t emèntij
bijwoord

Vanochtend

- Een roestpraatje ( Weekblad van Tilburg , 5 oktober 1867): Mer vajer! Ou brudt iet in t heut; k zaag t te mentij aon oe weze
- De Bont - zelfstandig naamwoord (alleen in de verouderde verbinding te mänte heden ochtend, van morgen; Brabantius - te mentie, die het uit te mergentèit ontstaan denkt, in tegenstelling met Van de Schelde tot de Weichsel I, 344 (ook Weijnen, De Nederl. Dialecten blz. 35), waar tementij uit te metten tijd - mnl. te mattintide - wordt verklaard.
t oetsmòp
  1. naam

    De betekenis is niet geheel duidelijk, gezien slechts deze mededeling:

    - 'n Toetsmop" geeft men aan zn kleinste lieveling. De Noord-Brabantsche Tongval, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930.
  2. bijwoord

    toezjoer altijd; uit Frans toujours M'n biekes zie ik geere gaon van blom toe blom, en aaf en aon toezjoer en toepartoe en vlug de blumkes aaf en weer terug (Piet Heerkens; uit: Dn örgel, Iemker-lieke, 1938)

    - Cees Robben; En daornao [ na de kermisweek] ... toezjoer gemaon [rekeningen] van slachter en van bekker... (19540814) - Cees Robben; ...toezjoer zonder end (19600102)
taageteg
telwoord

tachtig

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - onzen oopaa is bekaant taageteg
- Cees Robben; Naa moete meej oew taageteg jaor wir leere lôope;
- Stadsnieuws - Hij is vendaog taageteg gewòrre, mar ge zogget em nie geeve (130509)
- Dialectenquête 1887 Willems - taachetig
- WNT - TACHTIG - Naast tachtig vindt men in het Mnl. en nog lang daarna TACHENTIG en tachtentig, dat het oudste schijnt te wezen.
taageteg
taaj
bijwoord

- WBD taaj mèlke - slechts met moeite gemolken kunnen worden (van een koe)
- WBD en taaje - koe die zich niet gemakkelijk laat melken
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - zó taaj as nen haajwortel (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968)- zeer taai
taaje
werkwoord

- WBD III.3.1:365 taaien, 'smoren' = verduisteren
taand
  1. zelfstandig naamwoord

    tand, tandje

    - Informant Toine Raaijmakers - Ge moet oewe vlêes/vis/pudding/etc.-taand mar öt laote trèkke (dat gerecht is te duur)
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - haor óp der taande
    - Cees Robben; Ik heb en naogelschèrke gehad... ze dènke zeeker dek gin taande mir heb.
    - Zolang ge nooit mee ene mond vol taanden zit... (Tony Ansems,Agge oew mundje goed ruurt; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)
    - Pierre van Beek - nòr zene taand - naar zijn smaak
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - zôo dè gin man er zen taande òn stot - zo dat niemand zich eraan ergert.
    - Cor nelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TAND (Kemp. taand, Ned. a) - tand
  2. Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Jan taand = mr. Van de Mortel (blz. 56)

    - WBD III.1.1:105 'tanden' = gebit;
    - WBD III.1.1:109 'grote tand' = kies
    - WBD III.1.1.109: 'tand van verstand' = verstandskies; ook 'kies van verstand'
    - WBD taande - melkgebit van een kalf, ook genoemd 'melktaande' of 'kalvertaand
    - WBD breej taande - brede tanden van een koe
    - WBD snèjtaande - snijtanden van een koe
    - WBD pèrstaand - (paardetanden) het blijvende gebit van een paard
    - WBD völletaand, vulletaand - melkgebit van een veulen
    - WBD (Hasselt) eegtaand (plur.) - eg-tanden
  3. Pieter Quast Louis Leopold Boilly

taandendòkter
  1. zelfstandig naamwoord

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - tandarts
    taandendòktertaandendòkter
  2. zelfstandig naamwoord

    taandepoets tandpasta

    - Pep-so-dent, 't beste tandenkreeme. Wè's dè, Anneke? "Taandenpoets!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)
  3. Maker onbekend

taandpènt
  1. zelfstandig naamwoord

    tandpijn

    - A.J.A.C. van Delft - "Taandpènt". Dit is: Tandpijn, en zoo zijn er meerdere dier echt dialectische woorden aan te wijzen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'tandpijnt' - tandpijn, kiespijn
    - Cor nelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TANDPIJN (Kemp. taandpijn met Ned. a) zelfstandig naamwoord v. - kiespijn
    taandpènt
  2. naam

    taant- tante

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - Bij Lidwien van ons Taantida, moese alle krullen der [bij de kapper] aon geleuve, dè kostte wè méér tèèd.
taante
zelfstandig naamwoord

tante

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 03 18 - Klèn Kriesje van de buurvrouw / Stond bij ons list vur de deur / Mee'nen bos schòòne tulpen / In allerhaande kleur. // "Zeg taante zeej - wè'k vraogen wô / Kòòpte gij die van mèn? - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'ons taant Ant waar vruug vendaog'
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'taante nunneke' - aanspreektitel voor een tante die non is
- WBD III.2.2.76 'tante = idem; ook 'moet of moetje'
taas
zelfstandig naamwoord

stapel, tas

- Als ik innen taas brood op heb, gebeurt er irst in tèdje niks, mar dan begiene ze, dan gaoget aon t borrelen en aon t giste, aon t rommelen, net als innen vuurspouwenden berg. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- Cees Robben; Verder gaot ie [de wol] op dn taas/ om te dröge.. (19560630) - Cees Robben; Hier kan unne bekker nog is unne taas wegtaase... (19730929) [veel brood leveren in een kinderrijk gezin]
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hij taast nen hillen taas tasse in zen tas - een hele stapel kopjes
- WBD III.4.4:260 'tas = grote hoeveelheid
- WNT - TAS (II) hoop, stapel
- WBD oogststapel (hooi- of graanstapel, binnen het boerenhuis opgeslagen)
- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - Hooitas, Koorntas: Het hooi/koren wanneer het in de schuur is opgestapelt. Op den hooitas slapen: boven op het hooi slapen.
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TAS (taas) m - opgestapeld hooi, stro of koren.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ta.s, zelfstandig naamwoord mannelijk 'taas' - tas, hoop, stapel; verkleinwoord 'ta'ske(n)'
taase
werkwoord

tassen, opstapelen, tasten; geen vocaalkrimping

- Dialectenquête 1887 Willems - taasse
- WBD tasrömte - tasruimte in de schuur (bergruimte van de dorsvloer gescheiden door het tasmuurtje); ook 'gebónt' genoemd
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hij taast nen hillen taas tasse in zen tas - een hele stapel kopjes in zijn tas
- Cees Robben; Dn deugdelijken staot/ van de stof wel kunnen taasten... (19560630)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 03 28 - "'t Kan me nie schille wè'k moet doen / Spaoje of stèène taasse / Mee olliebolle langs de deur / Of op de kiendjes paasse."
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TASSEN niet alleen m.b.t. hooi e.d., maar ook voor laden, pakken in het algemeen.
- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TASSEN: ophopen
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - tassen, opstapelen, ophopen
taast
zelfstandig naamwoord

tast, gevoel

- Cees Robben; 'op 't gevuul en op dn taast' [datum?]
taatemiddag
  1. bijwoord

    in de namiddag

    - Cees Robben; As dè ons taante Tonia testag-taate-middag komt... (19710604) [Of dat tante Tonia dinsdag na de middag langskomt..] - Cees Robben; Hoeneer komde wir... Beschient n testag-taatemiddeg.. (19760423)
    - Stadsnieuws - Taatemiddag zèèk nie tèùs, mar taovend kunde wèl koome. (160809)
    - WBD III.4.4:124 'te achtermiddag', 'middag', 'te middag' = namiddag ; uit: te - achter - middag?
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - taatemiddag bijwoord - vanmiddag
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ATEMIDDIG - achtermiddag, 'nen atemiddig' is een bepaalde werktijd, een schof tussen middageten en vier uur (frure); ontstaan uit 'aftermiddag': 's atemiddigs - in de namiddag! t'atemiddig - op deze namiddag.
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - geeft 'taatermiddeg' voor Casteren, Riel en Goirle
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TACHTE(R)NOEN - dezen namiddag
  2. zelfstandig naamwoord

    taawhoer samentrekking van et en aawhoer, waarmee de pastoor wordt bedoeld.

    - En witte wè wij ok zin? Dè de pestoor de mis deej op Taltaar, mar assie op de prikstoel klom veraanderde-n-ie in Taawhoer. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
tabbernaokel
zelfstandig naamwoord

tabernakel; eigenlijk: de rijk versierde kast (onderdeel van het altaar) waarin het Allerheiligste bewaard wordt; oorspronkelijke betekenis: tent (zie Van Dale); van daaruit in het Tilburgs metaforisch gebruikt.

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont) in: Groot Tilburg 1941 - ..in paor kaoi honden han um hil zn broek van zn tabbernaokel afgescheurd...
- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - schap, spie
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - deftige woning; groot decolleté
- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ze heej der tabernaokel oope staon; ene rèùmen inkèèk
- Stadsnieuws - Ze zaat meej der tabbernaokel òn de kemuuniebaank èn de pestoor wies nie wòr dèttie kèèke moes - ... met haar décolleté ... (280210)
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - tabbernaokel zelfstandig naamwoord - tabernakel, schap
tabbernaokele
werkwoord

- Pierre van Beek - zich mooier voordoen dan de werkelijkheid
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TABERNAKELEN - hetz. als schilderen, lang blijven wachten.
- WNT - TABELNAKELEN - vertoeven, huizen; gewoonlijk met de bijgedachte dat men niet spoedig heengaat; blijven vertoeven
tadderak
zelfstandig naamwoord

- WNT - TAD, TADDE, blijkbaar behoorende bij 'tod', hetzij 't een gewestel. vorm hiervan is, of, met 'tod' van onomatopoëtischen aard. Thans alleen ten N. van het IJ bekend, 1) Tod, vod, slordige lap. 2) Smerig wijf, tod; ook als scheldnaam in het alg. voor een vrouw. Afl.: tadderig; samenst.: taddemoer.
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - wè hèk tòch tadderakke van kaort - wat heb ik toch slechte kaarten!
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'tadderak, tannerak' - slechterik, ondeugd
- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - vod
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
taffele
werkwoord

- WBD III.1.2:116 'taffele', 'aftaffele' = gaan, lopen; ook 'voeteren [uitgesproken: voeteere]
taffeletaffele
takkeling
zelfstandig naamwoord

vink; met name jonge vinken die nog niet goed kunnen vliegen maar wel van tak naar tak springen

- Cees Robben; Ik heurde van dn tuureluut/ van takkeling en waol (19600708)
- WBD vink van net geen jaar oud die nog geen winter beleefd heeft
- WBD III.4.1. takkeling - vink, ook wel 'trekvink' of waalvink genoemd
taks
zelfstandig naamwoord

- WBD III.3.1:339 'taks = belasting
tang
  1. zelfstandig naamwoord

    tang

    - Dirk Boutkan (1996) - dim: tangeske, tangske, tangetje (blz. 55)
    - WBD III.1.4:111 'tang' = gemene vrouw
  2. zelfstandig naamwoord

    tantemèrgo verbastering van het misgezang Tantum Ergo -> tante Margo. Dergelijke verbasterde gezangen staan bekend als 'Wilde vespers'. De oorspronkelijke tekst: Tantum Ergo sacramentum Veneremur cernui Et anticum documentum Novo cedat ritui

    - Wim van de Wouw (CuBra; ca. 2005): Op het Tantum ergo zongen mijn neefjes uit Tilburg de volgende variant waar ik maar een klein stukske van herinner: Tante Margo, zak mee krenten/ Fijne rijst mee selderie/ En antieke dooie mensen/ Nova Zembla ver van hier. - Dörrem zongde zen bist de Marialiekes meej, èn ok et Tantemèrgoo. Dè waar wèdaanders as ons taante Sjaan. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005)
taofel
  1. zelfstandig naamwoord

    - Cees Robben; De taofel stao hil de tèèd te hukkele... (19660826)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - tafel (rekenkundig)
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Op krt.61 ligt punt T juist ten Westen van de lijn ten Oosten waarvan vocaalverkorting optreedt; dit houdt in dat er op T's gebied ook 'tôffel'
  2. gezegd zal worden, naast 'taofel'

  3. zelfstandig naamwoord

    tafel We zaate meej zissen on tòffel.

    - N. Daamen - Handschrift 1916 - 'toffel' - tafel
  4. M taofel

    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Volgens krt. 61 ligt punt T juist ten westen van de lijn ten oosten waarvan klinkerverkorting optreedt, hetgeen inhoudt dat op T's gebied naast 'taofel' ook wel 'tòffel' gezegd zal worden.
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'op vloer en toffel'; èn wè stòn de tòffels vól
    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - zowel 'taofel' als 'toffel'
    - Cees Robben; driederhaand sórt gruuntes óp tòffel;
  5. WvM 'en t van dees toffel'

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dije lange lummel kan bij Onze Lieven Heer op tòffel kèèke
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - speule meej et mis op tòffel
    - Nao ut opstaon saom òn toffel/ Mee wè spekvet in de pan. Uit: Bè de wèèvers òn tòffel, Ad van den Boom, circa 2005
    - As smiddaags de fubrieksflûit gong/ Stond ut eete op de toffel klaor Uit: Bè de wèèvers òn tòffel, Ad van den Boom, circa 2005
  6. zelfstandig naamwoord

    Ok laag der vort un toffelklééd op de toffel. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) Siendereklaos reej vur die klèèn nog op toffel. Ze han nog gin benul van suppriese maoke. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) Bij ons taante Gerrie kosse wij aaltij ons bêen meej onder de toffel schèùve (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

taofeltje
  1. zelfstandig naamwoord

    - Cees Robben; De taofel stao hil de tèèd te hukkele... (19660826)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - tafel (rekenkundig)
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Op krt.61 ligt punt T juist ten Westen van de lijn ten Oosten waarvan vocaalverkorting optreedt; dit houdt in dat er op T's gebied ook 'tôffel'
  2. gezegd zal worden, naast 'taofel'

taol
zelfstandig naamwoord

taal, taaltje

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'taol van men Brabant'
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'want óns taol verstòn ze nie
- Cees Robben; Hier klonk er ons taoltje zo sappig en mals... (19571221)
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007 - Et waar un gemeenschapskamp van wel tien afdêelinge van et jongensgilde öt hil et laand. Et ideaal; un sôort verbroedering, tusse de jongeren kon daordeur ontstaon. Daor is wèènig van terèèchte gekoome. Ze verstonde dè taoltje van ons nie en wij vonde dètter ene hôop kak bij zaat, bij die aander dan. Wij zaate nie te wòchte op kak en dè Hollands dè öt hullië bek kwaam, vonde wij mar aonstellerij, ge kost toch ok gewoon praote.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'taol' - taal, stem
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - taol zelfstandig naamwoord - taal, spraak
taole
werkwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - talen, verlangen
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Hè tolt ur nie naor' - Hij heeft er geen behoefte aan.
taoltje
zelfstandig naamwoord

taal, taaltje

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'taol van men Brabant'
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'want óns taol verstòn ze nie
- Cees Robben; Hier klonk er ons taoltje zo sappig en mals... (19571221)
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007 - Et waar un gemeenschapskamp van wel tien afdêelinge van et jongensgilde öt hil et laand. Et ideaal; un sôort verbroedering, tusse de jongeren kon daordeur ontstaon. Daor is wèènig van terèèchte gekoome. Ze verstonde dè taoltje van ons nie en wij vonde dètter ene hôop kak bij zaat, bij die aander dan. Wij zaate nie te wòchte op kak en dè Hollands dè öt hullië bek kwaam, vonde wij mar aonstellerij, ge kost toch ok gewoon praote.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'taol' - taal, stem
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - taol zelfstandig naamwoord - taal, spraak
taomelek
bijwoord

tamelijk

taotele
werkwoord

- WBD III.1.2:221 'tatelen = ijlen
taotòlf
  1. zelfstandig naamwoord

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - (of: tòtòlf) - gaperd, sufferd
    - Informant Toine Raaijmakers - sul
    - Pierre van Beek - "Wè ne taotolf! Hij kan nie uit zun soepers kijken!" - Wat een sufferd is dat! Hij ziet niet, wat er om hem heen gebeurt. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959)
    - Cees Robben; Kek uit oew soepers.... golliepaop..! Tut-tut-tut-mar.... taotolf..! (19560211) - Cees Robben; Ik heb liever degge den Haaikese toren omstôôt as degge menne borrel leeg kwaanselt.. taotolf... (19820402)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'tut tut tut, taotòlf' - hou je gemak, sufferd
    - Stadsnieuws - Meej dieje Taotòlf valt gin rèèchte voor te ploege (031206)
  2. naam

    Mar wieste ok dè ene sufferd/ hier ene taotòlf is? (Henriëtte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blèève haawe, 2007)

    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - taotolf, totof - sufferd
  3. Hees taotolf (III:42)

    - WNT - TATOLF - 1) sukkel, sul; 2) pop waarop een kleermaken een kleedingstuk past
    - De Jager - Nieuw archief voor Ned. taalkunde (1855/56): tot - lap, vod. Gelijk nu in het Midden Hoogd. olf een individu aanwijst, zoo ook tot-olf, zijnde de ledeman van den kleermaker.
taovend
bijwoord

vanavond (uit: te avond

- Cees Robben; Mar t is taovend wir niks toe den botteram... [vanavond op droog brood naar bed] (19651022) - Cees Robben; Onze Jaones moet taovend wir overwerke... (19671117)
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TAVEND, T'AVEND bijwoord - dezen avond, de avond die aanstaande is.
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - taovend bijwoord - vanavond
- WNT - T'AVOND - TAVOND - thans alleen nog in Z-Nederl. en enkele streken van N-Nederl.
taovend
tas
  1. zelfstandig naamwoord

    kopje, kommetje om uit te drinken v an Frans 'tasse', kopje

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007 - Dan han ze wir teveul zéép gebrökt bij et omwaase van de tassen of te wèènig waoter, êen van tweeën.
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TAS v. - kopje voor koffie of thee; soms ter vermijding van 'kumke'.
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - TASSE - tas, zelfstandig naamwoord vr.: eene tas koffie
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TAS zelfstandig naamwoord v. - hetz. als Frans tasse - drinkkommetje
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - tas zelfstandig naamwoord - kopje
  2. Thee

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd). 'Kareltje Vinken', feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)...zet 'ns 'n tas thee veur Van Halderen.
    - Cees Robben; k Lus tèènemekaare wel tien tassen thee... (19631108)
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007 - gullie lust zeker wel un taske thee meej un beschötje?, zi mevrouw, et aawmeut.
    - Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007 - Ons Thea en ons Trees goote de thee in de tassen, et hiete nog gin kumkes, die al klaor gezet waare.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - Een tasken thee is te Breda bij den burgerstand even zeer in zwang als een baksken thee of bakje. Van het Fransche 'tasse'.
  3. K offie

