t emèntijbijwoord
Vanochtend
t oetsmòpnaam
De betekenis is niet geheel duidelijk, gezien slechts deze mededeling:
bijwoord
toezjoer altijd; uit Frans toujours M'n biekes zie ik geere gaon van blom toe blom, en aaf en aon toezjoer en toepartoe en vlug de blumkes aaf en weer terug (Piet Heerkens; uit: Dn örgel, Iemker-lieke, 1938)
taagetegtelwoord
tachtig
taajbijwoord
taajewerkwoord
taandzelfstandig naamwoord
tand, tandje
Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Jan taand = mr. Van de Mortel (blz. 56)
Pieter Quast Louis Leopold Boilly
taandendòkterzelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
taandepoets tandpasta
Maker onbekend
taandpèntzelfstandig naamwoord
tandpijn
naam
taant- tante
taantezelfstandig naamwoord
tante
taantenunnekezelfstandig naamwoord
samenstelling uit tante + nonnetje
taante zuster uitdrukking
taaszelfstandig naamwoord
stapel, tas
- Als ik innen taas brood op heb, gebeurt er irst in tèdje niks, mar dan begiene ze, dan gaoget aon t borrelen en aon t giste, aon t rommelen, net als innen vuurspouwenden berg. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- Cees Robben; Verder gaot ie [de wol] op dn taas/ om te dröge.. (19560630) - Cees Robben; Hier kan unne bekker nog is unne taas wegtaase... (19730929) [veel brood leveren in een kinderrijk gezin]
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hij taast nen hillen taas tasse in zen tas - een hele stapel kopjes
- WBD III.4.4:260 'tas = grote hoeveelheid
- WNT - TAS (II) hoop, stapel
- WBD oogststapel (hooi- of graanstapel, binnen het boerenhuis opgeslagen)
- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - Hooitas, Koorntas: Het hooi/koren wanneer het in de schuur is opgestapelt. Op den hooitas slapen: boven op het hooi slapen.
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TAS (taas) m - opgestapeld hooi, stro of koren.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ta.s, zelfstandig naamwoord mannelijk 'taas' - tas, hoop, stapel; verkleinwoord 'ta'ske(n)'
taasewerkwoord
tassen, opstapelen, tasten; geen vocaalkrimping
taastzelfstandig naamwoord
tast, gevoel
taatemiddagbijwoord
in de namiddag
zelfstandig naamwoord
taawhoer samentrekking van et en aawhoer, waarmee de pastoor wordt bedoeld.
tabbernaokelzelfstandig naamwoord
tabernakel; eigenlijk: de rijk versierde kast (onderdeel van het altaar) waarin het Allerheiligste bewaard wordt; oorspronkelijke betekenis: tent (zie Van Dale); van daaruit in het Tilburgs metaforisch gebruikt.
tabbernaokelewerkwoord
tadderakzelfstandig naamwoord
taffelewerkwoord
takkelingzelfstandig naamwoord
vink; met name jonge vinken die nog niet goed kunnen vliegen maar wel van tak naar tak springen
takszelfstandig naamwoord
tangzelfstandig naamwoord
tang
zelfstandig naamwoord
tantemèrgo verbastering van het misgezang Tantum Ergo -> tante Margo. Dergelijke verbasterde gezangen staan bekend als 'Wilde vespers'. De oorspronkelijke tekst: Tantum Ergo sacramentum Veneremur cernui Et anticum documentum Novo cedat ritui
taofelzelfstandig naamwoord
gezegd zal worden, naast 'taofel'
zelfstandig naamwoord
tafel We zaate meej zissen on tòffel.
M taofel
WvM 'en t van dees toffel'
zelfstandig naamwoord
Ok laag der vort un toffelklééd op de toffel. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) Siendereklaos reej vur die klèèn nog op toffel. Ze han nog gin benul van suppriese maoke. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) Bij ons taante Gerrie kosse wij aaltij ons bêen meej onder de toffel schèùve (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
taofeltjezelfstandig naamwoord
gezegd zal worden, naast 'taofel'
taolzelfstandig naamwoord
taal, taaltje
taolewerkwoord
taoltjezelfstandig naamwoord
taal, taaltje
taomelekbijwoord
tamelijk
taotelewerkwoord
taotòlfzelfstandig naamwoord
naam
Mar wieste ok dè ene sufferd/ hier ene taotòlf is? (Henriëtte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blèève haawe, 2007)
Hees taotolf (III:42)
taovendbijwoord
vanavond (uit: te avond
taszelfstandig naamwoord
kopje, kommetje om uit te drinken v an Frans 'tasse', kopje
Thee
K offie
Figuurlijk
taskezelfstandig naamwoord
kopje, kommetje om uit te drinken v an Frans 'tasse', kopje
Thee
K offie
Figuurlijk
tebijwoord
in, naar; te Hij leej te bèd. - Hij ligt in bed. Gao mar gaa te bèd. - Ga maar gauw naar bed. Ik zaag em daor te zitte. te middag, taovend - vanmiddag, vanavond
tèinterjectie (kindertaal?)
tebakzelfstandig naamwoord
tabak
tèbbeszelfstandig naamwoord
hoofd, kop Waast oewe knöst onderhaand marrus, get aommol schieffeltjes op oewe tebbus! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)
Bosch tèbbes - hoofd (m.) Houwt oewen tèbbes! Hou je mond!
tèdjezelfstandig naamwoord
poosje, tijdje
zelfstandig naamwoord
verkleinwoord van 'tèèd', met vocaalkrimping
tèdszelfstandig naamwoord
tijds
tèds zat - tijd genoeg met genitief-s (gen. partitivus) Piet van Beers oope klosterdag: Ik heb tèds genog, ik heb al lang pesjoen... (Spoeje doemmeniemer; 2009)
teebeeseezelfstandig naamwoord
tuberculose
teeblomzelfstandig naamwoord
theebloem 1. violier
naam
2. Duizendblad Duizendblad - Achillea millefolium Is waarschijnlijk de in Tilburg breder verbreide aanduiding voor teeblom, theebloem. Het betreft dan Achillea millefolium L., door Heukels gesignaleerd als Theebloemeken en Theeblommen. Geen bloem maar een veldplant met medicinale eigenschappen: tèèd, tèdje, tije zelfstandig naamwoord tijd 'n Tèdje gelejen... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit 't klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)
Uitdrukking: Ge gaot nie vur oewen tèèd. - Je sterft niet voor je tijd.
Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937
zelfstandig naamwoord
WTT - mondelinge mededeling - Grôote tèèd speule: zich groter voordoen dan men is, opscheppen; hij spulde grôote teed. Gehoord in de jaren '60.
tèèdbijwoord
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
teegebijwoord
tegen Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - tege Korsemis
werkwoord
teegekwèèke vervoegde vormen zijn niet aangetroffen tegenkwijken, protesteren, van repliek dienen
werkwoord
teegelôope tegemoet lopen, gaan
teegenaonbijwoord
tegenaan der teegenòn pèère - erop slaan der teegenòn gaon - flink aanpakken
teegesworregbijwoord
tegenwoordig
teejzelfstandig naamwoord
thee Toe teej toe haj bèm - Zelfs thee had hij bij zich
zelfstandig naamwoord
Èn dan en, en paor flèsse teej meegenoome èn dan teej op was dan ginge we bij den boer, daor was nòg enen boer, ginge we meej de flès ginge wij bij den boer waoter haole! [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015] Cheiranthus cheiri / Erysium cheiri - bron: Wikipedia 2013 teejblom
Wikipedia 2013 - De muurbloem (Erysimum cheiri) is een vaste plant uit de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae). Het is een soort die niet alleen in het wild voor komt, maar ook veel wordt gebruikt als sierplant. De plant is afkomstig uit het oostelijke deel van het Middellandse Zeegebied. De muurbloem komt in Nederland voor op oude muren van kerken, ruïnes, stadswallen en forten.
