is?'
  9. Rudolph van Veen in de Top 2000 van 31 december 2012 In de laatste aflevering van de Top 2000 van 2012 vertelde de populaire Tilburgse meesterkok Rudolph van Veen waarom hij van mening is dat eigenlijk het nummer 'God Save the Queen' (het Engelse volkslied) op nummer 1 zou moeten staan, zij het dan in de uitvoering van de Sex Pistols, de punkgroep die zijn eerste muzikale liefde was. Van Veen: 'Ik ben naar de platenwinkel gegaan in Tilburg. Ik zeg, ik kom Never Mind the Bollocks halen. Die man die keek mij aan, en die zei, op z'n Tilburgs: "Manneke witte gij wel wa dat is?" Tegenwoordige tijd 3 e persoon hij, zij, ze, het, et, dat, dè

    - Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Hij kómt van Gôol èn wit van niks.
    - Dè wè nie wit, dè ok nie deert. (Henriëtte Vunderink, Heure, zien èn zwèège, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
    - Cees Robben - God wit;
    - Cees Robben - hier witte wèt is
    - Van Hepscheuten - Witte wèttie wo?... wippe wottie! (Jan van Rijthoven in We tobbe mar aon, 1992)
  10. Tegenwoordige tijd 2 de persoon meervoud jullie Sterneberg sj - Wat da zegge wil, in Indië, da witte gullie ok wel. (n Busselke Braobaants; 1930) Lodewijk van den Bredevoort - Gullie wit intussen wè dè is. (2007)

    - Piet van Beers; Gullie wit nie hoe t voelt... (Uit: Versjes maoke; 2004)
  11. Verleden tijd

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz.68) wiezek, wieste, wiesie, wieseme/ wiesewe, wiestegullie, wieseze.
  12. ik wies gij wiest / wieste gij? / wieste? hij, zij, et wies wij wiese gullie wiest / wieste gullie hullie wiese

    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wies(e) ww - wist(en)
  13. Verleden tijd 1e persoon enkelvoud Kwok wies wèk wo. - Ik wou dat ik wist wat ik wilde.

    - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - kwô dek wies wèt waar (feb. 1962)
  14. As ik wies wè ons Wies wies, dan wies ik ut wel! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - gê daacht dè 'k dè nie wiest [met t!]
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - kwies nie dè dè dè betêekende
  15. Mèn schonste Tilburgse spreuk is: Kwo dèk wies wèk wo, Wies. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009) Verleden tijd 2e persoon enkelvoud Tony Ansems - Hoe wieste wègge moest zegge (uit 'Toon' van de cd Tilburgse Liedjes - American Style, 2007) Lodewijk van den Bredevoort - Wieste gij dè nie menneke?, zittie. Dè menneke wies dè dus hillemol nie en hatter om eerlek te zèèn zen èège ok nôot druk over gemaokt. (pseudoniem van Jo van Tilborg; uit: Kosset den brèùne eigelek wel trèkke?, deel 2, 2007) Henriëtte Vunderink - Wieste dè ammòl nie?/ ookeej, dan wittet nou. (uit: 'Wieste...', in kZal van oe blèèven haawe, 2007) Verleden tijd 3e persoon enkelvoud

    - Cees Robben - hij wies nie òn wèlke kaant te begiene; hil de hoef wies ervan;
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - Wies wies wie ze waar - Wies wist wie ze was
  16. werkwoord

    Verleden tijd 3e persoon meervoud Ze wiese nie wèsse wón. Ze wisten niet wat ze wilden.

    - Cees Robben - Asse wiese det gewist was, dan zón ze wèl gewist zèèn.
    - Cees Robben - Asse mar wiese wèsse won!; asse wiese wè ze aate;
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Asse wiese dèt was, zon ze wèl gewist zèèn.
  17. J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - Witten voor 'weten'; z.a.

    - A.J.A.C. van Delft - Z'n vrouw had zich bij dit gezegde nog lachend aan de deur omgewend, toen ze sprak: "God wit alles en God wit niks." Op mijn groote vraagoogen, die het verband niet snapten, snapte zij gemoedelijk: "Jèjè ik bedoel, dat Onze Lievenheer heel veul weten kan, mèr alles wit-ie nie, want aanders zou ie onze kelder nou in de schoonmaoktijd ook wel gewit hebben." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)
  18. Karel de Beer - Eens ging hij [textielfabrikant Henri M.J. Blomjous] met zijn zusters (zie Toos en Maria Blomjous) hun broer Joseph M.D. Blomjous (1873-Den Haag 1930) opzoeken, die zich in 1923 in de Residentie had gevestigd. Aldaar meldde de conducteur van de tram op een zeker moment: "Witte de Withstraat", waarop een van de zusters antwoordde: "Dè moete òn onzen Harrie (Henri) vraoge, die wit alles!" Een andere lezing voor het gegeven antwoord luidt: "Dan zudde veul kallek nôodeg hèbbe!" (Tilburgs Bijnamenboek, 2000)

wèève
  1. zelfstandig naamwoord

    Ill.: Mandos wèèver wever

    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - wè ist hier toch dónker; tis krèk òf er ne wèèver óp stèèrve leej.
  2. Kekkis Karel, veronderstel dè gij den bisten wèver bent van hil Tilburg en ikke den bisten wielendraaier van hil den Ateljee. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 25 mei 1945)

    - Pierre van Beek - Hoor maar: als 't erg donker in een vertrek is, zegt 'n ouwe wever: "'t Lijkt wel dè hier ne wèver op sterven leej"; (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. ? ; 22 jan. 1958)
    - Cees Robben - Wij zèn wèèvers van prefessie... (19560630)
  3. Ill.: - Cees Robben - 'Wij zijn wèèvers van prefessie' (detail) - Cees Robben - Wij zèn uit t laand van de wèèvers niewaor... (19580308) - Cees Robben - wèèverkes in nôôd... (19570313) - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 02 15 - Onze grutvadder dè was ene wèèver/ van stukke hattie veul verstaand/ hij sjouwde hêel hard, alle daoge/ vur den ,,Heer" de fabriekaant. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et heej nie geholpe. )

wèèver

Tijs Dorenbosch - Vignetten uit De Mus en D'n örgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)

wèèverij
  1. zelfstandig naamwoord

    weverij

    - WBD - 'waeveréjke (II:940) - weverijtje, plaats waar geweven werd, weefkamer
    - Daorneffen waar de wèverij. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
    wèèverij
  2. zelfstandig naamwoord

    wèèversknêûp weversknoop

    - WBD - 'waeversknéúp' (II:1051) - weversknoop
    - WBD - 'lénnewaeversknéúp' (II:105l) - linnenweversknoop = weversknoop, ook 'plàtte knéúp' of kattekóp genoemd
  3. zelfstandig naamwoord

    wèèversschèrke

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - (textiel) weversschaartje, speciaal schaartje om foute knopen en draadjes tijdens het weven te verwijderen
  4. zelfstandig naamwoord

    weeze Wezen; hier: gezicht

    - Een roestpraatje ( Weekblad van Tilburg , 5 oktober 1867): Mer vajer! Ou brudt iet in t heut; k zaag t te mentij aon oe weze
  5. werkwoord

    wèèze wijzen

    - Dè wèèst zenèège - Dat behoeft geen nadere toelichting..
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 37) doublet: 2/3 p. sing. wèst/ wèèst' (wijst)
    - Dialectenquête 1887 Willems - wèèze - wêes - geweeze
    - in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIJZEN zie wdbb.; iemand niet kunnen thuis wijzen - niet weten wie hij is
  6. bijwoord

    weezelek

    - Paul Spapens et al; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol (2004) - werkelijk, echt
  7. zelfstandig naamwoord

    wèèzer wijzer de grôoten èn de klèène wèèzer

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIJZER zelfstandig naamwoord mannelijk - De wijzer in 't rond slapen - 12 uur slapen
  8. naam

    wèffer, wèffere, dewèffere wat voor, welke, wat voor een

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Wèffer èèrpel krèèk, èn de wèffere vatte göllie? - Wat voor aardappels krijg ik, en welke nemen jullie?
wèggeefkiesje
zelfstandig naamwoord

samenstelling uit weggeven en kistje

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - kistje goedkope sigaren
wèggôoje
werkwoord

weggooien

- Pierre van Beek - Aan huurhuizen en dienstmeiden is alles weggegooid. - Geen van beide bevorderen het belang van hem, die ze benut. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)
wègleere
  1. werkwoord

    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - WEGLEREN ov.ww - doceren, didactische talenten hebben: de mister is veul geleerd, mèr ie kan nie weglere.
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. - wegleren, al lerende (docerende) in een ander overstorten.
    - Pierre van Beek - toch anders dan gewoon onderricht geven
  2. werkwoord

    wègmaoke wegmaken, doen verdwijnen; Pierre van Beek - ónder narcose brengen van een patiënt

    - wègmaoke - mòkte wèg - wèggemòkt
    - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij mòkt wèg
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEGMAKEN (ook: eweg-) zijne goederen vermaken aan personen die geene bloedverwanten zijn.
  3. Screenshot: Roy Donders naait zijn friteuse weg.

wègnaaje
werkwoord

naaj wèg, naajde wèg, wèggenaajd wegwerpen, weggooien Roy Donders - As et vet oud is en et moet er uit, zeg mar, dan pak ik die frietpan, die gooi ik in 'n vuilniszak, eigeluk drie vuilniszakke, enne die naai ik gewoon weg, en dan koop ik 'n nieuwe. (Stylist van het Zuiden, aflevering 4, 18 november 2013, RTL 5)

wègnaaje
wègt
  1. 2e lid v. samenstelling

    - weg
  2. Berdòssewègt

    - WNT - WEG, weeg, wegt, weug
  3. J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - WEGT voor 'weg'. Het komt in de boerentaal voor bij Huygens, in Hofwyck .