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), 'Oome Teun als opvoeder'; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940 - ...taante Hanna ha al daolijk meelije mee 'm en gaaf 'm 'n tasch koffie mee suiker. - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), 'De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 27-1-1940 17-2-1940) - De pastoor zaat bij z'n tas koffie en waar efkes ingedut... - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939) - Toen ze in de boerenherberg aon et ven 'n taske koffie gedronken ha'n... - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007) - Ik lus wel un tas koffie, as ik et toch vur et zegge heb en liefst meej twee klontjes, assik zôo brutaol maag zèèn.
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit 't klokhuis van Brabant 5, 7 en 14-11-1929 - "'t Is freet koud, hè Kubke", zee ze, zodde nie 'n tas koffie lusse; 'k hè precies 'n vorsch bekske gezet. 'k Zeg gère meid, as ge men 'n tas koffie gift, zède de biste op één nao. - Cees Robben; ... En vat meepassaant n tas koffie Fons...... (19560224) - Cees Robben; En spuul de smaok meej overleg/ voldoan dur n tas koffie weg... (19600624)
    - Cees Robben; Luste göllie sewèèle n tas koffie.. Ik neuk 'm aanders toch mar in den gôôtsteen.. (19720804)
  4. Figuurlijk

    - WTT 2013 - Tas koffie was ook gangbaar om aan te duiden dat een vrouw al zo vaak in het kraambed had gelegen dat ze de komende bevalling geen enkel probleem vond: - Cees Robben; Ik doeget vur n tas koffie... (19681206) [In een prent over een inzamelingsactie die in Goirle gehouden werd om een moderne kraomkliniek in te richten in missiegebied Kongo.]
taske
  1. zelfstandig naamwoord

    kopje, kommetje om uit te drinken v an Frans 'tasse', kopje

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007 - Dan han ze wir teveul zéép gebrökt bij et omwaase van de tassen of te wèènig waoter, êen van tweeën.
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TAS v. - kopje voor koffie of thee; soms ter vermijding van 'kumke'.
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - TASSE - tas, zelfstandig naamwoord vr.: eene tas koffie
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TAS zelfstandig naamwoord v. - hetz. als Frans tasse - drinkkommetje
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - tas zelfstandig naamwoord - kopje
  2. Thee

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd). 'Kareltje Vinken', feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)...zet 'ns 'n tas thee veur Van Halderen.
    - Cees Robben; k Lus tèènemekaare wel tien tassen thee... (19631108)
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007 - gullie lust zeker wel un taske thee meej un beschötje?, zi mevrouw, et aawmeut.
    - Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007 - Ons Thea en ons Trees goote de thee in de tassen, et hiete nog gin kumkes, die al klaor gezet waare.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - Een tasken thee is te Breda bij den burgerstand even zeer in zwang als een baksken thee of bakje. Van het Fransche 'tasse'.
  3. K offie

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), 'Oome Teun als opvoeder'; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940 - ...taante Hanna ha al daolijk meelije mee 'm en gaaf 'm 'n tasch koffie mee suiker. - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), 'De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 27-1-1940 17-2-1940) - De pastoor zaat bij z'n tas koffie en waar efkes ingedut... - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939) - Toen ze in de boerenherberg aon et ven 'n taske koffie gedronken ha'n... - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007) - Ik lus wel un tas koffie, as ik et toch vur et zegge heb en liefst meej twee klontjes, assik zôo brutaol maag zèèn.
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit 't klokhuis van Brabant 5, 7 en 14-11-1929 - "'t Is freet koud, hè Kubke", zee ze, zodde nie 'n tas koffie lusse; 'k hè precies 'n vorsch bekske gezet. 'k Zeg gère meid, as ge men 'n tas koffie gift, zède de biste op één nao. - Cees Robben; ... En vat meepassaant n tas koffie Fons...... (19560224) - Cees Robben; En spuul de smaok meej overleg/ voldoan dur n tas koffie weg... (19600624)
    - Cees Robben; Luste göllie sewèèle n tas koffie.. Ik neuk 'm aanders toch mar in den gôôtsteen.. (19720804)
  4. Figuurlijk

    - WTT 2013 - Tas koffie was ook gangbaar om aan te duiden dat een vrouw al zo vaak in het kraambed had gelegen dat ze de komende bevalling geen enkel probleem vond: - Cees Robben; Ik doeget vur n tas koffie... (19681206) [In een prent over een inzamelingsactie die in Goirle gehouden werd om een moderne kraomkliniek in te richten in missiegebied Kongo.]
te
bijwoord

in, naar; te Hij leej te bèd. - Hij ligt in bed. Gao mar gaa te bèd. - Ga maar gauw naar bed. Ik zaag em daor te zitte. te middag, taovend - vanmiddag, vanavond

- Cees Robben; En wè eten we te middag (19680510)
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - te vèld gaon - ergens op uitgaan, op afgaan
- WBD III.4.4:124 'te middag' = namiddag
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TE, T' voorzetsel - Wordt gebezigd in tijdsbepalingen: Te middag, t'avend; te neer - neder, omver; te pas - gesteld.
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - te voorzetsel - te
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - te, vz, tijdaanduidend: t'aovend, te middeg; distributief: - per honder gulden te man (met variant 'de', waaruit 'te' ontstaan is.); graadaanwijzend bijw.: te zeer

interjectie (kindertaal?)

- N. Daamen - Handschrift 1916 - "tè tè - dankje"
tebak
zelfstandig naamwoord

tabak

- prömtebak, rôoktebak
- Gezegde: Tebak haole bij Woestenbèèrg (smoesje bij afwezigheid.)
tèbbes
  1. zelfstandig naamwoord

    hoofd, kop Waast oewe knöst onderhaand marrus, get aommol schieffeltjes op oewe tebbus! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - ene kaole tèbbes - een kaal hoofd
    - Cees Robben; De vliege breke de been op zo'n kaol tebbes (Prentepraot 24)
    tèbbestèbbes
  2. Bosch tèbbes - hoofd (m.) Houwt oewen tèbbes! Hou je mond!

tèdje
  1. zelfstandig naamwoord

    poosje, tijdje

    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - en tèdje
  2. zelfstandig naamwoord

    verkleinwoord van 'tèèd', met vocaalkrimping

    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Kaart 101 sluit 'tèdje' niet uit, evenmin als 'wèltje' en 'èfkes'.
tèds
  1. zelfstandig naamwoord

    tijds

    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - tèds genóg - tijd genoeg
  2. tèds zat - tijd genoeg met genitief-s (gen. partitivus) Piet van Beers oope klosterdag: Ik heb tèds genog, ik heb al lang pesjoen... (Spoeje doemmeniemer; 2009)

teebeesee
zelfstandig naamwoord

tuberculose

- De Wijs; Ik zeg aaltij mar dèt veur de teebeecee is, dan geven ze t mist (17-08-1964)
teeblom
  1. zelfstandig naamwoord

    theebloem 1. violier

    - WBD III.2.1:431 teeblom = violier (Matthiola incana): De violier (Matthiola incana) is een sierplant, meestal met langwerpige, gaafrandige bladeren, die grijsachtig kunnen worden door de dichte beharing. De bloemen zijn verschillend gekleurd, meestal paarsrood, maar niet geel. De plant is dik van blad en heeft vaak dubbele bloemen. Ze bloeien in het voorjaar en in de nazomer. WTT 2012 - ondanks deze opgave van het - WBD lijkt het niet waarschijnlijk dat deze gecultiveerde bloem de naamgever is van de theebloem (teeblom) in Tilburgs verleden.
  2. naam

    2. Duizendblad Duizendblad - Achillea millefolium Is waarschijnlijk de in Tilburg breder verbreide aanduiding voor teeblom, theebloem. Het betreft dan Achillea millefolium L., door Heukels gesignaleerd als Theebloemeken en Theeblommen. Geen bloem maar een veldplant met medicinale eigenschappen: tèèd, tèdje, tije zelfstandig naamwoord tijd 'n Tèdje gelejen... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit 't klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - den halven tèèd - zo nu en dan
  3. Uitdrukking: Ge gaot nie vur oewen tèèd. - Je sterft niet voor je tijd.

    - Informant Toine Raaijmakers - öt de tèèd zèèn = dood zijn
    - Informant Toine Raaijmakers - De tèèd òn oew èège hèbbe - volop tijd hebben
    - WBD oover tèèd zèèn - de drachtigheidsperiode overschreden hebbend; men zegt ook ... 'draogt oover'
    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - tije = tijden
    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - tèds genóg - tijd genoeg = tèds zat - idem
    - Cees Robben; Man ge bent nie bij den tèèd... (19580315) - Cees Robben; Waor de tèèd is blèèven steken (19590905) - Cees Robben; Waor is de tèèd gebleven... (19591219) - Cees Robben; Dn tèèd die zal t oe leere (19600916)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hij heej de tèèd òn zenèege - hij heeft niets te verletten
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - tèèd (krt. 24)
  4. Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Hallef zunne tèèj', waar ie nie op tèèt' - Meestentijds was hij niet op tijd
  5. zelfstandig naamwoord

    WTT - mondelinge mededeling - Grôote tèèd speule: zich groter voordoen dan men is, opscheppen; hij spulde grôote teed. Gehoord in de jaren '60.

    - WBD III.1.4:5 'iets beheersen' = 'bij de tijd zijn'
    - WBD III.4.4:130 ' tijd', 'tijdje', 'tij' = poosje
    - Grôot diktee van de Tilburgse taol 08 Waor is de tèèd gebleeve dètter
tèèd
  1. bijwoord

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - toentertijd, destijds
  2. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

teege
  1. bijwoord

    tegen Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - tege Korsemis

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - tis ammol dwars teegen et regeur in - tegen de regels in
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - De kónt teege de krib gôoje - Onhandelbaar doen (niet meegaand zijn)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - teejge bijwoord - tegen, tegemoet
    teegeteege
  2. werkwoord

    teegekwèèke vervoegde vormen zijn niet aangetroffen tegenkwijken, protesteren, van repliek dienen

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 03 31 - En as gij wir aon 't maauwe gaot / Za'k niemir teegekwèke.
  3. werkwoord

    teegelôope tegemoet lopen, gaan

teegenaon
bijwoord

tegenaan der teegenòn pèère - erop slaan der teegenòn gaon - flink aanpakken

- Cees Robben; Vurdè et erteegenòn gao, wèffer blómme wilde óp oew graf?
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - waor moeide oewèègge teegenaon? - waar bemoei je je mee?
teej
  1. zelfstandig naamwoord

    thee Toe teej toe haj bèm - Zelfs thee had hij bij zich

    - Gezegde: teej meej puntjes - slappe thee
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - meej slappe teej óp kunde hard lôope èn schèèrp kèèke
    - Cees Robben; En dan gaon we bij omas thee-leppen... (19640228)
    - Audioregistratie 1978 - Ik kan van teej ok wel ouwoeren hor! Mar van en borreltje gaoget wèl gemakkeleker! Oôo jè! En zachte wènk, hi! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
  2. zelfstandig naamwoord

    Èn dan en, en paor flèsse teej meegenoome èn dan teej op was dan ginge we bij den boer, daor was nòg enen boer, ginge we meej de flès ginge wij bij den boer waoter haole! [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015] Cheiranthus cheiri / Erysium cheiri - bron: Wikipedia 2013 teejblom

    - WBD III.4.3:355 teejblom - muurbloem (Erysimum cheiri)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - muurbloem (Cheiranthus cheiri)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - teejbloeme zelfstandig naamwoord muurbloemen
  3. Wikipedia 2013 - De muurbloem (Erysimum cheiri) is een vaste plant uit de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae). Het is een soort die niet alleen in het wild voor komt, maar ook veel wordt gebruikt als sierplant. De plant is afkomstig uit het oostelijke deel van het Middellandse Zeegebied. De muurbloem komt in Nederland voor op oude muren van kerken, ruïnes, stadswallen en forten.

teejbròkke
  1. zelfstandig naamwoord

    karamels, borstbollen

    - WTT 2013 - suikerwerk / snoepjes; de bekendste zijn de 'Borstbollen' van het Belgische merk Wycam's. - Waarom borstbollen 'teejbròkke' werden genoemd is (nog) niet duidelijk. 'Borstbollen' werden beschouwd als een middel tegen hoest.
    - Wikipedia 2013 - Wycam's borstbol is de naam van een snoepje op basis van suiker en glucose. Het woord Wycam's is een merknaam. Deze snoepjes worden al bijna 60 jaar volgens hetzelfde procedé gemaakt. Verschillende suikersoorten worden gekookt tot een dikke stroop. Deze wordt gevormd tot een dikke draad en wordt vervolgens tot vierkante snoepjes geslagen met bovenaan een kussenvormpje. De Wycam's borstbollen worden sinds het begin van de productie verpakt in blikken bussen van 325 gram. Deze blikken bussen met rode en witte kleuren zien er al 60 jaar hetzelfde uit. Slechts het witte deksel werd rond 2006 vervangen door een rood deksel. Deze borstbollen worden te Kalmthout gefabriceerd door de familie Wyckmans. Wycam's borstbollen zijn erkend als Antwerps streekproduct.
  2. zelfstandig naamwoord

    teejtèùn theetuin; Theetuin, naam van een uitspanning

    - Interview Jolen - 1978 - Gebeurde es ôot, mar nie veul, nèè, dè wèrd vruuger nie gedaon (schoolreisje) jè, en ènd de wèg op nòr de teejtèùn òf zôo, nòr de teejtèùn op den Bosscheweg èn op Körvelop de Rielseweg! (transcriptie Hans Hessels, 2013)
tèèk
zelfstandig naamwoord

lastige vrouw

- N. Daamen - Handschrift 1916 - "O!' 't is zo'n taik (lastig wijf)"
têeke
zelfstandig naamwoord

teken, sein, signaal

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - têeke
tèèl
zelfstandig naamwoord

- WBD (Korvel:) rij mesthoopjes (op een akker)
- N. Daamen - Handschrift 1916 - "teil of tail -(keukengerief)"
- Toen waare de kènder, de kènder waaren em ammel ònt plaoge. Teege die, die, die deur ònt schuppe. Hij komt meej zen tèèl waoter bèùte gelòope, nòr de kènder gôoje èn daor laag ie zèllef meej den èmmer waoter, ha, ha, ha, ha! [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]
- WBD (III.2.1:329) tèèl - wastobbe, ook 'wastèèl'
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - te.l, zelfstandig naamwoord mannelijk 'teel', 'tijl' - lange rij hooi die met een reek in twee tegengestelde richtingen tegen elkaar geslagen is.
- WNT - TIJL - rij, reeks, thans nog in bepaalde toepassingen (korenschoven, hokken op een land )
tèèm
zelfstandig naamwoord

tijm

têen
  1. zelfstandig naamwoord

    teen (lichaamsdeel)

    - Cees Robben; Moeder, ik weet nie wek moet doen... Dan spult mar mee oew teen tot vermaok van oew hielen... (19821119)
  2. jonge tak

    - WBD III.4.3:127 têen - wilgenteen; ook genoemd: baand of twèèg
    - WBD III.4.3:74 têen - loot, nieuw uitgelopen twijgje; ook genoemd: schòt, uitschieter, loot of uitloper
    - WBD III.4.3:75 têen - twijg, jonge tak; ook genoemd: wis, twijg, tak, takje, rijs of scheut
    - WBD III.2.3:84 - klein teentje 'boerenteen' = jonge tuinboon
  3. zelfstandig naamwoord

têen èn taander
naam

het een en ander Kómt óns taante Too naa taatemiddag nòg meej têen èn taander? Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Daor din ze zogezeej in e zèg et es gauw ints..ts..tsgòdvernondejuudie gebrökte ze zogezeej vur e vur middelsèène, vur têen èn taander gebrèùke (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels

têene
  1. zelfstandig naamwoord

    teen (lichaamsdeel)

    - Cees Robben; Moeder, ik weet nie wek moet doen... Dan spult mar mee oew teen tot vermaok van oew hielen... (19821119)
  2. jonge tak

    - WBD III.4.3:127 têen - wilgenteen; ook genoemd: baand of twèèg
    - WBD III.4.3:74 têen - loot, nieuw uitgelopen twijgje; ook genoemd: schòt, uitschieter, loot of uitloper
    - WBD III.4.3:75 têen - twijg, jonge tak; ook genoemd: wis, twijg, tak, takje, rijs of scheut
    - WBD III.2.3:84 - klein teentje 'boerenteen' = jonge tuinboon
  3. zelfstandig naamwoord

tèène
  1. zelfstandig naamwoord

    samentrekking van het einde of 'ten einde' het einde (van), tot het eind, aan het eind, teneinde figuurlijk: doodop, uitgepunt, buiten adem; blut zijn 1. letterlijk

    - Informant Toine Raaijmakers - Ge gaot irst toe tèène de straot
    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - uitdr. toe tèène toe - tot het (bittere) einde
    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'Ge kunt die straot nie teine loopen'
    - Cees Robben; En vur dè ge t wit... is ie [de dag] tèine (19561222)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 01 03 - D'r is wir 'n jaorke tène / Wir twaalf maonden zèn vurbij - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 07 10 - Mar agge dan vekaansie hèt / Is 't goei weer ineens tène. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 03 18 - Gelukkig is de wènter / zó zuutjesaon wir tène... - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 62 11 02 - Dn bloeitèd is wir tène. - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - van hier et tèène toe daor et tèène toe is gelèèk et mèn - zover je kijken kunt is alle grond van mij [ ontlening aan Cees Robben]
  2. 2. figuurlijk Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

    - Cees Robben; Tiest Vermeeren haoj n kiepke... / En die preutse pik-madam/ Leej n aaike... en t woog zuiver.../ Honderd-vijf-en-sistig gram.../ Naor daffaire waar t kiepke/ iet of wet begerbeleurd.../ Teine aojem.... nogal wiebus.... (19560428)
    - Cees Robben; Geld geld... (...) ik ben ôôk onderaand tèène (19730824)
  3. bijwoord

    Aanvullende bronnen

    - WBD keerstrook / wendakker (strook grond aan het uiteinde van een akker, waar de ploeg gekeerd wordt), ook genoemd: 'tèènerug', 'dwarsrug', rug' of 'vurft'
    - WBD III.1.4.318 'ten einde' = gereed
    - WBD tèènerug = tèène
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - (onder Eind) 3) in enkele uitdr.: tèène - aan het eind, afgelopen; ook wel: doodmoe, aan het einde van zijn krachten; ik zé tèène; tèènenaon - op het einde, aan het andere einde.
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TENDEN, TEINDEN vz/bw - ten einde, aan het uiteinde; uitgeput van krachten; ik ben tenden asem van 't danig hoesten.
  4. zelfstandig naamwoord

    têenebèèter tenenbijter

    - WBD III.4.2:178 lemma Watertor - De larve van de geelgerande watertor noemt men teenbijter in het Antwerps Wb. 3 en tenenbijter in het N.- Antwerps Wb. en Deurne Wb.
    - Sjef Paijmans We leerden wat de Geel Gerande Watertor was, de Waterschorpioen en de Zwarte Watertor. Maar wij hadden voor die torren en torretjes onze eigen namen. Een schrijvertje was voor ons een schotelwasserke; en de verschillende larven bleven voor ons viskesfreters. De waterschorpioen, een tenenbijter en de rivierprik, een negenoog en bloedzuigers waren eggels. ('Herinneringen'; CuBra, ca. 2003)
tèènehaawe
werkwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - korthouden, weinig vrijheid geven
tèènehaawetèènehaawe
tèènemekaare
bijwoord

meteen, onverwijld Vraogt òf dèttie tèènemekaare komt. - Vraag of hij meteen komt.

- Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'teine bekare'; 'teinebekare'
- Cees Robben; k Lus tèènemekaare wel tien tassen thee... (19631108)
- Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990) - t'Is euwige sund van mun voske ! Ik gao merrige tènemekaar un nuuw haole.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 05 06 - Ze wies zo nie tènemekaar / Wèsse naauw kiezen zô... - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 12 05 - Ik denk dek daor tènemekaar / Mar efkes naor gao kèken. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 10 16 - "Zòiets dè heurt tènemekaare / Gin virtien daoge naoderhaand." - Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - As ik t doe, doeket tènemekaare (04-07-1969)
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - (onder Eind) tèènemekare - vlak achter elkaar, direct aansluitend, zonder uitstel, onmiddellijk: ge moet tèènemekare komen; ook: aachtermekare.
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - tèèmekaare - achtereen
tèènenaovend
bijwoord

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - tegen het einde van de avond
tèènenêen
bijwoord

meteen, achtereen

- N. Daamen - Handschrift 1916 - "taineneen - achtereen"
tèènenòssem
naam

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - buiten adem
tèènerug
zelfstandig naamwoord

- WBD keerstrook / wendakker (strook grond aan het uiteinde van een akker, waar de ploeg gekeerd wordt; ook genoemd 'tèène', 'rug', 'dwarsrug' of 'vurft' c.q. 'vurènd'
têentrèèjer
zelfstandig naamwoord

- WBD paard met naar binnen gedraaide hoeven, ook 'toontrèèjer' genoemd
tèèr
zelfstandig naamwoord

teer

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - tèèr (Tilb. ged.), taar(s)' / 'taor(s)' oostel. Midden-N-Br.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - TEER zelfstandig naamwoord mannelijk Frans: goudron
tèèraovend
zelfstandig naamwoord

teeravond; avond waarop verenigingen (jaarlijks) feest vierden van opgespaard geld; vergelijk 'potverteren' [De gildes] "St. Jurris" hee z'ne teiraovond gehad en "Sinte Ketrien" ôk al... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30) "Sinte Ketrien" hô dan d're traditioneele teirdag. 't Vurspel van 't fist begon 's mergens om negen uur toen we allemol, pontificaol uitgedost - dè wil zeggen mee 't wit visje en den oranje sjerp aon en den hoogen hoed op - nor de Mis gewist zèn... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - feestavond in een café, waarop de rente en de boetes van de dubbeltjespot werden opgemaakt
tèère
werkwoord

verteren, feestvieren Ze rikte saome jaorelang,/ dè din ze ammol gèère,/ èn zaat er in de pot genòg/ dan ginge ze ònt tèère. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dè kos nie)

tèèrf
zelfstandig naamwoord

tarwe Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - têrf en gaarst (ê van Frans même) Piet van Beers - Den bèkker stokte zenen oove meej hout èn bakte mik èn brôod;/ Ieder kòcht wèttie gebrökte de keus waar nie zo grôot:/ Rògge èn tèèrfbrôod èn ene witte mik,/ Vur en brölòft òf fist mik meej krente, mar die waar nie zo dik. (Uit: Wètter in vèèf èn zistig jaor veraanderde...)

- WBD I:1406 Kolom 185 niet vermeld
- WBD III.2.3:188 'tarwebrood' = idem, ook 'zoet brood', 'mik'
- WBD III.2.3:189 'tarwebrood' = half en half
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - TARWE - tè:ref, zelfstandig naamwoord vrouwelijk
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TERF (uitspr. tärref, taerref), - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TÂRF, zelfstandig naamwoord v. - tarwe
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - tèèrf zelfstandig naamwoord - tarwe
- WNT - TARWE - in Z-Ned. veelal TERWE; daarnaast in Brab. tärref, terf
tèèrge
  1. werkwoord

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - tergen
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - tèèrege ww - tergen
  2. zelfstandig naamwoord

    tèèrpötje, tèrrepötje Ill. Naumann roodborstje

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - roodborstje (Saxicola torquata)
    - Cees Robben; ...gèèle wiewouws... tèèrpötjes... (19600708)
    - WTT 2012: het tweede lid 'pötje' wijst in de richting van 'tapuit', conform de oude Nederlandse benaming 'roodborsttappuit'. Het eerste lid 'tèèr' lijkt te verwijzen naar de vogels van de genus Saxicola; 'saxicola' is een samentrekking van het Latijnse 'rots' en 'verblijf'. Het Tilburgse 'tèère' lijkt een samenvoeging van 'ter aarde'; aarde = èèrde, èèrd.
tèèrvenblom
zelfstandig naamwoord

- WBD bloem van meel, ook 'blom' of 'bloem' genoemd
tèèrvenblom
tèèrzalf
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - zwarte teerachtige zalf voor behandeling van zweren
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - tèèrzalf zelfstandig naamwoord - teerzalf
tèèt
zelfstandig naamwoord

akelige vrouw

tegelèèk
bijwoord

tegelijk

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - ge kunt nie blaoze(n) èn tegelèèk de rôok in oewe mond haawe - je kunt geen twee tegengestelde dingen tegelijk doen
tegelèèkertèèd
bijwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - tegelijkertijd, gelijktijdig
teheuj
  1. bijwoord

    achterover (zie ook 'heu') De kèèr ging teheuj

    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - de kèèr stao teheuj (met de burries naar boven en het krat naar beneden
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - en kèèr teheuj stôote - een kar leegkiepen
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - teheui - achterover, gezegd van een kar
  2. Wat. te heui gaon, slaon - achterover vallen; valt te vergelijken met 'over den kop gaan' vooroverslaan. Z.a.

    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - gezegd van een kar die achterover gestoten werd, zodat de voorkant de hoogte in ging (misschien: ten hoge of te hoogte). Bij uitbr. ook gezegd van bijvoorbeeld een stoel.
  3. bijwoord

    K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HOOI: de kar staat TE HOOI - met de burrie of bomen naar boven en het krat naar beneden, Zoals de karren dikwijls worden weggezet. Opm. Michels (blz. 87): TE HOOI = te hovede, nu 'te heuj'. Z.a.

tekòrt
  1. bijwoord

    te kort (doen)

    - A.J.A.C. van Delft - "Hij hee z'n ègen tekort gedaon." Hij heeft zich gezelfmoord. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
  2. Pierre van Beek Erger gesteld is het wanneer men hoort, dat iemand "z'n eigen tekort gedaon heej". Dat betekent namelijk niets meer of minder dan dat hij zelfmoord heeft gepleegd. Dat is - in tegenstelling tot de grofheid, die de volksmond vaak kenmerkt - keurig gezegd en bovendien nog raak getypeerd ook. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant donderdag 11 mei 1950)

tèkske
  1. zelfstandig naamwoord

    kleine tak, jonge tak, twijg

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schoenmakersspijkertje
  2. Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - grune tèkskes - groene twijgen; tak - täkske

    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - et dunste tèkske braandt et irst (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972)
    - WBD III.4.3:77 'takje' = idem
    - WBD III.4.3:79 'dooi tèkske' = dood takje
    - verkleinwoord van tak, met umlaut
  3. zelfstandig naamwoord

    tèkstiel textiel 'op de tèkstiel': werkzaam in de textiel Die was op de tèkstiel! Die was, die was ok op de tèkstiel Wij hèbbe ammòl op de tèkstiel gewist! [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

tèkswipper
zelfstandig naamwoord

- WBD spijkertrekker, het speciale ijzeren werktuigje om spijkers uit te trekken (II:688)
tèl
zelfstandig naamwoord

tel

- A.J.A.C. van Delft - "Hij is van zunnen tel" wordt gezegd van iemand die suf is. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - van tèl zèèn as rótte kôol bè de gruunteboer (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1964) - niet gewaardeerd worden
teliste
bijwoord

Tenlangeliste hè 'k m'n frontje van m'ne nek motten gooien omdè 'k bang was te stikken. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - ten langen leste, ten slotte, uiteindelijk
tèlle
  1. werkwoord

    PM (meestal negatief) waarderen Dè tèlt ie wèèneg - dat stelt hij niet zo erg op prijs

    - WBD III.1.4:61 'tellen' = waarderen'
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TELLEN onov. en ov.ww in allerlei gangbare bett.; specifiek: 1) achten, waarderen: dè tel ik niks; 2) menen, op grond v. berekening verwachten: ik tel dè 't nog lang kan duren.
  2. Van meikevers

    - WBD III 4,2:167 lemma Pompen van de meikever - Het herhaalde malen met de vleugels bewegen voordat een meikever opvliegt. tellen Tilburg mulderen Tilburg pompen Tîlburg
  3. Rolf Janssen, We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - Wanneer de meikevers weer te vinden waren in de buurt van de beukenhagen, werden deze door de kinderen gevangen. Ze werden opgeborgen in een lucifersdoosje met een blaadje sla. Vervolgens bonden de kinderen een draadje garen aan de poten van het dier en begonnen dan te zingen tot hij ging vliegen: mùlderke, mùlderke telt oew geld en gao dan nog s vliegen

tèlling
  1. zelfstandig naamwoord

    telling

    - WBD òn (de) tèlling, ò de baot - de koe heeft het einde van de dracht
  2. bereikt; ze is ötgetèld, ötgereekend

tèloor
zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - kleine waterketel op drie pootjes, veelal gebruikt voor kruidenthee. WTT 2016 - In deze betekenis alleen bij Van Beek aangetroffen. Waarschijnlijk betekent tèloor eerder de meer gangbare aanduiding voor 'bord' WNT: gewestelijk ook mannelijk en vr., mv. teljoren. Daarnaast taljoor (in meer fransche spelling tailloor enz.); telloor, talloor, in een groot deel van Brab. en in het Land van Waas; talloore (vr.), in t Z.-O. van Vlaand.; teljer, bij Schuerm. (1865-1870). In t Westvl. is een vrouwelijk taljoore, teljoore. Bord, schotel, waarop vleesch wordt voorgesneden (in dezen zin lang verouderd); vervolgens, en dit is reeds in t Mnl. de gewone bet.: tafelbord, etensbord, bord. REY - Tailler a produit d'autres noms limités à des sens concrets : TAILLOIR n. mannelijk (v. 1130, tailleours ; puis 1175, tailleoir) désigne un instrument pour tailler et spécialement un plat pour découper la viande.

temeej
bijwoord

tegelijkertijd

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - temeej dèk et zeej, kwaamp ie binne - net toen ik het zei, kwam hij binnen
- WNT - TEMEE (bijw.) behoort niet tot het algemeen beschaafd Nederlandsch; 1) in toepassing op de toekomst: aanstonds, (zoo)meteen, straks; 2) in toepassing op het verleden: zooeven, zoo pas.
temeenste
bijwoord

tenminste, ten minste

- Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - temeenste (passim)
- Cees Robben; Ge hoeft na temeenste nie in oew haande te spierse... (19821008)
temèt
  1. bijwoord

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - onmiddellijk, meteen
  2. Bosch temet - direct, zo dadelijk

    - Cees Robben; Dan koos ik toch temet (19611201)
    - WNT - TEMET (II) = TEMEE - aanstonds, zoo meteen, straks
temiddag
  1. bijwoord

    Was de erpelsoep temiddag nie goed misschien? (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940)

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vanmiddag
  2. WMT TE MIDDAG - thans nog gewestelijk, bijvoorbeeld in Z.-Nederl.

temòndag
bijwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - a.s. maandag
tèmpel
zelfstandig naamwoord

tempel

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - meej iemand tèmpels gaon zitte bouwe (AM'84) - met iemand zitten bomen
- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - tèmpels baawe - zich illusies maken
tèms
  1. zelfstandig naamwoord

    vergiet

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'tems, tèmmes'
    - WBD (III.2.1:173) 'temst' = vergiet, ook 'durslag'
    - WNT - TEEMS - zeef, fijne zeef voor melk
  2. zelfstandig naamwoord

    K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TEEMS: word eigenlijk alleen van die zift gebruikt, waar door men de vers gemolken melk laat lopen, en is dus een zijg of zijpvat.

    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TEMST zelfstandig naamwoord w-m. - teems, haarzeef, Frans sas, tamis; ook een keukengereedschap met veel gaatjes.
tèmtaosie
  1. zelfstandig naamwoord

    opgave, kwelling, temptatie Vruug ópstaon is vur hum en tèmtaosie.

    - Cees Robben; t Is un temtaosie... (19570720)
  2. Want as ik leege flèsse hèb/ moet ik er en ènd meej slèèpe/ mar dè dè gin temtaosie is/ is makkelek te begrèèpe. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Der stòn der te wèèneg) [namelijk: glas naar de glasbak brengen is goed werk]

    - WBD III.3.1:240 'temptatie' = pesterij
    - Stadsnieuws - Dès en hil tèmtaosie: zeuve kènder grôotbrènge in deeze tèèd.(230907)
    - WNT - TEMPTATIE 1) verzoeking, 2) kwelling, plaag
  3. Lat. TEMPTARE aanraken, betasten; naar iets streven, onderzoeken; beproever proberen, pogen, trachten, ondernemen, zich met iets inlaten; aantasten, aangrijpen, aanvallen, bestoken; in verzoeking brengen, enz.

tèmteere
werkwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - tempteren, kwellen
- WNT - TEMPTEEREN - 1) trachten, beproeven; 2) op de proef stellen
tèn
zelfstandig naamwoord

tin

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TEN, zelfstandig naamwoord o. -tin, Frans étain.
- WNT - TIN - in Brabants dialect TEN
tèndje
  1. zelfstandig naamwoord

    tand, tandje

    - Informant Toine Raaijmakers - Ge moet oewe vlêes/vis/pudding/etc.-taand mar öt laote trèkke (dat gerecht is te duur)
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - haor óp der taande
    - Cees Robben; Ik heb en naogelschèrke gehad... ze dènke zeeker dek gin taande mir heb.
    - Zolang ge nooit mee ene mond vol taanden zit... (Tony Ansems,Agge oew mundje goed ruurt; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)
    - Pierre van Beek - nòr zene taand - naar zijn smaak
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - zôo dè gin man er zen taande òn stot - zo dat niemand zich eraan ergert.
    - Cor nelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TAND (Kemp. taand, Ned. a) - tand
  2. Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Jan taand = mr. Van de Mortel (blz. 56)

    - WBD III.1.1:105 'tanden' = gebit;
    - WBD III.1.1:109 'grote tand' = kies
    - WBD III.1.1.109: 'tand van verstand' = verstandskies; ook 'kies van verstand'
    - WBD taande - melkgebit van een kalf, ook genoemd 'melktaande' of 'kalvertaand
    - WBD breej taande - brede tanden van een koe
    - WBD snèjtaande - snijtanden van een koe
    - WBD pèrstaand - (paardetanden) het blijvende gebit van een paard
    - WBD völletaand, vulletaand - melkgebit van een veulen
    - WBD (Hasselt) eegtaand (plur.) - eg-tanden
  3. Pieter Quast Louis Leopold Boilly

  4. zelfstandig naamwoord

    tandje

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - tèndje (archaïsch); hiernaast: tandje
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - met umlaut, volgens krt.48
teneer
bijwoord

terneer, neer, naar beneden

- Cees Robben; Hier draaien we ons sevooi teneer... (19670818)
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TENEER (met zachte e) bijwoord - neder; vormt talrijke koppelingen als: teneervallen, teneerleggen enz.
tenèt
bijwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - zojuist
tèngske
  1. zelfstandig naamwoord

    tangetje

    - WBD riettèngske (II:1018) - riettangetje
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - op et bènkske laag en plenkske èn en tèngske
  2. Dirk Boutkan (1996) - tangeske, tangske, tangetje

tenir
bijwoord

terneer, neer, naar beneden

- Cees Robben; Hier draaien we ons sevooi teneer... (19670818)
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TENEER (met zachte e) bijwoord - neder; vormt talrijke koppelingen als: teneervallen, teneerleggen enz.
tènne
naam

tinnen

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TEN, voor 'tin' . In het Wallisch is het y s t a e n . Ook bij Kiliaan 'ten' , en bij Huygens: tennegieter.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord 'tennen tinnen; bijvoeglijk naamwoord 'tijnnen' - tinnen
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TENNEN bvw. - tinnen
tènnebruukske
  1. zelfstandig naamwoord

    jenevermaatje

    - N. Daamen (handschrift Tilburgs 1916) - "tinnebruukske een half maatje jenever"
  2. naam

    Ge krèègt dan koffie meej en kuukske/ èn zo waor as ik hier stao/ alle ôomes die ter waare/ nòg en tènnebruukske nao. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Verjòrdaoge)

    - Pierre van Beek - Vroeger ging men om "'n tennebruukske" klaore en "'n maotje braandewèn". (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - kleinste in de slijterij verkrijgbare flesje jenever
tenòstenbaaj
bijwoord

bijna, ongeveer

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - We zaate tenòstenbaaj meej fèftege(n) in de klas. - We zaten met ongeveer vijftig in de klas.
- In sisteg òf zo tenòstenbaaj [kwamen] de echte Törke en Maròkkaane... (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2000)
- Stadsnieuws - Et schouw tenostenbaaj en dömke - het scheelde ongeveer een cm (081008)
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - tenostebè bijwoord - ongeveer
tèp
naam

blut, alles verloren hebbend tèp zèèn / staon

- Cees Robben; Mar meens ik stao himmel tep... (19730824) - Cees Robben; [ik] stao wir klinkklaor tep... (19641204)
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - tèp speule - alles verliezen
- WBD (III.3.2:38) tèp, blut, kèps, rut = alle verloren hebbend (bij spel)
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TEP (tèp) bijwoord, blut; bij spelletjes: iemand tèp zetten, tèp staon; tèp twee trug - wie blut is, krijgt twee knikkers terug.
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - KEPPES, KEP, KEBBES - 'keppes zijn' - alles verspeeld hebben, alles verloren hebben in het spel
teraande

suffix

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - verschillende
- erhande, -erlei
teraawste
bijwoord

ongeveer, bijna, globaal, ruwweg

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'teraawste'
terèècht
bijwoord

terecht meestal met de verlenging met e, terèèchte

- Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - daorvan kómt niks terèèchte
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 12 12 - Hij moes weg van de geminte / Die zn huis ontègend had. // In 'n nuuw wèk kwaam ie terèchte...
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - in en goej waaj terèèchtgekoome zèèn (JM'57)- goed terechtgekomen zijn in het huwelijk
- Et waar in mèn ôoge un héél grôote römte, waor we in terèèchte waren gekomen. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Hij moes dan in zon nuuwbouwwèèk gaon kèèke, wetter die mannen van terèèchte brochte. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Hij kwaam terèèchte op et plattelaand. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
terouwste
  1. bijwoord

    ongeveer, bijna, globaal, ruwweg

    - A.J.A.C. van Delft - Het werk is "terouwste klaor" wil zeggen, dat het bijna voltooid is. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -
  2. TROUW(E)STE (traauwste) bijvoeglijk naamwoord - in grote trekken, bijna. Wsch. is het woord ontstaan uit 'te ruwste' en betekent het letterlijk 'grosso modo.

