daampzelfstandig naamwoord
damp
daandernaam
de andere, en dan met name de volgende
Voor hoeveel Marilyn Monroe's bh uit de jaren '50 in Lechims tijd geveild werd, is niet bekend. In 2009 kwam hetzelfde kledingstuk (zie foto) opnieuw onder de hamer bij Sotheby's en werd toen verkocht voor 5.200 dollar.
daankzelfstandig naamwoord
dank
daankewerkwoord
danken
daanszelfstandig naamwoord
dans
Promotiekaartje van website Tilburg.com.
daansewerkwoord
dansen
- Willems; Dialectenquête, 1887 - daanse - daanste - gedaanst/gedaanse
- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - gedaansen
- A.J.A.C. van Delft; Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek, uit de volksmond opgetekend; Nieuwe Tilburgse Courant, 1961 - De horlepiep dansen. - Doet ons denken aan een merkwaardige ziekte, die in 1954 in een Engelse zeepfabriek geconstateerd werd bij zeepinpaksters, de zg. zeepinpaksters-horlepiep. Meisjes, die maandenlang niets anders doen dan elke minuut drie pakken zeep inpakken, gaan, buiten controle van de wil, rythmisch handen en voeten bewegen, terwijl het gehele lichaam heftig schokt. Het schijnt ongevaarlijk te zijn. Sommigen vinden de ziekte prettig. Het is net de Jitterbug (n wilde moderne dans), zeggen zij. Anderen menen, dat zij op deze wijze veel vlugger werken. Je kunt niet ophouden, als het je eenmaal te pakken heeft.
- Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven, 1954-12-11 - Hij daanste gewillig/ Den dôôd tegemoet... [De prent steunt een actie om het aantal verkeersslachtoffers in Tilburg terug te dringen.]
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Daor wier gedaanse op straot.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 73, Nieuwsblad van het Zuiden 1969-01-30 - "Als de vos oud wordt, dansen de kiepen (kippen) op z'nen rug". Het betekent, dat een oude mens energie verliest en zodanig wordt uitgerangeerd, dat zelfs degenen, die aanvankelijk als de dood voor hem waren, hun angst verloren hebben en met hem doen wat ze willen.
- Interview De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Dinsdag dan hèbbe we hier karneval. Daor geef ik niks om. Daor geef ik niks om. Ik kan niemer daanse!

daanserzelfstandig naamwoord
danser (weeftechniek)
daanszaolzelfstandig naamwoord
danszaal daaps bijvoeglijk naamwoord/bijwoord
zelfstandig naamwoord
daas das (kledingstuk), insect
zelfstandig naamwoord
daasspang
zelfstandig naamwoord
daaw 1. duw
2. dauw
3. steenvruchtensap
werkwoord
daawe 1. duwen
2. dauwen
werkwoord
daawtrappe dauwtrappen. Op [bij voorkeur de eerste] zondag in de meimaand in alle vroegte ter voetbedevaart gaan naar het Mariabeeld in de Sint Jan in Den Bosch of naar bedevaartoorden in de omgeving. Daarbij ging de harmonie vaak voorop.
Den daauw lag as purpere pèrels Te fonkele over de waai; In 't hout sloege vinke en mèrels En de leeuwerik schoot ut de haai. De koeie die kwame gelope Nèjschierig as koeje zèn; Mar ut vèreke docht: laon we hope Desse gaauw opgetrommeld zèn! In Osterwèk ginge ze kerke: Dès punt een van de dauwtrapperij. Daornao waar den dorst gaauw te merke En wier ut un gaauw-tapperij. Want ut bier smakt zo goed in de mèrge Nao un brojke meej zoute worst; En ge kunt van oew ège nie verge Degge thuis komt meej honger en dorst. Opgewekt, mar wè slap in de kuite Kwame ze 's middegs wir trug: De meziek ging zun buukske te buite En de daauw liep dun langs durre rug.
dabbewerkwoord
dabbe - dabde - gedabd 1. knoeien, morsen
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - dabbe - morsen
- A.J.A.C. van Delft; Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1956-07-17 - Nog nu kan k me niet voorstellen, dat die man, toen hij nog zonnen dabber waar, ooit Adriaantje of Josje genoemd zou zijn. Dat bestáát nie! En dabben kon ie. Dat geknoei in en om zn duivenkooi zie k nog aan.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 33, Nieuwsblad van het Zuiden 1965-04-03 - Bv. de kleren met modder bevuilen. Wat gebeurt als kinderen met slijk of in het slijk zitten te "dabben" (knoeien). [...] Men kan eigenlijk met alles "dabben", met eten en zelfs met geld. Met dit laatste gebeurt het nog al eens bij parvenu's als ze het "onverdoens opmaken", dat is: nutteloos opmaken of over de balk gooien.
- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1985 - Ziezo. Naa kunde op oe slabbeke dabbe, zeevereer !!!
- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Dan mòkte we in et midde vant bòrd in de boerekôol en költje om de sjuu in te doen. Èn dan mar britse, meneer. Lèkker! Èn dabbe, èn prakke. Gin gepielie. Spaoje!
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 dabben knoeien, morsen, bv. met pap
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dabbe - knoeien
- WBD III.2.3:9 - dabbe - morsen
- WBD III.4.4:217 dabben - nat maken, ook pletsen
- WBD III.3.1:209 verdabben - verkwisten, opmaken, vergooien, verbrassen
- WBD III.1.2:96 dabben - morsen; ook zeveren, kliederen, muikelen
- WBD III.1.2:97 - dabben - plassen met water; ook poeliën

2. graven; het met de voorpoten graven van een paard
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 33, Nieuwsblad van het Zuiden 1965-04-03 - Tenslotte kan ook een kat haar kuiltje "dabben" en een paard staat "te dabben" als het met de poten een kuiltje in de grond stampt.
- Pierre van Beek; Oude schat van Postel te Mierde opgegraven, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-11-05 - Het ging hier maar even om 862 gouden munten van 1616 tot 1786, een gouden borstkruis en een prelaatsring van de Postelse abt Staessens. Het leed dus geen twijfel of men had uiteindelijk de historische "schat van Postel" gevonden zonder dat er enige fantasie aan te pas kwam. Of is dit misschien dan toch nog het verhaaltje van de Hollandse officier, die pastoor Dockx tijdens de Tiendaagse veldtocht in kwartier had? Diens paard zou toevallig hebben staan "dabben" boven de plaats, waar de pot met goud in de grond zat. Pastoor Dockx heeft het toen even warm gekregen, zodat hij de eerste gelegenheid aangreep om de pot met zijn kostbaarheden elders te verbergen. Nadien zou hij geen voldoende inlichtingen achtergelaten hebben. Zo zou de schat onvindbaar geworden zijn.
- Jan Naaijkens; Dè's Biks, 1992 - dabbe graven
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 dabben met de voeten aanstampen
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dabbe(n) - 1. met de voorpoten al harkende graven; 2. wroeten, krabben
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dabben - al stampende met de voorpooten de aarde uitgraven, sprekend van paarden; gaan met eenen bijzin van moeite of onbehendigheid.
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 dappen zeggen de bouwlieden om Breda niet alleen voor het maken van eenen kuil door de paarden, maar ook voor het maken van denzelven met mensehenhanden.
- WBD III.4.2:68 - dabben - graven van een pijp (konijnenhol), ook buten genoemd
- WBD III.1.2:73 dabben - een kuil graven
- WBD III.1.2:74 dabben - wroeten
dabberdzelfstandig naamwoord
iemand die dabt, knoeit
dabberewerkwoord
door water of slijk lopen
Sticker van een carnavalsvereniging. T ilburg maart 2019. Foto CuBra.
dabklôotzelfstandig naamwoord
knoeierd
dabklutjezelfstandig naamwoord
uit dabbe (morsen) en klutje (klootje - klein kind)
dagzelfstandig naamwoord
dag meervoud daog(e)
dagvaardigingzelfstandig naamwoord
dagvaarding
dakzelfstandig naamwoord
dak
dakraomzelfstandig naamwoord
dakraam soms niet onzijdig maar vrouwelijk
dakschèèterzelfstandig naamwoord
dakschijter; duif
dallaaszelfstandig naamwoord
ongemak, rompslomp
dalvewerkwoord
dalven: onvast lopen, hier wegens dronkenschap
damzelfstandig naamwoord
erf bij het huis
dan derbijbijwoord
danchersamentrekking
spellingsvariant alleen aangetroffen in:
danneetelzelfstandig naamwoord
brandnetel
danniesamentrekking
dan niet
daodzelfstandig naamwoord
daad
daognaam
dagen
daogezelfstandig naamwoord
dagen 1. werkwoord, zwak (op-)dagen 2. zelfstandig naamwoord, meervoud dagen; vroeger ook daog
daogeleksbijwoord
dagelijks
daogsbijwoord
daags, voor doordeweekse dagen
daorbijwoord
daar 1. als bepaling van plaats: daar, daarginds
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-02-13 - En wè vond ie daor..? / Alles vur m kaant en klaor.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-12 - Wörrom zum daor hôn neergezet
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-08-26 - Die worren daor bewaord.
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-01-23 - Hier lotte wè, en daor vènde wè...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1966-04-01 - krek passeerde daor n medje...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-07-26 - Hier n douwke... Daor n klepke
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-22 - Daor zaate twee döfkes/ hil dicht bij mekaar...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-05-15 - Daor zwemmen gin vissen en paolingen
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-02-29 - Daor gao Sooike mee zn vrouw...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-03-02 - Dieje aauwe Sjassee daor...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-01-02 - Daor is Jantje Kapoen en Mie Tuureluut...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - van hierte toe daorte - van hier tot daar
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 daorlangs (zonder vocaalkrimping)
2. bepaling van tijd: toen
3 . in een uitdrukking die gelatenheid uitdrukt
4 . in plaats van waar
bijwoord
daar
Daor gin blèneJaans ha'ter laoter wel spèt van Mar ze hagge't irst gezee: Kènder mee d'n aovend-vierdaogse Lóóp ik fèn mee jullie mee. Mar al nao d'n irsten aovend Ha' Jaans d'r porsie al gehad Twee voete mee vol pèrse blène En toe d'r huid toe kliedernat. Toen ze de twidde'n aovend thuis kwaam Was ze vort himmol afgebraand D're meens zee langs z'n neus weg Stiekum van aachter zunne kraant: As gij oew bèène veul gebruikt Jaans Bevalt oe dè verrèkkes slècht Hoe koome't dègge op oewe mond dan Ok nie 's 'ne keer wè blène krègt?
- Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 1994 - de blèèn stonde op zen haande
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 120, het Nieuwsblad van het Zuiden 1971-02-20 - Een aardig voorbeeld van overdrijving ligt in de uitspraak: "Den dieje, die zal ook geen bleinen op z'n tong krijgen". Ze slaat op een man, die weinig of niet pleegt te praten. "Blein" betekent "blaar".
- WBD III.1.2:348 - blein - blaar; ook bleintje
- WBD III.1.2:349 - brandblein, blein - brandblaar
- WBD III.1.2:358 - blein, hondsblein - nagelbedontsteking
- Hans Heestermans; Witte nog?, 1988-1994 - bleinen
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - blein - soort van harde bobbel in het vel, voortkomende van eene te groote drukking - ik heb mijne voet vol bleinen...
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - blein (blèèn) van blaar, opzwelling [balein wordt ook zo uitgesproken]
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - blein - blaar.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - blein - die zijn gat verbrandt, moet op de bleinen zitten...
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - blèèn - blaar, blaren
- WNT - blein - Thans vooral in Zuid-Nederland - gezwel, blaar, met eenig plaatselijk verschil van opvatting.