    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - WEG 1) m - dikwijls uitgesproken als 'wegt'; route, baan: de wegt is glattig; 2) bw - verdwenen, uitgesproken als 'eweg: hij is eweg; 3) in de uitdr. uit de weg uitgesproken als weeg.
  4. werkwoord

    weie wieden

    - Dialectenquête 1887 Willems - weie - weide - geweid
    - WNT - WIEDEN, wie(ë)n, wij(d)en, wee(d)en, wai(.d)en, wuden
  5. bijwoord

    wèjer, waajer verder, wijder (comp.van wèèd)

    - Cees Robben - vier deur wèjer
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - snip, snap, snijer, mòkt oew broek wa wijer (Si'64) - spot op de kleermaker
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - 'wijer' - verder
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - Wedder of wijer
  6. werkwoord

    Haor wèèr - verder; wèèrop verderop wèjere verwijden

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - 'wijere - wijder maken
  7. samentrekking

    wèk

    - Cees Robben - En witte wek zaag... (19590822) - Cees Robben - Wek van den onzen krèèg.. (19650416) - Cees Robben - ...al wek kan ... (19701023) - Cees Robben - Wek naa vort t mèèn noem (19701023) - Cees Robben - Moeder, ik weet nie wek moet doen... Dan spult mar mee oew teen tot vermaok van oew hielen... (19821119)
wèjer
  1. bijwoord

    wijd, ver, ver weg, wijds

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - enen bòlscheut/kaajscheut wèèd
    - WBD - (Hasselt) 'wèèd staon' (van een paard) - met de benen te ver uit elkaar staan, ook genoemd 'brêed' resp. 'röm , (Hasselt) 'rèùm staon
    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Sint Job dè was Berkel-Enschot, dè was himmel nie zo wèèd hè, hier bi, zo wè bi, binnendeur dan waar, dan zèèder zôo
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 07 14 - Nog efkes en 't is zò wèd... - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 06 04 - Dicht in de buurt, vèf straoten wèd / Is un biebliejoteek.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ók meej klómpen aon kunde wèèd koome, mar dan meuder nie meej klossenbakke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - Iemand van gewone komaf kan het ver brengen als hij zijn manieren maar aanpast.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - te wèèd, Bèt, twee keer van doen ('7l) - aansporing tot zuinigheid
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - wont ie wèèd? - woont hij ver weg?
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'wèèt-eweg' - ver weg
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - et laand is wèèd - het land is wijds - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIJD, wedder, of: wijer
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wèèd bw - wijd, ver, erg
    - WBD - III.1.2:151 'wijd stappen = met grote stappen lopen
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 50; wèèd - wèjer - wèèdst
  2. zelfstandig naamwoord

    weedeman, weeduuwman

wèkker
  1. zelfstandig naamwoord

    wekker, klok die geluid geeft op uur en tijd van opstaan hier echter figuurlijk gebruik voor een neus en het opsnuiven van neus-slijm.

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 05 16 - Hij haolde irst z'ne wekker op...
    - WTT 2023 - zegsman Ed Schilders - Het gezegde 'Haal op die wekker, Snot is lekker' werd gebruikt als aansporing wanneer bij een kind duidelijk een 'snotbel' uit een neusgat droop.
  2. tussenwerpsel

    wèlk wat?

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - wat zeg je?
    - Informant Toine Raaijmakers - Ter correctie wegens het niet met-twee-woorden-spreken luidt soms het antwoord: dèlk!
  3. zelfstandig naamwoord

    wèllekrabber

    - WBD - rolkrabber (voor het schoonmaken van de roller waarmee de grond wordt aangedrukt)
  4. naam

    wèllie 1e persoon meervoud: wij. Eigenlijk: wij lieden.

    - WNT - XXVI:248 - (r.7 v.o.) 'Uit wijlie(den) ontwikkelden zich vormen als wellie, welle, wielie, wijle.
    - J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel , deel 1, 1882: Enwitte wel, Truike, wè wellie naauw zulle gaon doen?
    - Cees Robben - Dur de mert zeggen wellie.. t is wir naatje... (19580315) - Cees Robben - [een pastoor spreekt] Aon die snorrepèèperijen daor doen wellie nie aon meej... (19600116)
    - G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2000: Vural die gaasten öt èèrme laande mènde we hier hard nôodeg te hèbbe. Zullie kossen et wèèrk doen waor wèllie vort onze snufferd vur ophòlde.
    - Grôot diktee van de Tilburgse taol 2000 '...waor wèllie vort onze snufferd vur ophaole'
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenlan d - 1958 e.v. - voornaamwoord 'wijlie' wij
    - Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - WIJ, WIJLIE
wèllik
  1. tussenwerpsel

    wat?; wat zeg je?

    - De W van Wèllik? (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
    - WTT 2020 - De vraag werd vaak beantwoord met de dooddoener 'Stront meej karnemellik.'
  2. zelfstandig naamwoord

    wèltje poosje, tijdje

    - verkleinwoord van 'wèèl', met vocaalkrimping
    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - ' 'n wijltje '
  3. zelfstandig naamwoord

    Toen ik zoo in wèltje gezete ha... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

    - Cees Robben - ...nog n weltje, en ze bouwen... (19540227) - Cees Robben - Ge het mepessaant toch n weltje oe verzet gehad... (19810417) - Cees Robben - Over n weltje ben ik vèèf-en-virtig jaor getrouwd (19850322)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - et zal nòg wèl en weltje duure vurdèt zoomer is
    - Stadsnieuws - Kunde nog en wèltje wòchte, ik zèèder zôo - Kun je nog even wachten, ... (300510)
    - WBD - III.4.4:131 'wijltje' = poosje, ook 'wijl', hortje'
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Krt.101 sluit 'wèltje' niet uit, evenmin als 'tèdje' en 'èfkes'
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - e weltje
  4. samentrekking

    wèn wat (voor) een

    - Cees Robben - Wen weer wir war... (19560218)
  5. Ik zit hier zeker in China Want iederendeen die zeej We'n wang, we'n wang, we'n wang toch hè Kik toch die kaok toch, w'en wang We'n wang toch he, we'n wang toch hè Hollebolle Kaok van un wang CiT (18) 'Hèhè, wenne wend war!

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 62) wèn, wènne; flexie-n alleen in mannelijk sing.
  6. zelfstandig naamwoord

    wènaos, wèènaos windas

    - WBD - wèndas, hs K183: wainoas - Hasselt: putról - windas boven de put
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'wèènaas'
    - Hoe ontstond 'aos' voor 'as'?
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk (molenaarst.) 'wijndas - windas
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIN(DE) znw.v. - windas, dommekracht
  7. zelfstandig naamwoord

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. wènd, wènde wind

    - Voorbeeld Sterenborg - Wènne wènd war! - Wat een wind he!
    - Om aacht uur doken wij de vrieskou in meej de wènd rèècht op kop. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
    - Cees Robben - En de wend die fraozelt zuutjes,/ liefdesliekes in mun oor.. (19540612) - Cees Robben - Dur t geweld van weer en wend... (19591031) - Cees Robben - t Lied van de wend.. (19600102) - Cees Robben - De wend streek zachtjes langs mn haor (19600715) - Cees Robben - Wilde wende... (19701106) - Cees Robben - natte klamme wende (19611208)
  8. zelfstandig naamwoord

    Lechim - Ge dènkt : Zot aaltij wènter blèève/ meej zonne kaawe zuure wènd? (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vurjaor) Lechim - ... ik gao dur weer èn wend/ want agge tèùs blèèft vur de sneuw/ dan zèède ginne vènt. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ons Sjèfke zee: Tis vuls te glad paa)

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - de wènd van Gôol dugt nie
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej de wènd int noorde spaorde de nètten èn de koorde (Si'65) - noordenwind is goed voor de vissers
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - iemand wènd in zen broek jaoge
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - de wènd gao meej de kiepe te bèd
    - Noovèmber, hèrfst, ene kaawe wènd.... (Henriëtte Vunderink, Hèrfst, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord mannelijk 'wijnd' - wind
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEND, zelfstandig naamwoord mannelijk - wijnd, wind
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - winding, (textiel) de winding om de weefboom: 'wént'
    - WBD - III.1.1:211 'wind, windje' = wind
    - WBD - III.4.4:107 'zucht', 'zuchtje', 'zoefje', 'zweepje' = zacht windje
    - WBD - III.4.4:108 'koude wind' = koele wind, ook 'dun windje'
    - WBD - III.4.4:110 'schrale wind' = koude noordenwind
    - WBD - III.4.4:111 'windstoot' = rukwind, ook 'snuk(wind)'
    - WBD - III.4.4:112 'wervelwind', 'draaiwind' = windhoos
    - WBD - III.1.4:394 'wind' = koude drukte
WEND
  1. zelfstandig naamwoord

    Heur de wend 'ns waaien, jong, over huizen en heggen en tuinen, over de hooge boomenkruinen doet ie al uren lang oversprong. Heur 'm tuimelen over et laand, over d'ekkers van de boere! Heur 'm, heur 'm toch 'ns rumoeren rauw van taol, brutaol en 'straant! Heur 'm fluiten om ons huis, heur 'm om de boome waaie, heur 'm in de blaoier graaie, grabbelen onder stof en gruis! Waai en graai en raos mar raok, stroebel mar blaoier van de boome...... 'k lig mee open oogen te droomen, lekker vecht ik mee Klaoske Vaok. wèndaaj