    - WNT - vermeldt de uitdr. 'uit den rouwe' - onafgewerkt, niet precies.
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - 'terouwste' - ongeveer
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. verb. 'te rouwste',- in het rouwe (ruwe), ongeveer, bijna.
  3. bijwoord

    Pierre van Beek - 'trouwste' - in grote trekken, zo ongeveer, ook wel: bijna (ten rouwste?)

tèrpetèèn
zelfstandig naamwoord

terpentijn; kleverig plantensap vooral van naaldbomen

- WBD III.4.3:90 tèrpetèèn -hars
- WBD III.4.3:103 terpetèènköpke - dennentakje met een harsknopje
tèrrewebrôod
zelfstandig naamwoord

tarwebrood

- WBD III 2.3 (2004) - algemeen in Tilburg
tèrring
  1. zelfstandig naamwoord

    tering, tuberculose, tbc

    - Cees Robben; Onze Jaon (...) hee gin zucht of terring... fieteldaans.. bof.. of keliek... (19551217)
    - Interview Jolen - 1978 - Jè, tèrring, dè wit, dè wit gin man, dè wit gin man, jè, dè wit gin man! Hij heej de tèrring zin ze! (transcriptie Hans Hessels, 2013)
  2. zelfstandig naamwoord

    - WBD III.1.2:302: 'vliegende tering' = tuberculose
  3. bijwoord

    terugkoomes op de terugweg, toen we terug gingen

    - ...in et geensgaons kreeg ik 'n glas waoter veur niks en in et terugkomes 'n glas rome veur twee cente.. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 6; Nieuwe Tilburgsche Courant 5-11-1938)
    - T.B.C. waar un belaoje woord, de tèrring zin ze vruuger ent waar eigelek schaand degge ze onder de leeje hadt of der meej besmet waart gewist. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
tèrvebrôod
zelfstandig naamwoord

tarwebrood

- WBD III 2.3 - verspreid in Tilburg (2003)
tès
  1. zelfstandig naamwoord

    tas

    - Cees Robben; Sigaren, centen in de tes (19651224)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - zak, broekzak
  2. zelfstandig naamwoord

    Schilderij van Jan Miense Molenaer (detail) - Goed gezelschap - 17e eeuw De vrouw steunt met een voet op een stoof, waarin het zogenaamde tèsje: tèsje kolenbakje in een stoof verkleinwoord van 'tèst'

    - WNT - Test I 1) Schotel of kom, gewoonlijk van aardewerk, soms van hout; teil. Het woord is in dezen zin thans vooral in Z.-Nederl. bekend, en wordt er in verschillende streken voor onderscheiden schotels of kommen gebezigd
  3. zelfstandig naamwoord

    - WNT - Test I 2) Pot of schotel van aardewerk, voor vuur bestemd; thans bepaaldelijk een kleine vierkante, naar onderen smaller toeloopende, pot met één oor, die met een kooltje vuur in een stoof wordt geplaatst.
    - Cees Robben; man houdt zijn scheerwater warm op een testje - Prent van de week (detail) 18-01-1959
    - K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TEST: een aarden vat. In het Lat. 'Testa'.
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TEST zelfstandig naamwoord v. -soort v. aarden teiltje met één oor en zonder toot. De test verschilt van de teil, die veel grooter is, geen oor heeft, en aan den rand voorzien is van eenen toot.
    - WNT - STOOF I-8 a) Toestel om de voeten te warmen en wel oorspronkelijk: meestal houten omhulsel met doorboord bovenvlak, waarin een test met vuur of steen kan worden gezet.
tèsse
werkwoord

testen

- Cees Robben; En desseme gadeeseme nog tesse mosse ôôk... (19621005)
tèssetèssetèssetèsse
tèst
  1. zelfstandig naamwoord

    kop, hoofd

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Enen hoed vuugt nie op oewe tèst. -Een hoed past niet op jouw kop.
    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - meej de hoed in de haand ... mar meej de pèt óp oewe test kómder ók best (Si'67) - humoristische aanvulling op het spreekwoord
    - N. Daamen (handschrift Tilburgs 1916) - "ik sloeg en tegen z'nen test (hoofd - tête)"
    - Cees Robben; As dè ons taante Tonia testag-taate-middag komt... (19710604) [Of dat tante Tonia dinsdag na de middag langskomt..] - Cees Robben; Hoeneer komde wir... Beschient n testag-taatemiddeg.. (19760423)
    - WBD III.1.1:37 'test' = hoofd
  2. K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TEST: een aarden vat. In het Lat. 'testa'.

    - WNT - TEST (I) 3) bij vergelijking in onbeschaafde taal voor HOOFD
  3. zelfstandig naamwoord

    kop

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - ene rôoje tiest - een rood hoofd (gezegd van iemand die bloost)
    - Cees Robben; Akkum langs zn tiesje aai (19760102)
    - Cees Robben; ... zittie meen hôôg-rôôi tiesje... (19600916)
    - Affèn, van 't êen kwaam et aander èn op 'n gegeeve moment geef ik em toch 'n pèèr teege zene tiest aon. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
    - WBD III.1.4:191 'tiestelijk' = vreugdevol
tèstag
zelfstandig naamwoord

dinsdag VR 'testag-taate-middag' Zie: Pijnenburg - Bijdrage tot de etymologie van het oudste Nederlands, 122

tèt
  1. zelfstandig naamwoord

    bepaald meisje

    - N. Daamen - Handschrift 1916 - "'n flinke tet (meisje)"
    - WBD III.2.2:22 'de tet hebben' = gezoogd worden; ook 'tetteren', 'lurken'
  2. naam

    Bosch tètte - borsten

tetôonstèlling
zelfstandig naamwoord

tentoonstelling Kèssels febriek, witte gij instruumèntefebriek aachter de Noordhoekse kèrk èn daor, daor wast himmel waaj, hè. Èn daor heej toen de tetôonstèlling gestaon. Neegetieneege. [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015] Aachter de febriek was en grôote tetôonstèlling èn daor was Venetië himmel meej zwèm... meej grôot waoter èn alles! () Wè zonge ze toen? En hebben zij die schöne Berta al in der onderbroek op straat gezet![- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

tèùg
zelfstandig naamwoord

tuig

- WBD (Hasselt): paardetuig
- WBD III.2.2:32 'looptuig' = looprek (voor kleuters)
tèùge
  1. werkwoord

    optuigen

    - tèùge - tèùgde - getèùgd (geen vooaalkrimping)
    - WBD tèùge - het paard wennen aan tuig en arbeid
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. - tuigen, van tuig voorzien (bij paarden)
  2. zelfstandig naamwoord

    teugel teugel

    - Iemand singelen, waarmee men bedoelde: zijn werk of gangen nauwkeurig nagaan. Verwant hiermee is: iemand op de teugel rijden. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)
tèùgkaast
zelfstandig naamwoord

- WBD bergplaats voor (paarden)tuig
teugwèès
naam

- Informant Toine Raaijmakers - teugwèès maoke - flink zeggen waaraan iemand zich te houden heeft
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'teugwèès, teugelwèès'
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TOOMWIJS, enkel alsgezegde gebezigd: Da' veulen is al wat toomwijs. TEUGELWIJS bvw. -hetz. als toomwijs
teule

w erkwoord, zwak telen, kweken teule - tulde - getuld, met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd ook vocaalkrimping: gij/hij tult.

- Cees Robben; Ik teul toch zô gère... (19570309)
- Cees Robben; [hij] teult er wilde blommen... (19550129)
- Ze tilde zelf veul sorte gruunte Uit: Bè de wèèvers òn tòffel, Ad van den Boom, circa 2005
- Eèrpel, bôontjes, erwten en tèùnbôone teulde we zelf, we han aachter et hèùs enne hille grôote hof. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- In den oorlog heetie ôk nog tebak geteuld. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Die teulde toen ok zelf tebak in den hof, èn die grôote blaojer wiere aon enen draod gerege en hinge dan te drèùge in de zon. (Nel Timmermans; Den orlog; CuBra; 200?)
- WBD I:1393 teule
- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - gebruikt TEULEN en TEULLAND voor 'verbouwen' en 'bouwland'.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'tuilen' - teulen, telen
- WNT - TELEN, daarnaast gewestelijk TEULEN
tèùmele
werkwoord

- WBD III.1.2:11 'tuimelen' = vooroverduikelen; ook 'duikelen'
- WBD III.3.1.105'tuimelen' = idem
tèùmelèèr
zelfstandig naamwoord

tuimelaar

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TUIMELÈÈR zelfstandig naamwoord mannelijk - bij smeden: elleboogvormig ijzer dat klinkt en omtuimelt op eenen nagel of eene spil die door den elleboog steekt.
tèùn
zelfstandig naamwoord

heg, tuin, omheining

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'die waar gebonden aon 'n tùin'
- " èn dan kwaamde tusse tweej töntjes, daor hadde de boere, de boere der waaj èn dan hadde daor de, de tèùn van de febrieke, van die heere dan [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]
- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - den tuin aachter 't huis (ui = eu in Frans Meuse)
- WBD (III.3.3:96) tèùn = omheining van het kerkhof
- WBD (III.2.1:399) 'tuin' = idem
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TUIN = lage omheining, omtuining. Z.a.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord mannelijk tuin, haag om een hof, hofheg
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TUIN zelfstandig naamwoord mannelijk -haag, hegge rond eenen hof,
tèùnbôon
zelfstandig naamwoord

tuinboon - Vicia faba in Tilburg beter bekend onder diverse volksnamen

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Ons moeder haolde soms de gruunte op de mèrt. Eèrpel, bôontjes, erwten en tèùnbôone teulde we zelf, we han aachter et hèùs enne hille grôote hof.
- Piet van Beers - Wie tèùnbôone wil eete,/moet (ze in) Februari/ nie vergeete (te zètte). (www.CuBra; ca 2005)
teune
werkwoord

de indruk wekken, tonen teune - tunde - getund, vocaalkrimping ook in tegenwoordige tijd: gij/hij tunt

- WBD III.l.l:240 'teunen' = tonen
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zwak werkwoord intransitief tonen' - een fraai voorkomen hebben, uitkomen.
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TOONEN - getuigen, getuigenis afleggen; een fraai voorkomen hebben; schijnen, het uitzicht hebben van.
tèùnèkster
zelfstandig naamwoord

ekster, die overal present is waar ze iets van haar gading meent te kunnen vinden; overgedragen op vrouwen

- Stadsnieuws - Die tèùnèkster wil èègelek et liefst alles vur niks (310808)
tèùs
  1. zelfstandig naamwoord

    thuis, tehuis

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Wie tèùs is, moet tösblèève.
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ge meut wèl óp en aander hónger krèège, as ge tèùs mar kómt eete.
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde - Et is nie èèrg as ge onderweg honger krèègt, agge mar tèùs it.
    - Pierre van Beek - "Thuis zijn" betekent het (kaart)spel winnen. (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'óp un aander honger krèège, mar töös koomen eete' - een ander mag je aardig vinden, maar daar moet het bij blijven
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hij is er tèùs as ene pestoor in zene kèrkboek
  2. werkwoord

    tèùsslachte thuis slachten meestal opgetekend als zelfstandig naamwoord, de 'tèusslacht'.

    - Audio-opname 1978 - Dè tèùsslachteden êene die hagget zôo èn den aandere zôo. Den êene ha en ketròl èn den aandere moeste gij zogezeej boove meej en ketròl, moeste gij daor en èèzere dingen in steeke, heej, èn dan moeste ze boove zogezeej meej en èèzer moeste gij ze meej tweej man opdraaje boove (- Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)
  3. zelfstandig naamwoord

    tèùswèèver thuiswever, wever die niet in de fabriek werkt maar zijn weefstukken aan een fabrikant uitlevert

    - Audioregistratie 1978 - Mar en tèùswèèver dè was er êene, war, die ging nòr en febriek toe, onverschilleg wèlk febriekmar ze krêege en kètting meej, dè wil zègge, ge hèt kètting èn inslag, dus ge hèt enen hille breejen bôom, zo breej as et stuk moet zèèn èn die zèn ammel draojkes nèffe mekaare, war (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)
    - Audioregistratie 1978 - Die teuswèèvers die han ammòl zôo ene lêeme vloer ammòl die van Honsbèèrege èn Peer de Kôoning! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
    - WBD tèùswèèver (II:941) - thuiswever, wever die niet op een fabriek werkte, ook 'bèùtewèèver' genoemd
    - WBD tèùswèeve (II:949), ook bèùtewèève (buiten de fabriek weven)
    - WTT 2013 - de fabriekswevers werden ook 'binnewèèvers' genoemd
tèùt
zelfstandig naamwoord

tuit

- WBD tèùt (II:1030) tuit: spoelpijp; ook: pèèp of klos
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TEUT zelfstandig naamwoord mannelijk = Toot: t u i t of pijp van eene kan of eenen moor.
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - teut tuit van een kan, neus van een schoen
teut
zelfstandig naamwoord

marskramer; tuit, pijp

- N. Daamen - Handschrift 1916 - "teut - een soort van marskramer met manufacturen op den rug die de dorpen overal afgingen, meest Duitschers"
teut
teute
werkwoord

talmen, treuzelen

- Cees Robben - Stao daor nie te teute.. (19640306) - Cees Robben - En naa moette nie ligge te teute of taauw-meute (19660513)
- Pierre van Beek - "Ge moet nie teute. Pees um!" is: Ge moogt niet treuzelen. Haast je! (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)
- WBD III.1.1:249 'tuiten' = suizen van de oren; ook 'toeten', 'hommen'
- WBD III.1.4:52 'teutelen' = aarzelen; 72 'teutelen = verlegen zijn
- WBD III.1.4:363 'teuten' = prutsen
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zwak werkwoord intransitief 'teutelen' - teuten, talmen, langzaam te werk gaan;
- WNT - TEUTEN - talmen, treuzelen; babbelen, kletsen ...
tèùtele
werkwoord

- Pierre van Beek - ruilen (door kinderen)
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - weifelen, tuitelen
- Cees Robben; Valt er nog wè te ruitele of te tuitele... (19760903)
- WBD III.3.1:49 'tuitelen', 'vertuitelen, vertutselen, matsen, ruilen = verkwanselen
- WBD III.3.1:55 'tuitelen', 'kwanselen, ruilen, verhandelen' = kwanselen
- WBD (III.3.2:191) tèùtele, rèùtele, rèùle = tuitelen
- WBD (III.3.1:49) 'vertuitelen' = verkwanselen, ook 'vertutselen
- WBD (III.4.4:304) 'tuitelen' = wisselen
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - tuitelen - ruilen
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TUITELEN onov.ww. - zich bezighouden met kleine transacties; misschien naar 'tuit' - ketel en tuit - marskramer.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zwak werkwoord intransitief 'tuitelen' - kwanselen... verwisselen
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - tùitele ww - ruilen
- WNT - TUITELEN (I) - 1) ruilen, verwisselen; 2) veranderingen aanbrengen
tèùtelèèr
zelfstandig naamwoord

iemand die graag ruilt

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - scharrelaar ; ook: sloom persoon
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - weifelaar, tuitelaar
- WNT - TUITELAAR - ruiler, kwanselaar (gewestelijk in Zuid-ned.)
tevreeje
naam

tevreden

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - ik ben tevreeje; zêde gê t oak?
- WBD III.1.4:189 'tevredenheid' = zin
tevurre
bijwoord

tevoren

- Grôot diktee van de Tilburgse taol 08 tevurre wòrter alles òn gedaon
- Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Dan moeste gij hil de week deur, dan wast hier smòndags mèrt, aacht daoge ven tevurre wier der meej die koej geleurd dur de stad heen (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels
tiederietje
zelfstandig naamwoord

de etymologie is onduidelijk

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - brandewijntje met suiker
tieles
bijwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'tieles wèns' - gedeelde wens (als jij dit doet, doe ik dat)
tiend
  1. zelfstandig naamwoord

    tiende deel

    - Audioregistratie 1978 - Asseme graon op et vèld han staon èn dè was dan ròg èn dè ròg wèrd binnegehòld mar dan moeste van de tien hôope, er wèrre vier òn vier gezèt, moester êene laote staon! Èn dè was tiend! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
  2. naam

    tienderaand het eerste lid 'tien' kan variëren; het tweede 'aand' = 'haand', van 'hand'; vergelijk 'allerhande'

    - "Hij voeiert z'n kiepe! Hij hee wel tienderande soorten en allemaol echte ras-kiepe." (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940) - Op de grond dommelden paddestoelen van wel tienderhaande sort: heel kleine knoedeltjes, rood mee witte pikskes er op. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)
  3. zelfstandig naamwoord

    tieneezer teenager, uit het Engels: iemand in de leeftijd van 10 tot 20 jaar

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 03 31 - De bakvisse van deze tèd / - die vort tieneezers hieten...
tiengeboje
zelfstandig naamwoord

Vandaar overgedragen op de tien vingers van de handen

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - tiengebojje tien geboden, handen
tier
zelfstandig naamwoord

groei, wasdom, levenskracht

- WNT - TIER (I) ?) de toestand dat een persoon of zaak zich gunstig of behoorlijk ontwikkelt; groei, bloei, wasdom, welvaren
tiereg
naam

tierig, gezond

- WBD III.1.2:191 'nie tierig' = ziekelijk
tiesje
zelfstandig naamwoord

kop

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - ene rôoje tiest - een rood hoofd (gezegd van iemand die bloost)
- Cees Robben; Akkum langs zn tiesje aai (19760102)
- Cees Robben; ... zittie meen hôôg-rôôi tiesje... (19600916)
- Affèn, van 't êen kwaam et aander èn op 'n gegeeve moment geef ik em toch 'n pèèr teege zene tiest aon. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
- WBD III.1.4:191 'tiestelijk' = vreugdevol
tiest
  1. zelfstandig naamwoord

    kop, hoofd

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Enen hoed vuugt nie op oewe tèst. -Een hoed past niet op jouw kop.
    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - meej de hoed in de haand ... mar meej de pèt óp oewe test kómder ók best (Si'67) - humoristische aanvulling op het spreekwoord
    - N. Daamen (handschrift Tilburgs 1916) - "ik sloeg en tegen z'nen test (hoofd - tête)"
    - Cees Robben; As dè ons taante Tonia testag-taate-middag komt... (19710604) [Of dat tante Tonia dinsdag na de middag langskomt..] - Cees Robben; Hoeneer komde wir... Beschient n testag-taatemiddeg.. (19760423)
    - WBD III.1.1:37 'test' = hoofd
  2. K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TEST: een aarden vat. In het Lat. 'testa'.