2. balein
daortunnebijwoord
daar, daartoe, tot daar
daotumzelfstandig naamwoord
datum
daoverjaanuszelfstandig naamwoord
bevende man
daozewerkwoord
dazen, kletsen, zwammen
dartegtelwoord
dertig
dartientelwoord
dertien
daunloodewerkwoord
downloaden; van digitale bestanden
denaam
lidwoord de
naam
Het lidwoord wijkt af van de normale assimilatieregels. In het mannelijk en vrouwelijk enkelvoud kunnen de demonstrativa vergezeld worden van het lidwoord als ze zelfstandig gebruikt worden: den deeze, de dees; den dieje, de die.
toponiem Audioregistratie 1978 - Daor langs de Lonsewèg, langs de Grint, hè, daor moete eigelek nòg fondeeringe ligge! Ok van ene meule die daor ôot gestaon heej! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels) Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
toponiem de Campina
naam
zelfstandig naamwoord
Foto CuBra 2020. H eebreuws Hebreews
toponiem volksbuurt in Tilburg in de vroegere parochie Hasselt, deel van de 'Textielbuurt'; het gedeelte dat begrensd wordt door Hasseltstraat en Ringbaar Noord en Textielplein.
zelfstandig naamwoord
jòrgetij jaargetij(de), jaardienst (mis)
zelfstandig naamwoord
jòrke jaartje verkleinwoord van 'jaor', met vocaalkrimping
naam
jòrleks jaarlijks
zelfstandig naamwoord
jòrling jaarling
zelfstandig naamwoord
judje joodje, kleine jood
zelfstandig naamwoord
kêet, kitje keet, armoedige houten woning
zelfstandig naamwoord
keetel ketel
naam
kanonbal kè ns, kènds bijvoeglijk naamwoord . kinds, dement
zelfstandig naamwoord
kènskènder kleinkinderen, kindskinderen
zelfstandig naamwoord
kèntje kantje
zelfstandig naamwoord
kepèl , kepèlleke 1. kapel
naam
toponiem
zelfstandig naamwoord
kwaklocht
zelfstandig naamwoord
kwakpôot N. Daamen - handschrift 1916 - "kwakpoot - vrouw met wat zwaren gang" kwalm zelfstandig naamwoord walm
bijwoord
kwansèùs waarschijnlijk ontleend aan het Oud-frans. De etymologie is niet definitief vastgesteld. In de Tilburgse bewijsplaatsen: alsof er niets aan de hand is, terloops, tussen neus en lippen door
werkwoord
kwaoke kwaken
zelfstandig naamwoord
kwaol, kwòltje kwaal
zelfstandig naamwoord
kwart zelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
kwartier
zelfstandig naamwoord
toponiem, buurtschap Kwetterij, de; deel van de wijk Oerle Weekblad van Tilburg 18 juli 1867 Tilburgsche Courant 9 augustus 1874 Tilburgsche Courant 18 februari 1871 kwèttersteel veelpraatster N. Daamen - handschrift 1916 - "kwettersteel - veelpraatster"
toponiem De exacte lokatie is niet vastgesteld; alleen aangetroffen in een interview uit 1978:
naam
toponiem stadsdeel van Tilburg: De Reeshof reeskak zelfstandig naamwoord diarree, schijterij
zelfstandig naamwoord
rèèsplaank
zelfstandig naamwoord
rèèst rijst
zelfstandig naamwoord
rèèstepap rijstepap
Alle hemelse Hèllige Vierde vendaog gròòt fist Omdè't vur ammol tegelèk Verjaordag is gewist. Ambrosius en Bèrnedèt Sint Jan en Bonnefaos Die zitte aon èèn taofeltje Saome mee Sindreklaos. Mee 'n zilvere leepeltje Eete ze rèstepap Ze kèke aaventoe omlèèg Laage d'r ège slap. "Wè zèn't daor onder stumpers war? Vèchte om 'n stuk bròòd Wörom? Want over honderd jaor Zèn z'òòk allemol dòòd." Arabis caucasica
zelfstandig naamwoord
reet
werkwoord
rèève rijven, harken
Meej ons moeder meej, om kokse te gaon raope op de gasfebriek. Ge kréégt dan zon harkske in oew haand, daormee moeste gij tussen de sintels de nog gloeiende kokse apart rèève. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
rèèze w erkwoord, sterk rijzen, omhooggaan, zich oprichten
werkwoord
rèèze reizen
zelfstandig naamwoord
rèèzeger
handelsreiziger, vertegenwoordiger
zelfstandig naamwoord
rèffel rafel De rèffels hange deraon.
werkwoord
rèffele rafelen
zelfstandig naamwoord
rèfke harkje
werkwoord
regeere regeren ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij regirt
zelfstandig naamwoord
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. regeur strengheid, hardheid; regime, norm uitdrukking: Teegen et regeur in - tegen de draad (in), in de contramine, dwars
zelfstandig naamwoord
rejaol royaal, gul, vrijgevig
zelfstandig naamwoord
rejaoleghèd
rèk
werkwoord
rèkke rekken
zelfstandig naamwoord
reklaome werving(sgeschrift): reklaome in de brievenbus
zelfstandig naamwoord
rèksdòlder
naam
rèkst, rèèkst
naam
rèkstrôoj sterfbed
werkwoord
rèkt(e) reikt(e) tegenwoordige tijd/verleden tijd van 'rèèke', met vocaalkrimping rèmt, rèmde werkwoordsvorm; persoonsvorm rijmt, rijmde tegenwoordige tijd, verleden tijd van 'rèème', met vocaalkrimping
zelfstandig naamwoord
rèndje
óp et rèndje aaf - op het kantje af
zelfstandig naamwoord
zusters met witte vleugelachtige kap Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de vliegkappe = zusters van een bep. congregatie (blz. 98)
toponiem De Zwaluw
dènaam
dat
2 in uitroepen dè nie dè helemaal niet, in tegendeel
dè nukt nie dat maakt niks uit derde persoon enkelvoud van neuken [Van de tegenwoordig algemeen bekende seksuele betekenis van neuken heeft deze oudere zegswijze niets van doen. Het betreft (zie WNT lemma neuken) de oudere, in Noord-Nederland vrijwel onbekende betekenis van hinderen.
dè wèl dè inderdaad, zeker wel
samentrekking
dèt ok schèt ok dat het ook schijt ook; zich ergens niet meer druk over maken
4 samentrekkingen met persoonlijke voornaamwoorden
dèk - dat ik
dègge - dat je
dèt - dat het
dèttie - dat hij
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); column in Groot Tilburg, 1940 - t Is kollesaol, nor wie dettie den aord hee dè snap ik nie.
- Naarus; (pseudoniem van Bernard de Pont); column in Groot Tilburg, 1940 - Mar t viel nogal mee, want nao drie daoge zwaor verdriet kwaamp er innen [een] brievekaort van Keese, as dettie t goed mokte en dettie al goeien aord begos te krège...
- Piet Heerkens; De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941- Hoe slim is dieën beest/ dettie 't middeltje vond!
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-12-14 - Weffur moeite dettie deej...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-01 - Dn dikke die zeej dettie louw hô gevangen [bij het vissen]
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-12-22 - Hoe meer dettie uit doe hoe lillukker dettie wordt...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-15 - Swels dettie Dientje kuste...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-07-30 - Mn hundje is weggelôôpe (...) Ik denk dettie op kerwaai is (...) t is n menneke...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1974-03-08 - [Moeder over baby...] Ik denk dettie iets onder de lee-hee.. - Piet van Beers; t Kan saome gaon; CuBra, 2004 - Den irste keer dettie t prebeerde...
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekke; Deel 1, 2006 - Wij kèèke naor boven en zien ons Jaoneke öt et dakraom hangen en spouwen dettie doe. - Tony Ansems; Ons Oma Is Aangereden Deur Ene Schimmel; cd Tilburgse Liedjes, American Style, circa 1990 - Ook al doede gij nie in Sinterklaas geleuven/ Onze Opa, heeft bewijs, dettie bestaot...
dèsse - dat zij
samentrekking
dètter - dat er
dèkker - dat ik er
dèkkoe - dat ik je
dègget - dat je het
dègger - dat je er
dètjoe - dat hij je
dètter - dat het er
dèggem - dat je hem
dèssem - dat ze hem
dèwwet - dat we het
samentrekking
dèwwer - dat we er
bijwoord
met een voorzetsel: vurdè, nòdè, durdè, zodè, umdè met een voegwoord: asdè, irdè
De Tilburgse Koeriernaam
't Schènt gelèk te schène "Wè's Tilburgs toch 'n rèke taol" Zee list nog onze klène 't Is nie allèènig schòòne schèn Mar alles kan hier schène. Ons moeder hee'get aaltij druk Zò gaauw de zon gao schène Dan zee'se: "Ik maok nòòt echt schòòn, Mar 'k waas wél m'n gerdène." Dè duurt dan unne gaansen dag 't Motte nuuwe schène Mar gij kunt vur zò'n oope raom Nòòt oewen draai goed vène. As iederèèn naor binne gaopt Raokt oew meegaondhei tène Dè vènd ze gek, omdè gij dan Gaot foetere en schène. Overige bronnen
dèddelewerkwoord
knoeien, sudderen
dèdderewerkwoord
knoeien, sudderen
deewerkwoord
deed; verleden tijd van doen
dêegzelfstandig naamwoord
deeg (om te bakken
dêegmesjienzelfstandig naamwoord
deejwerkwoord
deed; verleden tijd van doen
dèèkzelfstandig naamwoord
dijk, dijkje
deekatieseerewerkwoord
decatiseren (textielterm); het laken zo bewerken dat er een glans op blijft
deekezelfstandig naamwoord
deken meervoud: deekes dêel zelfstandig naamwoord deel, part, erfdeel, dorsvloer - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - Ze wil dr déél hebbe mar ik zè nie mesjokke waant ze hee al unne slodder gekregen [slodder - veel geld] - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dèèl - deel, dorsvloer Theodoor Rombouts - Kaartspelers - 17de eeuw
dêelewerkwoord
delen, schikken vocaalkrimping in tegenwoordige tijd; gij/hij dilt, en in verleden tijd dilde(n)
dêen of daanderzelfstandige uitdrukking het een of het andere; een of ander
naam
dèèrf Van Dale - derf = ongaar of klef (van brood)
zelfstandig naamwoord
dèèrm darm
pijp, tuinslang
dèèrmezelfstandig naamwoord
darmen, ingewanden
naam
dees, deeze deze; dit deze: dees kènder; dees tòffel, dees straot, deeze waoge, deezen dag dit: dees kèènd, dees stròtje
zelfstandig naamwoord
T-shirt met reclame voor de Kringloopwinkel Tilburg (2018). Foto: CuBra.
een bepaald iemand die eerder genoemd is; alleen met betrekking tot mannen; als het een vrouw betreft is de constructie eenvoudigweg heur.
dèèrvewerkwoord
missen dèèrve dierf - gedörve
deestijbijwoord
samentrekking van deze + tijd
deetingzelfstandig naamwoord
dating; afspraken maken (op het internet)
deezjeneekezelfstandig naamwoord
ontbijtstel; uit Frans un déjeuner; deezjenee met verkleining
zelfstandig naamwoord
dèk
werkwoord
dèkke dekken
dèkkerzelfstandig naamwoord
(dak)dekker
dèkskezelfstandig naamwoord
dijk, dijkje
zelfstandig naamwoord
dekje, dakje
dèlzelfstandig naamwoord
del vrijwel altijd van toepassing op vrouwen, bij Daamen echter verrassend opgetekend voor de man:
dèlknaam
alleen in gebruik als reactie of dooddoener op de vraag wèlk?
deluuviezelfstandig naamwoord
verbastering van de verouderde geologische naam voor het pleistoceen: diluvium. Tijdens het diluvium zou de zondvloed hebben plaatsgevonden, waardoor deluuvie ook in gebruik lijkt te zijn geweest als beeld voor wateroverlast. van een oudere generatie, iets dat, of iemand die ouderwets of verouderd is
wateroverlast
demastmesjienzelfstandig naamwoord
damastmachine, weefgetouw om damast te weven
dèmpegzelfstandig naamwoord
kortademig, aamborstig
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-03-07 - k Waar n weltje trug zôô dempig/ kort van ossum...
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2007-10-10 - As ge veul in de stobber moet wèèreke, dan wòrde op den duur dèmpeg. - Als je vaak in een stoffige omgeving moet werken, dan word je op de duur kortademig.
- Jan Naaijkens; Dè's Biks, 1992 - dèmpig - kortademig
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dempig (in de Kempen ook dampeg), kortademig, kortborstig
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 dempig, dèmpeg - Dampig in den zin van aamhechtig; opgezwollen van het veel eten. Gezegd van paarden en menschen.
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 dempig voor dampig, doch alleen wanneer van een aamborstig paard gesproken wordt.