    - WBD - ei zonder schaal, ook 'windaaj' genoemd
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr.+ o. 'wijndei' - windei
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WINDEI(E)- Informant Toine Raaijmakers - znw.v. - windei
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wèndaaj zelfstandig naamwoord - windei
  2. naam

    wènddrêûg

    - WBD - winddroog: de toestand waarin het leer geklopt moet worden (II:758)
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WINDDROOG - in den wind gedroogd zonder zon.
wènddröppel
  1. zelfstandig naamwoord

    samenstelling uit wind + druppel

    - 2019 verwaaide regendruppel (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980.
  2. zelfstandig naamwoord

    wèndmeule windmolen

    - WBD - wèntmeule ('wéntmujle') (II:1027) - windmolen: windmeulen
  3. zelfstandig naamwoord

    wèndsbraawe

    - WBD - III.1.1:74 'windsbrauwen' = wenkbrauwen; ook: 'wenksbrauwen'
  4. zelfstandig naamwoord

    wèndvaon

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - windvaan, windwijzer
  5. zelfstandig naamwoord

    wèndvèèr afdichtingsplank aan de rand van dakpannen

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WINDVEER znw.v. -bij timmerlieden: De windveren zijn planken, die men op het uiteinde van een dak nagelt om te beletten, dat de wind de pannen er zoude afwerpen.
  6. wèndzèuger

    - WBD - windzuiger (paard dat lucht in de mond zuigt en daardoor oploopt), ook genoemd 'zèùger', 'wèndhapper', kribbèèter of kribbenbèèter
wèngske
  1. werkwoord

    wènke wenken

    - Dialectenquête 1887 Willems - wenke - wónk - gewónke
  2. naam

    Schilderij (detail) - 'Winterpad met oude vrouw' - auteur onbekend wènter winter

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 01 29 - Mar ikke wel en k vèn t zund / Dèt vruuger nie gebeurde / Toen was allèèn mar "slibbere" / Al wègge 's wènters heurde.
    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - durgewenterd
    - Lauran Toorians; Wenterlieke; CuBra; 200? - Over witbevrore waaie /
  3. zelfstandig naamwoord

    schent waoterig een wenterzunneke, / een wenterwaoterzunneke / over witte waaie schent.

    - Piet van Beers Ge moet iets hebben wè oe tegenstikt: Ik roep munnen hond, en hij heurt aon m'n stem,/ dè ik uit mun humeur uit ben./ 't Bisje is nog blijer as ik /As we van diee Wenter af zen. (With Love; 1982-1987)
    - WBD - III.1.3:147 'winterdas' = dikke wollen das
  4. als onzijdig zelfstandig naamwoord

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 05 23 - 't Is 'ne trubbel mee d'n ollie, / We motte mindere en gaauw, / Aanders zitte we van 't wènter / Mee allemolle in de kaauw.
  5. werkwoord

    wèntere winteren

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - 'et heej gewènterd'
    - Cees Robben - Wènteren... dè doeget nie (19580315)
  6. zelfstandig naamwoord

    wèntergoed

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 09 20 - Ge ziet de winkels overal/ 't Wèntergoed uitstallen.
  7. zelfstandig naamwoord

    wèntertèùn wintertuin

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - naam van vroegere uitspanning op de Heuvel, later City,thans Gallery
  8. zelfstandig naamwoord

    Wepke - Collectie Regionaal Archief Tilburg / Stadsmuseum wèpke schild met doodskop en attributen

    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jao, ge hòd van die dôod, ge hòd van die dôodsbidders hadde, die kwaame dan. Want vruuger, vruuger hadde op veul plòtse as de meense enen dôojen in hèùs hadde, dan wier der zon wèpke bèùte gezèt, en paor stêene teege mekaaren aon èn daor zon palmtèkske tusse, en boske strôoj
  9. zelfstandig naamwoord

    morf. wijp -à wèèp à wèpke als tijd à tèèd à tèdje, e.d.

    - WNT - XXV:2422 WIEP (I) 2) bundel stroo
  10. zelfstandig naamwoord

    wèps wesp Ik heb aatij heure zegge dè 'n bij den honing uit de blomme holt en 'n weps ut vergif. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 2 februari 1945)

    - WBD - III.4.2:139 weps - wesp (Paravespula vulgaris)
Weraande
  1. toponiem; Oude warande; stadsbos in Tilburg West

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 10 05 - Ik mòòg - as kènd - mee onzen opa / Dikkels naor de Weraanda mee / En dan zeetie: "Kik, m'ne jonge, / Dès 't schòònste gruun wè Tilburg hee." - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 01 18 - En de Waranda MOET van ons / Ok blève bij 't aauwe. / / Mar wè d'n börger gère hee / Is van gin impertaansie / De hòògeschool krègt zunne zin / D'n börger de kwietaansie.
    WeraandeWeraande
  2. naam

    wèrd waard

    - Dialectenquête 1887 Willems - geeveswèrd - weerd om te geven
  3. Tis nie wérd dègger nor kèkt.

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - waerd
    - Cees Robben - ... werd om op-te-haauwe (19580705)
    - Cees Robben - As ge meej oewen èèremoei ginne raod wit... Dan zèède nie werd deggem het... (19840420)
    - Dialectenquête 1887 Willems - èèrde pòtte zèn nie veul wèrd
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WÈÈRD, WÈÈRDE, WÈÈRDIG - waard, waarde, waardig
  4. bijwoord

    werèchteg, werèndig waarachtig, waarlijk ..."'t Is werendig waor! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; Nieuwe Tilburgsche Courant 15-10-1938)

    - Cees Robben - werechtig (19641231) - Cees Robben - werechtig (19600422) - Cees Robben - t stao werechtig schôn en deftig [de kleding] - (19550806)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'werèègteg'
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. 'waaraechtig' - waarachtig
  5. zelfstandig naamwoord

    wèrft, wèrf

    - WBD - erf (open vrije ruimte tussen boerderij en bijgebouwen), ook 'èrf genoend
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'wèèref, wèrreft' - werf, erf
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - WERF (werft) v - erf, ongeveer hetzelfde als 'dam en 'missem', maar met de bijbetekenis van 'plaats waar gewerkt wordt'.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WERFT, WERF zelfstandig naamwoord mannelijk - open plein vóór eene boerderij, tusschen de woning van den boer en de afhankelijkheden.
    - WNT - WERF, werft, werve, warf, warve enz.
wèrke
  1. werkwoord

    werken Pierre van Beek - "Werken is zaolig, zeej de begijn en ze droegen mee z'n vieren 'nen boonstaok." We hebben hier te doen met een geestig sarcasme op iemand, die het air aanneemt van heel wat te werken, maar die in werkelijkheid niet veel uitvoert. (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 11 maart 1950) wèrkelôoshei zelfstandig naamwoord werkloosheid

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - 'werkelooshei'
  2. zelfstandig naamwoord

    wèrkendag werkdag K&- Dialectenquête 1887 Willems - 'werkendag'

    - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben, Ik wil wel efkens binnen koôme, mar ik zè op zn s werkendags (13-07-1966)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - mèèregen ist wir 'wèèrkendag' geblaoze - morgen moet er weer gewerkt worden.
    - WBD - III.3.1:214 'werkendag', 'werkdag' = werkdag
    - WBD - III.l.3:3 ''s werkendaagse kleren' = doordeweekse kleren; ook ''s weekse kleren' - WBD - III.1.3:195 's werkendaagse muts' = witte kanten muts zonder sierkrans
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw. mannelijk 'werkendag' - werkdag
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WERKENDAG zelfstandig naamwoord mannelijk - werkdag
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wèrkedag zelfstandig naamwoord werkdag
  3. zelfstandig naamwoord

    wèrkmeens arbeider

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - En èègen hèùs was niks vur ene wèrkmeens
    - Anoniem; in Nieuwe Tilburgsche Courant 30-01-1941 - Hoe was het in onze streken?", 1941 - De scheldtitel waarmede de jongeren [in de textielfabrieken] vooral werden aangeduid was fabriekslap en vethol; de welwillende algemeene benaming was voor de kleinen: draadmaker en voor de grooten fabrieksmeens, werkmeens, en voor allen te samen 't of dè werkvolk! Mét de noodige minachting a.h.b. Dat was misschien nog het ergste van al, dat de waardeering al te veel zich uitte in weinig achting.
    - WBD - III.3.1:215 'werkmens' = arbeider
  4. zelfstandig naamwoord

    wèrkplòts werkplaats

    - WBD - werkplaats, het lokaal waar o.a. het zwikblok opgesteld stond (II:667)
  5. zelfstandig naamwoord

    wèrktòffel

    - WBD - werktafel: het lage tafeltje waaraan de schoenmaker, op een werkstoel gezeten, werkte en waarop hij het gereedschap en het onraad legde (II:694)
wèrkvòlk
  1. werkvolk

    - Anoniem; in Nieuwe Tilburgsche Courant 30-01-1941 - Hoe was het in onze streken?", 1941 - De scheldtitel waarmede de jongeren [in de textielfabrieken] vooral werden aangeduid was fabriekslap en vethol; de welwillende algemeene benaming was voor de kleinen: draadmaker en voor de grooten fabrieksmeens, werkmeens, en voor allen te samen 't of dè werkvolk! Mét de noodige minachting a.h.b. Dat was misschien nog het ergste van al, dat de waardeering al te veel zich uitte in weinig achting.
  2. zelfstandig naamwoord

    wèrmte warmte

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'wèrremte'
    - Cees Robben - 'de wermte vur d'n klèène man'
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. 'wermt' - warmte
wèrom
  1. bijwoord

    waarom

    - Hij [de ooievaar] heej wir un zusje veur jullie gebrocht. Zède gullie nie blij? Wè blij, wie blij, wèrom blij? Wèrom zodde blij zèèn meej iets waor ger al zat van het? (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
  2. werkwoord

    wèrre in de war / in verwarring zijn of komen, warren CiT (30) 'De draoie zen dur bekaar gewèrd'

    - wèrre - wèrde - gewèrd
  3. bijwoord

    werschènlek waarschijnlijk

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - werschijnlik
  4. samentrekking

    wèsdè?

