daamp
zelfstandig naamwoord

damp

- WBD III.2.1:218 damp rook, blaak
- WBD III.4.4:59 dampig - mistig
- WBD III.4.4:212 damp - damp, stoom
- WBD III.2.1:217 dampen - idem (werkwoord)
daamp
daander
  1. naam

    de andere, en dan met name de volgende

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier 81 06 11 - Behaa-haandel... Marylin Monroes behaatje/ is in daander week te koop./ Daor zulle kôopers zat vur koome/ God maag weete hoenen hôop.
    daanderdaanderdaanderdaanderdaander
  2. Voor hoeveel Marilyn Monroe's bh uit de jaren '50 in Lechims tijd geveild werd, is niet bekend. In 2009 kwam hetzelfde kledingstuk (zie foto) opnieuw onder de hamer bij Sotheby's en werd toen verkocht voor 5.200 dollar.

    - WTT; aanvulling 2021 - uitdrukking om daander week: tweewekelijks, om de twee weken
daank
zelfstandig naamwoord

dank

- Willems; Dialectenquête, 1887 - daank - dank
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 dank - wil, zin, welbehagen; tegen mijnen dank
daanke
werkwoord

danken

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - Dat dankt me de stoep!
- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - Dè-d-hangt me de koekoek!
- Hans Hessels; opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus, 2019 dè dankt me de stoep! dat is nogal wiedes, dat is maar heel normaal
- Willems; Dialectenquête, 1887 - daanke - daankte - gedaankt
daans
  1. zelfstandig naamwoord

    dans

    - Korvelse Revue; Vruuger en naa; advertentie, 1926 - Toneelspul, zang, meziek en daans
    - A.J.A.C. van Delft; Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek, uit de volksmond opgetekend; Nieuwe Tilburgse Courant, 1961 - Hij heeft de fieteldans gehad. Dit is de St. Veitsdans (dansziekte, zenuwaandoening).
  2. Promotiekaartje van website Tilburg.com.

daanse
werkwoord

dansen

- Willems; Dialectenquête, 1887 - daanse - daanste - gedaanst/gedaanse
- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - gedaansen
- A.J.A.C. van Delft; Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek, uit de volksmond opgetekend; Nieuwe Tilburgse Courant, 1961 - De horlepiep dansen. - Doet ons denken aan een merkwaardige ziekte, die in 1954 in een Engelse zeepfabriek geconstateerd werd bij zeepinpaksters, de zg. zeepinpaksters-horlepiep. Meisjes, die maandenlang niets anders doen dan elke minuut drie pakken zeep inpakken, gaan, buiten controle van de wil, rythmisch handen en voeten bewegen, terwijl het gehele lichaam heftig schokt. Het schijnt ongevaarlijk te zijn. Sommigen vinden de ziekte prettig. Het is net de Jitterbug (n wilde moderne dans), zeggen zij. Anderen menen, dat zij op deze wijze veel vlugger werken. Je kunt niet ophouden, als het je eenmaal te pakken heeft.
- Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven, 1954-12-11 - Hij daanste gewillig/ Den dôôd tegemoet... [De prent steunt een actie om het aantal verkeersslachtoffers in Tilburg terug te dringen.]
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Daor wier gedaanse op straot.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 73, Nieuwsblad van het Zuiden 1969-01-30 - "Als de vos oud wordt, dansen de kiepen (kippen) op z'nen rug". Het betekent, dat een oude mens energie verliest en zodanig wordt uitgerangeerd, dat zelfs degenen, die aanvankelijk als de dood voor hem waren, hun angst verloren hebben en met hem doen wat ze willen.
- Interview De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Dinsdag dan hèbbe we hier karneval. Daor geef ik niks om. Daor geef ik niks om. Ik kan niemer daanse!
daanse
daanser
zelfstandig naamwoord

danser (weeftechniek)

- WBD II:1069 - daanser danser; grote trede van de jacquardmachine
daanszaol
  1. zelfstandig naamwoord

    danszaal daaps bijvoeglijk naamwoord/bijwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 daaps - zot, niet goed wijs, futloos, suf; Daor wòr de daaps van - Daar word je zot van.
  2. zelfstandig naamwoord

    daas das (kledingstuk), insect

    - Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - oewen daas - je sjaal
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - daas - das: 1. halsdoek; 2. (stroperstaal) schertsende benaming voor strik; 3. proces-verbaal
    - WBD III.1.3:144 stropdas - stropdas
    - WBD III.1.3:147 - winterdas - dikke wollen das
    - WBD III.1.3:147 das - idem
    - WBD III.4.2:28 - daas - das (ook blinddaas)
  3. zelfstandig naamwoord

    daasspang

    - WBD III.1.3:146 - dasspang - dasspeld
  4. zelfstandig naamwoord

    daaw 1. duw

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Ze riepe durlôope èn-k krêeg unnen daaw.
  5. 2. dauw

    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - daauw - dauw
  6. 3. steenvruchtensap

    - WBD III.2.3:154 dauw - stijf steenvruchtensap, ook most, snot
  7. werkwoord

    daawe 1. duwen

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 daawe duwen; Daaw ut mar du de deur deur!
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - daawe
  8. 2. dauwen

    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - as et goed daawt, hoeft et niemir te rèègene
  9. werkwoord

    daawtrappe dauwtrappen. Op [bij voorkeur de eerste] zondag in de meimaand in alle vroegte ter voetbedevaart gaan naar het Mariabeeld in de Sint Jan in Den Bosch of naar bedevaartoorden in de omgeving. Daarbij ging de harmonie vaak voorop.

    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 dauwtrappen - mei-uitstapje in de vroege morgen
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 05 02 - 'n Zondag? Nèè, dan koom ik nie /Want ik moet mee de hèrmenie / Toch zeker daauw gaon trappen / D'n irste zondag van de Maai.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 04 27 - Ge ziet zondags 's mèrges al vruug / De hèrmenieje stappe / Om mee veul dorst, de trom vurop / Wir lekker daauw te trappe.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-05-08 - Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Lôôn of Beek.... Mar t is kepot...../ dauwtrappen is vort van de baon....../ dè hee jandoome afgedaon! [Deze prent werd gemaakt naar aanleiding van een hernieuwing (handhaving) van het oeroude verbod op katholiek getinte manifestaties op de openbare weg, meestal het processieverbod genoemd.]
    - Jodocus, pseudoniem van J. Stroucken, uit de bundel Toemet-hooi, Daauw-trappe, 1995
  10. Den daauw lag as purpere pèrels Te fonkele over de waai; In 't hout sloege vinke en mèrels En de leeuwerik schoot ut de haai. De koeie die kwame gelope Nèjschierig as koeje zèn; Mar ut vèreke docht: laon we hope Desse gaauw opgetrommeld zèn! In Osterwèk ginge ze kerke: Dès punt een van de dauwtrapperij. Daornao waar den dorst gaauw te merke En wier ut un gaauw-tapperij. Want ut bier smakt zo goed in de mèrge Nao un brojke meej zoute worst; En ge kunt van oew ège nie verge Degge thuis komt meej honger en dorst. Opgewekt, mar wè slap in de kuite Kwame ze 's middegs wir trug: De meziek ging zun buukske te buite En de daauw liep dun langs durre rug.

    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Mar jè, dan stonne de meense aatij hil vruug op èn dan ginge ze... Den êene ging meej de fiets èn, jè... Asser toen fietse waare mar zoveul waaren er toen die tèèd nòg nie èn dan ginge ze... Den êene ging meej de fiets mar ge had er enen hôop die te voet nòr Den Bosch ginge èn te voet trug...
dabbe
  1. werkwoord

    dabbe - dabde - gedabd 1. knoeien, morsen

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - dabbe - morsen
    - A.J.A.C. van Delft; Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1956-07-17 - Nog nu kan k me niet voorstellen, dat die man, toen hij nog zonnen dabber waar, ooit Adriaantje of Josje genoemd zou zijn. Dat bestáát nie! En dabben kon ie. Dat geknoei in en om zn duivenkooi zie k nog aan.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 33, Nieuwsblad van het Zuiden 1965-04-03 - Bv. de kleren met modder bevuilen. Wat gebeurt als kinderen met slijk of in het slijk zitten te "dabben" (knoeien). [...] Men kan eigenlijk met alles "dabben", met eten en zelfs met geld. Met dit laatste gebeurt het nog al eens bij parvenu's als ze het "onverdoens opmaken", dat is: nutteloos opmaken of over de balk gooien.
    - Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1985 - Ziezo. Naa kunde op oe slabbeke dabbe, zeevereer !!!
    - Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Dan mòkte we in et midde vant bòrd in de boerekôol en költje om de sjuu in te doen. Èn dan mar britse, meneer. Lèkker! Èn dabbe, èn prakke. Gin gepielie. Spaoje!
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 dabben knoeien, morsen, bv. met pap
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dabbe - knoeien
    - WBD III.2.3:9 - dabbe - morsen
    - WBD III.4.4:217 dabben - nat maken, ook pletsen
    - WBD III.3.1:209 verdabben - verkwisten, opmaken, vergooien, verbrassen
    - WBD III.1.2:96 dabben - morsen; ook zeveren, kliederen, muikelen
    - WBD III.1.2:97 - dabben - plassen met water; ook poeliën
    dabbe
  2. 2. graven; het met de voorpoten graven van een paard

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 33, Nieuwsblad van het Zuiden 1965-04-03 - Tenslotte kan ook een kat haar kuiltje "dabben" en een paard staat "te dabben" als het met de poten een kuiltje in de grond stampt.
    - Pierre van Beek; Oude schat van Postel te Mierde opgegraven, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-11-05 - Het ging hier maar even om 862 gouden munten van 1616 tot 1786, een gouden borstkruis en een prelaatsring van de Postelse abt Staessens. Het leed dus geen twijfel of men had uiteindelijk de historische "schat van Postel" gevonden zonder dat er enige fantasie aan te pas kwam. Of is dit misschien dan toch nog het verhaaltje van de Hollandse officier, die pastoor Dockx tijdens de Tiendaagse veldtocht in kwartier had? Diens paard zou toevallig hebben staan "dabben" boven de plaats, waar de pot met goud in de grond zat. Pastoor Dockx heeft het toen even warm gekregen, zodat hij de eerste gelegenheid aangreep om de pot met zijn kostbaarheden elders te verbergen. Nadien zou hij geen voldoende inlichtingen achtergelaten hebben. Zo zou de schat onvindbaar geworden zijn.
    - Jan Naaijkens; Dè's Biks, 1992 - dabbe graven
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 dabben met de voeten aanstampen
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dabbe(n) - 1. met de voorpoten al harkende graven; 2. wroeten, krabben
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dabben - al stampende met de voorpooten de aarde uitgraven, sprekend van paarden; gaan met eenen bijzin van moeite of onbehendigheid.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 dappen zeggen de bouwlieden om Breda niet alleen voor het maken van eenen kuil door de paarden, maar ook voor het maken van denzelven met mensehenhanden.
    - WBD III.4.2:68 - dabben - graven van een pijp (konijnenhol), ook buten genoemd
    - WBD III.1.2:73 dabben - een kuil graven
    - WBD III.1.2:74 dabben - wroeten
dabberd
zelfstandig naamwoord

iemand die dabt, knoeit

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 dabbert - knoeier
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dabber, dabbert, dabklôot - knoeier
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord; Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als..., maart 2013 -
dabbere
  1. werkwoord

    door water of slijk lopen

    - WBD III.1.2:162 - dabberen - met schoeisel door water lopen
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - dabberen - dabere, (daberde, gedabert) - met de handen of de voeten in water of slijk morsen; door water of slijk gaan zonder acht te slaan op schoenen of kleederen
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 dabben zich moeizaam voortbewegen over een slechte, modderige weg; ook wel: opzettelijk door het slijk lopen
    dabbere
  2. Sticker van een carnavalsvereniging. T ilburg maart 2019. Foto CuBra.

dabklôot
zelfstandig naamwoord

knoeierd

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-05-29 - Naa kunde op oe slabbeke dabbe, vergimmese dabklôôt...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-11-30 - Zit toch nie zôô te knelle, dabklôôt...
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2008-01 - wè zèède tòch enen dabklôot; ge kunt ok nôot es niks zèùver haawe
dabklôot
dabklutje
zelfstandig naamwoord

uit dabbe (morsen) en klutje (klootje - klein kind)

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-05-04 - Hedde wir in de Laai te ligge te meutele, dab-klutje...
dag
zelfstandig naamwoord

dag meervoud daog(e)

- Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - virtien daog, alle daog, dag en naacht
- Cees Robben; Prent van de Week; Rooms Leven, 1967-11-10 - We zen er vort van unne dag en unne vurmiddag...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 105, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-07-16 - "We eten alle daogen spek", zei de boer, "en 's vrijdags spek mee spijlen!" Met dit laatste gerecht voor de vroegere onthoudingsdag bedoelde hij vis. Spontaan komt hij in dit zinnetje tot alliteratie. Het volkse taalinstinct schijnt voor stafrijm zeer gevoelig te zijn.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 dag - meervoud daog
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 dag; spreekwijze den ou(d)en dag - de ouderdom met zijn kwalen.
dagvaardiging
zelfstandig naamwoord

dagvaarding

- WBD III.3.1:357 - dagvaardiging - dagvaarding
dak
zelfstandig naamwoord

dak

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - meervoud daoke
dakraom
zelfstandig naamwoord

dakraam soms niet onzijdig maar vrouwelijk

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 04 19 - En assie dur de dakraom kèèk / Was 't uitzicht aaltij inder.
dakschèèter
zelfstandig naamwoord

dakschijter; duif

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Dieje gruunteboer waar enne hille dikke vent. Hij waar veural bekend om zen dèùve. Hij is héél dikkels kampioen gewist op de lange afstand meej die dakschèters.
dallaas
zelfstandig naamwoord

ongemak, rompslomp

- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ongemak
- Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - hij is ermeej gedallaast - hij zit met de rompslomp
- WNT dalles; uit jiddish dalles - armoede (hebreeuws dalloet - armoede
dalve
werkwoord

dalven: onvast lopen, hier wegens dronkenschap

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 01 11 Ze dalfden over bielzen vort. [dronken mannen lopen op spoorbaan]
dam
zelfstandig naamwoord

erf bij het huis

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - dam - erf bij het huis, in bet. ongeveer gelijk met missem en werf maar iets eigendommelijker en meer afwerend gebruikt; iemand van den dam af schuppe.
dan derbij
bijwoord

- Informant Toine Raaijmakers - bovendien, daarenboven; èn dan derbij issie nòg gin virtien - en bovendien is hij nog geen 14
- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - èn dan derbij...
dancher
samentrekking

spellingsvariant alleen aangetroffen in:

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-03-23 - Sjuust, ik zie wel dechche nie zo lomp bent dancher uit ziet.
danneetel
zelfstandig naamwoord

brandnetel

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 danneetel - hennepnetel (galeopsis tetrahit)
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 163, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-11-22 - "Een verstandige kip legt wel eens een aai (ei) in de dannetels". We slaan hier twee vliegen in één klap: een volkswijsheid en een typisch woord uit onze streek. Een "dannetel" is wat men in het ABN een brandnetel noemt. Men kan het woord in onze contreien vooral op het platteland nog herhaaldelijk horen gebruiken. Het is een oud woord, dat we uit het Middelnederlands gehandhaafd hebben. Een kip geldt niet als een voorbeeld van intelligentie. Vandaar bv. ook al de uitdrukking: "Praten als een kip zonder kop", wat het uitslaan van onzin aanduidt. Het leggen van eieren behoort bij kippen tot het voortplantingsproces. Dit pluimgedierte verkeert echter in de ongelukkige omstandigheid, dat de mens er op uit is de gelegde eieren weg te nemen, waardoor onze kip telkens weer braaf nieuwe legt in plaats van te denken: als dat zó moet, schei ik er mee uit! Van de instandhouding der soort komt er zo niets terecht zolang de mens dat niet wenste. Wanneer we nu met een verstandige kip te maken hebben, dan zal ze haar ei in de brandnetels leggen om te voorkomen, dat de mens het weg neemt. Uiteindelijk betekent onze uitdrukking dan ook, dat iemand die doorlopend onverstandige dingen doet, toch wel eens een helder ogenblik kan hebben en dan een verstandige daad stelt.
- WBD III.4.3:329 - danneetel - brandnetel, ook prikkel of neetel genoemd
- WBD III.4.3:327 - dannetel - hennepnetel (galeopsis tetrahit)
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 dannetel - hennepnetel; meervoud danneitele(n)
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 dannetel - soort van onkruid (galeopsis tetrahit)
dannie
samentrekking

dan niet

daod
zelfstandig naamwoord

daad

- WBD III.1.4 daad - handeling
daog
naam

dagen

- WTT; toevoeging 2012 daogis verouderd; tegenwoordig is daoge meer gebruikelijk
daoge
zelfstandig naamwoord

dagen 1. werkwoord, zwak (op-)dagen 2. zelfstandig naamwoord, meervoud dagen; vroeger ook daog

daogeleks
bijwoord

dagelijks

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - daogeliks
daogs
bijwoord

daags, voor doordeweekse dagen

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 05 01 - In plaots van m'n daogse pet / hèk toen n fistmuts opgezet.
- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend Tilburg 1970 - Daags nao de mert komen, net as]an mee z'n kieviten. Daags na de markt komen, zoals Jan met zijn kieviten. Spreekwoordelijke vergelijking. [ kievit = draagmars van marktkooplui en marskramers]
daor
  1. bijwoord

    daar 1. als bepaling van plaats: daar, daarginds

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-02-13 - En wè vond ie daor..? / Alles vur m kaant en klaor.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-12 - Wörrom zum daor hôn neergezet
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-08-26 - Die worren daor bewaord.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-01-23 - Hier lotte wè, en daor vènde wè...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1966-04-01 - krek passeerde daor n medje...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-07-26 - Hier n douwke... Daor n klepke
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-22 - Daor zaate twee döfkes/ hil dicht bij mekaar...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-05-15 - Daor zwemmen gin vissen en paolingen
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-02-29 - Daor gao Sooike mee zn vrouw...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-03-02 - Dieje aauwe Sjassee daor...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-01-02 - Daor is Jantje Kapoen en Mie Tuureluut...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - van hierte toe daorte - van hier tot daar
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 daorlangs (zonder vocaalkrimping)
  2. 2. bepaling van tijd: toen

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-11-19 - Daor wieren zn pôôtjes zô muug as van lôôd.
  3. 3 . in een uitdrukking die gelatenheid uitdrukt

    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1973-05-19 - Daor staon we dan...
  4. 4 . in plaats van waar

    - Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - op dè gebied komt er iets te zien daor niemand èrg in hee
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Mar wèl stukskes over sjieke restaurants daor ge veur hil veul geld kunt gòn frèète.
  5. bijwoord

    daar

    - Voorbeeld op originele systeemkaart van Sterenborg - As ge dòr zèèt, moete dòr blèève.
Daor gin blène
  1. Jaans ha'ter laoter wel spèt van Mar ze hagge't irst gezee: Kènder mee d'n aovend-vierdaogse Lóóp ik fèn mee jullie mee. Mar al nao d'n irsten aovend Ha' Jaans d'r porsie al gehad Twee voete mee vol pèrse blène En toe d'r huid toe kliedernat. Toen ze de twidde'n aovend thuis kwaam Was ze vort himmol afgebraand D're meens zee langs z'n neus weg Stiekum van aachter zunne kraant: As gij oew bèène veul gebruikt Jaans Bevalt oe dè verrèkkes slècht Hoe koome't dègge op oewe mond dan Ok nie 's 'ne keer wè blène krègt?

    - Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 1994 - de blèèn stonde op zen haande
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 120, het Nieuwsblad van het Zuiden 1971-02-20 - Een aardig voorbeeld van overdrijving ligt in de uitspraak: "Den dieje, die zal ook geen bleinen op z'n tong krijgen". Ze slaat op een man, die weinig of niet pleegt te praten. "Blein" betekent "blaar".
    - WBD III.1.2:348 - blein - blaar; ook bleintje
    - WBD III.1.2:349 - brandblein, blein - brandblaar
    - WBD III.1.2:358 - blein, hondsblein - nagelbedontsteking
    - Hans Heestermans; Witte nog?, 1988-1994 - bleinen
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - blein - soort van harde bobbel in het vel, voortkomende van eene te groote drukking - ik heb mijne voet vol bleinen...
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - blein (blèèn) van blaar, opzwelling [balein wordt ook zo uitgesproken]
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - blein - blaar.
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - blein - die zijn gat verbrandt, moet op de bleinen zitten...
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - blèèn - blaar, blaren
    - WNT - blein - Thans vooral in Zuid-Nederland - gezwel, blaar, met eenig plaatselijk verschil van opvatting.
  2. 2. balein

    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1944-12-15 - We han thuis nog een héél stelletje aaw perreplus staon mee kepotte blène.
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 [moeder tegen haar dochter...] - t motte teugeswoordig ammaol steppinnen zèn, mar wij waren vruuger blij mee n kesjet mee blènen
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-09-11 - n Kesjet meej blèène..
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bleen, blijn - balijn, balein
    - WBD III.1.3:167 balein - balein uit het korset
daortunne
bijwoord

daar, daartoe, tot daar

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-08-14 - Van hiertunne toe daortunne...
daotum
zelfstandig naamwoord

datum

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - daotum, daotums
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - tèèd is gèld, zi den oober, èn hij tèlde den daotum bij de reekening
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - de mèlk is nie zuur, mar wèl oover den daotum
daoverjaanus
zelfstandig naamwoord

bevende man

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - doaverjanus - een bevende man
daoze
werkwoord

dazen, kletsen, zwammen

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-11-27 - Hij haauwt nie van klaozen/ Die raozen en daozen.../ Dè paast nie in deez dure tijen!
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 04 23 - Zò zaat de Peer irgiestere / Aon èèn stuk deur te daoze.
darteg
telwoord

dertig

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-10-01 - ..dè ze vruger mee dr dartig jaor pas begosse te vrije!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 2; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-10-08 - ..hij is nog mar n goeie dartig jaor oud, schat ik
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-10-17 - Vier en dartig jonge snuiters... - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-09-23 - Dartig weken - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-03-10 - vèèf en dartig jaor bij de Reiniging
- Willems; Dialectenquête, 1887 - dartig
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dartig, dertig
- WNT dertig - dartig
dartien
telwoord

dertien

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - den dartiende
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-07-09 - Ik geef dartien stuiver...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - twaolef aajer èn dartien köökes - een buitenkansje of meevaller
- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - den dartiende flöt - gezegde bij het kaarten, als er slechts twaalf troefkaarten uitgehaald worden
- Willems; Dialectenquête 1887 - dartien
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 dartien, telwoord dertien
- WNT dertien - dartien
daunloode
werkwoord

downloaden; van digitale bestanden

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn naa heej ze dus ôk vort ene kompjoeter. Kan ze mar surrefe. Èn daunloode al dèsse geleerd heej.
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn netuurlek op zene tèèd 'n netuurfilm kèèke èn ielegaale ceedees daunloode.
de
  1. naam

    lidwoord de

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - öt te diepte; hij graoft te kèùl
  2. naam

    Het lidwoord wijkt af van de normale assimilatieregels. In het mannelijk en vrouwelijk enkelvoud kunnen de demonstrativa vergezeld worden van het lidwoord als ze zelfstandig gebruikt worden: den deeze, de dees; den dieje, de die.

    - M.H. van de Ven; in: Nieuwe Taalgids XI:51,100,188 (1917) de(n) vóor eigennamen: den Harrie e.d.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 De wordt vóór eigennamen van mannelijke personen geplaatst. Ook voor namen van dagen als ze enkel voorkomen: hij gaat de maandag.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Dit lidwoord wordt hier veel in het spraakgebruik vóór die, deze en diergelijke woorden gezet. De ouden zeiden zelfs de eenigen, de sommigen enzovoorts.
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - de; soms voorafgaand aan een aanwijzend voornaamwoord: de dees
  3. toponiem Audioregistratie 1978 - Daor langs de Lonsewèg, langs de Grint, hè, daor moete eigelek nòg fondeeringe ligge! Ok van ene meule die daor ôot gestaon heej! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels) Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

  4. toponiem de Campina

    - Interview Jolen - 1978 En ik hèb nòg in, in, in, in de haaj ok en bietje gewèrkt, nou weet ik tòch niemer wè, wèllek dè dè isin de haaj zègge ze vruugerdès die kaant ammel èùt hè, boove Hilverenbeek èn zôo hèAcht Zaalegheede jè. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
    dede
  5. naam

    - WTT - De naam is afgeleid van 'Dè hèdde wèl es'. (2020)
  6. zelfstandig naamwoord

    Foto CuBra 2020. H eebreuws Hebreews

    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - zelfstandig naamwoord o.- Hebreeuws, onverstaanbare taal.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HEBREEÛWS(CH) bvw. - Dat is Hebreeuws veur mij - dat versta ik niet
  7. toponiem volksbuurt in Tilburg in de vroegere parochie Hasselt, deel van de 'Textielbuurt'; het gedeelte dat begrensd wordt door Hasseltstraat en Ringbaar Noord en Textielplein.

    - Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels (2015) - Mar Wieske Snuf, jè, die is pas dôod, hè! Want die zit daor in de, in de, ze zègge Jordaan! In, in de Hasselt daor zègge ze Jordaan teege, hè. Daor wont Wieske Snuf!
  8. zelfstandig naamwoord

    jòrgetij jaargetij(de), jaardienst (mis)

    - Stadsnieuws - In dees jòrgetij kunde veul wènd verwòchte. (170310)
    - WBD III.3.5:125) jòrgetij = jaargetijde
    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster, 1968) - JAARGETIJ - een dienst die bij de Roomschkatolijken jaarlijks voor de overledenen geschied.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2, 1958) - jo'rgetè, zelfstandig naamwoord, onzijdig. jaargetij, "jaarlijksche mis voor een of meer overledenen"
  9. zelfstandig naamwoord

    jòrke jaartje verkleinwoord van 'jaor', met vocaalkrimping

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'nieuwejorke'
  10. naam

    jòrleks jaarlijks

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - jòrleks (met vocaalkrimping)
  11. zelfstandig naamwoord

    jòrling jaarling

    - WBD eenjarig veulen, ook 'ènter' genoemd
    - WBD paard van een tot twee jaar
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2, 1958) - jo'rling, zelfstandig naamwoord, mannelijk. jaarling, paard dat één jaar oud is.
    - WNT JAARLING - dier (paard of rund) van een jaar oud
  12. zelfstandig naamwoord

    judje joodje, kleine jood

    - Karel de Beer; Tilburgse bijnamen (2000) - judje Moerèl = dokter Salomon Moerel
  13. zelfstandig naamwoord

    kêet, kitje keet, armoedige houten woning

    - H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - de Kêet - onderkomen van leproserie 'Den Èùlevlucht'
    - WNT - VII:2016: gewestelijk nog KETE (men schrijft gewoonlijk KEETE) Men schrijft ê, blijkens de hedendaagsche dialecten.
    - WBD - III.4.4:245 keet = lawaai
    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KEET hut;
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - ke.t, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'keet' - klein woonhuis, geringe woning
  14. zelfstandig naamwoord

    keetel ketel

    - Dialectenquête 1876 - kètel
    - H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'kittel'
  15. naam

    kanonbal kè ns, kènds bijvoeglijk naamwoord . kinds, dement

    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kƐns , bijvoeglijk naamwoord 'kends' (d.i. kijnds)
  16. zelfstandig naamwoord

    kènskènder kleinkinderen, kindskinderen

    - Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - Bewaor et mar vur oew kènskènder.
  17. zelfstandig naamwoord

    kèntje kantje

    - Cees Robben - Op t kentje aaf... (19780113)
  18. zelfstandig naamwoord

    kepèl , kepèlleke 1. kapel

    - Cees Robben - Gao delke merrege naor t kepelleke Ketooke..? (19570504)
    - Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): kepel
  19. naam

    toponiem

    - 1879 - Janssens, J., schoenmaker, in de kwakkel P 5. (Adresboek 1879 gemeente Tilburg)
    - 1879 - Melis, G., winkelier, in de kwakkel D 3. (Adresboek 1879 gemeente Tilburg)
    dededede
  20. zelfstandig naamwoord

    kwaklocht

    - WBD - III.4.4:38 'kwaklucht' = wispelturig weer, ook 'kwakkellucht, weer'
    - WBD - III.4.4:47 'kwakkelweer' = druilerig weer
  21. zelfstandig naamwoord

    kwakpôot N. Daamen - handschrift 1916 - "kwakpoot - vrouw met wat zwaren gang" kwalm zelfstandig naamwoord walm

    - WBD - III.1.4:384 'kwalm' = drukte
    - WBD - III.2.1:218 'walm' = idem
  22. bijwoord

    kwansèùs waarschijnlijk ontleend aan het Oud-frans. De etymologie is niet definitief vastgesteld. In de Tilburgse bewijsplaatsen: alsof er niets aan de hand is, terloops, tussen neus en lippen door

    - Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - Ge kekt kwaansuis den aanderen kaant in mar ge wit er wel mir van (10-01-1970)
    - Cees Robben - Zô mar gewoon... kwansuis... (19590530) - Cees Robben - Mar witte wet is... zeej Lewieke kwansuis.. (19590801)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 05 06 - D'n aop die kwaam pas uit de mouw / Nao aanderhalf uur / Ze zeej kwansuis: "De tassen zèn / In Brussel nie zò duur!
    - Henk van Rijen - kwansuis, schijnbaar, quasi
    - Piet van Beers Den Haon: Hij schudt zenne kop/ z'n vèère glimme/ èn zô nou èn dan/ ziedem kwansuis 'n kiep beklimme. (Spoeje doemmeniemer; 2009)
    - Stadsnieuws - Hij keek zôo kwansèùs es oover zene schouwer òf zij ok nòr hum keek (130110) Hij keek als per ongeluk over zijn schouder ...
    - Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln.; 1988-1994. - kwaksuis (III:13)
    - WNT - KWANSUIS - bijwoord ook wel kwanswijs
  23. werkwoord

    kwaoke kwaken

    - Dialectenquête 1887 Willems - kwaoke - kwòkte - gekwòkt
    - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kwòkt
  24. zelfstandig naamwoord

    kwaol, kwòltje kwaal

    - Interview met de heer De Kok (1978) Èn toen zèèk in dienst gemoete, ik was neegetien jaor, zèèk in dienst gemoete. Èn daor in dienst èn toen wèr ik afgekeurd, afgekeurd nie, mar ik kos men eige laote oopereere òn zon kwaol. Ik ha ene zwaoren breuk èn ik wies er niks van. Ik was neegetien jaor èn ik wies er niks van! (transcriptie Hans Hessels 2014)
  25. zelfstandig naamwoord

    kwart zelfstandig naamwoord

    - WBD - III.4.4:288 'kwart' = kwart el (= 17 cm), ook 'vierel', 'vierendeel'
  26. zelfstandig naamwoord

    kwartier

    - WBD - III.4.4:298 'kwartier' = vijf liter; ook 'kop'
  27. zelfstandig naamwoord

    toponiem, buurtschap Kwetterij, de; deel van de wijk Oerle Weekblad van Tilburg 18 juli 1867 Tilburgsche Courant 9 augustus 1874 Tilburgsche Courant 18 februari 1871 kwèttersteel veelpraatster N. Daamen - handschrift 1916 - "kwettersteel - veelpraatster"

    - WNT - KWETTERGAT, KWETTERKONT - vrouw die veel babbelt
    dededede
  28. toponiem De exacte lokatie is niet vastgesteld; alleen aangetroffen in een interview uit 1978:

    - Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - daor gingeme ok aatij voogeltjes vange De Mòsbrèmpt!! De Mòsbrampt brèmpt! Van hil die kontrije daor koste gij van de Biksewèg bij de irste waaj.. Nouw zit er De Kat meej zen febriek èn teegenoover zaat Franke vruuger
  29. naam

    toponiem stadsdeel van Tilburg: De Reeshof reeskak zelfstandig naamwoord diarree, schijterij

    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Ik lus t wel mar dan zèk zô aan de reeskak (diahree) en dan ist hard loôpe geblaoze. (17-10-1972)
    - WBD III.1.2:256 'racekak' = diarree
    dededede
  30. zelfstandig naamwoord

    rèèsplaank

    - WBD rijsplank (de plank - soms het deksel van de baktrog - waarop de bolrijs plaatsvindt)
    - WBD óp de rèèsplaank zètte - deegbollen wegzetten om deze te laten rijzen
  31. zelfstandig naamwoord

    rèèst rijst

    - Cees Robben - Prent van de Week - rèèstepap meej sèùker:
    - WBD III.2.3:137 'rijstepap', 'rijstpap' ,'rijstebrij', 'stijve rijst' = rijstebrij
    - WBD III.2.3:221 'rijstvlaai', 'rijstevlaai' = idem
  32. zelfstandig naamwoord

    rèèstepap rijstepap

    - Pierre van Beek - Rijstepap spreekt men uit met: "rèèstepap". (De ij trekt men al sprekend tot èè; de à tot áá.) (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)
    - Cees Robben - Bij Petrus aon de rééstepap...! (19550709) [In de Roomse folklore was rijstepap het gerecht dat in de hemel gegeten werd. Het werd gegeten met zilveren lepeltjes en men dronk er ambrozijn bij.]
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 11 02 - Alle heiligen zaate saome / Aon d'r bord mee rèstepap
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 11 01
  33. Alle hemelse Hèllige Vierde vendaog gròòt fist Omdè't vur ammol tegelèk Verjaordag is gewist. Ambrosius en Bèrnedèt Sint Jan en Bonnefaos Die zitte aon èèn taofeltje Saome mee Sindreklaos. Mee 'n zilvere leepeltje Eete ze rèstepap Ze kèke aaventoe omlèèg Laage d'r ège slap. "Wè zèn't daor onder stumpers war? Vèchte om 'n stuk bròòd Wörom? Want over honderd jaor Zèn z'òòk allemol dòòd." Arabis caucasica

    - WBD (III.2.1:430) rèèstepap = randjesbloem (Arabis caucasica)
  34. zelfstandig naamwoord

    reet

    - WBD III.1.1. lemma achterwerk - reet, Tilburg
    - WBD III.1.1. lemma bil c.q. dij reet, ook in Tilburg
    - WBD III.1.1. lemma aarsspleet reet, ook in Tilburg
  35. werkwoord

    rèève rijven, harken

    - Dialectenquête 1887 Willems - rèève - rêef - gereeve
    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "raiven - rijven (harken)"
  36. Meej ons moeder meej, om kokse te gaon raope op de gasfebriek. Ge kréégt dan zon harkske in oew haand, daormee moeste gij tussen de sintels de nog gloeiende kokse apart rèève. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - RIJVEN - harken, klouwen, ook raspen.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RIJVEN - reef - gereven - harken
    - WNT - RIJVEN (I) - 1) harken; 2) raspen
  37. rèèze w erkwoord, sterk rijzen, omhooggaan, zich oprichten

    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Mee deez weer mot ik aaltij rèzen, t is nie zô slecht mar ôk nie kaai-goed (09-07-1967)
    - WBD III.1.2:8 'rijzen' = omhooggaan; ook: stijgen, klimmen, klaveren
    - Dialectenquête 1887 Willems - rèèze - rêes - gereeze ook zwak?
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - RIJZEN (rééze), (iteratiefvorm: rijzelen) uitvallen van koren uit de droge halmen; ook gezegd van stof dat door kieren van de zolder naar beneden komt.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - re.ze(n) st. en zw (et reesde) ww intr. rijzen, afvallen resp. uitvallen (vooral v. bladeren en van zaad).
    - WNT - RIJZEN (II) Uit de hoogte omlaag gaan. In de alg. taal v. N.-Nederl. onbekend. A. (geleidelijk) naar de laagte gaan of komen van bijvoorbeeld bladeren, zaad, zand, stof, meel, gruis e.d. enz.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RIJZEN - nederwaarts bewegen, dalen, zachtjes naar beneden komen, neerwaarts glijden; glijden, baantje glijden.
  38. werkwoord

    rèèze reizen

    - Dirk Boutkan (1996) - rèèze, (hij) rèèst (blz.37)
    - Dialectenquête 1887 Willems - rèeze - rèèsde - gerèèsd
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GEREZEN: 3e hoofdvorm van 'reizen'; REES: 2e hoofdvorm
    - WNT - REIZEN - Naast het normale part. praet. gereisd komt in vulgaire taal door verwarring met het part. praet. van 'rijzen' veelvuldig de vorm gerezen voor.
  39. zelfstandig naamwoord

    rèèzeger

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - reiziger
  40. handelsreiziger, vertegenwoordiger

    - WNT - REIZIGER - 10) Hij die in dienst van en namens een ander cliënten bezoekt om opdrachten te verwerven, contracten af te sluiten en derg.; handelsreiziger.
  41. zelfstandig naamwoord

    rèffel rafel De rèffels hange deraon.