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 dampig, dèmpig - (van paarden en mensen gezegd) aamborstig, kortademig
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dempig, kortademig, aamborstig (van paarden en mensen)
- WBD - dèmpeg - kortademig (bij paarden)
- WNT - dempig - aamborstig, kortademig
Denzelfstandig naamwoord
Centrale Werkplaats der Nederlandsche Spoorwegen uit Frans atelier; werkplaats
naam
De oorspronkelijke uitspraak rijmt op bier
zelfstandig naamwoord
de vakbond
lidwoord de de n wordt ingevoegd om de woorden te verbinden; den wordt dus uitgesproken als dn.
naam
toponiem De Uilenvlucht, deel van Korvel; en titel van een scène uit de Korvelse Revue Vruuger en naa, 1926.
den - aonrèchtzelfstandig naamwoord
aanrecht, het
den Biesttoponiem Biest-Houtakker
Den Boszelfstandig naamwoord
Den Bosch, s-Hertogenbosch
den onze(nzelfstandig naamwoord
echtgenoot; dus gezegd door een vrouw [een man zou over zijn echtgenote zeggen: die van ons]
denaopsamentrekking
de aap de n wordt ingevoegd om het lidwoord te verbinden met het zelfstandig naamwoord
deneezelsamentrekking
de aap de n wordt ingevoegd om het lidwoord te verbinden met het zelfstandig naamwoord
denèùlsamentrekking
de aap de n wordt ingevoegd om het lidwoord te verbinden met het zelfstandig naamwoord
dèngbaorzelfstandig naamwoord
denkbaar verandering van k in g; vergelijk bèngske in plaats van bènkske Houten beeld van Dionysius uit de zeventiende eeuw; uit bezit van Kolveniersgilde Sint-Dionysius
Deniesnaam
de heilige Dionysius (van Parijs)
naam
Dionysius in het portaal van de kerk van het Heike (links) en in het 'Norbertijnenpoortje' bij de kerk van het Goirke. Foto's WTT. Aankondiging van de opening van Leesbibliotheek St. Dionysius, 1909. Rechts: scène uit de Tilburgse revue Nostalgie in Tivoli (2007) met Dionysius en 'Jan kopaaf' de volksnaam voor de onthoofde Johannes de Doper in Goirle.
Kees Mandos
dènksamentrekking
denk ik
dènkewerkwoord
denken dènke - dòcht - gedòcht
denòssamentrekking
de aap de n wordt ingevoegd om het lidwoord te verbinden met het zelfstandig naamwoord
dèrbijwoord
daar
derbijwoord
daar, er
naam
haar, hun haar
hun
der onder gaonuitdrukking begraven worden
derbijbijwoord
daarbij
dèrdezelfstandig naamwoord
derden
Derde persoon enkelvoud - hij / het kwam (P als hiaatdelger...en tegen den aovond kwaamp ie er aon. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; t Spook; Nieuwe Tilburgsche Courant 3-1-1940) ...en gin meensch kwaamp er naor buiten. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; Nieuwe Tilburgsche Courant 15-10-1938)
Derde persoon enkelvoud - hij / zij / het kwamGeen meens kon overigens zeggen, waor al dè geld vandaon kwaamp... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940) Mar al gaaw kwaamp ze omhoog gekrope (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 9 februari 1945) Zoo kwaamp het... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) Asser mèrgen aon den dag 'n Regeering kwaamp van enkel engeltjes dan stinten er overmèrge toch nog ingezonde stukke in de kraant omdè de vleugeltjes van de engeltjes niet wit genog ware (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 6 april 1945) SJAREL. Nèè, hij [een politie-agent] kwaamp vraoge of dek 'n vergunning ha om bloemwinkeltje te speule! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 20 april 1945)
Derde persoon meervoud - zij kwamenzelfstandig naamwoord
het komen = bij de geboorte
kôon
kôonegin koningin
zelfstandig naamwoord
kôoning koning Cees Robben: dan wil ik kôoning zèèn
Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): de kôoning zene zoon is ók sòldaot gewist
Kôoningswaaj toponiem ook: de Waaj Tilburgse volkswijk die tijdens de vernieuwing van het stadscentrum verdwenen is; het gebied grenzend aan de oostzijde van het Paleis Raadhuis
zelfstandig naamwoord
kôop koop enen dólle kôop = 'n koopje Dè kan de kaoje kôop nie maoke - daor loop ik nie meej te kôop; kôope werkwoord, sterk kopen kôope - kòcht - gekòcht - in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij / hij kopt
...want toen ie de preek uitgelee ha waren we net bij n kroegske en daor schoof ie gaauw in om er nog in paor te gaon koope. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) Cees Robben: Waor zón ze die kiendjes tòch kôope? wè kiendjes kôope óngao ...; Cees Robben: ak wir en nuu pèt kôop, dan kôop ik enen hoed; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - vur en spouke iets gekòcht hèbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek '69) -er weinig voor betaald hebben
zelfstandig naamwoord
kooper koper (metaal) Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - em wèl lussen as ie nòr kooper smokt (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek '69) - graag op een borrel getracteerd worden (koper duidt op geld) kôoper zelfstandig naamwoord. koper, hij die koopt kôore zelfstandig naamwoord. koren
zelfstandig naamwoord
kôos koos verleden tijd van kiezen Koosje-koosje Foto: Regionaal Historisch Centrum Tilburg
naam
Rolf Janssen (We hebben gezongen en niks gehad, 1986) geeft de tekst van het liedje als volgt: Koosje Koosje is m'n naom ik heb 't in m'n broek gedaon ik zèh de helleft ervan verloren de rest zit in m'n broek gevroren olie olie van de druiven laot de droefhed mar verschuiven laot de droefhed mar vergaon zet de flessen mar on oew lippen laot 't stillekes nor binnen wippen ooh, den vuul ik on m'n hartje juffrouw, gif me toch 'n kwartje Met deze muzieknotatie: A.J.A.C. van Delft was de eerste die de tekst optekende, en wel in de krantenrubriek Van vroeger dagen, aflevering 122: 'Nog wat Kinderversjes', Nieuwe Tilburgsche Courant, 6 juli 1929. Van Delft geeft de tekst weer in de standaardtaal: Koosje, Koosje, zoo is mijn naam. Ik ben voor alle dingen bekwaam. Ik heb mijn ouwers vroeg verloren. En daar sta ik van bevroren. Als ik sterf, dan ben ik dood, Dan lig ik in mijn kistje bloot. * Dan komen de vogeltjes bij mij zingen, Dan zal ik uit mijn kistje springen En als ik spring, dan spring ik snel, Naar den hemel of naar de hel. Olie, olie, van die druiven, Laat die droefheid maar verschuiven, Laat die de droefheid maar vergaan. Dan zet ik het fleschje al aan mijn lippen, Dan zal ik het stilletjes naar binnen wippen. O, wat voel ik het aan mijn hartje. Ik heb gezongen en niks gehad, Snij een stuk van 't verkensgat, Snij maar diep, snij maar diep, Al is 't een vinger diep. Cees Robben: Cees Robben - Prent van de week, Rooms Leven, 19 januari 1968 KAREL. Sjarel, ik heb thuis nog innen jas, die me zóó groot is dekker wel Koosje-Koosje mee kan gaon zinge. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 15 december 1944)
zelfstandig naamwoord
kôot koot, gewricht
Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - in de koot schiete (R'69) - in orde komen
derdeurbijwoord
erdoor, erdoorheen
dèrdstelwoord
derde verkorting van dèrdes
dere(nnaam
haar, die van haar
derèègenaam
samenstelling van der (haar, hun) en eigen; zich, zichzelf
dèrriejèèrezelfstandig naamwoord
achterste, achterwerk
Des lekkerOnze vadder hee mèn aaltij vurgehouwe dèt nie zuiniger vertèrd kos worre as dur in pèpestiltje mar ik knaauw na hil den dag op in klein pruimke tebak. n Stuk of drie keer op innen dag vat ik in nuuw, en s aoves dreug ik ut in bietje en dan rook ik ut nog fèn op, al duurt den orlog na nog 10 jaor himmel zonder tebak zak zo nie gemak geraoke. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
As die bussen, ötgeveegd wiere, waar dè un schôon kaans, veur ons, ens te gaon kèke wetter allemol laag aon peuken. Daor nie teveul aon gezéverd waar, raopte wij bij mekaar. Wij deeje et pepier detter nog aonzaat aaf en rolde van de tebak, in geschoepte vloeikes, van onze vadder, nuwe siegretjes... (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) In den oorlog heetie ôk nog tebak geteuld. Et waren net de blaoier van de rabarber. Hij réég die blaoier aon un touwke en hing ze te dreugen onder de veranda. Asse dreug waren, viet ie er één van den draod, wreef em fèèn en stopte die krèùmels in un pèèp, daor ging dan de vlam in. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
zelfstandig naamwoord
De winkel van Woestenbergh in de Heuvelstraat, circa 1915. Foto: regionaal Archief Tilburg Kaole tèbbes, met een pruik, op de kermistentoonstelling 'Jaozeetie', Tilburg 2018.
desineetjezelfstandig naamwoord
geschenk bij het feest van de Eerste Heilige Communie, ontbijtstel
Traditionele cadeautjes voor een communicant - onderaan: een déjeuner
dèskezelfstandig naamwoord
verkleinwoord van das
dèsneteurzelfstandig naamwoord
weefpatroomontwerper; uit Frans dessinateur
dèstagzelfstandig naamwoord
dinsdag
zelfstandig naamwoord
dèstaggemeèrege dinsdagmorgen
zelfstandig naamwoord
dètteme dattum
Illustratie: Rolf Janssen
dèùfzelfstandig naamwoord
duif
deugewerkwoord
deugen deuge - dugde - gedeuge vocaalkrimping, ook in tegenwoordige tijd; gij/hij dugt
deugenietzelfstandig naamwoord
deugniet
deugnieterijzelfstandig naamwoord
kwajongensstreken (uithalen)
dêûkzelfstandig naamwoord
deuk
dèùkewerkwoord
duiken dèùke - dôok - gedooke in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij dökt
dèùkelewerkwoord
dèùmzelfstandig naamwoord
duim; lengtemaat en lichaamsdeel lengtemaat van 2,87 cm, verdeeld in 4 kwartier à 0,71 cm; 10 dèùm = een voet à 0,287 m, waarvan er 20 een roede maakten, 5,75 m (in Tilburg in gebruik vóór de invoering van het Nederlands Metriek Stelsel, 1820)
dèùmezelfstandig naamwoord
duim; lengtemaat en lichaamsdeel lengtemaat van 2,87 cm, verdeeld in 4 kwartier à 0,71 cm; 10 dèùm = een voet à 0,287 m, waarvan er 20 een roede maakten, 5,75 m (in Tilburg in gebruik vóór de invoering van het Nederlands Metriek Stelsel, 1820)
dèùmsjèpzelfstandig naamwoord
duimdrop, zachte drop die op de duim plakte om opgesabbeld te worden
dèùnezelfstandig naamwoord
duinen
deurzelfstandig naamwoord
deur
voorzetsel
door
deurgatdeuropening
deurgebontzelfstandig naamwoord
deurstijlen
- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - in et deurgebont staon - in de weg staan
- J.M. Van der Donck, in Joh. A. Leopold en L. Leopold; Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1; Mooi Truike, 1882 - in t durgebont ; daar geannoteerd met deurgebint, op den drempel
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1983-03-25 - Mee oew luie kont (...) in t deurgebont...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1961-09-15 - Het gammel deurgebond
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun op collecte, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-08-12 - 1939-08-26 - Oome Teun kwaam mee zn pijpken in de mond in et deurgebont staon...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-10 - Den herbergier zee: Die kunnen deur de vensters kijken en in et deurgebond staon, daor is plaots genog.
