h èrdlaaj
zelfstandig naamwoord

uit hèrd (haard, huis) en leiden, binnenleiden.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Ge weet ummers, det ti mergen ten herdlaai is geneuid? Daar geannoteerd als: Het ingeleide van een nieuwen dienstbode, met gevolgelijke vermakelijkheden.
- In Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882) geannoteerd als: boerenfeest, dat gegeven wordt als er een nieuwe knecht of eene nieuwe meid in dienst komt. 't Jonge volkje uit de buurt komt bijeen en leidt den dienstbode over den haard. Wien de eer te beurt valt, trakteert.
- WTT 2017 - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - geeft een andere invulling van deze feestelijkheid: Weg [verdwenen] is den herdlaai, waarbij de jonge echtgenoot resp. echtgenote over een bezem moest dansen... Een huwelijksfeest dus.
h èrdlaaj
h òr
  1. t ussenwerpsel hoor!

    - Interview met de heer De Kok (1978) Schoenmaaker van beroep! Mar ik hèb nòg meer fakke gehad hòr! (transcriptie Hans Hessels 2014;
    h òrh òr
  2. Ook gehoord als 'hor'

    - Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels (2015) - ..Twas ene goeje man hor, mar hij dronk veul!
  3. werkwoord

    hòrènkele

    - WBD (Hasselt) - (van een paard) de enkels kwetsen door ze onder het stappen tegen elkaar te schoppen), ook genoemd 'haorhinkele'
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - kèkt is nòr men ketaaw, et hòrènkelt zo - ... het slaat steeds over
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - overslaan, beentje lichten, tegen je(eigen) enkels schoppen
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'Kèkt us nò-me ketaaw, ut hòrènkelt zo' - ... het slaat steeds over.
    - WBD III.3.1:237 'haarenkelen' = bekvechten
    - Cursus in Tilburgs een krantenrubriek circa 1940 - (8) 'Kektis nòme ketaaw, ut hòrenkelt zo!'
    - WBD III.1.2:389 'haarenkelen' = haarenkelen
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zwak werkwoord onovergankelijk 'haarenkelen', met een van de voeten tegen de enkel van de andere voet schoppen onder het gaan (v. mensen en paarden)
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HAARENKELEN - bij 't gaan den eenen enkel tegen den anderen slaan of stooten (Kemp.)
Haaj

toponiem de Campina

- Interview Jolen - 1978 En ik hèb nòg in, in, in, in de haaj ok en bietje gewèrkt, nou weet ik tòch niemer wè, wèllek dè dè isin de haaj zègge ze vruugerdès die kaant ammel èùt hè, boove Hilverenbeek èn zôo hèAcht Zaalegheede jè. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
HaajHaaj
haajbaaj
  1. zelfstandig naamwoord

    haaibaai

    - 2019 vlotte, bijdehante meid (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980.
  2. zelfstandig naamwoord

    haajbissem, -bèssem bezem van heide of brem

    - WBD III.2.1:303) haajbissem - heibezem
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HEIBESSEM zelfstandig naamwoord mannelijk: - heidebezem, bezem van heide gemaakt.
  3. Haajkaant Heikant toponiem (noordelijkste wijk van Tilburg, geheel opgegaan in Tilburg-Noord)

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 04 09 - "In d'n Haaikaant komt 'n Krès, / Wè zò dè vur iets zèn?" / / Ik heb ze haorfèn uitgelee / Al gaaf dè wel wè laast: / "'n Krès dè is 'n instelling / Die op de kiendjes paast."
    - Audioregistratie 1978 - Et is hier mar hil lichte zandgrond hier òn de Haajkaant want et hiet nie vur niks Haajkaant! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
    - Henriëtte Vunderink; Tilbörg trakteert, uit Tis de moejte wèrd, 2011 - op et Körvel òf int Zaand,/ den Haajkaant òft Kedènt.
    - Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - den Haajkaant
Haajkaants
  1. zelfstandig naamwoord

    Heikants, het dialect van de Heikant; meestal in de uitdrukking 'stads meej Haajkaants', gezegd als een dialectspreker de standaardtaal wil spreken maar daar niet goed in slaagt.

    - Ik neem mèn ontslag. Zaoterdag ben ik hier vur et list en ge ziet mar degget stelt, sprak mèn Lia in stads meej heikaants (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
    - WTT 2012 - door humoristen gebruikte voorbeelden van 'stads mee haajkaants' zijn:
    - De fabrikantennaam Swagemakers foutief uitgesproken als Swaogemakers of als Swagemaokers; juist is: Swaogemaokers
    - het woord tafelkleed, foutief uitgesproken als tafelklêed; juist is: tòffelklêed.
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
  2. zelfstandig naamwoord

    bijvoeglijk naamwoord uit het stadsdeel de Heikant - Cees Robben; Prent van de Week - Unne Haaikaantse meens liep wè hers en wè geens (19550618) Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel. Haajke Kaart: Diederik Zijnen (1760) centraal stadsdeel = 't Heike

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - de Haajkese kèèrk durt stròtje van Bronsgist - een moeilijke bevalling
    - As getrouwe kattelieken waare we irst ammòl op et Haaike nòr de mis gewist. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
Haajkese toore
  1. zelfstandig naamwoord

    (1982-04-02) haajkneuter klein boertje, oorspronkelijk op heidegrond

    - WBD III.4.1:137 'heikneuter', kneuter, kreuter - kneu (Carduelis cannabina)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks , 1992 - haajkneuter zelfstandig naamwoord - heidekneutje (vogeltje, Acanthis)
    - WNT kneuterboer: jongere vervorming van keuterboer. Keuter: eig. bewoner van een kote, een kleine (boeren)woning; vandaar: kleine boer. Keuterboer: boer van of op een keuterij; in 't alg.: boer met een klein bedrijf.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HEIKNEUTEr zelfstandig naamwoord mannelijk:- kneuter; vlasvink; fig. iemand die eenzaam in de heide woont.
    Haajkese tooreHaajkese toore
  2. zelfstandig naamwoord

    Gryllus campestris - Zwarte veldkrekel haajkriek Gryllus campestris - Zwarte veldkrekel

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - - "haaikriek - krekel"
    - WBD III.4.2:217 'heikriek' of 'kriek'
    - WNT HEIKREKEL
  3. zelfstandig naamwoord

    Carduelis cannabina haajmaawerek

    - He nk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - kneu (Carduelis cannabina)
  4. zelfstandig naamwoord

    haajslangeske

    - WBD III.4.2:105 'heislangeske' - hagedis (Lacerta vivipara)
  5. zelfstandig naamwoord

    Gravure van Bathasar van der Ast - 17de eeuw haand hand het meervoud = haand of haande verkleinwoord

    - Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: Den timmerman zen schaand is den schilder zen haand.
  6. naam

    (= De schilder moet de fouten van de timmerman bedekken)

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - der was iets òn de haand
    - KAREL. Jao mar: iedereen kan toch mee zn haande vatte dechche het staon te liege. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 15 december 1944)
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Hij kan mee zn 2 linkse haande nog behoorlijk uit de voete (17-10-1972)
    - Pierre van Beek - gezegde: Et ha mar haand òf keer geschouwd - het was op het nippertje.(Tilburgse Taalplastiek 170)
    - Wettie mee zun haande rèègt zet, stôt ie mee zun kont wir om! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)
    - èn as mene vriend dè wir perbeerde,/ zègt dan: "Haawt oew haande tèùs". (Henriëtte Vunderink; Mene listen biecht; k Zal van oe blèève haawe, 2007)
    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: Hij haaudt 'nen dikken stok in de haand
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): ge vouwt er de haande van saome (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - uitroep van verbazing
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): gin weeren in de haande krèège (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - 'n hekel aan werk hebben
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - oopaa wòrre kunde meej oew haanden in oew zakke
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'hand' zelfstandig naamwoord - hand; mv. 'hande'
    - Brôod vatte in oew haand om op te eeten en gin enkele sneekes mar dubbele bottramme, die waaren ok beter in oew haande te vatten. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
    - 2020 - Het zien lopen van een juffrouw met magere beentjes in een kort jurkje: - gin dikke èèreme, mar wèl dunne bêene! of: - die lopt op der haande! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
  7. Meervoud: naast haande ook haand

    - Ons moeder zeej dan aaltij, as we in de sneuw bezig waren: Krèègde gullie naa nôot gin kaaw haand, doe toch un paor handschoenen aon. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
    - Ons haand hèn we allêen asser un krèùs gemaokt moes wòrre, öt onze zak gehaold. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) Als suffix
  8. ...der haand ...(d)erlei twidderhaand, driederhaand, fèfderhaand, zisderhaand (in de uitspraak vervalt de h meestal).

    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): twidderhaande
    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg , 23 maart 1945 - Zoo kank wel honderterandere vurbilde aonhaole
haandevol
  1. zelfstandig naamwoord

    - Zegsman dhr. Hessels (1931-2006), 2020 - Het is uit met een vriendinnetje: - gin haandevol mar laandevol!
  2. naam

    haands

    - WBD vur de haands ketier - rechtervoorkwartier van de koeie-uier
    - WBD van de haandse kaant, van de haand - rechterkant van het paard
    - WBD van de haandse kaant, bè de haand; (Hasselt) òndehaand linkerkant van het paard
  3. zelfstandig naamwoord

    haandvat

    - WBD handvat van de ploegstaart (Hasselt)
  4. zelfstandig naamwoord

    haandvijsje

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'haandvèjsje ' - kleine lijmklem
  5. zelfstandig naamwoord

    haandwaoter

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "haandwoater - zoo goed as dè? 't heet [heeft] er gin haandwoater bij (het lijkt er nog niet op)".
    - WTT (2012) - Het is opmerkelijk dat Daamen in 1916 deze zeer oude uitdrukking nog optekent. 'Iemand handwater geven' betekende: iemand water aanbieden om de handen te wassen alvorens de maaltijd te beginnen (vergelijk de handwassing in de katholieke eucharistie). In overdrachtelijke zin kwam de uitdrukking in gebruik om rangen, standen, en kwaliteiten te vergelijken: aanbieding van het handwater geschiedde alleen door aan elkaar gelijkwaardige personen. Daamens uitdrukking bedoelt te zeggen dat het hier twee zaken betreft die niet aan elkaar gelijkwaardig zijn. Die betekenis vinden we in het - WNT in het lemma 'handwater': '"Bij" iemand of iets (niet) in vergelijking komen, (niet) vergeleken kunnen worden, wordt uitgedrukt door: bij iemand of iets (geen) handwater geven. Hy sey dat Don Rodrigo of de Cid, wel een goet Ridder was geweest, maer dat hy evenwel by die van het brandende Swaert geen hantwater gaf, die enz., V. BOS, Don Quichot 1, 11. (Geen) handwater geven (bij) werd vervolgens nog verder verbasterd tot (geen) handwater hebben bij...
  6. tussenwerpsel

    haawdoe, houdoe

    - Cees Robben; Prent van de Week - Kom haauw-doe war... en t biste... (19600415)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hou je, tot ziens, vaarwel
  7. werkwoord

    Anti-hondenpoepoactie van de gemeente Tilburg. Kromhoutpark 2016. haawe houden haawe - hiel - gehaawe

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - haawe - hield - gehaawe
  8. g een vocaalkrimping

    - Dialectenquête 1887 Willems; ook: haawde
    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: hij haauwdt 'nen dikken stok in de haand; haauwe
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - haawe; verleden tijd 'hiel'
    - ...en Teun kos weer nie goed begrijpen, dè die [trein] nie efkes ho kos haawen om hum over te laoten stappen... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; Nieuwe Tilburgsche Courant 16-9-1939)
  9. uitdrukkingen - Cees Robben; Prent van de Week - Hij haauwt lang weg (19671215) - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Hij waar der gehaawe en geslaon, zôas dè hiete.

    - WBD; bè den hèngst haawe - de merrie bij de hengst brengen (ter dekking)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 07 14 - Of ge kunt op z'n aauwverwets / Gezellig kermis haauwen.
  10. zelfstandig naamwoord

    haawer houder

    - WBD kèttinghaawer, vasthaawer (II:1004) kettinghouder;
  11. zelfstandig naamwoord

    ook wel kèttingspanner genoemd haawke peultje, peulerwt, 'sèùkerèrt', 'pultje', peul

    - WBD III.2.3:81 'hauwke' = peulerwt
    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster, 1968) - HOUW, HOUWKEN - peul, peultie.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hö.u, zelfstandig naamwoord vrouwelijk "houw', 'hauw' - peul; verkleinwoord 'höwke(n)
  12. zelfstandig naamwoord

    haawkèènd kind dat het ouderlijk huis niet verlaat; zorgenkind; iemand die veel over de vloer komt

    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): de tram zal aaltij en haawkiendje blèève
    - Cees Robben; Prent van de Week - 'k Heb alle bij mekaare tien kender gehad... aacht goei en twee kaoi... En dan hak nog un hauwkèènd.. Dè was munne man... (19610526) - Cees Robben; Prent van de Week - [Moeder over baby:] Ik denk dettie iets onder de lee-hee.. Ast mar gin haauwkèènd wordt... (19740308)
    - WNT HOUKIND - een kind dat bij vreemden wordt uitbesteed om te worden grootgebracht.
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks - 1992 - haawkènd zelfstandig naamwoord - kind dat borstvoeding krijgt
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zelfstandig naamwoord, onzijdig, 'houwkind" - persoon of dier die (dat) men niet kwijt kan worden.
  13. zelfstandig naamwoord

    haawmaaw wervelwind

    - Cees Robben; Prent van de Week - ...krek-lek unne haauw-maauw (19560428) - Cees Robben; Prent van de Week - Wè maauwde van unne haauw-maauw.. maauwer... (19570631) - Cees Robben; Prent van de Week - Diejen haauw-maauw komt me krek van paas... (19760514)
    - Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958 - 't Dorp Haaren werd in 1957 door een grote windhoos verrast, waarbij enkele kippenhokken het moesten ontgelden, terwijl tientallen bomen werden ontworteld. Toen sprak men van een "haauwmaaw". Als 's zomers 't hooi in oppers staat en de wind schiet er onder, dan komt dat door een "haauwmaaw", even goed als vroeger in 't najaar als 't Bosse Veld blank stond en het water werd de lucht ingecirkeld.
    - WBD III.4.4:111 'houwmouw' = rukwind; 113 'houwmouw' = windhoos
    - Stadsnieuws (rubriek): Diejen haawmaaw van vleeje week heej veul schaoj gebròcht (291106)
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HAUWMAUW (haawmaaw) m. wervelwind, orkaan. Geluidsnabootsing?
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zelfstandig naamwoordvrouwelijk 'haauwmaauw' - wervelwind, windhoos
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOUW, zelfstandig naamwoord vrouwelijk -wervelwind, draaiwind
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992)- haawmaaw zelfstandig naamwoord - windhoos
Haauwt ze vaast

Mèn duuzendste rèmke Dè leesde naauw hier Duuzend keer "Lechim" In onze "Koerier". Ik zè ginne Vondel 'k Rommel mar raok, Mar aaventoe heur ik: "'t Valt in de smaok". 't Viel òk wel is teege Mar wè doede daor aon? Verbild oe dè't près was Ieder schot van d'n haon... Agge van die duuzend Tien keer hè't gezee: "Dè was naa 'ne goeie" Zè'k al blij dè'k 't dee. Nie allèèn vur mn rèmkes Mar vur de meraol: Meense haauwt ze vaast, Oew ège schòòn taol.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch, 1899 duzend; bij sommigen duzeld - duizend
habbetjap
bijwoord

gek

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (gehoord bij de kapper:) höllie pa is wouws, höllie moe is appetjoek en, dè kunde wel naogaon, zellef is ie habbetjap (16-01-1975)
hadder
  1. zelfstandig naamwoord

    haffel verkorting van 'handvol' door assimilatie ontstaan uit 'handvol' m.b.t. telbare dingen, gewoonlijk letterlijk een hand vol, dan wel op de vingers van een hand te tellen

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 12 25 - 'n Haffel kiepe en 'nen haon...
    - Cees Robben; Prent van de Week - Vur n haffel dolders... (19851122) - Cees Robben; Prent van de Week - Hier n haffeltje zaand (19580405)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'Hè viet unnen haffel tèèref'
    - WBD II:708) haffel - handvol spijkers
    - WBD III.2.3:79 'haffel', 'haffeltje' = bundel groenten
    - WBD III.4.4:261 'haffel' = onbepaalde hoeveelheid
    - Stadsnieuws (rubriek): Kom mar mènneke, dan krèède en haffeltje ollienutjes van de taante.
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
    - WBD III.4.4:277 'haffel(tje)' = handvol
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - haffel zelfstandig naamwoord - handvol
    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HAFFEL -handvol.
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HAFFEL vrouwelijk, door assimilatie ontstaan uit handvol en dus vrouwelijk: hoeveelheid die men in de hand heeft, in de hand kan houden of op de vingers van een hand kan tellen; nooit m.b.t. vloeistof, meestal van kleine hanteerbare voorwerpen.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - haffel - handvol
  2. werkwoord

    haffele voortdurend in de handen nemen haffele - haffelde - gehaffeld

    - Voorbeeld Sterenborg - Wè staode er tòch meej te haffele. - Wat hou je het toch onhandig vast.
    - WBD III.1.2:1 1 0 'haffelen' = handvollen, doelloos friemelen
    - WBD III.1.2:111 'handvollen' = aanhoudend bepoetelen
    - WNT HAFFELEN 2) frommelen, poedelen, dauwelen (t.w. voortdurend of telkens met de hand betasten)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): haffele werkwoord - liefkozen
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HAFFELEN onovergankelijk werkwoord, gewoonlijk verbonden met vz. 'met'; liefkozend op de hand of in de armen nemen, meestal kinderen of kleine dieren.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1958 - haffele(n) zwak werkwoord onovergankelijk - voortdurend of telkens met de hand betasten, veel in handen nemen, sollen.
  3. zelfstandig naamwoord

    haffelkatje kind dat aangehaald en verwend wordt; stoeipoes

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - haffelkètje
    - Stadsnieuws (rubriek): Onze Sjaarel is wir meej dè haffelkatje van hiernèffe op rêep; as dè mar nie öt de haand lopt! - Mijn broer Karei is weer met die stoeipoes van de buren de hort op; als dat maar niet uit de hand loopt.' (151008)
    - C. Verhoeven - HAFFELKAT, v. poesje om mee te haffelen; kind dat aangehaald en verwend wordt
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hafelkät'je(n), zelfstandig naamwoord o. - haffelkatje, katje waarmee veel gehaffeld wordt
hakb
  1. zelfstandig naamwoord

    kinderspel

    - A.J.A.C. van Delft - Nog speelde men "hakbergen". Dat geschiedde met "haktollen" (draaitollen). Deze tollen waren van ander model dan de tegenwoordige. Zij werden bij "Vrenske Appels" in den Veldhovenschen hoek gedraaid; door de smid werd er nog een pin ingezet en klaar was Kees. Men trok een cirkel op den grond en daar moesten dan de haktollen ingezet worden. Kwam de tol niet in den ring, dan moest hij er in gelegd worden. Stond hij in den ring te tollen, doch draaide hij op 't eind niet den cirkel uit, zoo moest ook deze er in blijven liggen. De anderen mochten nu met hun tol probeeren om er tusschen te hakken en sprongen de inliggenden dan van elkaar buiten den kring, zoo mocht de eigenaar van den vrijgekomene weer mee hakken. Alweer een spelletje "zonder eind". (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 106; 23 maart 1929)
  2. zelfstandig naamwoord

    Drijftol Drijftol hakdòl haktol, priktol

    - Mee in jaor of vier is t al wir aanders, dan worrut in autoped en norvenaant het seizoen nen vlieger, kaaischeuten, drèf of hakdollen. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
    - Anoniem 1959:
  3. ...en toen zeej de klène Kees: "Vadder, ik heb naau wel unne hakdol, mar 'k heb gin stukske pees." (Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)

    - H.A. Sterneberg S.J. -
  4. Mijnen bromtol Ielke tol hee eigen nommer, mer mijn bromtol nommer één. Daor haolt niks bij mijnen brommer, eikenhout en staolen teen! Toen 'k hum straf haai upgewonden en ik zwooi 'm zuiver nir, wier hi gauw alleen gevonden, zeg, waor bleven d'ullie wir!

half om half
  1. naam

    - A.J.A.C. van Delft - "Wat een ferm kindje ligt daar in de wieg", zei ik. "Ja, ja," was 't antwoord "en 't is er eene van half om half! De vrouw komt uit 't Turkenland en ik ben van de stad." Hiermede werd bedoeld, dat het ouderpaar onderscheidenlijk van benoorden en bezuiden de spoorlijn afkomstig is. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
    half om halfhalf om half
  2. zelfstandig naamwoord

    halfwaas halfwas, aankomende of onvolwassen hulp

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'hallefwaas kröwaogentje' - klein ding
    - WBD III.2.2:44 'een halfwasse' = puber, ook 'aankomeling'
    - WBD III.2.3 :163 'halfwas' = onvolgroeide vrucht
  3. zelfstandig naamwoord

    halsbaand

    - WBD (Hasselt): halster (hoofdstel, bestaande uit een ronde band om de neus van het paard en daaraan een band bevestigd om de nek, waarmee het paard in de stal is vastgebonden); (Hasselt) stalband (de band om de nek van het paard, waarmee men het op stal vastbindt
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HALSBAND zelfstandig naamwoord mannelijk: - halsboord, boord: bij landb.: band rond den hals, waarmede de beest op stal staat.
halvenbak
  1. bijwoord

    halfbakken, slordig, onvolmaakt

    - Et waar mistal mar halvenbak as hij iets ha moete zette. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
  2. zelfstandig naamwoord

    ham ham Achterbout van een dier - Kernkamp; Dialectenquête 1879 - haam en spèk - ham en spek Schilderij van Laurens Craen (detail) - 17e eeuw - 'Stilleven met ham'

    - Kubke Kladder Irst kregen we vleeschsoep mee bollekes. Daornao gekookte ham, gin gewone zooas ge in de winkels koopt, nèè ham die bij den bakker 'n wijltje in den oven gesmoord hô, half en half gebraojen zoodè 't er 'nen geur afsloeg om waoterachtig van te worren. (pseudoniem van Pierre van Beek; in: Uit 't Klokhuis van Brabant, Nieuwe Tilburgsche Courant, 22-2-1930.)
    - Kubke Kladder Dan plant-ie 't mes door de malsche zwaard [zwoerd] henen in de rood-doorregen ham en sneed er 'nen fermen homp af. (pseudoniem van Pierre van Beek; uit: MIJN VOLK, Een schets uit het Brabantsche boerenleven, Nieuwe Tilburgsche Courant, 31-7-1930.)
  3. Cornelis van Dale - gravure - 1612

    - A.J.A.C. van Delft (over het lied Achter de hemeldeur van de Tilburgse straatmuzikant Jan Viool)
  4. Ach vrienden, luister naar mijn lied, Het is een droom, die ik u ga vertellen, Ik droomde laatst, dat ik gestorven was, Ik zag den hemel en... de helle! Ik zag den Rechter in de groote zaal, En hoorde Hem met vele menschen spreken, Maar ik durfde er niet binnen gaan, 'k Heb mij toen achter de deur versteken. Aan de deur daar hing een groote ham, Waar elke notaris van moest eten Vóórdat hij den hemel binnenkwam, Maar... er was nog niet ééns van gebeten. Is het dan geen treurig spel?