    - WNT - TEST (I) 3) bij vergelijking in onbeschaafde taal voor HOOFD
  3. zelfstandig naamwoord

    kop

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - ene rôoje tiest - een rood hoofd (gezegd van iemand die bloost)
    - Cees Robben; Akkum langs zn tiesje aai (19760102)
    - Cees Robben; ... zittie meen hôôg-rôôi tiesje... (19600916)
    - Affèn, van 't êen kwaam et aander èn op 'n gegeeve moment geef ik em toch 'n pèèr teege zene tiest aon. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
    - WBD III.1.4:191 'tiestelijk' = vreugdevol
  4. zelfstandig naamwoord

    van Baptist; Jan Baptist; Johannes de Doper

    - Cees Robben; Tiest Vermeeren haoj n kiepke... (19560428)
    - Cees Robben; Des Toos en Tiest.. wèn span.. (19750404)
    - N. Daamen - Handschrift 1916 - "Tiest 'onzen Tiest' (verkorting van den naam Janbaptist)"
  5. zelfstandig naamwoord

    Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - den tiest = Tinus Coolen (blz. 30)

tiet
  1. zelfstandig naamwoord

    1 kip

    - WBD kip (kindertaal)
    - Ed Schilders - Vruuger noemde ze n kiep ok n tiet of n tieteke. (Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
  2. 1.1 roepwoord, lokwoord voor kippen en kuikens

    - WBD tiet tiet tiet, tie tie tie, kiep - roepwoorden voor de kip
    - WBD tiet tiet tiet, tòk, kiepke, kieke, kieken, kuikentje, (Hasselt) tjiep roepwoorden voor kuikens
    - WBD tiet - roepwoord voor de haan
  3. 2 borst van de vrouw

    - Pierre van Beek - tiet - kip, vrouwenborst
    - N. Daamen - Handschrift 1916 - "tiet borst; "'t goa as 'n tiet ('t gaat als vanzelf)"
    - Hessels 2020 - Bij een pubermeisje zonder borstjes: - die heej al plòts vur tietjes! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
  4. 3 ei

    - WBD aajke-tiet - ei (hs K 185)
    - Cees Robben; tietekes; 'n kòppel aajkes van de tiet-tiet-tiet.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TIET, voor kip, en 'tiet-ei' voor hoender-ei. TIET, voor tit, titte, Latijn: mamma.
  5. zelfstandig naamwoord

    Aanvullende bronnen

    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - tiet - kip
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - tiet: kip, vrouwenborst
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TIET, voor tit, titte, Latijn: mamma.
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TIET v. - kinderlijk woord voor kip; gerekt uitgesproken in de uitroep bij het voederen van de kippen: tieit, tieit, tieit.
    - Van Dale - tiet (verouderd, gewestelijk) tepel aan een vrouwenborst
    - Hees - tiet (V:62)
    - WNT - TIET (II) 1) kip, hen, hoen; 2) kuiken, groot kuiken; 4) kippenei (in Vlaanderen)
    - WBD III.1.1:118 'tiet' - tepel
    - WBD III.1.1:116 'tieten' - borsten
tiet-mèm

uitdrukking hetzelfde, gelijk; uit Frans tout-même, verbasterd tot twee woorden voor de borst van de vrouw - Cees Robben; [Onderwijzer:] Wes t verschil tussen ruiteketuit en bonnefooi... [leerlinge:] Volgens men is dè één tiet-mem, mister.. (19840120)

tiet-tiet-tiet
  1. zelfstandig naamwoord

    tifke

    - Cees Robben; Is dè na n reu of n tifke... Hoe-joei nèè, Sjarel... t is unne zwarte (19730601)
  2. Piet van Beers Ge moet t goei mee t kaoi nemen: Mar 'n tifke, zo ge wit,/ hee unnen heelen aandere zit!! (With Love; 1982-1987)

tietaaj
zelfstandig naamwoord

kippe-ei fig.: zonderlinge, 'exemplaar'

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - tietaajke - kippe-eitje
- Cees Robben; [Van de menukaart in een restaurant:] Irst kiepe-soep... Dan kiepe-regout. Dan poelepetaat mee n tietaai toe... Dan nog efkes kaokele en de roest op... (19710709)
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
- WBD III.2.3:148 'tietei' = ei; ook 'aaiketiet'
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - wè zèdde toch 'n tietaaj;
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - tiet-ei voor hoender-ei.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o. (kindert.) toetei kippeëi.
- WNT - TIETEI zie Hoeufft
tietje
  1. zelfstandig naamwoord

    1 kip

    - WBD kip (kindertaal)
    - Ed Schilders - Vruuger noemde ze n kiep ok n tiet of n tieteke. (Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
  2. 1.1 roepwoord, lokwoord voor kippen en kuikens

    - WBD tiet tiet tiet, tie tie tie, kiep - roepwoorden voor de kip
    - WBD tiet tiet tiet, tòk, kiepke, kieke, kieken, kuikentje, (Hasselt) tjiep roepwoorden voor kuikens
    - WBD tiet - roepwoord voor de haan
  3. 2 borst van de vrouw

    - Pierre van Beek - tiet - kip, vrouwenborst
    - N. Daamen - Handschrift 1916 - "tiet borst; "'t goa as 'n tiet ('t gaat als vanzelf)"
    - Hessels 2020 - Bij een pubermeisje zonder borstjes: - die heej al plòts vur tietjes! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
  4. 3 ei

    - WBD aajke-tiet - ei (hs K 185)
    - Cees Robben; tietekes; 'n kòppel aajkes van de tiet-tiet-tiet.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TIET, voor kip, en 'tiet-ei' voor hoender-ei. TIET, voor tit, titte, Latijn: mamma.
  5. zelfstandig naamwoord

    Aanvullende bronnen

    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - tiet - kip
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - tiet: kip, vrouwenborst
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TIET, voor tit, titte, Latijn: mamma.
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TIET v. - kinderlijk woord voor kip; gerekt uitgesproken in de uitroep bij het voederen van de kippen: tieit, tieit, tieit.
    - Van Dale - tiet (verouderd, gewestelijk) tepel aan een vrouwenborst
    - Hees - tiet (V:62)
    - WNT - TIET (II) 1) kip, hen, hoen; 2) kuiken, groot kuiken; 4) kippenei (in Vlaanderen)
    - WBD III.1.1:118 'tiet' - tepel
    - WBD III.1.1:116 'tieten' - borsten
tietkorf [tietkòrf
zelfstandig naamwoord

boezem

- N. Daamen - Handschrift 1916 - "tietkorf - boezem"
- WBD III.1.1:119 'tietkorf' = boezem
tietkorf [tietkòrf
tift

speeksel

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - sperma
- N. Daamen - Handschrift 1916 - "ge mot er wè tift aan doen (speeksel)"
- WBD III.1.1:189 'tift = speeksel
- WBD III.1.1:226 'tift' = sperma
- WNT - TUF (II) 1) speeksel; 2) het eenmaal spuwen
tije
  1. werkwoord

    tijgen, trekken, gaan

    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - zak er ók es óp af tije - zal ik er ook eens op af gaan
  2. zelfstandig naamwoord

    tije - toog - getooge

    - WNT - TIJGEN (I) B, onzijdig; z.a. TIJEN = tijgen
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - GETIJD ( getééjt) vd. van niet gebruikt ww. 'tijen'. Zie aldaar!
  3. zelfstandig naamwoord

    tijden

    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - tije
    - Cees Robben; Dè paast nie in deez dure tijen! (19541127) - Cees Robben; In nuuwe beter tije... (19571102)
tijeg
bijwoord

tijdig

tijing
  1. bijwoord

    tijding, bericht

    - WBD III.3.1:254 'tijding' - bericht
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - tijing zelfstandig naamwoord - tijding, nieuws
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TENG, samentr. van 'Tijding'; ook 'Tijn' en 'Tîjng'
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TIJDING. Tijding doen voor tijding geven, bescheid doen, antwoord geven. Ten platten lande zegt men 'ting doen'. Somtijds wordt het gebruikt voor eenvoudig 'kennis geven'.
  2. zelfstandig naamwoord

    K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TIJNG - tijding, boodschap. Bij Kiliaen - noch bij Plant. Z.a. Bosch teng - tijding, bericht

tijlijend
  1. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - langdurig, zonder eind
    - Pierre van Beek - Hij is veel te tijlijden. - (tijdlijdend) - Hij werkt iets niet af, doch schuift 't op de lange baan. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)
    - Cees Robben; Hij is toch zô tij-leiend war... (19560714) - Cees Robben; ... lèèzig en tijlijend... (19650430)
    - WNT - VIII:2224 - Lijd-den-tijd, iemand die zijn tijd verleutert of die een zaak altijd uitstelt.
  2. Kiliaen - Homo ignauus, otiosus, tempus transigens ignauè - traag, onwerkzaam

    - WBD III.4.4:325 'tijlijdig = langzaam
    - WBD III.4.4:325 'tijlijend = langzaam
tikke
werkwoord

tikkere tikken Hanna zaat vlijtig te tikkere mee d'r braainaolde... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)

tikkes èn schuppes

variant op het bokspring-spel

Tilbörg
zelfstandig naamwoord

Over het verschil in uitspraak, zie: Tijdschr. TILBURG: jg. 27 blz. 93 Tilburger of Tilbörger, W. Sterenborg.

- Tot genoege van et Tilbörgse puubliek. (Henriëtte Vunderink, Oode òn de lindenbôom, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - In Tilburg steeke de misse boove de daksparren èùt (Sn'34 - Vroeger werd er in Tilburg veel gevochten.
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - en Tilburgse tón hèbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968)-Als vroeger een Tilburger zei dat hij een ton bezat, werd dat met een korreltje zout genomen (Men dacht dan aan dertigduizend gulden.)
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - en Tilburgs pròje duurt mar drie daoge (SV'75) - roddelpraat duurt niet lang
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'd'n aawe wèg nò Tilbörg liep langs 't Raok èn de Voort'
- Actum Tilliburgis jg. 5, blz. 55: Meningen over herkomst naam 'Tilburg
Tilbörgs
naam

Tilburgs

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - ene Tilbörgse - een Tilburger
- Cees Robben; t Tilbörgs Prentebuukske... (19751128) [In een prent over Robbens zevende Prentebuukske]
- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Tilburgse ton - f 10.000 (volgens Mandos f 30.000)
- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - en Tilburgs pròtje duurt mar drie daoge.
Tilburg
zelfstandig naamwoord

Over het verschil in uitspraak, zie: Tijdschr. TILBURG: jg. 27 blz. 93 Tilburger of Tilbörger, W. Sterenborg.

- Tot genoege van et Tilbörgse puubliek. (Henriëtte Vunderink, Oode òn de lindenbôom, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - In Tilburg steeke de misse boove de daksparren èùt (Sn'34 - Vroeger werd er in Tilburg veel gevochten.
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - en Tilburgse tón hèbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968)-Als vroeger een Tilburger zei dat hij een ton bezat, werd dat met een korreltje zout genomen (Men dacht dan aan dertigduizend gulden.)
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - en Tilburgs pròje duurt mar drie daoge (SV'75) - roddelpraat duurt niet lang
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'd'n aawe wèg nò Tilbörg liep langs 't Raok èn de Voort'
- Actum Tilliburgis jg. 5, blz. 55: Meningen over herkomst naam 'Tilburg
Tilburg 1940. Illustraties van Carl Storch

Daar kwamen de dwergen aandragen. n Hele terrine vol soep voorop Toen volgden aardappels met lawaaisaus, grote bonen en elk n kippepoot. Dat was kostje!!

Tilburgs
naam

Tilburgs

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - ene Tilbörgse - een Tilburger
- Cees Robben; t Tilbörgs Prentebuukske... (19751128) [In een prent over Robbens zevende Prentebuukske]
- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Tilburgse ton - f 10.000 (volgens Mandos f 30.000)
- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - en Tilburgs pròtje duurt mar drie daoge.
tillefoon
zelfstandig naamwoord

telefoon

- Dus ik bèl Fred van Boesschoten op meej de tillefoon (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
timmerduske
zelfstandig naamwoord

timmerdoosje (kinderspeelgoed)

- Interview met de heer De Kok (1978) Van Siendreklaos krêegde en timmerduske, dè kòste toen vijftien sènte! En timmerduske! En timmerduske! We waare jonge jonges van en jaor òf aacht, neege, zak zèggen, hè. Dè kòste vijftien sènte. Moete kèèke wè ge nouw krèègt. Nouw krèègde vort enen autoo!
timmere
werkwoord

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 06 20 - "As ik 'ne kraant in haande krèg / - Zee list 'zen òòme Nord - / Dan zuuk ik aaltij allerirst / De bladzijde mee sport." // "Nou, as gij dè 't vurnaomste vènd / - Riep toen òòme Lewie - / Dan timmerde gij òk nie hòòg, / Zòiets begrèp ik nie."
timper
naam

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - beslag voor pannekoeken
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - temper, timper - beslag (Meierijs, wvla.)
- WNT - TEMPER - 3) dun beslag van verschillende dooreengemengde ingrediënten voor pannekoeken, wafels enz.
tintje
  1. zelfstandig naamwoord

    teen (lichaamsdeel)

    - Cees Robben; Moeder, ik weet nie wek moet doen... Dan spult mar mee oew teen tot vermaok van oew hielen... (19821119)
  2. jonge tak

    - WBD III.4.3:127 têen - wilgenteen; ook genoemd: baand of twèèg
    - WBD III.4.3:74 têen - loot, nieuw uitgelopen twijgje; ook genoemd: schòt, uitschieter, loot of uitloper
    - WBD III.4.3:75 têen - twijg, jonge tak; ook genoemd: wis, twijg, tak, takje, rijs of scheut
    - WBD III.2.3:84 - klein teentje 'boerenteen' = jonge tuinboon
  3. zelfstandig naamwoord

  4. zelfstandig naamwoord

    teentje

    - verkleinwoord van 'têen', met vocaalkrimping
  5. Dirk Boutkan (1996) - (blz. 51) tintje 1. lichaamsdeel Dan stonne wij op ons tintjes... (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

    - WBD III.1.1:176 'teentje' = teen
  6. 2. gewas klèèn tintje - jonge tuinboon, 'spèkbôon', sluimererwt

    - WBD III.2.3:85 'klein teentje = jonge tuinboon
tipböltje
  1. zelfstandig naamwoord

    puntzakje

    - WBD (III.2.1:131) 'tipbuiltje'
  2. zelfstandig naamwoord

    tipke tipje; puntje Hij gonk op et tipke van den stoel zitte... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)

tirse
  1. werkwoord

    - WBD III.1.4.233 'tirsen' = kwaadmaken
  2. samentrekking

    tis T-shirt met reclame voor de Kringloopwinkel Tilburg (2018)

tisse
werkwoord

ongeduldig wachten; met spanning zitten wachten

- Pierre van Beek - Hij stond te tissen óm wèg te koome. Hij zaat te tissen óp en tas teej. Het blijkt geen Tilburgs en niet eens gewestelijke taal, maar ABN te zijn. - Van Dale vermeldt het ... (Tilburgse Taaklplastiek 145)
- Cees Robben; Tisse van kaoiïghed... (19671201)
- Èn agge lang moet wòchte, / dègge dan staot te tisse? (Henriëtte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blèève haawe, 2007)
- WBD III.4.4.247 'tissen' = sissen
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - tisse ww - ongeduldig zijn
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zwak werkwoord intransitief 'tissen' - 1) een sissend geluid veroorzaken; 2) op het kookpunt staan (van woede of ongeduld)
- WNT - TISSEN - ineendraaien of -strengelen, verwarren enz. 2) onzijdig; ww. - in de war geraken of zitten; 3) - harrewarren, ook in verwarde of moeilijke zaken wurmen, wroeten.
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TISSEN onov.ww - alleen in 'staan te tissen'- zijn ongeduld niet kunnen verbergen: wè stodde toch wir te tisse.
tisse
tits
zelfstandig naamwoord

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Der zit nòg en titske in de fles - een beetje, tikkeltje, pietsje
- N. Daamen - Handschrift 1916 - "'t schol mar 'n titske (een beetje)"
- Piet Heerkens, uit: De Mus, Mijn deuntje, 1939 - En 't daanste er nog 'n titske bij...
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TITSKE o. - kleine tits, tikje, n beetje
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TITSKEN zelfstandig naamwoord o. - een weinigje, een klein beetje.
- WNT - TITS - aanraking, tik
titse
  1. werkwoord

    licht rakend slaan

    - Stadsnieuws - Ge waart em asse oe hòn getitst (151109)
    - WNT - TITSEN - 1) aanraken, beroeren; 2) iets in aanraking brengen met; 3) prikken (een paard); 4) prikkelen; tergen, opstoken, stimuleren
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zwak werkwoord intransitief + tr. 'titsen' - 1) al slaande eventjes raken, tikken; 2) een meisje "bedriegen"
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TITSEN ov.ww - aanraken; vooral in de uitdr.'centje titse' voor een spelletje met ijzeren ballen.
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TITSEN - eventjes aanraken. E pèèrd met de zweep titsen.
  2. Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.

titske
zelfstandig naamwoord

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Der zit nòg en titske in de fles - een beetje, tikkeltje, pietsje
- N. Daamen - Handschrift 1916 - "'t schol mar 'n titske (een beetje)"
- Piet Heerkens, uit: De Mus, Mijn deuntje, 1939 - En 't daanste er nog 'n titske bij...
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TITSKE o. - kleine tits, tikje, n beetje
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TITSKEN zelfstandig naamwoord o. - een weinigje, een klein beetje.
- WNT - TITS - aanraking, tik
tjan
  1. zelfstandig naamwoord

    Pierre van Beek - tamme vogel (kraai, kauw, roek, gaai), bijvoorbeeld op een kostschool

    - De Wijs; As munne tjan (ekster) in de geut blèft zitte, zeik munne vingerhoed wir kwèt (27-12-1968)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - tjannek - tamme kauw (Corvus monedula)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'tjallek, tjan, tjannek
    - èn hij had toen òk ene Tjan. Dè was ene kraai diese öt de nèst holde vur dèttie kòs vliege. Die wier dan gevoeierd èn werd dan hêel tam. (Nel Timmermans; Zit t soms in de femilie?; CuBra; 200?)
    tjantjan
  2. zelfstandig naamwoord

    Elie van Schilt - Veul jongens hadden toen un tam ekster op durre schouwer, ze hadden allemal dezelfde naom 'tjannek'. (Uit: Tilburg waor zen oe bossen; CuBra ca. 2000)

    - WBD III.4.1:149 tjan, tjannek, tjallek - kauw (Corvus monedula)
    - WNT - TJAK - tussenw. - nabootsing van het geluid v. den Kramsvogel
tjannek
  1. zelfstandig naamwoord

    Pierre van Beek - tamme vogel (kraai, kauw, roek, gaai), bijvoorbeeld op een kostschool

    - De Wijs; As munne tjan (ekster) in de geut blèft zitte, zeik munne vingerhoed wir kwèt (27-12-1968)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - tjannek - tamme kauw (Corvus monedula)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'tjallek, tjan, tjannek
    - èn hij had toen òk ene Tjan. Dè was ene kraai diese öt de nèst holde vur dèttie kòs vliege. Die wier dan gevoeierd èn werd dan hêel tam. (Nel Timmermans; Zit t soms in de femilie?; CuBra; 200?)
    tjannektjannek
  2. zelfstandig naamwoord

    Elie van Schilt - Veul jongens hadden toen un tam ekster op durre schouwer, ze hadden allemal dezelfde naom 'tjannek'. (Uit: Tilburg waor zen oe bossen; CuBra ca. 2000)

    - WBD III.4.1:149 tjan, tjannek, tjallek - kauw (Corvus monedula)
    - WNT - TJAK - tussenw. - nabootsing van het geluid v. den Kramsvogel
tjèmtjèm
zelfstandig naamwoord

tantième Komt ook voor als 'adjèm Ze zitte nie meej en klèèn pesjoentje aachter de gerdèntjes te koekeloere, mar ze gòn meej dikkels nòg enen beheurleken hôop tjèmtjèm den hòrt op... (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2008)

tjèppe
werkwoord

tjeppen; drinken van sterke drank Hij hee aaltij goed getjepperd, dieën Boemes, mar de leste jaoren is ie 'nen echten zuiplap geworren... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939)

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - drinken, zuipen
tjèppere
werkwoord

tjeppen; drinken van sterke drank Hij hee aaltij goed getjepperd, dieën Boemes, mar de leste jaoren is ie 'nen echten zuiplap geworren... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939)

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - drinken, zuipen
tjoeke

w erkwoord, zwak versneld draaien bij het touwtjespringen wsch. geluidsnabootsing

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TJOEKEN, TJOKKEN - tokken, kloppen; wordt gezeid van de krevenlende pijn die in de gestoorde zenuwen siddert, het slaan der aders, enz.
- WNT - TJOKKEN (II) - onomatopee - stooten, schokken, stampen
tòb
zelfstandig naamwoord

- Paul Spapens et al; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol (2004) - tobberig of zielig mens
- WBD III.1.2:192 'tobben' = sukkelen; ook: 'pratten'
- WBD III.1.4.259 'tobberij' = getob
tòbber(d
zelfstandig naamwoord

- Paul Spapens et al; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol (2004) - tobberig of zielig mens
- WBD III.1.2:192 'tobben' = sukkelen; ook: 'pratten'
- WBD III.1.4.259 'tobberij' = getob
Toch maai