    - Paul Spapens et al; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol (2004) - wat is dat?
  5. samentrekking

    wèsser

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - wèsser naa, wir gònde? - wat is er nu weer aan de hand?
wèstminster
  1. zelfstandig naamwoord

    westminster

    - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben, as ik gao vissen, zettik aaltij munne westminster op (10-03-1967) [spreker bedoelt: zuidwester]
  2. naam

    wèt, wè

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - wat
  3. zelfstandig naamwoord

    Un potje zingen, veur ene appel, of wet snoep... (Tony Ansems, Drie koningen; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009) wèthaawer wethouder

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - wethauwer, wethaawer.
  4. zelfstandig naamwoord

    wètstêen

    - WBD - wetsteen, een steen voor het wetten van messen (II:682)
  5. samentrekking

    wètter

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Hij wies niet wètter afgesprooke was
  6. zelfstandig naamwoord

    weuw, wuw, weuwke weduwe

    - A.J.A.C. van Delft - "Ik werk veur de Wuw", waarmede een firmanaam aangeduid wordt, die begint met "Weduwe N.N.". Zulke kennen de Tilburgers natuurlijk nu direct meerdere. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - weuwke; weuw;
    - Taante Lies waar 'n weuwke en ze ha goeie klandizie as weuw zijnde; ze ha 'n net kruidenierswinkeltje... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 27-1-1940 17-2-1940) - En vrouw Cornelissen uit den Gouwen Os, 'n weuw, die ok mar wir gaaw moes trouwe... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939) - Zoo hadde vruuger jaoren in weuwke en die hiette Mieke. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 01 11 - 'n Zondag kwaam 'nen aauwe buur / naor 's moeder - dès n weuw... - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - en weuw is en pèrd zonder voerman
    - WBD - III.2.2:55 'weeuw', 'weduwe' = weduwe
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. 'weuw', - weeuw, weduwe.
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - weuw zelfstandig naamwoord - weduwe
    - WNT - WEDUWE, weduw, wedewe, weeuw(e), weve, weef, wee
  7. zelfstandig naamwoord

    wicht

    - WBD - III.4.4:295 'wicht = honderd pond, ook 'zak'
  8. zelfstandig naamwoord

    wichje

    - WBD - III.4.4:294 'wichtje' = gram, ook 'gewichtje'
  9. werkwoord

    widde wedden

    - Dialectenquête 1887 Willems - widde - widde - gewid
wèt
  1. naam

    wat

    - Cees Robben - wè wilde meer..! (19540213)
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - Wè doetie daor?
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - Ze nemen aalles wetter te krêgen is; wè vur 'n klêd?
    - Dialectenquête 1887 Willems - ik hèb wè kórs
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - gij ók wè? want gij zèèt er ók ginne van Zibrègs (Kn'50) - jij mag meedelen (gezegd als er uitgedeeld wordt: die van Zeebregts hadden bij een erfenis niets gekregen)
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 20) wè
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wè vn - wat
    - Grôot diktee van de Tilburgse taol 2005 - dè waar wèd aanders
  2. tussenwerpsel

    wèblief wat b(e)lieft u?

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - wèblief
wiebele
  1. werkwoord

    De Heuvelstraot spant de kroon terwijl de Kurvelscheweg en den Heuvel d'r bist doen om mekare niks toe te geven. Ik hè m'n eigen wijs laoten maoken, dè in de Heuvelstraot van die nuuw café aaf tot on den Heuvel toe precies nog tien tegels vaast zitten. De rest lee, as ge d'r op trapt te wiebelen as 'n keekwalk op de kermis. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929) wiebelgat, wiebelkuntje zelfstandig naamwoord onstuimig temperament, niet stil kunnen zitten

    - Cees Robben - Kender meej n wiebel-gat (19601111)
  2. zelfstandig naamwoord

    wiebelstèrtje Pierre van Beek - kind dat niet stil kan zitten

    - Cees Robben - kènder meej en wiebelgat
    - Cees Robben - wiebelklôot dègge zèèt;
  3. werkwoord

    wiebere

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - wiebelen
    - WBD - III.1.2:24 'wieberen = wiebelen; ook: 'wiegelen, waggelen, kwakkelen, wiemelen'
  4. 26 'wieberen = heen en weer schuiven; ook 'friemelen'

wiebes
  1. bijwoord

    - Pierre van Beek - "Dès nogal wiebus". - Dat spreekt vanzelf. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)
  2. Dè ze zukke kost vur ons nie mokt is nog al wiebus, aanders zô ze mee hil d'r gekook gaauw d'r erten uit hebben... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30) ...dè's nogal wiebus geleuf ik. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

    - Cees Robben - "Dès nogal wiebus.." zeej une meens... (19560908)
wiebus
  1. bijwoord

    - Pierre van Beek - "Dès nogal wiebus". - Dat spreekt vanzelf. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)
  2. Dè ze zukke kost vur ons nie mokt is nog al wiebus, aanders zô ze mee hil d'r gekook gaauw d'r erten uit hebben... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30) ...dè's nogal wiebus geleuf ik. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

    - Cees Robben - "Dès nogal wiebus.." zeej une meens... (19560908)
wiegele
zelfstandig naamwoord

wiegestrôoj

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et wiegestrôoj hangt em nòg òn zen gat te bómmele ('16) - hij is nog niet droog achter zijn oren
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et wiegestrôj zit nò in zen ôge ('71) - idem
wiegske
  1. werkwoord

    wieje wieden

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - wieje wieden
    - Dialectenquête 1887 Willems - weie weide geweit
    - WBD - I:1457 wieden: 'wije' (bedoeld als 'wi-je'?)
    - WBD - I:1457 onkruid uittrekken met de hand: 'wie'
    - WBD - III.2.1:413 wieje = onkruid wieden
  2. zelfstandig naamwoord

    wieje - wiejde - gewiejd wieks

    - WBD - vocht waarmee het brood wordt gewassen zodra het uit de oven is
  3. zelfstandig naamwoord

    wiel wiel

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - wiel
    - WBD - III.4.4:182 wiel', 'wieling' = draaikolk
  4. zelfstandig naamwoord

    wielewauw, wiewauw

    - WBD - III.4.1:156 'wielewouw' - wielewaal (Oriolus oriolus)
  5. zelfstandig naamwoord

    wielewòtje [dit lemma dient nog geverifieerd te worden]

    - Pierre van Beek - Een fascinerend woord dat 'wielewotje'. Een 'wiele' was in het mnl. een 'non' en een 'wade' is een gewaad. Zo vermoeden we dat het 'wielewotje' de dialectische verbastering is van wielewade of nonnenkleed (met kap en sluier). Die uitrusting pleegt heel wat te verbergen. "De klèène leej meej zen wielewotje blôot." Bij de baby was bloot wat, in de opvatting van de spreker, verborgen diende te zijn. Helemaal bevredigen doet de verklaring niet. Daar komt nog bij dat 'wielewotje' nog in andere zin gebruikt wordt, nl. in die van 'hebben en houwen'. Wanneer iemand 'met zen hêele wielewòtje vertrókken is' dan heeft hij zijn hele bezit meegenomen. (Tilburgse Taalplastiek 142)
    - Mnl. Wdb. WIEL (wiele), zelfstandig naamwoord o. vrouwelijk mannelijk; Mhd. wïl(e), m; mnd. wîl o., uit lat. velum, sluier; fri. wiel. 1) Hoofddoek voor vrouwen; 2) Hoofddoek der nonnen, sluier, nonnensluier.
  6. WILE (WIJLE) znw.m; WIJL o.m. Hetzelfde als WIEL(E), doch met andere vocaal uit lat. vêlum, l) hoofddoek, sluier, nonnensluier.

    - Pierre van Beek - Hy viel meej hêel zen wielewòtje in dèùge; hil zen wielewòtje sloeg teheuj; hij kós meej zen hêele wielewòtje vertrékke. (Tilburgse Taalplastiek 731124) Het woord komt vermoedelijk van 'wieles-wade' dat een gewijd gewaad, kloosterkleed of habijt aangeeft, voor een kloosterling zijn enige bezit.
  7. werkwoord

    wiemele zowel in gebruik als 'wiebelen', onrustig bewegen, als 'wemelen' Zit nie zó te wiemele... En dan wiemelet [wemelt het] in de kraant van ingezonde stukke. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 6 april 1945)

    - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben, Moeder, hedde niet unne feftiger waant de taofel stao hil de tèd te hukkele en mn kumke stao ôk al te wiemele (rijksdaalder onder tafelpoot leggen) (13-07-1966)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'wiebele'
    - WBD - III.1.2:24 'wiemelen' = wiebelen; ook 'wieberen, waggelen, kwakkelen'
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww. intr. 'wiemelen' - wemelen
    - WNT - WIEMELEN - l) van groepen personen of dieren: voortdurend en onrustig zich in allerlei richtingen door elkaar heen bewegen; krioelen; enz.
  8. werkwoord

    wier(e) werd(en) Verleden tijd van 'wòrre' - worden

    - lange ie
  9. Der wier vusteveul gezoope. - Er werd veel te veel gedronken.