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-07-18 - Rijd den kreugel mar deur t deurgebint int schop
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - in et deurgebont staon - in de weg staan
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 durgebont - deurstijl
- WBD gebinte; balkenstelsel bestaande uit 2 stijlen en 1 ankerbalk
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - durgebònt - deurkozijn
deurslèèpewerkwoord
doorslepen, onheus, minachtend bejegenen
dèùvezelfstandig naamwoord
duif
dèùvemèlkerzelfstandig naamwoord
duivenmelker
deuverikzelfstandig naamwoord
deuvik, deuvel
deuzegnaam
duizelig, licht in het hoofd
dèùzeleghèdzelfstandig naamwoord
duizeligheid
diwerkwoord
deed; verleden tijd van doen
werkwoord
deed, deden
di-kom-sabijwoord
van heb ik me jou daar; kom-sa uit het Franse comme ça
dichtbij èn vèraafgezegde eufemisme voor dronken, aangeschoten
dichtenbèèjbijwoord
dichtbij, na(bij)
dichthèdzelfstandig naamwoord
dichtheid
dichtnèèpewerkwoord
dichtnèèpe nêep dicht dichtgeneepe dichtknijpen; hier om een sterfgeval aan te duiden
diezelfstandig naamwoord
die
die van mèn - die van mij, mijn echtgenote
den dieje geld, contanten; altijd voorafgegaan door den en eventueel begeleid met telgebaar van duim en wijsvinger
naam
naam
dieder, van die, van haar, dier
naam
bepalingaankondigend voornaamwoord degene die
bijwoord
diek, samentrekking van die + ik dies; verouderde tweede of vierde naamval van die; daarom, om die reden; plechtstatig gebruik; tegenwoordig soms nog gebruikt in de tweede naamval: wat dies meer zij, meer dergelijks
in een bijwoordelijk bepaling ...diege-me-daor-staot..., ...die je bent...
diedjeezelfstandig naamwoord
acroniem van disc jockey, Engels uitgesproken dj
diejabooloowewerkwoord
het kinderspel diabolo spelen
diejagonaolzelfstandig naamwoord
diagonaal
diejooraamazelfstandig naamwoord
diorama
Foto: Regionaal Archief Tilburg Het Diorama Voor een grotere weergave KLIK HIER Dezelfde voorstelling werd door AaBe gebruikt op de etiketten van de dekens
diekomsabijwoord
van heb ik me jou daar; kom-sa uit het Franse comme ça
Dienzelfstandig naamwoord
diepnaam
diep, niet hoog
2. bijwoord ver weg, achteraf
dierfwerkwoord
diesterbuutiezelfstandig naamwoord
distributie, in het bijzonder de distributie van goederen in de Tweede Wereldoorlog
samentrekking
digget ik deet, ik deejet (de vorm ik dinnet is niet opgetekend) jij, gij digget hij, zij, het, et digget [wij din et] gullie digget zullie dint, zullie dinne-n-et
dijbêenzelfstandig naamwoord
dijbeen
diknaam
dik
bijwoord
2. bijwoord (omvang)
dikwijls, vaak
2.1.1 vergrotende trap van dik is dikkelder, dikker vaker
- Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - ge moet ene keer dikkelder koome - je moet een keertje vaker komen.
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Bad Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-31 - 1939-02-18 - Mieke Stok (...) zee dè ze s mergens wel ns dikkelder n eindje opstapte
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel, feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-05-20 - 1939-06-17 -...hij ha al dikker t plan gehad...
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - [bij knikkerspel...] naa hedde gij gewonne, mar ikke veul dikkelder
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dikkelder of dikker - vaker
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dik - dikwijls, vaak; hoe dik valt da veur? dikkels en dikkes - dikwijls
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 duk voor dikwijls, twelk ook wel eens door dik wordt uitgedrukt
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 dik - dikwijls; dik zat - tamelijk dikwijls
- A.A. Weijnen; Dialectatlas, 1937 - Men zegt in T[ilburg] dikkels, in het echter dik.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dik - 1) voor tijd - dikwijls, vaak; 2) voor modaliteit - soms, bijgeval
- WNT dik - dikwijls, vaak; in dezen zin gewestelijk nog in gebruik, o.a. in Gelderland en de Kempen
- WNT - dikmaal en maal - uit dik (dat op zichzelf reeds de betekenis dikmaal heeft)
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - dikkels, nog dikker - dikwijls, nog vaker
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dikkelder of dikker - vaker
dikdouwerzelfstandig naamwoord
iemand met gedrongen postuur
dikkelsdikwijls, vaak
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - dikkels, nog dikker - dikwijls, nog vaker
- Grôot diktee van de Tilburgse taol, 2007 - Naa zèn wérkende vrouwe hêel dikkels mevrouwe...
- Piet Heerkens svd; Dn Örgel, Blumke, 1938 - Och blumke,/ k heb oe zo dikkels bekeeke...
- Piet Heerkens svd; De mus, Kenderpraot, 1939 - Kender zie ik dikkels speule ...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel, feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-05-20 - 1939-06-17 - ...en zoo gao-g-et mee de waorheid dikkels: er is geen plaats veur dr in de herberg!
- Piet Heerkens svd; De knaorrie, Van kwezels en ezels, 1949 - Kwezels stoote dr teere teene/ dikkels tegen dezelfde steene...
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); column in Groot Tilburg, 1940 - t Is euwige sunt dè de daog zo kort zèn, en dè t zoo dikkels kaoi weer is...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Tilburgse Koerier, circa 1970 [over biljarters in het café...] Ze motte dikkels smèren... - Cees Robben; De Prent van de Week in het zilver; Dn ooievaar, 1981 - We hebben dikkels zat spek op taofel... - Rolf Janssen; We hebben gezongen..., 1984; opgetekend uit het veel oudere lied Onder de lindeboom - Wie kent er naa nie Lopend Joke/ die zie duh zó dikkels op straot... - Piet van Beers; CuBra, circa 2000 - ...den Èngelbewaorder èn de Romse Jeugd/ die laazeme zo dikkels asme konde./ Èn de Kattelieke Illustraasie/ wier nètjes ingebonde. - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekke; Deel 1, 2006 - Ok vur vrijbankvléés hèk dikkels in de rij moeten staon. - Tony Ansems; in het lied Achter in de sintelpad, 2008 - Ik hebbet dikkels in t wild gedaan/ Aachter in de Sintel Pad
- WNT dik - dikwijls, vaak (gewestelijk in Gelderland en de Kempen); dikwijls - van dikwijl met adverbiale s. In oudere taal ook in den vergrotenden trap; dikwijlser.
Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937
bijwoord
dikwijls
dikkontzelfstandig naamwoord
iemand met een dik achterwerk
dikmôokzelfstandig naamwoord
dikzak
dikoorzelfstandig naamwoord
bof
diksentijbijwoord
meestentijds, meestal
diksewèèlebijwoord
meestentijds, meestal samensmelting van dikkels (dikwijls) en sewèèle (somswijls) als zodanig niet opgetekend uit Tilburgse bron
diksjenèèrzelfstandig naamwoord
woordenboek, dictionair uit Frans dictionnaire, met vocaalreductie
dikzatbijwoord
vaak genoeg
dilzelfstandig naamwoord
deel; aantal, hoeveelheid, partij
- Informant Toine Raaimakers; ca. 2000 - Khè nòg en hil dil koolen in et schòp - Ik heb nog een hele voorraad kolen in het schuurtje.
- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? n dil - aantal
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-05-12 - ...n hil dil...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - un dil, unnen dil - een aantal, veel
- Willems; Dialectenquête, 1887 - dil; vierendil
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 dil - veel; n hil dil - nogal wat
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 - deel (del) ....; wordt gebruikt als vage aanduiding van een niet al te geringe hoeveelheid, met onbepaald lidwoord.: n del volk; verrassend grote hoeveelheden heten: 'n hil del - een heleboel.
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - deil (uitspraak dail) deel; een heel deil volk
- WBD III.4.4:259/260 - deel - boel, grote hoeveelheid
- WBD III.4.4:261 deel - onbepaalde hoeveelheid
- WBD III.4.4:271 deel - brok
- WBD III.4.4:276 deel - portie
- WBD III.4.4:299 deel - kwart hectoliter
dilbaornaam
deelbaar
diltwerkwoord
deelt tegenwoordige tijd enkelvoud, 2e + 3e persoon van dêele, met vocaalkrimping: jij, hij, zij, het deelt
dimdammewerkwoord
aarzelen etymologie onbekend
dimmebastaardvloek
pòtverdòt bastaardvloek alleen aangetroffen in een dialectvers van Leo Heerkens
pòtvergimme bastaardvloek
dinwerkwoord
deden
dingzelfstandig naamwoord
ding
dingerzelfstandig naamwoord
dingen
dingeszelfstandig naamwoord
menstruatie
dingeske-dingzelfstandig naamwoord
koosnaam
dingszelfstandig naamwoord
onkruid
dinteloordspèkzelfstandig naamwoord
suiker
dippeljeurzelfstandig naamwoord
afnemer (textiel)
dippendènsiezelfstandig naamwoord
uit Frans dépendance
Bron: Delpher
dirrekzelfstandig naamwoord
directeur
disselzelfstandig naamwoord
latierboom
disselkèttingzelfstandig naamwoord
jukriem
dissemzelfstandig naamwoord
desem, hier bedoeld als uitwerpselen
dissèmberzelfstandig naamwoord
december
distbijwoord
hier
ditsamentrekking
deed het
dittiesamentrekking
deed hij
Divvenijnsnaam
Foto: Regionaal Archief Tilburg
dòbbelnaam
dubbel
zelfstandig naamwoord
bijwoord
dòbbelbilzelfstandig naamwoord
forse dikbil
dòbbeldnaam
dubbel
zelfstandig naamwoord
bijwoord
dòbbeldoekzelfstandig naamwoord
dubbeldoek
dòchtwerkwoord
dacht, dachten
- Niet nader geïdentificeerde zegspersoon op systeemkaart Sterenborg - Ik dòcht, ik dòcht! Dòchters lôope int Haagse bós. [als reactie op iemands twijfelachtige uitlating ik dòcht...]
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - ze docht bij dr èigen
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-04-03 - En k docht, lieve lezer...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-09-11- Ik docht degge hier nie waart...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-12-24 - Ik docht aon goud en kemels... [namelijk met Driekoningen]
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-12 - Hij docht t zèèn...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-02-09 - De verleden tijd van.. ik denk..? Ik docht, mister... Des fout, Lewieke, des Tilburgs... Oh, mar ik docht det goed was, mister...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-03-15 - Nou wè dochtte...
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - gê daacht nie, dè k dè wiest - gij dacht niet, dat ik zulks wist
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - docht - 2e hoofdvorm van denken
- WNT denken - onvoltooid verleden tijd dacht, waarnaast docht
dòchtewerkwoord
dacht, dachten
- Niet nader geïdentificeerde zegspersoon op systeemkaart Sterenborg - Ik dòcht, ik dòcht! Dòchters lôope int Haagse bós. [als reactie op iemands twijfelachtige uitlating ik dòcht...]
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - ze docht bij dr èigen
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-04-03 - En k docht, lieve lezer...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-09-11- Ik docht degge hier nie waart...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-12-24 - Ik docht aon goud en kemels... [namelijk met Driekoningen]
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-12 - Hij docht t zèèn...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-02-09 - De verleden tijd van.. ik denk..? Ik docht, mister... Des fout, Lewieke, des Tilburgs... Oh, mar ik docht det goed was, mister...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-03-15 - Nou wè dochtte...
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - gê daacht nie, dè k dè wiest - gij dacht niet, dat ik zulks wist
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - docht - 2e hoofdvorm van denken
- WNT denken - onvoltooid verleden tijd dacht, waarnaast docht
dòchterzelfstandig naamwoord
dochter
dodsbijwoord
doods
dodsbangnaam
doodsbang
dodsbidderzelfstandig naamwoord
doodbidder, aanspreker
dodsbildekezelfstandig naamwoord
doodsprentje, bidprentje
dodskiestzelfstandig naamwoord
doodskist
dodskòpzelfstandig naamwoord
doodshoofd, onzijdig
dodsprèntjezelfstandig naamwoord
doodsprentje, bidprentje
dodstilbijwoord
doodstil
doebeszelfstandig naamwoord
goedzak, roepnaam voor een hond
doedesamentrekking
doe je
doedelewerkwoord
geluidjes maken; vergelijk doedelen in doedelzak alleen aangetroffen bij Piet Heerkens
doedelzakzelfstandig naamwoord
gezegde
doefnaam
doegetsamentrekking
doet het
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-03-15 - Zêêveren... dè doeget naa...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-03-15 - Wènteren... dè doeget nie...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-03-15 - Dooien doeget as de weergaoi...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1968-12-06 - Ik doeget vur n tas koffie... [In een prent over een inzamelingsactie die in Goirle gehouden werd om een moderne kraomkliniek in te richten in missiegebied Kongo.]
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1969-12-19 - En doeget mar aachtermekaar dan heddet zôô vurmekaare...
- WTT-ES, 2019 - Het gezegde ik doeget vur en tas kòffie in relatie tot het baren van een kind, wil zeggen dat de moeder al vaker een kind gebaard heeft en dat de komende bevalling voor haar geen enkel probleem is
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ik, gij, hij, göllie digget; gij, hij, göllie doeget
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 doeget - vragenderwijze voor doet het?