Heurde smerges vruug in de geut musse meej veul lewaai vèèchte èn speule meej mekaar dan witte: Tis wir maai.' As oewe zoon zen haore kamt meej meer zörg vur zen schaai oew dòchter in de spiegel kèkt dan witte: Tis wir maai.' As oew vrouw alle matte klòpt rondbuunt mee veul bezwaai èn daorbij zingt vals as en kraai dan witte: Tis wir maai.' Ast rèègent, haogelt, störmt èn waait gin weer vur bos òf haai agge rèèrt in oewen ooverjas dan witte: 'Tòch..ist maai.' LECHIM Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982) maajbluumke - mezuutje - meizoentje - bellis perennis

tòcht
zelfstandig naamwoord

- WBD III.3.1.189 'tocht', 'gebruik bij (net) leven' = vruchtgebruik
tòd
zelfstandig naamwoord

vod, lomp eigenlijk: afgedragen textiel; in het algemeen: dingen van inferieure kwaliteit; bijvoorbeeld - Cees Robben; t Zèn todde.. (19720421)

- Mar dieje Meekes die daor naa op de Piejeshaove wont, hè, dieje Meekes die daor òn de Piejeshaove wont, die heej ok meej tòdde gedaon! Die heej ok in tòdde gedaon! [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]
- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Lau tòd = Laur. Janssens (blz. 46)
tòdde
zelfstandig naamwoord

vod, lomp eigenlijk: afgedragen textiel; in het algemeen: dingen van inferieure kwaliteit; bijvoorbeeld - Cees Robben; t Zèn todde.. (19720421)

- Mar dieje Meekes die daor naa op de Piejeshaove wont, hè, dieje Meekes die daor òn de Piejeshaove wont, die heej ok meej tòdde gedaon! Die heej ok in tòdde gedaon! [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]
- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Lau tòd = Laur. Janssens (blz. 46)
tòddejood
  1. zelfstandig naamwoord

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - voddenkoopman
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
    - WBD III.3.1:83 'toddenjood' = voddenkoopman? ook 'toddenkoopman, 'toddenman', 'toddenmens', '-boer', 'toddenkruier'
  2. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

töddeke
zelfstandig naamwoord

verkleinwoord van 'tòd', met umlaut doekje

- WBD III.3.1:307 'todje (toddeke)' = snipper (strook papier of stof)
- WBD III.1.3:17 'todje' - vod
töddeketöddeke
tòddezak
  1. zelfstandig naamwoord

    voddenzak

    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - tòddezakke van kaorte (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) kaartterm: slechte kaarten
  2. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - bed
tòdè

voegwoord totdat

tödèèchteg
bijwoord

- WBD III.1.3:18 'todachtig' - in lompen gekleed
tòdhôop
  1. zelfstandig naamwoord

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hoop rommel, verzameling vodden
    - Stadsnieuws - Dèkt dieje tòdhôop es op; daor kunde zôo tòch nie inkrèùupe. (240208)
  2. zelfstandig naamwoord

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. tòdkrèèmer voddenman

    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - toddenkreimer; toddenkreimers
    - Leo Heerkens, uit De kinkenduut (Piet Heerkens), De toddeman, 1940 -
  3. zelfstandig naamwoord

    Daor komt den toddekreemer aon, hij jaogt z'n hitje langs de baon. Toddéé! Hot - ju! De kender, ze graaien in schuur en in schop ze moeten 'n meulentje, pias of pop. Toddéé! Allee - ju! Ze laoien d'r zakken toe boven toe vol en draoven er hard mee de straot op! - én lól! Toddéé! Hu! - Hu! - De toddeman zet er z'n waogeltje stop, z'n Mie lee te slaopen languit aachterop. Toddéé! Hu! - Hu! - De toddeman laacht er mee heel z'n gezicht, die zakke die zijn er, verdomme, nie licht! Toddéé! Hu! - Hu! - "Wè moete gij emme?! 'ne Meule? - 'n Fluit? 'n Pop of 'ne pias? - En gij, kleine guit" Toddéé! Hot - ju! De kender die springen en gieren van lol en de toddeman laoit er z'n waogeltje vol. Toddéé! Allee - ju! Lechim - 'De tòdkrèèmer' - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65-01-22 - 'ne Todkrèmer kwaam langs de deur...
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - ziede gij dieje tòdkrèèmer nòg ôot?
    - WBD III.3.1:83 'todkramer, 'toddenkramer, toddenkruier, toddenkoopman, toddenboer, toddenman, toddenmens, japie todde' = voddenkoopman
    - Stadsnieuws - Zèè zuut of ik verkoop oe òn de tòdkrèèmer. (272008)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'toddekrèèmer' zelfstandig naamwoord - voddenkoopman
    - WNT - TODDENKRAMER - voddenkoopman
tòdmeule
zelfstandig naamwoord

lompenscheurmachine

- WBD tòdmeule (II:936) - lompenmolen
tòdmeule
tòdzak
  1. zelfstandig naamwoord

    voddenzak

    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - tòddezakke van kaorte (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) kaartterm: slechte kaarten
  2. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - bed
toe
  1. bijwoord

    tot

    - WNT - TOE (IV) Het bijwoord TOE (I) gewestelijk als voorzetsel gebezigd, reeds in het Middelnederlands en thans nog opgegeven voor ... het Brabants en het Zaansch.
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont) in: Groot Tilburg 1941 - ...ginnen overweg die aaltij toe is
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont) in: Groot Tilburg 1941 - Aan den overweg, die netuurlijk toe was, wier er gestopt..
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 03 16 - Gin meens op straot, de pompe toe / En ginnen drup beziene.
  2. voorzetsel

    1.1 Tot daar aan toe

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940 - Mar afijn, dè waar nogal toe daoraon toe...
  3. 2.1 van plaats of afstand

    - Dialectenquête 1887 Willems - van hier toe daor
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd) feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939) - ...van veuren toe aachteren...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), 'Oome Teun in den trein', Nieuwe Tilburgsche Courant 16-9-1939 - Teun moes 'n half uurke loopen toe aon et station...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939)...van kop toe teen!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 22-4-1939 8-5-1939 - De vrouw gong toe de deur toe mee...
    - Jan Jaansen( pseudoniem van Piet Heerkens svd), De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; Nieuwe Tilburgsche Courant 1-10-1938 - ...van deur toe deur.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 03 08 - Van 't Gurke toe de Rèt.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 09 29 - Toe in 't hartje van de stad / Is plaots vur rekrejaasie.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - Ge zondigde van hier toe giender, verkondigden ze van de prikstoel
  4. 2.2 van tijd

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ge moet wòchte toe nuuwjaor toe.
    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - Toe en zóndag = tot zondag; 'toe merregenmiddag'
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940 - Hij ha koppent en bleef toe 's middags te bed...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 05 14 - Van tiene toe 'n uur of elf. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 12 10 - En zò van tij toe tij...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 10 24 - Toe in t midde van de naacht
    - Audio-opname 1978, interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013 - van smorges vijf uure toe saoves twaalef uure
  5. 2.3 van een gebeurtenis of eigenschap

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939)...Toe zelfs z'n hoesten en kuchen toe...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd) n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939 - ...zuinig toe gierig toe...
  6. 2.4 in plaats van 'bij'

    - Jan Jaansen ( pseudoniem van Piet Heerkens svd), 'Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939 - ...hij gong er gemakkelijk toe zitten en vaawde z'n haanden over z'nen buik... 2.5 in plaats van 'aan' - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; Nieuwe Tilburgsch e Courant 1-10-1938 - Toen wij nog jonk waren, gong et er heel aanders naor toe!
  7. 2.6 in plaats van 'tot'

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - Hij deej ok nôot sèùker in zen pap en ie aat aaltij un bord toe de raand toe vol.
    - Henriëtte Vunderink, Uit ''k Zal van oe blèève haawe', 2007- ...van aaronskèlke, drèüve, jèün/ toe fuksias èn strèükmargriet.
  8. voorzetsel

    Aanvullende bronnen

    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TOE vz - tot aan, dikwijls herhaald achter de aangeduide plaats of tijd; toe de school toe, toe Kerstmis toe. Thans 'tot ,.. toe' en 'tot on'.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TOE voor 'tot', in de beteekenis zoo wel van ad, usque, welke Kiliaen - aan dit 'toe' geeft, als in die van 'te'.
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - krt. 78 plaatst T in het 'toe'-gebied. Zie ook blz. 181.
    - WNT - TOE (IV) voorzetsel. Het bijwoord TOE (I) gewestelijk als voorzetsel gebezigd, reeds in het Mnl. en thans nog opgegeven voor ... het Brabants en het Zaansch.
toebèene
werkwoord

toebinden

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - dichtbinden
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Dur wòrre wèl meer zakke toegebonne die nie vol zèn' - Je hoeft je niet altijd vol te eten voordat je ophoudt.
toedè
  1. voegwoord totdat

  2. naam

    totdat

    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - wòchte toedè
    - Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen waarder himmòl meej genaajd, toen moeste vort saoves wòchte toedè die rijers trugwaare, dè was toen saoves en uur òf èllef, half twaalf (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels
toegeeve
werkwoord

toegeven; extra geven toegeeve, gaaf toe, toegegeeve

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - 'Ge moet ze wè toegeeve', zi Brónsgist (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - lett.: in de kruidenierswinkel wat boven het normale gewicht geven; ook: gelijk geven.
- WBD III.1.4:50 'niet toegeven' = iemand weerstaan
toegestèsseld

voltooid deelwoord dichtgeplakt; stèssel = stijfsel (als plakmiddel)

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - dichtgeplakt
toekrèùd
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD III.2.3:128 'toekruid' = specerij
  2. Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.

toelaog
zelfstandig naamwoord

broodbeleg

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - t Is vandaog méér brood dan toelaog. (10-02-1963)
- Cees Robben; [vrouw in kruidenierszaak:] En ôk nog wè toelaog.. (19860425) - Cees Robben; t Is vandaog meer brôôd dan toelaog (19630215)
- dè spaorde toelaog èùt(Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Dè spek aate we et list op. Onze Co vond dè zund, die bewaorde dè veur s aovens bij zen brôod. Dè vonden ze bij ons thèùs wel fèèn want dè spaorde toelaog èùt. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- en klaor waar de nassi. Agge dòcht dè as middageete te krèège, zaater neffe. Ge moest et opeeten astoelaog bij oew brôod. Et wier hoe langer hoe gekker, mar nie lekker. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
toelaog
toelie
zelfstandig naamwoord

spul

- Jos Swanenberg; mededeling 2021 mogelijke samenhang met toei: rotzooi, zooi. Ik interpreteer toelie als 'spul'.
- WTT - aantekening 2021 in Tilburgs alleen aangetroffen als naam voor een soort likeur.
toelietoelie
toemaot
zelfstandig naamwoord

tweede grasoogst in de nazomer; meevaller, extraatje Het element met is verwant met maat, mate, meadow, en afgeleid van het ww. maaien.

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'toemaot, toemèt'
- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Van de toemaot nòr de haaj lôope.
- Pierre van Beek - (Tilburgse Taaklplastiek 178) Een belangstellend lezer vestigt de aandacht op een originele verklaringsmogelijkheid van de herkomst van ons "toemet" dat men ook wel als "toemert" ontmoet. TOEMET zou afkomstig zijn van het Latijnse ww augmentare / augere, dat vermeerderen, vergroten betekent. We ontmoeten dit woord ook in andere Latijnse of Romaanse talen, zoals in het Italiaans en in het Frans, in welke laatste taal het "augmenter" luidt. Het Frans voor 'aanwas is o.a. "augment"; met het lidwoord ervoor spreken we uit: "toment", wat dan uiteindelijk 'toemet ' geworden zou kunnen zijn. Wat ver gezocht?
- WBD III.4.2:30 'toemaat' - kleinste dier van een nest; ook: 'achterblijver'
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - toemaat, tommet - nagras
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TOEMAAT (ook toemmat,tommet,toemmert,tommert) zelfstandig naamwoord mannelijk - nagras, nahooi
- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - EIMET, nagras, toemaat (op sommige plaatsen 'toemaat' uitgesproken).
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Toemaat (toemut of toemunt), tweede oogst (zie blz. 58)
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TOEMAAT is hier bij de landlieden hetgeen men ook het nagroen, het nagras of het hooi van de tweede snede noemt. Kiliaen - 'toe-maet-hoij. Z.a.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1958 e.v. - tument - toement, toemaat, nagras (z.a., blz. 676)
- WNT - XVII I, kol. 559
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Braban (1937) - toemet: T zuiden? (blz. 168)
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - toemnet zelfstandig naamwoord - tweede grasoogst in de nazomer
toemaottoemaot
toemet
zelfstandig naamwoord

tweede grasoogst in de nazomer; meevaller, extraatje Het element met is verwant met maat, mate, meadow, en afgeleid van het ww. maaien.

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'toemaot, toemèt'
- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Van de toemaot nòr de haaj lôope.
- Pierre van Beek - (Tilburgse Taaklplastiek 178) Een belangstellend lezer vestigt de aandacht op een originele verklaringsmogelijkheid van de herkomst van ons "toemet" dat men ook wel als "toemert" ontmoet. TOEMET zou afkomstig zijn van het Latijnse ww augmentare / augere, dat vermeerderen, vergroten betekent. We ontmoeten dit woord ook in andere Latijnse of Romaanse talen, zoals in het Italiaans en in het Frans, in welke laatste taal het "augmenter" luidt. Het Frans voor 'aanwas is o.a. "augment"; met het lidwoord ervoor spreken we uit: "toment", wat dan uiteindelijk 'toemet ' geworden zou kunnen zijn. Wat ver gezocht?
- WBD III.4.2:30 'toemaat' - kleinste dier van een nest; ook: 'achterblijver'
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - toemaat, tommet - nagras
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TOEMAAT (ook toemmat,tommet,toemmert,tommert) zelfstandig naamwoord mannelijk - nagras, nahooi
- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - EIMET, nagras, toemaat (op sommige plaatsen 'toemaat' uitgesproken).
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Toemaat (toemut of toemunt), tweede oogst (zie blz. 58)
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TOEMAAT is hier bij de landlieden hetgeen men ook het nagroen, het nagras of het hooi van de tweede snede noemt. Kiliaen - 'toe-maet-hoij. Z.a.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1958 e.v. - tument - toement, toemaat, nagras (z.a., blz. 676)
- WNT - XVII I, kol. 559
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Braban (1937) - toemet: T zuiden? (blz. 168)
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - toemnet zelfstandig naamwoord - tweede grasoogst in de nazomer
toemettoemet
toemetkètje
  1. zelfstandig naamwoord

    meevallertje

    - Cees Robben; [over een magere vrouw:] t lèèkent wel n toemet-ketje... (19681004)
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - najaarskatje
    - WBD (III.2.1:495) 'toementkatje', 'toemaatkatje', ook 'winterkatje' =
  2. zelfstandig naamwoord

    najaarskatje

    - WNT - TOEMAATKAT - kat die in het najaar geboren is. Ook fig. voor: persoon die graag rustig thuis zit.
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Van 'toemet', najaarsgras (extra-oogst). Letterlijk 'katje in het najaar geboren'. Zie - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - blz. 58
    - Pierre van Beek - Jong katje dat in het najaar geboren is. Ze zouden niet zo goed zijn als voorjaarskatjes, omdat ze te veel achter de kachel opgroeien.
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TOEMAATKAT - eene kat die in t najaar, in den tijd van de toemaat, geboren is
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - toemetkètje in de herfst geboren katje
toen
bijwoord

toen in kindertaal: 'toen-irst', 'toen-urst - destijds

- Pierre van Beek - toen-nèt - zojuist, zopas, kort geleden
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - toenètte dittie et nòg
- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - toen irst - voorheen
- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - toen strak - kort geleden
toendertèds
  1. bijwoord

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - toentertijd, destijds
  2. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

toenèt
bijwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - zojuist
toenèttoenèt
toenette
bijwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - zojuist
toenettetoenette
toenirst
bijwoord

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Toenirst Toen die eerste keer, Toen de laatste keer
toepertoe
  1. bijwoord

    alsmaar, alles ineens; ± overdadig, geheel en al, met alle geweld; overal

    - Informant Toine Raaijmakers - Allee, et hoeft nie toepertoe - Het kan toch wel op, al is het lekker!
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'pillen slikken, toepartoe'
  2. Piet Heerkens - M'n biekes zie ik geere gaon / van blom toe blom, en aaf en aon / toezjoer en toepartoe en vlug / de blumkes aaf en weer terug (Piet Heerkens; uit: Dn örgel, Iemker-lieke, 1938)

    - Cees Robben; Zeuve daoge toepertoe.... [namelijk op de kermis] (19540814) - Cees Robben; Dn ijsco lokt klèènen... Die toe-per-toe lekken... (19580524) - Cees Robben; [tegen een bierdrinker:] Kalm aon, Jaon.. t hoeft nie ammol toepertoe... (19730202) - Cees Robben; Korsemis.. Vrede... En toepertoe mar laoie en losse... (19851227) - ook in de betekenis altijd maar weer
    - De Wijs - Kalm aon, t hoeft nie ammaol toepertoe. (10-02-1963)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 06 26 - Mar pruuft daor naa nie toepertoe / Want 't is gin zuurkesnat / Ge zèt - vur dègge'r èrg in hèt - / Van wèn ok lekker zat.
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hij spaojde mar toepertoe, toe tweeje toe - hij spitte alsmaar door tot 2 uur toe
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - toepartoe, toepertoe - zonder beperkingen
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
  3. bijwoord

    Etymologie

    - Paul Spapens et al; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol (2004) - toepartoe, toepertoe - zonder beperkingen, alles ineens (Fr. tout pour le tout - alles of niets)
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TOEPERTOE (tout partout( (?) - alles ineens, op alle fronten tegelijk.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. verb. 'toepertoe ' (Frans ontlening?'; tout par tout) - zonder ergens naar te kijken, zonder iets aan te zien, gedurig, zonder ophouden.
toer
  1. zelfstandig naamwoord

    beurt: moeilijk karwei, de route die een straathandelaar aflegt Ik hè dees week de toer om de mulkwaogen te rijen. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929) Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen zèèk irst de mèlkrichting gegaon èn daor liepe die, die, dè waare zak zègge, die manne die ene toer hadde èn dè waare gewoon jongere om meej te lôope (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels

    - Cees Robben; meej toere rôoket er - nu en dan is het er niet pluis
    - Cees Robben; Tis enen hillen toer - het is een moeilijk karwei
  2. zelfstandig naamwoord

    DAN- Dialectenquête 1887 Willems - de melkboer mòkte 'ne grôote toer' Dirk Boutkan (1996) - (99) ... ene grôote roete

    - WBD III.3.1.434 'toer' = rit
    - WNT - TOER, TOUR - 5) ronde, rondje; 6) reis, tocht; 7) beurt; 10) daad die behendigheid vereischt; 13) moeilijk, zwaar werk
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord mannelijk 'toer' 1) beurt; 2) poos, tijd, wjjl; 3) een vervelend,lastig iets, een ongemak; 4) gedeelte (weinig gebr.); 5) verschijnsel, aanduiding, aanwijzing
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - TOER - zelfstandig naamwoord m.: nen - breien; nen toer doen (wandeling); ieder op zijnen toer.
  3. zelfstandig naamwoord

    toereloerke omweg Mee n sierluk toereloerke draaiden ze durre weg eromhene... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

toerke
  1. zelfstandig naamwoord

    PM dutje en toerke doen - een dutje doen, een tukje doen

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'K-maok nog gaaw un toerke vur-k wir in de burries mot' - Ik doe nog vlug een dutje, voor ik weer moet gaan werken.
    - WBD (III.2.1:39l) en toerke doen - een middagdutje doen
    - korte oe
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TOERKE - kleine toer bijvoorbeeld rondrit, uitstapje; speciaal: verontschuldigende
  2. benaming van een kort, welverdiend middagslaapje: efkes n toerke doen, op z'ne rug gon staon e.d.