teejbròkkezelfstandig naamwoord
karamels, borstbollen
zelfstandig naamwoord
teejtèùn theetuin; Theetuin, naam van een uitspanning
tèèkzelfstandig naamwoord
lastige vrouw
têekezelfstandig naamwoord
teken, sein, signaal
tèèlzelfstandig naamwoord
tèèmzelfstandig naamwoord
tijm
têenzelfstandig naamwoord
teen (lichaamsdeel)
jonge tak
zelfstandig naamwoord
têen èn taandernaam
het een en ander Kómt óns taante Too naa taatemiddag nòg meej têen èn taander? Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Daor din ze zogezeej in e zèg et es gauw ints..ts..tsgòdvernondejuudie gebrökte ze zogezeej vur e vur middelsèène, vur têen èn taander gebrèùke (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels
têenezelfstandig naamwoord
teen (lichaamsdeel)
jonge tak
zelfstandig naamwoord
tèènezelfstandig naamwoord
samentrekking van het einde of 'ten einde' het einde (van), tot het eind, aan het eind, teneinde figuurlijk: doodop, uitgepunt, buiten adem; blut zijn 1. letterlijk
2. figuurlijk Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
bijwoord
Aanvullende bronnen
zelfstandig naamwoord
têenebèèter tenenbijter
tèènehaawewerkwoord
tèènemekaarebijwoord
meteen, onverwijld Vraogt òf dèttie tèènemekaare komt. - Vraag of hij meteen komt.
tèènenaovendbijwoord
tèènenêenbijwoord
meteen, achtereen
tèènenòssemnaam
tèènerugzelfstandig naamwoord
têentrèèjerzelfstandig naamwoord
tèèrzelfstandig naamwoord
teer
tèèraovendzelfstandig naamwoord
teeravond; avond waarop verenigingen (jaarlijks) feest vierden van opgespaard geld; vergelijk 'potverteren' [De gildes] "St. Jurris" hee z'ne teiraovond gehad en "Sinte Ketrien" ôk al... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30) "Sinte Ketrien" hô dan d're traditioneele teirdag. 't Vurspel van 't fist begon 's mergens om negen uur toen we allemol, pontificaol uitgedost - dè wil zeggen mee 't wit visje en den oranje sjerp aon en den hoogen hoed op - nor de Mis gewist zèn... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)
tèèrewerkwoord
verteren, feestvieren Ze rikte saome jaorelang,/ dè din ze ammol gèère,/ èn zaat er in de pot genòg/ dan ginge ze ònt tèère. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dè kos nie)
tèèrfzelfstandig naamwoord
tarwe Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - têrf en gaarst (ê van Frans même) Piet van Beers - Den bèkker stokte zenen oove meej hout èn bakte mik èn brôod;/ Ieder kòcht wèttie gebrökte de keus waar nie zo grôot:/ Rògge èn tèèrfbrôod èn ene witte mik,/ Vur en brölòft òf fist mik meej krente, mar die waar nie zo dik. (Uit: Wètter in vèèf èn zistig jaor veraanderde...)
tèèrgewerkwoord
zelfstandig naamwoord
tèèrpötje, tèrrepötje Ill. Naumann roodborstje
tèèrvenblomzelfstandig naamwoord
tèèrzalfzelfstandig naamwoord
tèètzelfstandig naamwoord
akelige vrouw
tegelèèkbijwoord
tegelijk
tegelèèkertèèdbijwoord
teheujbijwoord
achterover (zie ook 'heu') De kèèr ging teheuj
Wat. te heui gaon, slaon - achterover vallen; valt te vergelijken met 'over den kop gaan' vooroverslaan. Z.a.
bijwoord
K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HOOI: de kar staat TE HOOI - met de burrie of bomen naar boven en het krat naar beneden, Zoals de karren dikwijls worden weggezet. Opm. Michels (blz. 87): TE HOOI = te hovede, nu 'te heuj'. Z.a.
tekòrtbijwoord
te kort (doen)
Pierre van Beek Erger gesteld is het wanneer men hoort, dat iemand "z'n eigen tekort gedaon heej". Dat betekent namelijk niets meer of minder dan dat hij zelfmoord heeft gepleegd. Dat is - in tegenstelling tot de grofheid, die de volksmond vaak kenmerkt - keurig gezegd en bovendien nog raak getypeerd ook. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant donderdag 11 mei 1950)
tèkskezelfstandig naamwoord
kleine tak, jonge tak, twijg
Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - grune tèkskes - groene twijgen; tak - täkske
zelfstandig naamwoord
tèkstiel textiel 'op de tèkstiel': werkzaam in de textiel Die was op de tèkstiel! Die was, die was ok op de tèkstiel Wij hèbbe ammòl op de tèkstiel gewist! [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]
tèkswipperzelfstandig naamwoord
tèlzelfstandig naamwoord
tel
telistebijwoord
Tenlangeliste hè 'k m'n frontje van m'ne nek motten gooien omdè 'k bang was te stikken. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)
tèllewerkwoord
PM (meestal negatief) waarderen Dè tèlt ie wèèneg - dat stelt hij niet zo erg op prijs
Van meikevers
Rolf Janssen, We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - Wanneer de meikevers weer te vinden waren in de buurt van de beukenhagen, werden deze door de kinderen gevangen. Ze werden opgeborgen in een lucifersdoosje met een blaadje sla. Vervolgens bonden de kinderen een draadje garen aan de poten van het dier en begonnen dan te zingen tot hij ging vliegen: mùlderke, mùlderke telt oew geld en gao dan nog s vliegen
tèllingzelfstandig naamwoord
telling
bereikt; ze is ötgetèld, ötgereekend
tèloorzelfstandig naamwoord
Pierre van Beek - kleine waterketel op drie pootjes, veelal gebruikt voor kruidenthee. WTT 2016 - In deze betekenis alleen bij Van Beek aangetroffen. Waarschijnlijk betekent tèloor eerder de meer gangbare aanduiding voor 'bord' WNT: gewestelijk ook mannelijk en vr., mv. teljoren. Daarnaast taljoor (in meer fransche spelling tailloor enz.); telloor, talloor, in een groot deel van Brab. en in het Land van Waas; talloore (vr.), in t Z.-O. van Vlaand.; teljer, bij Schuerm. (1865-1870). In t Westvl. is een vrouwelijk taljoore, teljoore. Bord, schotel, waarop vleesch wordt voorgesneden (in dezen zin lang verouderd); vervolgens, en dit is reeds in t Mnl. de gewone bet.: tafelbord, etensbord, bord. REY - Tailler a produit d'autres noms limités à des sens concrets : TAILLOIR n. mannelijk (v. 1130, tailleours ; puis 1175, tailleoir) désigne un instrument pour tailler et spécialement un plat pour découper la viande.
temeejbijwoord
tegelijkertijd
temeenstebijwoord
tenminste, ten minste
temètbijwoord
Bosch temet - direct, zo dadelijk
temiddagbijwoord
Was de erpelsoep temiddag nie goed misschien? (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940)
WMT TE MIDDAG - thans nog gewestelijk, bijvoorbeeld in Z.-Nederl.
temòndagbijwoord
tèmpelzelfstandig naamwoord
tempel
tèmszelfstandig naamwoord
vergiet
zelfstandig naamwoord
K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TEEMS: word eigenlijk alleen van die zift gebruikt, waar door men de vers gemolken melk laat lopen, en is dus een zijg of zijpvat.
tèmtaosiezelfstandig naamwoord
opgave, kwelling, temptatie Vruug ópstaon is vur hum en tèmtaosie.
Want as ik leege flèsse hèb/ moet ik er en ènd meej slèèpe/ mar dè dè gin temtaosie is/ is makkelek te begrèèpe. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Der stòn der te wèèneg) [namelijk: glas naar de glasbak brengen is goed werk]
Lat. TEMPTARE aanraken, betasten; naar iets streven, onderzoeken; beproever proberen, pogen, trachten, ondernemen, zich met iets inlaten; aantasten, aangrijpen, aanvallen, bestoken; in verzoeking brengen, enz.
tèmteerewerkwoord
tènzelfstandig naamwoord
tin
tèndjezelfstandig naamwoord
tand, tandje
Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Jan taand = mr. Van de Mortel (blz. 56)
Pieter Quast Louis Leopold Boilly
zelfstandig naamwoord
tandje
teneerbijwoord
terneer, neer, naar beneden
tenètbijwoord
tèngskezelfstandig naamwoord
tangetje
Dirk Boutkan (1996) - tangeske, tangske, tangetje
tenirbijwoord
terneer, neer, naar beneden
tènnenaam
tinnen
tènnebruukskezelfstandig naamwoord
jenevermaatje
naam
Ge krèègt dan koffie meej en kuukske/ èn zo waor as ik hier stao/ alle ôomes die ter waare/ nòg en tènnebruukske nao. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Verjòrdaoge)
tenòstenbaajbijwoord
bijna, ongeveer
tèpnaam
blut, alles verloren hebbend tèp zèèn / staon
teraandesuffix
teraawstebijwoord
ongeveer, bijna, globaal, ruwweg
terèèchtbijwoord
terecht meestal met de verlenging met e, terèèchte
terouwstebijwoord
ongeveer, bijna, globaal, ruwweg
TROUW(E)STE (traauwste) bijvoeglijk naamwoord - in grote trekken, bijna. Wsch. is het woord ontstaan uit 'te ruwste' en betekent het letterlijk 'grosso modo.