    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs Ge hoeft er nie mee te simmen al hangen de reffels aon oewen jas (17-10-1966)
    - WBD 'rèèfel' (II:1254) - rijfel, rafel
    - WBD III.1.3:14 'reffel' = rafel
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw.m. 'reifel', afgescheurde strook v. een of andere stof, ook wel strook in het algemeen, bv. een strook land.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - REIFELEN - rafelen, uitrafelen
  42. werkwoord

    rèffele rafelen

    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Mn nylons willen wel ladderen mar reffelen doen ze nie (23-09-1970)
    - Cees Robben - Oew broek is aon t reffele... (19770812)
    - WBD 'rijfele' en 'rèèfele' (II:1255) - rijfelen, rafelen
    - WBD III.1.3:16 'reffelen' = rafelen
    - WBD III.4.4:248 'rafelen' = rammelen (et rôozenhuuke afrèffele, WS) - WBD III.4.4:317 'reffelen' = vezelen
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zw.ww. ntr. 'reifelen', losgaan van draden van een weefsel, rafelen
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - REIFELEN - rafelen, uitrafelen; da' goed reifelt fel; ook RIJFELEN Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rèffele ww - rafelen
  43. zelfstandig naamwoord

    rèfke harkje

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - hij is wir binne mee zene zak èn zen rèfke - daar heb je hem weer!
  44. werkwoord

    regeere regeren ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij regirt

    - Dialectenquête 1887 Willems - regeere - regirde - geregird
  45. zelfstandig naamwoord

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. regeur strengheid, hardheid; regime, norm uitdrukking: Teegen et regeur in - tegen de draad (in), in de contramine, dwars

    - Cees Robben - De kender (...) zen tegen t regeur (19650507)
    - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - hij is aaltij teegenet regeur
    - WNT - verwijst naar het onvindbare RIGUEUR
    - Mnl.wdb - RIGUER - strengheid, meedoogenloosheid, hardheid, van ofra/fra. 'rigueur' lat. rigorem.
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - REGEUR v - regel, regime, strenge maatregelen (Fr. rigueur): tegen 't regeur in - weerbarstig, eigenwijs. - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw.o., 'regeur' - (wettelijk) gezag: teigen et regeur in.
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - regeur zelfstandig naamwoord - gezag
  46. zelfstandig naamwoord

    rejaol royaal, gul, vrijgevig

    - WBD III.5.1:219 'royaal', 'gul' = hartelijk
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijv.nw. 'riaal/reaal' - royaal
  47. zelfstandig naamwoord

    rejaoleghèd

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - goedgeefsheid
  48. rèk

    - WBD III.2.3:203 'rek' = bederf in het brood, ook 'derf', 'schimmel'
    - WNT - Rekken I, 4. Taai, kleverig worden, lijmen. Van bier en andere dranken, soms ook van brood. Alleen gewest. Dat zulk Bier, somtijds, na eenigen tijd gelegen te hebben aan 't rekken of lijmen raakt, Prijsvr. Ned. Huish. Maatsch. 1819, n° 170. Rekken. Wordt alleen gezegd van brood, dat te lang heeft gelegen en daardoor taai en dradig geworden is, DEK [1928].
  49. werkwoord

    rèkke rekken

    - Dialectenquête 1887 Willems - rekke - rók/ rèkte - gerèkt/ gerókke
    - WNT - REKKEN - De gewestelijk in Z.-Ned. voorkomende sterke vormen rok, getrokken zijn als secundair te beschouwen, wsch. onder invloed van de sterke vormen van 'trekken'.
    - Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rèkke ww - rikken (kaartspel)
  50. zelfstandig naamwoord

    reklaome werving(sgeschrift): reklaome in de brievenbus

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - reclame, klacht, bezwaar
  51. zelfstandig naamwoord

    rèksdòlder

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - rijksdaalder
  52. naam

    rèkst, rèèkst

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - rijkst
    - Dirk Boutkan (1996) - (blz. 35) rèèkst, maar met flexie: rèkste of rèèkste
  53. naam

    rèkstrôoj sterfbed

    - A.J.A.C. van Delft - "Hij ligt op rekstrooi" wil zeggen, dat iemand in financieele moeilijkheden verkeert en nog tracht zijn zaak zoolang mogelijk gaande te houden. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
    - Wie bij zijn suikertante het zó ver gebracht heeft, mag het beste hopen tegen de tijd, dat zij - helaas nogal "oneerbiediglijk" gezegd van een brave tante! - "op het rekstrooi ligt", d.i. "op sterven ligt". We nemen aan, dat bij deze laatste uitdrukking gedacht moet worden aan het stro, waarop men vroeger in de alkoven sliep en op het languitgerekt liggen, zoals dit bij een stervende meestal het geval is. Meer figuurlijk kan de uitdrukking gebruikt worden voor iemand, die in financiële moeilijkheden verkeert en tracht zijn zaak nog zo lang mogelijk gaande te houden. Die zaak is dus ook stervende en tegen de dood inworstelend, en men rekt het sterven. (- Pierre van Beek -Tilburgse Taalplastiek P 27-2-1965)
    - Èn agge op et rèkstrôoj ligt,/ dèt dan beheurlek mis is? (Henriëtte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blèève haawe, 2007)
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw.o. 'rekstro', reeuwstro: 'op z'n rekstrooi ligge' - op het strefbed liggen.
  54. werkwoord

    rèkt(e) reikt(e) tegenwoordige tijd/verleden tijd van 'rèèke', met vocaalkrimping rèmt, rèmde werkwoordsvorm; persoonsvorm rijmt, rijmde tegenwoordige tijd, verleden tijd van 'rèème', met vocaalkrimping

    - Cees Robben - Prent van de Week - 'grèès dè remt toch nie op sokken'
  55. zelfstandig naamwoord

    rèndje

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - randje
  56. óp et rèndje aaf - op het kantje af

  57. zelfstandig naamwoord

    zusters met witte vleugelachtige kap Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de vliegkappe = zusters van een bep. congregatie (blz. 98)

  58. toponiem De Zwaluw

    - Audioregistratie 1978 - Wij hadde giender in, achter in de Zwallem, Zwallem òn de Wòlwijksebaon, daor han we tweej, drie akkers. Die hèbbe we nòdderaand verkòcht, omdè we, de jonges zòchte gin boerewèèrek te doen. (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
  1. naam

    dat

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dè
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 K-wies nie dè dè dè betêekende. - Ik wist niet dat dat dat betekende.
    - Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - ...wóróm dè wij ...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1966-10-21 - ... zeure, dan om dees of dè...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-04-17 - ...dè witte war....
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 03 19 - Drik, ge wit dè dè nie maag.
    - Voorbeeld op systeemkaart van Sterenborg - aanwijzend voornaamwoord dè weet ik nie.
  2. 2 in uitroepen dè nie dè helemaal niet, in tegendeel

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 5; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-10-29 - Ik zeg nie detter in Wagner niks in zit, dè nie dè...
  3. dè nukt nie dat maakt niks uit derde persoon enkelvoud van neuken [Van de tegenwoordig algemeen bekende seksuele betekenis van neuken heeft deze oudere zegswijze niets van doen. Het betreft (zie WNT lemma neuken) de oudere, in Noord-Nederland vrijwel onbekende betekenis van hinderen.

    - Ed Schilders; WTT 2021 dè nukt de baoker nie - dat neukt de baker niet; dat is niet ernstig
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-12-22 - n Pond zaod vur mn vink... Wit of zwart, menneke... Dè-nukt-nie.. Zis blend...
  4. dè wèl dè inderdaad, zeker wel

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-01-22 - Öllieje Sjennie is n nèèch hundje... Dè-wel.. Hij is vernoemt flèènich..
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1969-08-15 - Mar den grôôtsten braand is er wel aaf... dè-wel-dè... [Op onze leeftijd doen we het seksueel wat rustiger aan]
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-02-20 - Naase dôôd.. t is sunt dè-wel-dè
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-02-22 - Jöllie moeder is wir oppenuut getrouwd, war... dè-wel...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1982-09-17 - Pierre Claessens die groet u/ Dè-wel-dè... dè doet ie [Prent ter gelegenheid van het afscheid van Pierre Claessens als chef van de redactie van het Nieuwsblad van het Zuiden.]
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1967-03-10 - dè kan na daorom toch wel zèn, ôk wel, dè wel, dè
  5. samentrekking

    dèt ok schèt ok dat het ook schijt ook; zich ergens niet meer druk over maken

    - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-04-03 - En hier kan ik mn èège toch zôô over opsteuke war... Mar och.. det-ôôk-schet-ôôk..
    - Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven, 1966-04-29 - Des naa veertien jaor geleeje...
    - Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven, 1968-08-09 - Des nog n aauwverwetse fèèn trip...
    - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-04-19 - Des aaltij al unne bonzjoerder gewist...
    - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-01-16 - Des lang geleeje dekkoe gezien heb...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 D-ès zo waor as de Lonse tram tuut - dat is zo waar als de Loonse tram toetert
  6. 4 samentrekkingen met persoonlijke voornaamwoorden

    - WTT; toevoeging 2021 dèk (dat ik), dègge (dat je), dèttie (dat hij), dèsse (dat ze), dèt (dat het), dèmme (dat we), dègge (dat jullie, meestal echter dè gullie), dèsse (dat zij; meervoud).
  7. dèk - dat ik

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-11-07 - Hij zeej dôôdgemoedereerd dek unne interessaante meens zèè... [interessaant = hebzuchtig, gierig]
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-04-02 - Ge denkt zeker dek den hemel vur unne doedelzak aon zie
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-11-07 - En dek nie gemak afschiet... [afschiete = geld geven]
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-03-13 - En toen viel ik op mn batterij, meneer dokter, en../ En naa denk dek munne/ startschroef heb begerbeleurd.
  8. dègge - dat je

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-03-13 - Wegge ruurt/ Degge meevuurt [Wat je aanraakt, dat moet je nemen]
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-04-24 - ...Wittte gij waor degge kattespauwbrokke kunt kôôpe..?
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-09-11 - Ik docht degge hier nie waart...
  9. dèt - dat het

    - Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - et rèègent dèt zèkt
  10. dèttie - dat hij

    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); column in Groot Tilburg, 1940 - t Is kollesaol, nor wie dettie den aord hee dè snap ik nie.
    - Naarus; (pseudoniem van Bernard de Pont); column in Groot Tilburg, 1940 - Mar t viel nogal mee, want nao drie daoge zwaor verdriet kwaamp er innen [een] brievekaort van Keese, as dettie t goed mokte en dettie al goeien aord begos te krège...
    - Piet Heerkens; De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941- Hoe slim is dieën beest/ dettie 't middeltje vond!
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-12-14 - Weffur moeite dettie deej...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-01 - Dn dikke die zeej dettie louw hô gevangen [bij het vissen]
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-12-22 - Hoe meer dettie uit doe hoe lillukker dettie wordt...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-15 - Swels dettie Dientje kuste...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-07-30 - Mn hundje is weggelôôpe (...) Ik denk dettie op kerwaai is (...) t is n menneke...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1974-03-08 - [Moeder over baby...] Ik denk dettie iets onder de lee-hee.. - Piet van Beers; t Kan saome gaon; CuBra, 2004 - Den irste keer dettie t prebeerde...
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekke; Deel 1, 2006 - Wij kèèke naor boven en zien ons Jaoneke öt et dakraom hangen en spouwen dettie doe. - Tony Ansems; Ons Oma Is Aangereden Deur Ene Schimmel; cd Tilburgse Liedjes, American Style, circa 1990 - Ook al doede gij nie in Sinterklaas geleuven/ Onze Opa, heeft bewijs, dettie bestaot...
  11. dèsse - dat zij

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-02-19 - Den lotweet desse is...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-11-16 - t Wordt tèèd desse dr opkuile...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1969-10-24 - Ze heeter gin èèrig in desse slaoi-beene heej...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-09-18 - Ik keek wel effenaaf toen ik zaag desse mn fiets gejat han...
  12. samentrekking

    dètter - dat er

    - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1972- 08-18 - Detter vuls te veul vrouwen op de wèèreld zen...
    - Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven, 1966-08-26 - Mn kumke wiegelt zôô detter de koffie uit-kwaanselt...
  13. dèkker - dat ik er

    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-04 - Diejen admiraol kan zegge wettie wil, mar 't za lang dure eer dekker iets van gleuf.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-09-11 - Ge ziet toch dekker zèè...
  14. dèkkoe - dat ik je

    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-01-16 - Des lang geleeje dekkoe gezien heb...
    - WTT; aanvulling Hans Hessels - variant op voorgaande citaat: lang gezien dèkkoe geleejen hèb
  15. dègget - dat je het

    - Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, Tilburg 2004 - ge dènkt dègget kunt, mar ge mòkt niks klaor...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-01-16 - ge ziet mar degget stelt...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1988-01-29 - t Is goed degget zegt.
  16. dègger - dat je er

    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-05-19 - Het mar ginne bange degger tussen uit nept, Jaon...
  17. dètjoe - dat hij je

    - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-08-11 - Pooit m naa mar vur detjoe bij oew lörve vat...
  18. dètter - dat het er

    - Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven, 1956-10-06 - Ze zeggen.. (...) as detter nie deugt... De meensen nie praoten... Mar knaauwen... [Prent ter gelegenheid van Robbens verhuizing van Tilburg naar Goirle]
  19. dèggem - dat je hem

    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-04-20 - As ge meej oewen èèremoei ginne raod wit... Dan zèède nie werd deggem het...
  20. dèssem - dat ze hem

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-11-06 - en ze wit dessem heej... [namelijk een vrijer]
  21. dèwwet - dat we het

    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-03-20 - Dèwet overmèèrege alwir gehad hebben...
  22. samentrekking

    dèwwer - dat we er

    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-10-03 - Ze stond er zôô breed bij mee dr braoi dewwer bekaant mee gdrieje aachter kosse...
  23. bijwoord

    met een voorzetsel: vurdè, nòdè, durdè, zodè, umdè met een voegwoord: asdè, irdè

    - Willems; Dialectenquête, 1887 - dèk, dègge, dè-ie, dèttie, dèsse, dèt (dat het)
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - gê daacht dèk dè nie wiest
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - dat; altijd uitgesproken als dè, soms als dètte
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - da (korte a); uitspraak van dat aan einde van een zin of vóór een woord dat niet met h of een klinker begint
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 Dat neemt in deze streken dikwerf op het einde de letter aan, waarmede het volgende woord begint, zoodat het daarmede één woord schijnt uit te maken. Bijvoorbeeld dagge, damme (dat men). Zie wijders dagge.
De Tilburgse Koerier
naam

't Schènt gelèk te schène "Wè's Tilburgs toch 'n rèke taol" Zee list nog onze klène 't Is nie allèènig schòòne schèn Mar alles kan hier schène. Ons moeder hee'get aaltij druk Zò gaauw de zon gao schène Dan zee'se: "Ik maok nòòt echt schòòn, Mar 'k waas wél m'n gerdène." Dè duurt dan unne gaansen dag 't Motte nuuwe schène Mar gij kunt vur zò'n oope raom Nòòt oewen draai goed vène. As iederèèn naor binne gaopt Raokt oew meegaondhei tène Dè vènd ze gek, omdè gij dan Gaot foetere en schène. Overige bronnen

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - (n) zw.ww. (verl. dw. 'geschänt'), tr. 'schaennen' d. i. 'scheinnen' - scheinden, schenden.
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - schaene - schelden
- WBD III.3.1:300 'schenden','uitschenden' = uitschelden
- WBD III.3.1:301 'schenden' = schimpen
- WBD III.1.4:237 'schelden' = razen en tieren
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHENDEN, SCHENNEN, met een zaak als voorwerp: beschadigen, leelijk maken, bederven.
dèddele
werkwoord

knoeien, sudderen

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dèddere sudderen; vur mèn meuge ze nèt zo lang dèddere tòt ur rôome van komt - wat mij betreft mogen ze wachten tot ze een ons wegen [voor mij mogenz e net zo lang sudderen tot er melk van komt]
- WBD III.4.4:09 - dedder - dril, ook druddel
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 dedder, zelfstandig naamwoord - dun slijk, modder
dèddere
werkwoord

knoeien, sudderen

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dèddere sudderen; vur mèn meuge ze nèt zo lang dèddere tòt ur rôome van komt - wat mij betreft mogen ze wachten tot ze een ons wegen [voor mij mogenz e net zo lang sudderen tot er melk van komt]
- WBD III.4.4:09 - dedder - dril, ook druddel
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 dedder, zelfstandig naamwoord - dun slijk, modder
dee
werkwoord

deed; verleden tijd van doen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - ik/hij dee/di, gij deed/dit, wij/zij deeje/din, gullie deed/dit
dêeg
zelfstandig naamwoord

deeg (om te bakken

- WBD deel II.1 Huisslachter en bakker geeft voor Tilburg nog onderstaande begrippen. In dit deel gebruikt het WBD een fonetische spelling; die spelling is door Wil Sterenborg aangepast - dêegtròg - baktrog (kuip voor eerste bewerking van deeg) - dêegkòrst - krabsel (deeg dat zich aan de zijkanten en op de bodem van de trog heeft vastgezet) - zuurdêeg, zoerdêeg - zuurdeeg (door gisting verzuurd deeg) - verrèkten dêeg - te lang gerezen deeg - kepòtten dêeg - ongeschikt deeg (dat niet wil rijzen) - schraolen dêeg - uitgedroogd deeg (gezegd van slecht deeg) - beschèùtdêeg beschuitdeeg.
dêegmesjien
zelfstandig naamwoord

- WBD - mengmachine voor deeg
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 dêegmesjien - kneedtrog
deej
werkwoord

deed; verleden tijd van doen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - ik/hij dee/di, gij deed/dit, wij/zij deeje/din, gullie deed/dit
dèèk
zelfstandig naamwoord

dijk, dijkje

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 150, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-03-17 - Volkse wijsheid wordt vaak in plastische vorm gegoten, waarbij de verbondenheid aan eigen milieu sterk spreekt. "Als ge het met werken moet verdienen, zult ge geen land over den dijk kopen!" noteerden we. Met "land over den dijk" wordt land over de Maas in de polder bedoeld. Dat is kleigrond en dus heel wat beter dan de weinig vruchtbare Brabantse zandgrond van weleer.
- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1976 - Tussen duin en dèk. Tussen duin en dijk
- Jan Naaijkens; Dè's Biks, 1992 - dèèk - dijk; niet alleen voor waterkeringen, ook voor enigszins verhoogde wegen
- WBD III.3.1:396 dijk heerbaan, grote, brede weg; ook baan genoemd
deekatieseere
werkwoord

decatiseren (textielterm); het laken zo bewerken dat er een glans op blijft

- WBD II:1056 - deekatieseere - decatiseren; ook deekazeere
deeke
zelfstandig naamwoord

deken meervoud: deekes dêel zelfstandig naamwoord deel, part, erfdeel, dorsvloer - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - Ze wil dr déél hebbe mar ik zè nie mesjokke waant ze hee al unne slodder gekregen [slodder - veel geld] - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dèèl - deel, dorsvloer Theodoor Rombouts - Kaartspelers - 17de eeuw

dêele
werkwoord

delen, schikken vocaalkrimping in tegenwoordige tijd; gij/hij dilt, en in verleden tijd dilde(n)

- WBD III.3.1:187 - delen - schikken (bij een erfenis)
- WBD III.3.2:172 delen - kaarten ronddelen, ook geven, afgeven
- Willems; Dialectenquête, 1887 - dêele - dilde - gedild
dêele
dêen of daander
  1. zelfstandige uitdrukking het een of het andere; een of ander

    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Nèt as toen die lui, nèt as die van, van Kessels. Ge had aaltij hier of daor meense die mòkten en môonieka òf dêen òf daander instruumènt èn zôo. En dè zèn ok wèl plòtse dèsse zon klèèn konsèrtje bè mekaare kosse krèège, zak zegge, meej en paor man.
  2. naam

    dèèrf Van Dale - derf = ongaar of klef (van brood)

    - WBD III.2.3:203 'derf' - bederf in het brood, ook 'bederf', 'schimmel', 'rek'
    - WBD III.2.3:204 'derf' = niet doorbakken brood, ook 'klef', 'klei'
  3. zelfstandig naamwoord

    dèèrm darm

    - Dialectenquête 1876 - dêrm (lange ê)
    - Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - : het verkleinwoord = dèèremke (blz. 16, 51) meervoud: dèèreme
    - WBD III.1.1:200 'darmen' = ingewanden
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, Brussel 1936 - DARM - zelfstandig naamwoord.Van menschen of dieren; 't woord is zeer plat.
  4. pijp, tuinslang

    - WBD III.3.1:335 'darm' = brandslang, ook genoemd: 'brandspuit of ader'
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 - DARM, DERM (uitspr. darrem) - lange dunne pijp of buis van leder of lood: de dermen van 'en brandspuit.
    - WNT DARM, derm - 4) Bij vergelijking, in Z-Ndl.: lange, dunne, buigzame buis of slang.
dèèrme
  1. zelfstandig naamwoord

    darmen, ingewanden

    - WBD III.1.1. lemma ingewanden - frequent noordelijk Tilburg
  2. naam

    dees, deeze deze; dit deze: dees kènder; dees tòffel, dees straot, deeze waoge, deezen dag dit: dees kèènd, dees stròtje

    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945 - Den eene zom dees en den aander zom dè, mar 't za naa niemir noodig zèn.
    - Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven 1966-10-21 - ...zeure, dan om dees of dè...
    - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-01-30 - Ik zèè dees jaor feftig jaor stikkedoor...
    - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1974-04-19 - Zèn dees aaier vors, baos..?
    - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-06-?? - Bij dees heerlijk jubileum heurt gatsamme n Te Deum
    - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-02-10 - En naa mee dees schuupke spaoide één spit diep n enkelt gat...
    - Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven, 1960-05-06 - Dees buske blommen/ Is vur jou...
    - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1976-06-12 - Mee dees [mooi] weer laot ik munne borstrok en boezeroen mar is uit...
  3. zelfstandig naamwoord

    T-shirt met reclame voor de Kringloopwinkel Tilburg (2018). Foto: CuBra.

    - Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, 2004 - deeze kaant - bezuiden de spoorlijn [in tegenstelling tot het Tilburg benoorden de spoorlijn: geene kaant]
  4. een bepaald iemand die eerder genoemd is; alleen met betrekking tot mannen; als het een vrouw betreft is de constructie eenvoudigweg heur.

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-11-06 - Om meej dn dieje te kunne akkerderen (...) moette schaopebloed hebbe...
    - WTT, aanvulling Hans Hessels, 2021 den deeze werd ook gebruikt ter vervanging van ik of mij als iemand over zichzelf spreekt.
    - WTT, aanvulling Ed Schilders, 2021- een combinatie van de aanwijzende betekenis deze en die werd in de jaren 60 nog gebruikt in een ritueel onder schooljongens die dreigden met elkaar ruzie kregen, en tegelijk om een dergelijk gevecht te vermijden. Een van de jongens stak dan een vuist op en zei: Ziede dn deeze? Zonder het antwoord af te wachten volgde dan de andere vuist met de mededeling Dès n bruur van dn dieje.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dedeze, dendeze(n) (mannelijk); dedees (vrouwelijk); (he)tdees (onzijdig) deze; dendezen is mijn bruur
    - WNT deze - dees
dèèrve
werkwoord

missen dèèrve dierf - gedörve

- Een roestpraatje; Weekblad van Tilburg, 1867-10-05 - En daor en up spinningen kan i zen wammis niet derven. [op een feestje voor ongehuwde jongelui kan hij zijn zondagse wambuis (hemd) niet missen]
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - missen
deestij
bijwoord

samentrekking van deze + tijd

- In Van de Schelde tot de Weichsel; deel 1, 1882; Een roestpraatje; Weekblad van Tilburg, 1867-10-05 - De s deestij s jaors toch geenen stiel van doen [geannoteerd als op dit getijde van t jaar]
deeting
zelfstandig naamwoord

dating; afspraken maken (op het internet)

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik doe veul kèèke nòr deeting. Wittenie? Dègge dus kunt aafspreeke meej n vrouwke.
deezjeneeke
  1. zelfstandig naamwoord

    ontbijtstel; uit Frans un déjeuner; deezjenee met verkleining

    - Ed Schilders; WTT 2012 - niet als zodanig opgetekend maar zie:
  2. zelfstandig naamwoord

    dèk

    - WBD paardedeken (tegen de regen of als het paard zweet); Hasselt
  3. werkwoord

    dèkke dekken

    - Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend Tilburg 1950 - Veel moeten dekken en schijten. In stilte veel hulp verlenen.
    - WBD III.4.2:25 dekken; ook bespringen, rijden
dèkker
zelfstandig naamwoord

(dak)dekker

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - " t is zo als t valt", zei den dekker. "Het is zoals het valt", zei de dekker. Zeispreuk. Dit is een uiting van berusting of fatalisme.
dèkske
  1. zelfstandig naamwoord

    dijk, dijkje

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 150, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-03-17 - Volkse wijsheid wordt vaak in plastische vorm gegoten, waarbij de verbondenheid aan eigen milieu sterk spreekt. "Als ge het met werken moet verdienen, zult ge geen land over den dijk kopen!" noteerden we. Met "land over den dijk" wordt land over de Maas in de polder bedoeld. Dat is kleigrond en dus heel wat beter dan de weinig vruchtbare Brabantse zandgrond van weleer.
    - Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1976 - Tussen duin en dèk. Tussen duin en dijk
    - Jan Naaijkens; Dè's Biks, 1992 - dèèk - dijk; niet alleen voor waterkeringen, ook voor enigszins verhoogde wegen
    - WBD III.3.1:396 dijk heerbaan, grote, brede weg; ook baan genoemd
  2. zelfstandig naamwoord

    dekje, dakje

    - WBD onderzadel; vilten of kussenachtig geheel dat onder het paardezadel ligt (in Hasselt)
dèl
zelfstandig naamwoord

del vrijwel altijd van toepassing op vrouwen, bij Daamen echter verrassend opgetekend voor de man:

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - del - ge bent ne viezen del; vuile man, jongen
- WBD III.2.2:113 del - zedelijk slecht meisje
- WBD III.4.4:145 del - dal
- WNT - del - slonzige vrouw, slons, sloerie, slet
dèlk
naam

alleen in gebruik als reactie of dooddoener op de vraag wèlk?

- Aantekening op systeemkaart Sterenborg; Informant Toine Raaimakers; datum onbekend - Als correctie op het niet met-twee-woorden-spreken luidt soms [op] het vraagwoord welk? (wat?) het antwoord dèlk! (dat!)
deluuvie
  1. zelfstandig naamwoord

    verbastering van de verouderde geologische naam voor het pleistoceen: diluvium. Tijdens het diluvium zou de zondvloed hebben plaatsgevonden, waardoor deluuvie ook in gebruik lijkt te zijn geweest als beeld voor wateroverlast. van een oudere generatie, iets dat, of iemand die ouderwets of verouderd is

    - Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1969 - Dat is er nog een van d'aaw deluvie. Dat is er nog een van de oude deluvie. Dat is iemand van de oude stempel.
    - Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, Tilburg 2004 - aawluuvie - van de oude stempel; van vóór het diluvium (de zondvloed).
  2. wateroverlast

    - Frans Verbunt zondvloed; uit Frans déluge [zondvloed]
    - Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, Tilburg 2004 - deluuvie - zn - zondvloed (Fr: le déluge). Ze ha meej et dwèèle de kraon oope laote staon èn dè wier me toen toch en deluuvie: ze had bij het dweilen de waterkraan open laten staan en dat werd toen toch een natte boel!
    - Ed Schilders; WTT 2021 Een bewijsplaats voor de natte boel wordt niet gegeven. Mandos tekende deze situatie op voor Breda in 1892: 'n Ware deluvie. Een ware deluvie. Een echte zondvloed; als er grote lekkages waren of met veel water geknoeid werd.
demastmesjien
zelfstandig naamwoord

damastmachine, weefgetouw om damast te weven

- WBD II:1038 demastmesien - damastmachine
dèmpeg
zelfstandig naamwoord

kortademig, aamborstig

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-03-07 - k Waar n weltje trug zôô dempig/ kort van ossum...
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2007-10-10 - As ge veul in de stobber moet wèèreke, dan wòrde op den duur dèmpeg. - Als je vaak in een stoffige omgeving moet werken, dan word je op de duur kortademig.
- Jan Naaijkens; Dè's Biks, 1992 - dèmpig - kortademig
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dempig (in de Kempen ook dampeg), kortademig, kortborstig
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 dempig, dèmpeg - Dampig in den zin van aamhechtig; opgezwollen van het veel eten. Gezegd van paarden en menschen.
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 dempig voor dampig, doch alleen wanneer van een aamborstig paard gesproken wordt.
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 dampig, dèmpig - (van paarden en mensen gezegd) aamborstig, kortademig
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dempig, kortademig, aamborstig (van paarden en mensen)
- WBD - dèmpeg - kortademig (bij paarden)
- WNT - dempig - aamborstig, kortademig
Den
  1. zelfstandig naamwoord

    Centrale Werkplaats der Nederlandsche Spoorwegen uit Frans atelier; werkplaats

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Hij heej fifteg jaor op den atteljeej gewèèrkt.
    - Karel en Sjarel; Groot Tilburg, 1945-05-25 - Kekkis Karel, veronderstel dè gij den bisten wèver bent van hil Tilburg en ikke den bisten wielendraaier van hil den Ateljee.
    DenDen
  2. naam

    De oorspronkelijke uitspraak rijmt op bier

    - Anoniem; Tilburgs folklore; n Kaoi rikkemedaosie, Nieuwe Tilbugsche Courant 1959-11-19 - Buur Jaonus ha okkal zo dikkels gezee, k Zallet is vur oe probeere op den atteljeej, (...) 's-Maondags smerrigis stapte Nillus mee hart en ziel, Naor den atteljee, mee kruik en unne nuuwe blauwe kiel.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006- Die rotmoffen waren de werkplaots van de Nederlandse Spoorwegen aon et opblaozen, den ateljéé hiete dè bij ons.
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den atteljeej - Centrale Werkplaats van de NS
    - WBD III.3.1:213 - atelier, werkwinkel, werkplaats atelier; uit Frans atelier - werkplaats
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 atelier - Hij werkt in Tilburg op den atelier (van de N.S.)
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - atelier ateljé werkhuis; op nen ateljé werken. Met den ateljé bedoelt men te Leuven de werkhuizen van Dyle et Bacalan.
  3. zelfstandig naamwoord

    de vakbond

    - Interview met de heer De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Toen is den Bond gekoome! Toen hèb ik daor men eige vur gespanne... vur den Bond!
  4. lidwoord de de n wordt ingevoegd om de woorden te verbinden; den wordt dus uitgesproken als dn.

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - As dè lukt, dan kalleft den os. - Als dat lukt, is het een wonder.
  5. naam

    toponiem De Uilenvlucht, deel van Korvel; en titel van een scène uit de Korvelse Revue Vruuger en naa, 1926.

    - Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - We gingen dur den Uilenvlucht,/ Aachter nor 't Korvelsch Huukske
    - Anoniem; Tilburgsche Courant 26-7-1894 - Bij het hevig onweder dat Maandagavond boven Tilburg woedde, sloeg de bliksem in eene woning aan den Uilevlucht. Het hemelvuur verzengde de haren van eene vrouw, die het voorrecht zegt te bezitten aan andere menschen de toekomst te voorspellen, kwetste het kind dat ze op den arm droeg en verschroeide zegt men een spel kaarten dat de vrouw bij zich had. Nademaal de meeste harer bezoekers twijfel zijn gaan opperen omtrent hare bedrevenheid in de zwarte kunst, heeft zij zich zulks zoozeer aangetrokken , dat ze zich in de residentie-stad zal vestigen. Men vreest terecht , dat nu nog meer omtrent de plannen van het Ministerie zal verteld worden dat niet waar is".
den - aonrècht
zelfstandig naamwoord

aanrecht, het

- aonrecht à ònrècht à òrècht à òrecht à òrcht
- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Zet et mar op den òrècht.
- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Ze stond òn den òrecht. - Ze stond bij het aanrecht.
- Mandos - Brabantse spreekwoorden: zie mar is dègge de schootels onder den òrecht krèègt (v- Dialectenquête 1887 Willems - (Tilburgse Taalplastiek 1970) - aansporing om met het werk voort te maken
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - ze stin òn den òrecht
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - der stòn kaojkes in den òrecht
- Jan Naaijkens, Dè's Biks: 'orricht zelfstandig naamwoord - aanrecht
den Biest

toponiem Biest-Houtakker

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Biest-Houtakker
Den Bos
zelfstandig naamwoord

Den Bosch, s-Hertogenbosch

- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1950 - In Den Bosch op de wal schifjen mag ook niet en dat doen ze ook wel. Reactie van iemand die bezig is met iets dat niet mag en daarop geattendeerd wordt.
den onze(n
zelfstandig naamwoord

echtgenoot; dus gezegd door een vrouw [een man zou over zijn echtgenote zeggen: die van ons]

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-11-06 - Ik en dn onzen
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-04-16 - Wek van den onzen krèèg...
denaop
samentrekking

de aap de n wordt ingevoegd om het lidwoord te verbinden met het zelfstandig naamwoord

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-11-21 - [Onderwijzer tegen leerlinge...] Maaike... noemt na is ennigte naome van diere die meejen N begiene... Denaop, denos, denezel, en denuil, mister...
deneezel
samentrekking

de aap de n wordt ingevoegd om het lidwoord te verbinden met het zelfstandig naamwoord

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-11-21 - [Onderwijzer tegen leerlinge...] Maaike... noemt na is ennigte naome van diere die meejen N begiene... Denaop, denos, denezel, en denuil, mister...
denèùl
samentrekking

de aap de n wordt ingevoegd om het lidwoord te verbinden met het zelfstandig naamwoord

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-11-21 - [Onderwijzer tegen leerlinge...] Maaike... noemt na is ennigte naome van diere die meejen N begiene... Denaop, denos, denezel, en denuil, mister...
dèngbaor
zelfstandig naamwoord

denkbaar verandering van k in g; vergelijk bèngske in plaats van bènkske Houten beeld van Dionysius uit de zeventiende eeuw; uit bezit van Kolveniersgilde Sint-Dionysius

Denies
  1. naam

    de heilige Dionysius (van Parijs)

    - Ed Schilders; WTT 2012 - De naam Denies (de s wordt al dan niet uitgesproken) is de Nederlandse variant van het Franse Saint Denis (de s wordt in het Frans niet uitgesproken). In Vlaanderen en Nederland werd de naam van de heilige ook wel geschreven als Denijs, met als gevolg dat de naam ook met een ij-klank werd uitgesproken. Sint Dionysius is de stadspatroon van Goirle en Tilburg, maar ook patroonheilige van de parochies Heike, Goirke en Korvel. De R.K. Werkliedenvereniging (1896-1921) werd naar hem vernoemd, evenals het Kolveniersgilde dat in 1665 werd opgericht. Uiteraard heeft hij ook een straatnaam.
    Denies
  2. naam

    Dionysius in het portaal van de kerk van het Heike (links) en in het 'Norbertijnenpoortje' bij de kerk van het Goirke. Foto's WTT. Aankondiging van de opening van Leesbibliotheek St. Dionysius, 1909. Rechts: scène uit de Tilburgse revue Nostalgie in Tivoli (2007) met Dionysius en 'Jan kopaaf' de volksnaam voor de onthoofde Johannes de Doper in Goirle.

    - Ed Schilders; WTT 2012 - Volgens de legende stierf Dionysius in de derde eeuw de martelaarsdood als bisschop van Parijs. Hij werd onthoofd op Montmartre (Berg van de martelaar), maar nam niettemin zijn hoofd op en liep door tot de plek waar nu de kathedraal van Saint-Denis staat. Dionysius wordt daarom vaak afgebeeld zonder hoofd op de schouders maar terwijl hij het in de handen houdt. Modernere afbeeldingen zijn minder macaber en laten hem zien met twee hoofden, het afgeslagen hoofd wordt dan vaak afgebeeld op een schild. Zijn feestdag is 9 oktober.
  3. Kees Mandos

dènk
samentrekking

denk ik

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-03-13 - En naa denk dek munne startschroef heb begerbeleurd.
dènkdènk
dènke
werkwoord

denken dènke - dòcht - gedòcht

- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1966 - Denken en gissen kan wijd missen. Denken en gissen kan ver missen. Reactie op: "Ik denk.... ik denk..."
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 in 2e pers. en 3e pers. enk. presens wordt in het cluster nkt de k verzwegen - dèngt
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 - hij heej gezeej dèttie òn me zal dènke
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - zw.ww. - docht - gedocht: denken
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 - GEDOCHT, in 't W. ook GEDOECHT: 3e hoofdvorm van 'denken'
denòs
samentrekking

de aap de n wordt ingevoegd om het lidwoord te verbinden met het zelfstandig naamwoord

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-11-21 - [Onderwijzer tegen leerlinge...] Maaike... noemt na is ennigte naome van diere die meejen N begiene... Denaop, denos, denezel, en denuil, mister...
dèr
bijwoord

daar

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken, feuilleton in 10 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - En gij ne klont boter, dèr dan!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken, feuilleton in 10 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - Staank veur daank, dèr, dès alles!
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - der (al of niet met veel klem gezegd) daar; Kreeg ik dien appel? Dér heddem., respectievelijk Der héddem!
- WNT der - bijvorm van daar; met klemtoon: daarheen, daar, alleen in de verbinding her en der; hierheen en daarheen, hier en daar
der
  1. bijwoord

    daar, er

    - Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - der was is - er was eens
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 als objectsencliticum: -er / -der
  2. naam

    haar, hun haar

    - Wil Sterenborg; aantekening op systeemkaart, ongedateerde citaten ui prenten van Cees Robben; - dan haawt ze meej der kènder saome! ze haawt deren pôot stèèf ...
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - durren vrêier is èrg ziek; ê als in gête (geiten)
  3. hun

    - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden 1983-10-07 - de miste kasteleins dôope dere sneevel...
der onder gaon

uitdrukking begraven worden

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1975-07-04 - Of ge naa begraove wordt in n kiest van waai-bôôme-hout of van èèke... dr onder gaode...
derbij
bijwoord

daarbij

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-01-19 - En dan durbij vraog ik mn ège wellis aaf of...
dèrde
zelfstandig naamwoord

derden

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1968-11-01 - khem tegen t derde verzekerd mar hij is nog alle riks werd... [Robben gebruikt het woord in combinatie met verzekeren van een auto: verzekerd tegen aansprakelijkheid door derden. alle riks = all risk.
Derde persoon enkelvoud - hij / het kwam (P als hiaatdelger

...en tegen den aovond kwaamp ie er aon. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; t Spook; Nieuwe Tilburgsche Courant 3-1-1940) ...en gin meensch kwaamp er naor buiten. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; Nieuwe Tilburgsche Courant 15-10-1938)

Derde persoon enkelvoud - hij / zij / het kwam

Geen meens kon overigens zeggen, waor al dè geld vandaon kwaamp... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940) Mar al gaaw kwaamp ze omhoog gekrope (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 9 februari 1945) Zoo kwaamp het... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) Asser mèrgen aon den dag 'n Regeering kwaamp van enkel engeltjes dan stinten er overmèrge toch nog ingezonde stukke in de kraant omdè de vleugeltjes van de engeltjes niet wit genog ware (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 6 april 1945) SJAREL. Nèè, hij [een politie-agent] kwaamp vraoge of dek 'n vergunning ha om bloemwinkeltje te speule! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 20 april 1945)

Derde persoon meervoud - zij kwamen
  1. zelfstandig naamwoord

    het komen = bij de geboorte

    - 2020 - Wanneer een baby of kindje er erg slecht uitziet: - die heej veul geleeje meet koome! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: KLIK HIER )
  2. kôon

    - WBD - III.1.1:84 'koon' = jukbeen
  3. kôonegin koningin

    - Karel de Beer; Tilburgse bijnamen (2000) - de kôonegin van de waaj (Pieta Melis) (blz. 54)
  4. zelfstandig naamwoord

    kôoning koning Cees Robben: dan wil ik kôoning zèèn

    - Dialectenquête 1876 - den könning is rêk (ö van dörpel)
  5. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): de kôoning zene zoon is ók sòldaot gewist

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 23) kôoning
  6. Kôoningswaaj toponiem ook: de Waaj Tilburgse volkswijk die tijdens de vernieuwing van het stadscentrum verdwenen is; het gebied grenzend aan de oostzijde van het Paleis Raadhuis

    - Twee oude vrouwtjes uit de Koningswaai stonden gisterenavond te bibberen bij de generale repetitie en bij het (weer) zien der Duitse uniformen merkte een harer op: "Jè, zò was 't krèk. Wè gonge ze toch te keer!" (Jan Triborgh, pseudoniem van John Majoie, in een serie van 4 artikelen uit de Nieuwe Tilburgsche Courant over de feestelijkheden vanaf 27 oktober 1954 ter herdenking van de tiende bevrijdingsdag van Tilburg.) - Cees Robben - Koningswaai (19561027) - Cees Robben - Ik ben geboren en getogen/ In de aauwe Koningswaai (19710219)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 02 21 - De Koningswaai mee z'n klèn huiskes / - n Bietje rauw, mar goed van aord
    - Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - de kôoningswaaj
  7. zelfstandig naamwoord

    kôop koop enen dólle kôop = 'n koopje Dè kan de kaoje kôop nie maoke - daor loop ik nie meej te kôop; kôope werkwoord, sterk kopen kôope - kòcht - gekòcht - in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij / hij kopt

    - óp de reutel kôope - op de pof kopen
    - Vur ene sènt kôope èn en halfke toe. - Snoepgeld besteden in vroeger tijden (1 cent besteden en als toegift een snoepje krijgen van een halve cent).
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'want tis de lèste die we kôope'
  8. ...want toen ie de preek uitgelee ha waren we net bij n kroegske en daor schoof ie gaauw in om er nog in paor te gaon koope. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) Cees Robben: Waor zón ze die kiendjes tòch kôope? wè kiendjes kôope óngao ...; Cees Robben: ak wir en nuu pèt kôop, dan kôop ik enen hoed; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - vur en spouke iets gekòcht hèbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek '69) -er weinig voor betaald hebben

    - WBD - (III.3.2:183) kôope, troeve, aftroeve, slaon = met een troefkaart andre kaarten nemen of slaan
    - WBD - III.2.2:3 'kindje kopen' = zwanger zijn
    - WBD - III.2.2:6 'kopen' = bevallen'; ook '(een) kindje kopen'
  9. zelfstandig naamwoord

    kooper koper (metaal) Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - em wèl lussen as ie nòr kooper smokt (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek '69) - graag op een borrel getracteerd worden (koper duidt op geld) kôoper zelfstandig naamwoord. koper, hij die koopt kôore zelfstandig naamwoord. koren

    - Dialectenquête 1876 - korn (het koorn)
    - Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - 'dès aander koore' zi de mölder,
    - WBD - I:1402 koore, ròg - koren
  10. zelfstandig naamwoord

    kôos koos verleden tijd van kiezen Koosje-koosje Foto: Regionaal Historisch Centrum Tilburg

    - WTT 2012 - Titel van een traditioneel kinderliedje dat door kinderen gezongen werd op 28 december, de feestdag der Onnozele kinderen. De kinderen trokken, net als op 6 januari, Driekoningen, van deur tot deur in de hoop met hun gezang enige beloning te ontvangen. Op 28 december verkleedden zij zich daarbij als grote mensen.
  11. naam

    Rolf Janssen (We hebben gezongen en niks gehad, 1986) geeft de tekst van het liedje als volgt: Koosje Koosje is m'n naom ik heb 't in m'n broek gedaon ik zèh de helleft ervan verloren de rest zit in m'n broek gevroren olie olie van de druiven laot de droefhed mar verschuiven laot de droefhed mar vergaon zet de flessen mar on oew lippen laot 't stillekes nor binnen wippen ooh, den vuul ik on m'n hartje juffrouw, gif me toch 'n kwartje Met deze muzieknotatie: A.J.A.C. van Delft was de eerste die de tekst optekende, en wel in de krantenrubriek Van vroeger dagen, aflevering 122: 'Nog wat Kinderversjes', Nieuwe Tilburgsche Courant, 6 juli 1929. Van Delft geeft de tekst weer in de standaardtaal: Koosje, Koosje, zoo is mijn naam. Ik ben voor alle dingen bekwaam. Ik heb mijn ouwers vroeg verloren. En daar sta ik van bevroren. Als ik sterf, dan ben ik dood, Dan lig ik in mijn kistje bloot. * Dan komen de vogeltjes bij mij zingen, Dan zal ik uit mijn kistje springen En als ik spring, dan spring ik snel, Naar den hemel of naar de hel. Olie, olie, van die druiven, Laat die droefheid maar verschuiven, Laat die de droefheid maar vergaan. Dan zet ik het fleschje al aan mijn lippen, Dan zal ik het stilletjes naar binnen wippen. O, wat voel ik het aan mijn hartje. Ik heb gezongen en niks gehad, Snij een stuk van 't verkensgat, Snij maar diep, snij maar diep, Al is 't een vinger diep. Cees Robben: Cees Robben - Prent van de week, Rooms Leven, 19 januari 1968 KAREL. Sjarel, ik heb thuis nog innen jas, die me zóó groot is dekker wel Koosje-Koosje mee kan gaon zinge. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 15 december 1944)

    - Cees Robben - [Jong meisje over een te grote jas die ze van moeder gekregen heeft:] t Is net Koosje-Koosje (19680119)
    - Henk van Rijen ene jas zo grôot dèk er wèl koosje-koosje meej kos gòn zinge
    - H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - koosje-koosje - dag der Onnozele kinderen (28 dec.), de dag dat kinderen zich verkleden als volwassene om niet als kind herkend te worden, en zingend langs de deuren gaan.
    - Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - - Wès dè naa wir mee die maksie maantels, t lekt net koosje, koosje (10-01-1970)
    - WBD - (III.3.2:298) koosje koosje = Onnozelekinderendag
    - Zie ook: Gerard Steijns, Ik zal zinge hil men lèève, Tilburgs liedboek (2006; p. 60-61)
  12. zelfstandig naamwoord

    kôot koot, gewricht

    - WBD - Hasselts 'koowt' - vetlok (aan een paardebeen), ook 'vètlòk' genoemd
    - WBD - 'koot', (Hasselt)'koowt' - boelee (aan een paardebeen), in Hasselt ook 'vètlòk' genoemd
    - WBD - ooverkoot zèèn/staon (m.b.t. een paard) - als de kogel naar voren doorknikt, ook genoemd (Hasselt) 'oowverkoowteg zèèn'
  13. Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - in de koot schiete (R'69) - in orde komen

    - WNT - KOOT - gewricht, gewrichtsknobbel
    - WBD - III.1.1:133 'koot' = bekkenholte
    - WBD - III.1.1:159 'kootje' = vingerkootje
derdeur
bijwoord

erdoor, erdoorheen

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Mèn vadder ha vruuger, die was timmerman, die ha zon stèr gemòkt. Zon, zon, zon, zon dinge rond gemòkt èn dan zon spilleke derdeur èn wirskaante en stèr, en stèr gemokt. Zôo van die hout mar, èn dan hôj ie onder de dinge zon, onder spilleke en touwke aon en agge dan trok dan begòs die stèrre rond te draajen, hè!
dèrds
telwoord

derde verkorting van dèrdes

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - derde
dere(n
naam

haar, die van haar

- WTT; Ed Schilders, 2016 - van dur (haar); dur wordt durre als een mannelijk zelfstandig naamwoord volgt; de n dicht het hiaat als dat zelfstandig naamwoord met een klinker begint.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-08-06 - n Stuup kênd vur durren aauwer..!
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-08-18 - Ik kan nie op durren naom komen...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-02-15 - Die fèèn trip (...) mee dr prevelementje en durre seklaade...
derèège
naam

samenstelling van der (haar, hun) en eigen; zich, zichzelf

- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - Ze laote derèège waasse - zij laten zich wasschen
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - Ze kunne derèège nie verdiffendère - ...verweren
dèrriejèère
zelfstandig naamwoord

achterste, achterwerk

- Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Mar as ge unne stinpöst op oewen dèrriejèère had, èn as bidde nie hielep, dan moeste bij t feitvrouwke van Van Hees zèèn. Die mòkte dr èège zallefkes. Vur pöste, èkseem, fratte, padscheete, èn alles.
Des lekker
  1. Onze vadder hee mèn aaltij vurgehouwe dèt nie zuiniger vertèrd kos worre as dur in pèpestiltje mar ik knaauw na hil den dag op in klein pruimke tebak. n Stuk of drie keer op innen dag vat ik in nuuw, en s aoves dreug ik ut in bietje en dan rook ik ut nog fèn op, al duurt den orlog na nog 10 jaor himmel zonder tebak zak zo nie gemak geraoke. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

    - Pierre van Beek - 't Is geen pijp tabak waard. (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)
    - Interview Jolen - 1978 - Jè, toen waaren er wèl siegaare (in den ollòg) mar dè is allemòl aachterdeur, hèinlandse siegaare ok jè, van inlandse tebak mar dè was niks (transcriptie Hans Hessels, 2013)
  2. As die bussen, ötgeveegd wiere, waar dè un schôon kaans, veur ons, ens te gaon kèke wetter allemol laag aon peuken. Daor nie teveul aon gezéverd waar, raopte wij bij mekaar. Wij deeje et pepier detter nog aonzaat aaf en rolde van de tebak, in geschoepte vloeikes, van onze vadder, nuwe siegretjes... (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) In den oorlog heetie ôk nog tebak geteuld. Et waren net de blaoier van de rabarber. Hij réég die blaoier aon un touwke en hing ze te dreugen onder de veranda. Asse dreug waren, viet ie er één van den draod, wreef em fèèn en stopte die krèùmels in un pèèp, daor ging dan de vlam in. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - idem (RL'47) - antwoord op de vraag 'Waar is hij?' (Woestenbergh was een tabakswinkel in de Heuvelstraat)
  3. zelfstandig naamwoord

    De winkel van Woestenbergh in de Heuvelstraat, circa 1915. Foto: regionaal Archief Tilburg Kaole tèbbes, met een pruik, op de kermistentoonstelling 'Jaozeetie', Tilburg 2018.

desineetje
  1. zelfstandig naamwoord

    geschenk bij het feest van de Eerste Heilige Communie, ontbijtstel

    - Elie van Schilt; As ge katteliek geboren wierd; CuBra, circa 2000 - Mar de communiedag zelf, dan was er fist, dan kwamen de femielie en ok de buurt mee kudokus, réépen sjoklade mee un communieprentje, un bildje van unne heilige, unne ròòzenkraans, unne nuuwe kerkboek, van opoe en opa kreegde mistal un desineetje. Det was un botterhammenbordje en un kumke mee un schoteltje, op die bordjes stond dan unne communiekaant en verder nog Ter herrinnering aon oe heilige communie.
    - WTT 2012 - De weergave door Elie van Schilt (boven) is waarschijnlijk erg lokaal, zo niet familietaal. Het woord lijkt immers een verbastering van het Franse déjeuner, in het Nederlands in gebruik voor ontbijtstel. Zie WNT lemma déjeuner, 1910. De Tilburgse uitspraak zou dan eerder deezjèùneeke zijn of deezjeneeke.
  2. Traditionele cadeautjes voor een communicant - onderaan: een déjeuner

dèske
zelfstandig naamwoord

verkleinwoord van das

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dasje, sjaaltje
dèske
dèsneteur
zelfstandig naamwoord

weefpatroomontwerper; uit Frans dessinateur

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dessinateur, weefpatroonontwerper (textiel)
dèstag
  1. zelfstandig naamwoord

    dinsdag

    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-06-04 - as dè ons taante Toonia tèstag-taate-middag komt... [dinsdag na de middag]
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 04 16 - 'n Destag zèn ze al vertrokke.
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - densdaag - dinsdag
    - WBD III.4.4:126 desdag - dinsdag
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - zie diessendag
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 densdag, dijnsdag - dinsdag.
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, Brussel 1936 - dinsdag
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 destdag dijnsdag; ook destag
  2. zelfstandig naamwoord

    dèstaggemeèrege dinsdagmorgen

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dinsdagmorgen
  3. zelfstandig naamwoord

    dètteme dattum

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1971-04-24 - Dan heese-me-nogal-wè... Jè zeker, zôô van dètteme van die-kom-sa van hedde-me-nie-gezien. [Robben gebruikt hier drie informele typeringen om de borstomvang van een vrouw aan te duiden.]
    - WTT; aanvulling 2021 in de informele taal meestal gebruikt met een gebaar; vergelijk het gebaar van de duim en wijsvinger die over elkaar worden gewreven om geld aan te duiden: van dattum.
  4. Illustratie: Rolf Janssen

deuge
werkwoord

deugen deuge - dugde - gedeuge vocaalkrimping, ook in tegenwoordige tijd; gij/hij dugt

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - gedugd
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 deuge, geducht; deuge - dugt (vocaalkrimping)
- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 109; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-13 Van mekaar meugen ze niet en bij mekaar deugen ze niet, zegt men over een echtpaar, dat veel kijft en over kleinigheden twist.
- WBD III.1.4:320 - van geen kanten deugen - zich als een beest gedragen
deugeniet
zelfstandig naamwoord

deugniet

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 9; Nieuwe Tilburgsche Courant, 26-11-1938-11-26 t Is nen losbol, t is nen deugeniet...
deugnieterij
zelfstandig naamwoord

kwajongensstreken (uithalen)

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 () èn deugnieterij hèbbek nôot gin ötgehèld hor, flauwekul èn zôo
dêûk
zelfstandig naamwoord

deuk

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 meervoud deuke naast enkelvoud deuk; ook dêûk, meervoud deuke.
dèùke
werkwoord

duiken dèùke - dôok - gedooke in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij dökt

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - verleden tijd dôok, maar dokte gij?
dèùkele
werkwoord

- WBD III.1.2:11 - duikelen - vooroverduikelen; ook tuimele, stulpen
dèùm
zelfstandig naamwoord

duim; lengtemaat en lichaamsdeel lengtemaat van 2,87 cm, verdeeld in 4 kwartier à 0,71 cm; 10 dèùm = een voet à 0,287 m, waarvan er 20 een roede maakten, 5,75 m (in Tilburg in gebruik vóór de invoering van het Nederlands Metriek Stelsel, 1820)

dèùme
zelfstandig naamwoord

duim; lengtemaat en lichaamsdeel lengtemaat van 2,87 cm, verdeeld in 4 kwartier à 0,71 cm; 10 dèùm = een voet à 0,287 m, waarvan er 20 een roede maakten, 5,75 m (in Tilburg in gebruik vóór de invoering van het Nederlands Metriek Stelsel, 1820)

dèùmsjèp
zelfstandig naamwoord

duimdrop, zachte drop die op de duim plakte om opgesabbeld te worden

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Gao de cènt foetsie?, ongedateerd knipsel; Tilburgse Koerier, 1960-1980 - Gin dèùmszjèp mir bij Sjoo de Lèpper/ Alle cènte die zèn op.
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - duimdrop
dèùne
zelfstandig naamwoord

duinen

- Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - de Druunense en de Lonse dèùne
- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1976 - Tussen duin en dèk. Tussen duin en dijk. Tussen neus en lippen; tussendoor.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Gaode soomers meej de kènder nòr de dööne, et kan nie fènder!
deur
  1. zelfstandig naamwoord

    deur

  2. voorzetsel

    door

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - dur de week
    - Karel en Sjarel; Dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-04 - Jao mar diejen admiraol heegut toch officieel dur de radio verteld.
deurgat

deuropening

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 7; Nieuwe Tilburgsche Courant; 30-11-1929-11-30 - Gelukkig schent de wenter t deurgat van ons laand nog nie te kunnen vènen om binnen te kruipen.
deurgebont
zelfstandig naamwoord

deurstijlen

- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - in et deurgebont staon - in de weg staan
- J.M. Van der Donck, in Joh. A. Leopold en L. Leopold; Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1; Mooi Truike, 1882 - in t durgebont ; daar geannoteerd met deurgebint, op den drempel
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1983-03-25 - Mee oew luie kont (...) in t deurgebont...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1961-09-15 - Het gammel deurgebond
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun op collecte, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-08-12 - 1939-08-26 - Oome Teun kwaam mee zn pijpken in de mond in et deurgebont staon...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-10 - Den herbergier zee: Die kunnen deur de vensters kijken en in et deurgebond staon, daor is plaots genog.
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-07-18 - Rijd den kreugel mar deur t deurgebint int schop
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - in et deurgebont staon - in de weg staan
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 durgebont - deurstijl
- WBD gebinte; balkenstelsel bestaande uit 2 stijlen en 1 ankerbalk
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - durgebònt - deurkozijn
deurslèèpe
werkwoord

doorslepen, onheus, minachtend bejegenen

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 01 17 - Zò spraak ik vleeje week twee heren / En die sleepen mèn wè deur / Mee mn plat Tilburgs taoltje / Net of ik dè zellef ôk nie heur.
dèùvemèlker
zelfstandig naamwoord

duivenmelker

- Pierre van Beek; Typisch Tilburgs, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1958-01-10 - Liefhebbers van de duivensport zijn duivenmelkers
- Tony Ansems; Pieter Post plein; cd Tilburgse Liekes American Style, 2008 - Ut Café zaat wir vol mee deuvemellekers...
- WBD III.3.2:241 - dèùvemèlker, ook poeler
deuverik
zelfstandig naamwoord

deuvik, deuvel

- WBD II:2749 - deujverik - drevel/deuvel
- WNT deuvik - eene afleiding van denzelfden stam als deuvel; houten pin, die eene opening in een vat sluit
deuzeg
naam

duizelig, licht in het hoofd

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - döözeg - afwezig, in gedachten
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-02-12 - [Vraag aan een zieke...] Hoe is ter meej bruur... [Antwoord...] Nog aaltij deuzig war...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-01-02 - deuzig en zat...
- Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, 2004 - enen deuzege - een slome; mannelijk equivalent van dôos
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2006-07-26 - Ons oopoe waar aatij en vief wèfke gewist, mar op et list wier ze tòch en bietje deuzeg - ... een beetje suffig
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - deuzig - duizelig
- WNT - deuzig - dozig - van denzelfden stam als duizelen, maar met korten stamklinker. 1) duizelig, draaierig; 2) slaperig, suf, soezig; 3) beneveld, verward, verhit; 4) stompzinnig, bot, stomp
dèùzeleghèd
zelfstandig naamwoord

duizeligheid

- WBD III.1.2:226 - duizeligheid - duizeling, duizeligheid
di
  1. werkwoord

    deed; verleden tijd van doen

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - ik/hij dee/di, gij deed/dit, wij/zij deeje/din, gullie deed/dit
  2. werkwoord

    deed, deden

di-kom-sa
bijwoord

van heb ik me jou daar; kom-sa uit het Franse comme ça

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg 1941; CuBra - De straot waor tie wonde was nie bestraot, en dè was me daor aaltij innen modderpoel van diekomsa. Mee in gewoon stotkèrke koster nie deur kome of ge most wel mee zis man zèn...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Bad Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant 1938-12-31 - 1939-02-18 - En ze sloeg de deur mee nen bons van di-kom-sa aachter dren rug toe...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant 1939-08-12 - 1939-08-26 - Hij hee-g-et verschrikkelijk hoog in znen test, mar t is naovenant nie van di-kom-sa!
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-04-24 - Dan heese-me-nogal-wè... Jè zeker, zôô van dètteme van die-kom-sa van hedde-me-nie-gezien.
di-kom-sadi-kom-sadi-kom-sadi-kom-sadi-kom-sadi-kom-sa
dichtbij èn vèraaf

gezegde eufemisme voor dronken, aangeschoten

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden; 1972-07-21 - Zat was ik nie (...) mar (...) verrekte dichtbij en veraaf...
dichtenbèèj
bijwoord

dichtbij, na(bij)

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dichtenbèèj - dichtbij, op korte afstand
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dichtenbij, dichte bij
dichthèd
zelfstandig naamwoord

dichtheid

- WBD II:1047 - dichthèd - dichtheid (van de binding), ook krèùsing genoemd
dichtnèèpe
werkwoord

dichtnèèpe nêep dicht dichtgeneepe dichtknijpen; hier om een sterfgeval aan te duiden

- Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven, 1964-06-05 - [Een aanzegger spreekt] - Merie heeget laote schiete.../ Van de mèèrege om vèèf uure/ Heese dr gat dichtgeneepe...
die
  1. zelfstandig naamwoord

    die

    - Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - wordt bij zelfstandig gebruik voorafgegaan door een lidwoord: den dieje, de die,
  2. die van mèn - die van mij, mijn echtgenote

    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-05-18 - Ongelèèk isser bij die van men nôôt bij... Ze haauwt aaltij dren pôôt stèèf...
  3. den dieje geld, contanten; altijd voorafgegaan door den en eventueel begeleid met telgebaar van duim en wijsvinger

    - Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - agge den dieje mar genog hèt! geld, contanten [den dieje gaat dan altijd gepaard met een gebaar waarboij de duim- en wijsvingertop over elkaar worden gewreven].
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Et ging oover den diejen, hè meer gèld Nòdderaand hèbbe ze dè gedaon gekreege, zo stillekes aon, hè.
  4. naam

    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dieje (den) - geld
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Veel hoort men hier de die met nadruk, in tegenoverstelling van de andere of een soortgelijk woord.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-03-17 - Kek diejen bok is..!
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-11-04 - Diejen stobbernist...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1968-11-15 - Kik-is-eens-aon... Wè diejen meens nog gezwakt is...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-10-01 - Hoe hiet dieje meens, moeder...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-11-02 - Dieje weg (...) die rèèchtevort naor t geboer van de Van de Braante lopt...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-03-02 - Dieje aauwe Sjassee daor ...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-10-09 - [Vrouw bij marktkraam...] Dieje appel is zôô rot as n mispel, Martien ...
  5. naam

    dieder, van die, van haar, dier

    - Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - èn dieder grutvadder hòj en pèèrd
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - DIEDER aanw. vn, van die (die daar?) b.v. in de uitdrukking - 'van dieder dikte' - ongeveer zo dik (geïllustreerd met een gebaar)
  6. naam

    bepalingaankondigend voornaamwoord degene die

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - Wie ...? Den dieje die daor ònkomt. - Degene die...
  7. bijwoord

    diek, samentrekking van die + ik dies; verouderde tweede of vierde naamval van die; daarom, om die reden; plechtstatig gebruik; tegenwoordig soms nog gebruikt in de tweede naamval: wat dies meer zij, meer dergelijks

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven. 1966-09-16 - Dies verzuuk ik oe ootmoedig... [een missionaris schrijft een brief aan zijn bisschop...]
  8. in een bijwoordelijk bepaling ...diege-me-daor-staot..., ...die je bent...