    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TOERKE wandeling: 'en toerken doen'
toerlezjoere
  1. werkwoord

    blijmoedig rondtrekken; uitgaan

    - toerlezjoere - toerlezjoerde - getoerlezjoerd
    - 1e oe is kort, 2e oe is lang
    - kennelijk van Franse oorsprong
  2. Ze zullen dus wel, as wij sliepen, in de bedsteej hebben liggen toerlezjoeren. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - óp zene toerlezjoer zèèn (Pierre van Beek -Tilburgse Taalplastiek 68) - de hort op zijn (Mogelijk van Frans: 'tour de jour' = dagronde)
  3. Piet van Beers 1 ste Lezing uit Lukas 15: De jongste van die tweej, ha enen heekel òn boere/ èn di èègelek niks liever as "toerlezjoere." (Spoeje doemmeniemer; 2009)

    - Stadsnieuws - 'Naa dèttie getrouwd is, zat wèl öt zèèn meej dè toerlezjoere'(100908)
    - WBD III.3.2 kent niets wat erop lijkt.
toernedoo

tournedos

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 09 06 - We eete naauw "'n toernedootje" / Dès 'ne gewoone malsen bief...
toerrije
werkwoord

- WBD brood thuis bezorgen
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'tôêrrèèje' - koopwaar bezorgen
toeschòrt
zelfstandig naamwoord

schort (van kin tot over de knieën)

- Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - ''nen eenderen toeschort (daor ze gelijk in zitten)'
toesjee
werkwoord

toestèssele uit 'toe' = dicht, en 'stèssel' = stijfsel: dichtplakken Alleen aangetroffen bij Heerkens Ge weet wel waor Baokel in Brabant lee: et lee aon den uitersten kaant, en 't bestao mar uit enkelde boerestee, wè haai en wè waaie, - de weerelt, o jé,

toestraks
bijwoord

toen straks = kort geleden

- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
toeswiet

uitroep onmiddellijk; uit Frans 'tout de suite'

- Interview Jolen - 1978 - Ik zaat daor siegaare te maoke, war, èn hij moes iets hèbbe ènt ging nie vlug, vlug genog, hè, dan stond hij: toeswiet!!toeswiet!!...Kiske van Hest was dè. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
toeswiet
toethaspel
zelfstandig naamwoord

sukkelaar, stoethaspel Daamen - woordenlijst 1916 - "toethaspel - sukkeltje"

- WNT - STOETHASPEL - 1) onbehouwen of onbeholpen persoon, iemand die zich niet weet te redden; 2) 'een vreemie stoethaspel' een vreemdeling met wien men niet op kan schieten
toetmèm
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - êene toetmèm - alles gelijk (Frans tout de même)
- WNT - TOETMEM, toetemem, zelfstandig naamwoord verbastering van Frans tout de même - geheel hetzelfde (in div. dialecten)
tòffel
  1. zelfstandig naamwoord

    tafel We zaate meej zissen on tòffel.

    - N. Daamen - Handschrift 1916 - 'toffel' - tafel
  2. M taofel

    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Volgens krt. 61 ligt punt T juist ten westen van de lijn ten oosten waarvan klinkerverkorting optreedt, hetgeen inhoudt dat op T's gebied naast 'taofel' ook wel 'tòffel' gezegd zal worden.
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'op vloer en toffel'; èn wè stòn de tòffels vól
    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - zowel 'taofel' als 'toffel'
    - Cees Robben; driederhaand sórt gruuntes óp tòffel;
  3. WvM 'en t van dees toffel'

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dije lange lummel kan bij Onze Lieven Heer op tòffel kèèke
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - speule meej et mis op tòffel
    - Nao ut opstaon saom òn toffel/ Mee wè spekvet in de pan. Uit: Bè de wèèvers òn tòffel, Ad van den Boom, circa 2005
    - As smiddaags de fubrieksflûit gong/ Stond ut eete op de toffel klaor Uit: Bè de wèèvers òn tòffel, Ad van den Boom, circa 2005
  4. zelfstandig naamwoord

    Ok laag der vort un toffelklééd op de toffel. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) Siendereklaos reej vur die klèèn nog op toffel. Ze han nog gin benul van suppriese maoke. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) Bij ons taante Gerrie kosse wij aaltij ons bêen meej onder de toffel schèùve (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

tòffele
werkwoord

- Paul Spapens et al; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol (2004) - ongewenst gedrag in het openbaar afstraffen, een volksgericht houden
- WBD (III.3.2:310) tòffele, c.q. uitkeetele, ötrommele = zie hierboven
töffelèèr
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - ketelmuzikant
tòffelgeraaj
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - bestek
- Stadsnieuws - Et tòffelgeraaj laag meej et tòffelklêed in de tòffelschèùf (010309) - het bestek lag met het ontbijtlaken in de tafella.
tòffelschèùf
zelfstandig naamwoord

tafella(de)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk - tafelschuif
tol
zelfstandig naamwoord

- WBD III.2.3:106 tol = raap
tòlde

verleden tijd van 'taole'

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - taalde
tölleke
  1. zelfstandig naamwoord

    tolletje

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'draait as n tùlleke'
  2. verkleinwoord van tòl, met umlaut

tòlsereej
  1. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - tafelzeil (Fr. toile cirée)
  2. zelfstandig naamwoord

    Verbastering van Franse 'toile cirée' = met was bestreken doek wasdoek, veelal gebruikt als tafelzeil

    - dè de kasteleins, inplaots van d'ren twalsiree te buunen, zaand
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dwalseree
tòlt
werkwoord

taalt (enkelv. verleden tijd van 'talen'/ taole)

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hij tòlt er nie naor - hij geeft er niet om, heeft er geen belangstelling voor
tòltje
  1. zelfstandig naamwoord

    taal, taaltje

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'taol van men Brabant'
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'want óns taol verstòn ze nie
    - Cees Robben; Hier klonk er ons taoltje zo sappig en mals... (19571221)
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007 - Et waar un gemeenschapskamp van wel tien afdêelinge van et jongensgilde öt hil et laand. Et ideaal; un sôort verbroedering, tusse de jongeren kon daordeur ontstaon. Daor is wèènig van terèèchte gekoome. Ze verstonde dè taoltje van ons nie en wij vonde dètter ene hôop kak bij zaat, bij die aander dan. Wij zaate nie te wòchte op kak en dè Hollands dè öt hullië bek kwaam, vonde wij mar aonstellerij, ge kost toch ok gewoon praote.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'taol' - taal, stem
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - taol zelfstandig naamwoord - taal, spraak
  2. zelfstandig naamwoord

    taaltje Buuk Tilbörgs is nie zomar en aoreg tòltje, mar tis en èchte taol.

    - verkleinwoord van 'taol', met vocaalkrimping
töltje
  1. zelfstandig naamwoord

    tuiltje, ruikertje, bosje bloemen, boeket

    - verkleinwoord van 'tèùl', met vocaalkrimping
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TUILTJE zegt men hier voor hetgeen men elders een ruiker noemt, waar
  2. tuiltje naauwelijks dan in den diohterlijken stijl bekend is.

ton
zelfstandig naamwoord

ton, vat 1. inhoudsmaat Lodewijk van Dorrus Misters - Een grote 50 jaar geleden waren de tonnen nog in gebruik en werd een ton gerekend op 150 liter inhoud. Ook was er fustwerk in gebruik van 1/2 ton of "vat", van 1/4 ton of "keneke" en van 1/8 ton dat men "kattekop" noemde. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 8 Oude brouwerijen in Tilburg; Nieuwe Tilburgsche Courant 23-6-1951) 2. geldbedrag

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - geldbedrag ad f. 30.000 (Tilburgs ton)
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - en Tilburgse ton hebbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - Als vroeger een Tilburger zei dat hij een ton bezat, werd dat met een korreltje zout genomen (Men schatte dat op dertigduizend gulden)
tonbaank
zelfstandig naamwoord

toonbank

tong
  1. zelfstandig naamwoord

    tong

    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Den dieje, die zal ók gin blèènen óp zen tóng krèège (zegt weinig)
  2. Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - op de tong - op de tong

    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - oover zen tóng kakke (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - overgeven (ook van dronkenschap)
    - WBD III.1.4:ll6 'vuil tong' = vrouw die graag kwaadspreekt
tongblaor
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD mond- en klauwzeer (bij koeien)
  2. werkwoord

    tonkèùle Tonkuilen, inkuilen.

    - Een roestpraatje ( Weekblad van Tilburg , 5 oktober 1867): En det de mert van de patrasen, die ge ton kuilde.
tönman
  1. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - tuinman
  2. zelfstandig naamwoord

    Dirk Boutkan (1996) - 'töman' (blz. 55) Uitspraak: met tot m geassimileerde n tonpraot tonpraat een voordracht die met carnaval gehouden wordt, en waarbij de spreker in een ton staat

    - Cees Robben; Hoe vonde menne tonpraot, Nel..? Nou.. veul geklets, mar t praotte wel. (19741129)
    - Cees Robben; detail Prent van de week 29-11-1974
  3. Witte gullie dètter in Tilbörg ene Tonpraotakkedeemie is? Wòr ge kunt leere leutere? (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

tontje
  1. zelfstandig naamwoord

    toontje

    - Cees Robben; èn hij zingt en tóntje lêeger;
    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - ieder bóntje hee zen tóntje, ieder èrtje zen kónsèrtje (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - bonen en erwten veroorzaken namelijk winden
    tontje
  2. verkleinwoord van 'tôon', met vocaalkrimping

  3. zelfstandig naamwoord

    toon, klank

    - WBD (III.3.3:85) toon, klokketôon, klaank = klank van een klok
töntje
  1. zelfstandig naamwoord

    heg, tuin, omheining

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'die waar gebonden aon 'n tùin'
    - " èn dan kwaamde tusse tweej töntjes, daor hadde de boere, de boere der waaj èn dan hadde daor de, de tèùn van de febrieke, van die heere dan [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]
    - Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - den tuin aachter 't huis (ui = eu in Frans Meuse)
    - WBD (III.3.3:96) tèùn = omheining van het kerkhof
    - WBD (III.2.1:399) 'tuin' = idem
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TUIN = lage omheining, omtuining. Z.a.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord mannelijk tuin, haag om een hof, hofheg
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TUIN zelfstandig naamwoord mannelijk -haag, hegge rond eenen hof,
  2. zelfstandig naamwoord

    hegje, tuintje Henk van Rijen -gezegde Nie oover et töntje loere verkleinwoord van 'tèun', met vocaalkrimping

tôog
zelfstandig naamwoord

toonbank, in het bijz. in een café; gewelfd metselwerk

- WBD III.3.1:89 'toog = toonbank
- WBD III.3.2:258) tôog, ereboog, triomfboog, straatboog, feestboog, priesterboog = ereboog
- WBD III2.1:68 'toog' = gewelf
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TOOG (scherpe o) zelfstandig naamwoord mannelijk - toonbank in eenen winkel of eene herberg.
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'toog' zelfstandig naamwoord - toog
- WNT - TOOG (II) - 11) plaats waar koopwaar uitgestald ligt of getoond wordt; later bepaaldelijk toonbank in een winkel en, minder eigenlijk, buffet (tapkast) in een herberg of café (in Vlaand., Nbrab. en Zeeland)
- O pmerking Wil Sterenborg: Bij jèppe, hierboven, komt ook 'toog' voor. Wat voor mij aanleiding was tot onderzoek. - Van Dale XI- Informant Ad Vinken; geeft onder 1. TOOG 7) tapkast, 'schouwspel' van togen (tonen). - Van Dale Etymologie verwijst naar Gotisch ataugjan < augo 'iets voor ogen brengen. In - WNT - XVII: 1283 wordt TOONEN vermeld: "Toonen is wsch. reeds in de 16de, doch zeker de 17de eeuw het gewone woord boven den Moerdijk. Terzelfder tijd is het in het brab. en limb. naast het verouderende toogen in gebruik ..." De dubbel oo in de open lettergreep garandeert dat het om een scherplange oo gaat, en de schrijfwijze toog juist is. Niettemin geeft de Woordenlijst van 1865: toog, togen; toog (=toga) togen; toonen; maar toogen komt niet voor (dialect).
tôoge
werkwoord

tonen, laten zien, duidelijk maken

toogpin
zelfstandig naamwoord

- WBD (II:2494) toowchpin' - houten nagel
tôoje
werkwoord

versieren, opsieren

tôom
  1. zelfstandig naamwoord

    toom

    - WNT - de gezamenlijke terzelfdertijd uitgebroede jongen; broedsel, nest.
    - Cees Robben; t Is kazzjewêêel die kiep van mèn.../ zô zörgt ze vur de Paose.../ t Is de leste van den tôôm.../ En asse lee.... dan staose... (19550312)
  2. zelfstandig naamwoord

    - WBD (Hasselt) - hoofdstel (van het paard), aldaar ook 'trens' genoemd of 'hoofdstèl'; elders: 'hoofdstèl'
    - WBD (Hasselt) - troep biggen uit één worp
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TOOM, voor geslacht (Lat. soboles), hoorde ik eene enkele reis gebruiken door iemand die zeide een 'toompje hoenders' voor een koppel. Z.a
tôon
zelfstandig naamwoord

toon, klank

- WBD (III.3.3:85) toon, klokketôon, klaank = klank van een klok
tôone
  1. werkwoord

    laten zien

    - WBD III.4.4.301 'tonen' = gelijken
  2. tôone - tonde - getond met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: tont

tôontrèèjer
zelfstandig naamwoord

- WBD paard met naar binnen gedraaide hoeven, ook 'têentrèèjer' genoemd
toore
  1. zelfstandig naamwoord

    toren

    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - die ónder de schaoj van den toore woone, die zèn me te fèèn (D.16)
    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - haole ze bij jöllie saoves de toore nòg binne ('72; smalend tegen mensen uit Enschot
    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - teege de tooren omhôo zinge (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - uiting van waardering voor de kwaliteit van het zangkoor
  2. zelfstandig naamwoord

    Dirk Boutkan (1996) - tórretje; (blz. 51) toore - torretje

    - WBD (III.3.3:75) toore, klòkketoore = kerktoren - ik zie zo gèère al die toores
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - toore (krt. 61)
toot
zelfstandig naamwoord

wang

- Van Dale - toot - (gew.) gezicht, gelaat, mond, tuitmond; grimas (vgl. toet)
- N. Daamen - Handschrift 1916 - "'k zal oe tegen oe tooten kletsen (wangen)"
- WBD III.4.2:34 toot - voorste deel van het gezicht van een dier; ook genoemd: bakkes, wroet, neus of bek
- WBD III.1.1.65 'toot' = gezicht
- WBD III.2.2:103 'tootje' = kus
- WNT - TOOT 12) van een persoon: mond, en vervolgens ook aangezicht
tootenbakkes
zelfstandig naamwoord

- N. Daamen (handschrift Tilburgs 1916) - "ze hee 'n totenbakkes (een gezicht met vooruit stekende tanden)"
tôoverbòl
zelfstandig naamwoord

toverbal, - bol; snoepgoed in de vorm van een bolletje, dat steeds van kleur verandert naarmate het zich langer in de mond bevindt en kleiner wordt. Het snoepen van een toverbal ging daarom gepaard met het voortdurend uit de mond nemen van het snoepje om te zien of en hoe de kleur veranderd was.

- Cees Robben; maakte er een prent van met twee driekoningen die één toverbol hebben (5 januari 1962; Rooms Leven):
- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de tôoverbol = Hein Bijvoet (blz. 25)
- Wij moese aatij irst de [Hasseltse] kepèl in èn n rôozehuuke bidde vurdèmme vur êen of twee cènte snuupkes mochte kôope. En ik moet zègge, dan smòkte-n-et ok beeter. Et joodevèt, de stroopseldòtjes, de dròpveeters, t zuuthout, tôoverbòlle. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
tôoverbölleke
zelfstandig naamwoord

toverbal, - bol; snoepgoed in de vorm van een bolletje, dat steeds van kleur verandert naarmate het zich langer in de mond bevindt en kleiner wordt. Het snoepen van een toverbal ging daarom gepaard met het voortdurend uit de mond nemen van het snoepje om te zien of en hoe de kleur veranderd was.

- Cees Robben; maakte er een prent van met twee driekoningen die één toverbol hebben (5 januari 1962; Rooms Leven):
- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de tôoverbol = Hein Bijvoet (blz. 25)
- Wij moese aatij irst de [Hasseltse] kepèl in èn n rôozehuuke bidde vurdèmme vur êen of twee cènte snuupkes mochte kôope. En ik moet zègge, dan smòkte-n-et ok beeter. Et joodevèt, de stroopseldòtjes, de dròpveeters, t zuuthout, tôoverbòlle. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
tôovere
werkwoord

toveren

- tôovere - tôoverde - getôoverd (geen vocaalkrimping)
tôovere
töpke
zelfstandig naamwoord

topje

- Cees Robben; Ziede n töpke... [van een boom] (19601007)
Tor
  1. naam

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 05 14 - Dan lee 'ze vadder bij "de Tor" / Aaltij hèèl efkes aon.
  2. zelfstandig naamwoord

    Turfstekers in de Peel törf turf

    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Had, had haaj gefreete, dan hadde törf gescheete.
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Hak hooj gegeete, dan hak törf gescheete.
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - "n houtje of 'n tùrrefke '
    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - as ge en kóltje hèt, wilde en törfke teege ('84) - Geld trouwt graag geld.
    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - die een törfke brèngt, kómt en kóltje teege ('50) - Geld trouwt graag geld
    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - zak enen törf haole? (Alg. Brab. '87) - gezegd tegen iemand die met de ellebogen op tafel zit te eten.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord mannelijk (als voorw.naam en als stofnaam) - turf
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TÖRF (uitspr.törref ) zelfstandig naamwoord m., ook als stofnaam: turf.
törk
zelfstandig naamwoord

spotnaam inwoner van het stadsdeel Goirke, meer in het algemeen ook inwoner van het noordelijk deel van Tilburg (boven de lijn of aon geene kaant); de benaming is waarschijnlijk gebaseerd op het vaak donkere voorkomen van de arbeiders in de textielfabrieken. Tilburgers bezuiden de spoorlijn werden kaaibuuters genoemd. - Cees Robben; Isser dè eene van t Gurke Tonia...? Nee hörre... dr wordt bij ons ginne Turk vermist... (19560303) - Lèst han ze teege Stekelenburg gezeej dèttie te veul op et gemintehèùs zaat. Hij moes es meej de meense in de stad kènnes gòn maoke. Ze han en afspraok vur em gemòkt bè de Turke. Naa, tweej uurkes laoter wier er gebèld op et gemintehèùs: et wèèksèntrum van et Gurke òn de lijn. Òf den burgemister al onderweege waar? Iè, die waar allang vertrokke. Et ènde van et lieke waar dèsse den burgemister opgescharreld hèbben in de moskeej. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 1997) - Vruuger waar dè aanders. Toen hamme hier meschient wel Törke, mar die waare gewoon gebooren op et Gurke. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2000)

torre
  1. zelfstandig naamwoord

    toren

    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - die ónder de schaoj van den toore woone, die zèn me te fèèn (D.16)
    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - haole ze bij jöllie saoves de toore nòg binne ('72; smalend tegen mensen uit Enschot
    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - teege de tooren omhôo zinge (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - uiting van waardering voor de kwaliteit van het zangkoor
  2. zelfstandig naamwoord

    Dirk Boutkan (1996) - tórretje; (blz. 51) toore - torretje

    - WBD (III.3.3:75) toore, klòkketoore = kerktoren - ik zie zo gèère al die toores
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - toore (krt. 61)
torte raope

koeienmest verzamelen

- Audioregistratie 1978 - die ging pèrdstront raope, torte raope, zisse dès dan wir Riels, die kwaam van Riel aon! Pèrdstront raope om dere tèùn te bemèste èn ze han dan ok en vèèreke èn en gèèt! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
torte raope
tös
  1. zelfstandig naamwoord

    thuis, tehuis

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Wie tèùs is, moet tösblèève.
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ge meut wèl óp en aander hónger krèège, as ge tèùs mar kómt eete.
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde - Et is nie èèrg as ge onderweg honger krèègt, agge mar tèùs it.
    - Pierre van Beek - "Thuis zijn" betekent het (kaart)spel winnen. (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'óp un aander honger krèège, mar töös koomen eete' - een ander mag je aardig vinden, maar daar moet het bij blijven
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hij is er tèùs as ene pestoor in zene kèrkboek
  2. werkwoord

    tèùsslachte thuis slachten meestal opgetekend als zelfstandig naamwoord, de 'tèusslacht'.