    - WTT 2013 - Rolf Janssen noteerde een jongere versie van dit lied van Jan Viool met de volgende muzieknotatie, opgetekend in Goirle, en die dus niet per se de melodie was waarop Jan Viool het lied zong.
    - Jan Jaansen - Verder ha ze 'n schoon stuk ham gekookt en 'nen worst van ik weet nie hoeveul ellen lengte gebraoie! (pseudoniem van Piet Heerkens svd; uit: Oome Teun in den trein, Nieuwe Tilburgsche Courant 16-9-1939)
  5. Rauwe en ruwe ham - hypercorrectie

    - C. Verhoeven - Er zijn mensen die in een wat sjieke winkel geen 'rauwe' ham durven te bestellen, omdat zij weten dat de juffrouw hen met een schamper lachje zal verbeteren en 'ruwe' ham zal brengen. Het gebeurt heel dikwijls dat mensen uit louter behoefte om toch maar geen dialect te spreken, allerlei fouten maken uit hypercorrectheid. (Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978)
    - C. Verhoeven - Alleen bij de vleeswaren sta ik wat sterker, want zodra ik 'rauwe ham' bestel, wordt dat altijd met 'ruwe ham' vertaald, en dan weet ik, dat ik het goed zeg en de deftige dame fout. (Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978)
    - Ad Haans - De Hilversumse aanstellerij is niets anders dan domme distinctiedrang. Dat is altijd het geval bij hypercorrecties. Wie ruwe ham zegt als hij rauwe ham bedoelt, geeft blijk van een leemte in zijn kennis én van angst om door de mand te vallen. (uit: De Hilversumse angst voor de S en de F, in: Eén jaar lief en leed columns uit het Brabants Dagblad, 2003)
    - Wim van Boxtel - Waor hangt nog d'n ham, en 't spek, in de schaaw? (uit: Onzen eigen aord, Brabants Bont Sprokkels, 1981)
    - Willy van Rooy - ... 'n Paor flinke sneeje malse melktarwe van Wimme mee 'ne klats aaier-mee-ham in de pan... en dan naor buite. (uit: Op mn eendje, Schôôn en lilluk, 1983)
    - Piet Brock - Spek in de pan./ Gerökte ham./ Krèp of kermenaoj./ Wèrreme balkebraoj. (in: Kuus, Vuurstintjes ketse, 1990)
    - Elie van Schilt - Hil de femielie bleef mee eten, uyt de mis brooikus mee allemal dingen erop die we mistal nie aten, gekokte ham, ouwe kéés, jonge kéés, rookvléés. (uit: As ge katteliek geboren wierd dan hadde toch veul te doen en te laoten; www.cubra, ca. 2003)
    - WTT 2013 - Beide teksten zijn een vervolg op een niet uitgesproken verlangen. Woordspeling met 'ha'm', hadden we maar, en vleeswaar ham. Vergelijk dooddoeners als 'as' = 'als' -> 'as is verbaande törf'.
  6. naam

    houtere ham 1 M eestal verklaard als:

    - WNT lemma HAM III,2,d: De houten ham komt daar op tafel: men houdt in dat gezin voor 't uiterlijk een stand op, terwijl men zich in 't noodigste bekrimpt en krom ligt. (1898)
    - Jozef Cornelissen - KULWORSTEN: Vermoedelijk schijnworsten. Vgl . 't is flauwe kul en Haagsche houten hammen.
  7. houtere ham 2 Mogelijk is de verklaring echter niet aan zuinigheid of schijn verwant maar juist aan feestelijkheid, en wel bij het bouwen van een huis:

    - K. ter Laan - 2. De mei [een meiboom] op een huis in aanbouw, wanneer de kapspanten zijn opgericht, dus bij het richtfeest. In Groningerland hangt aan die meitak aan de ene zijde een fles en aan de andere kant een houten ham, beide aanwijzingen dat er flink getrakteerd moet worden. De fles moet worden stukgeschoten.
  8. Vergelijk de gewoonte om de vlag in top te steken als het hoogste punt wordt bereikt van een gebouw. Vergelijk: vlaggebier, de traktatie bij die gelegenheid. achterwerk, bil, billen van een mens

    - WBD III.1.1. lemma bil c.q. dij ham, ook in Tilburg
ham
  1. samentrekking

    had hem

    - En toen ham dè jaogertje al gaaw ingehold natuurluk. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 6 april 1945)
    ham
  2. samentrekking

    hamme hadden we Samentrekking uit 'hadden' + 'we', via 'hadde me' door assimilatie. eerste persoon meervoud, verleden tijd van hèbbe = han, samengetrokken met voornaamwoord we

han
  1. zelfstandig naamwoord

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. handelesaosie hantering, het omgaan met, handelwijze, inzicht

    - Piet Heerkens; uit: Brabant, Harriëtje, 1941 - Paf [staan] van al die handelizaosie...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hij heeter gin handelesaosie van - hij weet er niet mee om te gaan
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'Hè hee-t-ur gin haandelesaosie van!' - Hij weet niet hoe het moet
    - Cursus in Tilburgs een krantenrubriek circa 1940 - (38) 'Hij heeter niks gin handelesaosie van
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HANDELEZATIE zelfstandig naamwoord vrouwelijk - handeling, goede manier om eenig werk te verrichten. Dieë lomperik hée' nieverans geen handelezatie van.
  2. zelfstandig naamwoord

    handketaaw handweefgetouw

    - WBD handketaaw/ haandgetaaw (II:944)
  3. zelfstandig naamwoord

    handpèèr handpeer

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - ntp -> mp: haampeer
  4. zelfstandig naamwoord

    handvat, handvatsel

    - Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra - Elk veurjaor kreeg zon fietske is in goei burt, wier ze wè afgeschuurd en opgelakt, hier en daor inne nuuwe speek ingezet, soms nuuw spatbordjes en handvatsels...
    - WBD II:2375) 'handvat' - een van de knoppen waartussen een zaagblad van een spanzaag bevestigd wordt
  5. zelfstandig naamwoord

    handvèèger handveger paoter handvèèger - onhandig iemand

    - WBD III.1:307 - handvèèger - stoffer
  6. snor

    - Ga zitten, zeej enne vent in vol ornaat meej ene flinke handvèèger onder zen neus, tegen mèn. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
  7. zelfstandig naamwoord

    handwèèrk handwerk

    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HANDWERK - zelfstandig naamwoordo. - arbeid die met de hand verricht wordt
  8. zelfstandig naamwoord

    handwèèver handwever

    - WBD handwèèver, haandwèèver (II:941) handwever, wever die thuis met de hand weefde (op het handweefgetouw).
    - WBD II:949 - 'haandwèèver'
  9. werkwoord

    hange hangen

    - A.J.A.C. van Delft - Tegen iemand, die tot haast aanmaant, heet het: "Nou, nou, hangen hee gin host." (Men behoeft zich niet te haasten om zelf iets te doen, dat minder aangenaam is, i.c. opgehangen worden.) (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)
    - Pierre van Beek Om iets te doen wat niet aangenaam is, behoeft men zich - althans volgens de volksmond - niet te haasten. Men geeft dit aan met de woorden: "Nou, nou, hangen heej gin host (haast)." Opgehangen worden is namelijk een van die onaangename zaken. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant donderdag 11 mei 1950)
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): de maand in den hòf hèbben hange (NB'78) - op korte termijn een kind verwachten (uit de bijenhouderij: Men hangt een korf in de tuin, als men een bijenzwerm verwacht.)
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): heetie et gestoole, dan moetie hange (N. Daamen (handschrift 1916) - ) - hij moet de gevolgen van zijn misdaad maar ondergaan
    - WBD III.4.4:27 'hangend weer' = bestendig weer, ook 'staand weer oude verleden tijd: hong
    - Dialectenquête 1887 Willems - hange - hong - gehange
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hange - hing - gehange
    - Mar hij hong te vaast aon zn systeem... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940) - ...et hong ok nie mee z'n punten slap en futloos naor beneje... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 12 22 - Twee klèn pepieren engeltjes, / Die in de Kerstbòòm hongen...
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Er hongen ôk nog un paor schilderijkes en tékeningen aon de muur.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Appels van enne bôom plukken, waorvan de takken over de heg hongen.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - ... want stof hong der zat en dè waar toen al nie gezond.
  10. zelfstandig naamwoord

    hangstèrtje hangstaartje

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - staartmees (Aegithalus caudatus)
  11. zelfstandig naamwoord

    hank

    - WBD dakspar
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - hank - dakspar (rond Tilburg)
  12. zelfstandig naamwoord

    hannebroek Naumann - gaai

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - gaai (Garrulus glandarius)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): hannebroek zelfstandig naamwoord - Vlaamse gaai
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - zelfstandig naamwoord mannelijk: 'hanikbroek'.
    - WBD III.4.1:148 broekhannek - gaai
    - WNT HANNEKE 4) verouderde benaming voor sommige vogels
  13. zelfstandig naamwoord

    hannek ekster (Pica pica) Afb.: Naumann - Pica pica

    - Cees Robben, Prent van de Week - ...hanneken/ die huizen in de maast. (19600708
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HANNEK, HANNIK (uitspraak hannak) zelfstandig naamwoord m. - tamme ekster; ook 'hannen'
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - annek, hannik ekster, roek, Vlaamse gaai
  14. naam

    lomperik, onhandige man

    - WNT HANNEKE 1) zwak en onnoozel man of echtgenoot.
hanneke
  1. werkwoord

    aarzelen

    - WBD III.1.4:54 'hanniken' = aarzelen
    hanneke
  2. zelfstandig naamwoord

    hannekeskòst hannekenskost

    - WTT (2012) - Het - WNT geeft onder 'Hanneke' als tweede betekenis, en als eerste voor Zuid-Nederland: 'nuchter kalf', dat wil zeggen 'mager kalfsvlees' of vlees van jonge kalveren.
    - A.J.A.C. van Delft - "Hoe ziet hij er uit?" "Och, hij heeft al zijn leven hannekekost gegeten, dan weet ge 't wel." Dit is: Hij blijkt uiterlijk niet te stammen uit een gezeten burgerfamilie. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929) [WTT 2012: ofwel: hij is erg mager, hij is dus van lagere komaf; zie volgende]
    - Pierre van Beek Er zijn echter mensen, die men - ook al zijn ze maatschappelijk vooruitgegaan - hun afkomst soms nog van het gezicht kan lezen. Men zegt dan, dat ge zien kunt, dat hij "al z'n lève hannekenkost gegeten heej". Zo iemand stamt derhalve niet uit een burgerfamilie. (Tilburgse taalplastiek 14 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 23 mei 1950)
    - Pierre van Beek - Wanneer van iemand gezegd werd, dat hij "al z'n leven hannekenkost had gegeten", dan zag hij er niet te best uit en was hij niet uit een gezeten burgerfamilie voortgekomen. (Tilburgse Taalplastiek 24-6-1964)
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): aaltij hannekesköst gegeeten hèbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1964) - onvoldoende, slechte, vaak gekregen kost hebben gegeten en daardoor mager zijn.
    - WNT - Samenst. (in de bet. 2) Hannekensvleesch, te Antwerpen een gewoon woord voor: nuchterenkalfsvleesch (Eenen beenhouwer wiens klanten bijzonder op hannekensvleesch gesteld waren.
hannet
  1. zelfstandig naamwoord

    hansjee, anzjeej hachee Hachee met rode kool en aardappelpuree

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hachee
  2. zelfstandig naamwoord

    hansjup hansjöpke

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 03 19 - Triske hee 'n hansjupke aon / Geborduurd mee 'n hundje / Dè is zó hullie moeder zee / "Fèn wèrm aan dur kuntje."
  3. zelfstandig naamwoord

    haogel hagel

    - WBD III.4.4:103 'hagelsteen', 'hagelkorrel' = hagelsteen
  4. werkwoord

    haogele hagelen alleen als infinitief en derde persoon enkelvoud 'het'

    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HAGELEN onpersoonlijk werkwoord - heeft soms 'ze' en 'dat' als onderwerp
  5. zelfstandig naamwoord

    haok, hòkske haak

    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): nie in den haok
    - WBD puthaok (ook in Hasselt) - puthaak (stok welke scharnierend of d.m.v. een ketting opgehangen is aan de putzwengel)
    - WBD schèphaok - ijzeren haak aan de puthaak
    - WBD gerilhaoke (Hasselt)
    - WBD (Hasselt) eeghaok - egstok (dienend om de eg op te lichten)
    - WBD mishaok - mesthaak (gereedschap om mest uit de stal of van de kar te trekken)
    - WBD II:72l) schoenmakersterm: niet vermeld
    - WBD II:2699) 'verstèkhaok' - verstekhaak
    - WBD III.1.3:125 'broekshaak' = gesp van een broek
    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: haok - hukske (u van 'mulder' = mölder)
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): meej de kèèl in den haok hange ('7l) niet weten hoe het hoofd boven water te houden
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): haoke krómmen al vruug (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969)- een jong mens moet geleid worden: later lukt dat niet meer.
  6. werkwoord

    haoke haken; manier van handwerken waarbij met een metalen pen met een weerhaak een lussenweefsel wordt vervaardigd haoke - hòkte - gehòkt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij hòkt haol Boven en onder: zaoghaol; midden: kèttinghaol; eind 18e, begin 19e eeuw zelfstandig naamwoord

    - WBD haal (instrument waaraan men de kookketel boven het open vuur hangt)
    - WBD 'haal' naast 'haol' (?)
    - WBD kèttinghaol - haal in kettingvorm
    - WBD zaoghaol - haal met zaagvormig blad
    - WBD (klèèn) hòltje - kettingvormig verlengstuk onder aan de haal, langhaal
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - hool zelfstandig naamwoord vrouwelijk - haal, "het getakte ijzer waaraan ketel of pot over het vuur wordt gehangen" (WNT).
  7. werkwoord

    haole halen haole - hòlde - gehòld

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - haole - haolde - gehaold; in tegenwoordige tijd ook vocaalkrimping: g+/h+ hòlt
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'As ie hòlt, dan hólt ie ut' - Als hij holt, dan haalt hij het.
    - WBD III.1.2:80 'halen' = trekken
    - WBD III.1.2:88 'halen' = pakken, voor de dag halen; ook 'vatten'
  8. zelfstandig naamwoord

    haom, hòmke haam, ook volgens WBD (Hasselt), leren of houten juk om de hals van trekpaarden

    - WBD ónderhaom (Hasselt) - vilten haam (of twee met elkaar verbonden kussens die het paard om de nek draagt onder het haam, indien dit te groot is in de Hasselt ook genoemd 'óndergeril'
    - J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HAAM noemt men hier het juk, 't welk op de voorschiften der paarden of ossen gelegd wordt.
    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HAEM: een gedeelte van het tuig van een karpaard.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - haom zelfstandig naamwoord mannelijk: haam, kraagvormig halsjuk van trekpaarden
  9. zelfstandig naamwoord

    haomer, haomerke hamer

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'de smid zwaaide meej den haomer'
    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): enen houteren haomer
    - WBD II:2730 'spêêkhaomer' - voorhamer/ speekhamer
    - WBD II:2727 'kluufhaomer' - kliefhamer
    - WBD III.3.3:84 haomer = klepel van een klok
    - WBD III.4.4:18 'hamerslag' = kleine wolkjes
  10. zelfstandig naamwoord

    haon haan

    - Jan Jaansen - Ze had al 'n partijke haonen geslacht en er waar groote verslaogenheid in et kippenhok, want, och jao, de haontjes zijn wel 'ns laastig veur de kiepkes, mar as ze d'r nie zijn, of al te weinig, dan is 't ok nie goed, dè snapte! (uit het feuilleton 'Oome Teun in den trein' van Piet Heerkens;) - Lechim - Mee 'n stuk of vèf zis koeikes/ 'n Haffel kiepe en 'nen haon/ Hai alles we 'ne meens kan wille/ Hij keutelde zó mar wè aon. (Ongedateerd knipsel; Tilburgse Koerier, ca. 1970)
    - Lechim - En ze di'n mee hoôge fiste [hoogtijdagen]/ Mee virtien man van èènen haon... (Ongedateerd knipsel uit Tilburgse Koerier, ca. 1970)
    - Piet van Beers - In de Lònse Moer daor wonde / onzen Ôome Adriaon. / Hij ha zeuve zwarte kiepe èn unne grôoten zwarten haon. (uit: Aaajer òf jong; CuBra)
    - Piet van Beers - Ziede ´m daor gaon/ zô fier èn frèèt, z´n borst flink brèèd/ èn èlken dag z´n biste kleere aon./ Hij schudt zene kop/ z´n vèère glimme/ èn zô nou èn dan/ ziede´m kwansuis ´n kiep beklimme. (uit: 'Den haon'; CuBra, ca. 2007)
    - Elie van Schilt - Ge wiert wakker dur ut kraaien van dun haon van dun buurman, ut getok van de kiepen, hèèl uitgelaoten as ze un aai hadden gelee. (Uit: 'Vruuger heurde wij aanders'; CuBra, circa 2002) 1. mannelijke kip (Gallus gallus)
  11. 1.1 Metafoor voor seksualiteit De haan speelt vaak een rol in spreekwoorden en gezegden die betrekking hebben op seksualiteit en voortplanting

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (Twee ouwe vrijsters kopen bij de boer 4 kippetjes maar willen er (voor de orde) ook 4 haantjes bij hebben. De Boer: ) Dè is nie nodig, 4 haontjes bij 4 kiepen (Een van de vrijsters:) Jè, mar wij weten wè wochten is. (10-03-1967)
    - Cees Robben: Dènkte naa dèk van zónne stómmen haon nóg êen aaj wil ötbroeje (datum onbekend).
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): nen goejen haon die brèngt er den bèuk èn bórsten aon (Handschrift Daamen 1916) - een goede echtgenoot maakt een vrouw zwanger)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - ne goejen haon is nie vèt
    - Piet van Beers - Den haon komt vur de middag scharrele/ èn dan gaoget wir van " HUPSAKEE ". (uit: 'De Aodelukke kiep'; CuBra, ca. 2007)
    - Tony Ansems - Kaka Diedel Dee, kraaide den haon/ Kaka Diedel Dee, z'heej overspel gedaon/ Kaka Diedel Dee, van heur kan'k niks op aon/ Waar komt dat Russisch ei, onder der gat vandaon? (Van de cd Tilburgse Liedjes - American Style, 2007)
  12. 1.2 Eigenschappen van de haan 1.2.1 Meeloper

    - Pierre van Beek; "'Haontje van den toren was zenne leermister". - Hij draaide met alle winden mee. Hij was niet flink; hield er geen eigen mening op na. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl . ?; 29 augustus 1959)
  13. 1.2.2 Verwaandheid

    - Cees Robben: Hij is zó verwond as enen haon die dénkt dè de zón ópkómt ómde hij kraajt
    - Lechim - Ik waar zo frèèd as unnen haon/ Mar de blèèk nie zo schraander/ Want toen 't bal laot tène was/ Vertrok ze mee 'n aander. (Ongedateerd knipsel; Tilburgse Koerier, ca. 1970)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - lôopen as enen haon meej stront òn zen pôote - bekakt, parmantig
    - WNT - lemma Snoeshaan - Iemand die luidruchtig of aanmatigend optreedt, opschepper. Veelal met de gedachte aan iemand die een losbandig leven leidt of iemand die krijgshaftigheid ten toon spreidt. (...) Uit: Hoogduits schnauzhahn, eigenlijk kalkoensche haan.
  14. 1.2.3 Ongenaakbaar

    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): ge bént nog nie van mèn aaf, zi den haon teege de pier, èn hij had em al half óp (Daamen handschrift 1916) gezegd tegen iemand die ten onrechte meent aan gestelde eisen te voldoen.
    - Karel de Beer; Tilburgse bijnamen, 2000 - de gebraojen haon = Jozef Janssen.
  15. 1.2.4 Gulzigheid

    - Informant Raaijmakers - Hij vloog erop aaf as nen haon op ne knoezelbos.
    - WTT 2013 - Deze vergelijking lijkt afkomstig uit de duivensport. De enige andere vindplaats van deze uitdrukking is het in Tilburg bekende lied 'Daor komt mene witpèn aon' van Jo Hoogendoorn, opgetekend door Rolf Janssen: 'En is 't concours [de duivenwedstrijd] ten end/ en d'n ötslag wordt bekend/ gaon ze [de duivenmelkers] op de lèsten los/ a's 'nen haon op 'ne knoezelbos/ eene roept er dan vol lol/ zeg, doet 'm nog es vol... (We hebben gezongen en niks gehad; 1984)
  16. 2 Ander mannelijk gevogelte 2.1 mannelijke kalkoen (Meleagris gallopavo)

    - Jan Jaansen - Den Sik wier zoo rood as 'nen kalkoenschen haon (uit: 'Den Sik van Baozel'; feuilleton van Piet Heerkens naar een tekst van Wibbelt; Nieuwe Tilburgsche Courant 1939) - WBD I.6. Kleinvee - lemma Mannelijke kalkoen - haon - mannelijke kalkoen
  17. 2.2 mannelijke zangvogel

    - WBD III,4.1:25 'haan' (=haon) - mannelijke zangvogel, ongeacht de vogelsoort - als 'man' of 'mannetje' ('mènneke') frequent in Tilburg; als 'haan': zeldzaam in het midden van het Tilburgse, ook in Gilze.
  18. 2.3 mannelijke fazant (Phasianus colchicus)

    - WBD III.4.1:183 'haan' - mannelijke fazant; verspreid in Tilburg
  19. 2.4 Korhoen ((Lyrurus tetrix of Tetrao tetrix)

    - WBD III.4.1:185 'korhaan' - korhoen (Tetrao tetrix), ook 'korhoen'; zeldzaam in Tilburg
  20. naam

    haoneg hanig vrouwziek

    - WBD III.2.2:109 'hanig' = vrouwziek
haonekaam - haonekam
  1. zelfstandig naamwoord

    hanenkam

    - Kernkamp; Dialectenqu ê te 1879: hoanekaam
    haonekaam - haonekamhaonekaam - haonekam
  2. zelfstandig naamwoord

    haonekrulleke teelballetje van een haan

    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): et schilt mar en haonekrulleke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - het scheelt heel weinig
  3. zelfstandig naamwoord

    haonenbalk

    - WBD hanebalk (horizontale (bovenste) verbinding dwars door het huis)
    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HAANSBALKEN, zie Hoogstraten
  4. zelfstandig naamwoord

    haonenèk hanennek; neerhangende vel van de onderkin haonepôote zelfstandig naamwoord, meervoud hanenpoten; slecht handschrift

    - Jo van Tilborg - Ineens hak et toch te pakken en kos ik de juffrouw alles vurlezen, wè ons moeder op et briefke ha geschreven, meej die haonepôte van der. Waor die schrèève ha geleerd! (Tilborg, Jo van - Kosset den brèüne eigeluk wel trekken I, 2006)
haonetrap
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD - hanetred (eigenaardige onwillekeurige beweging van een of beide achterbenen v. e. paard), ook genoemd 'haonenspat'
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zelfstandig naamwoord mannelijk: 'hanetred', krampachtige beweging der achterbeenen (van een paard), waarbij het spronggewricht sterk en krampachtig bewogen wordt. (WNT)
  2. zelfstandig naamwoord

    haoneschreej de schrede van een haan; figuurlijk: een zeer korte afstand, de uitersten liggen heel dicht bij elkaar haopere werkwoord, zwak haperen

    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): haopere
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): in Haopert haooer(t) et aaltij (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - woordspeling
    - WBD III.4.4:311 'hapering' = stoornis
  3. zelfstandig naamwoord

    haor, hòrke, meervoud: haor haar, haartje, haren

    - Informant Toine Raaijmakers; gezegde: (Als iemand iets doms gezegd of gedaan heeft, vergoelijkend, spottend): Lòt ze mar kamme die gin haor hèbbe!
    - Dialectenquête 1887 Willems; meej hangende haor - met hangende haren
    - Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Dan moeste de oore, daor moeste vur oppaase. Ast te hêet waoter was dan krulde ze op èn dan braande die haor derin èn zôo wast meej en varke presies inder. Ast te hêet was dan braande die haor drin èn dan hadde soodemieters veul wèèrk want dan koste ze nie schôonkrèège die ròtzakke! (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels
  4. zelfstandig naamwoord

    Tekening: - Cees Robben; Prent van de Week - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. van de Ven jr., 1946

    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): beeter rooj haor dan blónd óp en eezelskont ('71)
    - WBD I:1467 haore - baard, stekels van een aar
    - WBD [?] wilde haor -witte vlekken (bij een paard), ook genoemd 'gedrukt'
  5. zelfstandig naamwoord

    haorbaand

    - WBD koot van een paard, ook 'koogel', (Hasselt) 'koowgel' genoemd
    - WBD kroon (van een paardehoef), ook genoemd (Hasselt) 'hòrbaand' of 'krôon', elders 'krôonraand'
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HAARBAND zelfstandig naamwoord mannelijk: - het gedeelte van den voet eens peerds boven den hoef.
  6. Maaier haart zijn zeis - Tekening Jan Wiegman uit Katholieke Illustratie 1926

haore
  1. werkwoord

    scherpen van snijdend gereedschap haore - haorde - gehaord; geen vocaalkrimping

    - Pierre van Beek; "Hij wet op een zeissie, die 't horre nie kan verdraogen", zegt men tegen iemand, die zit te zeuren en te kletsen. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks 1992 - haore werkwoord - scherpen
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HAREN (haore) overgankelijk werkwoord, een zeis of zicht scherp maken door met een spec. hamer het randje te pletten. Hiervoor werd een haargetouw gebruikt
    - WNT HAREN III - snijdend gereedschap - bepaaldelijk zeisen en zichten (pikken) - scherpen, door de snede op een aanbeeld met een hamertje uit te kloppen.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HAREN- 'de snede van eene pik of zeisen scherp en dun kloppen met eenen haarhamer op eene haarkruin.
    haore
  2. Schilderij: Ernest Chateignon, Het binnenhalen van de oogst; 19e eeuw.

haorènkele
werkwoord

mogelijk: lawaai maken; in de afbeelding hieronder bijvoorbeeld in verband met 'rammelen' van een weefgetouw. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

haorènkelehaorènkele
Haorhèùs
  1. t oponiem in de Tilburgse wijk Oerle

    - Krantenadvertentie, 1879 Houtverkoop ten behoeve van den Arme te Tilburg - Burgemeester en Wethouders van Tilburg zullen op Woensdag den 15 Januari 1879, des avonds te 6 uren, ten Koffiehuize van J. B. MARINUS, ten behoeve van den Grooten of Heiligen Geest Arme, den hoogstbiedenden publiek verkoopen, als: (...) 5 koopen idem [= kanadaboomen] te Oerle aan het Haarhuis.
    Haorhèùs
  2. naam

    Tilburgsche Cour ant 1 januari 1871 haorinder precies hetzelfde, net eender, op een haar na hetzelfde

    - Cees Robben; Prent van de Week - Wè trekt ie [het kind] toch op dn aauwe, war/ Haoreender de weergaoi... (19840217)
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HAAREENDEr (haorinder) bijvoeglijk naamwoord op een haar na eender, hetzelfde
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks , 1992 - haarinder, bijwoord - haareender, precies hetzelfde
  3. werkwoord

    haorplukke

    - Pierre van Beek; Da's tegen de duvel gehorplukt. - Dat is een nutteloos werk gedaan. - Vergeefse moeite. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - ruzie maken
  4. zelfstandig naamwoord

    haorspèl, hòrspèl haarspeld

    - WBD III.4.4:229 'haarpin' = scherpe bocht
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HAARSPEL (Kemp. haorspäl), mrv. haarspellen, vklw. haarspelleke(n)
haorstielist
  1. zelfstandig naamwoord

    haarstilist

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 02 01
    haorstielist
  2. Vur hum hoevet niemir... 'n Winkeltje hiet vort "boetiek" 'ne Gròòte "kès en kerrie" 'n Daanszaol wier 'n "diskoteek" Mee wènig licht, veul herrie. 'ne "Keurslachter" die hamme al Net as 'ne "wèrmen bekker" Naauw komt 'r unnen "haorstielist" 't Wordt mee d'n dag al gekker. [...] "Mar mèn - zee onzen òòme Kriest Helpt dè ammol gin flikker, Mèn fertuin is toch gemaokt

haorzakke
  1. werkwoord

    - Pierre van Beek; "Lig niet te haarzakken." Verveel me niet. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)
  2. Ill.: Rolf Janssen

    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): enen vètten haos
  3. zelfstandig naamwoord

    haos, hòske haas (Lepus europaeus)

    - Pierre van Beek; "Ik weet wel, waar den haos in de peper leê." Hiermee werd bedoeld: Ik weet er alles van. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959)
    - Cees Robben; Prent van de Week - De wèèreld is nie dur unne haos gedekt... (19780217) [haastige spoed is zelden goed]
    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: hoaze - hazen
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): 'ge winnet, stèèloor', zi den boer teege den haos toen ie em nie kós krèège (N. Daamen (handschrift 1916) - )
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - ek zèè nie dur nen haos gedèkt - Rustig, ik kan niet alles tegelijk
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - haozelèèr onder zen schoene hèbbe - hard lopen
  4. Stuk vlees uit de lenden van een rund.

    - Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004); Beschrijving van het WBD: Stuk vlees uit de lenden van een rund. Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam; beschrijving van het WBD: Van de haas; Tilburg.
  5. zelfstandig naamwoord

    haoske [hòske] haote werkwoord, zwak haten

    - Dialectenquête 1887 Willems; haote - haotte - gehaot
  6. zelfstandig naamwoord

    ook in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping Piushaven - Tilburg - ets: Hendrik de Laat haove haven - het meervoud is 'haoves'

    - Cees Robben; Prent van de Week - We hebben n haoven mee waoter d -Informant Toine Raaijmakers; in.../ Mee zaand... en veul aauw ijzer (19540515)
  7. zelfstandig naamwoord

    Corylus avellana haover haver

    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Haover in oew kniejes hèbbe (Vooral bij kinderen gedaan) de zijkanten van de knieën snel masseren waardoor er een kietelende pijn ontstaat
    - Brêedèùt vertèlde ie et bezuuk/ van haoverre toe gort,/ hoe en ongeluk ie ha gehad/ daor... op de wènterspòrt. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aaventoe liege maag...)
    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: hoaverkiest
    - WBD I:1404 'haover' - haver
    - WBD III.2.3:141 'haver(e)moutsepap', 'haver(e)moutepap= idem
  8. zelfstandig naamwoord

    haozelnôot, haozenôot hazelnoot (Corylus avellana)

    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: haozelnôtte - hazelnoten
  9. zelfstandig naamwoord

    haozenhak hazenhak

    - WBD mouw (gewrichtsziekte bij jonge paarden), ook genoemd 'mòwke' of 'mòk'
haozevraoge
  1. zelfstandig naamwoord

    samenstelling uit hazen + vragen

    - Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 (2019): vragen die je niet kunt beantwoorden.
    haozevraogehaozevraogehaozevraoge
  2. werkwoord

    happe eten (kindertaal)

    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HAPPEN overgankelijk werkwoord (tegen kinderen gezegd) eten.
  3. bijwoord

    hapsnap

    - Pierre van Beek; typoscript Archief Pierre van Beek, ca. 1974 - hapsnap dialect = in een oogwenk iets doen = in een vloek en een zucht = in overhaast iets doen - 't is in 'n "hapsnap"' gebeurd." - is een uitdrukking van de combinatie "happen" en snappen = direct reageren.
  4. bijwoord

    Typoscript - Archief Pierre van Beek

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - et gong ammol mar hapsnap - het ging allemaal zo maar vlugjes
    - WBD III.1.4:378 'hapsnap', 'hapsnaps' = in alle haast
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HAPS, APS bijwoord - in groote haast, met de gauwte.
  5. bijwoord

    hard hard, in diverse betekenissen

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "ze zèn hard (arm)"
    - WBD (Hasselt) weerstand biedend (gezegd van een paard); elders spreekt men van harden bèk'
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - et er hard óp hèbbe - erop gebrand zijn
    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: haard wêrreke is z'n zoak nie - hard werken is zijn zaak niet
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): zó hard as nen duuvel óp zene kòp (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1957) - spreekwoordelijke vergelijking
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): zó hard zèèn dè den duuvel oe nie wil (N. Daamen (handschrift 1916) - )
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): hard bijwoord - hard; hij is hard ziek - erg ziek
hardfietse
werkwoord

wielrennen

- Irst hardfietse op de TeeVee. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ast ene sleur gao worre)
hardfietse
hardl
bijwoord

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Ik geleuf al zn lève dek van mun lève nog nie zo hardlèvig zè gewist, Mijnheer Dokter. (10-03-1967)
hardstêenkapperij
  1. zelfstandig naamwoord

    steenhouwerij

    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - èn dan hadde die hardstêenkapperij van, van Petit, dè was daor ammel êenen hoek mar dès, hil et zaakje is daor ammel wèg vort, hèdès ammel vort wèg
  2. zelfstandig naamwoord

    hardzak iemand die het moeilijk heeft

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "hardzak - armen drommel"
  3. zelfstandig naamwoord

    harnasketaaw

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - machinaal weefgetouw (ook: staolketaaw)
hars en dwars
  1. uitdrukking

    - Pierre van Beek; 't Lag hars en dwars dooreen. - Schots en scheef. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)
    - Cees Robben; Prent van de Week - Des me ôôk n rouw ketier (...) alles lee schots en scheef en hars en dwars dur mekaare... (19840210)
  2. zelfstandig naamwoord

    harses, harsens hersenen, verstand, hoofd

    - Dè wil zeggen: hij ha harsens genog, mar hij kos er nie mee overweg... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939)
    - Ge flapt er alles mar uit, wè't er in oe harsens opkomt! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun en de dames; Nieuwe Tilburgsche Courant 20-1-1940)
    - d'r harses die werkte nie als te fel... (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De boeren van Baokel, 1944)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 09 29 - Ons Sjaan die is dr harses kwèt...
    - Hij gao mee zun harsus dur de muur, jè. (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - dènken is vur de pèèrde, want die hèbbe grôote harses
    - Stadsnieuws (rubriek): Hij viel meej sen harses op de kaajbaand èn was gelèèk van sene susserd (250209) - Hij viel .... en was helemaal van de wijs, van streek, in de war.
    - WBD III.1.1:37 'harsens' = hoofd
    - WBD III.1.1 :178 'harsens' = hersenen
    - WBD III.2.3:64 'harses' = gekookte hersenen
    - WBD III.1.4:23 'hersens' = verstand
    - WNT Aanvulling II:3804 HARSES informeel mv. voor hersens.
  3. zelfstandig naamwoord

    hart hart

    - 2019 gezegde: Et hart hèbbe; het lef hebben (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980.
  4. werkwoord

    harte

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - harden
  5. naam

    hartelek hartig [bij vergissing uit hartelijk]

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "hartelik - in plaats van hartig (krachtig, zout)"
  6. zelfstandig naamwoord

    harte(s)

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - harten(s) (bij kaartspel)
    - WBD III.3.2:175) hartes = harten (van een kaartspel)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks , 1992 - hartes - zelfstandig naamwoord: harten (kaartterm)
  7. zelfstandig naamwoord

    hartjesbrôod hartjesbrood vast bruinbrood, van overwegend rogge, met zuurdesem, aan de bovenzijde voorzien van een ingebakken hartjesmerk

    - Cees Robben; Prent van de Week - Zeg kende gij dè brooike nog/ Van klaoren blom.. van enkelt rog/ t hartjesbrood... (19600624)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - hartjesbrood - zelfstandig naamwoord - soort klassiek bruinbrood met een hartje gemerkt
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - - hartjesbroot - zelfstandig naamwoord - brood van roggebloem aan de bovenkant gemerkt met een hartje. (Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - )
    - Cees Robben, Prent van de Week - Ik viel op een middag na schooltijd bij tante Jana binnen. Ze bekruiste net een groot Hartjesbrood en sneed er het korstje af. In het binnenste van het aangesneden brood groef zij een diep pijpje en zij vulde de ontstane ruimte met malse boter. (Cees Robben)
    - WTT 2013 - Het hartjesbrood geldt tegenwoordig als een specialiteit van de warme bakker. In tijden waarin de broodprijzen door de lokale overheid werden vastgesteld, lijkt hartjesbrood geen bijzondere culinaire verdienste te hebben gehad maar wel een bepaalde bereidingswijze. Hartjesbrood was in die tijd een vrij goedkope broodvorm, getuige deze advertenties uit Tilburgse kranten:
  8. Nieuwe Tilburgsche Courant, maart 1924 Nieuwe Tilburgsche Courant, februari 1921 Tilburgsche Courant, februari 1928

    - Wim van Boxtel - ... Mar smergens vruug,/ kreege ze op toffel,/ vier pillen van 't hartjesbrood./ besmeert mee niks,/ belee mee suiker,/ mar, och, ge gongter nie van dood... (uit: 'Toe de nok omhoog', geciteerd in De Brabantse Koffietafel, Cor Swanenberg & Nelleke de Laat, 2000)
    - WBD III.2.3:189 lemma Half en half - Brood van tarwemeel met roggemeel vermengd - hartjesbrood: opgetekend voor Tilburg, Goirle en Lage Mierde.
    - WBD III.2.3:191 lemma zemelenbrood - 'hartjesbrood' = zemelenbrood - Tilburg, Goirle en Lage Mierde
    - WBD III.2.3:191 lemma roggebrood - 'hartjesbrood' = roggebrood - uitsluitend opgetekend in Tilburg.
hartlap
  1. zelfstandig naamwoord

    - Van Dale - hartelap = lieveling
    - Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929 - 't Gaaf allemol niks (...) hij mos en zô Anna's hebben. Naaw hij hee ze gekrege! En toen waren ze mee drieën blij: de köster, omdè-t-ie z'ne hartlap gewonnen hô, Anna omdè ze 'ne meensch hô en den awen Door zelf omdè't-ie eindelijk toch een van z'n dochters kwijt was.
    hartlap
  2. zelfstandig naamwoord

    hartwörm hartworm

    - WNT - spoelworm, ingewandsworm; fig. de eene of andere, de rust van het gemoed bedervende, storende zaak
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): tis goed vur den hartwörm (N. Daamen (handschrift 1916) - )- excuus als een borreltje genomen wordt.
hasjee
  1. zelfstandig naamwoord

    hachee

    - Piet van Beers Praaj: "Breng dan wè Praaje meej./ Tweej dikke, vur den Ertesoep/ èn wè vur den Hasjee" (uit: Spoeje doemmeniemer; 2009)
  2. samentrekking

    hasse had ze

hatjutbèm
werkwoord

hatsjieje niesen

hattie
samentrekking

hattum, hattem had hem

hèb
  1. zelfstandig naamwoord

    het hebben, bezit hebben

    - Miep Mandos-van de Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: Tis er êene van Kleef, daor haawe ze meer van den hèb as van de geef.
  2. werkwoord

    hèbbe hebben hèbbe - ha/hò - gehad

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - : hèbbe - ha/had - gehad
  3. Gehad hèbbe

    - WTT, april 2019: 'gehad' versterkt hier een voltooide tijd met 'hebben'. Dit lijkt een variant op het gebruik van 'gehad' als 'perfectum remotius' ofwel 'verwijderd voleindigde tijd' (zie volgende onderdeel). Opmerkelijk is dat de constructie in enige voorbeelden een gebeurtenis die nog moet plaatsvinden reeds als voltooid weergeeft.
    - "'k Zu gèèren Vinken 'ns efkes gesproken gehad hebbe", zee oome Teun... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; 'Kareltje Vinken'; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)
    - "Jè, kèk, 't zit zoo: ik moes eigenlijk 'ns mee Anneke van hier tegenover gesproken gehad hebbe... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
  4. Gehad als perfectum remotius

    - Ed Schilders; WTT 2019 - Het betreft hier het verschijnsel dat in de taalkunde 'perfectum remotius' wordt genoemd of 'verwijderd voleindigde tijd'. De constructie versterkt de voltooide tijd nog meer dan de verleden tijd dat doet. - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - beschrijft het met vele dialectische voorbeelden in §445 van deel 1 van 'Dialekt van Kempenland'.
    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - èn daor hèbbek lang saome meej gewèrkt gehad
  5. werkwoord

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. hebben gebruikt in plaats van zijn

    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'Ze hadden omgevallen'; 'Hèdde wiste kijken?'
    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'Verbild oe is desse gas hadden gaon betrekken van de mijnen.'
    - Hij heeter, toen ie van school kwaam, ôk nog un paor weken in vaaste dienst gewist. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
  6. zelfstandig naamwoord

    hèbbedingske

    - Van Dale - hebbeding - voorwerp waarmee men niets weet aan te vangen, waar men geen naam voor weet, zonderling, raar ding
    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "hebbe-dingske 't is mar 'n hebbedingske (een klein meisje, een niemendalletje)"
    - WNT HEBBEDING - Eene zaak, een voorwerp waarmede men niets kan uitrichten of niets weet aan te vangen, waar men geen naam voor weet, of waarvan men den naam op 't oogenblik niet in staat of gezind is te noemen.
  7. zelfstandig naamwoord

    hèbberd inhalig, gierig persoon hèbberdegrieks bijvoeglijk naamwoord de etymologie is niet opgehelderd

    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): iets hèbberdegrieks (HM) '70
  8. zelfstandig naamwoord

    Van Hèbscheute fantasie-eigennaam, mogelijk spottende benaming voor een hebberig persoon.

    - Cees Robben: 'Van Hèpscheute'
hèbstijn
  1. naam

    inhalig, hebberig iemand hèdde persoonsvorm van 'hèbbe' met samengetrokken voornaamwoord

    - heb je, hebt ge/gij, hebt u, hebben jullie Persoonsvorm 'hebt' geassimileerd met enclitisch pronomen 'ge'.
    - WTT 2013 - 'Hèdde' wordt v aak, maar niet uitsluitend, in de vragende vorm gebruikt. In zowel de vragende als de stellende vorm kan herhaling van het voornaamwoord plaatsvinden (zie onder).
  2. samentrekking

    Tweede persoon - gij, ge, je, jij

    - Gerard van Leyborgh (pseudoniem van Lambert de Wijs) - Mar Harrie hedde gin brievekópke in oewe zak, want dan mot ik toch nog effe weg schrève. (Nieuwe Tilburgsche Courant - 24 oktober 1925; Tilburgsche Schetsen: Ceciliafeest) - 1999 - Jan Naaijkens - Wie kende niet het vraagspelletje: "Hedde gij dè mèndje (mandje) nog? Welk mèndje? Waor Mozes in gescheten hè." (Het dorp van onze jeugd; 1999) - Pierre van Beek - "Marie, ik kan een schoon stukske leer goeikoop overnemen. Hedde 'n paar gulden veur me?" Marie schoot af, het leer verwisselde van eigenaar en er was geld voor een borrel. (Het Nieuwsblad van het Zuiden - woensdag 21 mei 1969; Gebrs. Van Houtum zadelmakers) - A.J.A.C. van Delft - Hup mèr Jaans, den beer ies los,/ Heddum nie hoore brulle?/ Snijd um z'n neus en oore aaf,/ Dan hedde nog wè te smulle. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 18 mei 1929 Van vroeger dagen 115: Op zn Pallieters) - Anoniem (waarschijnlijk Pierre van Beek) - "Hedde naauw ôot zo gezien" bezigt men bij tegenspraak, zogoed als: "lopt naor de maon", hoepelt op! (Nieuwe Tilburgse Courant - vrijdag 28 maart 1958; Typisch Tilburgs en Tilburgse typen 13; Spreekwijzen in dialect.)
    - Cees Robben, Prent van de Week - Moeder heeft haar Wimke verteld van het jonge leven dat zich in haar lichaam ontwikkelt en ze vraagt 'm: wè hedde naa 't liefste Wimke, unne jongen of 'n meske...?' 'Nou moeder, as 't jou nie te veul moeite kost... gift men dan mar 'n fietske...' (Robben en Rooms, Dn ooievaar; 1981) - Cees Robben; Prent van de Week - Monseigneur, ik vat de pen op,/ want ik kan 't niemer aon.../ Hedde nie ter assistentie/ unne nuuwe kapelaon...? (Robben en Rooms, t Meske...; 1981) - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek) - 'n Klokhuis hedde in 'n appel, dè is 't middelste, waor de pitjes inzitten. Tilburg mee z'ne kraans van durpen is 't binnenste van Brabant; en er zitten ôk pitjes in, wè ik oe smoes. (Kubke Kladder, Uit 't klokhuis van Brabant 1, Nieuwe Tilburgsche Courant 9 oktober 1929) - Piet Heerkens - M'n twee vurrige busselkes "Örgel" en "Mus" wieren over et algemeen heel goed onthaold en hier hedde dan busselke drie "de kinkenduut", oftewel de kikvorsch. (Voorwoord in De Kinkenduut, 1940)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hèdde swèls niks mir geheurd? / hèdde kaaw, kom mar gaaw
    - J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HEDDE voor hebt gij? HED voor den tweeden persoon enkelvoud van den tegenw. tijd.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HEDDE - samentr. van 'hebde', 'hebt-de', - hebt gij
  3. Hebben als hulpwerkwoord waar 'zijn' grammaticaal verwacht wordt

    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): Hèdde wiste kèèke? - Ben je wezen kijken?
    - Gerard van Leyborgh (pseudoniem van Lambert de Wijs) - "Hedde wiste klottere" zegt de eene buurvrouw tegen de andere, wanneer zij met pakken en pakjes beladen elkander tegen komen. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 5 december 1925 - Klottermarkt)
  4. bijwoord

    hèdde me nie gezien, van

hèd
zelfstandig naamwoord

mogelijkheid

- Kees en Bart; Tilburgsche Post, circa 1925 meugelijkhei
- Voorbeeld van de originele systeemkaart van Sterenborg - meej gin meugelekhèd - onmogelijk
hèdhèd
Hèddewèllekes
  1. naam

    - WTT - De naam is afgeleid van 'Dè hèdde wèl es'. (2020)
  2. zelfstandig naamwoord

    Foto CuBra 2020. H eebreuws Hebreews

    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - zelfstandig naamwoord o.- Hebreeuws, onverstaanbare taal.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HEBREEÛWS(CH) bvw. - Dat is Hebreeuws veur mij - dat versta ik niet
heedes
  1. meervoudsvorm bij woorden met achtervoegsel -heid

    - Piet Heerkens; uit: De Mus, Architekt, 1939 - IJdelheid van d'ijdelhedes...
    heedes
  2. werkwoord

    hèège hijgen geen vocaalkrimping

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hij hèègt van muugeghèd - hij hijgt van vermoeidheid
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - hèègen as en spurriekoej - kortademig zijn
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - GEHEGEN: 3e hoofdvorm van 'hijgen'; HEEG: 2e hoofdvorm.
  3. naam

    heeget

    - Cees Robben: Die heeget van iemes die et ók geheurd heej. Ze heeget zeeker wir nie;
    - Cees Robben: Die et veugeltje vènt die heeget nie, mar die et öthòlt.
    - Cees Robben: ons Sieleke heeget himmòl nie op mansvolk begreepe...
    - Cees Robben: den oopaa heeget bij mekaar geschrópt;
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hij heeget er hard op - hij staat er erg op te kijken
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HEGET: samentr. van 'heeft het'
  4. werkwoord

    heej heeft

    - Cees Robben: Wè heej oew vrouw daor naa wir op? Den dokter heej me onderzòcht;
    - Cees Robben: den dokter die mèn dees verbóje heej...
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Dè heej me wè in Het duurt me toch een tijd eer dat klaar is
    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: diejen boer heed'n luien knècht -die boer heeft een luien knecht
    - Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): hij heej gezeej dèttie òn me zal dènke; de pestoor heej goeje wèèn
heekel
  1. zelfstandig naamwoord

    hekel

    - A.J.A.C. van Delft - "Hij zou wel stront uit een hekel likken": Hij is een krentenkakker. Hij is zuinig op het gierige af. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
    - WTT 2022 - Waarschijnlijk wordt in de door Van Delft genoemde uitdrukking 'hekel' bedoeld in de betekenis van bord met tanden om vlas of hennep van korte vezels te ontdoen. Het bord bestaat uit een plaat met scherpe pinnen. ('J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek.)
  2. werkwoord

    hêele

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - helen
    - met vocaal krimping: hilt, hilde, gehild
  3. zelfstandig naamwoord

    heemel hemel

    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: himmel en êrde
    - Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): den heemel
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - as den heemel valt zèn alle bôonstaoke kepòt
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - 'den eemel'
    - WBD III.2.2:32 'hemelen' = dood
    - WBD III.4.4:8 'hemel' = lucht (.alg.)
  4. werkwoord

    heemelde hemelen, naar de hemel gaan, overlijden heemelzaod zelfstandig naamwoord bladluizen

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "Hemelzaad - noemen de boeren en ook wel de burgers: bladluizen"
    - WBD III.4.2:225 'hemelzaad' - bladluis (Aphididae)
    - Stadsnieuws (rubriek): Asser heemelzaod in de bôome zit, gòn ze druppe (010707)
    - Jan Naaijkens;l Dè's Biks, 1992 - heemelzaod zelfstandig naamwoord - zwarte luis
    - WNT HEMELZAAD - naam voor plantluizen (in de Meierij)
  5. bijwoord

    heene heen

    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): daor durheene
  6. bijwoord

    heengòns, heensgòns

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - op de heenweg
  7. zelfstandig naamwoord

    hèèning heining

    - WBD (Hasselt) afrastering
    - WBD afhèène - afrasteren (Hasselts)
    - WBD III.2.1:470 hèèning, c.q. hèkken = hek
  8. zelfstandig naamwoord

    heer, hirke heer, heertje

    - Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: Iemand wèèsmaoke dè ónzen Lieven Heer Hendrik hiet èn in de haaj peeje stao te steeke.
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): den Heer had genoeg gesjouwd; döróm zèn Keulen èn Aaken nie óp êenen dag gebouwd (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973): uitbreiding van het AN-spreekwoord
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): vat ze Heer zooas ze zèn, aanders krèèder gin ('73) - stel de eisen niet te hoog, anders kom je bedrogen uit.
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): tis Ónze Lieven Heer int wild ('54) - gezegd van iemand die heilig lijkt, mooi kan praten; iemand met lange haren en een baard.
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): Ònze Lieven Heer die snijdt de koek zooas Hij wil (Kn'50)
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): Ònze Lieven Heer die houdt nie van raoze (Si'67) verontschuldiging als iets langzaam gebeurt
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): ge moet Ònze Lieven Heer nie wakker maoke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973) - gezegd als het voor de wind gaat: men houdt rekening met latere tegenslag.
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HEEr m. man van stand, speciaal gezegd van een priester: 'ne zaachten heer - een zachtmoedige priester. Ook als voorvoegsel in de aanduiding van familierelaties met geestelijken: hirbruur. hirnééf, e.d.
    - WBD III.3.2:177) heer = koning in het kaartspel
  9. tussenwerpsel

    hèèr

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - links (voermanstaal)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - Hòt nòr hèèr - heen en weer: van links naar rechts
    - Jan Naaijkens; Dè's Biks, 1992 - hèèr - bijwoord - links (voermanstaal)
  10. zelfstandig naamwoord

    Uit Kroniek van de Kempen - 1990 hèèrd, haard; woonruimte

    - WBD hèrd - woonvertrek v.h.boerenhuis met vuurhaard
    - WBD hèrd - vloer van het woonvertrek (van een boerenhuis)
    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: hêrd met ê van Fr. même; haard, schoorsteen; ook 'schaauw'
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HÈÈRD zelfstandig naamwoord m. - haard, vuurstee; bij uitbr. beteekent 'hèèrd' de vloer v. h. woonhuis: den hèèrd opkèren; hij staat hier alle dagen op den hèèrd.
  11. zelfstandig naamwoord

    heerejeej heisa

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - dès nie zonnen heerejeej - zoveel werk is dat nou ook weer niet
    - WNT HEEREJEE - Verbastering van 'Heere Jezus'.
  12. zelfstandig naamwoord

    heerôom heeroom; aanspreektitel voor een geestelijke in de familie; ook binnen het gezin werd een geestelijke door ouders, broers en zusters 'heeroom' genoemd.