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1967-06-03 - Lillukke drèèn-ôôr diege-me-daor-staot...
diedjee
zelfstandig naamwoord

acroniem van disc jockey, Engels uitgesproken dj

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Azzik bij jou thèùs maag zènde, meude gij diedjee wórre, meude hil den dag goei meziek draaie
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dus meense, ammel aafstèmme op Radio Moonbeam, meej kaaigoei plaote èn profèsjenele diedjees.
diejabooloowe
werkwoord

het kinderspel diabolo spelen

- Interview echtpaar Staps, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - op de Körvelseweg moeste aanders diejabooloowe meej zon gummieringeskes aon, hè. Dan krêede bij de margariene krêede zonne, ècht zonnen blèkke diejabooloow, hè
- Interview echtpaar Staps, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Rêepe èn, èn touwke springe èn diejabooloowe!
diejagonaol
zelfstandig naamwoord

diagonaal

- WBD II:917 diejagónaol; als dessin voor weefsels
diejooraama
  1. zelfstandig naamwoord

    diorama

    - Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Op den Heuvel koste vruuger in et Diejooraama zien hoe wèèrem de Lappe onder die Tilbörgse AaBee-deekes laage.
    - WTT; aanvulling 2018 - In Tilburg - het diorama van wollenstoffenfabriek AaBe, ook wel de etalage van AaBe genoemd. Deze levensgrote opstelling bevond zich in een etalage aan het Heuvelplein bij het busstation, en was s avonds hel verlicht.
    - Van Dale - van Grieks dia, doorheen, en horama, gezicht; kijkast waarin door bepaalde opstelling en belichting een perspectivisch effect wordt verkregen.
  2. Foto: Regionaal Archief Tilburg Het Diorama Voor een grotere weergave KLIK HIER Dezelfde voorstelling werd door AaBe gebruikt op de etiketten van de dekens

diekomsa
bijwoord

van heb ik me jou daar; kom-sa uit het Franse comme ça

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg 1941; CuBra - De straot waor tie wonde was nie bestraot, en dè was me daor aaltij innen modderpoel van diekomsa. Mee in gewoon stotkèrke koster nie deur kome of ge most wel mee zis man zèn...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Bad Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant 1938-12-31 - 1939-02-18 - En ze sloeg de deur mee nen bons van di-kom-sa aachter dren rug toe...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant 1939-08-12 - 1939-08-26 - Hij hee-g-et verschrikkelijk hoog in znen test, mar t is naovenant nie van di-kom-sa!
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-04-24 - Dan heese-me-nogal-wè... Jè zeker, zôô van dètteme van die-kom-sa van hedde-me-nie-gezien.
diekomsadiekomsadiekomsadiekomsadiekomsadiekomsa
Dien
zelfstandig naamwoord

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-15 - Dien Verpaolen
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-11-06 - Ons Dien...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1982-01-22 - Dien Dankers
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-07-20 - Ziede dè daor, Dien..!?
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-08-17 - Meude gij dè van den dokter, Dientje..? als schimpnaam
- WTT; aanvulling Hans Hessels, 2021 ook gebruikt in de scheldnaam schèèl dientje scheel meisje
diep
  1. naam

    diep, niet hoog

    - WBD - diepe koej - koe met korte poten
  2. 2. bijwoord ver weg, achteraf

    - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1975-01-16 - Ze wônen zô diep in, as ge denkt degger zèt, zedder nog bij langenao nie
dierf
werkwoord

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - diref durfde
diesterbuutie
  1. zelfstandig naamwoord

    distributie, in het bijzonder de distributie van goederen in de Tweede Wereldoorlog

    - we waoren gelaoien mee proviaand en diesterbuutiebonnekes (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941)
  2. samentrekking

    digget ik deet, ik deejet (de vorm ik dinnet is niet opgetekend) jij, gij digget hij, zij, het, et digget [wij din et] gullie digget zullie dint, zullie dinne-n-et

    - Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - Hij digget nôot nie goed
    - Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - Na ik komt ook voor ik dit (in plaats van digget); daarnaast bij ik ook ik deet en ik deejet
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ik, gij, hij, göllie digget
dijbêen
zelfstandig naamwoord

dijbeen

- WBD - schenkel van een paard, ook dijbêen genoemd
- WBD III.1.1:168 bil - dij
dik
  1. naam

    dik

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dikke mik meej zuure zult - prima voor elkaar, dik in orde
  2. bijwoord

    2. bijwoord (omvang)

    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hoe wildet hèbbe? dik, dun òf dur en duukske?
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Tis dik aon - het is nauwe vriendschap
    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dik doen èn nie hèbbe opscheppen
  3. dikwijls, vaak

    - Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - Ge zaagt em nie dik op straot
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dik - dikwijls (dikker, dikkelder)
  4. 2.1.1 vergrotende trap van dik is dikkelder, dikker vaker

    - Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - ge moet ene keer dikkelder koome - je moet een keertje vaker komen.
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Bad Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-31 - 1939-02-18 - Mieke Stok (...) zee dè ze s mergens wel ns dikkelder n eindje opstapte
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel, feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-05-20 - 1939-06-17 -...hij ha al dikker t plan gehad...
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - [bij knikkerspel...] naa hedde gij gewonne, mar ikke veul dikkelder
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dikkelder of dikker - vaker
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dik - dikwijls, vaak; hoe dik valt da veur? dikkels en dikkes - dikwijls
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 duk voor dikwijls, twelk ook wel eens door dik wordt uitgedrukt
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 dik - dikwijls; dik zat - tamelijk dikwijls
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas, 1937 - Men zegt in T[ilburg] dikkels, in het echter dik.
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dik - 1) voor tijd - dikwijls, vaak; 2) voor modaliteit - soms, bijgeval
    - WNT dik - dikwijls, vaak; in dezen zin gewestelijk nog in gebruik, o.a. in Gelderland en de Kempen
    - WNT - dikmaal en maal - uit dik (dat op zichzelf reeds de betekenis dikmaal heeft)
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - dikkels, nog dikker - dikwijls, nog vaker
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dikkelder of dikker - vaker
dikdouwer
zelfstandig naamwoord

iemand met gedrongen postuur

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Dikdouwerke Vrouwtje met een dik, gedrongen postuur
- WBD III.1.1:14 dikdouwer - iemand met gedrongen postuur
dikdouwer
dikkels
  1. dikwijls, vaak

    - Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - dikkels, nog dikker - dikwijls, nog vaker
    - Grôot diktee van de Tilburgse taol, 2007 - Naa zèn wérkende vrouwe hêel dikkels mevrouwe...
    - Piet Heerkens svd; Dn Örgel, Blumke, 1938 - Och blumke,/ k heb oe zo dikkels bekeeke...
    - Piet Heerkens svd; De mus, Kenderpraot, 1939 - Kender zie ik dikkels speule ...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel, feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-05-20 - 1939-06-17 - ...en zoo gao-g-et mee de waorheid dikkels: er is geen plaats veur dr in de herberg!
    - Piet Heerkens svd; De knaorrie, Van kwezels en ezels, 1949 - Kwezels stoote dr teere teene/ dikkels tegen dezelfde steene...
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); column in Groot Tilburg, 1940 - t Is euwige sunt dè de daog zo kort zèn, en dè t zoo dikkels kaoi weer is...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Tilburgse Koerier, circa 1970 [over biljarters in het café...] Ze motte dikkels smèren... - Cees Robben; De Prent van de Week in het zilver; Dn ooievaar, 1981 - We hebben dikkels zat spek op taofel... - Rolf Janssen; We hebben gezongen..., 1984; opgetekend uit het veel oudere lied Onder de lindeboom - Wie kent er naa nie Lopend Joke/ die zie duh zó dikkels op straot... - Piet van Beers; CuBra, circa 2000 - ...den Èngelbewaorder èn de Romse Jeugd/ die laazeme zo dikkels asme konde./ Èn de Kattelieke Illustraasie/ wier nètjes ingebonde. - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekke; Deel 1, 2006 - Ok vur vrijbankvléés hèk dikkels in de rij moeten staon. - Tony Ansems; in het lied Achter in de sintelpad, 2008 - Ik hebbet dikkels in t wild gedaan/ Aachter in de Sintel Pad
    - WNT dik - dikwijls, vaak (gewestelijk in Gelderland en de Kempen); dikwijls - van dikwijl met adverbiale s. In oudere taal ook in den vergrotenden trap; dikwijlser.
  2. Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - dikwijls - dikels
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 dikkels, dikkes - dikwijls
  3. bijwoord

    dikwijls

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 05 16 - D'r wordt wel hèèl dikkels gezee...
dikkont
zelfstandig naamwoord

iemand met een dik achterwerk

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 dikkont - dik iemand (vooral met een flink ontwikkeld achterwerk)
- J. Berns e.a.; Brabantse spot- en schertswoorden, 1975- dikkont - dik iemand (vooral met een flink ontwikkeld achterwerk)
dikmôok
zelfstandig naamwoord

dikzak

- Elie van Schilt; Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra, circa 2000 - Mar vur dik hadden ze ok wir unnen naom Verekte dikmóók of vetkwal waren mar gewone benaomingen.
dikoor
zelfstandig naamwoord

bof

- WBD III.1.2:283 dikoor - bof (parotitis epidemica)
diksentij
bijwoord

meestentijds, meestal

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - diksentij - meestal
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - diksentij(d), meestentijds, meestal
- L.L. de Bo; Westvlaamsch idioticon, Gent 1892 - den diksten tijd - meestendeels
diksewèèle
bijwoord

meestentijds, meestal samensmelting van dikkels (dikwijls) en sewèèle (somswijls) als zodanig niet opgetekend uit Tilburgse bron

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - diksterwijl - meestentijds
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dikstewijlen - meestentijds, meestal
diksjenèèr
zelfstandig naamwoord

woordenboek, dictionair uit Frans dictionnaire, met vocaalreductie

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1961-01-20 - [Kind...] Zôk munne diksjenèèr meej naor school nemen, moeder... [Antwoord...] Ge gaot mar te voet... dè moesse wij vruuger ôôk...
dikzat
bijwoord

vaak genoeg

- Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - k zèè der dikzat gewist
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - diksat, dikzat - vaak genoeg, vaak, dikwijls; da hek dikzat gezien
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dikzat - dikwijls genoeg
dil
zelfstandig naamwoord

deel; aantal, hoeveelheid, partij

- Informant Toine Raaimakers; ca. 2000 - Khè nòg en hil dil koolen in et schòp - Ik heb nog een hele voorraad kolen in het schuurtje.
- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? n dil - aantal
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-05-12 - ...n hil dil...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - un dil, unnen dil - een aantal, veel
- Willems; Dialectenquête, 1887 - dil; vierendil
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 dil - veel; n hil dil - nogal wat
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 - deel (del) ....; wordt gebruikt als vage aanduiding van een niet al te geringe hoeveelheid, met onbepaald lidwoord.: n del volk; verrassend grote hoeveelheden heten: 'n hil del - een heleboel.
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - deil (uitspraak dail) deel; een heel deil volk
- WBD III.4.4:259/260 - deel - boel, grote hoeveelheid
- WBD III.4.4:261 deel - onbepaalde hoeveelheid
- WBD III.4.4:271 deel - brok
- WBD III.4.4:276 deel - portie
- WBD III.4.4:299 deel - kwart hectoliter
dilbaor
naam

deelbaar

- Dirk Boutkan & Maarten Gosliung Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 dilbaor (met klinkerverkorting)
dilt
werkwoord

deelt tegenwoordige tijd enkelvoud, 2e + 3e persoon van dêele, met vocaalkrimping: jij, hij, zij, het deelt

dimdamme
werkwoord

aarzelen etymologie onbekend

- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, 1998 - aarzelen
dimme
  1. bastaardvloek

    - Paul Spapens et al; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol (2004) - potverdorie
  2. pòtverdòt bastaardvloek alleen aangetroffen in een dialectvers van Leo Heerkens

    - Leo Heerkens - En 't vrouwke dè ketterde: potverdot,/ potjeverdorie toch potverdot,/ en 't vrouwke dè ketterde: potverdot,/ dan hebben we niks in de pot! (uit: 'n Weeverke schoot..., in: Piet Heerkens, De Kinkenduut, 1940)
  3. pòtvergimme bastaardvloek

    - KAREL. Potvergimme, Sjarel, des gevaorluk wérk! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 18 mei 1945)
din
werkwoord

deden

- Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - ze din òf ze niks zaage
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-12-21 - Oew ôôge din zeer van de rôôk...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 09 19 - As we naa allemol is meedin...
- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1990 - As ze din we ze zin, dan trapt ur nie in... Jè, as ze deeje wè ze zeeje, waar ik dik tevreeje...
ding
zelfstandig naamwoord

ding

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek; aflevering 151, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-03-23 - Govert, toen hij zei: "Alle ding met vriendschap" [zei Govert] terwijl hij de eieren bij zijn buurman uit het nest nam [zeispreuk].
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - verkleinwoord dingske of dingetje
dinger
zelfstandig naamwoord

dingen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dinger
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 03 07 - Mar de vuruitgang van die dinger
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - in dieje winkel hèn ze duuzenteraante dinger in die winkel hebben ze duizend verschillende dingen
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ammel interessante dinger over vanalles èn nòg wè.
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Gullie wit waarschijnlek wèl dè ik al jaore zon bietje in de artiestewèèreld zit. Mènnetsjment èn dè sort dinger.
- Grôot diktee van de Tilburgse taol; 2005 - dè kan twee dinger betêekene
dinges
zelfstandig naamwoord

menstruatie

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1969-07-04 - [De ene moeder tegen de andere...] - Wè wordt ze toch grôôt, en hee ze al dn dinges?
dingeske-ding
zelfstandig naamwoord

koosnaam

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1975-12-12 - Mn dingeske-ding
dings
zelfstandig naamwoord

onkruid

- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-20 - In een slechte weide groeit veul dings (veel onkruid) en op een vuilen ekker groeit veul rugt.
dinteloordspèk
zelfstandig naamwoord

suiker

- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, 1998 - suiker; enen bottram mee dinteloordspèk
- Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2006-12-10 - Enen botram meej dik booter en dinteloorspèk
dippeljeur
zelfstandig naamwoord

afnemer (textiel)

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - afnemer (deel van het assortiemènt) [de exacte werking is ons onbekend; het assòrtiemènt is de voorspinmachine].
dippendènsie
  1. zelfstandig naamwoord

    uit Frans dépendance

    - WNT; lemma dependentie, feitelijke betekenis - Met betrekking tot onroerend goed als bijgebouwen, een terrein of landgedeelte e.d.
    - WNT; lemma dependentie, figuurlijk gebruik - Zaak van bijkomstigen aard, belang of omvang, die hoort bij, deel uitmaakt van of samenhangt met een grooter geheel.
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1963-02-10 - t Gong ammaol goed, zonder veul ap- en dippendensies.
  2. Bron: Delpher

    - WNT; lemma appendentie thans vrijwel uitsluitend nog in de verbinding ap- en dependenties.
dirrek
zelfstandig naamwoord

directeur

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - den dirrek - de directeur
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - drik - directeur
dirrek
dissel
zelfstandig naamwoord

latierboom

- WBD latierboom; hangende boom die in de paardenstal twee plaatsen scheidt
disselkètting
zelfstandig naamwoord

jukriem

- WBD - jukriem (Hasselt); verbinding tussen haam en disselboom, als men met een tweespan rijdt
dissem
zelfstandig naamwoord

desem, hier bedoeld als uitwerpselen

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-09-17 - Den dissem uit den pot...
dissèmber
zelfstandig naamwoord

december

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 disèmber - december
dist
bijwoord

hier

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - kom is dist - kom eens hier
dit
samentrekking

deed het

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-06-22 - t Dit en t aat goed...
dittie
samentrekking

deed hij

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1966-04-29 - Rits-rats.. dittie meej zn mis
Divvenijns
naam

Foto: Regionaal Archief Tilburg

- Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Ge had vruuger niks as veugeltjes vange... Biejeskoope dè was er nòg nie as presies Divvenijns op den Heuvel mar dè was en kwartje intreej!
dòbbel
  1. naam

    dubbel

    - Piet Heerkens; Dn örgel; Michieltje, 1938 - nen dikken driedobbelden zoen!
    - Pierre van Beek; Tilburgsche Taalplastiek aflevering 157, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-06-22 - Wanneer iets wordt gekwalificeerd als "een beetocht met dubbele trits", slaat dat in figuurlijke zin in het algemeen op iets, dat heel wat langer duurt dan normaal. Voor wat de bedetocht betreft, worden er dan méér rozenhoedjes dan de gebruikelijke gebeden. Men kan ook eten en drinken "met dubbele trits". [...] een "dubbele trits" betekent dus twee maal drie maal.
    - Volgens Schuerman te Antwerpen in de uitdrukking dat is dobbel en trits of dobbelen tris om aan te duiden dat iets zeer overvloedig is.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dobbel - dubbel, en dobbel deur
    dòbbeldòbbel
  2. zelfstandig naamwoord

    bijwoord

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - ...driedobbel en dik...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); t Spook; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-01-03) - ...op zukke oogenblikken bende driedobbeld zoo taai as aanders
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-07-14 - ...ook al vouw det dobbel...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 01 22 - Vèftig gulde vur 'n bloeske / 't Dobbelde vur 'n paor schoen.
dòbbelbil
zelfstandig naamwoord

forse dikbil

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dòbbelbil - kalf dat van achteren bijzonder breed en flink ontwikkeld is, nog meer dan bij een dikbil
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dobbelbil - een kalf met dikke billen; billeman
- WBD - dikbil, dubbelbil - kalf met dikke billen
dòbbeld
  1. naam

    dubbel

    - Piet Heerkens; Dn örgel; Michieltje, 1938 - nen dikken driedobbelden zoen!
    - Pierre van Beek; Tilburgsche Taalplastiek aflevering 157, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-06-22 - Wanneer iets wordt gekwalificeerd als "een beetocht met dubbele trits", slaat dat in figuurlijke zin in het algemeen op iets, dat heel wat langer duurt dan normaal. Voor wat de bedetocht betreft, worden er dan méér rozenhoedjes dan de gebruikelijke gebeden. Men kan ook eten en drinken "met dubbele trits". [...] een "dubbele trits" betekent dus twee maal drie maal.
    - Volgens Schuerman te Antwerpen in de uitdrukking dat is dobbel en trits of dobbelen tris om aan te duiden dat iets zeer overvloedig is.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dobbel - dubbel, en dobbel deur
    dòbbelddòbbeld
  2. zelfstandig naamwoord

    bijwoord

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - ...driedobbel en dik...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); t Spook; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-01-03) - ...op zukke oogenblikken bende driedobbeld zoo taai as aanders
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-07-14 - ...ook al vouw det dobbel...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 01 22 - Vèftig gulde vur 'n bloeske / 't Dobbelde vur 'n paor schoen.
dòbbeldoek
zelfstandig naamwoord

dubbeldoek

- WBD II:1048 - dòbbeldoek - dubbelweefsel
dòcht
werkwoord

dacht, dachten

- Niet nader geïdentificeerde zegspersoon op systeemkaart Sterenborg - Ik dòcht, ik dòcht! Dòchters lôope int Haagse bós. [als reactie op iemands twijfelachtige uitlating ik dòcht...]
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - ze docht bij dr èigen
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-04-03 - En k docht, lieve lezer...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-09-11- Ik docht degge hier nie waart...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-12-24 - Ik docht aon goud en kemels... [namelijk met Driekoningen]
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-12 - Hij docht t zèèn...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-02-09 - De verleden tijd van.. ik denk..? Ik docht, mister... Des fout, Lewieke, des Tilburgs... Oh, mar ik docht det goed was, mister...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-03-15 - Nou wè dochtte...
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - gê daacht nie, dè k dè wiest - gij dacht niet, dat ik zulks wist
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - docht - 2e hoofdvorm van denken
- WNT denken - onvoltooid verleden tijd dacht, waarnaast docht
dòchte
werkwoord

dacht, dachten

- Niet nader geïdentificeerde zegspersoon op systeemkaart Sterenborg - Ik dòcht, ik dòcht! Dòchters lôope int Haagse bós. [als reactie op iemands twijfelachtige uitlating ik dòcht...]
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - ze docht bij dr èigen
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-04-03 - En k docht, lieve lezer...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-09-11- Ik docht degge hier nie waart...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-12-24 - Ik docht aon goud en kemels... [namelijk met Driekoningen]
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-12 - Hij docht t zèèn...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-02-09 - De verleden tijd van.. ik denk..? Ik docht, mister... Des fout, Lewieke, des Tilburgs... Oh, mar ik docht det goed was, mister...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-03-15 - Nou wè dochtte...
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - gê daacht nie, dè k dè wiest - gij dacht niet, dat ik zulks wist
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - docht - 2e hoofdvorm van denken
- WNT denken - onvoltooid verleden tijd dacht, waarnaast docht
dòchter
zelfstandig naamwoord

dochter

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering, 128; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1971-07-21 - Wie zich al te hebberig toont, er op uit is het onderste uit de kan te halen, kan te horen krijgen: "Van één dochter kunde geen twee schoonzoons krijgen".
- Pierre van Beek; Uit het Klokhuis van Brabant, Tilburgse Taalplastiek aflevering 4 eerste serie, Nieuwe Tilburgsche Courant 1950-02-25 - Wanneer iemand moeilijk een beslissing kan nemen in een bepaalde aangelegenheid omdat er risico aan verbonden is, zegt de oude Tilburger: "Kom, kom, Botermans waogde z'n dochter wel en dè was zo'n kosteluk paand." De heer Botermans dreef destijds het best bekende hotel van Tilburg namelijk "De gouden Zwaan" op de Heuvel. Zijn dochter trouwde met een kellner uit de zaak, zeker P.F. Bergmans, een verbintenis, die de openbare mening nogal als 'n waagstuk beschouwde. De eervolle levensloop van wijlen de bekende wethouder P.F. Bergmans, naar wie thans in Tilburg zelfs een straat heet, heeft het bewijs geleverd hoe die volksopinie zich vergiste.
- WBD III.2.2:72/75 - dochter dochter; voordochter - stiefdochter
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dòchter dochter; Ravensteins döchter; n jong dochter - een pasgeboren meisje
dods
bijwoord

doods

dodsbang
naam

doodsbang

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dodsbang
dodsbidder
zelfstandig naamwoord

doodbidder, aanspreker

- Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, aflevering 2; Doden-cultus van eertijds; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-11-16 - Voor de tijd dat de stichting Rooms Leven de begrafenissen regelde, werd dit particulier door de doodbidders verzorgd. Deze hadden voor hun raam een bordje, waarop behalve hun naam ook te lezen stond: Aanspreker en lijkbezorger. Nu was het geen zeldzaamheid, dat voor de woning van een ernstige zieke, waarvan een spoedig einde verwacht kon worden, een of soms méér van deze mannen in de buurt bleven rondwandelen om zodra de zieke de laatste adem had uitgeblazen, direct hunne diensten te kunnen aanbieden. Hier werd dan het spreekwoord De een zijn dood is de ander zijn brood tot een waar woord gemaakt. Het is natuurlijk wel te begrijpen, dat wanneer dat op en neer kuieren door de naastbestaanden van de zieltogende werd opgemerkt, dit bij hen een minder prettige indruk maakte.
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Jao, ge hòd van die dôod... Ge hòd van die dôodsbidders hadde, die kwaame dan. Want vruuger, vruuger hadde op veul plòtse as de meense enen dôojen in hèùs hadde, dan wier der zon wèpke bèùte gezèt. En paor stêene teege mekaaren aon èn daor zon palmtèkske tusse, en boske strôoj...
dodsbildeke
zelfstandig naamwoord

doodsprentje, bidprentje

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect 1916 doodsbildeke, doodsprentje
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hij liegt as en dodsprèntje
- WBD III.3.3:332 - dodsbildeke, dodsprèntje - doodsprentje
dodskiest
zelfstandig naamwoord

doodskist

- WBD III.3.3:325 - dodskiest - doodskist
dodskòp
zelfstandig naamwoord

doodshoofd, onzijdig

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-12 - Dn dôôdskop...
- Interview Jolen, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Zon ding, zon bôomstammeke, zo dik... Zo dik èn dan die èn daor stond de... latje, dikke latjes teegenaon, war. Meej en kröske derop òf de êen òf de aandere òf en dodskòp! [bedoeld is een wèpke, ofwel busselke]
dodsprèntje
zelfstandig naamwoord

doodsprentje, bidprentje

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect 1916 doodsbildeke, doodsprentje
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hij liegt as en dodsprèntje
- WBD III.3.3:332 - dodsbildeke, dodsprèntje - doodsprentje
dodstil
bijwoord

doodstil

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - doodstil
doebes
zelfstandig naamwoord

goedzak, roepnaam voor een hond

- Cees Robben; Prent van de Week; Rooms Leven, 1961-11-24 - Jan Soffers, diejen doebes...
- WBD III.2.1:478 - doebes - roepnaam van de hond; ook zoek, zoek zoek, braaf beest, goede lobbes, loeres, doetje of joekel
doede
samentrekking

doe je

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-03-01 - En dan doede mar net...
doedele
werkwoord

geluidjes maken; vergelijk doedelen in doedelzak alleen aangetroffen bij Piet Heerkens

- Piet Heerkens; Dn örgel; Dn örgel, 1938 - Den örgel die heur ik zo geere / zuut doedelen over de straot,
- Piet Heerkens; Dn örgel; Dn örgel, 1938 - Toe draai dan en doedel mar, zieltje, [klein kind] / want zitte nie stampvol meziek
doedelzak
zelfstandig naamwoord

gezegde

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-04-02 - Ge denkt zeker dek den hemel vur unne doedelzak aon zie... - ...dat ik achterlijk ben
doef
naam

- WBD III.2.3 doef - een oneffen gevoel bij de tanden ten gevolge van het eten van zure vruchten
doeget
samentrekking

doet het

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-03-15 - Zêêveren... dè doeget naa...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-03-15 - Wènteren... dè doeget nie...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-03-15 - Dooien doeget as de weergaoi...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1968-12-06 - Ik doeget vur n tas koffie... [In een prent over een inzamelingsactie die in Goirle gehouden werd om een moderne kraomkliniek in te richten in missiegebied Kongo.]
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1969-12-19 - En doeget mar aachtermekaar dan heddet zôô vurmekaare...
- WTT-ES, 2019 - Het gezegde ik doeget vur en tas kòffie in relatie tot het baren van een kind, wil zeggen dat de moeder al vaker een kind gebaard heeft en dat de komende bevalling voor haar geen enkel probleem is
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ik, gij, hij, göllie digget; gij, hij, göllie doeget
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 doeget - vragenderwijze voor doet het?
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - doeget - samentrekking van doet het; hij doeget niet
doek
  1. zelfstandig naamwoord

    doek, luier

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-12-31 - t zèn toch nog mar prullekes,/ pas amper uit den doek...
  2. samentrekking doe ik

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1967-10-13 - Dè doek zôô mar makketijen...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-04-07 - s naachts doek niks as ruure en wèène...
doel
zelfstandig naamwoord

schietbaan voor boogschutters, doel

- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 den doel - schietbaan voor handboogschutters
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-07-14 - k Keek is in den doel...
- WBD III.3.2:226 - doel of guld - vereniging van boogschutters
doen
  1. werkwoord

    doen 1. stamtijden doen - di gedaon; de verleden tijd met i lijkt te verdwijnen en plaats te maken voor vormen met ee

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 doen/dee/gedaon; tegenwoordige tijd - ik doe/gij doet/hij doe; verleden tijd di/dee; gebiedende wijs doe/doet
  2. 2. tegenwoordige tijd De oe is in de tegenwoordige tijd altijd kort ik doe/gij doet/hij doe/wij doen/gullie doet/ze (zullie) doen

    - Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - Wè doet ie doar? Ze doen der niks goeds.
    - Cees Robben Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-06-29 - et doe hier ammòl zeer
  3. werkwoord

    doek/doede, doede gij/doetie, doeze, doeget/doeme/doede, doede gullie/doenze, doen hullie

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens); De nuuwe kapelaon van Baozel; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938 - Nou, dan doeme mee! Veuruit! Duvels dan mar! - Jodocus (pseudoniem van Jac. Stroucken); Toemet-hooi, 1993 - mar toch doeget me goed...
    - Tony Ansems; Zak Moete Niese Akkum Aai; cd Tilburgse Liekes, American Style, Vol. II, 2009 - Ok al doeget gin pent
  4. 4. verleden tijd verleden tijd van doen (deed) met vocaalkrimping: di(n) ik di, ik deej/ge dit, ge deet/hij di, hij din, hij deej/we din, we deeje/gullie dit, gullie deet/ze din, ze dinne, ze deeje, ook met zullie

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - hè di-t gèère - hij deed het graag; ze zin dè-se-t nie din ze zeiden dat ze het niet deden; wè-k ok di, zöllie din-t aanders wat ik ook deed, zij deden het anders
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1968-02-01 - Zinneze dè zennet dinnen?
    - Elie van Schilt; As ge katteliek geboren wierd; CuBra, circa 2000 - Dan nog de processie daor alle scholen aon meedin, de heilig hart processie naor dun Heuvel.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigelek wel trèkke?; Deel 2, 2007 - Op de nòrregt laag de moter van et wasmesjien, die digget niemer. Ik waar hillemaol nie nuuwsgierig naor die dingen en hoefde ok nie te weete hoe dè zôiets in mekaare zaat. Ik vond dè mar smèrrig wèèrk zon ding öt mekaare haolen om te kèèke wetter naa eigelek kepot waar, omdettie et niemer di.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigelek wel trèkke?; Deel 2, 2007- Ze di net of ze dôof waar...
    - Henriëtte Vunderink; Grôot dikteej van de Tilbörgse taol, 2007 - Ik di meej önt groot dikteej...
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dus dè dik
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - wij dinnet/deejenet; dik dè; dittiet mar; din zullie dè mar
    - Willems; Dialectenquête, 1887 - Al di(n) ie ôok niks
    - H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch; Ons volk, 1932 - Hi wo nie doen, wà daander din. 5. verleden tijd
  5. samentrekking

    ik di, ik deej/ gij did, gij deed/ hij di, hij deej/ wij din, wij deeje/ gullie did, gullie deed/ ze (zullie) din, ze (zullie) deeje dik, deej ik/didde gij, deede gij/dittie, deetie/dimme, deeje me /didde gullie, deeje jullie, deede gullie/din ze, deeje ze

    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1983-10-28 - wè didde gij vruuger vur oewen kost?
  6. 5.2 verleden tijd; samentrekking van werkwoordsvorm, persoonsvorm en voornaamwoord

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-03-17 - Mee dè ze zaat, disset [deed ze het...]
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigelek wel trèkke?; Deel 2, 2007 - Op de nòrregt laag de moter van et wasmesjien, die digget niemer. [deed het...]
  7. 5.3 verleden tijd, gebruikt als een verleden toekomende tijd

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigelek wel trèkke?; Deel 2, 2007 - As der kaort gespuld wier, vroege ze wel of ik meedeej.
  8. 6. voltooid deelwoord gedaon

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-09 - ...blij as n kend dè zn irste kemunie gedaon hee
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-09 - ...en bovendien ik hô mn wordje goed gedaon, want ik zè nie op mn mundje gevallen al zeg ik t zelf...
    - Piet Heerkens; De gemeenteraod van Baokel; Vertesselkes; 1941 - Zoo gezeed, zoo gedaon...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-07-14 - ik heb al gedaon vur gij oew broek los het...
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1963-10-23 - Ach jonge, ik heb al gedaon veur dè gij oe broek los hèt.
  9. werkwoord

    7. uitdrukkingen

    - Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - et nie doen, et slèècht doen - verpieteren, wegkwijnen (van planten)
    - Informant Toine Raaimakers; onbekende datum - èèrges oover doen - ergens over tobben; hij heeter veul oover gedaon
    - Informant Toine Raaimakers; onbekende datum - oew èège doen - voor zichzelf zorgen; hij doe zen èège
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1968-03-20 - Al blaost ze nog zo hôog van de toren, ze môt èève goed veege asse gedaon hee
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - Dettie aaltij zo hôôg van de tôren blaost, heettie van gin vremde, mar as ie gedaon hee, mottie èvengoed veege!
    - Jan Naaijkens; Dè's Biks, 1992 - doen - gaan, doen; ik doe mar wir es òp hùis aon
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - doen ook: bedragen, weerd zijn
    - WBD III.4.3:27 - het niet doen, verèèrmoejen, niet willen groeien, armetierig, niet aarden, niet tieren, wegkwijnen, voor het begrip niet gedijen
    - WTT ES, 2018 - Net als in het dagelijks gebruik van de standaardtaal kan doen gebruikt worden als een soort van hulpwerkwoord bij een infinitief. Zoals zullen een hulpwerkwoord is om een infinitief op de toekomst te richten, helpt doen het hele werkwoord om de activiteit daarvan te versterken. In het Standaardnederlands was deze vorm enige tijd populair maar het gebruik ervan lijkt af te nemen (2018). Het gebruik lijkt gebaseerd te zijn op de manier waarop kleine kinderen vaak worden aangesproken. Ook de verleden tijd - dik - is aangetroffen in het Tilburgs. In geschrifte is het werk van Ferry van de Zaande tot nu toe de enige bron.
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dus ik zit daor meej ene grôote tulbaand op mene kop èn ene kwak kaorte vur men neus. Èn dan deej ik dus de toekomst vurspèlle wittenie?
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn dan doede ammel grappen öthaole wittenie
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn dan iets over eksposieties van van die kunstenèèrs. Die manne doen ammel van onze belastingsènte schilderije maoke
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn dè doe ik ammel netjes zonder vurrijkòste bij heur binne zette.
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik doe meej mènne kompjoeter dus af èn toe ene natuurfillem kèèke èn ik doe ôk ammel dating doen hi?
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik doe veul kèèke nòr deeting. Wittenie? Dègge dus kunt aafspreeke meej 'n vrouwke.
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dus naa doe ik gewoon praote èn doen zullie et vur mèn tiepe.
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik zèg; Doede gij ok kooke?
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - As mene wiet rèèp is dan doe ik die aaltij zèllef knippe meej ene grôote knipschèèr.
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dan ging ik smèèreges de straoten aaf om de zak van Max òp te haole. Èn die dik dan wir verkôope òp de mèrt.
doening
zelfstandig naamwoord

winkel

- WBD III.3.1:87 doening - winkel
doerak
zelfstandig naamwoord

ondeugend kind

- WTT; bijdrage Ed Schilders, 2018 - Meestal gebruikt om een ondeugend kind aan te duiden. De etymologie twijfelt echter omtrent de afleiding. WNT lemma doerak geeft: Ontleend hetzij aan russisch doerak, domoor of aan maleis doerhaka, ongehoorzaamheid, verzet. Robben gebruikt beslist de Russische variant in een prent over een jongetje dat is blijven zitten. De prent heeft als titel Stom, en het jongetje is een luijen doerak (Prent van de Week, Rooms Leven, 1958-07-19). In een andere prent gebruikt Robben doerak als troetelnaam: Och munne lekkere doerak... (Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1975-12-12).
does
zelfstandig naamwoord

hond (in kindertaal), slordig persoon

- WBD III.2.1:476 - does - hond, ook hundje
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 does; oud en kinderlijk woord voor hond - doe t doesje mèr èèje.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - does - 1) hond (kindertaal); 2) de verbinding ene röwen does wordt van een persoon gebezigd die slordig is op zijn kleren en in zijn werk.
doese(r
samentrekking

doet ze (er)

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1962-06-22 - ksie-ze-nie... Mar zèèn doesser...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-01-05 - schèène doese wèl
doeskin
zelfstandig naamwoord

stofnaam (textiel)

- Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - van Engels doe (betekent hert, spreek uit doo) en skin (huid), letterlijk hertenhuid; wollen stof die op hertenhuid lijkt
- Henk van Rijswijk; Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool, 1950-09-01 tot en met 1954-07 - doeskin - een oude naam voor wollen stof van fijne strijkgarens in keperbinding geweven, afgewerkt in kaalappretuur en gebruikt voor uitgaanskleding van leger-eenheden (uitgesproken met een oe, schriftelijke mededeling, 2013)
doeter
samentrekking

doe het er

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Òch, doeter mar en bietje meej aon Ook al is het niet gemakkelijk, toch maar proberen om te gaan met de ander.
doffel
zelfstandig naamwoord

goedzak

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - doffel t is zon goei doffel - goedmoedig en niet bij de hand...
- WNT doffelen - inwikkelen, inpakken, een persoon in doeken instoppen, te weten iemand die in bed ligt
döfke
  1. 'tortelduifje' genoemd

    - K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de dèùve = dames Diepen
    - K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de grèèze dèùf = mej. Paijmans
    - WTT; aanvulling 2021 door Hans Hessels- grèèze dèùf wordt algemeen gebruikt voor grijsharigen.
    - WBD III.4.1:120 - duif - algemeen en vrouwelijke duif
    - WBD III.4.1:121 koolduif, bosduif, wilde duif - houtduif (columba palumbus)
    - WBD III.4.1:123 - tortelduif - tortelduif (streptopelia turtur), ook
  2. tortelduifje genoemd

  3. zelfstandig naamwoord

    duifje

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-22 - Daor zaate twee döfkes/ hil dicht bij mekaar...
dògs
zelfstandig naamwoord

daags; in de tweede naamval van de dag

- Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Mar dògs nòdderaand moes de klèène òngegeeve wòrre bij de geminte, moeste en getèùge hèbbe, war... Mar die koste toen al êene vatte van de straot, die zeej Jan, kom èfkes meej getèùge zèn! Mar ge had mist dè de buurman meej gong...
- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - En dan kwaam de slager, hè, òf de slachter dògs nòdderhand. Dan kwam ie saoves gewoonlek èn dan kwaamie die zaak kepòt snije... Èn dè ging dan in en hille grôote tòn...
dojer
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD - dooier
  2. Schilderij van Otto Modersohn (detail)

dòkkele
  1. werkwoord

    Tekening: - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad - uit: Fraters... pootjebaden Tekening: - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden - uit: Fraters...

    - Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - Meej schôon weer gingeme dòkkele in de Laaj - Bij mooi weer gingen we pootjebaden in de Ley.
    - Flaneur (pseudoniem van Antoon Arts); Zonder opschrift; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1904-04-16 - En weet ge, wat de schavuit had uitgevoerd? Hij was liefst gaan dokkelen in het Bax-ven, en had bij Mie in den Baars een glas melk gedronken en den vos in de kooi bewonderd en de kauwen op het dak.
    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - dokkelen - met de bloote voeten door het water loopen
    - Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - as t blank stao moete dokkelen
    - Piet Heerkens; De Mus, 1939:
    dòkkele
  2. werkwoord

    STERKE VROUW Ziede gij daor dè weuwke gaon? Ze hee dr witte klumpkes aon. Ze staawt nog stevig deur de sneuw al is zal ruim n halve euw. Dr muts is sneuw, dren rok is roet, dren maantel, jao, die stao se goed. Ze dokkelt nog zo dapper deur, 't is nog 'n kraachtig wijfken, heur!

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-07-04 - Enkel kender in de Laai/ Dokkelen wè in dn braai - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-06-07 - Ik zèè mee mn mokkel in de Laai wiste dokkele... - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1961-06-30 - Gaode zwemme, Naris... / Zwemme... / Ik kan nog mar aamperkes dokkele...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 05 23 - t Is lang niemir gelèk as vruuger / Want toen gingen we in de maai / Iederen aovend saomen poelieën / En lekker dokkelen in de Laai.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dur ut slèèk dòkkele - door de modder lopen
    - Elie van Schilt; Tilburg waor zen oe bossen; CuBra, circa 2000 - Bekaant tegen Lòòn op Zaand lagen de plakken, ok wel genoemde ut Lons Laaike, ut waren verschillende plaassen, rondom groeide er haai, daor gingen we s zomers ok wel dokkelen, zwemmen konde er nie, ut was te ondiep. [Bedoelde vennen maken nu deel uit van het natuurgebied Huis ter Heide tussen Loon op Zand en De Moer. Het grootste ven heet het Leikeven.]
    - Ed Schilders; Tilburg aan de Ley, het lied van Peerke Donders; de Tilburgse Revue Gloria Historia, 2009:
  3. Ja, ik heb in Suriname heel mn leven hard gewerkt Tussen lepra en melaatsheid, tussen ziekenhuis en kerk Het was uit naastenliefde, en het was een hels karwei En ik droomde écht waar élke nacht van Tilburg aan de Ley. Bij het laatste zonlicht las ik vaak een stuk uit mijn brevier Of ik bad een rozenhoedje in mijn boot op de rivier Dan stroomde traag de Coppename links en rechts voorbij En dan dacht ik bij mn eige: Kijk, t water van de Ley. Ik zag ziekte, dood, dag in dag uit, ellende, slavernij En dan smeekte ik Wi Tata - Onze Vader, maak ze vrij Wat zou ik dan nog treuren om mijn schaapjes op de hei Maar ik wou nog één keer dokkelen int water van de Ley! Refrein Dit maakt me blij! - Dokkele in de Ley! Dit maakt me vrij! - Dokkele in de Ley! Nee, ik ben nooit meer teruggekeerd, ik had het veels te druk Met verzorgen van melaatsen, en hun vleugje klein geluk. Ik kan niet trug en daarom maakt dit water mij zo blij Dat ik hier nu kan staan dokkele int water van de Ley. Foto: Frans van Aarle

    - Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2010-12-15 - In de vekaasie fietsteme nòr Esbeek om te gòn dòkkele in de Flaos. - In de vakantie fietsten we naar Esbeek om te gaan pootjebaden in de Flaas.
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - hij dokkelt in de Laai - baadt in de Lei
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dokkele - pootje baden
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 1. gezegd van geluid door stoten op straatstenen; 2. teuten, kloten, niet vooruit kunnen.
    - De Jager; Woordenboek der Frequentatieven, 1875 dokkelen - dokken - beide heeft Kiliaen voor duikelen, duiken; zie ook Ten Kate II 172
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 - dokkelen - wat onhandig en onzeker lopen, gezegd van kinderen en van mensen die zich over een slechte weg, bijvoorbeeld door de modder te voet voortbewegen. Ook pootjebaden.
    - L.L. de Bo; Westvlaamsch idioticon, Gent 1892 - donkelen - duiken
    - A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 dokkele - pootjebaden (midden van Noord-Brabant) Mogelijk iterativum bij 17e-eeuws dokken, duiken (of doen duiken?)
    - WBD III.1.2:160 dokkelen - waden
    - WBD III.1.2:161 dokkele - pootjebaden
    - WBD III.4.4:185 dokkelplaats - doorwaadbare plaats
dòkkeltje
zelfstandig naamwoord

dokkeltje

- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - klein meisje
- WTT 2017 - waarschijnlijk gezien de wijze waarop kleine kinderen enigszins waggelend lopen
dòkkeltje
dòkmardeur
zelfstandig naamwoord

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns; Et Buukske, Wè en hoe in de Tilburgse Taol, 2008 - donateur van de carnavalsstichting Tilburg: dok maar door; dokken - betalen, geld doneren.
dökplank
zelfstandig naamwoord

duikplank

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dökplank
dökt

persoonsvorm van dèùke; tegenwoordige tijd enkelvoud 2e + 3e persoonsvorm van dèùke, met vocaalkrimping duikt

dòkter
zelfstandig naamwoord

dokter

- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den dòkter - dr. Schuerman
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den dòctòr - P.C. de Brouwer
Dokus
naam

verkorting van Judocus

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1967-04-28 Jan Dokus en zn Fillemien...
dòl
bijwoord

dol

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dòlle kôop - koopje
- WBD III.1.4:230 dol - razend van woede
- WNT - dollekoop - koop tegen spotprijs, spotkoopje
dòlde
werkwoord

dòlder
zelfstandig naamwoord

daalder; destijds munt met waarde van anderhalve gulden

- Voorbeeld op de originele systeemkaart van Sterenborg - En goej klap is enen dòlder wèrd.
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-11-22 - Vur n haffel dolders...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - den irste klap is enen dòlder wèrd - de eerste klap is een daalder waard
dòlderij
zelfstandig naamwoord

moeilijkheden

- Nicolaas Daamen, Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 ergens mee in de dolderij komen
dölleke
zelfstandig naamwoord

lief meisje

- Paul Spapens et al.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, 2004 - dè klèèn dölleke van onze Toon
döllekes
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - denneappels
dölleper
zelfstandig naamwoord

dorpel met verwisseling van de r en de l

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1965-10-15 De dölleper van de Körrevelse kerk...
dòllik
bijwoord

dadelijk, meteen

- J.M. Van der Donck; Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882 - ...docht ik dollik... - daar geannoteerd met dadelijk
- J.M. Van der Donck; Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882 - Truike kik dollik nuwsgierig op.
dölper
zelfstandig naamwoord

dorpel met verwisseling van de r en de l

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1965-10-15 De dölleper van de Körrevelse kerk...
dòls
zelfstandig naamwoord

moeilijkheden, trubbels, dolligheid

- Voorbeeld op originele systeemkaart van Sterenborg - Meej den dieje hèmme veul dòls gehad.
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - veel of grooten dol met iets hebben - ...veel moeite...
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - dols komt voor naast laast; geneuk
- A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - dol - moeite, last
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dollatie (dólasi) - drukte, herrie, beweging
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 dol - last, moeite, leed, beslommeringen
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dols - moeilijkheden
- WBD III.1.4:358/383 dols - moeite; drukte
- WNT dol - thans boven den Moerdijk niet meer gewoon; last, moeite
dòlt
werkwoord

dòltje
zelfstandig naamwoord

schandaal

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - vèùl schandaol dègge zèèt!
- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - schandaol
- Ak dè òn onze paavertel komde un maond niemer bèùte, schandaol van de vismèrt. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o. - schandaal, "persoon die zeer in opspraak is, die tot groote ergernis aanleiding geeft, waarvan de aanwezigheid tot schande strekt"
- WNT - schande, schandvlek.
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHANDAAL zelfstandig naamwoord o. - iem. die zich schandelijk, eerloos gedraagt.
- Jan Naaijkens, Dès Biks, 1992 - schandaol, zelfstandig naamwoord - schandaal
dom
zelfstandig naamwoord

naaf (afgeleid van duim)

- WBD II:2764 - dóm - naaf
- WBD III.1.4:33 - dom - idem
- WNT dom, doem - bijvorm van duim - naaf
Domien
naam

Dominicus

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-07-22 Oew slekbord rammelt... riep Domien.
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-03-02 - Moete dè zien, Domien...
dömke
zelfstandig naamwoord

duimpje; centimeter

- Nicolaas Daamen, Handschrift Tilburgs Dialect,1916 - De duimkes is vur iemand warm houden. [duimen voor iemand]
- WBD III.1.1:155 duimke - duim
döms
naam

duims, een duim dik

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 duims - een duim dik; dömse planke
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 duims(ch) - eénen duim lang, breed of dik; duims(ch)e planken
dondekaoters
tussenwerpsel

samentrekking van donders + kater

- Een roestpraatje; Weekblad van Tilburg, 1867-10-05 - Komt hersop, in 't huukske; griest en lutske t is dondekaoters kaauw.
donderdaag
zelfstandig naamwoord

donderdag

- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - Donderdaag
donderjaoge
werkwoord

herrie maken, vervelend doen donderjaoge - donderjaogde - gedonderjaogd

- Voorbeeld op originele systeemkaart van Sterenborg - Zèn de kènder wir ònt donderjaoge!
- WBD III.1.4:401/410 donderjagen - zich vervelen, vervelen
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 donderjagen (dóndarja.ge^n) - razen, tieren, leven en rumoer maken
- WNT - donderjagen - het iemand lastig maken, zaniken, zeuren,vervelend zijn
donderleider
zelfstandig naamwoord

bliksemafleider

- WBD III.2.1:65 - donderleider - bliksemafleider
Donders(e) jèùch-pakke
  1. zelfstandig naamwoord

    De populariteit van Roy Donders in Nederland gaf ook aanleiding tot een grap van Mick Jagger bij het voorstellen van de Rolling Stones tijdens het concert in Landgraaf / Pinkpop 2014. Op deze afbeelding het moment waarop Jagger aan Wood vraagt wie zijn kapper is: Roy Donders? jêûk jeuk

    - Pierre van Beek; rubriek Tilburgs Taal Plastiek; Het Nieuwsblad van het Zuiden, 19?? - Waor gin jêûk is, daor krabde nie (Tilburgse Taaklplastiek 184) - geen gevolg zonder oorzaak
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - de jêûk is èèrger as de pènt ('87) - gezegd door een vrouw (weduwe) die graag wil (her)trouwen.
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - ik wèns oe veul jêûk èn korte èèrmkes
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - waor ge gin jêûk hèt daor krabde nie
    - Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000) - Jan Jêûk = J.H. Dikkers
    - Interview Jolen - 1978 - Dè bedoel ik, dès Jan Jêûk! Hoe hiete die nouw meej zene naom,JanHattie aaltij jêûk? Dè weet ik nie mar hij ha ne naom, hij ha ne naom!. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
    Donders(e) jèùch-pakke
  2. gezegde Dè jukt nie - Dat maakt niets uit, het is om het even, maakt niet uit.

    - KRATS; Schets uit het Tilburgsche leven, Nieuwe Tilburgsche Courant 28 mei 1926 - Daor hedde bevoorbeeld hulliejen oorne Fons. Vruuger kwaamp ie langs de deur mee innen kreugel, kneukels, krabbe..., 't jukt nie!
  3. werkwoord

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. jêûke jeuken jêûke - jukte - gejukt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: et jukt.

    - Voorbeeld Sterenborg - Jêûk et? Jao, et jukt. - Jeukt het? Ja het jeukt.
    - Nicolaas Daamen; Handschrift 1916 - daor jeuket em nie - daar zit het hem niet in
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - der stao geschreeven èn gedrukt dègge moet krabbe waor et jukt
  4. zelfstandig naamwoord

    jêûkerd scheldwoord voor oude man

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - nen aawe jêûkerd - een oude kerel
    - WBD III.1.1:3 'jeukerd' = man
Dongesewèg

toponiem Dongenseweg

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-01-02 - Op den Dongeseweg... bij de minsten van al (...) [Bij het woonwagenkamp; aan de Dongenseweg was jarenlang een woonwagenkamp gesitueerd]
donker
naam

donker Tekening: - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden / het Nieuwsblad - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend Tilburg 1931 - zo donker as et bakkes van de hel
- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1973 - Onze Lieve Vrouw stao in het donker, men zit er krap bij.
- WBD III.2.3:190 - donker brood - zemelenbrood
- WBD III.4.4:2 - donkere maan - nieuwe maan
- WBD III.4.4:16 donker - bewolkt
- WBD III.4.4:238 - donker worden - schemeren
donkere
  1. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Ge wit dè ge vur den donkerte töös mot zèèn, war? Je weet dat je voor het donker thuis moet zijn niet waar?
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Wè zit te daor tòch òmmol in den donkerte? - Wat zit je daar in het donker
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1966-12-02 - As hier elken hellige zn lichtje heej... zit ons Lief-Vrouwke in dn donkere... [Iedereen heeft het zijne gehad, maar degene die daarvoor heeft gezorgd staat met lege handen; daarmee wordt een gevoel van miskenning uitgedrukt]
    - Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 1994 - Ik kwaam in den donkere wir tèùs
    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ik zie in den donkere nèt zo goed as zonder licht
    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - het invallen van de duisternis
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - ...dè deeje fetsoenleke jongens en mèskes nie, die waare vur den donkerte tèùs.
    - Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer, 2009 - Gin strôom: dan zitte we ammòl tegelèèk/ in den donkere meej zn alle.
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - donkere duisternis; veur den donkeren thous zen
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - in den dungkere; vé den dungkere; van den dungkere.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - donkere - het donker, de duisternis
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 donker donker; vur dn donkere thuis!
    - WNT donkerte l. duisternis; 2. donkere plek, plaats
    donkeredonkere
  2. 2. werkwoord, zwak donker worden

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 3; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-23 t Begon stillekes aon te donkeren.
    - WBD III.4.4:238 donkeren - schemeren
donkerte
  1. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Ge wit dè ge vur den donkerte töös mot zèèn, war? Je weet dat je voor het donker thuis moet zijn niet waar?
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Wè zit te daor tòch òmmol in den donkerte? - Wat zit je daar in het donker
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1966-12-02 - As hier elken hellige zn lichtje heej... zit ons Lief-Vrouwke in dn donkere... [Iedereen heeft het zijne gehad, maar degene die daarvoor heeft gezorgd staat met lege handen; daarmee wordt een gevoel van miskenning uitgedrukt]
    - Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 1994 - Ik kwaam in den donkere wir tèùs
    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ik zie in den donkere nèt zo goed as zonder licht
    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - het invallen van de duisternis
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - ...dè deeje fetsoenleke jongens en mèskes nie, die waare vur den donkerte tèùs.
    - Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer, 2009 - Gin strôom: dan zitte we ammòl tegelèèk/ in den donkere meej zn alle.
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - donkere duisternis; veur den donkeren thous zen
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - in den dungkere; vé den dungkere; van den dungkere.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - donkere - het donker, de duisternis
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 donker donker; vur dn donkere thuis!
    - WNT donkerte l. duisternis; 2. donkere plek, plaats
    donkertedonkerte
  2. 2. werkwoord, zwak donker worden

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 3; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-23 t Begon stillekes aon te donkeren.
    - WBD III.4.4:238 donkeren - schemeren
dons
samentrekking

de onze, die van ons

- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dons - die van ons
dôod
  1. zelfstandig naamwoord

    de dood

    - Voorbeeld op originele systeemkaart van Sterenborg - om de dôoje dôod nie - beslist niet
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dôod is nie èèrg, mar ge mot zo verrèkkes lang stilligge
    - Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Bij het zien van een ernstige zieke: - hij ziet er èùt as den dôod van Ieper!
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ge verlangt nòr oewen dôod Gezegd wanneer je uitkijkt naar een moment in de verdere toekomst
  2. bijwoord

    - WBD III.1.2:194 - mee de dood in zijn ogen lopen - wegkwijnen
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - et kiendje was dôod vurdèsset kósse dôope
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zörgt dègge nie dôod zèèt vurdègge dôodgaot
    - Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Als iemand er erg ziekelijk uitziet: - dies dôod mar hij wittet zèlf nòg nie!
  3. werkwoord

    - WBD III.1.2:219 dood - verkleumd
    - WBD III.1.1:256 dood - gevoelloos; ook doof
    - WBD III.2.3:266 dood - verschaald (bier)
    - Voorbeeld op originele systeemkaart van Sterenborg - Ge gaot nie dôod vurdè ge en kèèr zaand op hèt. - Je sterft niet voor je tijd.
    - Grôot diktee van de Tilburgse taol, 2008 - Och val dôod, meens, lèèfde gij nòg!
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Valt dôod, lèèfde gij ok nòg!? Ga weg, leef jij nog!?
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 79, Nieuwsblad van het Zuiden 1969-05-08 - "Denk er aan, als ge dood gaat, gaode in 't paopekuiltje" placht een moeder tegen haar kinderen te zeggen. Hoewel "paap" o.a. verband houdt met grondwerk en ook met de lakenweverij, zien we die relatie hier toch niet. Wellicht wordt hier gewoon een graf op het kerkhof bedoeld. Het kerkhof is dan gezien als eigendom van de pastoor.
dôodgemoederêerd
bijwoord

doodgemoedereerd, zonder blikken of blozen, alsof het niks is

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-11-07 - Hij zeej dôôdgemoedereerd dek unne interessaante meens zèèè...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-11-17 - [dirigent tegen koorzanger...] Dr stao forto mar dè wil naa nog nie zegge degge dôôdgemoedereerd moet gaon staon te kwèèke.
dôodmaoke
  1. naam

    - Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - dodsveraachting
  2. werkwoord

    doodmaken

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dôodmaoke (geen klinkerverkorting)
dôodmuug
naam

doodmoe

- Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? dôodmuug
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - doodmuug - doodmoede
dôodsbidder
zelfstandig naamwoord

doodbidder, aanspreker

- Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, aflevering 2; Doden-cultus van eertijds; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-11-16 - Voor de tijd dat de stichting Rooms Leven de begrafenissen regelde, werd dit particulier door de doodbidders verzorgd. Deze hadden voor hun raam een bordje, waarop behalve hun naam ook te lezen stond: Aanspreker en lijkbezorger. Nu was het geen zeldzaamheid, dat voor de woning van een ernstige zieke, waarvan een spoedig einde verwacht kon worden, een of soms méér van deze mannen in de buurt bleven rondwandelen om zodra de zieke de laatste adem had uitgeblazen, direct hunne diensten te kunnen aanbieden. Hier werd dan het spreekwoord De een zijn dood is de ander zijn brood tot een waar woord gemaakt. Het is natuurlijk wel te begrijpen, dat wanneer dat op en neer kuieren door de naastbestaanden van de zieltogende werd opgemerkt, dit bij hen een minder prettige indruk maakte.
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Jao, ge hòd van die dôod... Ge hòd van die dôodsbidders hadde, die kwaame dan. Want vruuger, vruuger hadde op veul plòtse as de meense enen dôojen in hèùs hadde, dan wier der zon wèpke bèùte gezèt. En paor stêene teege mekaaren aon èn daor zon palmtèkske tusse, en boske strôoj...
dôof
  1. naam

    1. doof, dove; van gehoor

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1968-06-21 - [Moeder roept kind...] Gonneke... Gon... Gonda... heurde-me-nie dôôve kwartel... [Robben heeft bewust de naam Gonda gebruikt: de heilige Aldegonda van Maubeuge gold voornamelijk als geneesheilige tegen kanker maar zij werd ook aangeroepen ter genezing of voorkoming van doofheid. (bron: Jo Claes e.a.; Geneesheiligen in de Lage landen, 2005)]
    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ne meens mòt veul ònheure assie nie dôof is
    - Henriëtte Vunderink; Tis de moejte wèrd; Vergeefse mankemènte, 2011- Hij wier òn baaj de kaante wèl wè dôof.
  2. 2. gevoelloos; verdoofd

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1968-04-19 - Mn been is dôôf...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1983-12-16 - [zieke vrouw...] Dokter, mn haand is wir dôôf.
    - WBD III.1.1:256 - doof - gevoelooos
    - WBD III.4.4:2 - dove maan - nieuwe maan, ook donkere maan
dôoj
zelfstandig naamwoord

doden, overledenen, meervoud van

dôoje
  1. naam

    - Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - gin dooi
    - Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - bang dètter dooj bij valle
    - Gerard Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol, 2002 - Dikkels ging et ôok oover de dooj in de buurt. Dè waare we dan gewaor gewòrre omdè de gerdèène daor dicht waare òf omdètter zon busseltje vur de deur ston. As daor witte strikskes òn zaate dan waarder en kiendje dôod.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 doode; voor het lijk; oud gebruik, reeds bij Melis Stoke.
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dooie - dode; meervoud deui - doden
  2. doods, dor

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-08-26 - ...in dè dooi vervallen huis
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - dooi bloajer - dorre bladeren
    - WBD III.3.3:322 dooimis - dodenmis
  3. zelfstandig naamwoord

    dode, overledene

    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Tweej, drie daoge stonde ze zoiets... Den dôojen in hèùs èn dan bròchte ze em wèg... Jè, dè was de kèùl in!
dôojer
zelfstandig naamwoord

dooier

- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - dè maoke ze meej den dôojer van en aaj
dook
zelfstandig naamwoord

sul

- Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2007-11-28 - Et is ene goejen dook, mar hij heej nèrgeraand èèrg in - Och, hij is een goede sul, maar je kunt hem van alles wijsmaken.
- A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - dokus, verkort dook - sukkel, sul (Zeeland, Tilburg); waarschijnlijk verkort uit de eigennaam Judocus
dôok
werkwoord

dook

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - 2e persoon meervoud gullie dokt/dôokt; verleden tijd enkelvoud van dèùke
dooka
zelfstandig naamwoord

trage trut, vrouwelijke vorm van dookus

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - docha t is zon docha (dutsel)
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1983-06-17 - 't [de vrouw...] is en blèèft n dooka...
- Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2008-01-27 - Et is me tòch en dooka; ge kunt er nie meej hòrt òf vort!
dookus
zelfstandig naamwoord

sul

- Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2007-11-28 - Et is ene goejen dook, mar hij heej nèrgeraand èèrg in - Och, hij is een goede sul, maar je kunt hem van alles wijsmaken.
- A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - dokus, verkort dook - sukkel, sul (Zeeland, Tilburg); waarschijnlijk verkort uit de eigennaam Judocus
doole
werkwoord

dolen doole - dolde gedold; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd gij/hij dolt

dôop
zelfstandig naamwoord

doop, doopsel; voltrekking van het eerste sacrament bij rooms-katholieken

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1969-05-30 - Maag ik ôôk meej naor den dôôp zuster...
dôope
werkwoord

dopen doope - dópte gedópt; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping gij/hij dópt Behalve het sacrament van het doopsel ook in figuurlijk gebruik: sterke jenever verdunnen met water

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1983-10-07 - En de miste kasteleins zen nog t biste rôôms ôôk... Ze dôôpen dren snevel nog aaltij aauwverwets... [water bij de jenever doen...]
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1962 -11-16 - [Over slappe koffie...] Meej t volgende zetsel kunde vort dôôpen...
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - doapen - doopen
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - et kiendje was dôod vurdèset kósse dôope
doore
zelfstandig naamwoord

dorens

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - die rôozen èbbe lange dôorens
doorevink
zelfstandig naamwoord

groenvink, groenling (chloris chloris)

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - doorevink - groene vink
- WBD III.4.1:131 - doornvink - groenling
dôos
zelfstandig naamwoord

doos; figuurlijk: onnozel vrouwspersoon, doetje

- Voorbeeld op originele systeemkaart van Sterenborg - Wè zèède tòch en dôos! - Wat ben je toch een doetje.
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-04-03 [man tegen echtgenote] ôôh, hedde dè toch onderhaand deur dôôs degge zèèd...
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - dôos t is zo mar een dôos - ...meisje zonder energie
- WBD III.1.4:34 doos - domme vrouw
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dòòs - doos, gans
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - doos, verkleinwoord doozeke(n), dooske(n), Kempisch döske(n), voor wijf. Wordt niet enkel verbonden met oud: n oû doos, maar ook met gierig, lui, smèrig en vuil
- WNT - doos - weinig bij de hand, onnoozel vrouwspersoon die gemakkelijk is beet te nemen.
dôove
  1. werkwoord

    doven, uitdoen

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - doven
    - WBD III.3.3:115 - doven - idem (kaarsen)
  2. 2. zelfstandig naamwoord dove

    - Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek, aflevering 6; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-03-11 Hier zie ik oe, zeej den blende! en Naauw heur ik oe, zeej den dove!, kan iemand wel eens ten antwoord krijgen als hij goed uit den hoek komt of de spijker op de kop slaat.
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den dôove - Jan Kortenray jr.
dòp
zelfstandig naamwoord

dop

- WBD - dòppen òn de speene hèbbe [van een merrie...] - afscheiding geven uit de tepels als bewijs van zwangerschap, ook genoemd behaawe zèèn of (Hasselt) ònt èùre zèèn
döpke
zelfstandig naamwoord

dopje

- Informant Ad Vinken Aftelrijmpje; öpke döpke booterstöpke, öpke döpke dons
dopklêed
zelfstandig naamwoord

doopkleed

- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - dópklêed
- WBD III.3.3:279 - dopkleeke - doopkleed
doppeltje
zelfstandig naamwoord

dubbeltje

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dubbeltje (op Korvel en in Goirle)
dopsel
zelfstandig naamwoord

doopsel

- WBD III.3.3:279 - dopsel - doopsel
dopt(e
werkwoord

doopt(e) tegenwoordige tijd/verleden tijd enkelvoud van dôope, met vocaalkrimping

dopvont
zelfstandig naamwoord

zowel de doopvont als het doopvont

- Elie van Schilt; As ge katteliek geboren wierd; CuBra, circa 2000 - In de kerk aongekomen bij ut dopvont, daor wier oe kupke onder al die lappen uytgefrut en mee un Ik dóóp oe in de naom van de vadder en de zoon en ok nog dun heilige geest...
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dopvont
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - dópvónt
- WBD III.3.3:60 - dopvont - doopvont
- WBD III.3.3:60 - dopvont, dopvontkepèl
dòr
  1. bijwoord

    daar 1. als bepaling van plaats: daar, daarginds

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-02-13 - En wè vond ie daor..? / Alles vur m kaant en klaor.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-12 - Wörrom zum daor hôn neergezet
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-08-26 - Die worren daor bewaord.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-01-23 - Hier lotte wè, en daor vènde wè...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1966-04-01 - krek passeerde daor n medje...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-07-26 - Hier n douwke... Daor n klepke
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-22 - Daor zaate twee döfkes/ hil dicht bij mekaar...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-05-15 - Daor zwemmen gin vissen en paolingen
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-02-29 - Daor gao Sooike mee zn vrouw...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-03-02 - Dieje aauwe Sjassee daor...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-01-02 - Daor is Jantje Kapoen en Mie Tuureluut...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - van hierte toe daorte - van hier tot daar
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 daorlangs (zonder vocaalkrimping)
  2. 2. bepaling van tijd: toen

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-11-19 - Daor wieren zn pôôtjes zô muug as van lôôd.
  3. 3 . in een uitdrukking die gelatenheid uitdrukt

    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1973-05-19 - Daor staon we dan...
  4. 4 . in plaats van waar

    - Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - op dè gebied komt er iets te zien daor niemand èrg in hee
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Mar wèl stukskes over sjieke restaurants daor ge veur hil veul geld kunt gòn frèète.
  5. bijwoord

    daar

    - Voorbeeld op originele systeemkaart van Sterenborg - As ge dòr zèèt, moete dòr blèève.
dòrnèève
bijwoord

daarnaast

dòrnèt
bijwoord

daarnet, kort geleden

- Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Als je de kamer binnenkomt en beweert dat het daar stinkt: - dôrnèt nòg nie! of: - doet oewe mond es dicht èn ruukt nòg es!
dörp
zelfstandig naamwoord

dorp

- Voorbeeld op originele systeemkaart van Sterenborg - Den Haajkaant is gin dörp mir.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 114, Nieuwsblad van het Zuideb 1970-11-12 - Waar veel mensen wonen kan uiteraard veel gebeuren. We drukken dat wat kernachtiger uit met: "Er gebeurt in 'n stad méér dan in zeven dorpen". Er zou ook achter kunnen zitten de gedachte waarin "de stad" wordt gezien als "poel des verderfs", in tegenstelling tot de "onschuld" van het platteland.
- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003 Aan 't durp de praacht, maar hier de maacht. Aan het dorp de pracht, maar hier de macht. Het geld was op het Goirke te vinden. ("Het dorp" het Goirke, een deel van Tilburg dat ten noorden van de spoorlijn ligt. Er woonden veel fabrikanten.)
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - durp - dorp (vergelijk de spelling putjes voor pötjes); durpsplèèn
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dorp (uitspraak dörrep) - dorp; heeft ook de bepaalde beteekenis van dorpskom, het gedeelte van het dorp dat rond de kerk ligt en gewoonlijk het meest bebouwd is
- WBD III.3.1:317 dorp - dorpskom, centrum van het dorp, ook kom
dörpel
  1. zelfstandig naamwoord

    dorpel, drempel

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dörrepel, dölper
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - dörpel (ö van Mörder), sleepend dörrepel
    - Willems; Dialectenquête, 1887 dörpel
    - WBD III.2.1:41 - dorpel - vensterbank buiten
    - WBD III.2.1:42 - vensterdorpel - vensterdorpel
    - WBD III.2.1:65 - dorpel - drempel
    - A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - dorpel, durpel, delper - drempel (deur + paal)
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dorpel, drempel
    - WNT - dorpel, in de schrijftaal is drempel meer gewoon...
  2. A ls dölleper

    - WTT; Ed Schilders, aanvulling 2021 - De verwisseling van de R en de L (methatesis) komt vaker voor in het Tilburgs; zie Van Delft - Een dorpel noemt hij een dulleper; een orgel een ulleger; zelfs hoort men de wijk Korvel ooit Kullever noemen. (Van Vroeger Dagen, aflevering 118; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-06-08)
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 - dorpel (dörpel, maar dikwijls ook dölleper) drempel; go mèr op den dölleper zitte; hij komt hier nie over den dölleper.
    - Schuermans, Algemeen Vlaamsch Idioticon, 1865-1870) - L wordt met R verwisseld, en omgekeerd; zulker (zurkel), flamboeës (framboos), kellever (kervel), hallever (armvol), enzovoorts
dörreve
  1. werkwoord

    durven

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - döreve - dieref - gedörefd/gedöreve
    - Willems; Dialectenquête, 1887 - dörve - dörfde - gedörfd; ik durf, gij dörft, hij durft, meervoud durve
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - ik dèrf, ik dierf
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dörreve dörreft, dòrs
    - Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - ge dorft nie; as ie dorf dan...
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra Mar Kees toch zin de toeheurders, en dorrufde gij dè? Ja, dat dorf ik, zi Kees.
    - Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Daor dörref ik nie, daor dörref ik alles nie oover te vertèlle, van vèèchtpartije èn van allerhande dinge. Nèè, nèè, nèè, dè doewek nie... Nèè, daor hoefde ok nie bij te zèèn ok nie!
  2. bijwoord

    dörrem, dörrom daarom

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 dörum - daarom
    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ook om dörrom
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dörrem - daarom
  3. werkwoord

    dòrse dorsen

    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - dorse, hij dorst, hij dorste, hij heej gedorst
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dorse(n)
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dorse - dorsen; deelwoord gedorse
  4. zelfstandig naamwoord

    dòrst 1. dorst

    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - et zèn bedörve kiendjes die van drinke dòrst krèège (ook: Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2006-07-12)
  5. 2. geen trek in eten hebben In dit geval niet bedoeld als behoefte aan drank hebben maar als geen trek in eten hebben

    - WBD III.2.3 - de dorst verslaan; waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam; - de dorst verslagen; zeldzaam Tilburg - de dorst blussen.
  6. naam

    döster duister

    - Piet Heerkens; Vertesselkes; Wenter en lente, 1944 - Den aawen Wenter zit in zn hut; et is er koud en döster...
    - WBD III.4.4:238 - duister - donker; duisteren - schemeren
    - WBD III.4.4:238 - duister worden, schemeren
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - duister (uitspraak döster) - Zoo duister as e graf.
  7. zelfstandig naamwoord

    dösternis duisternis

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-07-15 - Daor uit de dösternis/ kwaamp unne vremde stoet
  8. naam