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - doeget - samentrekking van doet het; hij doeget niet
doekzelfstandig naamwoord
doek, luier
samentrekking doe ik
doelzelfstandig naamwoord
schietbaan voor boogschutters, doel
doenwerkwoord
doen 1. stamtijden doen - di gedaon; de verleden tijd met i lijkt te verdwijnen en plaats te maken voor vormen met ee
2. tegenwoordige tijd De oe is in de tegenwoordige tijd altijd kort ik doe/gij doet/hij doe/wij doen/gullie doet/ze (zullie) doen
werkwoord
doek/doede, doede gij/doetie, doeze, doeget/doeme/doede, doede gullie/doenze, doen hullie
4. verleden tijd verleden tijd van doen (deed) met vocaalkrimping: di(n) ik di, ik deej/ge dit, ge deet/hij di, hij din, hij deej/we din, we deeje/gullie dit, gullie deet/ze din, ze dinne, ze deeje, ook met zullie
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - hè di-t gèère - hij deed het graag; ze zin dè-se-t nie din ze zeiden dat ze het niet deden; wè-k ok di, zöllie din-t aanders wat ik ook deed, zij deden het anders
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1968-02-01 - Zinneze dè zennet dinnen?
- Elie van Schilt; As ge katteliek geboren wierd; CuBra, circa 2000 - Dan nog de processie daor alle scholen aon meedin, de heilig hart processie naor dun Heuvel.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigelek wel trèkke?; Deel 2, 2007 - Op de nòrregt laag de moter van et wasmesjien, die digget niemer. Ik waar hillemaol nie nuuwsgierig naor die dingen en hoefde ok nie te weete hoe dè zôiets in mekaare zaat. Ik vond dè mar smèrrig wèèrk zon ding öt mekaare haolen om te kèèke wetter naa eigelek kepot waar, omdettie et niemer di.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigelek wel trèkke?; Deel 2, 2007- Ze di net of ze dôof waar...
- Henriëtte Vunderink; Grôot dikteej van de Tilbörgse taol, 2007 - Ik di meej önt groot dikteej...
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dus dè dik
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - wij dinnet/deejenet; dik dè; dittiet mar; din zullie dè mar
- Willems; Dialectenquête, 1887 - Al di(n) ie ôok niks
- H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch; Ons volk, 1932 - Hi wo nie doen, wà daander din. 5. verleden tijd
samentrekking
ik di, ik deej/ gij did, gij deed/ hij di, hij deej/ wij din, wij deeje/ gullie did, gullie deed/ ze (zullie) din, ze (zullie) deeje dik, deej ik/didde gij, deede gij/dittie, deetie/dimme, deeje me /didde gullie, deeje jullie, deede gullie/din ze, deeje ze
5.2 verleden tijd; samentrekking van werkwoordsvorm, persoonsvorm en voornaamwoord
5.3 verleden tijd, gebruikt als een verleden toekomende tijd
6. voltooid deelwoord gedaon
werkwoord
7. uitdrukkingen
- Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - et nie doen, et slèècht doen - verpieteren, wegkwijnen (van planten)
- Informant Toine Raaimakers; onbekende datum - èèrges oover doen - ergens over tobben; hij heeter veul oover gedaon
- Informant Toine Raaimakers; onbekende datum - oew èège doen - voor zichzelf zorgen; hij doe zen èège
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1968-03-20 - Al blaost ze nog zo hôog van de toren, ze môt èève goed veege asse gedaon hee
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - Dettie aaltij zo hôôg van de tôren blaost, heettie van gin vremde, mar as ie gedaon hee, mottie èvengoed veege!
- Jan Naaijkens; Dè's Biks, 1992 - doen - gaan, doen; ik doe mar wir es òp hùis aon
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - doen ook: bedragen, weerd zijn
- WBD III.4.3:27 - het niet doen, verèèrmoejen, niet willen groeien, armetierig, niet aarden, niet tieren, wegkwijnen, voor het begrip niet gedijen
- WTT ES, 2018 - Net als in het dagelijks gebruik van de standaardtaal kan doen gebruikt worden als een soort van hulpwerkwoord bij een infinitief. Zoals zullen een hulpwerkwoord is om een infinitief op de toekomst te richten, helpt doen het hele werkwoord om de activiteit daarvan te versterken. In het Standaardnederlands was deze vorm enige tijd populair maar het gebruik ervan lijkt af te nemen (2018). Het gebruik lijkt gebaseerd te zijn op de manier waarop kleine kinderen vaak worden aangesproken. Ook de verleden tijd - dik - is aangetroffen in het Tilburgs. In geschrifte is het werk van Ferry van de Zaande tot nu toe de enige bron.
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dus ik zit daor meej ene grôote tulbaand op mene kop èn ene kwak kaorte vur men neus. Èn dan deej ik dus de toekomst vurspèlle wittenie?
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn dan doede ammel grappen öthaole wittenie
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn dan iets over eksposieties van van die kunstenèèrs. Die manne doen ammel van onze belastingsènte schilderije maoke
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn dè doe ik ammel netjes zonder vurrijkòste bij heur binne zette.
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik doe meej mènne kompjoeter dus af èn toe ene natuurfillem kèèke èn ik doe ôk ammel dating doen hi?
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik doe veul kèèke nòr deeting. Wittenie? Dègge dus kunt aafspreeke meej 'n vrouwke.
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dus naa doe ik gewoon praote èn doen zullie et vur mèn tiepe.
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik zèg; Doede gij ok kooke?
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - As mene wiet rèèp is dan doe ik die aaltij zèllef knippe meej ene grôote knipschèèr.
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dan ging ik smèèreges de straoten aaf om de zak van Max òp te haole. Èn die dik dan wir verkôope òp de mèrt.
doeningzelfstandig naamwoord
winkel
doerakzelfstandig naamwoord
ondeugend kind
doeszelfstandig naamwoord
hond (in kindertaal), slordig persoon
doese(rsamentrekking
doet ze (er)
doeskinzelfstandig naamwoord
stofnaam (textiel)
doetersamentrekking
doe het er
doffelzelfstandig naamwoord
goedzak
döfke'tortelduifje' genoemd
tortelduifje genoemd
zelfstandig naamwoord
duifje
dògszelfstandig naamwoord
daags; in de tweede naamval van de dag
dojerzelfstandig naamwoord
Schilderij van Otto Modersohn (detail)
dòkkelewerkwoord
Tekening: - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad - uit: Fraters... pootjebaden Tekening: - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden - uit: Fraters...
werkwoord
STERKE VROUW Ziede gij daor dè weuwke gaon? Ze hee dr witte klumpkes aon. Ze staawt nog stevig deur de sneuw al is zal ruim n halve euw. Dr muts is sneuw, dren rok is roet, dren maantel, jao, die stao se goed. Ze dokkelt nog zo dapper deur, 't is nog 'n kraachtig wijfken, heur!
Ja, ik heb in Suriname heel mn leven hard gewerkt Tussen lepra en melaatsheid, tussen ziekenhuis en kerk Het was uit naastenliefde, en het was een hels karwei En ik droomde écht waar élke nacht van Tilburg aan de Ley. Bij het laatste zonlicht las ik vaak een stuk uit mijn brevier Of ik bad een rozenhoedje in mijn boot op de rivier Dan stroomde traag de Coppename links en rechts voorbij En dan dacht ik bij mn eige: Kijk, t water van de Ley. Ik zag ziekte, dood, dag in dag uit, ellende, slavernij En dan smeekte ik Wi Tata - Onze Vader, maak ze vrij Wat zou ik dan nog treuren om mijn schaapjes op de hei Maar ik wou nog één keer dokkelen int water van de Ley! Refrein Dit maakt me blij! - Dokkele in de Ley! Dit maakt me vrij! - Dokkele in de Ley! Nee, ik ben nooit meer teruggekeerd, ik had het veels te druk Met verzorgen van melaatsen, en hun vleugje klein geluk. Ik kan niet trug en daarom maakt dit water mij zo blij Dat ik hier nu kan staan dokkele int water van de Ley. Foto: Frans van Aarle
- Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2010-12-15 - In de vekaasie fietsteme nòr Esbeek om te gòn dòkkele in de Flaos. - In de vakantie fietsten we naar Esbeek om te gaan pootjebaden in de Flaas.
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - hij dokkelt in de Laai - baadt in de Lei
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dokkele - pootje baden
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 1. gezegd van geluid door stoten op straatstenen; 2. teuten, kloten, niet vooruit kunnen.
- De Jager; Woordenboek der Frequentatieven, 1875 dokkelen - dokken - beide heeft Kiliaen voor duikelen, duiken; zie ook Ten Kate II 172
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 - dokkelen - wat onhandig en onzeker lopen, gezegd van kinderen en van mensen die zich over een slechte weg, bijvoorbeeld door de modder te voet voortbewegen. Ook pootjebaden.
- L.L. de Bo; Westvlaamsch idioticon, Gent 1892 - donkelen - duiken
- A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 dokkele - pootjebaden (midden van Noord-Brabant) Mogelijk iterativum bij 17e-eeuws dokken, duiken (of doen duiken?)
- WBD III.1.2:160 dokkelen - waden
- WBD III.1.2:161 dokkele - pootjebaden
- WBD III.4.4:185 dokkelplaats - doorwaadbare plaats
dòkkeltjezelfstandig naamwoord
dokkeltje
dòkmardeurzelfstandig naamwoord
dökplankzelfstandig naamwoord
duikplank
döktpersoonsvorm van dèùke; tegenwoordige tijd enkelvoud 2e + 3e persoonsvorm van dèùke, met vocaalkrimping duikt
dòkterzelfstandig naamwoord
dokter
Dokusnaam
verkorting van Judocus
dòlbijwoord
dol
dòldewerkwoord
dòlderzelfstandig naamwoord
daalder; destijds munt met waarde van anderhalve gulden
dòlderijzelfstandig naamwoord
moeilijkheden
döllekezelfstandig naamwoord
lief meisje
döllekeszelfstandig naamwoord
dölleperzelfstandig naamwoord
dorpel met verwisseling van de r en de l
dòllikbijwoord
dadelijk, meteen
dölperzelfstandig naamwoord
dorpel met verwisseling van de r en de l
dòlszelfstandig naamwoord
moeilijkheden, trubbels, dolligheid
dòltwerkwoord
dòltjezelfstandig naamwoord
schandaal
domzelfstandig naamwoord
naaf (afgeleid van duim)
Domiennaam
Dominicus
dömkezelfstandig naamwoord
duimpje; centimeter
dömsnaam
duims, een duim dik
dondekaoterstussenwerpsel
samentrekking van donders + kater
donderdaagzelfstandig naamwoord
donderdag
donderjaogewerkwoord
herrie maken, vervelend doen donderjaoge - donderjaogde - gedonderjaogd
donderleiderzelfstandig naamwoord
bliksemafleider
Donders(e) jèùch-pakkezelfstandig naamwoord
De populariteit van Roy Donders in Nederland gaf ook aanleiding tot een grap van Mick Jagger bij het voorstellen van de Rolling Stones tijdens het concert in Landgraaf / Pinkpop 2014. Op deze afbeelding het moment waarop Jagger aan Wood vraagt wie zijn kapper is: Roy Donders? jêûk jeuk
gezegde Dè jukt nie - Dat maakt niets uit, het is om het even, maakt niet uit.
werkwoord
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. jêûke jeuken jêûke - jukte - gejukt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: et jukt.
zelfstandig naamwoord
jêûkerd scheldwoord voor oude man
donderstraolewerkwoord
Dongesewègtoponiem Dongenseweg
donkernaam
donker Tekening: - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946
donkerezelfstandig naamwoord
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Ge wit dè ge vur den donkerte töös mot zèèn, war? Je weet dat je voor het donker thuis moet zijn niet waar?
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Wè zit te daor tòch òmmol in den donkerte? - Wat zit je daar in het donker
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1966-12-02 - As hier elken hellige zn lichtje heej... zit ons Lief-Vrouwke in dn donkere... [Iedereen heeft het zijne gehad, maar degene die daarvoor heeft gezorgd staat met lege handen; daarmee wordt een gevoel van miskenning uitgedrukt]
- Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 1994 - Ik kwaam in den donkere wir tèùs
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ik zie in den donkere nèt zo goed as zonder licht
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - het invallen van de duisternis
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - ...dè deeje fetsoenleke jongens en mèskes nie, die waare vur den donkerte tèùs.
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer, 2009 - Gin strôom: dan zitte we ammòl tegelèèk/ in den donkere meej zn alle.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - donkere duisternis; veur den donkeren thous zen
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - in den dungkere; vé den dungkere; van den dungkere.
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - donkere - het donker, de duisternis
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 donker donker; vur dn donkere thuis!