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - tis ammòl nie zo schôon as heeroom prikt
  13. naam

    WTT 2013 - Een vrouwelijke geestelijke in de familie (een kloosterzuster ofwel non) werd 'taante zuster' gebruikt. hêes hees

    - WBD III.4:251 'hees' = gedempt (van geluid)
  14. werkwoord

    hèèse hijsen

    - Dialectenquête 1887 Willems; hèèse - hêes - geheese - geen vocaalkrimping
  15. naam

    hêet, hêeter, hitst heet

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "heeten-bliksem - appelen en aardappelen ondereen gestoofd ('appelenprol')"
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'K-hè vur hêeter vuure gestaon'-Ik heb grotere problemen gekend.
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - en zèkske hêet - een zakje sambal van de afhaalchinees
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - et is zo hêet dègge in mene naovel kunt zwèmme
    - Lodewijk van den Bredevoort, pseudoniem van Jo van Tilborg; Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - Laoter is komen vast te staon det den hitste zomer van de 20e euw is gewist.
    - WBD III.1.4:380 'heet staan' = gehaast zijn
    - WBD III.2.2:108 'heet' = geil, wellustig manziek; 109 = vrouwziek
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - superlatief: hêetst, maar hitste
hêet lôope
  1. uitdrukking dronken worden

    - Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; Nieuwe Tilburgsche Courant 8-10-1938) - Ondertusschen hadden die twee al enkelde borreltjes op, en ze waren dus dubbeld vlug heet geloope...
  2. zelfstandig naamwoord

    heevelgaore bepaald soort dun touw (heeveltouw), o.a. gebruikt voor vliegers

    - WNT HEVEL D) In de weverij: Elk der draden (lissen, oogen enz.) waardoor een draad van den ketting geregen is en door middel waarvan deze bij 't weven wordt omhoog getrokken.
  3. zelfstandig naamwoord

    heeveltouw bepaald soort dun touw (zie: heevelgaore)

    - WBD taowkesheejvels (II:973) - touwtjeshevels (van een weefgetouw)
    - WBD staole heejvels (II:973) - stalen hevels
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'heeveltaaw'
  4. werkwoord

    Kaartspelers - onbekende kunstenaar hèffe heffen, tillen de kaarten heffen: nadat ze geschud zijn de stapel couperen

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hèffe - hief - geheeve
    - Cees Robben: òchèèrm menen èèrm van al dè hèffe
    - WBD III.3.2:171 hèffe of afhèffe = couperen (van kaarten)
    - WBD III.1.2:81 'heffen,heften' = optillen
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HEFFEN overgankelijk werkwoord - tillen; in 'er af heffen' - tot een goed einde brengen
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zwak werkwoord 'heffen', overgankelijk en onovergankelijk - heffen; ... de kaort heffe - afheffen (voor het rondgeven enige kaarten van het spel aflichten en die onderaan leggen)
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - GEHOFFEN: 3e hoofdvorm van 'heffen'
hêetbroek
  1. zelfstandig naamwoord

    samenstelling uit heet + broek

    - Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 (2019) driftkikker.
    hêetbroek
  2. heete liege u itdrukking: iemand met nadruk en openlijk verklaren dat hij liegt (of niet). 'Heten' is dus 'noemen'; iets heete liege: zeggen dat iets gelogen is of dat iemand liegt.

    - WNT: Heeten liegen. In de volgende uitdrukkingen:
  3. a) Iemand heeten liegen, iemand met nadruk en openlijk verklaren dat hij liegt b) jonger gebruik: iemand iets heeten liegen c) met verzwijging van de persoon: Iets heeten liegen = beweren dat het onwaar is d) Iets gelogen heeten liegen

    - J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HEETEN LIEGEN voor 'loochenen'; reeds zeer oud.
  4. samentrekking

    heetjemop heeft hij hem op Zeer snel eten, schrokken; het voedsel opgegeten hebben voordat het de kans heeft af te koelen.

    - Cees Robben; Prent van de Week - Vur de wossum aon de zulder is heetjemop... (19711217)
hèffer
  1. zelfstandig naamwoord

    heffer

    - Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 (2019) gezegde in combinatie met lègger: De hèffer èn de lègger: de regelaar en de organisator
  2. zelfstandig naamwoord

    hèg heg hègget werkwoord, persoonsvorm van hèbbe met lidwoord het hebt het 2e persoon van 'hèbbe' gevolgd door 'et', met infix g; ook in gebiedende wijs

    - Cees Robben: Gij hègget aaltij oover en aander
    - Cees Robben: ... èn hègget hart nie dègge verzoope töskomt !
    - Stadsnieuws (rubriek): Gij hègget aatij oover en aander, mar kèkt ok es nor oewèège. (120907)
  3. zelfstandig naamwoord

    hègmölder rondtrekkende molenaarsknecht

    - Pierre van Beek - aan lager wal geraakte molenaar die baanloos rondzwerft van molen tot molen om losse baantjes op te knappen; derderangs molenaar
    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HEGMULDER een molenaar die geen Vasten Molen heeft, en langs het land reist.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - zelfstandig naamwoord mannelijk: 'hegmulder', molenaar die failliet is gegaan en andere molenaars om onderhoud moet bedelen;
    - Lowie van Dorrus Misters; Uit onze Tilburgse folklore, afl. 20 Over mulders en molens, Nieuwe Tilburgsche Courant 4-10-1952 - Nog iets anders uit de oude muldersdoos. Wie heeft er ooit gehoord van "hegmulders"? Ja, zullen ze in Tilburg zeggen, die hebben we in onze jeugd met dozen vol uit de heggen geschud. Accoord, wij ook, maar die worden er toch niet mede bedoeld. Een andere vraag, die de meeste lezeressen en lezers wél zullen kunnen beantwoorden. Wat is een "wanderbursche"? In Duitsland vond men die vroeger nog al veel. Het waren reizende vaklui, die geen vast werk hadden en van de ene plaats naar de andere reisden en bij hun vakgenoten werk vroegen. () Van Nederlandse wandelknechts in het algemeen hoorden we nimmer. Maar wel echter in het molenaarsvak. Deze noemde men "hegmulders". De benaming is begrijpelijk, omdat zij evenals de meikever van de ene "haag" op de andere vliegen, zij van de ene mulder naar een volgende trokken. Bij onze oud-buurman hebben wij ze wel eens gezien als ze 's morgens na een nacht vrij logies en ontbijt met wat reisgeld verder trokken. In Tilburg en omgeving hadden ze een goed terrein, want er waren hier veel mulders.
hei
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen - omstandigheid
heilzaom
  1. bijwoord

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hèlzaom of heilzaom
  2. naam

    Heintje Pik de Dood

hèkker
  1. zelfstandig naamwoord

    hèkken

    - WBD afrastering
    - WBD hèk, (Hasselt)'hèkke' - poort van de weide
    - WBD draajhèkke (Hasselt) - draaiend weidehek
    - WBD draodhèkke (Hasselt) - sluitdraad voor een weide-ingang
    - WBD III.2.1:469 hèkken = hek, ook genoemd hèèning
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - zelfstandig naamwoord. o. 'hekken' - hek; mv.'hekkes'
  2. zelfstandig naamwoord

    hèkkendam week met daarin een feestdag

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - - 'hekkendam' - Er is van de week 'nen hekkendam (week met een feestdag)
    - WTT 2022 - Waarschijnlijk hangt het woord 'hekkendam' samen met het gezegde 'het hek is van de dam'. Het WNT verklaart dit gezegde als: 'het vee kan alsdan loopen waarheen het wil' en suggereert: 'vandaar figuurlijk voor: er is geen belemmering om vrijelijk zijn eigen zin te volgen.
  3. zelfstandig naamwoord

    hèkkes verouderd meervoud van hèk in plaats van hèkke(n) afscheiding of omheining uit staken, staven of palen

    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HEKKEN zelfstandig naamwoordo., soms v. - hek! mrv. hekke(n)s
    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - Banhekkens: zekere hekkens op den weg, om beesten uit de velden te houden.
  4. zelfstandig naamwoord

    hèksemaast

    - Van Dale - volksnaam voor de zee-den (Pinus pinaster)
    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "heksenmast - mast, heele grove naalden"
  5. zelfstandig naamwoord

    hèl hel

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - zo donker as et bakkes van de hèl
    - Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Daor hadde nòg zonne schôone bij, èn dè was Denie van Lôon, die was vur gin hèl òf duuvel bang (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels.)
  6. naam

    hèl, hèller, hèlst

    - WBD III.2.1:395 hèl, op = wakker
    - WBD III.1.2:182 'hel' = gezond
    - WBD III.1.4:26 'hel' = schrander; (3l) 'hel' = vlug van begrip
    - WBD III.1.4 :143 'hel' = flink
    - WBD III.4.4:235 'hel' = helder
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HEL (hèl) bijvoeglijk naamwoord - helder van geest, (nog) goed bij zijn positieven; dikwijls van oudere mensen gezegd: nog goed hèl.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2, 1958) - häl, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord 'hel' l) helder; 2) gezond, wakker, vlug, levendig
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HEL bvw. - wakker, levendig, gezond naar lichaam en geest.
  7. naam

    hèlder helder

    - Handschrift Daamen 1916 - spreekwoordelijke vergelijking - "zoo helder as 'nen braand"
    - WBD III.1.4:31 'helder' = vlug van begrip
    - WBD III.4.4:8 'helder' = onbewolkt, ook 'klaar'
    - WBD III.4.4:235 'helder = idem
  8. zelfstandig naamwoord

    hèlleg, hèllege heilig 1.1. mannelijk

    - Informant Toine Raaijmakers; Ter eere van wèlken hèllege? - voor welke gelegenheid ..
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 10 28 - Allerhèllege // 'n Maondag isset in d'n hemel / Vur alle Hèllege wir fist / Dès op d'n irste november / Aaltij al 't geval gewist.
    - WTT 2018 - Dè waar enen hêelen hèndige hèllege, dieje Sintantooniejes. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
    - A.J.A.C. van Delft - "Eer elken heilige z'n lichtje heeft, schiet Ons Lief Vrouwke er over." Dit is: Voordat elk het zijne gehad heeft, schiet er niets meer voor de allernoodzakelijkste uitgaven over. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929) - Cees Robben; Prent van de Week - As hier elken hellige zn lichtje heej... zit ons Lief-Vrouwke in dn donkere... (19661202) [Iedereen heeft het zijne gehad, maar degene die daarvoor heeft gezorgd staat met lege handen; daarmee wordt een gevoel van miskenning uitgedrukt] - Cees Robben; Prent van de Week - Lôôpt naor de hel (...) Dan lôôpte gin hellege om... (19730608) [... dan kun je niets verkeerd doen] - Cees Robben; Prent van de Week - Elke hellige krèègt zn kerske.. (19871126) - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - ge kunt van enen hèllege nie verwòchte dèttie aachterbekaare en wonder doe - je kunt geen topprestaties verwachten van een nieuwe werkkracht - Piet van Beers Bèèvert: En zôo, waare der overal pestoors/ die unnen hellige op stal han staon./ Op zon bèèvert wier flink/ mee de schaol rondgegaon. (Spoeje doemmeniemer; 2009)
  9. naam

    1.2 onzijdig

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - spòtte meej et hèllig - met iets ernstigs spotten
    - Kernkamp; Dialectenquête 1879 - hellig
    - Piet Heerkens - Oo, hellige ziel, wie zal oe zaolig prijze?! (uit De knaorrie, Oo, hellige ziel, 1949)
    - Kees & Bart; krantenrubriek ca. 1930 - helligendag: 'hèlligen'
    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Mar nèt as in Orschòt daor bèn ik ok verschillende keere nòr toe gewist toen in dieje tèèd, in dieje tèèd, dè was den Hèllegen Eèk! Èn Esbeek dè was vur de, vur de, de nilles, vur de kinkhoest!
  10. bijwoord

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007 - Volgens mèn hattie der mar êene opgevoed, dieje hellige Sint Jozef en die waar van zen èège al hellig
    - Toen wonde bij t pleintje ok nòg Virginie Doorakkers. Die waar bijna hèllig, zoveul rôozehuukes as die had vurgebeeje in de kepèl. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
    - Dus vraog ik oe van krèùk toe krèùk:/ Verheur tòch mèn gebèd./ Dan zulle wij beneej hier zörrege, dè Gij in kòrte tèèd,/ nie allêen mar zaoleg, mar ok nòg es hèlleg zèèt. (Henriëtte Vunderink, Gebèd toe Peerke Donders, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
  11. zelfstandig naamwoord

    4 . figuurlijk gebruikt

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "hellig oog - op 't heilig (hellig) oog / 't goa zò mar op 't hellig oog
    - Cees Robben; Prent van de Week - Nie zôô-mar op t hellig ôôg.. t moet persies op maot zèèn... (19800328) ['het Heilig oog' is waarschijnlijk het alziend oog van God dat op devotieprenten afgebeeld stond.]
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hèlleg vat zonder bójem - gezegd van iemand die overdreven bidt, vaak zonder dat zelf te beseffen; hèlleg vat - schijnheilige
    - Pierre van Beek; Tilburgsche taalplastiek 24-6-1964 - Wie "soep mee den heiligen pollepel" at, moest zich ook met heel dunne soep tevreden stellen. Het feit, dat de pollepel "geheiligd" was, vergoedde uiteraard, wel iets! Wanneer van iemand gezegd werd, dat hij "al z'n leven hannekenkost had gegeten", dan zag hij er niet te best uit en was hij niet uit een gezeten burgerfamilie voortgekomen.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hèlleg höske - herberg, café
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - den hèèlege! veuraon rijdt d'n hèllege man. [= Sinterklaas]
  12. 5 . Allerheiligen

    - Vruuger krèèk op êen november/ ene nuuwen ooverjas./ Jè, dè was zôo de gewonte/ asset Allerhèllige was. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Allerhèllige)
  13. zelfstandig naamwoord

    hèllegendag heiligendag

    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): hèlligendag
    - Uitdrukking: de hèllegendaoge afzègge - gezegd van iemand wiens komst als overbodig beschouwd wordt wegens de nutteloosheid ervan
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - meervoud hèllegedaoge
    - WBD III.5.3:207 - hèllegendag = heiligendag
    - WBD III.5.3:212 afgezette heiligendag (zonder mis-verplichting)
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zelfstandig naamwoord mannelijk: 'heiligendag' - heiligedag
hèlleg hart
  1. zelfstandig naamwoord

    heiligheid

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben 09-07-1967 - (gehoord van de ene dame tegen de ander voor het winkelraam bij uitverkoop van religieuze artikelen:) kèk, daor toch, al die hellighèèt, daor blève ze schôôn mee zitte
  2. werkwoord

    hèllepe helpen

    - hèlpe - geholpe
    - hèllepe - holp - geholpe
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - ze heetem irst zen gèld hèllepen opmaoke
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hèllepe - hielep - gehóllepe
  3. zelfstandig naamwoord

    hèlm helm

    - WBD nageboorte van het paard
  4. werkwoord

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. hèloore, hèlheure de voelhorens uitsteken waarschijnlijk uit 'horen', 'luisteren' en 'hel' uit 'helder', duidelijk

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - - "hel-ooren - ge mot irst is hel-ooren / eerst vooruit een stilletjes informeren"
    - Lowie van Dorrus Misters, Nieuwe Tilburgse Courant - 1 februari 1950: Een onzer vrienden, ook vreemdeling en thans ook niet meer in Tilburg woonachtig, noemde het klotteren in de St. Nicolaastijd klodderen. Toen wij eens van hem afscheid namen na een zakelijk onderhoud, zei hij: "We zullen wel eens heil-oren" in plaats van hel-oren en was stellig in de verbeelding dat hij het nu eens goed zei, maar bewees daardoor, dat hij het woord hel-oren absoluut niet verstond.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - ek zal er es gòn hèloore - ik zal er eens poolshoogte gaan nemen
    - Stadsnieuws (rubriek): Jantje gao es hèleure of de mister der al ònkomt - ga eens kijken of ... (220709)
    - Cursus in Tilburgs een krantenrubriek circa 1940 - (42) 'Kzarris gaon helloore' [Ik zal er eens gaan hel-oren...]
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HELOOREN - de ooren spitsen, scherp toeluisteren
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): hèloore, werkwoord - poolshoogte nemen
  5. naam

    hèlzaom

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hèlzaom - heilzaam, met vocaalkrimping
  6. zelfstandig naamwoord

    hèm, hèmmeke hemd

    - Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: Schrèèft et mar óp oewen bèùk; dan kundet meej oewen hèmslip ötvèège.
    - Pierre van Beek Sommige mensen hebben een eigenaardige manier van lopen, die de indruk van voorzichtigheid maakt. Van dezulken zegt men: "Den dieje lôpt op aaier (eieren)" en ook wel "Hemmeke raok m'n gotje nie!" (Tilburgse taalplastiek 15 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 5 juni 1950)
    - Pierre van Beek - Een "kakmadamme" is een opschepster, terwijl men van 'n meisje of vrouw, die een trotse houding heeft en heel voorzichtig loopt, zegt: "hemmeke rokt m'n gatje nie". Dat zal wel een "semmeltrien" zijn, heet het dan. Wil men zeggen: schiet toch een beetje op!, of treuzel zo niet, dan klinkt het: "semmeltrien!". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): ge moet gin hèmmekes óplichte (Si'59) - geen kwaadspreken
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): hèmmeke ròk men gatje nie - op eieren lopen; verwaand zijn
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'K-mot gin pestoorshèm in munne teej ' - ik wil geen vellen in mijn thee
    - WBD III.2.2:96 'doodshemd' = doodskleed
    - J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HEM voor hemd, ... reeds bij Meyer verouderd.
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - hèm (kaart 44)
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - zelfstandig naamwoordo. hemd; hemslip - hemdslip
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HEM zelfstandig naamwoordo. - hemd, vklw.'hemmeken'
  7. samentrekking

    hèmme hebben we

    - Cees Robben; Prent van de Week - Dè hemme zat gehad... (19591017) - Cees Robben; Prent van de Week - Hoem-pap-hemme...? (19590502)
    - Interview met de heer De Kok (1978) Mar toen meej diejen bond hèmme hil veul laast meej gehad want die kwaam, die kwaame betaole èn ze zaate èn dan kwaame ze zôo ene keer hier, hè (transcriptie Hans Hessels 2014 .
hèmmekaar
  1. samentrekking

    hebben we elkaar

    - F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Boovendien hèmmekaar tòch niks te vertèlle.
  2. samentrekking

    hèn

    - WTT 2012 - waarschijnlijk alleen als eerste persoon meervoud in de voltooide tijd van 'hebben'
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'W-hèn nat zat gehat' - We hebben regen genoeg gehad.
  3. bijwoord

    hèndeg gemakkelijk, moeiteloos

    - Cees Robben; Prent van de Week - Die zô hendig trekt en jaogt.. [namelijk een handboog] (19560714) - Cees Robben; Prent van de Week - Zô proper, zô hendig... (19570216)
    - WBD III.1.4:5 'handig zijn' = iets beheersen
    - WBD III.1.4:27 'handig' = verstandig;
    - WBD III.1.4:31 'handig'= vlug van begrip
    - WBD III.1.4:148 'handig' = bijdehand;
    - WBD III.1.4:354 'handig' = gemakkelijk
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks , 1992 - hèndig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord - handig, gemakkelijk
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - bijvoeglijk naamwoord en bijwoord 'hendig - handig, gemakkelijk
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HANDIG (hèndig) bijvoeglijk naamwoord + bijwoord, nooit in de zin van 'bijdehand, maar altijd passief: 1. handzaam, gemakkelijk te hanteren; 2. gemakkelijk in de omgang, niet veeleisend; 3. het zich gemakkelijk makend, niet actief: ge zèt ok 'nen hèndige; 4. vlot,gemakkelijk,zonder moeite; dè kan ik hèndig.
    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HENDIG, HENDIGHEID - handig, handigheid. Hier vandaan: behendig.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HENDIG - handig
  4. zelfstandig naamwoord

    hèndje handje verkleinwoord van 'haand', met umlaut

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hèndje (archaïsch); hiernaast handje
    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: hendjes en vuutjes
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 1969 - em en hèndje geeve = de handen uit de mouwen steken
    - Uitdrukking: hèndje peepermuntje - twee gelieven met verstrengelde handen
    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'Wè is er aon 't hendje ?
    - Cees Robben; Prent van de Week - [vader tegen een kind] Alleej... Gift dn ôôme is n hendje... (19580510) - Cees Robben; Prent van de Week - As zn hendjes zèn gewaase (19581122)
    - Giender op en bèngske zitten al en tèdje/ hèndje in hèndje ene jonge meej en mèdje. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et vurjaor komt)
    - Gif ze mar en hèndje, zi ons moeder teege mèn. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2004)
    - Masturberen hiete dè volgens menne biechtvadder, die ik vroeg hoe dè kwaam. Ik ha zôiets ok nog nôot bij et hendje gehad. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
    - Ons moeder aaltij de kalmte zelf, pakte un washendje en waaste zenne kop aaf. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
    - Zôiets han wij nog nôot bij et hendje gehad. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
    - Ik dòcht dan, isser naa ginnen êene die dörft te zeggen, ik ben oewe knèècht nie, of ge het zelf toch ok twee hèndjes. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
    - Piet van Beers Enen aawen bôom: Ik zie me dan, rèùm zeuventig jaor geleeje/ Òn moeders hèndje ok nòr zon school toegaon. (Het zeventiende boekje, 2010)
    - Mar we moesen assie binnekwaam/ netjes en hèndje geeve... (Henriëtte Vunderink; De Pestoor; k Zal van oe blèève haawe, 2007)
    - WBD III.4.4:277 'handje' = handvol
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): Kinderen moeten 'n schòòn of 'n goej hèndje geejve.
  5. zelfstandig naamwoord

    hèndjesgegeef

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - handengeverij
  6. zelfstandig naamwoord

    hèngel

    - WBD III.2.1:141) hengel = hengsel; ook 'oor'
hèngselmèndje
  1. zelfstandig naamwoord

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (n v- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - d paartje) Ge ligt net in mènnen èrrem als 'n hengselmendje. (15-06-1963)
  2. zelfstandig naamwoord

    hèngst

    - WBD hengst, ongesneden mannelijk paard
    - WBD klòphèngst, klaphingst - slecht gesneden hengst
    - WBD gebrooken hèngst - hengst waarbij door het castreren een darmuitstulping optreedt
    - WBD hèngstvölle, hèngstvulletje - mannelijk jong van een paard
    - WBD kèrhèngst - lomp paard
    - WBD bè den hèngst haawe van een merrie) - bij de hengst brengen (ter dekking)
    - WBD III.1.2:34 'hengst' = slag; ook: 'peer, fleer,'enz.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HENGST zelfstandig naamwoord mannelijk: - Zuren hengst - zuur roggebrood
  3. naam

    hèngsteg

    - WBD geneigd tot paren (van een merrie),
    - WBD (Hasselt) kaod hèngsteg staon - ook genoemd 'pèèrdeg' of 'pèrdeg' van een merrie hengstig zijn
  4. zelfstandig naamwoord

    hèngstegebit

    - WBD (Hasselt) gebroken bit (een bit dat een stang uit twee delen heeft)
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hèngstegebit - stevig gebit met een beugel i.p.v. een kinketting onder de onderkaak, dat men een hengst en in het algemeen een lastig paard aandoet.
  5. zelfstandig naamwoord

    hènneke

    - WBD vrouwelijk kuiken
    - WBD jonge kip, ook genoemd 'poel' of 'jóng hèn'
  6. zelfstandig naamwoord

    hènnekegemof gerecht, gemaakt van het eerste slachtafval na de varkensslacht

    - Bernard van Dam - Lever, longen en hart gingen in een emmer en werden direct aan de zorgen van de huisvrouw overgegeven. De ingewanden, hier algemeen genoemd het hennekegemof.
    - WTT 2012 - Van Dam voegt eraan toe: Wie van onze dialect-specialisten verklaart mij de afkomst van dat woord? - Bernard van Dam, Oud-brabants dorpsleven, wonen en werken op het Brabantse platteland; 1972.
hèns
  1. bijwoord

    uit het Engelse 'hands', de bal met de hand spelen

    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Hèns - Handspel (hands)
  2. zelfstandig naamwoord

    Hènsen Hensen, Jan

    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): aachter Jan Hènse ligge ('87) - dood en begraven zijn (het Heikantse kerkhof lag vroeger achter de boerderij van ene Jan Hensen)
hèpke
naam

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 04 16 - "Ik maok 'n lekker hèpke klaar / Mee vlèès en bruine bóóne...
Herinneringen
  1. zelfstandig naamwoord

    In de sloten en grachten gingen we: "Ruigt" draaien. Deze sloten en grachten waren onder water bijna dicht gegroeid met allerlei waterplanten. Vooral met waterpest. Met een schepnetje had men weinig succes. Daarom werd er in die sloten alleen maar:"Ruigt gedraaid". Hiervoor werd een dikke tak gezocht, liefst met nog wat uitsteeksels van oude takjes er aan. Die tak werd dan in die dichte begroeing van waterplanten gestoken en paar maal rond gedraaid en dan uit het water getrokken. Op de slootkant werd dan goed nagekeken wat er allemaal tussen die waterplanten mee omhoog gekomen was. Vooral naar salamanders zochten we, want die hadden onze speciale belangstelling en werden thuis in het aquarium gezet. De viskesfreters en torren werden in een glazen pot mee naar school genomen voor de frater, die ons tijdens de natuurkundeles vertelde hoe deze waterdiertjes allemaal heetten en hoe nuttig ze waren.