    Döts Duits

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - nen dötsen sòldaot
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Ok de veurlichting, ok in un pril stadium, wè waar dè eigeluk? kwam nicht im frage, om mar ens op den Dötse toer te gaon.
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - dötske - uit Duitsland afkomstige vrouw
    - Henriëtte Vunderink; Tis de moejte wèrd; Dötse kèùlegraover, 2011 - Èn et valt me steeds op dèt er èlke kêer/ Dötse toeristen òn koome draove,/ die daor dan diepe kèùle gòn graove...
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - döts - Duits
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - duitsch - döts
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - duits (uitspraak döts)
  9. zelfstandig naamwoord

    Döts, den de Duitsers

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Sommegte waare vur den Döts. - Sommigen waren duitsgezind.
    - Nel Timmermans; Den orlog; CuBra, 200? - Op enen aovend, t moet Vrijdag of Zaoterdag zèn gewist want ons moeder was de kènder in bad òn t doen, kwaam ons overbuurvrouw binne èn vertelde dè den döts had gecapituleerd
  10. zelfstandig naamwoord

    A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 Döts - Duits; den Döts - de Duitsers

    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 duits(ch) (uitspraak döts); Duitscher nen Duits(ch), de duits(ch)er; dieë man is nen Duits(ch)
  11. hulpmachine bij het weven; letterlijk Duitse machine

dörve
  1. werkwoord

    durven

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - döreve - dieref - gedörefd/gedöreve
    - Willems; Dialectenquête, 1887 - dörve - dörfde - gedörfd; ik durf, gij dörft, hij durft, meervoud durve
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - ik dèrf, ik dierf
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dörreve dörreft, dòrs
    - Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - ge dorft nie; as ie dorf dan...
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra Mar Kees toch zin de toeheurders, en dorrufde gij dè? Ja, dat dorf ik, zi Kees.
    - Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Daor dörref ik nie, daor dörref ik alles nie oover te vertèlle, van vèèchtpartije èn van allerhande dinge. Nèè, nèè, nèè, dè doewek nie... Nèè, daor hoefde ok nie bij te zèèn ok nie!
  2. bijwoord

    dörrem, dörrom daarom

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 dörum - daarom
    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ook om dörrom
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dörrem - daarom
  3. werkwoord

    dòrse dorsen

    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - dorse, hij dorst, hij dorste, hij heej gedorst
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dorse(n)
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dorse - dorsen; deelwoord gedorse
  4. zelfstandig naamwoord

    dòrst 1. dorst

    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - et zèn bedörve kiendjes die van drinke dòrst krèège (ook: Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2006-07-12)
  5. 2. geen trek in eten hebben In dit geval niet bedoeld als behoefte aan drank hebben maar als geen trek in eten hebben

    - WBD III.2.3 - de dorst verslaan; waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam; - de dorst verslagen; zeldzaam Tilburg - de dorst blussen.
  6. naam

    döster duister

    - Piet Heerkens; Vertesselkes; Wenter en lente, 1944 - Den aawen Wenter zit in zn hut; et is er koud en döster...
    - WBD III.4.4:238 - duister - donker; duisteren - schemeren
    - WBD III.4.4:238 - duister worden, schemeren
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - duister (uitspraak döster) - Zoo duister as e graf.
  7. zelfstandig naamwoord

    dösternis duisternis

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-07-15 - Daor uit de dösternis/ kwaamp unne vremde stoet
  8. naam

    Döts Duits

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - nen dötsen sòldaot
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Ok de veurlichting, ok in un pril stadium, wè waar dè eigeluk? kwam nicht im frage, om mar ens op den Dötse toer te gaon.
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - dötske - uit Duitsland afkomstige vrouw
    - Henriëtte Vunderink; Tis de moejte wèrd; Dötse kèùlegraover, 2011 - Èn et valt me steeds op dèt er èlke kêer/ Dötse toeristen òn koome draove,/ die daor dan diepe kèùle gòn graove...
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - döts - Duits
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - duitsch - döts
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - duits (uitspraak döts)
  9. zelfstandig naamwoord

    Döts, den de Duitsers

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Sommegte waare vur den Döts. - Sommigen waren duitsgezind.
    - Nel Timmermans; Den orlog; CuBra, 200? - Op enen aovend, t moet Vrijdag of Zaoterdag zèn gewist want ons moeder was de kènder in bad òn t doen, kwaam ons overbuurvrouw binne èn vertelde dè den döts had gecapituleerd
  10. zelfstandig naamwoord

    A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 Döts - Duits; den Döts - de Duitsers

    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 duits(ch) (uitspraak döts); Duitscher nen Duits(ch), de duits(ch)er; dieë man is nen Duits(ch)
  11. hulpmachine bij het weven; letterlijk Duitse machine

Dossier lieveheersbeestje
  1. zelfstandig naamwoord

    lieverij

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "mar wè kreeg ie op z'n lieverij (scherpe terechtwijzing)"
    - WNT - LIVREI - Kleedij waardoor zich een bepaalde categorie van personen onderscheidt.
    Dossier lieveheersbeestje
  2. bijwoord

    lieverleej lieverlede (alleen met 'van') Cees Robben: van lieverleej begós et zôo te lôope

    - WNT - VAN LIEVERLEDE - geleidelijk, gaandeweg, kalm, zonder overhaasting; langzamerhand, allengs, beetje voor beetje
  3. zelfstandig naamwoord

    Dianthus barbatus lievermènnekes

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - duizendschoon (Dianthus barbatus)
  4. zelfstandig naamwoord

    - WBD - (III.2.1:425) lievermènnekes = duizendschoon, ook genoemd: snoffel of boeresnoffel
  5. werkwoord

    ligge liggen; ziek of bedlegerig zijn ligge - laag - geleege in tegenwoordige tijd vocaalrekking: hij leej O nzen oopaa leej al virtien daog. - Opa is al veertien dagen ziek. Cees Robben: Waor wilde ligge? Lòt den hòf tòch ligge, Jan; - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ónder diejen èèk ligge veul èèkels Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - ge hèt venaacht zeeker nie drêûg geleege (Daamen, Handschrift 1916) - gezegd tegen iemand die opvallend vroeg uit de veren is. - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - niks laote ligge as meulestëene èn gloejend èèzer Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - ligge ww - liggen; wordt dikwijls gebruikt in een andere betekenis. ligger zelfstandig naamwoord

    - WBD - (in de Hasselt) putzwengel (balk of paal die balancerend aangebracht is in de gaffel van de putgalg) - WBD - (Hasselt) - legger, (bep. gewrichtsziekte bij paarden), ook genoemd 'legger', 'gal' of 'klappees'
Dötser
zelfstandig naamwoord

Duitser

- Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - Vlak bij de grens worren ze opgejaogd dur de kommiezen, de smokkelaers zuuken lijfsbehoud in 't vrèmde laand. Mar om daor te komen moeten ze dur den elektrieken draod, de moordende afrastering die de Dùtschers in de oorlogsjaoren tusschen Brabant en Vlaonderen spanden.
double face
  1. zelfstandig naamwoord

    stofnaam (textiel), dubbelzijdig te gebruiken stof double face; uit het Frans, uitgesproken doeble fas; ook verbasterde Engelse uitspraak kwam voor: döbbel fees

    - Henk van Rijswijk; schriftelijke mededeling, 2013 Ik ken de uitspraak alleen in de Engelse versie (dan dus uitgesproken döbbel fees)
    - Henk van Rijswijk; Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool, 1950-09-01 1954-07-01 - Double face - de naam geeft aan dat de stof een dubbel uiterlijk heeft. Men noemt dat ook wel reversible. Een reversible-coat is een jas die aan twee zijden gedragen kan worden. Het is een dubbelweefsel waarbij de twee zijden gewoonlijk door bindkettingdraden met elkaar verbonden zijn. De bovenzijde heeft meestal een andere structuur en kleursamenstelling dan de onderzijde. Het onderweefsel is vaak geruit.
  2. Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954

    - J.T. Bonthond; Woordenboek voor de manufacturier, 1947 - double-face - weefsel met verschillend gekleurde of bedrukte zijden, bijvoorbeeld dekens
    - WNT, 2001 - doubleface - uit frans double-face; zoo ook duits doubleface; vergelijk engels double-face. Ook nog wel los geschreven, of met een koppelteeken.
    - V. Hoytema; Garen 176, 1917 - Double face - kaardgaren wollen stof, dubbel geweven met verschillend patroon in onder- en boven weefsel, meestal gemêleerd boven, geruit onder
    - Van Paassen en Ruygrok; Textielwaren 206, 1965 double face - dubbelweefsels. Hieronder verstaat men weefsels, die uit minstens twee ketting- en twee inslagstelsels bestaan en als het ware twee weefsels vormen, die boven elkaar liggen en van verschillende kleur en/of kwaliteit kunnen zijn.
douw
zelfstandig naamwoord

duw

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-06-08 Alderliefste lieve vrouwke, gift men duif n extra douwke... Komt ze nie... of heel laot binne, laot dan Willem Ii mar winne... [schietgebedje van een duivenmelker voor een Maria-altaar]
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - daaw
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - douw duw; iemand nen douw geven.
- WNT duw - douw
douwderiedouwke
zelfstandig naamwoord

deuntje, melodietje

- Piet Heerkens; Dn örgel; Aaw Tilburg, 1938 - en zong zn douwderidouwke
douwe
  1. werkwoord

    duwen

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 daawe duwen; daaw ut mar du de deur deur!
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - derónder gedouwd wòrre - begraven worden
    - Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels - Als je je tussen het vele publiek bij een evenement een goeie plaats wilt veroveren: - irste rang, zèlf douwe!
  2. zelfstandig naamwoord

    Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg douwkèèr

    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, 1998 - stootkar, ook stótskèèr
    - Nel Timmermans; Wètter ammòl òn de deur komt; CuBra, 200? - En òn de vurdeur kwaam elken dag de melkboer meej en douwkèèr meej enen hond eronder die moes hèlpe trèkke.
draacht
zelfstandig naamwoord

dracht

- WBD III. 4.3:26 dracht - drachtig zijn
draaibôom
zelfstandig naamwoord

draaiboom

- Lowie van Dorrus Misters; Onze Tilburgse folklore, aflevering 16; Rond de boerenhaard 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1952-06-27 - Velen van ons hebben nog wel de leurders gekend uit Kaatsheuvel met bezems en boenders. Was de stal aan het huis verbonden, dan was er vanaf de goot ook een deur, die toegang gaf op de voorstal, de ruimte waar het vee gevoerd werd. In de woonkamer naast de gootdeur was dan de draaiboom, een staande balk, die draaide tussen vloer en zolder met aan het boveneind een liggende balk, tussen beide zat een schuine stutbalk. Aan het vrije uiteinde hing een stang of ketting met haak, waaraan de sopketel op juiste hoogte boven het haardvuur kwam te hangen.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dreiboom draaiboom; op ene spil draaiende boom, waarmede men een last verplaatst
- WBD - draaiboom koeketel; draaibare boom aan een staande paal
draajbòrd
zelfstandig naamwoord

draaibord, draaikont

- Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-03-19 t Is een draaibord - Hij waait met alle winden; Hij huilt met de wolven, waarmee hij in t bos is
draaje
werkwoord

draaien

- Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - der duukskes óm draaje
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1974-10-25 [Man tegen vrouw] Zôô, zodde gij oew braoi daor ôôk in wille draaie... Ik zit liever aon unne viskuil...
- Pierre van Beek; Typische zegswijzen, aflevering 5; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-08-25 - Ik ben er mee gedraaid - Ik ben er mee klaar! t Valt niet mee.
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - draaien as ene stront in ene pispòt
- WBD - schôon gedraajde koej - koe met mooie billen, ook genoemd vierkaante, meej goej / mooje bille, meej goej aachterstel
- WBD - et kalf zit gedraajd, respectievelijk aachtersteveure - met de kop naar achter, dus verkeerd (vóór de geboorte)
- WBD - in zen hakke draaje (van een paard) - bij het stappen de voeten naar binnen keren, ook genoemd haoks (loope)
- WBD - draaje - keren (van de ploeg, aan het eind van een akker)
- WBD - dur de meule draaje - worstvlees en -vet kleinmaken, ook genoemd durdraaje
- WBD III.1.4:417 - draaien - slinkse streken
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 draaien; iemand iet draaien - hem iets kwaads toebrengen
draajers
  1. zelfstandig naamwoord

    draaiers

    - WBD knobbels - kleine heupen achter de grote heupen, meestal in de vorm van uitstekende botten of knobbels (bij koeien)
  2. Dendrocopos minor

draajnèk
zelfstandig naamwoord

bonte specht

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - kleine bonte specht (dendrocopos minor; ook picus minor)
- WBD III.4.1:142 - draajnèk - bonte specht
draajnèk
draank
zelfstandig naamwoord

drank

- Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - sterken draank
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-03-07 - En naa motte dn draank vort uit oe lèèf laote, Willem...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-09-19 - Ge moet den draank n maond laote staon
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ge kunt den draank öt zen bakkes tappe - gezegd van iemand wiens gezicht drankmisbruik verraadt
draant
bijwoord

verkorting van onderhaand

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - intussen, inmiddels
drang
zelfstandig naamwoord

het gedrang

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-10 - Derde rang [in de bioscoop], dan moete hil den tijd staon en in den drang staon ok nog!
draod
  1. zelfstandig naamwoord

    draad meervoud zowel draojer, draoje als draoj verkleinwoord: dròjke

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-06-30 - ...de vêêring van dn draod
    - A.J.A.C. van Delft; Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek, uit de volksmond opgetekend; Nieuwe Tilburgse Courant, 1961 - Er was geen goeie draad mee te spinnen. - Hij was onhandelbaar, er was niets mee aan te vangen.
    - Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Want affèktgaores op zichzèlf die zijn van ketoen mar ge hèt ok veel die gevèrfd zèèn dèt wol is, war Want ene wollen draod kunne ze nie zo dun maoke as ene gewoone hillen dunne zijen draod, òfwèl ene ketoenen draod
  2. naam

    - Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - de buitenwèvers van Körvel, och èrm, och èrm, och èrm, d'r braken toch zoveul draoi...
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, Tilburg 1984 - ik knupte de draoier'
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - de draoj zèn dur bekaar gewèèrd - zijn in de war geraakt
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - draojer, draoje
    - WBD II:989 - kèttingdraod - kettingdraad
    - WBD II:1012 - lèngdraod - lengdraad: ter reparatie van kettingdraden
    - WBD II:1029 - inslagdraod - inslagdraad
    - WBD - prikkeldraod, prikdraod, pikkeldraod - prikkeldraad
draodhèkke
zelfstandig naamwoord

- WBD - sluitdraad voor een weide-ingang (Hasselt)
draoge
werkwoord

dragen

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-09-22 En ik hoop degge dees medollie van verdienste nog lang in eer en deugd meugt draoge...
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - draoge, (hij) draogt
- WBD III.4.3:33 dragen - vrucht zetten
- WBD - de koe draogt - ze is drachtig, ook genoemd draogend ofwel der is en kalf in; der zit en kalf óp; ze is behaawe
- WBD - draogt oover - (van een koe) heeft de drachtigheidsperiode overschreden c.q. is oover tèèd
- Willems; Dialectenquête, 1887 - draoge - droeg gedraoge; in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - ze droeg n maand op den rug
draogend
naam

- WBD - drachtig (van een koe), waarvan men ook zegt behaawe
draove
werkwoord

draven draove - draofde gedraofd; geen vocaalkrimping

drapeej
zelfstandig naamwoord

stofnaam (textiel)

- WBD II.4:861 drapé
- J.T. Bonthond; Woordenboek voor de manufacturier, 1947 drapé - Kamgaren weefsel in versterkte satijnbinding. Licht geruwd en geschoren. Meestal zwart geverfd. De binding is in tegenstelling met Laken, meer of minder zichtbaar. Toepassing: smokings.
- WNT, 2001 - Drapé - Fijne zwarte of donkerblauwe, uit kamgaren geweven wollen stof, inzonderlijk gebruikt voor gelegenheidskleeding, kostuums e.d.
- Van Paassen en Ruygrok; Textielwaren 334, 1965 Drapé - Fijne, wollen meestal kamgaren stof, geweven in speciaal versterkte satijnbinding met lakenappretuur. Soms ook kamgaren ketting en strijkgaren inslag. Gebruikt voor damestailleurs, officierslaken en, zwart geverfd, voor heren gelegenheidskleding.
Dree(j
naam

verkorting van Andre(as)

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-12-31 - ...onzen Dreej...
drèèfdölleke - drèèftölleke
zelfstandig naamwoord

drijftolletje; kinderspeelgoed: drijftol - tol die met een zweepje in beweging moet worden gehouden (aandrijven)

drèège
werkwoord

dreigen, bedreigen drèège - drèègde - gedrèègd

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - Hij bedrèègde mèn meej ene knuppel.
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 gedregen - 3e hoofdvorm van dreigen; dreigen, dreeg, gedregen
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - gedregen, voor gedreigd. Men zegt het ook meestal in Zuid-Brabant.
Dreeke
naam

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-05-01 - Ons Dreeke wordt pastôôr, opa
drèène
werkwoord

dreinen, lastig zeuren drèène - drènde gedrènd; in tegenwoordige tijd vocaalkrimping drènt

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Hij blêef mar drèène. - Hij bleef maar zeuren.
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - draine - zaniken
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - drêne (ê van frans même) - pruttelen
- WBD III.1.4:252 - dreinen - drenzen
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 dreinen - 1. staan te draaien, onzeker zijn wat te doen; 2. dreigen te regenen; et hee den heelen dag al gedrend
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 dreinen - drènen
drèènoor
zelfstandig naamwoord

dreinoor dreinen lijkt een verbastering van drenzen; -oor is een gangbaar achtervoegsel in berispingen als verondersteld wordt dat de aangesprokene niet wil luisteren; vergelijk druiloor en

drèève
werkwoord

drijven drèève - drêef gedreeve; geen vocaalkrimping

drèèver
zelfstandig naamwoord

koppig persoon

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1963-10-23 - Toent nog nen klèènen brak waar, dacht ik al dettet aaltij nen drèver zô blève - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-02 - Meetoere bende ûnne lillikû drèver, dreiner!
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1963-11-29 - t [het kind] zal aaltij wel unnen drèèver blèèven...
drèèverke
zelfstandig naamwoord

opvallend klein, beweeglijk persoon

drèfke
zelfstandig naamwoord

drafje

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-05-25 - ...op n drefke...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 drèfke - drafje
- WBD III.1.2:125 - op een drafje lopen - op een sukkeldrafje lopen; ook op een schokje lopen, op een kiependrafje lopen
drèk
bijwoord

direct, zo meteen

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-08-03 - Doew-nissels-vaast... Drek-trap-trop...
- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - En dan moes et [vlees van het geslachte varken...] drèk nòr de pestoor! Die, die aat er goed van, dieje kèèrel! Die vrêet ze wèl op, hè, hè, hè... Daor koste meej gin wit spèk nòr toe!
- Interview met De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Jao, dè di hij! Hij ging meej sponze langs de deur... Hij, Jan... Jè, ik kan et ammel zo drèk meej de naom niemer noemen, hè...
drèl
zelfstandig naamwoord

dril, geleiachtige substantie

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 drèl - dril, geleiachtige substantie
drèm
zelfstandig naamwoord

uiteinde kettinggaren

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 drem (weversterm) - drem, drom - het niet meer te verwerken uiteinde van het kettinggaren
drènt
  1. werkwoord

    dreint tegenwoordige tijd enkelvoud; jij, gij, hij, zij drènt Schilderij van Osias Beert (detail) - 17e eeuw 1. druif 2. pretmaker , zot mens (meestal vrouw)

    - WBD III.1.4:197 druif - pretmaker
    - WNT druif - In toepassing op personen, inzonderheid in de verbinding een fijne druif, van iemand die zich onwaardig gedraagt
  2. 3. knop in spanzaag

    - WBD II:2375 dröf - een van de knoppen waartussen het zaagblad van een spanzaag bevestigd is
drêûg
naam

droog

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Giestere rèègenden et èn naaw ist drêûg.
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - Ge hèt vannaacht zeker nie drög gelege? [gezegd tegen iemand die nogal vroeg uit de veren is]
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-07-14 - Unne mond zô dreug as schar...
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - ...drêûg fan den dòrst
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den drêûge - George Dröge
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - nen dreugen zommer
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - hullieje mónd is drêûg van den dòrst; met umlaut
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 droog (scherpe o, Kempisch ook druëg)
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 dreug - droog. In Neder-Saksen zegt men ook drüge.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - Onder dreuge(n); voor het vocalisme van dreug en dreugen zie paragraaf 134 van de klankleer
- WBD III.1.4:263 droog - sip (kijken)
- WBD III.2.2:31 - droog zindelijk [van kleine kinderen]
- WBD III.4.4:28 - droog houden - droog blijven (weer)
drêûgdraod
naam

droogdraad, waslijn

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 02 28 - De kiele hange aon d'n dreugdraod.
drêûge
werkwoord

drogen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 in verleden tijd drêûgde naast drugde; geen vocaalkrimping
- Interview Bertens, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Èn dan liete die blaos wè drêûge èn zo gauw asse wè gedrêûgd was, jè dan gingder meej voetballen op straot.
drêûger
zelfstandig naamwoord

droger, iemand die iets droogt

- WBD II:642 - drêûger - droger, van leer
drêûgkaomer
  1. zelfstandig naamwoord

    de kamer waarin sigaren gedroogd werden

    - Interview Jolen, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - De siegaarefebrieke die ik gewèrkt hèb die hadde en, en drêûgkaomer, hè... Èn daor wèrde de siegaare in gedrêûgd èn asse dan gedrêûgd waare dan ginge ze in rèkke staon.
  2. zelfstandig naamwoord

    drêûgklôot droogkloot; droge grappenmaker

    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - droge-humorist
    - Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2009-12-16 - Bè diejen dreugklôot moete geduureg èfkes dènke, vurdè ge kunt laage. - Bij die droogkomiek moet je meestal even nadenken,voordat je kunt lachen.
  3. werkwoord

    drêûglègge droogleggen; alcoholgebruik verbieden

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-02 - Ons kermis is dees jaor vur den irsten keer dreug gele, dè wil zeggen, dè ge in de cafés vur oe goeie centen eigenlijk gin drupke snevel zôt kunnen koopen. De köster was in den raod den eenigste die zne mond er tegen durfde open te trekken. Van den eene kaant valt dè te begrijpe, want hij hee-t-'m verduveld gère; en dan ten twidde: die thuis niks as leege briefkes meuge lezen, hebben op n aander de miste prots.
  4. zelfstandig naamwoord

    drêûgmesjien droogmachine

    - WBD II:1057 - droogmachine
  5. zelfstandig naamwoord

    drêûgrèk

    - WBD - droogrek voor vaten en emmers buitenshuis, ook genoemd kannerèk, drugrèk, pannerèk, rèk, mèèlkrèk of (Korvel) droeprèk
  6. werkwoord

    drêûgschaove

drèùle
werkwoord

trullen

- WBD III.3.2:102 - drèùle trullen; knikkers laten rollen, ook stuiteren genoemd
- WBD III.1.4:82 druiloor - persoon met een lastig karakter
- WBD III.1.4:161 druiloor - leegloper
- WBD III.4.4:47 - druilweer, druilerig weer - nat weer
- WBD III.4.4:66 - druilen - lichtjes regenen
- WBD III.4.4:102 druilregen - natte sneeuw
drèùpe
  1. werkwoord

    druipen

    - Willems; Dialectenquête, 1887 - drèùpe - drôop - gedroope
  2. vocaalkrimping in tegenwoordige tijd gij/hij dröpt

drèùpkòl
zelfstandig naamwoord

- WBD - wit stervormig vlekje op het voorhoofd van een paard, ook kòl genoemd
drèùpsnòr
zelfstandig naamwoord

druipsnor, hangsnor

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik zèg, Moeide gij oewèège nèèreges tegenaon, verrekten drèùpsnòr!
drèùvevèèger
zelfstandig naamwoord

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - druivevaiger - druivenstok tegen den muur
- WBD III.2.1:465 drèuvevèèger, drèùfèèger - wijnrank
drie
telwoord

drie

- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, ongenoemde zegsman uit Tilburg in 1973 Drie dingen zijn niet te houden: een oude schuur die brandt, een oude vrijster die wil trouwen en 'n boer met een processie-vaan in zn klauwen.
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - drie - derde, maar driedes - ten derde
Drie keer Appetjoek

Op een kleine handpers van Studio Zeedauw kon op de markt in Tilburg een woord of een zinnetje gezet en afgedrukt worden. CuBra koos voor het typisch Tilburgse scheldwoord Appetjoek. Eerst het zetwerk: Daarna inkten: En het resultaat: Op papier ziet een appetjoek er dan zo uit: Foto's: CuBra, 23 maart 2019. Meer informatie over Zeedauw: www.studiozeedauw.nl

drieappelepap
zelfstandig naamwoord

kinderspel; vorm van bokspringen, oversprong

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-04-27 Oversprong... hiet dè vandaog... (...) t aauw drie appelepap
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1963-06-15 - Gaon we driehappelepappe of pliesieke speulen mee vreuke?
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 drieappelepap - spel
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - variant op bokspringen; één jongen steunt met zijn handen tegen een muur en de anderen bespringen hem
driede
  1. telwoord

    derde

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - As ge driedes waart, krêede nòg ene prèès.
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 8; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1931-12-29 - ...nen Driede vent stond er stillekes bij te louwen.
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-09 - Dees is naa al t driede velleke.
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-09 - En naa de driede reje...
    - Piet Heerkens; Brabant, Brabantse psalm, 1941:
  2. Er was 'ne boer en die ha drie zoone, den eene hiette Cis, den aandere hiette Sas en den driede hiette Sus van Kempen.

    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1966-05-27 - De driede parochie van Gôôl...
    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - derde
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - driedes ten derde
    - Willems; Dialectenquête, 1887 - driede; ten driede
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 driede - derde.
  3. Het is een zeer goed, schoon thans minder gebruikelijk woord; twelk, of wel dryde, bij Kiliaan nog voorkomt, en bij vele Ouden gevonden wordt.

    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 driede - ouderwets voor derde; ook darde werd gezegd.
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 driede - derde
driederaand
telwoord

drieërlei

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-02-14 - k Heb driederaande sôôrt...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-05-17 - Ik beteul zelf munnen hof en win veul. s middags hek vort driederaand sôôrt gruuntes op taofel... peekes, peeje en wortele...
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-02 - De weffere mende van die driederaande
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - driederhaande/-te - drieërlei
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - der zèn driederaande leuges: klèèn leuges, grôote leuges en dodsprèntjes
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - drieërhande
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - driederande - drie soorten
driedes
  1. telwoord

    derde

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - As ge driedes waart, krêede nòg ene prèès.
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 8; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1931-12-29 - ...nen Driede vent stond er stillekes bij te louwen.
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-09 - Dees is naa al t driede velleke.
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-09 - En naa de driede reje...
    - Piet Heerkens; Brabant, Brabantse psalm, 1941:
  2. Er was 'ne boer en die ha drie zoone, den eene hiette Cis, den aandere hiette Sas en den driede hiette Sus van Kempen.

    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1966-05-27 - De driede parochie van Gôôl...
    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - derde
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - driedes ten derde
    - Willems; Dialectenquête, 1887 - driede; ten driede
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 driede - derde.
  3. Het is een zeer goed, schoon thans minder gebruikelijk woord; twelk, of wel dryde, bij Kiliaan nog voorkomt, en bij vele Ouden gevonden wordt.

    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 driede - ouderwets voor derde; ook darde werd gezegd.
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 driede - derde
  4. telwoord

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - As ge driedes waart, krêede nòg ene prèès.
    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - derde
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - driedes ten derde
driedraods
naam

driedraads; sterke koffie de sterke koffie wordt vergeleken met een stof die uit driemaal zoveel draden wordt geweven als gewone linnen stof, en die dus zeer sterk is.

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - 'ne Driedraadse sterke tas koffie. Een driedraadse sterke kop koffie. Een kop sterke koffie.
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - en driedraods stèèrke tas koffie (sterke stof werd met driedubbele draad geweven)
driegdraod
zelfstandig naamwoord

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - driegdraod - rijgdraad
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - rijgdraad
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - driegdraad - Ge moet de driegdraten nog uit het kleed trekken.
- WNT - driegen - samenstelling driegdraad (filum leuis suturae)
driege
werkwoord

rijgen

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - moederke moet er oew klirkes nog driegen
- Piet Heerkens; Dn örgel; Slaopliekes 2, 1938 - Mientje mijn kiendje, slaop,/dengeltjes komen al vliege, vliege,/moederke moet er oe kleerkes nog driege...
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1944-12-15 [Karel...] Sjarel, ge moet me nie kwaoluk neme, mar wè hedde naaw toch vur innen gekken jas aon? [Sjarel...] Vende gij die gek? [Karel...] Nou me dunkt! Ge ziet bekaant niks aanders dan naoie! Ik wed dettie wel uit virtig verschillende lepkes bestao, diechche aon bekare het gedriegd.
- H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch; Jaors-brullof, 1932 - Den herfstweind driegt zn witten draod/ deur t laoken...
- A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - driegen - met losse steken rijgen
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 driegen wordt hier gebruikt voor rijgen, aanrijgen
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - driege(n) - met een losse draad en wijde stenen rijgen
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - driegen - met een lossen draad hechten, rijgen
- WBD II:1173 - driege - rijgen; ook rèège genoemd
driehoekerig
naam

driehoekig

- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Bij ons oomaa hing nòg zon driehoekerig bòrdje òn de muur meej in et midde en ôog dè zeej dè Gòd alles zaag.
Driek
naam

van Hendricus

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-09-12 - Dn Driek zeej...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-02-01 - De kènder van Drieke van Hanne...
Drieka
  1. naam

    van Hendrica en andere vrouwelijke heiligennamen op -ica

    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-04-12 - Drieka
  2. naam

    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-10-13 - Schiet toch op, Drikka
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-09-25 - Hoe gaoget, Drikka.?
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1980-10-31 - Wè lekt jou, Drikka?
drieklèts
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD III.1.2:133 - op een drieklèts lopen - vlug lopen; ook stiefelen, stouwen
  2. Foto: Regionaal Archief Tilburg - Beeld On Line

Driekôonenge / Driekôoninge
  1. zelfstandig naamwoord

    Driekoningen; de feestdag van 6 januari, in de Roomse kalender Epifanie, de openbaring van Jezus als mens

    - Piet van Beers; Kèrsemes, 1996 - Ik hèb vur ènkele jaore terug/ unnen bôom meej klèùt gekòcht./ Èn...nao Driekooninge hèk m/ nao munne tèùn gebròcht.
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - Driekònninge - Driekoningen (de o is in Beek dus kort)
    Driekôonenge / Driekôoninge
  2. 1.1. een van de beelden uit de kerstgroep

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-12-22 - De zwarte Driekôning die hedde genekt...
  3. 2. samenstellingen 2.1. driekôoningezinge

    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Dan gingde Driekôonenge zinge, dan ginge ze de straoten aaf èn dan hadde zon mèndje bij, zon körfke. Èn dan krêede ooveral en paor (...) òf en snoepke èn zôo òf meense wòr ge ene sènt van krêegt. Èn agge dan tös kwaamt, hadde meschien en kwartje òf tweej kwartjes...
  4. 2.2. driekôoningenaovend

    - WBD III.3.3:240 - driekôoningenaovend
  5. 2.3. driekôoningefist

    - Piet van Beers; Allòchtontjes - Diejen dag zèn der nog veul/ zangerkes gewist./ Dès èlk jaor opnuu/ meej t Driekooningefist.
  6. 2.4. driekôoningelieke

    - Piet van Beers; Traditie - Ik was de Kèrstbôom af òn 't tèùge./ Toen stond er iemand òn de bèl./ Ze zonge n Driekoningelieke./ Ge kènt dè vèrsje toch nog wèl.
  7. naam

    - WBD II:1008 - Driekôoninge - drie naast elkaar gelegen smètte, ten teken dat een stuk (weefsel) vol was
  8. 3.1. kaartterm, familietaal

    - WTT 2012, circa 1970 - bij het kaartspel zwikken: alle drie de kaarten zijn heren; als bod ook genoemd zes jannewaarie
  9. Kis-ke - Prent van de week in een onbekend weekblad in 1970 4.achtergrond Foto: Regionaal Archief Tilburg - Beeld On Line

Driekus
naam

verkorting van Hendricus, Fredericus, etcetera

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-02-16 - onzen Driekus
DriekusDriekus
driekwart
bijwoord

over iemand die zich afwijkend gedraagt.