    - Cees Robben - toen wier de gèèt op stel en sprong ...;
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hij wier hoe langer hoe kaojer - hij werd almaar bozer
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Krt. 69 laat T juist in het 'wier'-gebied vallen; in het Z en O is het ' wier d e '
wierooksvat
zelfstandig naamwoord

wierookvat Detail uit een schilderij van David Teniers - 17de eeuw meej et wierooksvat lof toe te zwaaie (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) wies(e) verledentijdsvorm bij weten wist(en) ik wies gij wiest / wieste gij? hij, zij, et wies wij wiese gullie wiest / wieste gullie? hullie wiese

- Cees Robben - 'k Wies.. (19560714) - Cees Robben - Dè wies ik nie.. (19590912) - Cees Robben - Ak-naa-mar-wies-wek-wô... (19771007) - Cees Robben - Ons Wies wies alles... Van wiezet wies dè wies ik nie... mar ze wiest... (19870227) - Cees Robben - Wij wiessen precies weffer sôôrt dè we han... (19570525) - Cees Robben - [Ze] zont nie eete... asse wiesse wesse aate... (19750606) - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 01 09 - Iets wè bekaant gin niemand wies.
Wieske Snuf
naam

Tilburgs volkstype, bekend om haar bedelarij

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - Wieske Snufdie ging aatij langs de deur hè, die ging aatij meej der, meej der waogen èn dan hasse en paor lange ròkken aon èn vies èn vèùl, dè kunde wèl begrèèpe, hè (transcriptie Hans Hessels 2014)
Wieske Snuf
wietele
  1. werkwoord

    wietele = wiebelen, onrustig zijn ...zoo'n ijzeren ledikantje, eenpersoons, waor de heel de naacht in ligt te wietele... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939) wietelèèr zelfstandig naamwoord onrustig iemand, wiebelaar, draajkónt', 'wietewaaj'

    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'wietelkloot'; witele(n): zwak werkwoord intransitief 'wietelen' - zachtjes met kleine beweginkjes te werk gaan.
    - WNT - WIETELAAR - volksbenaming voor den brandnetel WIETELEN 2) heen en weer bewegen, spartelen
  2. zelfstandig naamwoord

    wietewaaj onrustig iemand, wiebelaar, 'draajkónt, 'wietelèèr' oriolus oriolus - Wikipedia wiewauw, wielewauw zelfstandig naamwoord vD. gele wiewouw - wielewaal

    - N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "gaile wiewouw - wielewaal, gele merel"
    - Cees Robben - ...gèèle wiewouws... (19600708)
    - WBD - III.4.1:156 'wielewouw' - wielewaal (Oriolus oriolus) 157 'gele wiewouw' idem
    - WNT - WIEWAUW - wielewaal (ook: wielewauw)
wiggele
werkwoord

wiebelen et Vlonderken is mar smal en zwak, mar och, et is nie zo lang; et vlonderke wiggelt, maar haaw oe gemak,

wiggele
wigt
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD - III.2.3:145 'wigt boter' = klomp boter; ook: 'weg boter
    - WNT - zie lemma Wicht II
  2. werkwoord

    wije wijden, inwijden met een zegening

    - Dialectenquête 1887 Willems - wije - weej - geweeje
  3. ...toen 't nuuw örgel ingeweje wier. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940) Daor waren al jaoren over hene gegaon en Fraanske waar intusschen al priester gewejen en kapelaon geworren... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939) Henk, de cisterciënzer wier verheeve tot de dienst der altaren in bloemrijke kattelieke woorden, tot priester geweeje wòrren in gewoon Tilbörgs. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) De pas priestergeweeje bruur van Lia, hullië Henk zo ons huwelijk inzeegene. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

    - WBD - I.8.1457 wije = wieden (183c)
  4. naam

    wijer wijder, verder (comparatief van wèèd) wijwaoterpisser zelfstandig naamwoord wijwaterpisser

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - heilige boon ('80)
  5. zelfstandig naamwoord

    wijwaotersvat, -vòtje wijwatervaatje Pierre van Beek De verstokte Tilburgse vrijgezel Dusée, die we hier al eens eerder ten tonele voerden, moest de schijnheiligen ook niet. Hij gaf zijn oordeel op de volgende, wel heel karakteristieke en vooral ook plastische wijze: "'k Zie ze nie gère, die zô sloef-sloef, 's mèrgens de kerk binnensjokke en zô lang stil blijven staon om die....ie....iep... in 't wijwaotersvat te dôpen!"... (Tilburgse taalplastiek 8 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 25 maart 1950)

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - spartelen as en duuveltje in en wijwaotersvòtje - tegenstribbelen, erg
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dès en ècht wijwaotersvòtje: daor sòpt iederêen in
    - Grôot diktee van de Tilburgse taol 2000 wijwaotersvat
    - WBD - (III.3.3:30) wijwaotersbak, wijwaotersbèkske = wijwatervat
    - WBD - (III.3.3:154) wijwaotersvòtje = wijwateremmer s ook ' wijwatersemmer
  6. zelfstandig naamwoord

    wikke

    - WBD - III.4.3:395 wikke - warkruid (Cuscuta europaea)
    - WBD - III.4.3:270 wikke - wikke (Vicia cracca), ook genoemd: wik
  7. werkwoord

    wikt(e) weekt(e), maakt(e) zacht tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'wêeke', met vocaalkrimping wil zelfstandig naamwoord wil

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - jouwe wil stao aachter de deur (Do'75) jij hebt hier niets in te brengen
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - jouwe wil hangt òn de kapstòk ('71) - idem
  8. naam

    wild wild

    - WBD - dartel (gezegd van een paard), ook 'spuls' genoemd \
    - WBD - wilde - koe van onbekende afstamming
    - WBD - wilde haor - (bij een paard) witte vlekken, ook genoemd 'gedrukt'
  9. N. Daamen - handschrift 1916 - "wilde vairkes - pissebedden"

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - wilde rammel - dartele, uitgelaten jonge vrouw of meisje
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - wilt + st = wilst (superlatief) (blz.28)
    - WBD - III.4.4:11 'wilde lucht' = onstuimige, bewolkte lucht
  10. zelfstandig naamwoord

    wilde weelde J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - WILDE voor weelde, waarvoor men oudtijds 'welde' zeide, van 'wel' waarvoor men insgelijks 'wil' vindt. Welde = eigenlijk 'welvaart . Z.a. wille werkwoord, sterk willen; vaak met de betekenis 'zullen'

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - wille - wouw/wó - gewild
    - Dialectenquête 1887 Willems - wille wó(n) - gewild; ik/hij wil, gij wilt; wik = wil ik
    - Cees Robben - Ik zó wille dèk was zôo as hij moes zèèn; jè, wè wilde!
  11. samentrekking

    Samentrekking wimme - willen we

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - Wimme ók is gòn kèèke?
  12. Wik alle toffels van vermenigvuldiging is opzegge tot tien toe? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945) Sametrekking wikkis - wil ik eens SJAREL. Wikkis eerluk zegge hoe ik er tegen aon kèk? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 4 mei 1945)

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GEWILLEN; 3 e hoofdvorm van willen, ook; gewild en gewouwen
willeg
naam

gewilleg; hier: redelijk mooi, welwillend

- As 't willig weer waar,/ gonk 'k meej heur,/ m'n moeder,/ drent'len deur de dreven... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Levensles, 1932) [ Alleen aangetroffen bij Sterneberg.]
Willeke II
naam

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 06 13 - Toen kos Willeke II t nie minder doen / En wier op z'n aauwverwets kampioen.
Willemienakenaol
  1. naam

    Wilhelminakanaal

    - Audioregistratie 1978 - Dè Willemienakenaol, dè heej ok lang geduurd eer dè doorgetrokken is! Hier tòt et Linshaajke toe heeget lang stòp geleege! Op den irsten bôot dè, die binnegekoome is daor hèb ik opgezeete! () dè was in neegetienêenentwinteg, dènk (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
  2. zelfstandig naamwoord

    wimpel

    - WBD - III.1.1:72 'wimpel' = wimper
wind
  1. zelfstandig naamwoord

    flatus, scheet

    - WBD - III.1.1. lemma Wind frequent omgeving Tilburg
    - WBD - III.1.1. lemma Wind windje - noordoostelijke omgeving van Tilburg
  2. zelfstandig naamwoord

    winkelhaok winkelhaak, rechthoekige scheur

    - WBD - 'winkelhaok', 'winkelhoek (II:1253) - winkelhaak
  3. werkwoord

    winne winnen, verdienen, opbrengst hebben van grond - Cees Robben - Ik beteul zelf munnen hof en win veul. (19850517)

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge kunt wèl winne, mar nie zinne (HM'70) -je kunt wel kinderen krijgen, maar ze niet naar je zin vormen
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - winne - wón - gewónne
wipkòrt
  1. naam

    uit Engels: whipcord

    - Henk van Rijswijk - Whipcord: zwaar strijkgaren of kamgaren wollen weefsel met steile, sterk opvallende diagonale keperlijnen, steiler dan bij gabardine. De keperlijn is breed, enkelsporig en ligt hoog op de stof. Het weefsel is ook zwaarder dan gabardine en wordt gebruikt voor uniformstoffen, overjassen en bovenkleding.
  2. zelfstandig naamwoord

    (Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm - J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Whipcord. Kamgaren dubbelweefsel voor o. a. regenjassen. De bovenkant van het weefsel is meestal geweven in een verstelde satijnbinding of steile keperbinding (63°). Naam is Engelsen en beteekent whip = zweep; cord = touw. - WNT - lemma Whipcord 1991 - zelfstandig naamwoord onz., g. mv. Ontleend aan gelijkbet. eng. whipcord. Ben. voor een geribd geweven stof met een steile, sterk gewelfde keper, meestal van kamgaren gemaakt en o.m. gebruikt voor uniformen, rijbroeken en regen- of rouwkleeding. Tot de stoffen, die voornamelijk in het zwart voor aanneems- en rouwkleeding gemaakt worden, behooren krip, whipcord, cachemir, serge, diagonaalcoating, wollen rips ook corduroy genoemd en wollen popeline, V. WESSEM, Kostuumn. 11 [1908]. wipperd