bijwoord
Pierre van Beek - 'trouwste' - in grote trekken, zo ongeveer, ook wel: bijna (ten rouwste?)
tèrpetèènzelfstandig naamwoord
terpentijn; kleverig plantensap vooral van naaldbomen
tèrrewebrôodzelfstandig naamwoord
tarwebrood
tèrringzelfstandig naamwoord
tering, tuberculose, tbc
zelfstandig naamwoord
bijwoord
terugkoomes op de terugweg, toen we terug gingen
tèrvebrôodzelfstandig naamwoord
tarwebrood
tèszelfstandig naamwoord
tas
zelfstandig naamwoord
Schilderij van Jan Miense Molenaer (detail) - Goed gezelschap - 17e eeuw De vrouw steunt met een voet op een stoof, waarin het zogenaamde tèsje: tèsje kolenbakje in een stoof verkleinwoord van 'tèst'
zelfstandig naamwoord
tèssewerkwoord
testen
tèstzelfstandig naamwoord
kop, hoofd
K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TEST: een aarden vat. In het Lat. 'testa'.
zelfstandig naamwoord
kop
tèstagzelfstandig naamwoord
dinsdag VR 'testag-taate-middag' Zie: Pijnenburg - Bijdrage tot de etymologie van het oudste Nederlands, 122
tètzelfstandig naamwoord
bepaald meisje
naam
Bosch tètte - borsten
tetôonstèllingzelfstandig naamwoord
tentoonstelling Kèssels febriek, witte gij instruumèntefebriek aachter de Noordhoekse kèrk èn daor, daor wast himmel waaj, hè. Èn daor heej toen de tetôonstèlling gestaon. Neegetieneege. [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015] Aachter de febriek was en grôote tetôonstèlling èn daor was Venetië himmel meej zwèm... meej grôot waoter èn alles! () Wè zonge ze toen? En hebben zij die schöne Berta al in der onderbroek op straat gezet![- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]
tèùgzelfstandig naamwoord
tuig
tèùgewerkwoord
optuigen
zelfstandig naamwoord
teugel teugel
tèùgkaastzelfstandig naamwoord
teugwèèsnaam
teulew erkwoord, zwak telen, kweken teule - tulde - getuld, met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd ook vocaalkrimping: gij/hij tult.
tèùmelewerkwoord
tèùmelèèrzelfstandig naamwoord
tuimelaar
tèùnzelfstandig naamwoord
heg, tuin, omheining
tèùnbôonzelfstandig naamwoord
tuinboon - Vicia faba in Tilburg beter bekend onder diverse volksnamen
teunewerkwoord
de indruk wekken, tonen teune - tunde - getund, vocaalkrimping ook in tegenwoordige tijd: gij/hij tunt
tèùnèksterzelfstandig naamwoord
ekster, die overal present is waar ze iets van haar gading meent te kunnen vinden; overgedragen op vrouwen
tèùszelfstandig naamwoord
thuis, tehuis
werkwoord
tèùsslachte thuis slachten meestal opgetekend als zelfstandig naamwoord, de 'tèusslacht'.
zelfstandig naamwoord
tèùswèèver thuiswever, wever die niet in de fabriek werkt maar zijn weefstukken aan een fabrikant uitlevert
tèùtzelfstandig naamwoord
tuit
teutzelfstandig naamwoord
marskramer; tuit, pijp
teutewerkwoord
talmen, treuzelen
tèùtelewerkwoord
- Pierre van Beek - ruilen (door kinderen)
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - weifelen, tuitelen
- Cees Robben; Valt er nog wè te ruitele of te tuitele... (19760903)
- WBD III.3.1:49 'tuitelen', 'vertuitelen, vertutselen, matsen, ruilen = verkwanselen
- WBD III.3.1:55 'tuitelen', 'kwanselen, ruilen, verhandelen' = kwanselen
- WBD (III.3.2:191) tèùtele, rèùtele, rèùle = tuitelen
- WBD (III.3.1:49) 'vertuitelen' = verkwanselen, ook 'vertutselen
- WBD (III.4.4:304) 'tuitelen' = wisselen
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - tuitelen - ruilen
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TUITELEN onov.ww. - zich bezighouden met kleine transacties; misschien naar 'tuit' - ketel en tuit - marskramer.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zwak werkwoord intransitief 'tuitelen' - kwanselen... verwisselen
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - tùitele ww - ruilen
- WNT - TUITELEN (I) - 1) ruilen, verwisselen; 2) veranderingen aanbrengen
tèùtelèèrzelfstandig naamwoord
iemand die graag ruilt
tevreejenaam
tevreden
tevurrebijwoord
tevoren
tiederietjezelfstandig naamwoord
de etymologie is onduidelijk
tielesbijwoord
tiendzelfstandig naamwoord
tiende deel
naam
tienderaand het eerste lid 'tien' kan variëren; het tweede 'aand' = 'haand', van 'hand'; vergelijk 'allerhande'
zelfstandig naamwoord
tieneezer teenager, uit het Engels: iemand in de leeftijd van 10 tot 20 jaar
tiengebojezelfstandig naamwoord
Vandaar overgedragen op de tien vingers van de handen
tierzelfstandig naamwoord
groei, wasdom, levenskracht
tieregnaam
tierig, gezond
tiesjezelfstandig naamwoord
kop
tiestzelfstandig naamwoord
kop, hoofd
K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TEST: een aarden vat. In het Lat. 'testa'.
zelfstandig naamwoord
kop
zelfstandig naamwoord
van Baptist; Jan Baptist; Johannes de Doper
zelfstandig naamwoord
Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - den tiest = Tinus Coolen (blz. 30)
tietzelfstandig naamwoord
1 kip
1.1 roepwoord, lokwoord voor kippen en kuikens
2 borst van de vrouw
3 ei
zelfstandig naamwoord
Aanvullende bronnen
tiet-mèmuitdrukking hetzelfde, gelijk; uit Frans tout-même, verbasterd tot twee woorden voor de borst van de vrouw - Cees Robben; [Onderwijzer:] Wes t verschil tussen ruiteketuit en bonnefooi... [leerlinge:] Volgens men is dè één tiet-mem, mister.. (19840120)
tiet-tiet-tietzelfstandig naamwoord
tifke
Piet van Beers Ge moet t goei mee t kaoi nemen: Mar 'n tifke, zo ge wit,/ hee unnen heelen aandere zit!! (With Love; 1982-1987)
tietaajzelfstandig naamwoord
kippe-ei fig.: zonderlinge, 'exemplaar'
tietjezelfstandig naamwoord
1 kip
1.1 roepwoord, lokwoord voor kippen en kuikens
2 borst van de vrouw
3 ei
zelfstandig naamwoord
Aanvullende bronnen
tietkorf [tietkòrfzelfstandig naamwoord
boezem
tiftspeeksel
tijewerkwoord
tijgen, trekken, gaan
zelfstandig naamwoord
tije - toog - getooge
zelfstandig naamwoord
tijden
tijegbijwoord
tijdig
tijingbijwoord
tijding, bericht
zelfstandig naamwoord
K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TIJNG - tijding, boodschap. Bij Kiliaen - noch bij Plant. Z.a. Bosch teng - tijding, bericht
tijlijendzelfstandig naamwoord
Kiliaen - Homo ignauus, otiosus, tempus transigens ignauè - traag, onwerkzaam
tikkewerkwoord
tikkere tikken Hanna zaat vlijtig te tikkere mee d'r braainaolde... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)
tikkes èn schuppesvariant op het bokspring-spel
Tilbörgzelfstandig naamwoord
Over het verschil in uitspraak, zie: Tijdschr. TILBURG: jg. 27 blz. 93 Tilburger of Tilbörger, W. Sterenborg.