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-03-30 - Hullieje pa is unne wous... hullie moeder unne abbetjoek... en zelf is t ôôk mar unne drie-kwart... Vur de rest gaoget wel.
Dries
zelfstandig naamwoord

weide, (hoger gelegen) grasland bij de woning Hoogen Dries toponiem; algemene, ongewijde begraafplaats aan Oisterwijksebaan nabij Heuvels kerkhof

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 154, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-04-15 - Den dienen hèbben ze nòr den Hoogen Dries gebròcht - Die hebben ze in ongewijde grond begraven
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dries - (in de regel) dicht bij de woning gelegen hoog stuk weiland
- A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - dries - dicht bij de woning gelegen weide
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dries - weide, dicht bij de woning gelegen.
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 dries wordt, in de Baronie, genaamd de grond in het gemeen, en het met gras bezette land in het bijzonder, twelk binnen eene boerenhofstede besloten is.
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 dries - Een stuk weiland het geen bij het huis of tusschen de akkerlanden ligt, dus een hoog stuk weiland. Zie Kiliaan.
- WNT - driesch l. verarmd bouwland; 2. braakland
drieslag
zelfstandig naamwoord

het gelijkertijd galopperen en draven van een paard

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - drieslag 1. zekere onregelmatige gang van een paard; 2. term bij het dorsen met vlegels
driespinder
zelfstandig naamwoord

koe die uit slechts drie spenen melk geeft

- WBD driespeen - koeuier die slechts uit drie kwartieren melk geeft, ook driespeejn genoemd
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - driespeender - koe die uit slechts drie spenen melk geeft
drietaand
zelfstandig naamwoord

drietand

drift
zelfstandig naamwoord

jong varken

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 drift - jong varken; waarschijnlijk zo genoemd in een tijd dat varkens in een drift of kudde gehoed en langs wegen (dreven of driften) voortgedreven werden.
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 drift in Tilburg, ook bag, kap/kabbe en kuuske
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - drift - halfwassen varken; minder vaak drever
- WBD - big van acht tot twaalf weken, ook lôopvèèreke genoemd (Hasselt)
- WBD III.4.4:189 - drift - vuil in sloten of tegen dijken
Drikske
naam

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-03-13 - Hamme mar ham... Drikske...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-05-26 - Drikske
drinke
werkwoord

drinken

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - drinke - drónk - gedrónke
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - in 2e en 3e persoon enkelvoud presens, wordt in het cluster nkt de k verzwegen; dringt
drinkeskèùl
zelfstandig naamwoord

waterkuil, drenkplaats

- WBD waterkuil; natuurlijk of gegraven kuil op het erf of op de weide, waarin men het vee drenkt; in de Hasselt genoemd drinkkèùl of drinkesgat
- WBD III.4.4:183 - drinkkuil - drenkplaats in een sloot
drinkeskrèùk
zelfstandig naamwoord

drankkruik

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - drinkeskröök - kruik waarin drinken werd meegenomen naar het werk
drippele
werkwoord

trippelen

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 7; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-30 - Zooas ik dan zee, ze kwaam op me afgedrippeld mee dr bodschappenbenneke onder dren errem.
- WBD III.1.2:17 dripselen - heen en weer draaien; ook trippelen
dripsele
werkwoord

trippelen

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 7; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-30 - Zooas ik dan zee, ze kwaam op me afgedrippeld mee dr bodschappenbenneke onder dren errem.
- WBD III.1.2:17 dripselen - heen en weer draaien; ook trippelen
droes
zelfstandig naamwoord

koffiedik; paardenziekte

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - droest - droes (paardeziekte)
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 droes - koffiedik; ook draf en dras
- WBD - goedaardige droes, bij paarden; kooierdroes, vooral bij jonge paarden
- WBD - droes verkoudheid, bij paarden; men spreekt ook van bevange
- WBD III.2.3:267 droes - droesem, ook dras, drab, zakse
- WNT droes 1. naam voor verschillende paardenziekten; 2. koffiedik
droezeleg
naam

- WBD - gezegd van een paard dat last heeft van troebele ogen, ook genoemd traonôoge (Hasselt)
- WNT droezelig - van paarden; aan droes lijdende
dröfke
zelfstandig naamwoord

druifje

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dröfke
dròjke
  1. zelfstandig naamwoord

    draadje

    - Rolf Janssen, We hebben gezongen en niks gehad; Tilburg 1984 - draojke
  2. zelfstandig naamwoord

    Het knopen van een draad - foto uit: Commandeur e.a., Ge waart mar arbeider ; 1981 dròjmaoker draadmaker

dròl
zelfstandig naamwoord

drol

drölleke
zelfstandig naamwoord

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-05-31 - Ze slaope daor, de dröllekes/ In beddekes... as möllekes...
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - drulleke (u als franse oeu)
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - drölleke drolletje (kooswoord); benaming voor suikerbroodje met kaneel
- Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 - drùlleke - klein persoon (ook liefkozend), kleine drol
- WBD III.2.2:16 - drol, drolleke - liefkozend woord voor een kind; verwende drol - verwend kind
dròllevanger
zelfstandig naamwoord

- Paul Spapens et al.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, 2004 - plusfour
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Ik zaag der pico bello èùt, meej menne irste plusfour, in de volksmond drollenvanger geheten. (...) Dieje dròllenvanger zon we al gaaw gaon vervloeken, bij et voetballen zakten die pèèpe van die broek aaltij op oew schoen.
- WBD III.1.3:59 drollenvanger - pofbroek
drôome
werkwoord

dromen

- Voorbeelden op originele systeemkaart Sterenborg - Wie ha dè naa ôot kunne drôome! Drôomend veej vergit te graoze
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1983-02-04 - Ik drôômde van naacht dek wèèrik hò...
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - hij is nen droomer
- Willems; Dialectenquête, 1887 - droome - drómde gedrómd; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd gij/hij drómt
drôop
werkwoord

droop verleden tijd enkelvoud van drèùpe

drôoze
werkwoord

sluimeren, dommelem

- WBD III.2.l:394 - drozen, drozelen - sluimeren, dommelen
drooze
werkwoord

sluimeren

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - droozen - Ik heb n beetje gedroosd (gesluimerd).
- WNT drozen - blijkbaar het grondwoord van treuzelen - suffen, soezen, dutten
drôozele
werkwoord

sluimeren, dommelem

- WBD III.2.l:394 - drozen, drozelen - sluimeren, dommelen
dröp
zelfstandig naamwoord

druppel, als onderdeel van een dakbedekking

- WBD - ozie van het dak - onderste rij/rijen pannen of onderkant van de strobedekking; dit overstekende dakdeel voorkomt dat de muren nat worden door regenwater; ook euzel genoemd
- WBD III.4.4:74 - drup, drop - druppel
dròpfeeter
zelfstandig naamwoord

dropveter, snoepgoed van drop met het voorkomen van een lange schoenveter

- Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad; Tilburg Plus, 2009 - Wij moese aatij irst de [Hasseltse] kepèl in èn n rôozehuuke bidde vurdèmme vur êen of twee cènte snuupkes mochte kôope. En ik moet zègge, dan smòkte-n-et ok beeter. Et joodevèt, de stroopseldòtjes, de dròpveeters, t zuuthout, tôoverbòlle.
dröpke
  1. zelfstandig naamwoord

    Verkleinwoorden van dròp, druppel

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-05-20 - 1939-06-17 - ...klein te zijn is toch geen schaand, want in de kleinste glaoskes zitten de lekkerste dröpkes!
    - Piet Heerkens; De Kinkenduut; Dröpke dauw, 1941 - Dröpke dauw dè-d-aon dè blaoike/ hangt te bibberen in de kou
    - Piet Heerkens; De knaorrie, Er viel n lieken, 1949 Zon lekker dröpke poëzie...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-12-31 - En die nog nôôt zô ver ak weet/ n Dröpke heef gezwit - Mandos; opgetekend in Tilburg 1950, Brabantse spreekwoorden, 2003 - vlokskes geeve dropkes, weersvoorspelling
    - Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Toen zèttenie [de pastoor...] me daor in, in et kesjòt. Daoraachter de kèrk, ik èn Sjefke Dams. Ik vergeet et gaddoome nôot mir. Ènne... daor stonde en paor grôote volle maande vol leege wèènflèske, flèsse èn Damske èn ikke, jè, wij gingen es keure. Der zaat ooveral nòg zon dröpke in. En toen moes Sjefke öt de broek. Ik zèg: Dè kunde hier! Der ligge strôojhulze zat! Gao daor mar in diejen hoek zitte!
    - WBD III.4.4:74 drupje - druppel
  2. Verkleinwoord van dròp in de betekenis borreltje

    - Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - ik heb mn drupke thuis
    - A.J.A.C. van Delft; Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1956-07-17 - Toen ie al over de zeuventig was, verzeilde hij op t klôster tussen de aauw mènnekes. In den beginne stond t hem wel nie aon zo alles op uur en tijd en nooit n drupke, ook s zondags nie.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 Gif me nòg un dröpke Geef me nog een borreltje.
    - WBD III.2.3:250/268 dropje - drop; drupje - borrel
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dröpke(n) - voorheen een borreltje dat drie cent kostte
  3. Verkleinwoord van dròp, snoepgoed

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Gif me nòg en dröpke.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 Hè-s dröpkes-verkaawe - hij is alleen om het drop verkouden [drop als remedie bij verhoudheid]
    - WBD III.2.3:251 droppin - dropsteel
dröppe
werkwoord

druppen, druipen

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Et aaigèèl dröpte intussen langs ons moeder der vingers op de grond... Tegen de pan aon ha iederéén un stukske [brood] liggen, waor ie et gesopte op öt liet dröppe.
dröppele
werkwoord

druppelen

- Piet Heerkens; De Kinkenduut; Naachtegaol, 1941 t dröppelt uit oe strotjen uit...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - nie dröppele mar durpisse niet treuzelen maar voortmaken
- WBD III.4.4:65 - druppelen - lichtjes regenen
dröppeltje
  1. zelfstandig naamwoord

    Verkleinwoorden van dròp, druppel

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-05-20 - 1939-06-17 - ...klein te zijn is toch geen schaand, want in de kleinste glaoskes zitten de lekkerste dröpkes!
    - Piet Heerkens; De Kinkenduut; Dröpke dauw, 1941 - Dröpke dauw dè-d-aon dè blaoike/ hangt te bibberen in de kou
    - Piet Heerkens; De knaorrie, Er viel n lieken, 1949 Zon lekker dröpke poëzie...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-12-31 - En die nog nôôt zô ver ak weet/ n Dröpke heef gezwit - Mandos; opgetekend in Tilburg 1950, Brabantse spreekwoorden, 2003 - vlokskes geeve dropkes, weersvoorspelling
    - Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Toen zèttenie [de pastoor...] me daor in, in et kesjòt. Daoraachter de kèrk, ik èn Sjefke Dams. Ik vergeet et gaddoome nôot mir. Ènne... daor stonde en paor grôote volle maande vol leege wèènflèske, flèsse èn Damske èn ikke, jè, wij gingen es keure. Der zaat ooveral nòg zon dröpke in. En toen moes Sjefke öt de broek. Ik zèg: Dè kunde hier! Der ligge strôojhulze zat! Gao daor mar in diejen hoek zitte!
    - WBD III.4.4:74 drupje - druppel
  2. Verkleinwoord van dròp in de betekenis borreltje

    - Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - ik heb mn drupke thuis
    - A.J.A.C. van Delft; Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1956-07-17 - Toen ie al over de zeuventig was, verzeilde hij op t klôster tussen de aauw mènnekes. In den beginne stond t hem wel nie aon zo alles op uur en tijd en nooit n drupke, ook s zondags nie.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 Gif me nòg un dröpke Geef me nog een borreltje.
    - WBD III.2.3:250/268 dropje - drop; drupje - borrel
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dröpke(n) - voorheen een borreltje dat drie cent kostte
  3. Verkleinwoord van dròp, snoepgoed

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Gif me nòg en dröpke.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 Hè-s dröpkes-verkaawe - hij is alleen om het drop verkouden [drop als remedie bij verhoudheid]
    - WBD III.2.3:251 droppin - dropsteel
dròpveeter
zelfstandig naamwoord

dropveter, snoepgoed van drop met het voorkomen van een lange schoenveter

- Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad; Tilburg Plus, 2009 - Wij moese aatij irst de [Hasseltse] kepèl in èn n rôozehuuke bidde vurdèmme vur êen of twee cènte snuupkes mochte kôope. En ik moet zègge, dan smòkte-n-et ok beeter. Et joodevèt, de stroopseldòtjes, de dròpveeters, t zuuthout, tôoverbòlle.
drötzaage
samentrekking

er uit zagen

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-06-05 - Kwossebons lekasböllie drötzaage...
druddel
zelfstandig naamwoord

dril

- WBD III.4.4:209 druddel - dril, ook dedder of kledder
drugt
zelfstandig naamwoord

droogte

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1976-08-20 - Die drugt, die drugt... [klagende tuinder...]
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - drugte, drèùgte
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dreugt - droogte
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 drögt - droogte (Kempen)
drugte
zelfstandig naamwoord

droogte

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1976-08-20 - Die drugt, die drugt... [klagende tuinder...]
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - drugte, drèùgte
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dreugt - droogte
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 drögt - droogte (Kempen)
druk
naam

druk, bezig

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns; Et Buukske, Wè en hoe in de Tilburgse Taol, 2008 - Et druk hèbben as en pan meej vastenaovend - voortdurend bezig zijn
druktes
zelfstandig naamwoord

drukte

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-04-26 - Nie veul druktes...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-07-11 - De druktes en t geroezemoes
druktesmaoker
zelfstandig naamwoord

druktemaker

- Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? druktesmaoker
- WBD III.l.4:391 druktemaker
drupke
  1. zelfstandig naamwoord

    Verkleinwoorden van dròp, druppel

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-05-20 - 1939-06-17 - ...klein te zijn is toch geen schaand, want in de kleinste glaoskes zitten de lekkerste dröpkes!
    - Piet Heerkens; De Kinkenduut; Dröpke dauw, 1941 - Dröpke dauw dè-d-aon dè blaoike/ hangt te bibberen in de kou
    - Piet Heerkens; De knaorrie, Er viel n lieken, 1949 Zon lekker dröpke poëzie...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-12-31 - En die nog nôôt zô ver ak weet/ n Dröpke heef gezwit - Mandos; opgetekend in Tilburg 1950, Brabantse spreekwoorden, 2003 - vlokskes geeve dropkes, weersvoorspelling
    - Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Toen zèttenie [de pastoor...] me daor in, in et kesjòt. Daoraachter de kèrk, ik èn Sjefke Dams. Ik vergeet et gaddoome nôot mir. Ènne... daor stonde en paor grôote volle maande vol leege wèènflèske, flèsse èn Damske èn ikke, jè, wij gingen es keure. Der zaat ooveral nòg zon dröpke in. En toen moes Sjefke öt de broek. Ik zèg: Dè kunde hier! Der ligge strôojhulze zat! Gao daor mar in diejen hoek zitte!
    - WBD III.4.4:74 drupje - druppel
  2. Verkleinwoord van dròp in de betekenis borreltje

    - Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - ik heb mn drupke thuis
    - A.J.A.C. van Delft; Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1956-07-17 - Toen ie al over de zeuventig was, verzeilde hij op t klôster tussen de aauw mènnekes. In den beginne stond t hem wel nie aon zo alles op uur en tijd en nooit n drupke, ook s zondags nie.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 Gif me nòg un dröpke Geef me nog een borreltje.
    - WBD III.2.3:250/268 dropje - drop; drupje - borrel
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dröpke(n) - voorheen een borreltje dat drie cent kostte
  3. Verkleinwoord van dròp, snoepgoed

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Gif me nòg en dröpke.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 Hè-s dröpkes-verkaawe - hij is alleen om het drop verkouden [drop als remedie bij verhoudheid]
    - WBD III.2.3:251 droppin - dropsteel
dubbelbil
  1. zelfstandig naamwoord

    forse dikbil

    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dòbbelbil - kalf dat van achteren bijzonder breed en flink ontwikkeld is, nog meer dan bij een dikbil
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - dobbelbil - een kalf met dikke billen; billeman
    - WBD - dikbil, dubbelbil - kalf met dikke billen
  2. zelfstandig naamwoord

    - WBD - dikbil, dubbelbil - kalf met dikke billen
dubbellèèster
zelfstandig naamwoord

kramsvogel

dubbellèèster
dubbeltjesmikske
zelfstandig naamwoord

bepaald witbrood dat indertijd 10 cents kostte

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Nog vur gin dubbeltjesmikske - beslist niet
dubbeltjespòt
zelfstandig naamwoord

dubbeltjespot - spaarpot (meestal in een café) waarin de eigenaar wekelijks een of meer dubbeltjes deponeert, ten einde ze uiteindelijk als kermisgeld te gebruiken

- Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - vanwege den gebeurden dubbeltjespot
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-02 - ...iedere Zondag trouw on den dubbeltjespot betolt
duffel
zelfstandig naamwoord

duffel; stofnaam (textiel)

- WBD II.4:862 verwijst naar J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier, 1947 duffel - zwaar kaardgaren dubbelweefsel voor winterjassen.
- Van Dale duffel - 1. dikke wollen stof met lang haardek die waarschijnlijk haar naam ontleent aan het Belgische plaatsje Duffel: 2. zware (winter)jas van de onder 1. genoemde stof
dugt
werkwoord

deugt tegenwoordige tijd 2e+ 3e persoon enkelvoud van deuge, met vocaalkrimping

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-08-27 - en t gutje dugt van gin kaante...
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dugt
- Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2006-04-05 - et is nie goed of et dugt nie - het is nooit goed
- Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, zegsman J. Sinninghe, 1934 - Zondagse pis deugt niet. In Tilburg werd urine in kruiken ingezameld voor het vollen van het laken. (Had men in het weekend te veel bier gedronken, dan bevatte de urine te weinig ammoniak, die had men juist nodig.)
dukske
zelfstandig naamwoord

deukje

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dukske
dun
naam

dun

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - òn den dunne zèèn - diarree hebben; wè za-t dun dur zun broek lôope hij zal het in zijn broek doen van angst
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dun - dun, slap; on dn dunne
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw, woordenlijsten Verster, 1968 dun; dun in den buik zijn - aan de afgang zijn, een goedaartigen buikloop hebben.
- WBD III.4.4:37 - dun weer - fris weer; ook zuur, lucht weer
dunder
naam

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 dunder - dunner
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 dunner zonder infix
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Kunde gullie dè brôod nie wè dunder en dieje kèès nie wè dikker snije?
dunke
werkwoord

dunken dunke - dòcht - gedòcht

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - in de 3e persoon enkelvoud presens wordt de k verzwegen; dungt
duntje
zelfstandig naamwoord

deuntje

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 duntje - deuntje
dur
  1. werkwoord

    - Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - Dur de drukte kósseme der nie deur.
    - Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - Tis zis uur deur - Het is over zessen
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun als opvoeder, feuilleton in 6 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-03-02 - 1940-04-06 - Gao liever naor bed, want et is al lang negen uur deur!
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - durlôope - lopt is en bietje deur
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - deur - in stede van door; reeds bij Kiliaan; geene verbastering, doch zelfs ouder dan door.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - deur door, er doorheen, voort, weg, voorbij; hij is al meer as en uur deur; de(n) kwa(d)e deur zijn
  2. voorzetsel

    door

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - dur de week
    - Karel en Sjarel; Dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-04 - Jao mar diejen admiraol heegut toch officieel dur de radio verteld.
durbèète
werkwoord

doorbijten

- Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek, aflevering 7; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-03-18 - Wanneer iemand zn geld aon zn hart gewaasen is zijn we niet ver meer van de vrek uit de buurt en men kan er vast van op aan, dat zo iemand wel n halfke kan durbèten (doorbijten) al was t dè-t-ie van awerdom op zn taandvlees liep. Men heeft nu eenmaal van die vuil meense - zelfs in Tilburg. Het woord vuil heeft hier niet de betekenis van smerig maar van gierig.
durbij
bijwoord

daarbij

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-01-19 - En dan durbij vraog ik mn ège wellis aaf of...
durblaojere
werkwoord

doorbladeren

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ge mot dees buukske mar is durblaojere
durbraok
zelfstandig naamwoord

doorbraak

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - durbraok
durdè

voegwoord doordat

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - durdè
durdoen
werkwoord

doorwerken, door een zeef doen durdoen - di deur - durgedaon

- Informant Toine Raaimakers; - opschieten, verder gaan met iets
- Informant Toine Raaimakers; - Allee, doe es deur!
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - doorwerken
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 deurdoen - door een stramijn, eene zift, teems of zoo iets duwen; verkwisten, doorbrengen; doorschrappen
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - durdoen - doordoen (bijvoorbeeld van t aaw int nuuw)
durdouwe
werkwoord

doorduwen, doordrukken (ook figuurlijk) durdouwe - douwde deur - durgedouwd

- WBD III.1.4:50 doorduwen - aandringen
durdouwer
zelfstandig naamwoord

doorduwer, doorzetter; figuurlijk ook: rollator, echter niet algemeen gebruikt

- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - doorzetter
- Grôot Diktee van de Tilburgse Taol , 2008 - die durdouwerkes, rollaaters hiete ze gelêûf ik...
durdraaje
werkwoord

doordraaien

- WBD - worstvlees en -vet kleinmaken, ook genoemd dur de meule draaje
durdrèène
werkwoord

- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - aanhoudend zeuren
durdrèèver
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - doordrijver
durgat
zelfstandig naamwoord

het gat van de deur, deuropening

- Interview met De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Ik zèg: Witte wè, Jan? Nèè, zeej! Daor ist durgat èn gòdverdomme derèùt, erèùt aachterelkaare!
durheene
bijwoord

doorheen

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 durheene doorheen, erdoor
durjaoger
zelfstandig naamwoord

snelle eter, schrokker

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1961-01-20 - Van kends-af-aon unne durjaoger...
- Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - snelle eter
- Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2010-02-10 - Fèène kòst beschiet er bij hum nie aon, tis ene èchten durjaoger/schròkker
durke
  1. bijwoord

    - A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 109; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-13 - Ze kunnen niet door één deur in en uitgaan - Ze kunnen als man en vrouw niet in vrede leven
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 149, Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-02-10 - De tijd dat er mensen met kleine negotiewaren of met "ellegoed" langs de deur kwamen (dit laatste noemde men "met het pak gaan"), is lang voorbij en daarmee is ook de hieraan verbonden uitdrukking in het vergeetboek geraakt. Men noemde deze wijze van handel drijven "Met bliksem en onweer langs de deur gaan". Waarmee wel bedoeld zal zijn dat dit soort kooplui er "weer of geen weer" op uittrok.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 187, Nieuwsblad van het Zuiden, 1974-07-15 - Een dergelijke attractie [namelijk met de harmonie over straat lopen] bleek uiteraard niet weggelegd voor een kind, dat van zijn moeder de opdracht had "op de deur te passen". Wie zich hiervoor gesteld zag, had tot taak op het hele huis "te passen", niet om te voorkomen dat het zou weglopen, maar wèl met de bedoeling zowel gewenste als ongewenste bezoekers op te vangen.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Dur de drukte kosse me-r nie deur Door de drukte konden wij er niet door.
    - Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Mar wij leerde van ons moeder: As r twee deure teegenoover mekaare oope staon, moeter êen dicht doen. En zôo ist. Dan was alles wir klaoren blom en dikke mik.
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - vur de deur
    - WBD - staldurke - de grote dubbele deuren die toegang geven tot de koestal
    - WBD - schuurdeur, schuurdeure - schuurdeur (bestaande uit twee vleugels)
    - WBD - ovendeur (van een bakoven; van hout of ijzer)
  2. door

  3. zelfstandig naamwoord

    deurtje

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - en oope dittie et durke
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-12-07 - Rammelt iemand aon t deurke...
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 durke
    - WBD - staldurke - de grote dubbele deuren die toegang geven tot de koestal
durke-durke-dons

de betekenis is niet duidelijk; mogelijk deel van een aftelrijm van kinderen

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-05-07 - De kender hebben ginne rust (...) en moeten deurke-deurke-dons
durkoome
werkwoord

doorkomen

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Grôot gevaor van durkoome Gezegd als je je een beetje pijn hebt gedaan maar het wel zult overleven.
durlôope
werkwoord

doorlopen durlôope - liep deur - durgeloope

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ze riepe durlôope èn-ek krêeg unnen daaw
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - deurloopen - heenloopen, wegloopen; voorbijloopen; verder loopen
durlôopend
bijwoord

continu, onophoudelijk

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 z-is durloopend op sjanternèl - ze is voortdurend op stap
- WBD III.4.4:73 - doorlopend zeiken - aanhoudend regenen
durlôopende list
zelfstandig naamwoord

naam van een niet nader bekend kinderspel: doorlopend laatst [wie het laatst weg is...]

- Interview met echtpaar Staps, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Touwspringe èn... durlôopende list èn, èn, èn zaddoek lègge èn... Allerande spèllekes din wij...
durpinner
zelfstandig naamwoord

doorschieter

- WBD I:1477 - durpinner doorschieter; aardappelplant die na een periode van stilstand weer doorgroeit en veel kleinblijvende aardappels voortbrengt
durschòkke
werkwoord

doorschokken (technische handeling aan een weefgetouw)

- WBD II:1013 - dörschòkke - doorschokken; de kam vastzetten; ook dörschudde genoemd
durschudde
werkwoord

doorschudden (technische handeling aan een weefgetouw)

- WBD II:1013 - dörschudde doorschudden; de kam vastzetten; ook dörschòkke genoemd
durske
zelfstandig naamwoord

meisje

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - durske t is zon oarig durske - ...meisje
- H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch; De bie zit op de blom, 1932 - Hi ziet n daonig durske staon,/nou sjuust zo iets vur mij, hé!
- Leo Heerkens; bijdrage aan de bundel De kinkenduut van zijn broer Piet Heerkens, 1940 Och, Hannie/ik kan nie/genog naor oe kijke/vriendelijk durreske-fijn...
- Henriëtte Vunderink; k Zal van oe blèève haawe; Vruuger, 2007 - Hoe ik as durske fietse leerde/op en kar meej blòkke...
- Ed Schilders; Wè zeetie?, Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Ge had ok nòg broekpoeperkes, jungskes, mèdjes òf durskes.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - deurske, deernke, meisje
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - durske - deerntje, meidje
durslaon
werkwoord

doorslaan, het klieven van een geslacht rund durslaon - sloeg deur - durgeslaon/durgeslaoge

- Interview met Bertens, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Dan sneede gij zak zègge van aachtere, boove de koej wier dè durgeslaon, zak zègge... Dè kontwèèrk zogezeej, dòr aachter witte wèl... Èn dan, jè, dan moeste diejen ènteldèèrm deröt haole èn dan lòsmaoken èn doen èn dan viel er hil dieje pèns, die viel in êene keer in diejen bak neer!
dursnije
werkwoord

doorsnijden dursnije sneej deur - durgesneeje

- H. Mandos & H. Mandos-van de Pol; De Brabantse Spreekwoorden, 2003 , zegsman A. Knegtel, 1950 - de peperkoek op tafel leggen en dan doorsnijden - gemeenschappelijk bezit verdelen
durspeule
  1. werkwoord

    doorspelen; kaart spelen in de nacht van oud- op nieuwjaar; ook van taauw int nuuw speule

    - Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Dan ginge ze durspeule. Vant aauw int nuuw. Jookere. Òf rikke. Dè gong er soms gròf aon toen, meese. Sewèèle wèl vur ene stöver de kaort.
  2. Nieuwe Tilburgsche Courant 29 december 1937

durstèèl
zelfstandig naamwoord

deurstijl; opstaand deel van een deurkozijn

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - durstèèl
durstèèl
durwèèrder
zelfstandig naamwoord

deurwaarder

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - deurwerder - deurwaarder
dus
zelfstandig naamwoord

broekturf, groesturf, tus

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - dus - losse turf, broekturf
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - tos - idem
duske
  1. zelfstandig naamwoord

    doos; figuurlijk: onnozel vrouwspersoon, doetje

    - Voorbeeld op originele systeemkaart van Sterenborg - Wè zèède tòch en dôos! - Wat ben je toch een doetje.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-04-03 [man tegen echtgenote] ôôh, hedde dè toch onderhaand deur dôôs degge zèèd...
    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - dôos t is zo mar een dôos - ...meisje zonder energie
    - WBD III.1.4:34 doos - domme vrouw
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dòòs - doos, gans
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 - doos, verkleinwoord doozeke(n), dooske(n), Kempisch döske(n), voor wijf. Wordt niet enkel verbonden met oud: n oû doos, maar ook met gierig, lui, smèrig en vuil
    - WNT - doos - weinig bij de hand, onnoozel vrouwspersoon die gemakkelijk is beet te nemen.
  2. zelfstandig naamwoord

    doosje

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-05-28 - Hier hedde n duske
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Piet Stamp jè, meej zen duske luusiefèrs òn de Hema... Die zeej aatij sènte dooze, sènte dooze mar der zaat niks in èn die gaaf ie dan... Verkòcht ie vur ene sènt, hè!
  3. onnozel vrouwtje, doetje

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 Hè de nie un duske blinksmèèr? Heb je een doosje schoenpoets?
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 dôos -> duske
  4. zelfstandig naamwoord

    dutsel, dutseltje sloom vrouwspersoon

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - tis en dutsel - ...sukkeltje
    - Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek, aflevering 15; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-06-05 - Onder een dutseltje verstaat men een n weinig pienter, maar heel goedig vrouwtje
    - Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2006-12-31 - Naa dere meens dôod is, isse niemer bij de tèèd; tis en èchte dutsel geworre
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - dutsel - sukkelachtig iemand
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 dutselen - een duts zijn, zich sukkelig en stumperig gedragen
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 dutsel zegt men van een teutelachtig vrouwspersoon, vooral indien hetzelve niet zeer doorzigtig of schrander is.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 duts - onnoozele bloed, sukkelaar; beetgenomene, gefopte; troetelwoord voor een kind.
    - WBD III.3.3:197 dutseltje; sibbedeeske, bidziel - kwezel
    - WBD III.1.4:34 dutsel - domme vrouw
    - WBD III.1.4:40 dutseltje - onnozel iemand
dutsele
  1. werkwoord

    dutten, soezen, bijna in slaap vallen, suffen

    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 dutselen - niet goed wakker kunnen blijven; vooral gezegd van oude mensen die aftakelen en dutselachtig worden
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 dutselen suffen. Men gebruikt het waarschijnlijk.als een frequentativum van dutten, slaperig zijn, en bij Kiliaan delirare. In het Neder-Saks hoort men op meer dan eene plaats dutzig voor dom, stomp van begrip.
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dutsele(n) - sukkelen, niet voortmaken
    - WNT - frequentativum van de stam van dutten - suffen, dutten; niet algemeen.
  2. bijwoord

    dutselèèchteg sufferig, sukkelachtig - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - dutselaichtig sukkelachtig; niet als ziek doch als onhandig bedoeld

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1966-10-17 - Och, ze is niet kwaod, ze wil wel, mar ze is n bietje dutselechtig
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-10-26 - Zij is wè dutselèèchtig... En hij de tel vort kwèèt...
    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 ouderwets
    - AA. Weijnen; Etymologisch Dialectwoordenboek, 1995 - duts sukkel; waarschijnlijk afgeleid van dutsen (waarvan afgeleid dutselen), dat een intensief was bij dutten; dutten - waanzinnig doen
    - WBD III.1.4:41 dutselachtig - niet goed helder van geest
  3. zelfstandig naamwoord

    duukske doekje

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - en duukske vurt bloeje
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-09-12 - Hoe wilde de pap, pa... Dun... dik... of dur n duukske? [Je mag zeggen hoe je het wilt hebben...]
    - Informant Toine Raaijmakers - Tegen iemand met veel noten op zijn zang - Zèg mar hoe get hèbbe wilt; dik òf dun òf dur en duukske. [koemelk gaat ook door een doek in de melkbus...]
    - Informant Toine Raaijmakers - Iemand heeft geld gewonnen, een ander merkt op dat geld niet gelukkig maakt, een derde zegt k wó tòch mar dèk ze in en bescheete duukske ha
    - Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1990 - Dik, Dun? Of dur un duukske?
    - Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - der duukskes óm draaje
  4. naam

    duur, duurder, duurst duur de uu in de vergrotende en de overtreffende trap is altijd kort

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 dè-s dùure mòsterd - dat is wel erg duur
  5. zelfstandig naamwoord

    duurt duurte

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 01 10 - En zis riksdaolders dès de duurt nie / Daor haauwe ze opruiming veur.
  6. zelfstandig naamwoord

    Uit De Engelbewaarder, jaargang 1952-53; Ans van der Putten, De houthakker van Windewapper. duuvel duivel 1 - De duivel zelf

    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Toen ik in jaor of zistien was zok mn ziel aon de duuvel verkocht hebbe vur in stoomfiets...
    - Anoniem; De Engelbewaarder, jaargang 1923, De wereld vergaat (toneel) - Op de brouwerij in Baarschot dan, daar diende een ouwe vrouw, die om God of gebod niks gaf, en om 't minste ding kon ze zoo deksels kwaad worden, dè ze nie meer wist waar ze 't zoeken moest, zal ik zoo zeggen. De brouwer was er niks bang af, maar die lachte ze dan maar stillekes uit, zal ik zoo zeggen. En op 'ne keer werd ze daar zoo kwaad um, dè ze dr ziel aan den duvel ging verkoopen, en de duvel die gaf ze toen veul macht, zal ik zoo zeggen.
    - C.J.F. Vetter (Christine Vetter); De Engelbewaarder, jaargang 1931, Jonker Adelbert van de Ruytenberg In de laatste week van zijn verblijf echter, toen hij dagelijks al een wandeling maakte over de heide en door het verder gelegen bosch, vertelde de boer, dat hij in een der boerderijen had hooren praten over een in Holland ontsnapten gevangene, op wiens hoofd een zware prijs was gesteld. De man mot wel van den duvel geholpen zin," berichtte de boer hoofdschuddend, hie is ten minste deur gesloten poorten en hekken naar buten gekommen.... zeuven deuren het ie motte peseere en langs vijf wachters gaan en niemes het 'm gezien of geheurd.... dat's toch duvelsspul.
    - Toon van Deurzen; De Engelbewaarder jaargang 1953-1954, De wonderfles - Weer loerde ik door het sleutelgat, en de schrik sloeg me om het hart daar zat mijn andere kameraad, op scherpe scheermessen en de duivels goten gesmolten pek en zwavel In zijn mond.
  7. Afbeelding uit De wonderfles

    - Nel Timmermans; www.cubra, transcriptie Ben van de Pol - Hij was gekropen in 'n slang, en laag al op dn loer / en wochtte op Eva lief, die mokte heurre toer/ hij spraak tot heur, mademasèl, lustte gin bellefleurke/ 't vrouwke spraak, dè maag ik nie, en kreeg meteen n kleurke...
  8. Bevend van angst en schrik liet de houthakker zijn pijpje in het vochtige mos vallen en met knipperende oogjes keek hij naar die grijnzende duivelskop, die hem zo boosaardig aanstaarde. Eindelijk waagde hij het met sidderende stem te stamelen : De duvel? J-a-a", grinnikte de satan spottend met krakende stem. De duivel ! Ik zelf !" En reeds doorboorde hij het manneke met zijn vurige, doordringende ogen. Ha-ha-ha.. . , grijnslachte hij. Ik ken je wel, man!.... Ik sleep je mee naar de hel... Uit De Engelbewaarder, jaargang 1952-53; Ans van der Putten, De houthakker van Windewapper. Titelvignetten bij De duivelskei of de gesloten steen van Fr. Rufus, De Engelbewaarder jaargang 1954-55 2 - Typering van een mens, diens karakter boosaardigheid

    - Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-03-19 t is een duivel in mensengedaante. t is een boosaardig mens.
  9. domheid

    - Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-03-19 - Hij is te lomp om voor de duvel te dansen - hij is dom en onhandig
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 2; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-02-11 - Wanneer men iemand noemt te lomp om vur den duvel te daansen slaat men zijn intelligentie niet hoog aan.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 11, Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-10-20 - Is het met iemands domheid heel erg gesteld, dan wordt hij gekwalificeerd als: "Te dom om voor de duvel te dansen!" Bij hem "is het eind verloren!", er valt eenvoudig niets mee aan te vangen.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 6, Nieuwsblad van het Zuiden, 06-06-1964 - Zo kan men iemand "te lomp om veur de duvel te daansen" horen noemen, wat betekent dat men zijn intelligentie niet hoog aanslaat.
    - A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 111; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-29 - Dat iemand te stom is om voor de duvel te dansen kan moeilijk als eeretitel aangemerkt worden.
  10. geluk

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - Den duuvel schèt aaltij op êenen hôop - ...van mensen die vaak geluk hebben.
    - Informant Toine Raaimakers; ongedateerd - Den duuvel schèt aaltij op êenen hôop (m.b.t. mensen met veel geluk)
  11. gierigheid

    - Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-03-19 - hoe meer de duivel heeft, hoe meer hij hebben wil - rijke mensen kunnen vaak het minst iets missen
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun op collecte, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-08-12 - 1939-08-26 - Wè gij er in [in de collectezak...] zudt doen dè waar wel zoon verdimd klein bietje dè den duuvel et er nog nie in veenen kos al hielp m zn schoonmoeder zuuke!
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 182, Nieuwsblad van het Zuiden, 1973-11-24 - Iemand, die het erg op geld gemunt heeft, kan "zo gloeiend op de duiten zijn als een duvel op een ziel".
  12. Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden 1978-03-31 godsdienstigheid

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 7; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-03-18 De fèn zen de mèn, zeej den duvel, en de groffen komen vanzelf wel!; de overdreven godsdienstigen zijn voor mij, en degenen die erop los leven, krijg ik vanzelf [beide uitersten deugen dus niet...]
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 7, Nieuwsblad van het Zuiden, 1960-06-24 - Het is merkwaardig welk een afkeer het volk schijnt te hebben van "fijne" meense en kwezels. Het steekt dit in zijn taal niet onder stoelen of banken en houdt ervan die afkeer dan nog eens op een originele manier wat aan te dikken. Luister maar: "Van fèn (fijn in de betekenis van "vroom") meense en motrègen worde vern....; ge zijt nat zonder dè ge er èrg in hed." Voor ons taalgevoel ligt er wanneer het woord "fijn" in Tilburg gebruikt wordt, vaak nog een nuance in, die "vroom" eigenlijk niet bezit. Vooral in ons voorbeeld houdt "fèn" mede scherpe ironie in. Men bedoelt hier uiterlijk vroom. Dus zonder dat de innerlijke gesteldheid evenredig is aan het uiterlijk vertoon.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 7, Nieuwsblad van het Zuiden, 1964-06-24 - We kregen nog een variant op een reeds vroeger behandelde uitdrukking: "De fèn zijn de mèn, zeej den duvel, de groffen komen vanzelf wel". De variant daarop luidt: "en 'nen groffe vang ik tussenbaaie ôôk". "Tussenbaaie" is tussenbeide of somtijds, en "fèn" betekent "fijn" in de zin van overdreven godsdienstig, tot op het kwezelachtige af.
  13. kwaadaardigheid

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 2; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-02-11 - Zô kwaod (kwaad) as t aachterste end van den duvel is een ietwat lange superlatief voor kwaad
    - Pierre van Beek; Typisch Tilburgse uitdrukkingen, Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-08-29 - "Zo kwaad als het achterste end van den duvel" vormt de wat lange superlatief voor "kwaad
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Bad Baozel, 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant - 1938-12-31 - 1939-02-18 - As den duuvel zélf nie kan kome, dan stuurt ie er zn wijf henen. [Vrouwen zijn vaak erger dan mannen...]
  14. kwaadsprekerij

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 9, Nieuwsblad van het Zuiden, 1964-07-18 - Wantrouwen vindt men ook in "Dè zullen we den duvel en de mulder mar laten schaaien, die schaaien zo veul", waarbij op de eerste plaats de suggestie wordt gewekt, dat de molenaar nogal relatie met de duivel heeft. De uitdrukking wordt in het algemeen gebezigd als men bedoelt aan te geven, dat men een zaak op zijn beloop moet laten - er zich niet in moet verdiepen. Op de achtergrond zou men echter de hatelijkheid ten opzichte van de mulder kunnen zien, doordat hij meel voor zichzelf van het bezit van een ander "afscheidt". Een indruk van kleinzieligheid geven de gezegden wel en zucht tot kwaadsprekerij zal de uitvinders ervan vermoedelijk niet vreemd zijn geweest.
  15. sluwheid

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 6, Nieuwsblad van het Zuiden, 1964-06-06 - Wanneer iemand "den duvel te rap is", dan bedoelt men daarmee in letterlijke zin een vlug iemand en in de figuurlijke een gladde vogel. Als hij daarenboven dan nog "van geen hel of duvel bang is", pas dan maar op!
  16. ondeugendheid

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 102, Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-05-16 - Om eens nadrukkelijk te onderstrepen met wat voor een vlegel men te maken had, toverde een Tilburger met een paar woorden een heel tafereel voor ogen. Hij zei: "De duvel kapt er zijn hout op!" Ja, wanneer men gebruikt wordt als kapblok van de duivel, moet het al heel erg zijn. Het beeld is niet alleen origineel maar ook geestig. Een echte vondst!
  17. oprechtheid

    - Anoniem; Tilburgsche courant, 24-11-1898 - Natuurlijk wist de heele buurt van de erfenis: in steegjes laat men geen duvel op zn hart smoren.
    - Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-03-19 - hij laat geen duivel op zijn hart smoren - hij zegt, waar het op staat, hij spreekt rechtuit.
    - Dn Dré (pseudoniem); Brabantsche Brieven, Tilburgsche courant 17-12-1927 - Ziezoo. keb m'n gemoed 's gekoeld. As rasechte brabantsche boer moes 'r da nouw 's uit! Ik laat ginnen duuvel op m'n hart smoren, da's mijn te Ollandsch!
  18. pechvogels

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-07-26 - Waor geld zit... zit de duvel... En waor niks zit... minstens twee...
  19. preutsheid

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); De Tilburgse Koerier 81 10 22 - Wir laoter..toen ik en bietje vreej/ èn we meer wo as kusse/ toen zeej de mèdjenêedoe nie/ daor zit den duuvel tusse.
  20. slimheid

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 98, Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-03-09 - Wie "uit de hel gekropen is toen duvel sliep" wordt als een gladde rekel beschouwd. Hij is er immers in geslaagd de duivel beet te nemen. "Hij was de duvel te glad af", zoals er ook wel gezegd wordt.
    - Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1982-04-30 Mar den dieje is de hel ontkropen toen den duvel laag te slaope...
  21. stijfkop

    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dès zonne kaajharde dèttum den duuvel nog nie eens wil.
  22. stoutmoedig

    - Interview met Bertens, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Daor hadde nòg zonne schôone bij, èn dè was Denie van Lôon, die was vur gin hèl òf duuvel bang
    ► <span style="font-size:12.0pt;font-family:
  23. wantrouwend

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 2; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-02-11 - As ge van den duvel sprikt (spreekt), rammelen zn kuiten; zô den duvel is vertrouwt-ie zn gasten.
    - Pierre van Beek; Typisch Tilburgse uitdrukkingen, Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-08-29 - "Zo den duvel is, vertrouwt hij zijn gasten" is ook wel bekend.
  24. zedelijk verval

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-01-12 - Van engel naor duvel.../ Van waereld naor cel...
    - Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-03-09 - als een engel duivel wordt, is hij de kwaadste van allen - liefde, die in haat verkeerde, is de felste van venijn.
  25. naam

    3 - Typering van een toestand armoede

    - Pierre van Beek; Typisch Tilburgse uitdrukkingen, Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-08-29 - De duvel kon m niet heffe of draoge - Hij was zo arm als een Tilburgse schrobbelaar [wiens loon destijds zeer laag was...]
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 140, Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-12-09 - Een krachtuitdrukking om aan te geven hoe arm iemand wel is, zien wij in de vergelijking: "Zo arm, dat de duvel hem nie heffen of dragen kan". Deze duvel zijn we in onze rubriek nog nooit tegengekomen.
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken, feuilleton in 10 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - In nood dan vreet den duuvel vliege!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun als opvoeder, feuilleton in 6 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-03-02 - 1940-04-06 - ...wè stinkt oewen tabak toch! Hedde m van den duuvel zn moer gekocht?
  26. bedroefdheid

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant 1940-03-02 - 1940-04-06 - ...en ge trekt n gezicht as n pötje vol duuvels
  27. boosheid

    - A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 117; Nieuwe Tilburgsche Courant; 1929-06-05 Ge zoudt er de duvel van geeselen zegt iemand, die boos is, t is verschrikkelijk.
  28. wanorde

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 2; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-02-11 - en wanneer het er ievrans (ergens) uitziet of den duvel er gejongd heej is het daar maar een rommelig boeltje.
    - Pierre van Beek; Typisch Tilburgse uitdrukkingen, Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-08-29 - wanneer het er ievrans (ergens) "uitziet alsof den duvel er gejongd heej" is het op de betreffende plaats maar een rommelig boeltje.
    - Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-03-19 t eerste gewin is kattegespin en t leste heeft van de duvel in.
  29. 4 - De mens als duivel in religieuze aangelegenheden kerk en café

    - Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-03-19 - Waar God een kerk bouwt, sticht de duivel een kapelleke [café].
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 2; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-02-11 - De uitdrukking As O.L. Heer een kerk bouwt, zet de duvel er een kapel neffe slaat op de cafés die men gewoonlijk nabij een kerk aantreft al kan men er ook wel een diepere zin uithalen, namelijk deze, dat de duivel er steeds op uit is de mens tot het kwaad te verleiden.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 6, Nieuwsblad van het Zuiden, 06-06-1964 - De uitdrukking "Als O.L. Heer een kerk bouwt, zet den duvel er een kapel neffe", slaat op de cafés die men gewoonlijk bij een kerk kan treffen. Men zou er ook een diepere zin uit kunnen halen en wel deze, dat de duivel steeds er op uit is de mens tot kwaad te verleiden. In het algemeen werd een café ook wel als "kapelleke" aangeduid. Wie "zeuven kapellekes had aangedaan", had derhalve zeven cafés bezocht.
  30. kerkelijk gedrag

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 2; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-02-11 - Vroeger placht de duvel over t koor de kerk in te komen. Men gaf daarmede aan, dat de eerbiedigheid op het koor wel eens wat te wensen overliet.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 6, Nieuwsblad van het Zuiden, 06-06-1964 - Vroeger placht ook "de duvel over het koor de kerk in te komen". Dat is natuurlijk wel verleden tijd (!), doch toen bedoelde men daarmee aan te geven, dat de eerbiedigheid op het kerkkoor wel eens wat te wensen overliet.
  31. Och, meneer, daar, daar is-ie, de eh...." en Propelaere moest slikken, de duvel! Eerst begon de pastoor te lachen, maar toen hij die vreemde sinjeur zag, begreep hij dat het nu werkelijkheid was. Vlug ging hij naar binnen en kwam terug met de grote wijwaterkwast. Uit De Engelbewaarder, jaargang 1951-52; Br. Borgias, Het kosterke van Maldegem. wijwater

    - Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-03-19 - Hij kijkt als een duivel, die wijwater gelekt heeft.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 117, Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-01-11 - Verkeert iemand in een moeilijke positie en vertoont hij daarvan de uiterlijke tekenen, dan "spartelt hij als een duvel in een wijwatersvat". Zo'n vat is natuurlijk wel de allerlaatste plaats, waar een duivel zich behaaglijk kan voelen.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 148, Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-01-26 - De duivel en wijwater laten zich niet goed samen rijmen. Wie een lelijk gezicht trekt, "kijkt als een duvel, die aan het wijwatersvat gelekt (gelikt) heeft". Dat kan een duivel immers nooit goed bekomen.
    - Dialectrubriek Stadsnieuws; 2007-05-30 - Zo schèènhèlleg as enen duuvel die zen èèrepel in wijwaoter kokt.
    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Zo schèènhèlleg as enen duuvel die zen èèrpel in wijwaoter kokt. (Zo schijnheilig als een duivel die zijn aardappelen in wijwater kookt.)
  32. 5 - Duivel als tegenstander tegenslag

    - Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-03-19 t Is of de duvel er mee speelt. t is onverklaarbaar, hoe zoiets niet slagen wil; telkens is er tegenkanting of ongeluk bij dat werk.
    - Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-03-19 - hij was bij de duvel te biecht - hij had misplaatst vertrouwen geschonken aan iemand, die hem niet welgezind was
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 2; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-02-11 - Zodra iets moet al zô den duvel de kèrs (kaars) vaasthawen valt er niet meer aan te ontkomen...
    - Pierre van Beek; Typisch Tilburgse uitdrukkingen, Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-08-29 - "Het is tegen den duvel gehaorplukt". Het laatste woord komt van het Middelnederlandse "haerplocken", dat kijven, krakélen betekent. "Haarplukken" is Algemeen Beschaafd Nederlands. Het kan alleen in de onbepaalde wijs gebruikt worden.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 115, Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-12-11 - Bij een niet opgelost geschil placht men te zeggen: "God zal oe mikken maar de duvel zal oe pikken".
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 6, Nieuwsblad van het Zuiden, 06-06-1964 - Zodra iets moet gebeuren "al zou den duvel de kèrs (kaars) vasthauwen" valt er onder geen beding aan te ontkomen, zelfs niet al zou "de onderste steen boven komen".
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - spartele as un duuveltje in un wèjwaotersvòtje erg tegenstribbelen
    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 t is tegen den duuvel hoarplukken gevecht [haarplukken win je niet van de duivel; het is hopeloos...]
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-11-06 - t Is tegen dn duvel gehaorplukt...
  33. naam

    6 Enige gezegdes Als een duuveltje uit een doosje

    - Pierre van Beek; Typisch Tilburgse uitdrukkingen, Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-08-29 - "Hij is net een duveltje in een duske (doosje), zó ziedem (zie je hem) en zó ziedem nie!" Dit beeld herinnert aan een al lang uit de mode zijnd stuk kinderspeelgoed. Het was een vierkant doosje met een dekseltje. Deed men het haakje daarvan los, dan sprong het dekseltje vanzelf open en kwam er een soort duiveltje te voorschijn gesprongen, dat met een veer in elkaar gedrukt zat. Klepte men het dekseltje dicht, dan was het duiveltje weer verdwenen. Toegepast op een mens duidt de vergelijking op een beweeglijk iemand.
    - A. Wibbelt (naoverteld deur P. Heerkens S.V.D.); Oome Teun krijgt lozjees, feuilleton in de ontspanningsbijlage De Zaaier en de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940 - "Mijnheer Van Halderen," riep Amanda, en sprong omhoog as 'n duuveltje in 'n dooske, "ik wil niet langer aanspraak maken op uw tijd!"
    - Dn Dré (pseudoniem); Brabantsche Brieven, Tilburgsche courant 09-07-1927 - Over den duuvel gesproken: wa zegde me daar van dieën Daudet. As 'n duuveltje in 'n doske is ie uit de nor gesprongen.
  34. Als je het over de duivel hebt...

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-10-22 - Kèk, as ge over den duvel praot, ziede zn stèrtje wiebere.
    - A. Wibbelt (naoverteld deur P. Heerkens S.V.D.); Oome Teun krijgt lozjees, feuilleton in de ontspanningsbijlage De Zaaier en de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940 - Kek-kek-kek, over den duuvel gepraot is z'n stertje gezien: den dokter neffen Mariekes! En Moeder Helmonds is er bij! 't Is dikke mik mee krente!"
    - Pierre van Beek; Typisch Tilburgse uitdrukkingen, Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-08-29 - "As ge van de duvel sprikt (spreekt), rammelen z'n kuiten" en: "As ge over den duvel praot, trapte op z'nnen start" vraagt niet om een nadere verklaring.
  35. naam

    Als de duivel op Geerte

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 67, Nieuwsblad van het Zuiden, 1968-11-08 - Enige tijd geleden gaven wij hier de uitdrukking: "Hij hee-g-'t er op als d'n duvel op Girte". Men zegt echter ook: op Girtjes. Een briefschrijver meent, dat dit laatste woord geen voornaam zou zijn, maar gewoon een meervoud van een zelfstandig naamwoord: girt-girtjes, wat dan "zieltjes" zou beduiden. Wij delen die opvatting niet, al roept de uitdrukking in haar geheel wel de associatie met zielen op. Liever houden wij het op één bepaalde ziel en wel die van Geert. De vormen met "e" en "es" achter een voornaam komen in ons dialect méér voor. Bv. ik heb Jantjes niet gezien, en: zeg het maar tegen Piete. Bij het lezen van het artikel in dit blad van 30 november l.l. getiteld: "In 1767 stond op de Heuvel een schavot" kregen we plotseling een idee. We stuitten daar op de naam van een beruchte bandiet, die vroeger o.a. in Tilburg opereerde. Dat was Geertje de Vlug. Nu lijkt het voor de hand liggend, dat de duivel zeer begerig is op een ziel, zó zwart van de misdaad, dat hij bijna de duivel zelf evenaart. Kan de volksverbeelding dat zo niet gezien hebben? Dan zou de uitdrukking dus slaan op de ziel van die Geert of op Geerte of Girtjes. Mocht onze veronderstelling omtrent onze Geert juist zijn, dan zou de uitdrukking uit de tijd van rond 1767 stammen.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 67, Nieuwsblad van het Zuiden, 1968-11-06 - Om aan te geven hoe begerig iemand naar iets is, bv. naar geld, kan men ook de uitdrukking horen: "Hij hee-g-'t er op als de duvel op Girte (Geert). Wie die Geert is weten we niet, maar hij zal in ieder geval wel een slechte reputatie hebben genoten.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 140, Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-12-09 - "Hij heeft het er op als de duvel op Geertjes". Wij voeren deze nog eens ten tonele, omdat we een notitie aantroffen, die erop kan wijzen, dat de uitdrukking op een zeer hoge ouderdom zou kunnen bogen. We lazen nl. dat men te Gent de uitspraak kent: "Hij sloeg er op als de duvel op Geraard". Men veronderstelt daar, dat met Geraard bedoeld zou kunnen zijn de heer van het bekende Gents kasteel "Het Steen" op de Reep. Dit heerschap noemde zich wel in het Latijn: "Gerardus dictus diabolus" (Geraard, genaamd de duivel). Dit heerschap werd reeds in 1295 te Gent begraven. Als het allemaal klopt, leeft hij dus nog altijd voort in de taal.
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 6; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-21 - ...omdè-t-ie [baanwielrenner Jan Pijnenburg...] in Stuttgart gefietst hee as de duvel, die Geerte aachternao zaat.
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 t Gong erop as dn duuvel op Girtjes t Ging er hevig aan toe
    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Geert, Geerte, Girtje eigennaam; Geert de Vlug, omstreeks 1767 een Tilburgse misdadiger
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek., 1998 - Girt(e) - roepnaam voor Gerardus, vermeend voormalig booswicht uit Tilburg; Hè hee-g-ut ur op as den duvel op Girte. - Hij aast er op als de duivel op een booswicht.
  36. Soort zoekt soort

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 6; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-03-11 Sort zuukt sort (soort), zeej den duvel tegen den schorsteenveger.
  37. 7 - Goede raad berusting

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 6, Nieuwsblad van het Zuiden, 1964-06-06 - Toen een levenswijs moederke van de buurvrouw een klacht over haar dochter te horen kreeg, verzuchtte dat moederke: "Och Heer, neem ze zoas ze zijn, aanders krijgde er geen"... Het menske wist dus wel, dat de mens geen engel en geen duivel is.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 11; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-04-17 Dè zullen we den duvel en de mulder mar laoten schaaien, die schaaien t zô veul! waarbij gesuggereerd wordt, dat de molenaar nogal relatie heeft met de duivel. De uitdrukking wordt in het algemeen gebezigd als men bedoelt aan te geven, dat men een zaak maar op haar beloop moet laten, er zich niet in moet verdiepen.
  38. waakzaamheid

    - Pierre van Beek; Typisch Tilburgse uitdrukkingen, Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-08-29 - "Wie met de duvel eet, moet een lange lepel hebben". Dit betekent, dat men in geraffineerd of onbetrouwbaar gezelschap goed op zijn tellen dient te passen, indien men zelf aan zijn trekken wil komen.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 80, Nieuwsblad van het Zuiden, 1969-05-29 - Als men de waarschuwing krijgt zich in acht te nemen, want "daar loopt het duveltje rond het huis", betekent dit dat er in het huis in kwestie spanningen heersen en dat er bijna voortdurend herrie is.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 115, Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-12-11 - Nog een volksuitspraak op rijm: "God zal oe (je) mikken, maar de duvel zal oe pikken!" Wij denken, dat het "mikken" hier dient verstaan in de betekenis van: richten op een doel. Dat wil dan in ons geval zeggen, dat God beoogt de mens naar de hemel te halen, maar dat dit vanwege de duvel niet doorgaat. Het rijmpje kan de bedoeling van een waarschuwing of van een verwensing bezitten.
  39. zelfkennis

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den jongen dokter, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-04-22 - 1939-05-08 - ...dè spiegels over et algemeen liegen as den duvel...
  40. 8 - Onwelvoeglijk taalgebruik

    - Anoniem; De Engelbewaarder, jaargang 1900, De sprokkelaar t Woaren krek kwee zwarte duvels,/ Zonder horens, zonder stert / Kwoad as heksen, scheldend, roazend / Stonden ze oan den vuilen herd.
    - Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-03-19 - hij vloekte alle duivels uit de hel - hij vloekte nog erger dan de duivel
    - Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-03-19 - Als hij zat thuis komt, is er de duvel te koop, d.w.z. dan is het er niet pluis, raast en tiert hij.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 24, Nieuwsblad van het Zuiden, 1965-01-09 - Als een Tilburger iets erg verschrikkelijk vindt en hij wil zijn geraaktheid daarover eens krachtig benadrukken, dan kan hij zeggen: "Ge zoudt er den duvel van geselen!"
    - Piet Heerkens s.v.d.; Vertesselkes, 1944, Den eersten aop - z'n vrouwke kermde en ketterde fel gelijk eenen duuvel in d'erregste hel...
  41. 9 - Uitroep

    - Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant; 1950-03-19 - Dat dank je de duvel! - uitroep van dezelfde betekenis als Dat geloof ik wel!
  42. werkwoord

    De duivel legt het af tegen de engelbewaarder. Uit De Engelbewaarder, jaargang 1955-56. duuvele wolven, duivelen

    - WBD II:937 - duuvele - wol mengen en malen
  43. zelfstandig naamwoord

    De duuvelèèr in het duuvelhòk - foto uit: Commandeur e.a., Ge waart mar arbeider ; 1981 duuvelèèr duivelaar, wolmenger, bediener van het

    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - duuvelèèr - bepaald beroep in textielindustrie
    - Ed Schilders; Wè zeetie?, Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Toen ging et nòg beeter meej de stad, èn meej de tèkstiel. Der kwaame mesjienes, en toen er mesjienes waare, kwaame der duuvelèèrs en schrobbelèèrs.
    - Elie van Schilt; As ge katteliek geboren wierd; CuBra, circa 2000 - kender van unne metseléér, draoimaoker of duveléér, die wieren gin misdienéér
    - WBD II:937 - duuvelèr - degene die het doet (wol mengen en malen)
  44. zelfstandig naamwoord

    duuvelhòk ruimte in fabriek waar de ruwe wol gezuiverd werd

    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ook duuvelkòt; ruimte waarin wol werd gemengd
    - WBD II:937 - duuvelhòk - wolmalerij
  45. zelfstandig naamwoord

    Tilburgsche Courant 23-1-1914 Tilburgsche Courant 9-7-1913 Tilburgsche Courant 1-8-1918 Nieuwe Tilburgsche Courant 12-2-1940 duuvelmesjien

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - (textiel) machine waarin de wol voorbewerkt wordt
duuvelmeule
  1. zelfstandig naamwoord

    wolf, duivel, wolmolen

    - WBD II:937 - duuvelmeule - wolmolen
    duuvelmeuleduuvelmeuleduuvelmeule
  2. Duivel of wolf - uit: Dijkmeijer, Textielwarenkenis, 1951 Nieuwe Tilburgsche Courant 3-12-1921

duuvelsgewèld
zelfstandig naamwoord

de grootst denkbare moeite

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); de Tilburgse Koerier, 81 12 03 - Ik kreeg et ècht nie vur mekaar/ meej gin duvelsgewèld.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 meej duuvelsgeweld uit alle macht, dwingend
duuvelsgewèldduuvelsgewèld
duuvelstoejaoger
  1. zelfstandig naamwoord

    - Van Dale - duvelstoejager - benaming voor iemand die allerlei diensten en ongeregelde werkzaamheden verricht
  2. In het Tilburgs soms hetzelfde als

    - Nicolaas Daamen; handschrift 1916 - "duuvelstoejager - iemand die voor evenveel meedoet, 'n meelooper"
duuveltje
  1. zelfstandig naamwoord

    kacheltje op pootjes; kleine duivel

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Spartele as en duuveltje in en wijwaotersvòtje - erg tegenstribbelen
  2. Ill.: Thomé - dolle kervel - conium maculatum

duuveltjeskèrvel
naam

- WBD III.4.3:306 - duuveltjeskèrvel - gevlekte scheerling (conium maculatum), ook dolle kervel genoemd
duuveltjeskèrvel
duuzend
telwoord

duizend

- Kees en Bart; Dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - Naa wok dèk duuzend oogen ha
- Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - den verren horizon waor duuzenden henentrekken om te stèrven...
- Piet Heerkens; Lente; De Mus, 1939 - wè zuk geniete...
- Piet Heerkens; Vertesselkes; Vrouwke Misére, 1944 - mar aachter dè schuurke daor zaagde gij staon/ nen boom mee duuzende peeren eraon...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-05-20 - Meej duuzend blommen aon de kaant
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 04 04 - Mee duuzende zèmmer naor toe gegaon
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 04 21
duuzendzinder

wispelturig iemand

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 106, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-07-18 - Van een "duzendzinder" hadden we tot voor kort nog nooit gehoord. Het bleek de ongewone maar niet onlogische kwalificatie voor een persoon, die voortdurend iets anders wil. Hij houdt er wel duizend "zinnen" op na.
duuzenste
telwoord

duizendste

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - duuzenste
duuzenteraande/-te
naam

duizenderhande, duizenderlei

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - in dieje winkel hèn ze duuzenderaante dinger in die winkel hebben ze duizend verschillende dingen
duuzenterinder
telwoord

duizend dezelfde

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - duuzenterinder
dwalke
werkwoord

dwalke - dwalkte gedwalkt dwalen, afdwalen, verdwalen

dwalkschaop
  1. zelfstandig naamwoord

    een afgedwaald schaap alleen aangetroffen in Tilburgse bronnen

    - WTT; Ed Schilders, 2021-12-15 - Het woord gaat terug op de bijbelplaats(en) waar afvallige gelovigen vergeleken worden met schapen die uit de kudde van de herder treden - zie met name de parabel van het verloren schaap, en Psalm 119: Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten. De bijbelpassage over het afgedwaalde schaap heeft aanleiding gegeven tot een voorstelling van Jezus als De Goede Herder, een icoon in de roomskatholieke beeldcultuur, waarbij de herder Jezus wordt afgebeeld met het geredde schaap op de schouders. In Tilburg is aan het idee van De Goede Herder een parochie toegewijd onder die naam, waarvan de kerktoren in de volksmond bekend stond als Magere Josje (Postelse Hoeflaan, in 1986 gesloopt).
    dwalkschaopdwalkschaop
  2. Dwalk is een verbastering van dwalen, afdwalen (zie WNT lemma dwalen; vergelijk zwalken). Het woord is overgedragen op zeer uiteenlopende buitenbeentjes, zoals: afgedwaald schaap; figuurlijk: iemand uit de familie die aan lager wal geraakt is.

    - Pierre van Beek; Nieuwsblad van het Zuiden, Tilburgse Taalplastiek, aflevering 183, 1974-01-25 - Ook ooit gehoord van een dwalkschaap? Dit is een bepaald soort mens. Iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken, die niet weet wat hij wil, nu eens hier, dan daar rondhangt, soms ook wel aan de zwerf gaat. Enfin, iemand, die niets presteert en waarmee ook niets valt aan te vangen. Dus een a-sociaal persoon of een in de maatschappij verdoolde. Dwalken houdt verband met dwalen. Het lijkt ons niet uitgesloten, dat ons woord uit de schapenwereld stamt. Waarom zou een schaap met een neiging steeds van de kudde af te dwalen niet dwalkschaap genoemd zijn?
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-12-29 - [Vader tegen zoon...] Ge bent toch mar n dwalkschaop... [zoon...] Dè zen de biste vadder... Onzen lieven heer gong ze zuuke...
    - Frans Verbunt; Tilbörgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dwalkschaop - sukkelaar, zwerver
    - Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, 2004 - dwalkschaop - zwerver, ontheemde; overdrachtelijk: iemand die de weg in het leven kwijt is. - toen hullie moeder dood waar, wierie en dwalkschaop - toen zijn moeder gestorven was, raakte hij letterlijk en figuurlijk ontheemd
    - Gerard Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol, 2005 - We waaren ammòl schaope van de Goejen Hèrder èn zeeker gin dwalkschaope.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dwallegschaop - buitenbeentje, zwart schaap
    - Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2009-12-02 - Toen hullie moeder dôod waar, wierie en dwalkschaop - ...raakte hij letterlijk en figuurlijk ontheemd
dwaole
werkwoord

dwalen

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 6; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-03-11 Dwaolen is meenselijk, zei den boer en hij kuste de meid in het donker wordt vergoelijkend gezegd voor een daad, die eigenlijk niet in de haak is.
dwaoler
zelfstandig naamwoord

iemand die door de natuur dwaalt

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-01-19 - Peer van Dun was unne dwaoler (...) die de haai in den blende kos belôôpe
dwaollicht
zelfstandig naamwoord

dwaallicht, glimworm

- WBD III 4,2:172 - glimworm - De glimworm (lampyris noctiluca) is een in onze streken zeldzaam voorkomend en tot de verbeelding sprekend insect dat op vroege zomeravonden licht geeft. Het mannetje heeft lichtbruine dekschilden en vliegt, vaak in grote aantallen, op warme juliavonden onder de bomen; het wijfje is ongevleugeld, lijkt op een larve en kruipt over de grond. Beide hebben aan het achterlijf een gecompliceerd fel geel lichtgevend orgaan. Ze worden 12 mm. glimpworm - Middennoordbrabant lichtworm - frequent in Tilburg dwaallicht - Tilburg pierworm - Tilburg pier - Tilburg
dwarsdrèèver
  1. zelfstandig naamwoord

    dwarsdrijver

    - Henriëtte Vunderink; Tis de moejte wèrd; Kriem pasjoonèl?, 2011 - Ik had en ôom, hij is al jaore dôod./ Enen drammer hij wies aaltij alles beeter./ We noemden em dwarsdrèèver of bètweeter,/ òf vringerd, waor ie ok nie van verschôot.
  2. Illustratie: Johan Breuker

dwarsflèùter (Tilbörgse
naam

- WTT; Ed Schilders 2021 - De vogel en de naam werden bedacht door beeldend kunstenaar Johan Breuker ter illustratie van Veugeltjes (Jos Swiers, de Althaea Pers, Den Haag 2021) waarin een voorstel is opgenomen om een overzicht samen te stellen van zangen en roepen van (bestaande) vogels, beschreven in het Tilburgs dialect.
dwarsflèùter (Tilbörgse
dwèèl
  1. zelfstandig naamwoord

    dweil

    - WBD ovendweil - werktuig om een bakkersoven vochtig schoon te maken
    - WBD III.1.4:109 dweil - ondeugende vrouw
    - WBD III.2.2:113 - dweil - zedelijk slecht meisje
    - WBD III.2.1:310 dweil - idem
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dweil
  2. Sticker van een carnavalvereniging. Tilburg maart 2019. Foto CuBra.

dwèèle
werkwoord

dweilen; van kroeg naar kroeg trekken; op straat zwalken

- dwèèle - dwèlde gedwèld; met vocaalkrimping; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: hij dwèlt, gij dwèlt
- Hein Quinten, Tilburgse spreuken, circa 1990 - Zumme saome zeume of wilde gij sewèèle dwêêle?
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn dan mar dwèèlen hi? Van têene keffeej nor taandere.
- Kernkamp; Dialectenquête, 1876 - dwêle (ê als in Frans même)
- Jan Naaijkens; Dè's Biks, 1992 - dwèèle rondtrekken in Carnavalstijd van café naar café trekken.
- WBD - de oven reinigen (in een bakkerij)
- WBD III.3.1:43 - dweilen, uitgaan, aan de zwier gaan, de hort opgaan, op stap gaan, op sjanturnel gaan, zwalken - uitgaan
- WBD III.3.1:46 dweilen - nachtbraken
- WBD III.2.1:311 opdweilen - dweilen, ook aandweilen
dwèèltòcht
  1. zelfstandig naamwoord

    tocht langs een reeks kroegen door carnavalvierders dw ê epe werkwoord, zwak dwepen dwêepe - dwipte gedwipt; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij dwipt

    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 dwepen - naar een onzeker heenkomen rondtasten; ronddwalen als een verstooteling, die niet weet waar te blijven.
  2. werkwoord

    dwinge dwingen

    - WBD III.3.1:268 dwingen - bevelen
    - WBD III.1.4:50 dwingen - aandringen
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - dwinge - dwóng - gedwónge
×