    - WBD rögt ègge - onkruid uiteggen
    - WBD I:1484 wikke als onkruid: 'wikke', 'röcht'
    - WBD III.4.3:217 rögt - onkruid; ook genoemd: onkrèùd, bocht
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUIGT (uitspr. röcht) znw.v. - uitschot, bucht, iets dat klein en gering is; allerlei afval van hout, stroo, onkruid enz.; slecht volk, gepeupel Van 'ruig' met vocaalkrimping vóór suffix)
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - RUIGTE, voor heeschheid, schorheid; somtijds voegt men daarbij 'in de keel';
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - RUIGTE (rögt) m - wildgroei, onkruid: rögt plukke.
  2. zelfstandig naamwoord

    rògveld roggeveld rògzaajer zelfstandig naamwoord

    - WBD (handschrift K 183 = Tilburg) - oud versleten paard
  3. werkwoord

    Damen Handschrift (1916) - "rogzaaier - een oud mager paard" ròjbraoke radbraken

    - ròjbraoke - ròjbròkte - geròjbròkt (in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rojbròkt)
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zw.ww.tr. 'raaibraken' (< radebraken) - radbraken
  4. zelfstandig naamwoord

    ròjmaoker

    - WBD (II:2694) 'rojmaoker' - rademaker
    - WBD (II:2694) 183 b (Hasselt): 'rojmóóker (en/of) raojmaoker?'
  5. zelfstandig naamwoord

    ròk rok

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hij heej daor nen baoje ròk binnegegoojd (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973) - gezegd als een fabrikant een niet onverwacht bezoek aan een arbeidersvrouw aflegde.
  6. zelfstandig naamwoord

    rökske rokje

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'waaierige rùkskes'; 'hij hefte heur rùkskes'
    - Pierre van Beek - Van iemand, die op de laatste zondag, dat er gelegenheid bestaat tot het vervullen van zijn Paasplichten, ter H. Communie gaat, hoorde ik zeggen: "Hij gaat met de rooi rokskes", terwijl een ander zeide: "Hij gaat met strooi in 't haar". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)
  7. werkwoord

    rokt As ie rokt, ròkt ie van de wèès uitdr. Et rokt er - het is er niet pluis 2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'rooke', met vocaalkrimping ròkt werkwoordsvorm; persoonsvorm raakt

    - Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) raoke - hij ròkt
  8. werkwoord

    2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'raoke', met vocaalkrimping rökt ruikt tegenwoordige tijd sing. 2e + 3e pers. van 'rèùke', met vocaalkrimping rolle werkwoord, zwak rollen

    - WBD (van een paard) zich over de rug wentelen en met de benen in de lucht klauwen
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - iemand róllen as nen vrèdagse gaorenbôom (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1979) - iemand erdoor halen (Vrijdags werden de stukken van de doekboom gerold, waar ze tijdens het weven omgedraaid werden, om ze 's zaterdags bij de fabrikant in te leveren.)
hermandientje
  1. zelfstandig naamwoord

    hèrmenie harmonie

    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): hèrmenie; meervoud 'hermenies'/'hermenieën'
  2. ...toen den brawer kwaam vertellen dè-t vergadering van de hermonie was gewist (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

    - Cees Robben; Prent van de Week - n schôôn hermenie.. Die Capelle Sint Jan... (19581206)
    - Interview Jolen - 1978 - Ja, dan moeste meej, war, dan moeste meejmeej de hèrmenie! (transcriptie Hans Hessels, 2013)
  3. Bijnamenboek Karel de Beer: Fraans hèrmenie = Frans Mutsaers (blz.56)

    - Vruuger was onze Pa bij de herremenie, bij Capelle St.Jan. (Nel Timmermans; Dè heb ik mee Tilburg; CuBra; 200?)
    - Cees Robben - omslag van Tilburgs Prentebuukske 3 (detail)
    - Nel Timmermans; Dè heb ik mee Tilburg; CuBra; 200? - Kort daornao had ie wir wè aanders, toen zeetie: we krèège van den beschermheer 'nen mascot, en daor moete we nog iemand vur hebbe om mee te lôôpe, dès wel iets vur jouw. Ik was toen 'n jaor of virtien , vèftien, denk ik. Mar toen ik heurde dèdieje mascot 'nen bok was mee van die grôôte gekrulde hôôres, bedankte ik toch vur de eer. As jong meske zaag ik mèn al lôôpe mee diejen bok en mee 't zot Wimke, want die liep ôk aaltij mee.
    - Elie van Schilt - Unne kiosk waor regelmaotig un hermenie zaat te speulen... (uit: Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, ca. 2000)
    - WBD III.3.2:320) hèrmenie = fanfare
  4. zelfstandig naamwoord

    Kees, de bok van de harmonie van het Koninklijk Huis, met de prinsessen Kees, op tournee op de Molukken Overlijdensakte van bok Waggie van de harmonie in Heeswijk Dinther Willem II 60 jaar geleden kampioen van Nederland - Peter Année; website Willem II, 2012 - Goede herinneringen moet je koesteren. En dat doe ik ook, want op 15 juni is het op de kop af zestig jaar geleden dat ik Willem II kampioen van Nederland zag worden. Als de dag van gisteren herbeleef ik nog steeds de wedstrijd van zondag 15 juni 1952 in het Olympisch stadion in Amsterdam. De Tricolores versloegen Ajax met 2-1. Het is tot nu toe de enige overwinning van de club in de hoofdstad waarbij van Ajax werd gewonnen. Maar wel een historische want we werden kampioen van Nederland. Met nog enkele duizenden Tilburgers zat ik op de tribune en keek naar een spannend duel. De doelpuntenmakers waren Sjel de Bruyckere en Jan van Roessel, uit een penalty. De ontlading na afloop was groot. De supporters stormden het veld op en droegen de spelers hoog op de schouders naar de kleedkamer. De fans hadden dan wel geen vlaggen, vanen, spandoeken en rood-wit-blauwe shirts, zoals dat tegenwoordig het geval is, maar het enthousiasme was er niet minder om. De aankomst van de spelers op de Oude Bosscheweg sloeg alles. De mensen stonden daar al - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - dik. Toen moest de open wagen met de spelers, de autos met de VIPs, de harmonie met een bok als mascotte en een rits in het rood-wit-blauw gestoken jeugdspelers nog beginnen aan een triomftocht door de overvolle binnenstad. Burgemeester en wethouders stonden klaar om de spelers en het bestuur te huldigen in het Paleis-raadhuis. De spelers lieten zich op het bordes door de duizenden mensen op het Willemsplein toejuichen en het feest werd daarna voortgezet op de Heuvel en in het befaamde hotel restaurant Riche waar een uitzinnige vreugde heerste. Heel Nederland moest weten dat Willem II haar tweede landstitel behaalde. hèrp

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, hHandschrift 1916 - "herp - een flinke, bij de handte, niet verlegen meid"
    - WTT (2012); Mogelijk afgeleid (en afgezwakt) uit 'harpij'; voor de klankwisseling van 'harp' naar 'herp' zie het - WNT onder 'Harp'.
  5. zelfstandig naamwoord

    Haringverkoopster in de Anna Pauwlonastraat (Koningswei) - ca. 1935 Advertentie in Nieuwe Tilburgsche Courant 20-8-1918 hèrring haring

    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'herring'
    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: herring
    - Cees Robben; Prent van de Week - Jao ik mot nog vier-honderd herringen op t pötje zette... [Over een vishandelaar die voor de Kermis haringen op potjes zet] (19640724)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 07 13 - t Was pal vur n hèrringkraom.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - zo blank as ne nuuwen hèrring - zo onschuldig als 'n pasgeboren kind
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - hèrringhappe - haring eten op Aswoensdag
    - Elie van Schilt - Ut was in de tèèd det ur van alles nog langs de deur kwaam, de visboer riep toen nog kaai hard Nuuwe herring, drie vur un dubbeltje mar ge moest wel mee unne halve herring oe zis sneeie bróód op eten. (Uit: Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra ca. 2000)
    - Elie van Schilt - Ge mocht op Vrijdag ok gin vléés eten, dus vur die ut betaolen konnen was ut dan herring of un gebakken scholleke, dun duurdere vis was vur dun betere staand. (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)
    - Den hille oorlog han we amper enne vis gezien. Hoe herring smokte, daor wiesen we niks van... (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
    - Cursus in Tilburgs een krantenrubriek circa 1940 - (7) 'Hè hè, wen hèrringbraoierij is dè toch!'
    - WBD III.1.4:241 'haringkullen' = kibbelen
    - WBD III.2.3:70 'haring' = gerookte haring
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zelfstandig naamwoord mannelijk: 'herring' - haring
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HÈRING, HÈRINK, HERREK (toonl. e) - haring
  6. Schilderij van de Tilburgse schilder Adriaan de Lelie - Voorbreidingen voor het verkopen van haring Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

heurem
  1. zelfstandig naamwoord

    Afbeelding uit het 'Nuuw Tilburgs Leesplèngske' dat in 2020 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven in samenwerking met Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant en Erfgoed Tilburg. De illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn. hèùs, höske huis, huisje den hèùs = grote woonruimte in boerderij met breede open schouw den hèùs kèère: de woonruimte uitvegen.

    - WBD washèùs, aachterhèùs - bijkeuken (op de boerderij)
    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Daor hèbbe ze toen hèùze van, van de Hoeven aaf hèbbe ze ènkele hèùzen af moete breeken hè
    heurem
  2. meervoud - naast hèùze ook hèùs

    - Alle hèùs han wir glas in de raomen en waren opnuuw opgeschilderd. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
    - Ik zit goed en wel in bad, komt ons Gonnie binnengestörmd aachternao gezeete dur un vrouw van un paor hèùs verder (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
  3. zelfstandig naamwoord

    hêût ongemakkelijke vrouw verbastering van 'hoofd' ? (via hoot)

    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HOOT, HEUT; hoofd. Kiliaen:: 'Hood' Zie Huydek. op Mel. Stoke 3 d. bl. 294.
  4. werkwoord

    heuve tuinieren heuve - heufde - geheufd (geen vocaalkrimping)

    - Cees Robben; Prent van de Week - Laot den hof toch ligge, Jan... Ik blèèf heuven zôô lang ik kan... (19800516)
    - WBD III.2.1:407) 'hoven'= tuinieren
    - Stadsnieuws (rubriek): ik blèèf heuve zolang ik kan; ik gao nie aachter de geraaniejums zitte (070508)
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - tuinieren
  5. Kaart: Diederik Zijnen (1760) Heuvel toponiem centrumplein in Tilburg

    - Stadsnieuws (rubriek): Ist druk op den Heuvel? (260306) - gezegd tegen iemand die op zijn hoofd krabt.
hierentoe
  1. bijwoord

    - A.J.A.C. van Delft - "Toe hierentoe." Tot hier toe. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
  2. bijwoord

    hierèùt

    - 2020 - Als je vraagt een glas met drank door te geven: - kunde van hierèùt drinke?(...als ik het gooi...) of: - waor wildet hèbbe? ( als ik het gooi) (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
hiernèffe
  1. bijwoord

    hiernaast; de buren

    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - De die/den dieje van hiernèffe de buurvrouw/-man.
  2. bijwoord

    hierte hier

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - van hierte tòt daorte - van hier tot daar
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HIE(P)TEN bijwoord - hier, in de uitdrukking: van hie(r)ten tot daa(r)ten
  3. bijwoord

    hiertunne hier, hiertoe hies bijvoeglijk naamwoord heet (kindertaal)

    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): hies bijvoeglijk naamwoord - heet (kindertaal)
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HIES, bijvoeglijk naamwoord - heet; alleen tegen kinderen gebruikt.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - his, resp. hies bijvoeglijk naamwoord (kindert.) heet, warm
hieskont
  1. zelfstandig naamwoord

    samenstelling uit hiesen + kont

    - 2019 iemand die aan het doordoen is (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980.
  2. werkwoord

    hiete heten

    - Dialectenquête 1887 Willems - hiete - hiette - gehiete
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hiete - hiet/hiete - geheete
    - Miep Mandos-van de Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: Iemand wèèsmaoke dè Ónze Lieven Heer Hèndrik hiet èn in de haaj peeje stao te steeke.
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - ''t vrouwke deh hiette Mie'; die hiette nor den aawe
    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'en die hiette ...'
    - Cees Robben; Prent van de Week - In elk pront Tilbörgs höshaawe daor hebbe ze unne frater, n non, n piano en n dochter die Miet hiet... (19690627)
    - Cees Robben; Prent van de Week - Hoe hiet dieje meens, moeder... / Die hiet nie hiet, mennekes.../ Dat hiet.. heet (19711001)
    - Cees Robben; Prent van de Week - Ze hiette... k mèèn Sakkee... (19571123)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hoe hiet ie ok awir?
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'Zo as ze daor un vèèreke hiete - Zoals ze daar een varken noemen.
    - Stadsnieuws (rubriek): Ge wit wèl, òch kom, hoe hietie naa ok alwir? (170509)
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HETEN, 1. ouderwets: hèète, hètte, gehèt - de naam hebben, de naam geven; 2. nieuwer: hiete, hiette, (geehee:te?)
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HIET 2e hoofdvorm van 'heeten'
  3. zelfstandig naamwoord

    hikske waarschijnlijk: mank lopen; de etymologie van hikske is niet duidelijk;

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "op een hikske loopen - een beetje mank"
    - WBD III.1.2.382 'op een hikje lopen' = mank lopen
  4. bijwoord

    hil, hille, hillen heel, geheel

    - Cees Robben; Prent van de Week - hil gewichtig. (19540227)
    - Cees Robben; Prent van de Week - Wer hebben er dn hillen vurrige ôôrlog verlet naor gehad... (19561110)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - en hil dil - heel veel, een groot aantal
    - Henriëtte Vunderink, Heure, zien èn zwèège, uit: Tis de moejte wèrd; 2011 - want der is daogeleks nen hillen hoop ellende...
    - 2020 - Als je ergens veel van hebt: - dès beeter as zo hil veul! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
  5. bijwoord

    - Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): dè wòrdt naaw en hil nuuwe stad - WBD III.4.4:273 'heel' = helemaal, geheel
  6. bijwoord

    hillegaans volledig, heelgans, helemaal

    - Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra - Hillegaans totaol verleerd...
  7. naam

    hilles alles

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "hilles - alles"
  8. bijwoord

    hillemòl, himmòl, himmel helemaal

    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): hillemaol (passim) - SJAREL. Des himmel iets aanders. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 26 januari 1945)
    - Ge heurde die nonnen aaltij al van ver aonkome, deur dè gerammel van dieje kraolensnoer [de rozenkrans]. Ze ha ôk nog enne bril op en haorkes op der kien. Die ha ons moeder himmol nie. (Jo van Tilborg)
    - Lechim
  9. Jaonus witte naa himmol niks Dè op 'n strèkèzer remt Aanders stao'k strak mee de seprieze Ok wir lilluk in m'n hemd.

    - Piet van Beers "Kom es kèèke Oopaa" zeej de klèène Koen. "M'n Hamsterke is himmol öt zennen doen". Èn... naa 't wir Kèrsmes wort zèt ik 'm meej klèùt èn al èn himmol òpgetèùgd, bezije munne stal.
    - Cees Robben: himmel (861114)
  10. ...ik zèè meej de bediening zôo/ hillemol nie tevreeje. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: As de zon schènt...)

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'Hè kos ut hillemól allêeneg'
    - Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen waarder himmòl meej genaajd, toen moeste vort saoves wòchte toedè die rijers trugwaare, dè was toen saoves en uur òf èllef, half twaalf (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels
Hilverenbeek
  1. naam

    Hilvarenbeek

    - Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Want, want Beek as gij in Hilverenbeek vruuger en verbaol krêegt dan moeste gij in Orschòt vurkoome!
  2. samentrekking

    hil-wè-din heel wat in in de uitdrukking: himmel bijwoord helemaal

    - Cees Robben Ons Tonia maokt daor himmel ginne gatslag van... (19861124) [maakt daar geen probleem van]
    - Cees Robben; Prent van de Week - Mar meens ik stao himmel tep... (19730824)
    - Cees Robben; Prent van de Week - Naa hedde daor himmel gin mölderkes mir... (19570525)
    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Sint Job dè was Berkel-Enschot, dè was himmel nie zo wèèd hè, hier bi, zo wè bi, binnendeur dan waar, dan zèèder zôo
himmòl
  1. zelfstandig naamwoord

    Sticker van 'JongerenPUNT. Midden-Brabant'. Tilburg, Koningslein 23 maart 2019. Foto: CuBra. himphamp hap, stuk

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - - "himphamp - er waas 'nen hillen himphamp uit ('n hap, 'n stuk)"
    - WNT Himphamp: Een woord zonder bepaalde bet. (verg. voor de vorming woorden als mikmak, poespas, rompslomp), en van zeer verscheiden toepassing.- 1) kreupele, hinkepink; 2) zeer mager persoon.
  2. zelfstandig naamwoord

    hinkel hinkelperk

    - WBD III.3.2:113) hinken = hinkelperk: ook genoemd 'hinkelepèrk', hinkelbaon of hinkelblòk of hinkelstrêepe
    - Cees Robben; Prent van de Week - [Kinderen in een winkeltje:] Meneer, verkôôpte sewèèle nog drèèfdöllekes meej n zwipke en hakdöllekes meej n piske en goeiekôôpe stukskes hinkelkrèèt... (19800418)
  3. werkwoord

    hinke, hinkele hinken (kinderspel)

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - - "hinkelen - kinderspel"
    - WBD III.1.2:164 'hinkelen' = hinken
    - WBD III.1.2:583 'hinkelen' « manken; ook 'hinkeldepinken','honkelen', kreupelen', 'hompelen', 'strompelen', 'hinken'
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HINKELEN onov. werkwoord - niet alleen gebruikt als naam voor het kinderspel, maar ook als aanduiding voor echt kreupel of op één been lopen.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899 - HINKELEN - op één been springen
    - WBD haorhinkele - haarenkelen (van een paard) de enkels kwetsen door ze onder stappen tegen elkaar te schoppen), ook genoemd (Hasselt) 'hòrènkele'
hipke
zelfstandig naamwoord

- A.J.A.C. van Delft - Wat "een vaatje zuur bier" is, zullen de ouwe vrijsters zelf het minst gaarne uitleggen; die zouden mogelijk nog het liefst voor "'n hipje" aangezien worden in de hoop er zoodoende nog een "aan den haak te kunnen slaan". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)
Hippelpad
  1. naam

    hirke zelfstandig naamwoord, verkleinwoord heertje verkleinwoord van 'heer', met vocaalkrimping

    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HEERKE(N) zelfstandig naamwoordo.- onderpastoor eener parochie
  2. bijwoord

    hirlek heerlijk

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hirlek, hêerlek
  3. zelfstandig naamwoord

    hirschap heerschap

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hirschap (met vocaalreductie)
  4. werkwoord

    hisse ophitsen

    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HISSEN overgankelijk werkwoord - ophitsen, vooral van een hond gezegd; de hissende kreet is 'hieskies.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hisse(n) zwak werkwoord overgankelijk - (aan)hitsen
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HISSEN, HUSSEN - hitsen, kissen. Hij huste zijnen hond op mij.
    - WNT: HISSEN = hitsen
  5. zelfstandig naamwoord

    hit hit (hitlander)

    - WBD 'hit', 'hiet', 'hitje', (Hasselt:) 'hit' - ondermaats paardje
    - WBD 'dubbelen hit' - dubbele hit
  6. zelfstandig naamwoord

    hits hitte

    - Piet Heerkens; uit De knaorrie, De braand, 1949 - 'nen diepen hits die dikkels broeit...
    - Cees Robben; Prent van de Week - We hòn allebaai dn hits in ons lèèf... (19850607)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - den grotsten hits is er wèl aaf - hij is nu wel wat bekoeld
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'K kos ut nie haawe van den hits'
    - J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HITSE, voor 'hette, hitte' voornamelijk voor eene lichamelijke hitte. ... uit Duitschland overgekomen.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hit zelfstandig naamwoord vrouwelijk - hitte
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - hits, hets - hitte, bronstigheid
    - WNT HITS - overgenomen uit het Duits (Hitze) - hitte
  7. hitst overtreffende trap van hêet; de vergrotende trap = hêeter heetste

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - 'hêetst', maar 'hitste'
hittepetitje
  1. naam

    dienstmeisje, meid in de huishouding van een boer

    - Dialoog Karel en Sjarel; Groot Tilburg, 8 december 1944 - Ons hittepetitje hee ons verlaote nao zeuven jaor trouwen dienst.
  2. naam

    hobbeleureg

    - WBD III.1.4:219 'hobbeleurig' = wispelturig
hobbelkaaj
zelfstandig naamwoord

hobbelkeien; kinderkopjes

- Lodewijk van den Bredevoort, pseudoniem van Jo van Tilborg; Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - De straot, et wegdek op zen Nederlands gezeed, waar vur fietsers un straf, om daor deur te moeten, over die hobbelkaaien. Echte kenderköpkes waren et, ingevoerd vanöt den Bels.
hòd
  1. verleden tijd van 'hèbbe', tweede persoon enkelvoud

    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jao, ge hòd van die dôod, ge hòd van die dôodsbidders hadde, die kwaame dan.
  2. samentrekking

    hòdde had je, had u, hadt ge/gij Verleden tijd van 'hèbbe' met ronding van de stamklinker (a) en assimilatie van de g van 'gij/ge'

    - Cees Robben; Prent van de Week - Dan hodde gij toch ôk gesmoord... (19560804)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hòdde gin hogger kaort?
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOD: 2e hoofdvorm van 'hebben'
hodeldebodel
  1. naam

    stapelgek uit Hebreeuws: awar u wotël

    - Van Dale: hoteldebotel
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Toentertèd dit ie al zo vrèmd, mar naa gelêuf ik dettie hartstikke hodeldebodel is (13-07-1966)
    - WNT - Dol, buiten zichzelf, uitzinnig, stapelgek, inz. door woede, drift of ergernis. Mogelijk uit hoteldebotel, dat een verbastering is van jiddisch overlewotel: `heengegaan en verdwenen'.
    - - Bij Robben gebruikt als stapelgek. Cees Robben t Is aatij al unne juin.. Mar meej karneval is ie hillemol hodeldebodel... (19770114)
  2. zelfstandig naamwoord

    hoed

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - 'zuukt is nòr menen oed'
    - WBD III.3.2:117 hoed c.q. rust = doel bij het hinkelspel
  3. zelfstandig naamwoord

    hoefstal

    - WBD II:2108 'hoefstal' - uit balken bestaand bouwsel waarbinnen een
  4. bijwoord

    paard wordt vastgezet als de hoefsmid zijn werk doet hoegenòmd hoegenaamd

    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'hoegenaomd nie'
  5. zelfstandig naamwoord

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. hoej, huuj hoeden

    - Voorbeeld Sterenborg - Zis hoej hòj bèm
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hoej (arch.), hoeje; (29) hoej: (54) hoej (arch.) naast hoeje
  6. zelfstandig naamwoord

    ...ik wed dè den duuvel nog wel kwaod om die groote hoeien is... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939)

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 02 07 - Mee hòòge hoeien en slipjassen // Daor hedde de hòòge hoeien-klup.
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): hoej zelfstandig naamwoord - meerv. van hoed
    - Middelnederlnds woordenboek III - nog heden is in de volkstaal de vorm hoei bekend.
  7. zelfstandig naamwoord

    Middeleeuwse verluchting van een manuscript - De verkoper van hoeden. hoejbèùl

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - papieren hoedezak; ook : huudjesbèùl
  8. zelfstandig naamwoord

    h oe-joei uitroep van vrees of als waarschuwing hoek, huukske hoek

    - WBD ègge meej de lichten hoek - bot eggen (eggen op halve kracht; de tanden van de eg staan dan tegen de trekrichting in).
hoeke
  1. werkwoord

    hoeken, namelijk vuistvechten

    - As er wè te hoeke valt dan istie derbij. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
  2. samentrekking

    hoem hoe een; wat voor een hoeme werkwoord, zwak

    - Figuurlijk: een climax aanduidend: dèt hoemt - heel hard, intensief iets doen
    - We hebben er vort zes groote bombardons bij, dus 't zal er hoemen op den Heuvel zee de Vurzitter van De Kikvorsch". Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.
    - De stòfzèùger die jaankt èn hoemt/ de papegaoi kwèèkt mee. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ene rustige snipperdag)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - mèn oor hoemt zo - ik heb oorsuizingen
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - ... dèt hoemt - dat het tekeergaat
    - Stadsnieuws (rubriek): As ge nie ötschaajt, krèède en flèèr om oew oore dèt hoemt. - .. dat ze suizen (041109)
    - WBD III.1.1:250 'hommen' = suizen van de oren; ook: 'toeten','tuiten'
  3. Tekening Staf Rijckers, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930

hoemel
zelfstandig naamwoord

hommel

- Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 10; Nieuwe Tilburgsche Courant 3-12-1938 - ...as 'n hoemel op 'n blom.
hoemel
hoempele
werkwoord

hompelen

- WNT - Gebrekkig, moeilijk, en wel stooterig, met schokken, kleine sprongen of zetten gaan of zich voortbewegen.
- Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939 - Mieke Stok, die op d'r twee krukskes zoo gaa ze kos naor et ven hoempelde... - Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939) - ...bij 't loopen hoempelde scheeve Jaonus op en neer, op en neer, om de eenvoudige rejen dè z'n een been 'n paor duimkes te lang waar, of z'n aander te kort, of allebaai... - Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939 - Hij begos al aorig te hoempelen, al kos et nog nie worre vergeleken mee 't gehoempel van den scheeve Jaonus.
hoempit
  1. bijwoord

    horendol; etymologie niet bekend

    - Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 gezegde: Erges et hoempit van krèège, ergens horendol van worden
  2. naam

    hoen hoe een, wat voor een? in de uitdrukking: van de hoen..?; wat voor..? welke..?