Tilbörgsnaam
Tilburgs
Tilburgzelfstandig naamwoord
Over het verschil in uitspraak, zie: Tijdschr. TILBURG: jg. 27 blz. 93 Tilburger of Tilbörger, W. Sterenborg.
Tilburg 1940. Illustraties van Carl StorchDaar kwamen de dwergen aandragen. n Hele terrine vol soep voorop Toen volgden aardappels met lawaaisaus, grote bonen en elk n kippepoot. Dat was kostje!!
Tilburgsnaam
Tilburgs
tillefoonzelfstandig naamwoord
telefoon
timmerduskezelfstandig naamwoord
timmerdoosje (kinderspeelgoed)
timmerewerkwoord
timpernaam
tintjezelfstandig naamwoord
teen (lichaamsdeel)
jonge tak
zelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
teentje
Dirk Boutkan (1996) - (blz. 51) tintje 1. lichaamsdeel Dan stonne wij op ons tintjes... (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)
2. gewas klèèn tintje - jonge tuinboon, 'spèkbôon', sluimererwt
tipböltjezelfstandig naamwoord
puntzakje
zelfstandig naamwoord
tipke tipje; puntje Hij gonk op et tipke van den stoel zitte... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)
tirsewerkwoord
samentrekking
tis T-shirt met reclame voor de Kringloopwinkel Tilburg (2018)
tissewerkwoord
ongeduldig wachten; met spanning zitten wachten

titszelfstandig naamwoord
titsewerkwoord
licht rakend slaan
Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.
titskezelfstandig naamwoord
tjanzelfstandig naamwoord
Pierre van Beek - tamme vogel (kraai, kauw, roek, gaai), bijvoorbeeld op een kostschool
zelfstandig naamwoord
Elie van Schilt - Veul jongens hadden toen un tam ekster op durre schouwer, ze hadden allemal dezelfde naom 'tjannek'. (Uit: Tilburg waor zen oe bossen; CuBra ca. 2000)
tjannekzelfstandig naamwoord
Pierre van Beek - tamme vogel (kraai, kauw, roek, gaai), bijvoorbeeld op een kostschool
zelfstandig naamwoord
Elie van Schilt - Veul jongens hadden toen un tam ekster op durre schouwer, ze hadden allemal dezelfde naom 'tjannek'. (Uit: Tilburg waor zen oe bossen; CuBra ca. 2000)
tjèmtjèmzelfstandig naamwoord
tantième Komt ook voor als 'adjèm Ze zitte nie meej en klèèn pesjoentje aachter de gerdèntjes te koekeloere, mar ze gòn meej dikkels nòg enen beheurleken hôop tjèmtjèm den hòrt op... (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2008)
tjèppewerkwoord
tjeppen; drinken van sterke drank Hij hee aaltij goed getjepperd, dieën Boemes, mar de leste jaoren is ie 'nen echten zuiplap geworren... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939)
tjèpperewerkwoord
tjeppen; drinken van sterke drank Hij hee aaltij goed getjepperd, dieën Boemes, mar de leste jaoren is ie 'nen echten zuiplap geworren... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939)
tjoekew erkwoord, zwak versneld draaien bij het touwtjespringen wsch. geluidsnabootsing
tòbzelfstandig naamwoord
tòbber(dzelfstandig naamwoord
Toch maaiHeurde smerges vruug in de geut musse meej veul lewaai vèèchte èn speule meej mekaar dan witte: Tis wir maai.' As oewe zoon zen haore kamt meej meer zörg vur zen schaai oew dòchter in de spiegel kèkt dan witte: Tis wir maai.' As oew vrouw alle matte klòpt rondbuunt mee veul bezwaai èn daorbij zingt vals as en kraai dan witte: Tis wir maai.' Ast rèègent, haogelt, störmt èn waait gin weer vur bos òf haai agge rèèrt in oewen ooverjas dan witte: 'Tòch..ist maai.' LECHIM Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982) maajbluumke - mezuutje - meizoentje - bellis perennis
tòchtzelfstandig naamwoord
tòdzelfstandig naamwoord
vod, lomp eigenlijk: afgedragen textiel; in het algemeen: dingen van inferieure kwaliteit; bijvoorbeeld - Cees Robben; t Zèn todde.. (19720421)
tòddezelfstandig naamwoord
vod, lomp eigenlijk: afgedragen textiel; in het algemeen: dingen van inferieure kwaliteit; bijvoorbeeld - Cees Robben; t Zèn todde.. (19720421)
tòddejoodzelfstandig naamwoord
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
töddekezelfstandig naamwoord
verkleinwoord van 'tòd', met umlaut doekje
tòddezakzelfstandig naamwoord
voddenzak
zelfstandig naamwoord
tòdèvoegwoord totdat
tödèèchtegbijwoord
tòdhôopzelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. tòdkrèèmer voddenman
zelfstandig naamwoord
Daor komt den toddekreemer aon, hij jaogt z'n hitje langs de baon. Toddéé! Hot - ju! De kender, ze graaien in schuur en in schop ze moeten 'n meulentje, pias of pop. Toddéé! Allee - ju! Ze laoien d'r zakken toe boven toe vol en draoven er hard mee de straot op! - én lól! Toddéé! Hu! - Hu! - De toddeman zet er z'n waogeltje stop, z'n Mie lee te slaopen languit aachterop. Toddéé! Hu! - Hu! - De toddeman laacht er mee heel z'n gezicht, die zakke die zijn er, verdomme, nie licht! Toddéé! Hu! - Hu! - "Wè moete gij emme?! 'ne Meule? - 'n Fluit? 'n Pop of 'ne pias? - En gij, kleine guit" Toddéé! Hot - ju! De kender die springen en gieren van lol en de toddeman laoit er z'n waogeltje vol. Toddéé! Allee - ju! Lechim - 'De tòdkrèèmer' - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)
tòdmeulezelfstandig naamwoord
lompenscheurmachine
tòdzakzelfstandig naamwoord
voddenzak
zelfstandig naamwoord
toebijwoord
tot
voorzetsel
1.1 Tot daar aan toe
2.1 van plaats of afstand
2.2 van tijd
2.3 van een gebeurtenis of eigenschap
2.4 in plaats van 'bij'
2.6 in plaats van 'tot'
voorzetsel
Aanvullende bronnen
toebèenewerkwoord
toebinden
toedèvoegwoord totdat
naam
totdat
toegeevewerkwoord
toegeven; extra geven toegeeve, gaaf toe, toegegeeve
toegestèsseldvoltooid deelwoord dichtgeplakt; stèssel = stijfsel (als plakmiddel)
toekielwerkkiel, over het hoofd aangetrokken, van voren dicht
toekrèùdzelfstandig naamwoord
Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.
toelaogzelfstandig naamwoord
broodbeleg

toeliezelfstandig naamwoord
spul
toemaotzelfstandig naamwoord
tweede grasoogst in de nazomer; meevaller, extraatje Het element met is verwant met maat, mate, meadow, en afgeleid van het ww. maaien.
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'toemaot, toemèt'
- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Van de toemaot nòr de haaj lôope.
- Pierre van Beek - (Tilburgse Taaklplastiek 178) Een belangstellend lezer vestigt de aandacht op een originele verklaringsmogelijkheid van de herkomst van ons "toemet" dat men ook wel als "toemert" ontmoet. TOEMET zou afkomstig zijn van het Latijnse ww augmentare / augere, dat vermeerderen, vergroten betekent. We ontmoeten dit woord ook in andere Latijnse of Romaanse talen, zoals in het Italiaans en in het Frans, in welke laatste taal het "augmenter" luidt. Het Frans voor 'aanwas is o.a. "augment"; met het lidwoord ervoor spreken we uit: "toment", wat dan uiteindelijk 'toemet ' geworden zou kunnen zijn. Wat ver gezocht?
- WBD III.4.2:30 'toemaat' - kleinste dier van een nest; ook: 'achterblijver'
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - toemaat, tommet - nagras
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TOEMAAT (ook toemmat,tommet,toemmert,tommert) zelfstandig naamwoord mannelijk - nagras, nahooi
- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - EIMET, nagras, toemaat (op sommige plaatsen 'toemaat' uitgesproken).