- WNT donkerte l. duisternis; 2. donkere plek, plaats


2. werkwoord, zwak donker worden
donkertezelfstandig naamwoord
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Ge wit dè ge vur den donkerte töös mot zèèn, war? Je weet dat je voor het donker thuis moet zijn niet waar?
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Wè zit te daor tòch òmmol in den donkerte? - Wat zit je daar in het donker
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1966-12-02 - As hier elken hellige zn lichtje heej... zit ons Lief-Vrouwke in dn donkere... [Iedereen heeft het zijne gehad, maar degene die daarvoor heeft gezorgd staat met lege handen; daarmee wordt een gevoel van miskenning uitgedrukt]
- Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 1994 - Ik kwaam in den donkere wir tèùs
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ik zie in den donkere nèt zo goed as zonder licht
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - het invallen van de duisternis
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - ...dè deeje fetsoenleke jongens en mèskes nie, die waare vur den donkerte tèùs.
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer, 2009 - Gin strôom: dan zitte we ammòl tegelèèk/ in den donkere meej zn alle.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - donkere duisternis; veur den donkeren thous zen
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - in den dungkere; vé den dungkere; van den dungkere.
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - donkere - het donker, de duisternis
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 donker donker; vur dn donkere thuis!
- WNT donkerte l. duisternis; 2. donkere plek, plaats


2. werkwoord, zwak donker worden
donssamentrekking
de onze, die van ons
dôodzelfstandig naamwoord
de dood
bijwoord
werkwoord
dôodgemoederêerdbijwoord
doodgemoedereerd, zonder blikken of blozen, alsof het niks is
dôodmaokenaam
werkwoord
doodmaken
dôodmuugnaam
doodmoe
dôodsbidderzelfstandig naamwoord
doodbidder, aanspreker
dôofnaam
1. doof, dove; van gehoor
2. gevoelloos; verdoofd
dôojzelfstandig naamwoord
doden, overledenen, meervoud van
dôojenaam
doods, dor
zelfstandig naamwoord
dode, overledene
dôojerzelfstandig naamwoord
dooier
dookzelfstandig naamwoord
sul
dôokwerkwoord
dook
dookazelfstandig naamwoord
trage trut, vrouwelijke vorm van dookus
dookuszelfstandig naamwoord
sul
doolewerkwoord
dolen doole - dolde gedold; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd gij/hij dolt
dôopzelfstandig naamwoord
doop, doopsel; voltrekking van het eerste sacrament bij rooms-katholieken
dôopewerkwoord
dopen doope - dópte gedópt; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping gij/hij dópt Behalve het sacrament van het doopsel ook in figuurlijk gebruik: sterke jenever verdunnen met water
doorezelfstandig naamwoord
dorens
doorevinkzelfstandig naamwoord
groenvink, groenling (chloris chloris)
dôoszelfstandig naamwoord
doos; figuurlijk: onnozel vrouwspersoon, doetje
dôovewerkwoord
doven, uitdoen
2. zelfstandig naamwoord dove
dòpzelfstandig naamwoord
dop
döpkezelfstandig naamwoord
dopje
dopklêedzelfstandig naamwoord
doopkleed
doppeltjezelfstandig naamwoord
dubbeltje
dopselzelfstandig naamwoord
doopsel
dopt(ewerkwoord
doopt(e) tegenwoordige tijd/verleden tijd enkelvoud van dôope, met vocaalkrimping
dopvontzelfstandig naamwoord
zowel de doopvont als het doopvont
dòrbijwoord
daar 1. als bepaling van plaats: daar, daarginds
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-02-13 - En wè vond ie daor..? / Alles vur m kaant en klaor.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-12 - Wörrom zum daor hôn neergezet
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-08-26 - Die worren daor bewaord.
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-01-23 - Hier lotte wè, en daor vènde wè...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1966-04-01 - krek passeerde daor n medje...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-07-26 - Hier n douwke... Daor n klepke
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-22 - Daor zaate twee döfkes/ hil dicht bij mekaar...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-05-15 - Daor zwemmen gin vissen en paolingen
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-02-29 - Daor gao Sooike mee zn vrouw...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-03-02 - Dieje aauwe Sjassee daor...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-01-02 - Daor is Jantje Kapoen en Mie Tuureluut...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - van hierte toe daorte - van hier tot daar
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 daorlangs (zonder vocaalkrimping)
2. bepaling van tijd: toen
3 . in een uitdrukking die gelatenheid uitdrukt
4 . in plaats van waar
bijwoord
daar
dòrnèèvebijwoord
daarnaast
dòrnètbijwoord
daarnet, kort geleden
dörpzelfstandig naamwoord
dorp
dörpelzelfstandig naamwoord
dorpel, drempel
A ls dölleper
dörrevewerkwoord
durven
bijwoord
dörrem, dörrom daarom
werkwoord
dòrse dorsen
zelfstandig naamwoord
dòrst 1. dorst
2. geen trek in eten hebben In dit geval niet bedoeld als behoefte aan drank hebben maar als geen trek in eten hebben
naam
döster duister
zelfstandig naamwoord
dösternis duisternis
naam
Döts Duits
zelfstandig naamwoord
Döts, den de Duitsers
zelfstandig naamwoord
A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 Döts - Duits; den Döts - de Duitsers
hulpmachine bij het weven; letterlijk Duitse machine
dörvewerkwoord
durven
bijwoord
dörrem, dörrom daarom
werkwoord
dòrse dorsen
zelfstandig naamwoord
dòrst 1. dorst
2. geen trek in eten hebben In dit geval niet bedoeld als behoefte aan drank hebben maar als geen trek in eten hebben
naam
döster duister
zelfstandig naamwoord
dösternis duisternis
naam
Döts Duits
zelfstandig naamwoord
Döts, den de Duitsers
zelfstandig naamwoord
A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 Döts - Duits; den Döts - de Duitsers
hulpmachine bij het weven; letterlijk Duitse machine
Dossier lieveheersbeestjezelfstandig naamwoord
lieverij
bijwoord
lieverleej lieverlede (alleen met 'van') Cees Robben: van lieverleej begós et zôo te lôope
zelfstandig naamwoord
Dianthus barbatus lievermènnekes
zelfstandig naamwoord
werkwoord
ligge liggen; ziek of bedlegerig zijn ligge - laag - geleege in tegenwoordige tijd vocaalrekking: hij leej O nzen oopaa leej al virtien daog. - Opa is al veertien dagen ziek. Cees Robben: Waor wilde ligge? Lòt den hòf tòch ligge, Jan; - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ónder diejen èèk ligge veul èèkels Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - ge hèt venaacht zeeker nie drêûg geleege (Daamen, Handschrift 1916) - gezegd tegen iemand die opvallend vroeg uit de veren is. - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - niks laote ligge as meulestëene èn gloejend èèzer Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - ligge ww - liggen; wordt dikwijls gebruikt in een andere betekenis. ligger zelfstandig naamwoord
Dötserzelfstandig naamwoord
Duitser
double facezelfstandig naamwoord
stofnaam (textiel), dubbelzijdig te gebruiken stof double face; uit het Frans, uitgesproken doeble fas; ook verbasterde Engelse uitspraak kwam voor: döbbel fees
Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954
douwzelfstandig naamwoord
duw
douwderiedouwkezelfstandig naamwoord
deuntje, melodietje
douwewerkwoord
duwen
zelfstandig naamwoord
Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg douwkèèr
draachtzelfstandig naamwoord
dracht
draaibôomzelfstandig naamwoord
draaiboom
draajbòrdzelfstandig naamwoord
draaibord, draaikont
draajewerkwoord
draaien
- Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - der duukskes óm draaje
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1974-10-25 [Man tegen vrouw] Zôô, zodde gij oew braoi daor ôôk in wille draaie... Ik zit liever aon unne viskuil...
- Pierre van Beek; Typische zegswijzen, aflevering 5; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-08-25 - Ik ben er mee gedraaid - Ik ben er mee klaar! t Valt niet mee.
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - draaien as ene stront in ene pispòt
- WBD - schôon gedraajde koej - koe met mooie billen, ook genoemd vierkaante, meej goej / mooje bille, meej goej aachterstel
- WBD - et kalf zit gedraajd, respectievelijk aachtersteveure - met de kop naar achter, dus verkeerd (vóór de geboorte)
- WBD - in zen hakke draaje (van een paard) - bij het stappen de voeten naar binnen keren, ook genoemd haoks (loope)
- WBD - draaje - keren (van de ploeg, aan het eind van een akker)
- WBD - dur de meule draaje - worstvlees en -vet kleinmaken, ook genoemd durdraaje
- WBD III.1.4:417 - draaien - slinkse streken
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 draaien; iemand iet draaien - hem iets kwaads toebrengen
draajerszelfstandig naamwoord
draaiers
Dendrocopos minor
draajnèkzelfstandig naamwoord
bonte specht
draankzelfstandig naamwoord
drank
draantbijwoord
verkorting van onderhaand
drabzelfstandig naamwoord
drab
drangzelfstandig naamwoord
het gedrang
draodzelfstandig naamwoord
draad meervoud zowel draojer, draoje als draoj verkleinwoord: dròjke
naam
draodhèkkezelfstandig naamwoord
draogewerkwoord
dragen
draogendnaam
draovewerkwoord
draven draove - draofde gedraofd; geen vocaalkrimping
drapeejzelfstandig naamwoord
stofnaam (textiel)
draszelfstandig naamwoord
drab
Dree(jnaam
verkorting van Andre(as)
drèèfdölleke - drèèftöllekezelfstandig naamwoord
drijftolletje; kinderspeelgoed: drijftol - tol die met een zweepje in beweging moet worden gehouden (aandrijven)
drèègewerkwoord
dreigen, bedreigen drèège - drèègde - gedrèègd
Dreekenaam
drèènewerkwoord
dreinen, lastig zeuren drèène - drènde gedrènd; in tegenwoordige tijd vocaalkrimping drènt
drèènoorzelfstandig naamwoord
dreinoor dreinen lijkt een verbastering van drenzen; -oor is een gangbaar achtervoegsel in berispingen als verondersteld wordt dat de aangesprokene niet wil luisteren; vergelijk druiloor en
drèèvewerkwoord
drijven drèève - drêef gedreeve; geen vocaalkrimping
drèèverzelfstandig naamwoord
koppig persoon
drèèverkezelfstandig naamwoord
opvallend klein, beweeglijk persoon
drèfkezelfstandig naamwoord
drafje
drèkbijwoord
direct, zo meteen
drèlzelfstandig naamwoord
dril, geleiachtige substantie
drèmzelfstandig naamwoord
uiteinde kettinggaren
drèntwerkwoord
dreint tegenwoordige tijd enkelvoud; jij, gij, hij, zij drènt Schilderij van Osias Beert (detail) - 17e eeuw 1. druif 2. pretmaker , zot mens (meestal vrouw)
3. knop in spanzaag
drêûgnaam
droog
- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Giestere rèègenden et èn naaw ist drêûg.
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - Ge hèt vannaacht zeker nie drög gelege? [gezegd tegen iemand die nogal vroeg uit de veren is]
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-07-14 - Unne mond zô dreug as schar...
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - ...drêûg fan den dòrst
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den drêûge - George Dröge
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - nen dreugen zommer
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - hullieje mónd is drêûg van den dòrst; met umlaut
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 droog (scherpe o, Kempisch ook druëg)
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 dreug - droog. In Neder-Saksen zegt men ook drüge.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - Onder dreuge(n); voor het vocalisme van dreug en dreugen zie paragraaf 134 van de klankleer
- WBD III.1.4:263 droog - sip (kijken)
- WBD III.2.2:31 - droog zindelijk [van kleine kinderen]
- WBD III.4.4:28 - droog houden - droog blijven (weer)
drêûgdraodnaam
droogdraad, waslijn
drêûgewerkwoord
drogen
drêûgerzelfstandig naamwoord
droger, iemand die iets droogt
drêûgkaomerzelfstandig naamwoord
de kamer waarin sigaren gedroogd werden
zelfstandig naamwoord
drêûgklôot droogkloot; droge grappenmaker
werkwoord
drêûglègge droogleggen; alcoholgebruik verbieden
zelfstandig naamwoord
drêûgmesjien droogmachine
zelfstandig naamwoord
drêûgrèk
werkwoord
drêûgschaove
drèùlewerkwoord
trullen
drèùpewerkwoord
druipen
vocaalkrimping in tegenwoordige tijd gij/hij dröpt
drèùpkòlzelfstandig naamwoord
drèùpsnòrzelfstandig naamwoord
druipsnor, hangsnor
drèùvevèègerzelfstandig naamwoord
drietelwoord
drie
Drie keer AppetjoekOp een kleine handpers van Studio Zeedauw kon op de markt in Tilburg een woord of een zinnetje gezet en afgedrukt worden. CuBra koos voor het typisch Tilburgse scheldwoord Appetjoek. Eerst het zetwerk: Daarna inkten: En het resultaat: Op papier ziet een appetjoek er dan zo uit: Foto's: CuBra, 23 maart 2019. Meer informatie over Zeedauw: www.studiozeedauw.nl
drieappelepapzelfstandig naamwoord
kinderspel; vorm van bokspringen, oversprong
driedetelwoord
derde
Er was 'ne boer en die ha drie zoone, den eene hiette Cis, den aandere hiette Sas en den driede hiette Sus van Kempen.