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - (bijnaam voor iemand die mankt)
  3. bijwoord

    wir weer, alweer, opnieuw

    - Cees Robben - Wen weer wir war... (19560218)
    - Hessels 2020 - Bij een onsamenhangend en van de hak op de tak springend verhaal: - èn toen ging ze wir bij Mieke van Riel nòr binne! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: KLIK HIER )
  4. zelfstandig naamwoord

    wirbòrsel

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - weerborstel
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wirborsel zelfstandig naamwoord - weerborstel
    - WNT - WEERBORSTEL - l) tegen de vleug in staand haar; 2) (gewestelijk) ruziemaken, onhandelbaar persoon, weerbarstige jongen
  5. zelfstandig naamwoord

    wirgaoj weerga, drommel, bliksem

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - 'om de wirgoi nie'
    - De meens vatte de zak en smèrden um as de wirgaoi. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) En toen naam ik de beene as de wirgaoi. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
    - Cees Robben - Haorinder de wirgaoj! [Ongedateerd knipsel]
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - as de wiede wirgaoj - zo snel mogelijk
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Wirgaoj Evenbeeld
    - WNT - WEERGA - l) gelijke, evenbeeld; 5) in uitroepen, bastaardvloeken, verwenschingen ... 'als de weerga - in zeer hooge mate, verschrikkelijk
  6. zelfstandig naamwoord

    wirke

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - weertje
  7. zelfstandig naamwoord

    wirlicht weerlicht, wederlicht

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - as de wirlicht
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEERLICHT zelfstandig naamwoord mannelijk en niet o. - bliksem; op 'ne(n) weerlicht - op eenen oogwenk.
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wirlicht zelfstandig naamwoord - weerlicht, bliksem
wirskaante
  1. bijwoord

    - On wirskaanten langs den weg sliepen zilveren berkebumkes, waortusschen vergèlde schietvaorens wel zô hoog as 'n koei in volle berusting te droomen stonden. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 06 05 - Aon wirskaanten hing aon dn draod / Ons Wies d'r waas te blèken.
    - Interview Hermans - 1978 - èn dè is halfwèg den Heuvel, dèddis van de Veejmèrtstraot tòt òn de Sporlaon toe, hòdde midde op et plein, hòdde wirskaante ene wèg daor ge dur kost rije meej de koetsjes òf die enen autoo han enen autoo. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
    wirskaante
  2. werkwoord

    wiste wezen

    - Zèède wiste waandele? Ben je wezen wandelen?
    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - Hèdde wiste kèèke? - Ben je wezen kijken?
    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - 'naor 't uitgepakt weest te kijken'
    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - ''n Zondag was ik mee duiven weest-te lossen'
    - Grôot diktee van de Tilburgse taol 94 ik zèè wiste kèèke
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEEST, WEESTEN, WEST, WESTEN, in 't N. der Kempen: WIST, WISTEN, verl. deelw. gebruikt voor 'geweest' als er een inf. op volgt.
  3. J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - WEESTEN, voor 'geweest', Hebt gij uit weesten wandelen? In Friesland 'weest' voor geweest; in Plat-Duitsch 'west'.

    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - WEESTE (wiste), ook wel 'wezen'; (weg)geweest om te: we zen wezen hooien; hij is wiste pisse.
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Krt.74 plaatst T in het gebied van 'wiste, wieste, weeste' .
  4. zelfstandig naamwoord

    wit tegenwoordige tijd van weete weet - Cees Robben - En vur dè ge t wit... is ie [de dag] tèine (19561222) - Cees Robben - Wie-wit-waor... (19571123) wit bijvoeglijk naamwoord intiem, vriendschappelijk Wèst wir wit tusse höllie. - Wat kunnen ze weer goed met elkaar overweg. gez.Pierre van Beek - Tis wit tòt et stiltje toe. - Ze kunnen het zeer goed met elkaar vinden. (Tilburgse Taalplastiek 131) Pierre van Beek - Meej die twee is et wit tòt et puntje toe; zó wit as póppestrónt

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hèdde oew witweeke veur? (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 197l) - vraag aan iemand die op een weekse dag met een witte boord voor de dag kwam.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - dès zôo wit, daor kan ze wèl óp tòffel poepe ('65) - het is dik aan
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - wit as poppestront
    - WBD - III.2.3:186 'witte mik' = wittebrood, ook 'wit mikje'
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wit bijvoeglijk naamwoord : wè is 't toch wit tusse-n-ullie - dik aan
    ► _weete" href="#weete">
  5. naam

    Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - WIT - wit, bijvoeglijk naamwoord : zoo - als nen doek; hij is wit met (bevriend)

    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - wit, bijvoeglijk naamwoord 'wit': " t Is zeu wit a's poppestront" d.i. buitengewoon vriendschappelijk.
  6. zelfstandig naamwoord

    witkèts witharige persoon

    - Stadsnieuws - Dieje witkèts van hiernèffe zaat wir aachter de mèdjes aon. (030607)
  7. zelfstandig naamwoord

    bahuvrihi (possessief-compositum) witkòp

    - WBD - koe met witte kop; koe met witte vlek op het voorhoofd
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WITTEKOP zelfstandig naamwoord mannelijk - hoofd met wit, vlasblond haar.
  8. naam

    Foto: WTT witte weet je - 2e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'weete', met vocaalkrimping en samensmelting met enclit. pronomen

    - Cees Robben - ...dè witte war.... (19540417) - Cees Robben - Mar witte waor t blèèft... (19600311) - Cees Robben - Dan witte göllie t wel. (19670428) - Cees Robben - En witte wè den lillukkerd toen zeej... (19671110) - Cees Robben - Hoe witte gij dè (19700501) - Cees Robben - Wittet al... [?] (19800208)
    - Cees Robben - ...Wittte gij waor degge kattespauwbrokke kunt kôôpe..? (19640424)
wittighèd
  1. zelfstandig naamwoord

    witheid, vriendschap Ze laag goed in de kaast bij ons mèskes, men zusjes en men bruurs kosse ok goed meej der opschiete, dè zo nie lang mir duure, die wittighèd. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) wo, won verleden tijden van 'wille' wou(den), wilde(n) Verl. tijd van 'wille', sterke vervoeging

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - ''k wosse begosse (zie opmerking bij 'dè' vw)
    - Cees Robben - Hij wô wel wè... (19801017)
    - Dialectenquête 1887 Willems - ik wó dè de pòst enen brief bròcht
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - 'gij wout'
  2. werkwoord

    Bosch wossebegosse (ik wossebegosse) CiT (69) 'Kwòtjoebeet' - ik zou willen dat hij jou beet wòchte wachten

    - wòchte - wòchtte - gewòcht
    - Dialectenquête 1887 Willems - waachte - waachtte - gewaacht
    - Dialectenquête 1887 Willems - Mèn mót zenèège vur verraojers waachte. - Men moet zich wachten van verraders.
  3. M waachte

    - Cees Robben - Swels det ik efkes wochte moes (19590912) - Cees Robben - k Kreeg de kiepekôôrs vant wochte... (19560714) - Cees Robben - Ik weet wè wochten is... (19670922)
    - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben, (Twee ouwe vrijsters kopen bij de boer 4 kippetjes maar willen er (voor de orde) ook 4 haantjes bij hebben. (de Boer:) Dè is nie nodig, 4 haontjes bij 4 kiepen (Een van de vrijsters:) Jè, mar wij weten wè wochten is. (10-03-1967)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - dèk van oe haaw dè witte, èn wòchte zak - WBD - III.4.4:200 'wachten' wachten, ook 'tokken'
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. + intr. 'wochten' - wachten
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WOCHTEN - wachten (trans.+ intr.)
  4. zelfstandig naamwoord

    woekerij woeker

    - WBD - III.3.1:67 woekerij = woeker
  5. woele tussenw.

    - WBD - woele woele woele woele roepwoorden voor de eend, waarnaast ook gangbaar zijn: 'poel poel poel', 'eend', 'ind' en 'èndvoogel'
  6. zelfstandig naamwoord

    woensdag woensdag

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - Wuunsdaag - woensdag
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - woensdag vur de wèt, donderdag vur et bèd (Kn'50) - men moest eerst burgerlijk gehuwd zijn, voordat het kerkelijk kon
  7. werkwoord

    wogget wilde het (uitsl. na gij/ge, gullie) Ge wógget irst himmól nie . Hij wógget bekaant nie gelêûve.

    - 2e pers. 'wó' + vn. of lw. 'et'
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'wògget', ww - wou het, wilde het
  8. werkwoord

    wòkte waakt(e)

    - tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van waoke, met vocaalkrimping
  9. zelfstandig naamwoord

    wol wol; ook het meervoud 'wolle' is gehoord:

    - Interview Hermans - 1978 - De fijnste wolle die koome öt de Mienejoo schaap öt Frankrijk èn Itaalieje. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
  10. wolle flenèl - Henk van Rijswijk - Wollen flanel: luxe wollen kamgaren stof met een kort door licht ruwen en licht vollen verkregen viltdek. Geweven in plat- of gelijkzijdige keperbinding geweven. De stof is kwetsbaar. Het verdient aanbeveling om een flanel kostuum na een dag dragen enkele dagen vrij te laten hangen. Afhankelijk van het dessin ook wel krijtstreep genoemd. (Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), wolle stòf

    - WBD - II.4. p. 894 J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij wol of haar": Dierlijke spinvezel, afkomstig van de huidbedekking van schapen (wol), koeien, geiten, kameelen enz. (haar). De haren groeien vanuit z.g.n. haarzakken en klitten aan elkaar door een afscheidingsprodukt der talkkliertjes (wolvet). De vezel bestaat uit drie lagen, die om elkaar liggen: a. opperhuidschubben; b. leerhuid en c. merg. De opperhuidschubben liggen dakpanvormig over elkaar en maken de wol verviltbaar (zie vollen). Wolvezels zijn fijner en meer gekroesd dan haren. Lange vezels (tops) leveren kamgarens (worsted). Korte vezels (nous) leveren kaardgarens (woollens). Vezellengte van tops: 170-500 mm; van noils: 36-250 mm. het type wollen stof; wólle stòf, K 183 (= Tilburg)
  11. zelfstandig naamwoord

    Wòllek Waalwijk

    - Mee de tram konde nor Wolluk Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - wie in Wollek fòrtèùn wil maoke, die moet wakker zèèn ('42) - wie in Wòllek fòrtèùn wil maoke, die moet dapper zèèn (74)
wöllie
  1. naam

    wij, wijlieden

  2. werkwoord

    In de gedrukte bronnen overheerst wont, wonde woont

    - Cees Robben - de vrouw waor ge meej saomewónt
    - Cees Robben - In mèn buurt wónt óm de aanderste deur en vrouw ...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - wont ie wèèd? - woont hij ver weg?
    - tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'woone', met vocaalkrimping
  3. werkwoord

    wôog

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - woog
  4. zelfstandig naamwoord

    woojke

    - WBD - 'woojke', 'wójke', 'schaopke', 'ha jónge', 'ha mènneke' vleiwoorden voor het schaap
    - WNT - WOET (I), woete, woetje, wool, wooitje, wootje, wotje - lokroep voor het zwijn, de geit, het schaap
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - tussenw. - roep tot een kudde schapen
  5. werkwoord

    woone wonen Dè daor nòg meense woone! - Dat daar nog mensen wonen!