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Toemaat (toemut of toemunt), tweede oogst (zie blz. 58)
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TOEMAAT is hier bij de landlieden hetgeen men ook het nagroen, het nagras of het hooi van de tweede snede noemt. Kiliaen - 'toe-maet-hoij. Z.a.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1958 e.v. - tument - toement, toemaat, nagras (z.a., blz. 676)
- WNT - XVII I, kol. 559
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Braban (1937) - toemet: T zuiden? (blz. 168)
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - toemnet zelfstandig naamwoord - tweede grasoogst in de nazomer


toemetzelfstandig naamwoord
tweede grasoogst in de nazomer; meevaller, extraatje Het element met is verwant met maat, mate, meadow, en afgeleid van het ww. maaien.
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'toemaot, toemèt'
- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Van de toemaot nòr de haaj lôope.
- Pierre van Beek - (Tilburgse Taaklplastiek 178) Een belangstellend lezer vestigt de aandacht op een originele verklaringsmogelijkheid van de herkomst van ons "toemet" dat men ook wel als "toemert" ontmoet. TOEMET zou afkomstig zijn van het Latijnse ww augmentare / augere, dat vermeerderen, vergroten betekent. We ontmoeten dit woord ook in andere Latijnse of Romaanse talen, zoals in het Italiaans en in het Frans, in welke laatste taal het "augmenter" luidt. Het Frans voor 'aanwas is o.a. "augment"; met het lidwoord ervoor spreken we uit: "toment", wat dan uiteindelijk 'toemet ' geworden zou kunnen zijn. Wat ver gezocht?
- WBD III.4.2:30 'toemaat' - kleinste dier van een nest; ook: 'achterblijver'
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - toemaat, tommet - nagras
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TOEMAAT (ook toemmat,tommet,toemmert,tommert) zelfstandig naamwoord mannelijk - nagras, nahooi
- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - EIMET, nagras, toemaat (op sommige plaatsen 'toemaat' uitgesproken).
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Toemaat (toemut of toemunt), tweede oogst (zie blz. 58)
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TOEMAAT is hier bij de landlieden hetgeen men ook het nagroen, het nagras of het hooi van de tweede snede noemt. Kiliaen - 'toe-maet-hoij. Z.a.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1958 e.v. - tument - toement, toemaat, nagras (z.a., blz. 676)
- WNT - XVII I, kol. 559
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Braban (1937) - toemet: T zuiden? (blz. 168)
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - toemnet zelfstandig naamwoord - tweede grasoogst in de nazomer


toemetkètjezelfstandig naamwoord
meevallertje
zelfstandig naamwoord
najaarskatje
toenbijwoord
toen in kindertaal: 'toen-irst', 'toen-urst - destijds
toendertèdsbijwoord
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
toenètbijwoord
toenettebijwoord
toenirstbijwoord
toepertoebijwoord
alsmaar, alles ineens; ± overdadig, geheel en al, met alle geweld; overal
Piet Heerkens - M'n biekes zie ik geere gaon / van blom toe blom, en aaf en aon / toezjoer en toepartoe en vlug / de blumkes aaf en weer terug (Piet Heerkens; uit: Dn örgel, Iemker-lieke, 1938)
bijwoord
Etymologie
toerzelfstandig naamwoord
beurt: moeilijk karwei, de route die een straathandelaar aflegt Ik hè dees week de toer om de mulkwaogen te rijen. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929) Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen zèèk irst de mèlkrichting gegaon èn daor liepe die, die, dè waare zak zègge, die manne die ene toer hadde èn dè waare gewoon jongere om meej te lôope (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels
zelfstandig naamwoord
DAN- Dialectenquête 1887 Willems - de melkboer mòkte 'ne grôote toer' Dirk Boutkan (1996) - (99) ... ene grôote roete
zelfstandig naamwoord
toereloerke omweg Mee n sierluk toereloerke draaiden ze durre weg eromhene... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
toerkezelfstandig naamwoord
PM dutje en toerke doen - een dutje doen, een tukje doen
benaming van een kort, welverdiend middagslaapje: efkes n toerke doen, op z'ne rug gon staon e.d.
toerlezjoerewerkwoord
blijmoedig rondtrekken; uitgaan
Ze zullen dus wel, as wij sliepen, in de bedsteej hebben liggen toerlezjoeren. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
Piet van Beers 1 ste Lezing uit Lukas 15: De jongste van die tweej, ha enen heekel òn boere/ èn di èègelek niks liever as "toerlezjoere." (Spoeje doemmeniemer; 2009)
toernedootournedos
toerrijewerkwoord
toeschòrtzelfstandig naamwoord
schort (van kin tot over de knieën)
toesjeewerkwoord
toestèssele uit 'toe' = dicht, en 'stèssel' = stijfsel: dichtplakken Alleen aangetroffen bij Heerkens Ge weet wel waor Baokel in Brabant lee: et lee aon den uitersten kaant, en 't bestao mar uit enkelde boerestee, wè haai en wè waaie, - de weerelt, o jé,
toestraksbijwoord
toen straks = kort geleden
toeswietuitroep onmiddellijk; uit Frans 'tout de suite'
toethaspelzelfstandig naamwoord
sukkelaar, stoethaspel Daamen - woordenlijst 1916 - "toethaspel - sukkeltje"
toetmèmzelfstandig naamwoord
tòffelzelfstandig naamwoord
tafel We zaate meej zissen on tòffel.
M taofel
WvM 'en t van dees toffel'
zelfstandig naamwoord
Ok laag der vort un toffelklééd op de toffel. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) Siendereklaos reej vur die klèèn nog op toffel. Ze han nog gin benul van suppriese maoke. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) Bij ons taante Gerrie kosse wij aaltij ons bêen meej onder de toffel schèùve (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
tòffelewerkwoord
töffelèèrzelfstandig naamwoord
tòffelgeraajzelfstandig naamwoord
tòffelschèùfzelfstandig naamwoord
tafella(de)
tolzelfstandig naamwoord
tòldeverleden tijd van 'taole'
töllekezelfstandig naamwoord
tolletje
verkleinwoord van tòl, met umlaut
tòlsereejzelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
Verbastering van Franse 'toile cirée' = met was bestreken doek wasdoek, veelal gebruikt als tafelzeil
tòltwerkwoord
taalt (enkelv. verleden tijd van 'talen'/ taole)
tòltjezelfstandig naamwoord
taal, taaltje
zelfstandig naamwoord
taaltje Buuk Tilbörgs is nie zomar en aoreg tòltje, mar tis en èchte taol.
töltjezelfstandig naamwoord
tuiltje, ruikertje, bosje bloemen, boeket
tuiltje naauwelijks dan in den diohterlijken stijl bekend is.
tonzelfstandig naamwoord
ton, vat 1. inhoudsmaat Lodewijk van Dorrus Misters - Een grote 50 jaar geleden waren de tonnen nog in gebruik en werd een ton gerekend op 150 liter inhoud. Ook was er fustwerk in gebruik van 1/2 ton of "vat", van 1/4 ton of "keneke" en van 1/8 ton dat men "kattekop" noemde. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 8 Oude brouwerijen in Tilburg; Nieuwe Tilburgsche Courant 23-6-1951) 2. geldbedrag
tonbaankzelfstandig naamwoord
toonbank
tongzelfstandig naamwoord
tong
Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - op de tong - op de tong
tongblaorzelfstandig naamwoord
werkwoord
tonkèùle Tonkuilen, inkuilen.
tönmanzelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
Dirk Boutkan (1996) - 'töman' (blz. 55) Uitspraak: met tot m geassimileerde n tonpraot tonpraat een voordracht die met carnaval gehouden wordt, en waarbij de spreker in een ton staat
Witte gullie dètter in Tilbörg ene Tonpraotakkedeemie is? Wòr ge kunt leere leutere? (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
tontjezelfstandig naamwoord
toontje
verkleinwoord van 'tôon', met vocaalkrimping
zelfstandig naamwoord
toon, klank
töntjezelfstandig naamwoord
heg, tuin, omheining
zelfstandig naamwoord
hegje, tuintje Henk van Rijen -gezegde Nie oover et töntje loere verkleinwoord van 'tèun', met vocaalkrimping
tôogzelfstandig naamwoord
toonbank, in het bijz. in een café; gewelfd metselwerk
tôogewerkwoord
tonen, laten zien, duidelijk maken
toogpinzelfstandig naamwoord
tôojewerkwoord
versieren, opsieren
tôomzelfstandig naamwoord
toom
zelfstandig naamwoord
tôonzelfstandig naamwoord
toon, klank
tôonewerkwoord
laten zien
tôone - tonde - getond met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: tont
tôontrèèjerzelfstandig naamwoord
toorezelfstandig naamwoord
toren
zelfstandig naamwoord
Dirk Boutkan (1996) - tórretje; (blz. 51) toore - torretje
tootzelfstandig naamwoord
wang
tootenbakkeszelfstandig naamwoord
tôoverbòlzelfstandig naamwoord
toverbal, - bol; snoepgoed in de vorm van een bolletje, dat steeds van kleur verandert naarmate het zich langer in de mond bevindt en kleiner wordt. Het snoepen van een toverbal ging daarom gepaard met het voortdurend uit de mond nemen van het snoepje om te zien of en hoe de kleur veranderd was.