Het is een zeer goed, schoon thans minder gebruikelijk woord; twelk, of wel dryde, bij Kiliaan nog voorkomt, en bij vele Ouden gevonden wordt.
driederaandtelwoord
drieërlei
driedestelwoord
derde
Er was 'ne boer en die ha drie zoone, den eene hiette Cis, den aandere hiette Sas en den driede hiette Sus van Kempen.
Het is een zeer goed, schoon thans minder gebruikelijk woord; twelk, of wel dryde, bij Kiliaan nog voorkomt, en bij vele Ouden gevonden wordt.
telwoord
driedraodsnaam
driedraads; sterke koffie de sterke koffie wordt vergeleken met een stof die uit driemaal zoveel draden wordt geweven als gewone linnen stof, en die dus zeer sterk is.
driegdraodzelfstandig naamwoord
driegewerkwoord
rijgen
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - moederke moet er oew klirkes nog driegen
- Piet Heerkens; Dn örgel; Slaopliekes 2, 1938 - Mientje mijn kiendje, slaop,/dengeltjes komen al vliege, vliege,/moederke moet er oe kleerkes nog driege...
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1944-12-15 [Karel...] Sjarel, ge moet me nie kwaoluk neme, mar wè hedde naaw toch vur innen gekken jas aon? [Sjarel...] Vende gij die gek? [Karel...] Nou me dunkt! Ge ziet bekaant niks aanders dan naoie! Ik wed dettie wel uit virtig verschillende lepkes bestao, diechche aon bekare het gedriegd.
- H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch; Jaors-brullof, 1932 - Den herfstweind driegt zn witten draod/ deur t laoken...
- A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - driegen - met losse steken rijgen
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 driegen wordt hier gebruikt voor rijgen, aanrijgen
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - driege(n) - met een losse draad en wijde stenen rijgen
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - driegen - met een lossen draad hechten, rijgen
- WBD II:1173 - driege - rijgen; ook rèège genoemd
driehoekerignaam
driehoekig
Drieknaam
van Hendricus
Driekanaam
van Hendrica en andere vrouwelijke heiligennamen op -ica
naam
drieklètszelfstandig naamwoord
Foto: Regionaal Archief Tilburg - Beeld On Line
Driekôonenge / Driekôoningezelfstandig naamwoord
Driekoningen; de feestdag van 6 januari, in de Roomse kalender Epifanie, de openbaring van Jezus als mens
1.1. een van de beelden uit de kerstgroep
2. samenstellingen 2.1. driekôoningezinge
2.2. driekôoningenaovend
2.3. driekôoningefist
2.4. driekôoningelieke
naam
3.1. kaartterm, familietaal
Kis-ke - Prent van de week in een onbekend weekblad in 1970 4.achtergrond Foto: Regionaal Archief Tilburg - Beeld On Line
Driekusnaam
verkorting van Hendricus, Fredericus, etcetera
driekwartbijwoord
over iemand die zich afwijkend gedraagt.
Drieszelfstandig naamwoord
weide, (hoger gelegen) grasland bij de woning Hoogen Dries toponiem; algemene, ongewijde begraafplaats aan Oisterwijksebaan nabij Heuvels kerkhof
drieslagzelfstandig naamwoord
het gelijkertijd galopperen en draven van een paard
driespinderzelfstandig naamwoord
koe die uit slechts drie spenen melk geeft
drietaandzelfstandig naamwoord
drietand
driftzelfstandig naamwoord
jong varken
Driknaam
van Hendrik, Hendricus
Drikkanaam
van Hendrica
Drikskenaam
drinkewerkwoord
drinken
drinkeskèùlzelfstandig naamwoord
waterkuil, drenkplaats
drinkeskrèùkzelfstandig naamwoord
drankkruik
drippelewerkwoord
trippelen
dripselewerkwoord
trippelen
droeszelfstandig naamwoord
koffiedik; paardenziekte
droezelegnaam
dröfkezelfstandig naamwoord
druifje
dròjkezelfstandig naamwoord
draadje
zelfstandig naamwoord
Het knopen van een draad - foto uit: Commandeur e.a., Ge waart mar arbeider ; 1981 dròjmaoker draadmaker
dròlzelfstandig naamwoord
drol
dröllekezelfstandig naamwoord
dròllevangerzelfstandig naamwoord
drôomewerkwoord
dromen
drôopwerkwoord
droop verleden tijd enkelvoud van drèùpe
drôozewerkwoord
sluimeren, dommelem
droozewerkwoord
sluimeren
drôozelewerkwoord
sluimeren, dommelem
dröpzelfstandig naamwoord
druppel, als onderdeel van een dakbedekking
dròpfeeterzelfstandig naamwoord
dropveter, snoepgoed van drop met het voorkomen van een lange schoenveter
dröpkezelfstandig naamwoord
Verkleinwoorden van dròp, druppel
Verkleinwoord van dròp in de betekenis borreltje
Verkleinwoord van dròp, snoepgoed
dröppewerkwoord
druppen, druipen
dröppelewerkwoord
druppelen
dröppeltjezelfstandig naamwoord
Verkleinwoorden van dròp, druppel
Verkleinwoord van dròp in de betekenis borreltje
Verkleinwoord van dròp, snoepgoed
dròpveeterzelfstandig naamwoord
dropveter, snoepgoed van drop met het voorkomen van een lange schoenveter
dròsserdzelfstandig naamwoord
lamzak; van drossaard [?]
drötzaagesamentrekking
er uit zagen
druddelzelfstandig naamwoord
dril
drugtzelfstandig naamwoord
droogte
drugtezelfstandig naamwoord
droogte
druknaam
druk, bezig
drukteszelfstandig naamwoord
drukte
druktesmaokerzelfstandig naamwoord
druktemaker
drupkezelfstandig naamwoord
Verkleinwoorden van dròp, druppel
Verkleinwoord van dròp in de betekenis borreltje
Verkleinwoord van dròp, snoepgoed
dubbelbilzelfstandig naamwoord
forse dikbil
zelfstandig naamwoord
dubbellèèsterzelfstandig naamwoord
kramsvogel
dubbeltjesmikskezelfstandig naamwoord
bepaald witbrood dat indertijd 10 cents kostte
dubbeltjespòtzelfstandig naamwoord
dubbeltjespot - spaarpot (meestal in een café) waarin de eigenaar wekelijks een of meer dubbeltjes deponeert, ten einde ze uiteindelijk als kermisgeld te gebruiken
duffelzelfstandig naamwoord
duffel; stofnaam (textiel)
dugtwerkwoord
deugt tegenwoordige tijd 2e+ 3e persoon enkelvoud van deuge, met vocaalkrimping
dukbijwoord
dikwijls
dukkelsbijwoord
dikwijls
dukskezelfstandig naamwoord
deukje
dunnaam
dun
dundernaam
dunkewerkwoord
dunken dunke - dòcht - gedòcht
duntjezelfstandig naamwoord
deuntje
durwerkwoord
voorzetsel
door
durbèètewerkwoord
doorbijten
durbijbijwoord
daarbij
durblaojerewerkwoord
doorbladeren
durbraokzelfstandig naamwoord
doorbraak
durdèvoegwoord doordat
durdoenwerkwoord
doorwerken, door een zeef doen durdoen - di deur - durgedaon
durdouwewerkwoord
doorduwen, doordrukken (ook figuurlijk) durdouwe - douwde deur - durgedouwd
durdouwerzelfstandig naamwoord
doorduwer, doorzetter; figuurlijk ook: rollator, echter niet algemeen gebruikt
durdraajewerkwoord
doordraaien
durdrèènewerkwoord
durdrèèverzelfstandig naamwoord
durgatzelfstandig naamwoord
het gat van de deur, deuropening
durgebontzelfstandig naamwoord
deurkozijn, deurstijlen
durheenebijwoord
doorheen
durjaogerzelfstandig naamwoord
snelle eter, schrokker
durkebijwoord
- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 109; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-13 - Ze kunnen niet door één deur in en uitgaan - Ze kunnen als man en vrouw niet in vrede leven
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 149, Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-02-10 - De tijd dat er mensen met kleine negotiewaren of met "ellegoed" langs de deur kwamen (dit laatste noemde men "met het pak gaan"), is lang voorbij en daarmee is ook de hieraan verbonden uitdrukking in het vergeetboek geraakt. Men noemde deze wijze van handel drijven "Met bliksem en onweer langs de deur gaan". Waarmee wel bedoeld zal zijn dat dit soort kooplui er "weer of geen weer" op uittrok.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 187, Nieuwsblad van het Zuiden, 1974-07-15 - Een dergelijke attractie [namelijk met de harmonie over straat lopen] bleek uiteraard niet weggelegd voor een kind, dat van zijn moeder de opdracht had "op de deur te passen". Wie zich hiervoor gesteld zag, had tot taak op het hele huis "te passen", niet om te voorkomen dat het zou weglopen, maar wèl met de bedoeling zowel gewenste als ongewenste bezoekers op te vangen.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Dur de drukte kosse me-r nie deur Door de drukte konden wij er niet door.
- Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Mar wij leerde van ons moeder: As r twee deure teegenoover mekaare oope staon, moeter êen dicht doen. En zôo ist. Dan was alles wir klaoren blom en dikke mik.
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - vur de deur
- WBD - staldurke - de grote dubbele deuren die toegang geven tot de koestal
- WBD - schuurdeur, schuurdeure - schuurdeur (bestaande uit twee vleugels)
- WBD - ovendeur (van een bakoven; van hout of ijzer)
door
zelfstandig naamwoord
deurtje
durke-durke-donsde betekenis is niet duidelijk; mogelijk deel van een aftelrijm van kinderen
durkoomewerkwoord
doorkomen
durlôopewerkwoord
doorlopen durlôope - liep deur - durgeloope
durlôopendbijwoord
continu, onophoudelijk
durlôopende listzelfstandig naamwoord
naam van een niet nader bekend kinderspel: doorlopend laatst [wie het laatst weg is...]
durpinnerzelfstandig naamwoord
doorschieter
durschòkkewerkwoord
doorschokken (technische handeling aan een weefgetouw)
durschuddewerkwoord
doorschudden (technische handeling aan een weefgetouw)
durskezelfstandig naamwoord
meisje
durslaonwerkwoord
doorslaan, het klieven van een geslacht rund durslaon - sloeg deur - durgeslaon/durgeslaoge
dursnijewerkwoord
doorsnijden dursnije sneej deur - durgesneeje
durspeulewerkwoord
doorspelen; kaart spelen in de nacht van oud- op nieuwjaar; ook van taauw int nuuw speule
Nieuwe Tilburgsche Courant 29 december 1937
durstèèlzelfstandig naamwoord
deurstijl; opstaand deel van een deurkozijn
durwèèrderzelfstandig naamwoord
deurwaarder
duszelfstandig naamwoord
broekturf, groesturf, tus
duskezelfstandig naamwoord
doos; figuurlijk: onnozel vrouwspersoon, doetje
zelfstandig naamwoord
doosje
onnozel vrouwtje, doetje
zelfstandig naamwoord
dutsel, dutseltje sloom vrouwspersoon
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - tis en dutsel - ...sukkeltje
- Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek, aflevering 15; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-06-05 - Onder een dutseltje verstaat men een n weinig pienter, maar heel goedig vrouwtje
- Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2006-12-31 - Naa dere meens dôod is, isse niemer bij de tèèd; tis en èchte dutsel geworre
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dutsel - sukkelachtig iemand
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 dutselen - een duts zijn, zich sukkelig en stumperig gedragen
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 dutsel zegt men van een teutelachtig vrouwspersoon, vooral indien hetzelve niet zeer doorzigtig of schrander is.