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "hoenne (hoe eenen)"
    - Cees Robben; Prent van de Week - Van de hoen wilde hebben? (19640214)
    - Cees Robben; Prent van de Week - Hoen huudje hottie op... (19600219)
    - Cees Robben; Prent van de Week - Hoen brievenbus wilde op oew deur (19840518)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 01 09 - Mar wè kan t ons toch schille / Hoene naom dèt kiendje hee?
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - de hoen zodde wille?
  3. bijwoord

    hoeneer wanneer

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 05 16 - "Mar hoeneer kòòkt ze dan de pot?"
    - Cees Robben; Prent van de Week - En hoeneer komde naor ons toe..? (19651224)
    - Soms kwaam enen dodsbidder langs om òn te zègge hoeneer de begròffenis waar. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002)
    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster, 1968) - HOENNEER. Wanneer.
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - 'hoeneer' misschien gevormd uit 'hoe laat' en 'wanneer', twee tijdsaanduidingen die niet precies hetzelfde betekenen () werd toch hardnekkig als fout afgewezen en als teken van geringe ontwikkeling en gebrek aan taalgevoel beschouwd.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hoeneer, bijwoord, (weinig gebruikelijk) wanneer
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): hoeneer - wanneer
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - hoeneer - wanneer
    - WNT HOENEER (vragend) - wanneer?
  4. naam

    hoens

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - wiens
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - Hoens kiest is dè? - Wiens kist is dat?
  5. werkwoord

    hoepere zittend schokken; huppen, wippen

    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HOEPEREN onovergankelijk werkwoord, al zittend omhoog bewogen worden, op en neer schokken in een rijtuig, op een kar of op de kermis; dè hoepert lèkker.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2, 1958) - hoepere(n) zwak werkwoord onovergankelijk en tr. - op en neer huppen of wippen
  6. zelfstandig naamwoord

    hoer hoer

    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): zèède hoer, schèlm òf dief, hèdde gèld, ik hèb oe lief (JM'50) - geld maakt alles goed
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - beeter en aaw hoer dan en jong zonder klaante
    - WBD III.1.4:109 'hoer' = ondeugende vrouw
  7. samentrekking

    hoeset hoe ze het hoeste werkwoord, zwak in de uitdrukking iets of iemand te hoeste hèbbe

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hoesten, verrekken
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'Ze hòn um te hoeste ' - Ze hadden hem niet nodig.
  8. naam

    hoevelderhaande hoeveel soorten

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hoevelterhaande - hoeveel soorten, hoeveel verschillende
    - Stadsnieuws (rubriek): Ik wil enen ijskoo van en kwartje; hoevelderaande smaoke hèdde? (141009)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks , 1992 - hoevelderhande, bijvoeglijk naamwoord - hoeveel soorten
  9. telwoord

    hoeveul hoeveel

    - Jo van Tilborg; Ge het er gin gedaacht van hoeveul hout er los in et bos ligt. Lechim; Rooie, witte, gèèle wèn / Hoeveul, dès nie te pèle / Verdwènt temidde van 't pleizier/ In duuzend dreuge kèele. - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOEVEUL bijwoord - hoeveel
  10. zelfstandig naamwoord

    hòf, höfke de tuin, de hof, het hofje

    - Cees Robben; Prent van de Week - Daor gienderwèd in zunnen hof... (19550129)
    - In ieder höfke zèn ze wir/ ònt spaoje èn ònt plaante/ enen hister hier, en klimrôos daor/ wè klèèn grut langs de kaante. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wir tèèd vur den hòf)
    - Ammol han ze unnen hof Uit: Bè de wèèvers òn tòffel, Ad van den Boom, circa 2005
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks , 1992 - 'hof' - zelfstandig naamwoord - tuin; 'heuf'
    - WBD III.2.1:399) hòf, höfke, tèùn = tuin
    - J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HOF: zelden hoort men 'tuin'.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOF zelfstandig naamwoord m. wordt overal gebruikt voor 'tuin', Frans jardin.
hòfjes
  1. zelfstandig naamwoord

    alleen in meervoud hofjes

    - Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 (2019) schooiersvolk
  2. zelfstandig naamwoord

    höfke hofje, achtertuin

    - Cees Robben; Prent van de Week - Hij gaat op zoek maar t is wel vreemd/ Hij vindt geen Oel of Loven/ Geen Körvels-huukske of t Zaand/ Geen Padde-waaikes en geen Vraand/ Geen höfkes en geen hoven. (19651224) [De prent gaat over de verstedeling van Tilburg waardoor oude wijken en natuur verdwijnen.]
    - Door Robben gebruikt in een uitdrukking die bezwangeren betekent: [Vader tegen ongehuwde zoon:] Ge hèt nogal geaffeseerd om oew höfke in t zaod te krèège... (19810710)
    - WBD III.2.2:3 'de hof bezaaid hebben' = zwanger zijn
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): zit den hòf al in et zaod? ('87) - is de vrouw al in verwachting (informatie gevraagd door de pastoor).
  3. zelfstandig naamwoord

    hòfpad tuinpad oover den hòfpad - achterom: Ge kómt mar oover den hòfpad!

    - Cees Robben, Prent van de Week - Ik zie (...) Mn kiendjes vur slaoi al dn hofpad op gaon... (19570309)
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): langs den hòfpad gescheeten hèbbe ('71) - een wegescheet aan het oog hebben, in Tilburg: pad(de)scheet
    - Stadsnieuws (rubriek): Vruuger gingde nôot dur de vurdeur mar aatij oover den hòfpad (200607)
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOFPAD - zelfstandig naamwoord mannelijk: - tuinpad
  4. naam

    hogger hoger

    - Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - De kèèrk is hógger as de toore.
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hogger (met vocaalreductie); comparativus van 'hoog', met vocaalkrimping.
  5. werkwoord

    hògget had het

    - Cees Robben; Prent van de Week - Ik hogget kunnen weten... (19651224)
  6. hogst overtreffende trap van 'hôog'; hoogst

    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: hij is den hogste
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hogst (van hôog) - superlatief van 'hoog'
  7. bijwoord

    hogstes hoogstens, op zijn hoogst hogte zelfstandig naamwoord hoogte

    - WBD III.4.4:138 'hoogte' = heuvel
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hogte (met vocaalkrimping)
  8. naam

    hoj, haj

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'Hò-j-oe? - Had hij je te pakken?
  9. zelfstandig naamwoord

    hòkkeling

    - WBD jong rund, ook 'pink' genoemd of 'graskalf'
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOKKELING zelfstandig naamwoord mannelijk:-bij landb.: eenjarig kalf (nooit vrouwelijk..)
    - WNT HOKKELING - eenjarig kalf; iemand die pas komt kijken
hòkkoe
  1. zelfstandig naamwoord

    hòknòld haaknaald

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hòk mar en hòknòld - had ik maar een haaknaald
  2. bijwoord

    hòks haaks

    - WBD 'haoks lôope' - (v.e.paard) bij het stappen de voeten naar binnen keren,ook genoemd 'in zen hakke draaje"
    - WBD III.1.1:171 'hoks' = knieholte
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HAAKS(CH) - in den haak, rechthoekig, Fr.d'équerre; fig.dwars, wederstrevend. Gij zijt altijd zoo haaks(ch)
  3. zelfstandig naamwoord

    hòkske haakje

    - Interview Hermans - 1978 - èn dan hadde van die èèzerdraojkes meej midde en êûgske derin, dan wier daor meej zon klèèn handvatje deraon, meej en pinneke deraon, en hòkske, war, dan zaat de vrouw veur èn hij eraachter èn dan gaaf hij den draod aon èn die sloege ze om dè hòkske èn dan trok zij em dur die ôogêen vur êen. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
  4. zelfstandig naamwoord

    hökske hokje

    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: hukske (haok) (u als in 'mulder' = mölder)
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - (blz.32) hökske - verkleinwoord van 'hò', met vocaalkrimping
  5. naam

    hòl hol

    - WBD III.2.3:183 'hol' = leeg (van een noot), ook 'loos'
    - WBD (Hasselt) slecht van bouw (gezegd van een paard)
  6. 2. zelfstandig naamwoord van werkwoord hollen

    - WBD óp hòl slaon - op hol gaan (van een paard), ook genoemd 'er tussenöt gaon'
  7. 3. kont, aars

    - WBD III.1.1. lemma aars hol, ook in Tilburg
    - WBD III.1.1. lemma aars holletje, Tilburg
  8. naam

    hòlbaor haalbaar

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hòlbaor (met klinkerverkorting)
  9. Ill. uit Naumann - columba oenas = hòldèùf = holenduif

hòlbewoner
  1. zelfstandig naamwoord

    holbewoner; hier figuurlijk bedoeld:

    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Hòlbewooner Homofiel
    hòlbewoner
  2. zelfstandig naamwoord

    hòldèùf

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'hòldööf' - holenduif (Columba oenas)
    - WBD III.4.1 'holduif' - holenduif (Columba oenas)
    - WNT HOLDUIF - eene der benamingen van Columba palumbusL.
  3. zelfstandig naamwoord

    hölleke holletje; verkleinwoord van 'hòl', met umlaut

    - Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 (2019) uitdrukking: zen hölleke dicht(k)nèèpe; overlijden
  4. zelfstandig naamwoord

    hòllewaaj vrouwelijke losbol

    - Handschrift Daamen 1916 "hollewaai - 't is zo'n hollewaai (een ongegeneerde vrouw)"
    - Cees Robben: 'ze gonk te veld, de hollewaai' (19600219)
    - Stadsnieuws (rubriek): Die hòllewaaj kan ginne manskèèrel meej rust laote. (051106)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'hollewaaj ' - zelfstandig naamwoord hollewaai (bep. vrouwspersoon)
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HOLLEWAAI (hollewèèj) v., luidruchtig en brutaal vrouwspersoon, niet al te fijn gebouwd.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1958 - hollewaai zelfstandig naamwoord vrouwelijk - een vrouwspersoon die wild en zot is en weinig verstand toont
    - WNT hollewouter (alleen in toepassing op vrouwen?) Men hoort (te Leiden) ook gelijkbetekenende 'hollewaai'.
  5. naam

    höllie hun, hen

    - Cees Robben; Prent van de Week - Höllie taante Sjoow... (19600219)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - zóllie verdiene meer op öllie, as göllie op höllie
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HÖLLIE, HÖLLE(N), vrnw. en bvw. Datief of accusatief van 'zöllie' (zijlie) - hun, ze; ook bijv. w. : Höllie deur was vast.
  6. werkwoord

    hòlp hielp

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'K-hòllep um òn beeter wèèrek
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOLP - 2e hoofdvorm van 'helpen'
  7. zelfstandig naamwoord

    hòlpèpke

    - WBD II:725 holpijpje: een stalen staafje dat van onderen in een scherp gerand kokertje uitloopt, waarmee men gaatjes in het leer kan slaan
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HAALPIJP - zelfstandig naamwoord vrouwelijk - bij schoenmakers: klein eenvoudig werktuig om koperen ringskens in de rijggaten van de schoenen te vestigen.
  8. zelfstandig naamwoord

    hòlrol holrol term uit de zangkanariesport; klanknabootsing om een bepaalde zang van een kanarie weer te geven.

    - Cees Robben, Prent van de Week - 19570126
  9. zelfstandig naamwoord

    hòlstènder

    - Informant Toine Raaijmakers; onrustig iemand
  10. werkwoord

    hòlt haalt, holt tegenwoordige tijd 2e + 3e persoon enkelvoud van 'haole' (met vocaalkrimping)

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - assie hòlt, dan hòltie et- als hij hard loopt, haalt hij het
  11. tussenwerpsel

    hom

    - WBD opzij! (commando voor een paard), ook 'óm' genoemd
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - HOM uitroep! opzij, tegen een koe gezegd.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOM (uitspraak hoem) telwoord - bij landbouwers: uitroep om koeien of geiten te doen omstaan.
  12. zelfstandig naamwoord

    hòmkusse haamkussen

    - WBD hòmkusses (Hasselt) - haamkussens (de vilten binnenbekleding van het haam)
  13. werkwoord

    hommele

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - hommelen - Ze zen hiernost an't hommelen (de WC aan 't ruimen).
  14. zelfstandig naamwoord

    hòmsklippel

    - WBD haamhout, een voor aan het trekstuk van de ploeg bevestigde dwarsbalk
  15. zelfstandig naamwoord

    hòmspaon(e)

    - WBD (Hasselt) beide pluralisvormen worden evenals de dito 'gerilspaon(e)' gebruikt voor: haamspanen, de twee houten hoofdbestanddelen van het haam
  16. werkwoord

    hòn, han had(den)

    - Cees Robben; n plekske/ waor blom hôn gestaon (19590822) - Cees Robben; Wörrom zum daor hôn neergezet (19590912) - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - Ze hòn niks op òf aon, Ze waren naakt.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - zöllie hòn meer as wij
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - daor hòn ze nie òn gedòcht
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kaart 72 geeft de ongeronde vorm: ha(n).
  17. zelfstandig naamwoord

    Jongen met hond - Giacomo Ceruti Illustratie: Rolf Janssen hond, hundje hond, hondje.

    - Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit 't klokhuis van Brabant 9; 22-02-30 - En daansen as ze kan! Ze wit van gin uitschaaien en ze sjouwt oe aaf as 'nen hond in 'nen botermeulen.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 02 17 - En wè maok t uit wie oe bet / t Hundje of de kat.
    - Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek 11, Nieuwe Tilburgse Courant, 17 april 1950 "Wie bij den hond slaopt, krijgt vlooien" is ons equivalent voor "Wie met pek omgaat, wordt er door besmet." - Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek 11, Nieuwe Tilburgse Courant, 17 april 1950 De volkse wijsheid "hoe kaolder hond hoe meer vlooien" past gewoonlijk ook wel bij de branieschopper. Degene, die zelf het minst betekent of presteert, meent vaak de meeste eisen te mogen stellen. - Pierre van Beek - gezegde: Hij zit eróp te wòchten as nen hónd óp en zieke koej. (Tilburgse Taalplastiek 136)
    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: de poote vaan 'nen hond
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - wènne kaojen hond; hij bèt aachterbekaare
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - laagen as enen hónd die mosterd heej gevreete
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - meej den hónd int hòk, de vrouw in hèùs èn de meens int cafeej hèdde en gereegeld höshaawe
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - menen ond (<hond)
  18. zelfstandig naamwoord

    Afbeelding uit Kroniek van de Kempen - 1990 hondekèèr hondenkar

    - WBD broodkar met hond eronder
    - Interview dhr. Van den Aker - 1978 - èn Keej de Pèlder die daor bij et krèùthöske wonde, witte gij dè nòg in den Bèrndèèk òf in de Oerlesestraot was dè toenèn dan ginge ze rije op en hondekèèr want zij was zon hil dikke! (transcriptie Hans Hessels 2014)
  19. zelfstandig naamwoord

    hondekòt letterlijk: hondenkot, hondenkooi; hier figuurlijk: hogehoed

    - Van Dale; 'hondenkot' - gewestelijk hogehoed
    - WBD III.1.3:171 'hondenkot' = hoed (spotnaam,); ook: 'hoge zije '
    - WBD III.1.3:77 'hondenkooi' = hoge hoed
  20. zelfstandig naamwoord

    hondepriester

    - Informant Piet Mutsaers; liefhebber, verzorger, eventueel fokker van honden
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -PRIESTER woord dat min of meer vermeden wordt, maar bij voorkeur als tweede lid in samenstellingen gebruikt, waar het ongeveer betekent: goede verzorger, liefhebber van klein, ongevaarlijk vee, bijvoorbeeld in hennenpriester, konijnenpriester.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1958 - hondepriester, zelfstandig naamwoord mannelijk: - groot kenner en liefhebber van honden
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HONDEPASTOOR zelfstandig naamwoord mannelijk - liefhebber van honden, hondengek.
  21. telwoord

    honderd honderd

    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): oover honderd jaor hèbbe we tòch ene gèètekòp (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - over honderd jaar zijn we allemaal dood
    - WBD II :1017 riet van hónderd - riet van honderd: rietkam met honderd rietstaven per kwart el (l7 1/2 cm)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'In-t volle hondert' - In het openbaar
honderd zakke gòrt vur de nonne
  1. bastaardvloek klanknabootsing van de vloekklanken sakker, godver en nonde(ju)

    - Elie van Schilt - Honderd zakken gort vur de nonnen... (Uit: Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra ca. 2000)
    honderd zakke gòrt vur de nonne
  2. telwoord

    honderste ranghonderdste

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - honderste
  3. telwoord

    honderteraante, honderterandere

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - honderd verschillende
    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945 - Zoo kank wel honderterandere vurbilde aonhaole
  4. zelfstandig naamwoord

    hondsbèndje, honsbèndje hondebandje

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - uit het cluster nds wordt de d verzwegen: honsbèndje, honsgezèèk, hons....
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): meej en hóndsbèndje óm (RL'48) - met een boord om (in de Hasselt was een witte boord geen alledaags verschijnsel)
  5. zelfstandig naamwoord

    hondsgezèèk, honsgezèèk hondsgezeik, urine van of het urineren door een hond

    - WTT 2022 - voor de letterlijke betekenis zijn geen bewijsplaatsen vastgesteld; alle voorbeelden betreffen een figuurlijk gebruik, namelijk 'ieder wissewasje' en dergelijke.
    - Cees Robben; Prent van de Week - Vur alle honsgezeike mot ik er op uit (19671006)
    - Cees Robben; Prent van de Week - [zieke vrouw:] Vur alle hondsgezèèke moet ik de pot op... (19831216)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - ieder hóndsgezèèk stin diejen hond te zèèke - om de haverklap
    - WBD III.4.4:131 'hondsgezeik' = ogenblikje
    - WBD III.4.4:284 'hondsgezeik' = iets onbelangrijks
    - Stadsnieuws (rubriek): Ge moet mèn nie vur èlk hóndsgezèèk van men wèèrk afhaole (140908)
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - uit het cluster nds wordt de d verzwegen: honsbèndje, honsgezèèk, hons....
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): 'hondsgezeik' zelfstandig naamwoord - futiliteit, kleinigheid
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HON(D)S- GEZEIKEN zelfstandig naamwoord, onzijdig, meervoud: alle hon(d)s- gezeiken, alle oogenblikken, gedurig. Hij is alle hondsgezeiken ziek.
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) Honsgezèèke, in de uitdrukking 'alle honsgezèèke', alle gedurigte, zo dikwijls als een hond urineert, om de haverklap, met hinderlijke frequentie.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1958 - hónsä.k, zelfstandig naamwoord m. 'hondszeik': 't Is mär lierelöw (bv.koffie), t is kräk of et honszaek is.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1958 - zelfstandig naamwoord onzijdig, 'hondsgezeik' (in de veelgebruikte zegswijze: 'Däs alle honsgezaek te doewn' - Dat is ieder ogenblik te doen, om de haverklap.
  6. zelfstandig naamwoord

    Frangula alnus/ wegedoorn hondsknòbbenhout, honsknòbbenhout

    - WNT hondsknopperenhout (in N-Brabant): hondsboom
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): femielie van hóndsknòbbenhout zèèn (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - rood haar en zomersproeten hebben (Hondsknobben = vuilboom of sporkehout, Frangula alnus)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'honsknòbbe' zelfstandig naamwoord - vuilboom, sporkehout (Frangula alnus)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks , 1992 - 'hòndsknoppehout' zelfstandig naamwoord - vuilboom
    - Informant Toine Raaijmakers; bep. soort riet met zwarte bast en witte spikkels, dat werd gespleten en ineengevlochten, daarna met leem besmeerd (in de primitieve bouw)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'honsknòbbe' - vuilboom, sporkehout (Frangula alnus)
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - uit het cluster nds wordt de d verzwegen: honsbèndje, honsgezèèk, hons....
  7. zelfstandig naamwoord

    hondsmèrt, honsmèrt hondenmarkt

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - uit het cluster nds wordt de d verzwegen: honsbèndje, honsgezèèk, hons....
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): dan hèdde aaltij hóndsmèrt vur de deur (Kn'50) - als er jonge meisjes in het gezin zijn, is er veel aanloop van jongens
  8. zelfstandig naamwoord

    hondsneus, honsneus hondenneus

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - uit het cluster nds wordt de d verzwegen: honsbèndje, honsgezèèk, hons....
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): hóndsneuzen èn kattepôoten èn gebraajde/gebraoje (?) friekandèlle ('84) - antwoord op de vraag 'Wat eten we vandaag?'
  9. werkwoord

    hong hing oude verleden tijd van 'hange'

    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HING, HINK, HONG, HONK : 2e hoofdvorm van 'hangen'
  10. zelfstandig naamwoord

    honger honger

    - Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: Ge meut wèl óp en aander hónger krèège, as ge tèùs mar komt eete. (= Je mag best naar een vreemd meisje kijken, maar verder...)
    - Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: Et is nie èèrg as ge ónderweg honger krèègt, agge mar tèùs it.
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): hónger hèbben as en heimouwerik (Nieuwe Tilburgsche Courant '59) - erge honger hebben.
  11. naam

    hongeraagtig hongerachtig, honger hebbend

    - WBD III.2.3 - Honger hebbend. Waardering voor Tilburg: zeldzaam.
honsblaos
  1. zelfstandig naamwoord

    nagelbedontsteking; fijt; nagelriemontsteking

    - Audio-opname 1978 Dhr. Bertens .op dere vinger òf dere dèùm hasse zogezeej zon honsblaos derop staon nèt asse zinne.ik zal es en stukske ruggestrèngmèèrg meejbrèngeèn en uur nòdderaand wast oopegebrooke. (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels)
  2. zelfstandig naamwoord

    Afbeelding: Thomé honsrôos Rosa canina (egelantier) - wilde bottelroos

    - WBD III.4.3 :153 honsrôos - wilderoos, hondsroos, egelantier ook genoemd: stuikroos of wilde roos of wild roosje
  3. zelfstandig naamwoord

    hòntje haantje verkleinwoord van 'haon', met vocaalkrimping

    - WBD hòntje - mannelijk kuiken
    - WBD III.3.3:77 hòntje - haantje, torenhaan
  4. bijwoord

    hôog, hogger, hogst

    - WBD hôoge - langbenig (gezegd van een paard), ook genoemd 'klippel' (Hasselt) 'klèpper'
    - Cees Robben; Prent van de Week - Van hôôg toe lêêg (19651224)
    - WBD hôoge ketting (II:1010) - dicht, gezegd van een ketting
    - WBD hôoger hange (II:1010) - de weefkam hoger hangen
    - WBD III.1.4:167 'hoog' = deftig
  5. Afbeelding uit het 'Nuuw Tilburgs Leesplèngske' dat in 2020 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven in samenwerking met Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant en Erfgoed Tilburg. De illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn.

hoogaatie
  1. zelfstandig naamwoord

    samentrekking uit 'hoog gaat hij'. volksnaam voor een reuzenrad op de kermis.