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 23) 'wôone'
    - woone - wónde - gewónd, met vocaalkrimping; ook in tegenwoordige tijd vooaalkrimping: gij/hij wónt
  6. bijwoord

    wòr, waor

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - waar
  7. bijwoord

    Bosch wor - nietwaar (ook: war) wòraaf waaraf, waarvandaan

    - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben, Ik zè sterk veur veurlichting, dan weten ze tenminste weraaf en weraon (23-02-1972)
    - Informant Toine Raaijmakers - weete wòròn èn wòraaf - weten waaraf en waaraan (waar men aan toe is)
  8. bijwoord

    wòraon, wòròn waaraan en waaraf; hoe of wat; hoe het precies zit - Cees Robben - Zeg naa gaa worraon of worraaf... (19670603) wòrdewil zelfstandig naamwoord losbandige, onstuimige (?) Pierre van Beek - wòddewil (wòrdewil?) - iemand die niet weet wat hij wil

    - WBD - III.1.4:219 'waardewil' = wispelturig persoon
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - WORDEWIL mannelijk - iemand die niet weet wat hij wil (Udenhout; blz.58, Verhoeven) Samenstelling met 'worden'
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw. mannelijk 'wordewil' - 1) persoon die kan worden wat hij wil 2) het begin van een zaak of voorwerp waaruit nog alles groeien kan.
    - WNT - (XXVI:2190) WORDEWIL (Kempen) - iemand die kan worden, wat hij wil
  9. werkwoord

    wörge wurgen, worgen wörge - wörgde - gewörgd

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WÖRGEN (uitspr. wörregen) - kroppen in de keel, wringen, sprekend van spijzen: die patatten wörgen danig in de kèèl.
  10. zelfstandig naamwoord

    wörm worm De wörm zit erin - (het fruit) is door wormen aangetast

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - wurm (met 'doffe u', vgl. mulder en putje = potje)
  11. zelfstandig naamwoord

    al hai nog nôot en pierwörmke/ òn enen haok gedaon. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Onder waoter...)

    - WBD - 'wörrem' - worm- of horzelgat in een huid (II 585)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - et wasser zôo stil dègge de wörme in de grond kost heure niese
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WÖRM zelfstandig naamwoord mannelijk - worm, Frans ver
  12. zelfstandig naamwoord

    wörmsteek aantasting door wormen; maajsteek, verwörmd

    - WBD - III.2.3:161 'wormstekig', 'wormstekerig' = wormstekig; ook 'verwormd', 'er zit worm in', 'een wormsteek hebben', 'wormsteek (zijn
  13. bijwoord

    wörom waarom Wöróm hòddet nie tèènemekaare gezeej? - Waarom had je het niet meteen gezegd?

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - ... wòróm dè wij ...
    - Cees Robben - Wörrom zum daor hôn neergezet (19590912) - Cees Robben - Wörrom haauwde gij oew glas toch aaltij vaast... (19721027)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'wörum'
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - wörom, dörom, omdè ene wörm ginne pier is, dörom
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wörrem - waarom
  14. bijwoord

    wòròn, wòraon waaraan

    - Informant Toine Raaijmakers - weete wòròn èn wòraaf - weten waaraf en waaraan (waar men aan toe is)
  15. zelfstandig naamwoord

    wörpspoel worpspoel

    - WBD - wörpspoel (II:1034) worpspoel: handspoel, weefspoel die met de hand geworpen wordt; ook: worpspoel of spoel
  16. werkwoord

    wòrre worden

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - wòrre - wier gewòrre; (B: wòrre - wòrde - gewòrre)
    - Praesens: ik wòr - gij/hij wòrdt; imp.: wòr
    - 'wier' met lange ie
    - Cees Robben - Die worren daor bewaord. (19600826)
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Krt. 69 geeft 'wier' als verleden tijd in T, doch even oostelijk of zuidelijk: 'w?rde'. [sic]
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ww. (met gemengde vervoeging; verl. tijd. 'wordde', bij één persoon steeds 'wier'; verl. deelw.' geworre(n)) intr. 'worren' - worden
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WÖRREN wordt gebruikt in den zin van 'gaan' of om eene daad uit te drukken, die staat te beginnen: Ik geloof dat 'et zal wörren sneeuwen.
    - Cees Robben - Prent van de week - 18-03-1983 wòrred , wòrrend
  17. zelfstandig naamwoord waarheid

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'wòrret, wòrrent, wòrhèt, wòrhèj
  18. CM wòrrend

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - waorhei
  19. Ak oe naa de volle worrent mot zegge... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) worrend is 'n gevaorlijk iets! (...) want de worrend maokt iedereen kwaod! (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, De Worrend, 1941)

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - wie de wòrrend sprikt, moet et hèùs èùt ('50), resp. ..., moetderèùt. - Men dient de mensen naar de mond te praten
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - WARENT (worrunt) v - waarheid (zie blz. 42)
    - Van Dale - WARENTIG bw + tw Verzw. voor waarachtig.
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - worrend - waarheid (Meierij)
  20. werkwoord

    wòrschouwe waarschuwen

    - wòrschouwe - wòrschouwde - gewòrschouwd
    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - wòrschouwe; waorschouwe
  21. Hij zal oe nog veul liever tien keer worschouwen dan oe eene keer opschrijve. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - waorschouwe
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'wòrschaawe'
  22. Ze han me gewaorschouwd, hij kan hillemaol nie teege zen verlies (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

    - WBD - III.3.1:276 'het waarschuwen', 'waarschuwing = waarschuwing
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'waarschaauwen', 'waarschouwen - waarschuwen
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WAARSCHOUWEN - waarschuwen
    - WNT - WAARSCHUWEN, waarschouwen
wòrsje
  1. zelfstandig naamwoord

    worstje

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 28) uit het cluster stj wordt de t (van 'wòrst') verzwegen.
  2. zelfstandig naamwoord

    Schilderij van Frans van Mieris de jongere: 'Het aanbod van de vrijer' (1762) wòrst worst Tekening: - Cees Robben - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. van de Ven jr., 1946 Ik hè verleje week wir de toer mee den möllukwaogen gehad en ik kan oe vertellen dè 't 's mergens om half zeuven nie meevalt. Eenen mèrgen hè'k 't getroffen: 'n Zaoterdag. Toen was 't weer as worst mar nie zô vet, glèk wij dè zeggen. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - Et kòrt al, zit mènneke, èn et bêet van zene wòrst ('69)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - Et kòrt al, zi den Bròk, èn hij bêet van zene wòrst ('69) - Reacties op een aansporing om op te schieten.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - in wòrsten èn weedevrouwe witte nie wèsse indouwe (Kn'50) - pas op voor een huwelijk met een weduwe
  3. As ge vur un bepaold fist, goei weer moest hebben, koste dè krèège as ge hullie, die nonnen, enne worst beloofde. Die wier die nonnen nie beloofd mar de Heilige Clara, aon wie de nonnen de naom clarissen te danken han. Wè moes enne heilige naa meej enne worst doen. Ze zeeje der nie bij wè vur worst et dan moes zèèn, want daor zèn me toch veul sôorte worst hèk bij de slager wel ens gezien. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

    - WBD - III.2.3:56 'worst', 'metworst', 'verse worst' = worst van gehakt vlees ook 'droge worst', varkensworst'
  4. zelfstandig naamwoord

    wòrstebrôod, wòrstebrôojke Tilburgsche Courant 25-2-1906

    - Kubke Kladder - Netuurlijk hebben we daor bij ôk op tijd gegeten. Er waren tien worstenbrooikes de man gereserveerd mar omdè 't vrouwvolk er mistal zôveul nie lustte, zaag den braawer kaans er wel 'n stuk of vijftien te verdouwen. (uit: 'Uit 't Klokhuis van Brabant, Nieuwe Tilburgsche Courant 22-2-1930)
  5. Lechim - 'k Zaat in 'n kaffetaaria/ List op ons Sjaan te wochte/ En zaag 'n vrouw en unne meens/ Die worstebrooikes kochte. (ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: 'Gelèk hasse') Willy van Rooy - En veur 't geld aon drukwerk besteed kosse ze al veul worstebrooikes en segaren kopen. (uit: 'Veur 'n goei doel', in Schôôn en lilluk, 1983)

    - Piet van Beers; van Hèrderkes, Kooninge/ èn aander schôon wèskes èn eete van taart,/ worstebrôod en saucèskes/ dan is er vur ons/ de kèrsmis pas goed/ èn wort ôk ´t nuujaor/ vol vreugde begroet. (uit: 'Kèrst en Nuujaor', www.cubra, ca. 2005) Lodewijk van den Bredevoort - As ze öt waar, die naachtmis, liepen wij kleumend, stoken deje ze nie in de kerk, meej zen allemolle wir op hös aon. Et waar nog stikkedonker en koud, et ha nie gesneuwd, we waren blij dè we in un wèèrm hèùs kwamen. Ons moeder zette thee en we aten un paor worstebrooikes, die onze vadder zelf gebakken ha, saome meej un snee krintemik, die ôk al deur de haande van onze vadder via de keukentoffel en meej den oven tot stand waar gebrocht. (ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
  6. Ed Schilders - Mar dan. Nao de naachtmis. Dan begon et fist. Dan hamme wòrstebrôojkes. (Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - worstebroodje
  7. naam