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 duts - onnoozele bloed, sukkelaar; beetgenomene, gefopte; troetelwoord voor een kind.
- WBD III.3.3:197 dutseltje; sibbedeeske, bidziel - kwezel
- WBD III.1.4:34 dutsel - domme vrouw
- WBD III.1.4:40 dutseltje - onnozel iemand
dutselewerkwoord
dutten, soezen, bijna in slaap vallen, suffen
bijwoord
dutselèèchteg sufferig, sukkelachtig - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - dutselaichtig sukkelachtig; niet als ziek doch als onhandig bedoeld
zelfstandig naamwoord
duukske doekje
naam
duur, duurder, duurst duur de uu in de vergrotende en de overtreffende trap is altijd kort
zelfstandig naamwoord
duurt duurte
zelfstandig naamwoord
Uit De Engelbewaarder, jaargang 1952-53; Ans van der Putten, De houthakker van Windewapper. duuvel duivel 1 - De duivel zelf
Afbeelding uit De wonderfles
Bevend van angst en schrik liet de houthakker zijn pijpje in het vochtige mos vallen en met knipperende oogjes keek hij naar die grijnzende duivelskop, die hem zo boosaardig aanstaarde. Eindelijk waagde hij het met sidderende stem te stamelen : De duvel? J-a-a", grinnikte de satan spottend met krakende stem. De duivel ! Ik zelf !" En reeds doorboorde hij het manneke met zijn vurige, doordringende ogen. Ha-ha-ha.. . , grijnslachte hij. Ik ken je wel, man!.... Ik sleep je mee naar de hel... Uit De Engelbewaarder, jaargang 1952-53; Ans van der Putten, De houthakker van Windewapper. Titelvignetten bij De duivelskei of de gesloten steen van Fr. Rufus, De Engelbewaarder jaargang 1954-55 2 - Typering van een mens, diens karakter boosaardigheid
domheid
geluk
gierigheid
Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden 1978-03-31 godsdienstigheid
kwaadaardigheid
kwaadsprekerij
sluwheid
ondeugendheid
oprechtheid
pechvogels
preutsheid
slimheid
stijfkop
stoutmoedig
► <span style="font-size:12.0pt;font-family:
wantrouwend
zedelijk verval
naam
3 - Typering van een toestand armoede
bedroefdheid
boosheid
wanorde
4 - De mens als duivel in religieuze aangelegenheden kerk en café
kerkelijk gedrag
Och, meneer, daar, daar is-ie, de eh...." en Propelaere moest slikken, de duvel! Eerst begon de pastoor te lachen, maar toen hij die vreemde sinjeur zag, begreep hij dat het nu werkelijkheid was. Vlug ging hij naar binnen en kwam terug met de grote wijwaterkwast. Uit De Engelbewaarder, jaargang 1951-52; Br. Borgias, Het kosterke van Maldegem. wijwater
5 - Duivel als tegenstander tegenslag
- Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-03-19 t Is of de duvel er mee speelt. t is onverklaarbaar, hoe zoiets niet slagen wil; telkens is er tegenkanting of ongeluk bij dat werk.
- Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-03-19 - hij was bij de duvel te biecht - hij had misplaatst vertrouwen geschonken aan iemand, die hem niet welgezind was
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 2; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-02-11 - Zodra iets moet al zô den duvel de kèrs (kaars) vaasthawen valt er niet meer aan te ontkomen...
- Pierre van Beek; Typisch Tilburgse uitdrukkingen, Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-08-29 - "Het is tegen den duvel gehaorplukt". Het laatste woord komt van het Middelnederlandse "haerplocken", dat kijven, krakélen betekent. "Haarplukken" is Algemeen Beschaafd Nederlands. Het kan alleen in de onbepaalde wijs gebruikt worden.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 115, Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-12-11 - Bij een niet opgelost geschil placht men te zeggen: "God zal oe mikken maar de duvel zal oe pikken".
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 6, Nieuwsblad van het Zuiden, 06-06-1964 - Zodra iets moet gebeuren "al zou den duvel de kèrs (kaars) vasthauwen" valt er onder geen beding aan te ontkomen, zelfs niet al zou "de onderste steen boven komen".
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - spartele as un duuveltje in un wèjwaotersvòtje erg tegenstribbelen
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 t is tegen den duuvel hoarplukken gevecht [haarplukken win je niet van de duivel; het is hopeloos...]
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-11-06 - t Is tegen dn duvel gehaorplukt...
naam
6 Enige gezegdes Als een duuveltje uit een doosje
Als je het over de duivel hebt...
naam
Als de duivel op Geerte
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 67, Nieuwsblad van het Zuiden, 1968-11-08 - Enige tijd geleden gaven wij hier de uitdrukking: "Hij hee-g-'t er op als d'n duvel op Girte". Men zegt echter ook: op Girtjes. Een briefschrijver meent, dat dit laatste woord geen voornaam zou zijn, maar gewoon een meervoud van een zelfstandig naamwoord: girt-girtjes, wat dan "zieltjes" zou beduiden. Wij delen die opvatting niet, al roept de uitdrukking in haar geheel wel de associatie met zielen op. Liever houden wij het op één bepaalde ziel en wel die van Geert. De vormen met "e" en "es" achter een voornaam komen in ons dialect méér voor. Bv. ik heb Jantjes niet gezien, en: zeg het maar tegen Piete. Bij het lezen van het artikel in dit blad van 30 november l.l. getiteld: "In 1767 stond op de Heuvel een schavot" kregen we plotseling een idee. We stuitten daar op de naam van een beruchte bandiet, die vroeger o.a. in Tilburg opereerde. Dat was Geertje de Vlug. Nu lijkt het voor de hand liggend, dat de duivel zeer begerig is op een ziel, zó zwart van de misdaad, dat hij bijna de duivel zelf evenaart. Kan de volksverbeelding dat zo niet gezien hebben? Dan zou de uitdrukking dus slaan op de ziel van die Geert of op Geerte of Girtjes. Mocht onze veronderstelling omtrent onze Geert juist zijn, dan zou de uitdrukking uit de tijd van rond 1767 stammen.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 67, Nieuwsblad van het Zuiden, 1968-11-06 - Om aan te geven hoe begerig iemand naar iets is, bv. naar geld, kan men ook de uitdrukking horen: "Hij hee-g-'t er op als de duvel op Girte (Geert). Wie die Geert is weten we niet, maar hij zal in ieder geval wel een slechte reputatie hebben genoten.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 140, Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-12-09 - "Hij heeft het er op als de duvel op Geertjes". Wij voeren deze nog eens ten tonele, omdat we een notitie aantroffen, die erop kan wijzen, dat de uitdrukking op een zeer hoge ouderdom zou kunnen bogen. We lazen nl. dat men te Gent de uitspraak kent: "Hij sloeg er op als de duvel op Geraard". Men veronderstelt daar, dat met Geraard bedoeld zou kunnen zijn de heer van het bekende Gents kasteel "Het Steen" op de Reep. Dit heerschap noemde zich wel in het Latijn: "Gerardus dictus diabolus" (Geraard, genaamd de duivel). Dit heerschap werd reeds in 1295 te Gent begraven. Als het allemaal klopt, leeft hij dus nog altijd voort in de taal.
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 6; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-21 - ...omdè-t-ie [baanwielrenner Jan Pijnenburg...] in Stuttgart gefietst hee as de duvel, die Geerte aachternao zaat.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 t Gong erop as dn duuvel op Girtjes t Ging er hevig aan toe
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Geert, Geerte, Girtje eigennaam; Geert de Vlug, omstreeks 1767 een Tilburgse misdadiger
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek., 1998 - Girt(e) - roepnaam voor Gerardus, vermeend voormalig booswicht uit Tilburg; Hè hee-g-ut ur op as den duvel op Girte. - Hij aast er op als de duivel op een booswicht.
► <span style="font-size:12.0pt;
Soort zoekt soort
7 - Goede raad berusting
waakzaamheid
zelfkennis
8 - Onwelvoeglijk taalgebruik
9 - Uitroep
werkwoord
De duivel legt het af tegen de engelbewaarder. Uit De Engelbewaarder, jaargang 1955-56. duuvele wolven, duivelen
zelfstandig naamwoord
De duuvelèèr in het duuvelhòk - foto uit: Commandeur e.a., Ge waart mar arbeider ; 1981 duuvelèèr duivelaar, wolmenger, bediener van het
zelfstandig naamwoord
duuvelhòk ruimte in fabriek waar de ruwe wol gezuiverd werd
zelfstandig naamwoord
Tilburgsche Courant 23-1-1914 Tilburgsche Courant 9-7-1913 Tilburgsche Courant 1-8-1918 Nieuwe Tilburgsche Courant 12-2-1940 duuvelmesjien
duuvelmeulezelfstandig naamwoord
wolf, duivel, wolmolen
Duivel of wolf - uit: Dijkmeijer, Textielwarenkenis, 1951 Nieuwe Tilburgsche Courant 3-12-1921
duuvelsgewèldzelfstandig naamwoord
de grootst denkbare moeite
duuvelstoejaogerzelfstandig naamwoord
In het Tilburgs soms hetzelfde als
duuveltjezelfstandig naamwoord
kacheltje op pootjes; kleine duivel
Ill.: Thomé - dolle kervel - conium maculatum
duuveltjeskèrvelnaam
duuzendtelwoord
duizend
duuzendzinderwispelturig iemand
duuzenstetelwoord
duizendste
duuzenteraande/-tenaam
duizenderhande, duizenderlei
duuzenterindertelwoord
duizend dezelfde
dwalkewerkwoord
dwalke - dwalkte gedwalkt dwalen, afdwalen, verdwalen
dwalkschaopzelfstandig naamwoord
een afgedwaald schaap alleen aangetroffen in Tilburgse bronnen
Dwalk is een verbastering van dwalen, afdwalen (zie WNT lemma dwalen; vergelijk zwalken). Het woord is overgedragen op zeer uiteenlopende buitenbeentjes, zoals: afgedwaald schaap; figuurlijk: iemand uit de familie die aan lager wal geraakt is.
- Pierre van Beek; Nieuwsblad van het Zuiden, Tilburgse Taalplastiek, aflevering 183, 1974-01-25 - Ook ooit gehoord van een dwalkschaap? Dit is een bepaald soort mens. Iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken, die niet weet wat hij wil, nu eens hier, dan daar rondhangt, soms ook wel aan de zwerf gaat. Enfin, iemand, die niets presteert en waarmee ook niets valt aan te vangen. Dus een a-sociaal persoon of een in de maatschappij verdoolde. Dwalken houdt verband met dwalen. Het lijkt ons niet uitgesloten, dat ons woord uit de schapenwereld stamt. Waarom zou een schaap met een neiging steeds van de kudde af te dwalen niet dwalkschaap genoemd zijn?
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-12-29 - [Vader tegen zoon...] Ge bent toch mar n dwalkschaop... [zoon...] Dè zen de biste vadder... Onzen lieven heer gong ze zuuke...
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dwalkschaop - sukkelaar, zwerver
- Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, 2004 - dwalkschaop - zwerver, ontheemde; overdrachtelijk: iemand die de weg in het leven kwijt is. - toen hullie moeder dood waar, wierie en dwalkschaop - toen zijn moeder gestorven was, raakte hij letterlijk en figuurlijk ontheemd
- Gerard Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol, 2005 - We waaren ammòl schaope van de Goejen Hèrder èn zeeker gin dwalkschaope.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dwallegschaop - buitenbeentje, zwart schaap
- Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2009-12-02 - Toen hullie moeder dôod waar, wierie en dwalkschaop - ...raakte hij letterlijk en figuurlijk ontheemd
dwaolewerkwoord
dwalen
dwaolerzelfstandig naamwoord
iemand die door de natuur dwaalt
dwaollichtzelfstandig naamwoord
dwaallicht, glimworm
dwarsdrèèverzelfstandig naamwoord
dwarsdrijver
Illustratie: Johan Breuker
dwarsflèùter (Tilbörgsenaam
dwèèlzelfstandig naamwoord
dweil
Sticker van een carnavalvereniging. Tilburg maart 2019. Foto CuBra.
dwèèlewerkwoord
dweilen; van kroeg naar kroeg trekken; op straat zwalken
dwèèltòchtzelfstandig naamwoord
tocht langs een reeks kroegen door carnavalvierders dw ê epe werkwoord, zwak dwepen dwêepe - dwipte gedwipt; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij dwipt
werkwoord
dwinge dwingen