tôoverböllekezelfstandig naamwoord
toverbal, - bol; snoepgoed in de vorm van een bolletje, dat steeds van kleur verandert naarmate het zich langer in de mond bevindt en kleiner wordt. Het snoepen van een toverbal ging daarom gepaard met het voortdurend uit de mond nemen van het snoepje om te zien of en hoe de kleur veranderd was.
tôoverewerkwoord
toveren
töpkezelfstandig naamwoord
topje
Tornaam
zelfstandig naamwoord
Turfstekers in de Peel törf turf
törkzelfstandig naamwoord
spotnaam inwoner van het stadsdeel Goirke, meer in het algemeen ook inwoner van het noordelijk deel van Tilburg (boven de lijn of aon geene kaant); de benaming is waarschijnlijk gebaseerd op het vaak donkere voorkomen van de arbeiders in de textielfabrieken. Tilburgers bezuiden de spoorlijn werden kaaibuuters genoemd. - Cees Robben; Isser dè eene van t Gurke Tonia...? Nee hörre... dr wordt bij ons ginne Turk vermist... (19560303) - Lèst han ze teege Stekelenburg gezeej dèttie te veul op et gemintehèùs zaat. Hij moes es meej de meense in de stad kènnes gòn maoke. Ze han en afspraok vur em gemòkt bè de Turke. Naa, tweej uurkes laoter wier er gebèld op et gemintehèùs: et wèèksèntrum van et Gurke òn de lijn. Òf den burgemister al onderweege waar? Iè, die waar allang vertrokke. Et ènde van et lieke waar dèsse den burgemister opgescharreld hèbben in de moskeej. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 1997) - Vruuger waar dè aanders. Toen hamme hier meschient wel Törke, mar die waare gewoon gebooren op et Gurke. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2000)
torrezelfstandig naamwoord
toren
zelfstandig naamwoord
Dirk Boutkan (1996) - tórretje; (blz. 51) toore - torretje
torte raopekoeienmest verzamelen
töszelfstandig naamwoord
thuis, tehuis
werkwoord
tèùsslachte thuis slachten meestal opgetekend als zelfstandig naamwoord, de 'tèusslacht'.
zelfstandig naamwoord
tèùswèèver thuiswever, wever die niet in de fabriek werkt maar zijn weefstukken aan een fabrikant uitlevert
tötjezelfstandig naamwoord
tuit
traajfelzelfstandig naamwoord
Hebreeuws: treefa; jiddisch: treife niet-geoorloofd; bijvoorbeeld van vlees dat op onjuiste wijze behandeld is Audio-opname 1978 Dhr. Bertens .èn asse dè hadde dan mooge ze der niks van gebrèùke as dè vastzaat. Dan was die nie traajfel! Jè dè noemde zullie traajfel jè, dès en ötdrukking van de Joode!! (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels traaw, trouw, trouwe het trouwen, het getrouwd zijn, het huwelijk ...in den trouw koom et ongeluk aaltij van den kaant van et mansvolk! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939) ...hij ha wel schrik van 't trouwe, dè wel, want ge wit noot, hoe zoo'n frammes d'r eigen nao d'ren trouw ontwikkelt... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939) Hij ha-g-et al zoo dikkels geheurd, dè 't zachtste lammeke nao den trouw in 'nen draok kan veraandere! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939) ...dan is me de trouw nie vur honderd percent meegevallen. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
traawewerkwoord
Pierre van Beek - vast staat wel, dat zekere Tilburgse Dusée, die een verstokte vrijgezel was - en daarbij een grapjas ook! - de volgende woorden op zijn rekening geschreven ziet. Als er sprake over trouwen was, zei hij steeds: "Ze hebben Onze Lieve Heer gemarteld en gekruisigd mar nog nie laote trouwen!"
traktemèntzelfstandig naamwoord
tractement; meestal het geld dat een man van het weekloon mocht behouden voor zichzelf
traonzelfstandig naamwoord
traan; meervoud 'traone'; verkleinwoord = tròntje, tròntjes traan CR van mannen èn jèùn krèèg ik aaltij de traonen in men ôoge. FVb traone die ge schruwt, hoefde nie te piese FVb traone èn sneevel geeve gin vlèkke levertraan
Bont tro'.n , zelfstandig naamwoord mannelijk 'troo'n', traan, vet of olie v. walvissen - troi-n, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'troo'n', traan (oogvocht)
traonôogezelfstandig naamwoord
traanogen
trapnaam
constructie van opeenvolgende treden; traptrede
traplirkezelfstandig naamwoord
Trappedoeliezelfstandig naamwoord
een van de namen voor Zwarte piet; met
trappeerewerkwoord
betrappen
traveljeurzelfstandig naamwoord
trèèchterzelfstandig naamwoord
trechter
treejzelfstandig naamwoord
trede
treejewerkwoord
treden
Dirk Boutkan (1996) - treeje - traad - getreeje
treejerzelfstandig naamwoord
treder
trèènzelfstandig naamwoord
trein
trèffewerkwoord
Dirk Boutkan (1996) - trèffe - tróf - getróffe
trèkzelfstandig naamwoord
trèkgatzelfstandig naamwoord
tochtige opening
trèkgèldzelfstandig naamwoord
uitbetaald wordt aan degene die bij de eerste verkoping het hoogste bod heeft gedaan)
trèkkewerkwoord
trekken, in uiteenlopende betekenissen. trèkke trok - getrokke
op iets, iemand of elkaar lijken
met ontkenning: nergens op slaan, geen gezicht, waardeloos
geld ontvangen voor onderhoud
tochten
trèkmooniekazelfstandig naamwoord
trèkpèèp
trèkörgelzelfstandig naamwoord
trèkpòtzelfstandig naamwoord
trèktemèntzelfstandig naamwoord
traktement
trèmkezelfstandig naamwoord
verkleinwoord van 'tram', met umlaut trammetje
trènszelfstandig naamwoord
trèpkezelfstandig naamwoord
treurewerkwoord
treuren
vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij treurt
trewêelzelfstandig naamwoord
troffel, kalkscheppertje
dienende om steenkolen, assche, aarde, kalk, steengruis enz. te scheppen
triekoowzelfstandig naamwoord
triestegnaam
triest, droevig
trifkezelfstandig naamwoord
treefje
tripzelfstandig naamwoord
tritszelfstandig naamwoord
trits, drietal Pierre van Beek - dubbele (dòbbele?) trits - iets wat langer duurt dan normaal, bijvoorbeeld Mis met drie heren - mis meej nen dubbelen (dòbbelen) trits D16 dubbelen trits (als iets aan beide zijden meevalt)
troefzelfstandig naamwoord
troef, doorslaggevend element
troefelook genoemd 'kolenschup
troelzelfstandig naamwoord
vleinaam voor een kind, meisje of vrouw
troelazelfstandig naamwoord
tamelijk negatieve kwalificatie van een niet magere vrouw ietwat sullig vrouwspersoon wès dè toch en dikke troela!