    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jaaa ene mallemeule èn enen hoogaatie èn ene ootooskòtters èn zôo
    hoogaatiehoogaatie
  2. naam

    Uitspraak en spelling Geschiedenis

    - WTT, Ed Schilders (2019) - 'Hoogaatie' is nog steeds een algemene aanduiding voor 'reuzenrad' door Tilburgers. Waarschijnlijk verscheen deze kermisattractie in 1926 voor het eerst op de Tilburgse kermis, getuige een advertentie
  3. naam

    Nieuwe Tilburgsche Courant, 1 september 1926. Bron: Delpher. Daaruit blijkt dat de Goirlese kermis in 1898 een grote publiekstrekker was geworden door de aanwezigheid van onder andere '2 draaimolens' en 'een Hoog-gaat-ie, zoals men het hier noemt'. En daarmee is meteen de volkse komaf van het woord bewezen, want officieel was de naam van zo'n reuzenrad 'Deensche hoogvaart', een benaming die soms ook in de kranten gebruikt wordt maar die vooral voorkomt in de officiële gemeentelijk berichten over de aanbestedingen van de kermisattracties. Nieuwe Tilburgsche Courant". Tilburg, 30 augustus 1928. Over de herkomst van 'Deense hoogvaart' ben ik niet zeker, maar het lijkt aannemelijk dat de naam gekozen is in het voetspoor van een topattractie in het pretpark Tivoli in Kopenhagen, geopend in 1844. Hoewel dit oudste reuzenrad zich nauwelijks kan meten met de spanwijdte en hoogte van moderne reuzenraderen was het in zijn tijd een sensatie en publiekstrekker. Het 'reuzenrad' in Tivoli, Denemarken. Bron: Wikipedia. Op de foto is te zien hoe de 19de-eeuwse tractatie het midden hield tussen gondels met zitplaatsen en luchtballonnen, tussen zee- en luchtvaart. Aan die verbeelding moeten we ook denken als we over hoogaaties lezen in de eerste helft van de 20ste eeuw. Zie bijvoorbeeld deze vroege foto van een 'Deensche hoogvaart' uit het tijdschrift Het Leven (Bron: Delpher). Hoe een Tilburgse hoogaatie er in 1957 uitzag is te zien in deze prent van Cees Robben, gepubliceerd in weekblad Rooms Leven : Prentbriefkaart ter promotie van de 'Jaozeetie', een populair tentoonstellingsproject waarbij opmerkelijke gebeurtenissen (waar of niet waar?) uit de Tilburgse geschiedenis in kijkkasten worden uitgebeeld. In 2019 stond de expositie in het teken van de Tilburgse kermis. Afbeelding facebook.com/dejaozeetie, 2019. hôogbinder zelfstandig naamwoord

    - WBD koe met hoge poten, ook genoemd 'langbinder', 'lochte koej ' of ondiepe koe
hôoge
  1. zelfstandig naamwoord

    groot persoon, lange gestalte

    - Zegsman dhr. Hessels (1931-2006) - Bij het zien van een erg lange vrouw: dès nen hôoge; dòr moete inklimme!
  2. naam

    Kaart: Diederik Zijnen (1760) H ôogendries toponiem

    - Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941 & CuBra - Dan slèpen zoe karkasje nor den hoogen Dries...
    - Pierre van Beek - nòr den Hoogendries brènge - in ongewijde grond begraven (het kerkhof van de parochie Heuvel ligt op den Hogendries)
Hôogevènsestraot
  1. naam

    Hoogvensestraat

    - Audioregistratie 1978 - ik hèb et gedaon vur Drikka Kools meej zon grôote maand erop waor dan pèèpe in moese! Gienderwèèd nòr Bartje Braans gebròcht, Bartje Braans, de Hôogevènsestraot as ge die wit, meej de kreugel, dan waarde bèkaaf as ge trugkwaamt! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
    Hôogevènsestraot
  2. zelfstandig naamwoord

    hôogezije

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'hôogezèèje' - hogehoed, cilinderhoed
    - WBD III.1.3:172 'hoge zijden' = hogehoed; ook 'hondekot' of 'kachelpèèp'
    - WBD III.1.3:176 'hoge zijden' = hoge hoed; ook:'kachelbuis', 'hondenkooi'
    - WBD III.1.3:185 'hoge zijden' = hoge pet met opstaand bovenstuk
    - WBD III.2.2:99 'hoge zijden' = rouwhoed, hoge hoed
  3. zelfstandig naamwoord

    hooggaatie, hoog-gaat-ie kermisattractie: het reuzenrad (uit: hoog gaat hij) hôoghaaj zelfstandig naamwoord hoge heide

    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): nor de Hôoghaaj gaon en de schuup meeneemen om plagge te steeke (Si'72) - kaartterm
    - WTT 2022 - De aantekening van Sterenborg 'hoge heide' lijkt niet de juiste verklaring, gezien de uitdrukking bij Mandos. 'Hôoghaaj' lijkt hier veeleer een uitspraak van 'hoogheden', namelijk de 'hoge' kaarten in een spel. De uitspraak 'haaj' voor het meervoud' van '-heid' - dus '-heden' is in het Tilburgs dan wel niet gebruikelijk, maar het gezegde lijkt een woordspeling: hoge kaarten hebben, maar dan toch met de 'schuup' de rest van de benodigde slagen binnenhalen. Mogelijk is 'schuup' een woordspel met de kaartkoleur schoppen.
  4. naam

    hôoghòllaans

    - Jan Naaijkens, Dè's Biks , 1992 - 'Hòòghollands ' zelfstandig naamwoord - Algemeen Beschaafd
  5. zelfstandig naamwoord

    Tilburgsche Courant 8-9-1879 J.J. Veyrassat - Het laden van de hooikar hôogkèèr hoogkar

    - Lowie van Dorrus Misters - De vaste voerlui op deze verschillende plaatsen kon men al in de verte herkennen. Het was wel wat men vroeger noemde een "hoogkar" als tegenstelling tegen de "aardkar", de gewone boerenkar met smalle bodem en schuin opstaande zijwanden en gewoonlijk achter zonder schot. Maar de voermanskar was gewoonlijk wel iets groter van bouw, dus met grotere bodemoppervlakte voor het beladen, iets grotere wielen voor het makkelijker rijden en dan meestal de huifrepen er op met de huif opgedraaid, vanaf de staarteinden tot aan de burries er overheen getrokken, zodat bij regen onderweg deze er over kon worden uitgespreid, men behoefde ze maar uit elkaar te draaien en opnieuw aan de burries vast te maken, zodat de voerman zelf en de goederen die hij had geladen droog konden worden gehouden. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 21 Tilburg had een respectabele lijst; Nieuwe Tilburgsche Courant 4-2-1954)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hoge boerenkar op twee wielen voor vervoer van hooi en stro en ook in gebruik als huifkar
    - Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) - benaming voor een categorie uit de opstoet, vroeger 'grote wagens' genoemd (m.b.t. carnaval)
    - Ed Schilders; Wè zeetie?, Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Mar et schonste van Karneval vèèn ik den opstoet. Meej al die hôogkèère, èn die strêûpe.
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks , 1992 - 'hògkèèr' zelfstandig naamwoord - hoogkar
  6. bijwoord

    hôogop

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hoogstens, ten hoogste
  7. zelfstandig naamwoord

    hôogtij

    - Pierre van Beek - den hôogtij - de liste mis - de hoogmis
    - WBD III.4.4:191 'hoogwater' = vloed
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - GOOGTIJD zelfstandig naamwoord, onzijdig en niet mannelijk - grote kerkelijke feestdag
  8. werkwoord

    hoohaawe, hoowhaawe halt houden, stoppen met iets; van het commando van de koetsier aan het paard; hoo! = halt! hoohaawer zelfstandig naamwoord

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - rem
  9. zelfstandig naamwoord

    Schilderij van Desiré Thomassin - 'Hooiers' hôoj hooi

    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: hôoilaand; hôoi en strôoi (hooi, juister hoi)
    - Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: Ast hôoj nòr de waoge kómt, zèn de hôojvörke goejekôop.
    - Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: Hak hôoj gegeete, dan hak törf gescheete.
    - Pierre van Beek; "Hooi dorsen", is nutteloos werken. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)
    - WBD hôojbèèrg - veldschuur (vrijstaande open bergplaats), ook 'hôojmèèt'
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - geluk bij en ongeluk, zi den boer, mar et hôoj is op (ok 'schèlf' genoemd)
    - WBD hôojzòlder - zolder in stal of schuur, ook genoemd 'balke', 'schoor'
    - Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): et hôoj is nòg gruun (korte u)
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): as et hôoj nòr de waoge kómt, zèn de hôojvörke goejekôop ('70) - gezegd van meisjes die jongens nalopen
  10. werkwoord

    Schilderij van Julien Dupré - 'Hooien' hôoje hooien

    - Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959 - "Ge hoeft niet te gaan hooien", ge behoeft zo'n haast niet te maken (met weg gaan).
  11. zelfstandig naamwoord

    hôojmèèt hooimijt

    - WBD veldschuur (vrijstaande, van alle zijden open bergplaats, met op en neer beweegbaar dak, bestemd voor overwegend hooi), ook 'schèlf' of 'hôojbèèrg' genoemd
  12. zelfstandig naamwoord

    hôop, hupke hoop, stapel

    - Informant Toine Raaijmakers; Den duuvel schèt aaltij óp êenen hôop (m.b.t. mensen met veel geluk)
    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930) - 'onder 'nen hoop erd'
    - Lodewijk van den Bredevoort, pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007) - Et wier un reünie van alle nichten en nèève, de grôotste hôop waar der.
    - WBD III.4.4:255 'hoop' = menigte, troep;
    - WBD III.4.4:259 'hoop' = boel
    - WBD III.4.4:260 'hoop' = grote hoeveelheid;
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOOP zelfstandig naamwoord mannelijk:-tas, stapel, menigte. Met den hoop - bij hoopen, overvloedig
    - Jan Naaijkens;l Dè's Biks, 1992 - 'hòòp' zelfstandig naamwoord - hoop; honderd òp 'nen hòòp
  13. zelfstandig naamwoord

    hoore hoorn

    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): veul óp zen hoores hèbbe ('56) - veel praats hebben
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'Dòr wòr de hôorene dòl van' - daar word je stapelgek van.
  14. mannelijke duif

    - Interview Jolen - 1978 - Ene dofferenen hoore, enen hoore zègge wijja (transcriptie Hans Hessels, 2013)
  15. zelfstandig naamwoord

    hoorentje, hoorntje hoorentje ofwel gehoorentje speule - verstoppertje spelen (de zoeker gaat op het gehoor af)

    - Daa men Handschrift 1916: "horentje - kinderspel, een soort van verstoppertje"
    - Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941 & CuBra - doolhoven en idiale schuilplaotsen om hoorntje te doen. - Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941 & CuBra - Irst dimme in bietje hoorntje.
    - Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Èn hoorentje din wij vruuger hè, hoorentje doen. Dè was verstoppertje speule. Wij zin aaltij hoorentje doen, hi!?
    - WBD III.3.2:47) hoorntje, hoorntje doen = verstoppertje spelen; ook genoemd: piepele, piepelenbèèrege of piepelenbèèrg, gehoorentje
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): hoorntje, zelfstandig naamwoord - verstoppertje
  16. naam

    hoovèrreg hovaardig

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'hoovèèreg, hoovèèrdeg' - hovaardig
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOOVÈÈRIG - hovaardig
  17. hoow uitroep, commando

    - WBD (Hasselt) langzamer: (commando voor een paard)
  18. werkwoord

    hoowhaawe hopkont zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - iemand die blijft hopen
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'Hop mar toe, hopkont' = Blijf maar hopen, onnozele gans.
  19. zelfstandig naamwoord

    hòr hekel, tegenzin, afkeer

    - Pierre van Beek; Ze kreeg 't hor aan. - Ze begon kwaad te worden. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)
    - Cees Robben; Prent van de Week - Men vrouw die krèègt t hor dan aon/ Bij t minste gaot-er-op (19650507)
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): et hòr ònkrèège ('69) - kwaad worden
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'Ge zo-t-ur ut hòr van krèège' - Je zou er een hekel aan krijgen.
hòrget
  1. zelfstandig naamwoord

    haargetuig, gereedschappen om te haren, scherp te maken

    - Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant, Typisch Tilburgs afl. XI, 10 januari 1958 - Een maaier heeft een zeis en als wetgereedschap een hamer, een vijl, een aambeeldje en een wetsteen. Dit wetgereedschap bij elkaar noemt men "het horgetuig".
  2. zelfstandig naamwoord

    hòrke haartje

    - Kees & Bart; krantenrubriek ca. 1930 - gin hòrke beter
  3. werkwoord

    hörke

    - Informant Piet Mutsaers; (af)luisteren
    - WBD III.3.1:264 'horken' = afluisteren
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - HORKEN (hörke) onov. werkwoord - luisteren, speciaal naar gesprekken waarmee men niets te maken heeft; akoestische tegenhanger van 'blieken'. Ook vooral in de samenstelling 'öthörke' - door onbescheiden vragen iets te weten willen komen.
  4. zelfstandig naamwoord

    hòrpèèl haarpijl, haartje

    - Stadsnieuws (rubriek): Et schouw mar enen hòrpèèl of de penantie ha gezeete (271206)
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HAARPIJL zelfstandig naamwoordo. - haartje, Fr. brin de cheveu.
  5. tussenwerpsel

    hörre 'hoor je?' of als uitroep: 'hoor je!'

    - Audioregistratie 1978 - Dè waare buiteweevers, die hadde en groot huis èn daor stond en hil ouw ketaaw in jè, die, die, die naome dè weet ik ammel zozeer niemer hörre! (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)
  6. zelfstandig naamwoord

    hòrrelevoet

    - WBD III.1.2:384 'horrelevoet', 385 'horrelepoot ' = horrelvoet
  7. naam

    hòrsdrêûg

    - Cees Robben; Prent van de Week - de ekkers in de Vloed/ Liggen horsdrög in den gloed... (19570704)
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - HORS in de combinatie 'horsdreu:g zeer droog, breekbaar van droogte'.
  8. zelfstandig naamwoord

    hòrspèl haarspeld

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - haarspeld
    - Stadsnieuws (rubriek) - En knötje wier meej grôote hòrspèlle op zen plòts gehaawe - een haardot werd met grote haarspelden op zijn plaats gehouden. (280609)
  9. zelfstandig naamwoord

    hòrst

    - WBD hoogte in het (akker- of wei-)land (Hasseltse term); ook 'bult'
  10. zelfstandig naamwoord

    hòrt hort, horde

    - WNT een uit met rijs omvlochten staken bestaand, plat vlechtwerk dat hetzij los en verplaatsbaar is, hetzij, gelijk bijvoorbeeld bij militaire versterkingen, ter plaatse om in den grond gestoken palen wordt gebreid. 2) Raamwerk dat over het land gesleept wordt om kluiten te breken of om modder en mest te slechten. 3) Ruit- of traliewerk tot het ziften van kleine aardappels, grind, sintels e.d.
    - WBD III.4:131 'hortje' = poosje
  11. zelfstandig naamwoord

    Uitdrukking

    - den hòrt op gaon - de straat op gaan, er vandoor gaan/zijn, m.n. met een ander dan de eigen partner
    - WBD III.3.1:43 'de hòrt opgaan', op stap gaan, uitgaan, aan de zwier gaan, 'op sjanturnel gaan', zwalken, dweilen = uitgaan
    - WNT HORT III - hurt - in de uitdrukking 'op de(n) hort' en 'de(n) hort op', weg, 'vort', aan de haal, of: er van door.
hört
  1. gebiedende wijs van 'hêûre' hoort! waarschijnlijk een verkorting van 'hoor het!'

    - Cees Robben; Prent van de Week - Hört dè bist toch is te keer gaon... (19590905) - Cees Robben; Prent van de Week - Hört.. dn moor zingt al... (19870213)
  2. werkwoord

    hòrtene de etymologie is niet verklaard

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - klonteren
  3. zelfstandig naamwoord

    hòrtje poosje

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - vur en hòrtje, nie te lang
    - WNT HORT I,6,b: Poosje; Wat ben je 'en hort weg geweest! Opprel: Blijft nog en hortje, Ald. Eveneens bijvoorbeeld op Goeree (hortje) en te Deventer (hörtjen).
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - hortje - poosje (diverse dialecten)
  4. zelfstandig naamwoord

    hòrzak, hòrzakke I n veel bronnen is de verklaring: 'valsspeler, valsspelen' In het Tilburgs lijkt de betekenis 'treiteraar' algemeen. Etymologie Over de etymologie lopen de meningen uiteen

    - A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - haarzak, aassak - wie ruzie zoekt, vitterig iemand. Eerste deel is waarschijnlijk Hoogduits hader 'twist'.
    - Informant Kristof Van Der Meiren; 2020 Een hòrzak wordt hier - Sint-Lenaarts (Brecht/België) neurrèk genoemd: Hij is ne neurrèk betekent dat iemand niet wil luisteren en altijd tegendraads doet, vervelend doet met de bedoeling iemand anders woedend te maken totdat deze persoon begint te springen van woede. De schamele ondergrond (vloer) van vroegere woningen begaf het dan soms, waardoor iemand een verdieping lager zakte. Bij boeren werd de mest van de dieren vaak opgestapeld en als de kinderen dan niet wilden meehelpen, werd de boer(in) stampend kwaad zodat hij/zij door de stront zakte. Een onstabiele, vuile, rotte ondergrond werd goor genoemd. Daar men eeuwen geleden de letter G vaak verwisselde met de letter H (of zelfs niet uitsprak) kwam men al snel tot: oorzakken. Dus: door het goor zakken, door het hoor zakken. Ik zal hem/haar eens in het goor (hoor/hor) laten zakken betekent: iemand moedwillig boos maken door niet te luisteren en tegendraads te zijn. Horzakken.
  5. zelfstandig naamwoord

    Betekenissen

    - Pierre van Beek; - Schaaj tòch is èùt meej dè gehòrzak (Tilburgse Taalplastiek 176)
    - Stadsnieuws; anonieme dialectrubriek, 2010-04-28 - Schaaj toch es èùt meej dè gehòrzak - .. met dat vervelende gedoe.
    - Facebook; - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord, maart 2013 - 'Je bent een echte Tilburger als...'
    - WBD III.3.2:32 - hòrzak, judas, valsspeler
    - WBD III.3.1:235 - 'haarzakken', 'kampen, krabben, meppen, schoppen, slaan, krakelen, bakkeleien' = ruziën
    - WBD III.3.2:33 - hòrzakkerij = vals spel
Horzak
  1. zelfstandig naamwoord

    höshaawe huishouden

    - Cees Robben; Prent van de Week - In elk pront Tilbörgs höshaawe daor hebbe ze unne frater, n non, n piano en n dochter die Miet hiet... (19690627)
    - Interview Hermans - 1978 - Want agge dan mèskes hèt, war, die en jaor òf neege zèn èn ge hèt en grôot höshaawe, war, dan moese ze veul meejwèrke. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
    HorzakHorzak
  2. zelfstandig naamwoord

    hòske haasje

    - Karel de Beer; Tilburgse bijnamen, 2000 - et hòske = voetballer Hazendonk
  3. zelfstandig naamwoord

    Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel. höske huisje, in het bijzonder een optrek buiten de woning om de behoefte te doen Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg 1. huisje, daar waar men zijn behoefte deed; plee

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "höske - op 't höske zitten (op de WC)"
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 12 06 - Maar vannaacht begos de trubbel / Ik vlòòg 't huiske op en aaf / Ik moes van èrmoei naor d'n dokter / Die me 'n remeedie gaaf.
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'a's Mieke lang op 't hùske zit'.
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - As ge meteen nao oew eten naor t huîske gaot, noemen wij dè laojen en lossen (16-01-1975)
    - Pierre van Beek; Wat "'t huske" of "de beste kamer" is, weet ge. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)
    - Cees Robben; Prent van de Week - [na het kerstdiner:] Gao irst dn hof is in../ Naor t höske... (19611221)
    - Cees Robben; Prent van de Week - t Höske.. of wel t sekreet (19601104)
    - Cees Robben; Prent van de Week - Ik licht naa t höske... en rij meej de ton... (19570309) [Als de beerput onder het huisje vol was, werd die gelicht ofwel leeggeschept; de mest werd overgeheveld in een andere ton.]
    - Cees Robben; Prent van de Week - En vur t höske maoket niks uit of ge reerug of peestamp het gegeete.. (19870417)
    - Et höske zin ze vruuger, war. Nou èn dè was aachter was en grôot gat òf veur. Irst de plangk eraaf! Dè was en grôot gat [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]
    - ...en hier op ut höske hoef ik allêên mar nor mun êêge gezêêk te löstere... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)
    - Piet van Beers; t Höske: Vruuger....bij ons thèùs/ hadde we ok 'n höske./ Dè wier ènnigte keere per jaor/ dur unnen boer leeggehòld./ Den boer kreeg dan aaltij/ geld van onze Vadder./ Wij kreege dan "staank vur daank" (Brabants Bont - 1; z.j., ca. 2005)
    - Stadsnieuws (rubriek): wòcht èfkes, vur we gòn moet ik nog op et höske - ... naar het toilet. (160510)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - de plaanke vant höske schèète.
    - Lauran Toorians; Ik zèè ne sul; CuBra, 200? -
  4. As de tillevisie zôomar stopt of t höske stevig durlòpt, liefst op zondag in de naacht, dan zuke-ziemand die kan kome en ast kan vur niks, die dè vlug en netjes oplost.

    - Piet van Beers; www.CuBra -
  5. De Poepdôos Vruuger ha´n de èèrme meense gin van allen ´n W.C. Martoen zaate ze te kakke op ´t Höske of de Plee. Mistal was´t ´n houte kietje meej ´n plaanke hartjesdeur Op ´t dak daor laage panne èn er hing unne stèèrke geur. Op de plòts waor ge gingt zitte was er middenin ´n gat. Wègge daor dan poept of pieste viel onmiddelek in ´n vat. Aon de muur zaat unne spèèker èn ennen hêele rits papier van de kraant gescheurd in vèllekes die ge dan kost leeze hier. As zo´n vat of ton dan vol was wier dè dur ennen boer geligt. ´k Zèè daor wèl es nòr gan kèèke Marik nêep m´n neus wèl dicht. Zeuventig jaor ist al geleeje mar toch dènk ik er nog ôot aon as´k de boere stront zie rije die derre stal hèbbe gedaon.