    Jan Naaijkens - Ons moeder ha honderd worstebrooikes gebakke en binne 't ketier ware ze kuis op. (Dè's Biks, 1992)

    - WBD - III, 2.3 lemma worstenbrood : saucissenbrood, uitsluitend opgetekend voor Tilburg en Tervuren.
  8. naam

    Advertentie, 1922 De schrijver Nescio noteerde een bezoek aan Ze Zijn Er in zijn 'Natuurdagboek': 26 April [1954] Maandag. Met Zus met den trein van ± 1/2 10 naar Tilburg. Eerst op het terras van de stationsrestauratie kopjes koffie gedronken om op de bus naar Hilverbeek [sic] te wachten (eerst even de stationsstraat op en neer gezanikt, om amandelbroodjes en tabak...) (Verzameld werk deel 2 Natuurdagboek 1946-1955 - Bezorgd door Lieneke Frerichs 1996) Ze Zijn Er - Het pand is tegenwoordig een belwinkel; de naam op de eerste verdieping wordt in stand gehouden. (Foto WTT) Charlotte Mutsaers - Mijn vader kwam uit Tilburg en daar aten ze die [worstenbroodjes] rond Nieuwjaar (evenals de Nieuwjaarskoeken). Zijn leven lang heeft hij in die tijd een doos vol worstenbroden uit Tilburg laten komen ('ze zijn er' heetten die van Marijnen). (Facebook, januari 2013) wòrtel, wòrteltje zelfstandig naamwoord wortel

    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Et was er wir van Jan Schrap me de wòrtel ('t was er weer van alle kanten mis)
    - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (n laat getrouwde juffrouw is ondanks alles (of dankzij) in verwachting geraakt) Jè, jè, nen auwen struik wil nog wel groeien, asser wè sap aon zunnen wortel komt! (15-06-1963)
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et is goed óm wòrtelzaod te zaaje (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - gezegd bij plotselinge stilte in een gezelschap
    - WBD - III.4.3:106 wòrtel - dennenwortel; ook genoemd: stronk, stomp, pöst, pin
    - WBD - III.4.3:55 wòrtel - hoofdwortel, ook genoemd (pin)wortel, (pèn)wortel
    - WBD - III.4.3:402 spèkwòrtel - smeerwortel (Symphytum officinale), ook genoemd: smèèrwòrtel
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'wortel' - 1) wortel (radix); 2) peen.
wòrtelzoad
  1. zelfstandig naamwoord

    wortelzaad

    - A.J.A.C. van Delft - "'t Is nou goed om wortelzaad te zaaien." "'t Is stil als 't niet waait." Dit is: Allen zwijgen stil, er wordt niet gesproken. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
    wòrtelzoadwòrtelzoad
  2. zelfstandig naamwoord

    wòrtpomp

    - WBD - bierpomp (pomp die, als dat niet gebeurt door hoogteverschil, in een brouwerij gebruikt wordt om de gekookte wort naar de koelbakken te voeren)
    - WNT - WORT - afkooksel of aftreksel van mout
  3. zelfstandig naamwoord

    wörvel wervel, draaibaar houtje als sluitmiddel

    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'wurvel' - wervel
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WRETSEL znw.v. - houten draaiwerveltje Hees wurfel (VII:28)
    - WNT - WERVEL, wa(a)rvel, wi(e)rvel, worvel, wurvel, welver, wilver, wulver - eenvoudig sluit- of klemmiddel voor deuren e.d.
  4. naam

    wòsseg, waozeg mistig

    - afleiding van 'wòssem'
  5. zelfstandig naamwoord

    wòssem wasem, mist

    - Cees Robben - Vur de wossum aon de zulder is heetjemop... (19711217) [Zeer snel eten, schrokken; het voedsel opgegeten hebben voordat het de kans heeft af te koelen]
  6. Ik zie nòg hoe ons moeder smaondags/ stond te zwêete òn de tèèl/ toe de rand toe vol meej sip-sop/ meej de wossem in der kèèl... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ÒN DE WAAS) Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - ik kos em nie zien van de wòssem
    - WBD - III.4.4:58 'wasem' = mist; ook 'waas', 'mot', 'smook'
  7. werkwoord

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. wòsseme wasemen wòsseme wòssemde - gewòssemd

    - Cees Robben - Prent van de week 12-10-1979 Op de goot stao enkelt de waas te wosseme...
  8. werkwoord

    wot wilde, verleden tijd 2e persoon van wille

    - Grôot diktee van de Tilburgse taol 07 As ge vruuger nie wot
    - Cees Robben - Och... ik wôt de mèène was... (19580719)
  9. zelfstandig naamwoord

    wou persoonsvorm wou, wilde verleden tijd van 'wille', naast 'wò ik/hij wou(w), gij wout, wij wouwe wous gek

    - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben, (gehoord bij de kapper:) höllie pa is wouws, höllie moe is appetjoek en, dè kunde wel naogaon, zellef is ie habbetjap (16-01-1975)
    - Cees Robben - Hullieje pa is unne wous.. hullie moeder unne abbetjoek.. en zelf is t ôôk mar unne drie-kwart... Vur de rest gaoget wel. (19840330)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'waaws'
    - Van Dale - WOUS - gek (slang)
  10. zelfstandig naamwoord

    Bosch waus scheldwoord: gek wout politieagent (van Got. waldan)

    - A.J.A.C. van Delft - "Pas op, daar komt 'n 'wout' aan." (Korvelsch Hoekje) Dit is: Een agent. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)
    - Pierre van Beek Een politieagent hoort zich wel men de naam van "Wout" betitelen (Tilburgse taalplastiek 15 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 5 juni 1950)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'waawt'
    - De tòffels vloge dur de raome nòr bèùte. Net zolang tòtdè de woute kwaame. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
    - WBD - III.3.1:345 'wout' = politieagent; 346 wout = rijksveldwachter
    - Bosch wout - politieagent
    - WNT - WOUT - 2) politieagent, diender
  11. zelfstandig naamwoord

    woutekiet

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - politiebureau
  12. Bosch woutekiet - politiebureau

    - WNT - WOUTEKIT - politiebureau (ook: boutekit)
woutewaoge
  1. zelfstandig naamwoord

    politiewagen

    - Ge moet dè allêenig nie bij ene woutewaoge doen. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
  2. zelfstandig naamwoord

    wouwer vijver, visvijver

    - Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - 'dè-t-ie in den wouwer bij de Trappisten terechtkwam'
    - N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "wouwer - gracht rondom een huis, kasteel e.d."
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'waawer'
    - WBD - III.4.4:178 'wouwer' = vijver; 183 'wouwer = sloot
    - WNT - WOUWER = vijver
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - wijer, wèèr, wouwer - vijver
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wouwer zelfstandig naamwoord - waterloop
  3. zelfstandig naamwoord

    Mnl Wdb WOUWER, WUWER, vijver, vischvijver, oude ontleening aan lat. 'vivarium'. Reeds bij Kiliaan en Plantijn. K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - WOUWER: Ik weet niet dat dit woord voor Vijver gebruikt word, maar er zijn nog velden die Wouwers heten, omdat daar voorheen vijvers geweest zijn.

wouw (Wouw
naam

- Pierre van Beek - "Wouw ligt een uur achter Roosendaal", als antwoord op 't gezegde: "Ik wou..." (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958).
wrêef
zelfstandig naamwoord

wreef

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben, (gehoord over n pijnlijke voet: ) t gao nie goed mee de wrééf van munne voet (09-04-1973)
wuillie
naam

eerste persoon meervoud: wij wij; wijlieden Vergelijk 'gullie' = gijlieden; 'ullie' = 'u-lieden' O, dè doen wuilie noot nie baos. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) Daor waor wuili wonden was t nie onplesaant... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) Naa zèn die Bossenaerkes wel in bietje lawaaieriger as wuilie en ze praoten wè grutsiger... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

wulkske
  1. werkwoord

    verkleinwoord van wolk - wolkje Laot me stijgen, laot me vliegen wuuje woeden (?)

    - N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "ze wuujen er op (ze zijn er razend op, d.w.z. graag hebben)"
  2. werkwoord

    wuule woelen

    - WBD - III.1.2:74 'woelen' = wroeten
    - WBD - III.1.4:218 'woelig' = onstuimig
    - Dialectenquête 1887 Willems - wuule - wuulde - gewuuld
  3. werkwoord

    korte uu

    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WULEN - woelen, Hgd. wühlen
  4. zelfstandig naamwoord

    wuunder

    - WBD - mannelijke eend, ook genoemd 'woerd' of 'ènd'
    - korte uu
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - wuunder: T (ged.) blz. 167
    - A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - winder, resp. wünder, zelfstandig naamwoord mannelijk 'wiender' resp. 'wüunder' - woerd, manlijke eend.
  5. bijwoord

    MNW - WENDER (II) - Woordsoort: znw(m.) Varianten: winder Modern lemma: wender. Mannelijke eend, woerd. Kil. wender, winder j. endtrick, anas mas. Vgl. Moortje, 664 en Antw. Idiot. 1433: wendel, wender; Schuermans, 855: wender, wenderik, waard, woerd; Hoeufft, 688: winter. wuust

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - woest
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wuust bijvoeglijk naamwoord - woest
  6. zelfstandig naamwoord

    wuw, wuwke, weuw weduwe

    - Dialectenquête 1887 Willems - weuw
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 01 11 - 'n Zondag kwaam 'nen aauwe buur / naor 's moeder - dès n weuw...
×