troelekezelfstandig naamwoord
vleinaam voor een kind, meisje of vrouw
trofzelfstandig naamwoord
verleden tijd van 'trèffe' trof Foto: Katholieke illustratie ca. 1925 tròg
trokwerkwoord
trok (verleden tijd van trèkke); tochtte, leek DAN- Dialectenquête 1887 Willems - hij trók et pèèrd òn zene stèrt
tròlliezelfstandig naamwoord
tralie, in het bijzonder voor een raam in een gevangeniscel
tromzelfstandig naamwoord
trom, slaginstrument Hij heej al zolang op en trom gestaon DAN- Dialectenquête 1887 Willems - ik kòcht vur de klèène en tr ó m, trómke
tromdraogerTekening van Frans Mandos Tzn - 1945
zelfstandig naamwoord
tromdrager degene die in de harmonie de grote trom slaat
tromkezelfstandig naamwoord
trom, slaginstrument Hij heej al zolang op en trom gestaon DAN- Dialectenquête 1887 Willems - ik kòcht vur de klèène en tr ó m, trómke
trommelkezelfstandig naamwoord
trommeltje
trommeltjezelfstandig naamwoord
trommeltje
tròntjezelfstandig naamwoord
traantje
zelfstandig naamwoord
trôon, trontje troon
troppie kal
troszelfstandig naamwoord
tros As ons taante Sjaan waar gewist, kréég ik dan nog un truske drèùve of enne banaan. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
tròskezelfstandig naamwoord
trostzelfstandig naamwoord
troost
trostprèèszelfstandig naamwoord
troostprijs
zelfstandig naamwoord
trouw het huwelijk, de trouw In et begien van hullië trouw, had et daor hillemol nie op geleken, desse veul kiendjes zon krèège... (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
trouwewerkwoord
trouwen
- De Wijs; Zij is aaltij haontje de veurste gewist, echt bèdehaand; ze vree mee dur zistien al thuîs en mee t trouwen mos ze ôk hard lôope (10-03-1967)
- Pierre van Beek - "Trouwen breekt de huur." Dit houdt verband met de goede gewoonte, die in onze streek nog op de landbouwdorpen bestaat, om de dienstbode en de inwonende boerenknecht voor een vol jaar te huren in mei. Ook het inhuren geschiedt voor een vol jaar. Alleen als er een huwelijk tussen komt, wordt de termijn met wederzijds goedvinden verbroken. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'traawe'
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - zó gaa as ge kaod genoeg gedaon hèt, lot O.L.H, oe trouwe (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - Met het huwelijk eindigt het vrije leven.
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - de irste trouwde öt geneegenhèd, de twidde öt verleegenhèd (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - een weduwe of weduwnaar moet wegens omstandigheden vaak trouwen.
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - aster en vrouw getrouwd òf en pèrd gekòcht wòrdt, moete der nie tusse koome (Kn'50) - met tussenkomst is geen eer te behalen
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - as ge gaot trouwe, moete begiene meej en aaw vrouw èn en jong vèèreke, aanders boerde oover de start (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - ... anders ga je financieel te gronde
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Hè-s meej unne smalle ring getraawd - hij neemt het huwelijk niet zo net
- WBD III.2.2:85 'trouwerij', 'trouwpartij' = huwelijk
trubbelzelfstandig naamwoord
trubbel van het Engelse trouble
trugbijwoord
terug Dan kènd oewèège nie mir terug.
Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - terugkère - terugkeeren DAN- Dialectenquête 1887 Willems - hij kan nie vórt òf trug Dirk Boutkan (1996) - 'stuurt em er mar mee t(e)rug' (zin 100, blz. 99)
bijwoord
Weijnen (De oorzaken in de taalgesch. blz. 13) truchals zinsdeel, tegenover truuguup' als zinwoord.
trugkoomewerkwoord
terugkomen DAN- Dialectenquête 1887 Willems - de zwòleme zulle vórt gaaw trugkoome
trugkoomesbijwoord
op de terugweg
truifelzelfstandig naamwoord
troffel, kalkscheppertje
dienende om steenkolen, assche, aarde, kalk, steengruis enz. te scheppen
trulzelfstandig naamwoord
naam
Bosch trul - mond
trullekezelfstandig naamwoord
kindje, tongetje
naam
Hees trulleke (V:60)
truskezelfstandig naamwoord
tros As ons taante Sjaan waar gewist, kréég ik dan nog un truske drèùve of enne banaan. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
zelfstandig naamwoord
trosje en truske drèùve
verkleinwoord van 'tros', met umlaut
trusselzelfstandig naamwoord
tròs, ris, rist: twee of meer vruchten aaneen
contaminatie van 'tros' en 'bussel'?
trutzelfstandig naamwoord
truufkezelfstandig naamwoord
troef, doorslaggevend element
zelfstandig naamwoord
troefje verkleinwoord van 'troef', met umlaut
truugtussenwerpsel
Weijnen (De oorzaken in de taalgeschiedenis, blz. 13) 'truch als zinsdeel, tegenover 'truughuup' als zinwoord.
truurzelfstandig naamwoord
truurewerkwoord
treuren
tuijewerkwoord
tuien
tuijerzelfstandig naamwoord
Typoscript van een brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965
tuijerewerkwoo rd, zwak
Pierre van Beek - de koej tuijere - de koe langs de berm laten grazen onder toezicht van een begeleider
K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TUIJEREN: de beesten aan een paal in de weide vast binden ten einde zij niet meer zoude kunnen eten, dan zo ver het touw toelaat. Z.a.
tukzelfstandig naamwoord
karaktertrek ene kaoje tuk = een slechte karaktertrek ...'n Keend waor 'ne goeie tuk in zit en dè aaltij 't goei veurbeeld van z'n aawe lui veur oogen hee... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940)
zelfstandig naamwoord
Verh TUK m - erfelyk trekje, meestal ongunstig: 'ne kaoje tuk' - een slechte eigenschap.
tukkewerkwoord
tulaandzelfstandig naamwoord
tultteelt 2e + 5e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'teule', met vocaalkrimping
tundeverleden tijd van 'teune
tungeskezelfstandig naamwoord
tongetje verkleinwoord van 'tong', met umlaut
tungskezelfstandig naamwoord
tong
Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - op de tong - op de tong
zelfstandig naamwoord
tongetje verkleinwoord van 'tong', met umlaut
tunnekezelfstandig naamwoord
tonnetje Dirk Boutkan (1996) - tunneke (blz. 32) verkleinwoord van 'ton', met umlaut
Tunnesnaam
Sint Antonius, Antonius abt, of Antonius de heremiet, die bekend staat als patroon tegen ziekten van het varken
De verzoeking van de Heilige Antonius Hieronymus Bosch; ca. 1468 (Prado, Madrid) Idem: detail Antonius abt werd in Riel vereerd; zijn cultus is nog steeds levendig (2012) in Loon op Zand. Ook Chaam, waar hij vooral als pestheilige [Antoniusvuur = pest] werd vereerd, was voor Tilburgers een Antonius-bedevaart.
Tunnisnaam
Sint Antonius, Antonius abt, of Antonius de heremiet, die bekend staat als patroon tegen ziekten van het varken
De verzoeking van de Heilige Antonius Hieronymus Bosch; ca. 1468 (Prado, Madrid) Idem: detail Antonius abt werd in Riel vereerd; zijn cultus is nog steeds levendig (2012) in Loon op Zand. Ook Chaam, waar hij vooral als pestheilige [Antoniusvuur = pest] werd vereerd, was voor Tilburgers een Antonius-bedevaart.
tuntwerkwoord
de indruk geven (tonen, doch passief) M Hij tunt wèl fèfteg. - Hij wekt de indruk wel vijftig jaar te zijn.
turfzelfstandig naamwoord
turf
turkzelfstandig naamwoord
spotnaam inwoner van het stadsdeel Goirke, meer in het algemeen ook inwoner van het noordelijk deel van Tilburg (boven de lijn of aon geene kaant); de benaming is waarschijnlijk gebaseerd op het vaak donkere voorkomen van de arbeiders in de textielfabrieken. Tilburgers bezuiden de spoorlijn werden kaaibuuters genoemd. - Cees Robben; Isser dè eene van t Gurke Tonia...? Nee hörre... dr wordt bij ons ginne Turk vermist... (19560303) - Lèst han ze teege Stekelenburg gezeej dèttie te veul op et gemintehèùs zaat. Hij moes es meej de meense in de stad kènnes gòn maoke. Ze han en afspraok vur em gemòkt bè de Turke. Naa, tweej uurkes laoter wier er gebèld op et gemintehèùs: et wèèksèntrum van et Gurke òn de lijn. Òf den burgemister al onderweege waar? Iè, die waar allang vertrokke. Et ènde van et lieke waar dèsse den burgemister opgescharreld hèbben in de moskeej. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 1997) - Vruuger waar dè aanders. Toen hamme hier meschient wel Törke, mar die waare gewoon gebooren op et Gurke. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2000)
turkelaandzelfstandig naamwoord
het noordelijk deel van Tilburg; benoorden de spoorlijn
naam
turkslèèr Turks leer
tussevoorzetsel
tussen
tussejaszelfstandig naamwoord
tussenbaajebijwoord
tussenbeide, nu en dan
tussenötbijwoord
tussenuit meestal gebruikt met een werkwoord dat 'weglopen', 'wegrennen' betekent; en waarschijnlijk daarmee een beeld ter vergelijking met het oudere gezegde over een paard dat op hol slaat; met name in samenstellingen met 'pèère'.