    - WBD III.2.1:112) 'huiske' ,c.q. 'gemak' = wc: ook 'plee' genoemd; verkleinwoord van 'hèùs', met vocaalkrimping
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks , 1992 - 't höske - bistekaomer, plee, nummer 100
  6. 2. huisje, verkleinwoord van huis

    - Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: Dè zèn daor zón lêege höskes dègge wèl plat mót praote; aanders kunde nie binne.
    - Brabantse spreekwoorden (Mandos): hèdde is en höske nòr oewe zin, dan kröpt er gaaw en aander in (Handschrift Daamen 1916:) - Als je het naar je zin begint te krijgen, ga je dood.
  7. Onbekende tekenaar-dichter; circa 1970

Houthem
  1. toponiem, gebruikt om gierigheid aan te duiden

    - "Oo-zoo! Hier krijgde niks, dè spel ik oe op oew vesje, dè's De Smet, 'nen rijken stinkert mar 'van Houthem'!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; 'Oome Teun op collecte'; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939)
    HouthemHouthem
  2. zelfstandig naamwoord

    Ill.: Naumann - lullula arborea - houtleuwerik houtleuwerik

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - boomleeuwerik (hawtleuwerik) (Lullula arborea)
houtraoper
  1. zelfstandig naamwoord

    houtraper, iemand die hout steelt

    - A.J.A.C. van Delft - "Vruuger zaten ze naacht en daag in de bosschen van onzen grutvadder." Dit is: Vroeger gingen ze dag op dag sprokkelen in de gemeentebosschen. Het sprokkelen en door de bosschen zwerven is voor sommige Tilburgers van behoeftigen komaf een soort levensbehoefte geweest. Vandaar mogelijk de geijkte Tilburgsche uitdrukking, die kort als parlementaire taal in de raadzaal gebezigd werd: "Hij liegt als een houtraper." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)
    - Pierre van Beek - "Hij liegt as 'nen houtraper" zegt men van iemand, die er "ongegeneerd" op los liegt. Dus "liegt dat-ie zwart zie", zoals Lowie van Dorrus Misters zei. Waarom het nu juist de houtrapers waren, die om hun liegen berucht schenen, is ons niet duidelijk. Wél weten we, dat het houtrapen of houtsprokkelen door de arme bevolking in Tilburg vroeger méér beoefend werd dan thans. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)
    houtraoper
  2. zelfstandig naamwoord

    hugt hoogte, heuveltje

    - Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941 & CuBra) - Hij [de boom] stao boven op n hugt, durom komt ie nog beter uit.
    - WBD III.4.4:138 - 'hoogte' = heuvel
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'hucht' zelfstandig naamwoord - hoogte
huije
zelfstandig naamwoord

huiden

- Audio-opname 1978 Dhr. Bertens dan hadde nòg teegenoover de pròttestante kèrk in de Zoomerstraot.. daor wonde zogezeej ok en stèl Jodjes èn die stèl Jodjes dinne niks as in huije èn in bêene èn ze kòchte zak zègge de gèète die verkòchte ze wir èn zôo. (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels
huiske
  1. werkwoord

    hukke hurken

    - Piet van Beers; De stinpöst - Ik kan nie zitte, ik kan nie ligge/ ik kan nie "hukke", ik kan nie gaon. (Spoeje doemmeniemer; 2009)
  2. werkwoord

    hukkele (gezellig) dicht bij elkaar gaan zitten; wiebelen

    - Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, De paoter en de kinkenduut, 1941 - ...al hukkelend op z'n hakke.
    - WBD III.1.2:383 'hukkelen' = manken [van hinken ?]
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - op je hakken lopen
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Moeder, hedde niet unne feftiger waant de taofel stao hil de tèd te hukkele en mn kumke stao ôk al te wiemele (rijksdaalder onder tafelpoot leggen) (mededeling aan Cees Robben, 13-07-1966)
    - Cees Robben; Prent van de Week - De taofel stao hil de tèèd te hukkele... (26-08-1966)
  3. zelfstandig naamwoord

    hukkes hurken

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - 'op oe hukkes'
    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930) - óp men hukkes
    - Cursus in Tilburgs een krantenrubriek circa 1940 - (92) 'Vruit ammel op oe hukkes'
    - Cees Robben; Prent van de Week - Hij zaat op zn hukkes (19551119)
    - Cees Robben; Prent van de Week - Ik ben niemer zôô kneukelvaast Willem... n glas bier gao nog, mar krom staon en op mn hukkes zitten desser niemer bij... (19670825)
    - Cees Robben; Prent van de Week - Ons menneke (...) zit op zn hukkes vur de knollie-kooi... (19791109)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 09 14 - Vrèdags zit ik op m'n hukkes / Al vruug te wochte op de kraant
    - WBD III.1.2:167 'op zijn hukkes gaan zitten' = hurken
    - WBD III.1.2:168 'op zijn hukken zitten'; 169 'op zijn hukkes zitten'
    - WNT Huiken, zw.ww., onz.; verwant met 'hukken'. 1) Eig. Bene in een gedokene houding aannemen door de knieen te buigen; hukken, hurken
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - HUKKES mv. hurken: op z'n hukkes zitten.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hókkes zelfstandig naamwoord mv. hukken, hurken
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HUKKEN zelfstandig naamwoordv.mrv. - hurken. Op zijn hukken zitten.
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): hukkes zelfstandig naamwoord, mv - hurken
  4. tussenwerpsel

    hukkum hul zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - door-de-weekse boerinnenmuts
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hul oover trul - hals over kop
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hol, zelfstandig naamwoord vr., hul, daagse muts van een boerin, ook 'hulmuts' geheten.
  5. zelfstandig naamwoord

    hulleketeut

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - fantasievogel als boeman voor de kinderen
  6. naam

    hullie, hullieje hun, hen Bezittelijk voornaamwoord

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hullie bruur, hulliejen oopaa, hullie/hullieje paa - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'deh hùllieën vadder men nie' ziet'
    - Flaneur (pseudoniem van Antoon Arts) - Ja, die jongens van Flaneur waren rakkers, maar wat ze zeker nooit aan hullië pa" hebben durven vertellen is, dat ze gingen vuurke stooke" (Uit: Zonder opschrift; Nieuwe Tilburgsche Courant zaterdag 16 april 1904)
    - Daor hedde bevoorbeeld hulliejen oome Fons. Vruuger kwaamp ie langs de deur mee innen kreugel, kneukels, krabbe..., 't jukt nie! Uit: Mos... mos... mosselen Schets uit het Tilburgsche leven door KRATS, Nieuwe Tilburgsche Courant 28 mei 1926.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 09 16 - Hullie moeder die mopperde / Hullieje paa was kaod.
    - Hullië pa waar in ieder geval wel veul van hèùs. (Jos Naaijkens; Vruuger bij ons in de Mister Stormstraot; CuBra, ca 2005)
  7. Persoonlijk voornaamwoord

    - Cees Robben; Prent van de Week - Vlee jaor hebbe wij hullie n kaortje gestuurd mar zullie ons nie... (19801031)
    - Hullie waren ok nie op school. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
    - Hullie, [de ouders] of liever zij, [de moeder] maokte den dienst èùt. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
Hullie gullie
  1. zelfstandig naamwoord

    1 - kermisattractie, vernoemd naar een populaire dans, de 'hully gully'. Foto: Wikicommons. Hully Gully in pretpark De Waarbeek te Hengelo (Ov).

    - Wikipedia (2018) - De Hully Gully [...] is een ouderwets attractietype dat vroeger veelvuldig voorkwam op kermissen. De Hully Gully kan min of meer beschouwd worden als opvolger van de rupsbaan. Net zoals in de rupsbaan draaien gondels rond in een carrousel. Het verschil hier is echter, dat de gehele carrousel als de attractie eenmaal draait aan één zijde hydraulisch omhoog wordt getild. De carrousel met haar gondels komt zo schuin te staan. Bezoekers van de attractie draaien op deze manier niet alleen rond, maar maken ook hoogteverschillen doordat de middelbouw met de hydraulische cilinder ook ronddraait. [...] Toen de Hully Gully rond 1970 verscheen, was hij erg populair op kermissen. Dit kwam vooral omdat hij net weer wat heftiger was dan de al bestaande Rupsbaan en Muziek-express. Sommige Hully-Gully's rijden naast vooruit ook achteruit. [...] De naam is net zoals bij veel andere attractietypes ontleend aan een dans, in dit geval de gelijknamige Hully Gully-dans. De Hully Gully staat heden ten dage niet vaak meer op kermissen.[...] Enkele pretparken hebben nog wel een Hully Gully in hun park staan, waaronder Octopus in Walibi Belgium en Hully Gully in De Waarbeek te Hengelo (Ov). Op de Nederlandse kermissen reist er anno 2013/2014 nog maar één rond.
  2. zelfstandig naamwoord

    2 - Tilburgse sterke drank, vernoemd naar (1) de kermisattractie hulte waarschijnlijk dialectisch meervoud van 'hòlte'

    - Cees Robben; Prent van de Week - Niks dan hulten en bult (19590822)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - holte, gat, kuil
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'Hulte èn bulte' - Gaten en bobbels (in wegen)
  3. naam

    hum, em ['m] hem, zijn, hem zijn, van hem

    - Cees Robben; Prent van de Week - hum vèèn ik mar unne aorige... (19860328)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hurt hum - hoor hem eens
    - Stadsnieuws (rubriek): Diejen hond is van hum; ik hèb em dermeej zien lôope (200606)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 06 19 - Hum nie gezien...
  4. Bezittelijk voornaamwoord zijn (met meer nadruk dan 'z'n')

    - Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg; Kosset den brèùne eigeluk wel trekken?, Dl. 2, 2007 - Hum mèske zo op donderdag op visite koome.
    - Dialectenquête 1887 Willems; humme voogel - hum vogel ; hum kènd - hum kind
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 02 15 - Ok hum febriek is naauw gesloten
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 04 08 - Wir verdween n bekend gezicht / Uit de Tilburgse straoten / En hij zal daor op hum menier / n Leegte aachter laoten. [Bij het overlijden van Fraanske t mosterdmenneke.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 06 28 - De Thijs, die ik daor over spraak / Hij is òk zonne zwaore / Die wou me dè op hum menier / Is duidelijk verklaoren.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'Toen gonge ze nòr hum töös' - Toen gingen ze naar hem thuis.
    - Hum kedoo waar der nog nie bij, hum plekske waar nog leeg. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
  5. zelfstandig naamwoord

    hummeke

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hommetje van de vis
  6. zelfstandig naamwoord

    Schilderij van Giacomo Ceruti hundje hondje

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - (blz.50) hundje verkleinwoord van 'hónd', met umlaut
    - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): et hundje naam ne rómpscheut
    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: 'n hundje en 'n ketje
    - Cees Robben; Prent van de Week - Öllieje Sjennie is n nèèch hundje... Dè-wel.. Hij is vernoemt flèènich.. (19600122)
    - Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009 - Bèttie akkum aaj? Hèdden hundje? Dan zuldem wèl snappe. Vur wie gin Tilburgs hundje heej, zèg ik -Informant Toine Raaijmakers; mar bij hoe dè dè in t Neederlaans gezeejd wòrt: Bijt hij als ik hem aai? Meese, dè klingt tòch van gin kaante?! Wèk wil zègge is dees: as t bòske Tilburgs pròt, dan verstao zunnen hond ok allêenig mar Tilburgs. Ècht waor. Dè löstert hêel naaw meej hundjes.
    - WBD III.2.1:475) 'hondje' of 'does' = hond
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): hundje zelfstandig naamwoord - hondje
  7. werkwoord

    hunkere

    - WBD hinneken (van een paard), ook genoemd 'hinneke', 'briense' of 'kwèkke'
hunnepetrie
  1. zelfstandig naamwoord

    gerecht voor fijnproevers van de vroegste delen bij de varkensslacht

    - Jef Paijmans; Herinneringen(CuBra) - Ome Herman en tante Bertha mestten elk jaar een varken en wij namen dan als het geslacht werd, een helft over. In het late najaar maakte moeder dan zult en balkenbrij, smolt het vet tot kaaikes en vader kreeg hunnepetrie. Dat waren de hersenen van het pas geslachte varken. Het werd gebraden in een ijzeren pannetje
    hunnepetrie
  2. zelfstandig naamwoord

    hupke hoopje

    - WBD (Hasselt) - mishupke - mesthoopje
    - Kees & Bart; krantenrubriek ca. 1930 - en hupke
    - Pierre van Beek: Hupke kóm bij - Hoe meer zielen hoe meer vreugd. (Tilburgse Taalplastiek 169)
  3. werkwoord

    .- WTT 2020 - zegsman H. van Boxtel - 'Meej 'n hupke kaorte'. Term uit het kaartspel waarbij met vier personen gespeeld moet worden (bijvoorbeeld het kaartspel Rikken) terwijl er slechts drie kaarters zijn. In dat geval krijgt de niet aanwezige kaarter de naam 'blinde'. Deze blinde krijgt dan 'een hupke', net als de drie andere spelers: 13 kaarten. Als de 'blinde' aan slag is, wordt de bovenste kaart van zijn 'hupke' op tafel gelegd. huppe

    - WBD III.1.2 :164 - 'huppen' = hinken; ook: 'hippen, hopperen, hinkelen'
  4. naam

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. hupsvol overvol, meer dan vol, vol met een hoop erbovenop

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hij heej tweej hupsvolle bòrde nòr binne gespaojd
  5. tussenwerpsel

    hur hoor

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - khèb hum deur, hur! - ik heb hem door, hoor
  6. tussenwerpsel

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. hurre hoor!

    - Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit 't klokhuis van Brabant 5, 7 en 14-11-1929 - 't Is zund hurre, want daor hedde wè gemist.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - dès ginnen onbeschaaje meens, hurre.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - ge slot nie meej dè zwiemke, hurre.
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks , 1992 - hurre tussenwerpsel - hoor je, versta je
  7. werkwoord

    hurt hoort

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'Hurt em flèùte óm óns hèùs'
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hurt hum - hoor hem eens
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - doublet 2/3 p.sing.'hurt/ hêûrt' (hoort) tegenwoordige tijd 2e + 3e persoon enkelvoud van 'heure', met vocaalkrimping
  8. husse dooddoener, fantasiewoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - husse meej sinjoore - dat moet je maar afwachten (als antwoord op de vraag: wat eten we vandaag?)
    - Zegsman Ed Schilders - husse meej oe neuzertusse (Tilburg, jaren '60)
    - Zegsman dhr. Hessels (1931-2006), 2020 - Je afvragend waar pa en ma die dag of avond naar toe moeten: - nòr et ötgepakt kèèke! of: -nòr husse meej oew neus er tusse! of: -nòr hòdde, kierze plukke!
  9. werkwoord

    David Teniers II - The hustle-cap (17de eeuw). Boeren spelen een dobbelspel. De dobbelsteen wordt in de hoed gehusseld (gehutseld). hussele

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - schudden (van bijvoorbeeld kaarten)
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
    - WBD III.1.2:6 'hutselen'= hotsen; ook: hossen, hobbelen, kwakken, stolpen
    - WBD III.4.4:310 'verhusseld' = in de war
    - WBD IIl.4.4:314 'husselen' = vermengen
    - WNT HUTSELEN - schudden, dooreenroeren
    - WNT onder HUTSEN: Hoe de steenen (dobbelsteenen) gehutst en geworpen moeten werden...
hurt
  1. gebiedende wijs van 'hêûre' hoort! waarschijnlijk een verkorting van 'hoor het!'

    - Cees Robben; Prent van de Week - Hört dè bist toch is te keer gaon... (19590905) - Cees Robben; Prent van de Week - Hört.. dn moor zingt al... (19870213)
  2. werkwoord

    hòrtene de etymologie is niet verklaard

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - klonteren
  3. zelfstandig naamwoord

    hòrtje poosje

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - vur en hòrtje, nie te lang
    - WNT HORT I,6,b: Poosje; Wat ben je 'en hort weg geweest! Opprel: Blijft nog en hortje, Ald. Eveneens bijvoorbeeld op Goeree (hortje) en te Deventer (hörtjen).
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - hortje - poosje (diverse dialecten)
  4. zelfstandig naamwoord

    hòrzak, hòrzakke I n veel bronnen is de verklaring: 'valsspeler, valsspelen' In het Tilburgs lijkt de betekenis 'treiteraar' algemeen. Etymologie Over de etymologie lopen de meningen uiteen

    - A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - haarzak, aassak - wie ruzie zoekt, vitterig iemand. Eerste deel is waarschijnlijk Hoogduits hader 'twist'.
    - Informant Kristof Van Der Meiren; 2020 Een hòrzak wordt hier - Sint-Lenaarts (Brecht/België) neurrèk genoemd: Hij is ne neurrèk betekent dat iemand niet wil luisteren en altijd tegendraads doet, vervelend doet met de bedoeling iemand anders woedend te maken totdat deze persoon begint te springen van woede. De schamele ondergrond (vloer) van vroegere woningen begaf het dan soms, waardoor iemand een verdieping lager zakte. Bij boeren werd de mest van de dieren vaak opgestapeld en als de kinderen dan niet wilden meehelpen, werd de boer(in) stampend kwaad zodat hij/zij door de stront zakte. Een onstabiele, vuile, rotte ondergrond werd goor genoemd. Daar men eeuwen geleden de letter G vaak verwisselde met de letter H (of zelfs niet uitsprak) kwam men al snel tot: oorzakken. Dus: door het goor zakken, door het hoor zakken. Ik zal hem/haar eens in het goor (hoor/hor) laten zakken betekent: iemand moedwillig boos maken door niet te luisteren en tegendraads te zijn. Horzakken.
  5. zelfstandig naamwoord

    Betekenissen

    - Pierre van Beek; - Schaaj tòch is èùt meej dè gehòrzak (Tilburgse Taalplastiek 176)
    - Stadsnieuws; anonieme dialectrubriek, 2010-04-28 - Schaaj toch es èùt meej dè gehòrzak - .. met dat vervelende gedoe.
    - Facebook; - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord, maart 2013 - 'Je bent een echte Tilburger als...'
    - WBD III.3.2:32 - hòrzak, judas, valsspeler
    - WBD III.3.1:235 - 'haarzakken', 'kampen, krabben, meppen, schoppen, slaan, krakelen, bakkeleien' = ruziën
    - WBD III.3.2:33 - hòrzakkerij = vals spel
hutje gôoje
  1. spel: met centen gooien

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - 'huutje gôoje' = mitje steeke
    hutje gôoje
  2. zelfstandig naamwoord

    huts huts

    - WNT Wsch. de stam van 'hutsen' als zelfstandig naamwoord gebruikt; vooral in Z-Nederl. in de uitdrukking 'Met den huts' - in overvloed, bij de vleet, voor 't opscheppen, en ook: geheel, niet bij deelen.
    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "huts - hij hee ze mar mit den huts (met den hoop, volop)"
  3. zelfstandig naamwoord

    huubèrtsbrôojke ook: hèùvertsbrôojkes, huupkes, hèùpkes, hèùverbolle, hèùvert, höpkes, huibertbollen, huibkesbrood, huiverbrood hubertusbroodjes werden (en worden soms nog steeds in sommige plaatsen) door een priester gezegend op 3 november, de feestdag van Sint Hubertus; het eten van de broodjes werd beschouwd als een voorzorg tegen hondsdolheid. Onlangs vierden wij de feestdag van St. Hubertus. Dan wordt in alle kerken het Hubertusbrood gewijd. Dit brood is tegenwoordig ongedroogde beschuit. De bakkers nemen van tevoren bij hun klanten de bestellingen op. De broodjes worden dan direct na de wijding thuisbezorgd en direct genuttigd. Vroeger was dit een beetje anders. Bij de wijding waren niet alleen de bakkers met beschuitbollen, maar ook huismoeders of grotere kinderen en niet te vergeten leden van de boerengezinnen met een heel of half wittebrood of ook wel roggebrood aanwezig. Na de wijding werd hiervan wel iets gegeten, maar het overige ging in de kast om bewaard te worden. Ging men op reis, zoals wij boven, dan werd hiervan een gedeelte meegenomen om het zo nodig onderweg te kunnen eten. Wij hebben het echter nooit meegemaakt, dat er gebruik van moest worden gemaakt; die tijd dat het wel moest, lag echter toch niet zo ver achter ons. Wij hebben er oudere mensen, die het ondervonden hadden, meermalen over horen spreken. De boeren hadden steeds gewijd brood in huis om in tijd van nood hiervan ook aan het vee te kunnen geven. Op de door ons veelvuldig bezochte dorpen hoorden wij ook wel eens spreken over St. Hubertussleutels, die in sommige families van geslacht op geslacht overgingen. Hiermede werd het vee voor de kop gebrandmerkt, wanneer dolle of razende honden in de omtrek waren.

    - Elie van Schilt - Daor wier toen wet afgebid. Tot dun heilige Jozuf vur unnen zaolige dööd, dun heilige Antonius om iets trug te vèènen, dun heilige Hubertus om nie hondsdol te worren, daor aten we ok èène keer per jaor ' Hubertusbrooikus ' veur. Ur wier ok gebeeëen om kiendjes te kréégen, mar ok om ur nie meer te kréégen. (CuBra)
    - Jan Naaijkens; Jan Naaijkens, Dè's Biks, 1992 - Huubkesbrööikes zelfstandig naamwoord Hubertusbroodjes. Kleine, vierkante broodjes die werden gebakken en gewijd op de feestdag van Sint Hubertus (3 nov.), de patroon van de jagers. Hij werd aangeroepen tegen de hondsdolheid. Wie zo'n gewijd brooike gegeten had, aldus het volksgeloof, liep weinig of geen risico deze ziekte op te lopen... - WBD III.3.3:253) 'hubertusbroodjes', 'hubertusbrood', 'huibertbollen'.
  4. zelfstandig naamwoord

    Ill.: Tijs Dorenbosch huudje hoedje

    - ...zoo zat as n huudje... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939)
    - De groote muts blijft in de kaast: die is te zwaor, daor krège ze vort koppent van - zeggen ze - en darrum zette ze liever 'n huudje op. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)
    - [Vrouwe] besteeje d'r advies veul liever aon 't koope van schoon kleekes en leuke huudjes. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)
    - Alléén et huudje, dè waar toen al gin mode mir, han ze mar weggelaote. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: huke
    - Cees Robben; Prent van de Week - Meej zôôn goeikôôp huudje op... (19600116)
    - Cees Robben; Prent van de Week - Hoen huudje hottie op... (19600219)
    - Cees Robben; Prent van de Week - Ik zie dè huudje ôôk zôô nooi (19831209)
    - Cees Robben; Prent van de Week - Des n schôôn vèère-huudje... (19860530)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 06 30 - Pepiere huudjes vur de lol.
    - Henriëtte Vunderink; 'Huudjes periekele', uit: Tis de moejte wèrd, 2011 - As ik op prinsjesdag teeveej gao zitte kèèke/ Èn in de Ridderzaol dan al die huudjes zie...
    - WBD III.3.1:365 'onder één hoedje spelen' = idem: verkleinwoord van 'hoed', met umlaut
    - Cees Robben - Prent van de week 30-05-1986
  5. werkwoord

    Nieuwe Tilburgsche Courant 17-9-1932 huuhaawe

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 07 03 - Gonge we vruuger op de fiets / - zee Bart - naor Gòòl of Diesse / Dan hiel ik dikkels efkes huu / Mee 't smoesje: "ik mot piesse".
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - stoppen (= hoowhaawe)
  6. zelfstandig naamwoord

    huuj, hoej

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - hoeden
    - Cursus in Tilburgs een krantenrubriek circa 1940 - 'Strooihuui ziede host nootniemir'
  7. werkwoord

    huuje hoeden, behoeden, bewaken k orte uu

    - Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - kaortspeulen is gin schaophuuje
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - huuje(n) zwak werkwoord overgankelijk en wederkerend - hoeden
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HU(D)EN - hoeden, frans garder.
  8. zelfstandig naamwoord

    huukske hoekje

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - huukske
    - Cees Robben In n huukske.. meej n buukske (19601118) [Naar Thomas a Kempis]
    - Miep Mandos-van de Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: As plöddeke-vèùl de kaomer doe, dan stinken alle huukskes.
    - WBD hoek, huukske - hoek bij de haard (bestemd voor brandhout e.d.)
    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: huukske
  9. tussenwerpsel

    huuptruug

    - WBD achteruit! (voermansterm om een paard te doen achteruitgaan), ook als 'huuptruujg' uitgesproken, en (uitsl. in de Hasselt) 'truughuup': voor hetzelfde doel zijn 'truug' en 'truugóp' in gebruik
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - huuptruug, bijwoord (voermanstaal) hup terug
  10. zelfstandig naamwoord

    huurboerderij

    - WBD pachtboerderij
  11. tussenwerpsel

    huutewèg

    - WBD (Hasselt) naar rechts (commando voor een paard), waarvoor ook gebruikt worden: 'hót', 'hótóm', en (elders) 'hótum'
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - huutewèg bijwoordelijke verbinding (voermanstaal), hetzelfde als 'hòteweg': naar rechts.
    - Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HUTWEG telwoord = HUT = HOI; hut-hut = schuins rechts
huuzele
  1. werkwoord

    etymologie onzeker

    - Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 (2019) druk doen en druk bezig zijn (van husselen?)
  2. zelfstandig naamwoord

    huuwelek huwelijk

    - Kernkamp; Dialectenquête 1879: huwelik
×