tutzelfstandig naamwoord
interjectie
werkwoord
tut-tutzelfstandig naamwoord
alle vindplaatsen met 'geen', en dus in de betekenis: 'het is niet niks', dat wil zeggen: 'het is een grote opgave om...' ...et was ginnen tut-tut om mee zooiets te begiene. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939) "Dè-d-is geenen tut-tut, man!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 5; Nieuwe Tilburgsche Courant 29-10-1938) ..."'t is toch geenen tut-tut om zóó'n lang gedicht in mekaar te draaien... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 9; Nieuwe Tilburgsche Courant 26-11-1938) ...Een en tachtig jaar, 't is geenen tut-tut, ik wil 't er veur doen! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939) De Baokelsche kerk stond te dicht bij de straot; "'n fout van den dommen pastoor", waar de praot. 't Waar geenen tut-tut om
tutterzelfstandig naamwoord
tutterewerkwoord
duimzuigen
Bosch tuttere - drinken; zuigen op een fopspeen; duimen
Limburg) bep. zuipen
tuulzelfstandig naamwoord
tule
zelfstandig naamwoord
t uu reluut Ill. Naumann Dossier Leeuwerik (tuureluut) - Brabantse namen, dialectkaarten, afbeeldingen - citaten - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - kuifleeuwerik, tuureluur (tringa totanus)
Ghijsen (Wdb. Zeeuwse dial.): tuureluut WP-enc. dierenrijk: kuifleeuwerik = galerida cristata
tuutzelfstandig naamwoord
1. politieagent
2. fietsband (tuub, tuup; van Frans: tube) lekke tuut - lekke band (van een fiets)
3. tuit, puntzak
4. voetbal van leder
naam
Ons Jaoneke ha dieje lèère tuut gewonnen, et waar den hoofdprèès van un loterij. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) Enne grôote gezette vent meej ene pens van de grôotste maot lèère tuut (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) 5. mond, beter: tiet
naam
6. bijnaam
tuutewerkwoord
tuuterzelfstandig naamwoord
toeter, toethoorn, claxon
tuuterewerkwoord
werkwoord
Lopte 's aovends bij 't nor huis gaon Sjarels [=de veldwachter] 'ns tegen 't lijf en ie zee, dè-'t net lekt of ge nog al goed getuterd hed, dan zegde mar, dè ge krek oeë teen stotte tegen 'nen utstekenden kaai en 't is lang vur mekare. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929) D'r wier goed bij getuuterd dieën aovond... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939) Pierre van Beek - drinken van een baby; rijkelijk veel alcoholica tot zich nemen Pierre van Beek - hij tuutert goed - hij (de baby) drinkt goed
tuuterkezelfstandig naamwoord
toetertje, speelgoed-blaasinstrument Pierre van Beek - tuuterke (kregen de kinderen met de kermis) (Tilburgse Taaklplastiek 128)
twaalftelwoord
twaalf [zonder svarabhaktivocaal omdat die binnen de eerste syllabe blijft] in de uitdrukking twaalf gooien (met twee dobbelstenen); geluk hebben Die is wèl getrouwd! Mee 'n dochter van Door de Vries en dè wit-ie-zelf ook, want ie hee twaalf gegooid hurre! Krimmeneel wen vrammes is dè! (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929) Pierre van Beek iemand die "twaalf gegooid" heeft, want wanneer de volksmond dit oordeel uitspreekt, kan de betrokkene zich allesbehalve gelukkig prijzen met de andere helft van zijn trouwboekje. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 8 april 1950)
WTT 2012: een opmerkelijke vindplaats beweert echter het tegendeel: - A.J.A.C. van Delft - "Hij heeft twaalf gegooid." Dit is: Hij heeft het (met zijn vrouw) niet getroffen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
twaalfdetelwoord
twaalfde [zonder svarabhaktivocaal omdat die binnen de eerste syllabe blijft]
twalsereejzelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
Verbastering van Franse 'toile cirée' = met was bestreken doek wasdoek, veelal gebruikt als tafelzeil
twaolftelwoord
twaalf
twèègzelfstandig naamwoord
boomknop waaruit scheuten of loten te voorschijn komen jonge tak
tweejtelwoord
twee DAN- Dialectenquête 1887 Willems - de tweej dötsers kwaame nòr bèùte
tweejfèftegtelwoord
tweejzakzelfstandig naamwoord
twèènewerkwoord
twèène - twènde - getwènd (ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij twènt)
twèffelzelfstandig naamwoord
twijfel
twèffelewerkwoord
twijfelen
twènnerzelfstandig naamwoord
twijnder
twènterzelfstandig naamwoord
twiddetelwoord
tweede
zacht van hart en mild van tong... et irste is heel curieus, et twidde meer miraculeus... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Daawe lijster, 1941)
... ons laand euwig de twidde... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Twiddes)
twiddehaansnaam
tweedehands
Mar we zèn wèl frêet op onze Willem tweej. Hij is twiddehaans, mar dè kan ons niks verschille, want in Den Haag zon zum toch niemir wille, ons Heuvels pronkstuk, èn wij doent er gèère meej.
twidderaandenaam
tweeërhande, tweeërlei
twiddestelwoord
als tweede; te laat; ten tweede
bijwoord
Zoo kwaam 't dan dè Jantje [de baanrenner Jan Pijnenburg] en den Bras [en zijn koppelgenoot Braspennincx] - al waren ze in 't geheel twiddes - toch de recordhawers van den 144-minuten koppelwedstrijd geworden zèn... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)
zelfstandig naamwoord
twiet
► http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm - WNT - lemma Tweed 1979 - zelfstandig naamwoord onz., soms de-woord, mv. -s. Ontleening van eng. tweed (sinds 1847); evenzoo bijvoorbeeld in hd., en Frans Het eerst aangetroffen in 1908; de ontleening heeft wsch. reeds vroeger plaatsgehad... Zekere, in bepaalde bindingen geweven kleedingstof, min of meer oneffen, soms genopt, waarin minstens twee verschillende kleuren zichtbaar zijn. De cheviotwol is altijd ruw en in keperweefsel, dat zich dan eens in grove, dan eens in fijne diagonaalstrepen vertoont In plaats van cheviot spreekt men vaak van serge of tweed, V. WESSEM, Kostuumn. 10 [1908]. (Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), Schilderij - Salomon de Bray - 17de eeuw
twidstelwoord
als tweede; te laat; ten tweede
bijwoord
Zoo kwaam 't dan dè Jantje [de baanrenner Jan Pijnenburg] en den Bras [en zijn koppelgenoot Braspennincx] - al waren ze in 't geheel twiddes - toch de recordhawers van den 144-minuten koppelwedstrijd geworden zèn... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)
zelfstandig naamwoord
twiet
► http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm - WNT - lemma Tweed 1979 - zelfstandig naamwoord onz., soms de-woord, mv. -s. Ontleening van eng. tweed (sinds 1847); evenzoo bijvoorbeeld in hd., en Frans Het eerst aangetroffen in 1908; de ontleening heeft wsch. reeds vroeger plaatsgehad... Zekere, in bepaalde bindingen geweven kleedingstof, min of meer oneffen, soms genopt, waarin minstens twee verschillende kleuren zichtbaar zijn. De cheviotwol is altijd ruw en in keperweefsel, dat zich dan eens in grove, dan eens in fijne diagonaalstrepen vertoont In plaats van cheviot spreekt men vaak van serge of tweed, V. WESSEM, Kostuumn. 10 [1908]. (Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), Schilderij - Salomon de Bray - 17de eeuw
twillingzelfstandig naamwoord
tweeling
Meej zon kaante tweeling-pètje/ wè motte daor naa toch meej doen. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Behaa-haandel...)
twisjezelfstandig naamwoord
twistje vD aantal ineendraaiingen van getwijnd garen per lengte-eenheid