    - Audio-opname 1978 - Dè tèùsslachteden êene die hagget zôo èn den aandere zôo. Den êene ha en ketròl èn den aandere moeste gij zogezeej boove meej en ketròl, moeste gij daor en èèzere dingen in steeke, heej, èn dan moeste ze boove zogezeej meej en èèzer moeste gij ze meej tweej man opdraaje boove (- Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)
  3. zelfstandig naamwoord

    tèùswèèver thuiswever, wever die niet in de fabriek werkt maar zijn weefstukken aan een fabrikant uitlevert

    - Audioregistratie 1978 - Mar en tèùswèèver dè was er êene, war, die ging nòr en febriek toe, onverschilleg wèlk febriekmar ze krêege en kètting meej, dè wil zègge, ge hèt kètting èn inslag, dus ge hèt enen hille breejen bôom, zo breej as et stuk moet zèèn èn die zèn ammel draojkes nèffe mekaare, war (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)
    - Audioregistratie 1978 - Die teuswèèvers die han ammòl zôo ene lêeme vloer ammòl die van Honsbèèrege èn Peer de Kôoning! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
    - WBD tèùswèèver (II:941) - thuiswever, wever die niet op een fabriek werkte, ook 'bèùtewèèver' genoemd
    - WBD tèùswèeve (II:949), ook bèùtewèève (buiten de fabriek weven)
    - WTT 2013 - de fabriekswevers werden ook 'binnewèèvers' genoemd
tötje
zelfstandig naamwoord

tuit

- WBD tèùt (II:1030) tuit: spoelpijp; ook: pèèp of klos
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TEUT zelfstandig naamwoord mannelijk = Toot: t u i t of pijp van eene kan of eenen moor.
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - teut tuit van een kan, neus van een schoen
traajfel
zelfstandig naamwoord

Hebreeuws: treefa; jiddisch: treife niet-geoorloofd; bijvoorbeeld van vlees dat op onjuiste wijze behandeld is Audio-opname 1978 Dhr. Bertens .èn asse dè hadde dan mooge ze der niks van gebrèùke as dè vastzaat. Dan was die nie traajfel! Jè dè noemde zullie traajfel jè, dès en ötdrukking van de Joode!! (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels traaw, trouw, trouwe het trouwen, het getrouwd zijn, het huwelijk ...in den trouw koom et ongeluk aaltij van den kaant van et mansvolk! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939) ...hij ha wel schrik van 't trouwe, dè wel, want ge wit noot, hoe zoo'n frammes d'r eigen nao d'ren trouw ontwikkelt... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939) Hij ha-g-et al zoo dikkels geheurd, dè 't zachtste lammeke nao den trouw in 'nen draok kan veraandere! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939) ...dan is me de trouw nie vur honderd percent meegevallen. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

traawe
werkwoord

Pierre van Beek - vast staat wel, dat zekere Tilburgse Dusée, die een verstokte vrijgezel was - en daarbij een grapjas ook! - de volgende woorden op zijn rekening geschreven ziet. Als er sprake over trouwen was, zei hij steeds: "Ze hebben Onze Lieve Heer gemarteld en gekruisigd mar nog nie laote trouwen!"

traktemènt
zelfstandig naamwoord

tractement; meestal het geld dat een man van het weekloon mocht behouden voor zichzelf

- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
traon
  1. zelfstandig naamwoord

    traan; meervoud 'traone'; verkleinwoord = tròntje, tròntjes traan CR van mannen èn jèùn krèèg ik aaltij de traonen in men ôoge. FVb traone die ge schruwt, hoefde nie te piese FVb traone èn sneevel geeve gin vlèkke levertraan

    - alleen enkelvoud: traon CR daor rôok et nor traon
    traon
  2. Bont tro'.n , zelfstandig naamwoord mannelijk 'troo'n', traan, vet of olie v. walvissen - troi-n, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'troo'n', traan (oogvocht)

traonôoge
zelfstandig naamwoord

traanogen

- WBD traonôoge - (van een paard) troebele ogen, (in de Hasselt) genoemd
- WBD III.1.1:245 'soepogen', 'leepogen' = tranende ogen
trap
naam

constructie van opeenvolgende treden; traptrede

- WBD III.2.1:71 - trap, tree - trede - WBD III.1.2:171 - trap = schop
traplirke
zelfstandig naamwoord

trappeere
werkwoord

betrappen

- WBD III.3.1:351 'trapperen' = betrappen
traveljeur
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - (textiel; werker (deel van het assortiment) (Fr. travailleur)
- WNT - TRAVAILLEUR - arbeidswals op een textielmachine
traveljeur
trèèchter
zelfstandig naamwoord

trechter

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - type 'trechter', met ch (krt. 40)
treej
zelfstandig naamwoord

trede

- WBD tri-je (II:976) - treden (van een getouw)
- WBD (II:2795) 'treejer' (mv.) - treden (van een huifkar)
- WBD (III.2.1.71) tree - trede, ook: trap
- WBD (III.1.2.153) 'tred' = stap, schrede
treeje
  1. werkwoord

    treden

    - WBD aftreeje - land aftreden (on de grootte ervan vast te stellen;
    - WBD III.1.2:151 'treden' = met grote stappen lopen'
    - WBD III.4.4:292 'treden' = afpassen, ook 'afstappen'
    - Dialectenquête 1887 Willems - treeje - trój - getróje
  2. Dirk Boutkan (1996) - treeje - traad - getreeje

treejer
zelfstandig naamwoord

treder

- WBD treejer (II:956) - treder, plank vóór het weefgetouw, waarop de wever loopt.
trèèn
zelfstandig naamwoord

trein

- WBD (II:2813) 'tréjnkéér' - treinkar (samengestelde kar)
trèffe
werkwoord

Dirk Boutkan (1996) - trèffe - tróf - getróffe

trèk
zelfstandig naamwoord

- WBD III.4.4.116 'trek' = tocht
- N. Daamen - Handschrift 1916 - trek 'het trekt hier zoo' (tocht)
trèkgat
zelfstandig naamwoord

tochtige opening

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TREKGAT zelfstandig naamwoord o. - plaats waar voortdurend een windtocht gevoeld wordt. Smalle straten langsheen eene kerk zijn doorgaans trekgaten.
- WNT - TREKGAT (II) - Plaats, bijvoorbeeld een steeg; of een straathoek, waar het sterk tocht
trèkgèld
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD III.3.1:110 'trekgeld', 'inzetgeld, slagengeld' = priem (bedrag dat
  2. uitbetaald wordt aan degene die bij de eerste verkoping het hoogste bod heeft gedaan)

trèkke
  1. werkwoord

    trekken, in uiteenlopende betekenissen. trèkke trok - getrokke

    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TREKKEN, bij v. Dale 28 bett., bij het onov. ww vallen o.a. op: 1) tochten: het trekt hier; 2) inkomen hebben uit rente; 3) winnen: 'n vèrskalf trekken; 4) lijken op; Hij trekt op zijn vader; 5) betrekking hebben op, innerlijke samenhang vertonen; dè trekt nergens op.
  2. op iets, iemand of elkaar lijken

    - Cees Robben; Wè trekt ie [het kind] toch op dn aauwe, war/ Haoreender de weergaoi... (19840217) - Cees Robben; Ze trekke wel op mekaar (19790907)
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TREKKEN OP - trekken naar, gelijken op, Frans ressembler
    - WBD III.4.4:301 'trekken' = gelijken, ook 'trekken hebben'
  3. met ontkenning: nergens op slaan, geen gezicht, waardeloos

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 01 21 - Rondwaandelend dur Tilburgs straoten / Krègde soms iets in de gaoten / Dè agge't eventjes bekèkt / As n tang op 'n vèrken trekt. [...op een varken slaat]
    - Audioregistratie 1978 - Dè weet ik nòg goed zuur brôod, jè, meej zuurdêeg gebakke nèt as den Dötser dieje kuch doen, hè! Èn die kènder, hè, en bietje booter derop. Et trok van gin kaante! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
    - Mandos, Brabantse Spreekwoorde n, 2003 - et trèkt eróp as zèèk óp ene riek ('47) - het lijkt nergens op.
    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - dè trèkt op niks - dat lijkt nergens op.
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - trèkke ww - trekken; dè trekt nèrreges op.
  4. geld ontvangen voor onderhoud

    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - Hij trók van den stillen èèrme.
  5. tochten

    - WBD III.4.4:42 'trekkerig weer' = winderig weer, ook 'waaierig'
    - Cees Robben; Figuurlijk: Asset thuis waait moete één deur dicht doen... aanders trekket... (19721117)
trèkmoonieka
  1. zelfstandig naamwoord

    - Paul Spapens et al; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol (2004) - accordeon, trèkörgel
  2. trèkpèèp

    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 -tochtgat
trèkörgel
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - trekharmohika, trekzak
- WNT - TREKORGEL - Zuid-Nederlands voor (trekharmonica).
trèkpòt
zelfstandig naamwoord

- N. Daamen - Handschrift 1916 - trekpot - theepot
trèktemènt
zelfstandig naamwoord

traktement

- Kees en Bart, Tilburgsche Post 1922-193? - 'trektement' (passim)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 04 17 - Want ge zult vurlòòpig 'n maond / Gin trèktement mir krègen.
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - et weer is goed, zi den boer, as et trèktemènt ók mar goed was (Si67)
- WBD III.3.1:138 'traktement' - zakgeld - Haar tractemènt - zakgeld
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o. - traktement, zakgeld dat een boerenjongen resp. een man van zijn ouders resp. van zijn vrouw voor de zondag krijgt.
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - traktemènt zelfstandig naamwoord zakgeld
trèmke
zelfstandig naamwoord

verkleinwoord van 'tram', met umlaut trammetje

- Cees Robben; Jouw tremke (19610929)
trèns
zelfstandig naamwoord

- WBD (Hasselt) - hoofdstel (van een paard), aldaar ook 'toom' genoemd of 'hoofdstèl'
- WNT - TRENS (I) - 1) deel van het gareel van een paard
trèpke
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - trapje
treure
  1. werkwoord

    treuren

    - WBD III.1.4:267 'treuren' = kniezen
    - Dialectenquête 1887 Willems - treure - trurde - getreurd (lange eu)
  2. vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij treurt

trewêel
  1. zelfstandig naamwoord

    troffel, kalkscheppertje

    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o.+vr. 'traweel, treweel' - truweel, troffel
    - WNT - TRUWEEL, trouweel - De vormen truwel en trouwel wijzen wellicht op aceentverschuiving, welke in het Mnl. geleid heeft tot TRUFEL en later tot den opvallenden vorm TROFFEL. - Zeker gereedschap van metselaars.
  2. dienende om steenkolen, assche, aarde, kalk, steengruis enz. te scheppen

triekoow
zelfstandig naamwoord

- WBD tricot (II:889)
- WNT - TRICOT zelfstandig naamwoord bijvoeglijk naamwoord - 1) als verzamelnaam: gebreide goederen of kleeding; 2) machinaal of met de hand gebreide stof van wol, zijde, katoen of dergelijk materiaal; 3) benaming voor verschillende kleedingstukken, van de genoemde stof vervaardigd
triesteg
naam

triest, droevig

- Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'triestig'
- WBD III.1.4:249 'triestig' = bedroefd
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord 'tristig' - triestig
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TRISTIG - bedroefd, neerslachtig, treurig.
- WNT - TRIESTIG, TRISTIG
trifke
zelfstandig naamwoord

treefje

- WBD III.2.1:l76 'treefje' = taartenroostertje
trip
zelfstandig naamwoord

- De oorspronkelijke negatieve betekenis en ook het idee van gierigheid is volledig verdwenen in een andere prent van Robben om plaats te maken voor kwezelachtigheid: - Cees Robben; Die fèèn trip (...) mee dr prevelementje en durre seklaade.. (19850215)
- WBD III.1.4:87 'fijn trip' = huichelaar
- WNT - TRIP (VII) zie TRIJP 3) - Scheldnaam m.b.t. een valsche, liederlijke of gierige vrouw; loeder, feeks en derg. Z.a.
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TRIP zelfstandig naamwoord v. gierige vrouw: En gierige trip
trits
zelfstandig naamwoord

trits, drietal Pierre van Beek - dubbele (dòbbele?) trits - iets wat langer duurt dan normaal, bijvoorbeeld Mis met drie heren - mis meej nen dubbelen (dòbbelen) trits D16 dubbelen trits (als iets aan beide zijden meevalt)

- WNT - onder TRITS: Volgens schuerm. te Antwerpen in de uitdr. dat is dobbel en trits of: dobbelen tris om aan te duiden dat iets zeer overvloedig is.
troef
zelfstandig naamwoord

troef, doorslaggevend element

- Daor ist èèrmoej troef. - Daar heerst doorlopend gebrek.
- rèùtes troef
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - truf, zelfstandig naamwoord mannelijk troef; 'Den troef is eröt' - de fut is eruit.
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TROEF zelfstandig naamwoord m., niet v. - spr. Armoei is daar troef
troefel

ook genoemd 'kolenschup

troel
zelfstandig naamwoord

vleinaam voor een kind, meisje of vrouw

- Cees Robben; Waor leej mn schaors, troeleke..? (19580118)
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - trul: zie 'trui'; zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'Trui', sulachtige vrouw: 1) een smerige vrouw, 2) een gierige vrouw; vleinaam voor een koe
- WNT - TROEL - In minachtenden of verachtelijken zin of als scheldwoord toegepast op een vrouw ... z.a.
troela
zelfstandig naamwoord

tamelijk negatieve kwalificatie van een niet magere vrouw ietwat sullig vrouwspersoon wès dè toch en dikke troela!

- WBD III.1.4:35 'troelie' = domme vrouw
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - trula (kaartspelersterm) troela
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - troela zelfstandig naamwoord - drie azen (kaartterm); onhandige vrouw
- WNT - TROELA = troel
troeleke
zelfstandig naamwoord

vleinaam voor een kind, meisje of vrouw

- Cees Robben; Waor leej mn schaors, troeleke..? (19580118)
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - trul: zie 'trui'; zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'Trui', sulachtige vrouw: 1) een smerige vrouw, 2) een gierige vrouw; vleinaam voor een koe
- WNT - TROEL - In minachtenden of verachtelijken zin of als scheldwoord toegepast op een vrouw ... z.a.
trof
zelfstandig naamwoord

verleden tijd van 'trèffe' trof Foto: Katholieke illustratie ca. 1925 tròg

- WBD varkenstrog, ook 'voejerbak' genoemd
- WBD baktrog waarin bloem bewaard wordt
- WBD dêegtròg , trog - baktrog (kuip waarin de eerste bewerking van het deeg plaatsvindt)
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - tro.ch, zelfstandig naamwoord mannelijk 'troog' - trog , hetz. als 'värkesbak'
trok
werkwoord

trok (verleden tijd van trèkke); tochtte, leek DAN- Dialectenquête 1887 Willems - hij trók et pèèrd òn zene stèrt

trok
tròllie
zelfstandig naamwoord

tralie, in het bijzonder voor een raam in een gevangeniscel

- Dè hoeft toch nie hil Tilburg te weete, dè ik aachter de tròllies hèb gezeete? (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
- WBD III.2.1:49 - tralie = tralie
trom
zelfstandig naamwoord

trom, slaginstrument Hij heej al zolang op en trom gestaon DAN- Dialectenquête 1887 Willems - ik kòcht vur de klèène en tr ó m, trómke

- WBD (III.3.2:331) trom = trom; ook: trommel
tromdraoger
  1. Tekening van Frans Mandos Tzn - 1945

    tromdraogertromdraoger
  2. zelfstandig naamwoord

    tromdrager degene die in de harmonie de grote trom slaat

tromke
zelfstandig naamwoord

trom, slaginstrument Hij heej al zolang op en trom gestaon DAN- Dialectenquête 1887 Willems - ik kòcht vur de klèène en tr ó m, trómke

- WBD (III.3.2:331) trom = trom; ook: trommel
trommelke
zelfstandig naamwoord

trommeltje

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - het plur. suffix -tje komt voor naast -ke (blz. 121)
trommeltje
zelfstandig naamwoord

trommeltje

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - het plur. suffix -tje komt voor naast -ke (blz. 121)
tròntje
  1. zelfstandig naamwoord

    traantje

    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ge zult oe tròntjes nòg hard nôodeg hèbbe Hier moet je niet om huilen, er zullen nog ergere dingen gebeuren
  2. zelfstandig naamwoord

    trôon, trontje troon

    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - TROON zelfstandig naamwoord m., verkleinwoord. trunke
  3. troppie kal

tros
zelfstandig naamwoord

tros As ons taante Sjaan waar gewist, kréég ik dan nog un truske drèùve of enne banaan. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- WBD trós, truske, kèùf of 'kuif' - haren tussen de horens van een koe
trostros
tròske
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - betaalmiddel tijdens manifestatie Tilburg Culinair
- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - 'tròskesmenuu' - speciaal menu tijdens manifestatie Tilburg Culinair
trost
zelfstandig naamwoord

troost

trostprèès
  1. zelfstandig naamwoord

    troostprijs

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Dè zèn zeker de trôstprèze! (10-02-1963)
  2. zelfstandig naamwoord

    trouw het huwelijk, de trouw In et begien van hullië trouw, had et daor hillemol nie op geleken, desse veul kiendjes zon krèège... (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

trouwe
werkwoord

trouwen

- De Wijs; Zij is aaltij haontje de veurste gewist, echt bèdehaand; ze vree mee dur zistien al thuîs en mee t trouwen mos ze ôk hard lôope (10-03-1967)
- Pierre van Beek - "Trouwen breekt de huur." Dit houdt verband met de goede gewoonte, die in onze streek nog op de landbouwdorpen bestaat, om de dienstbode en de inwonende boerenknecht voor een vol jaar te huren in mei. Ook het inhuren geschiedt voor een vol jaar. Alleen als er een huwelijk tussen komt, wordt de termijn met wederzijds goedvinden verbroken. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'traawe'
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - zó gaa as ge kaod genoeg gedaon hèt, lot O.L.H, oe trouwe (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - Met het huwelijk eindigt het vrije leven.
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - de irste trouwde öt geneegenhèd, de twidde öt verleegenhèd (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - een weduwe of weduwnaar moet wegens omstandigheden vaak trouwen.
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - aster en vrouw getrouwd òf en pèrd gekòcht wòrdt, moete der nie tusse koome (Kn'50) - met tussenkomst is geen eer te behalen
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - as ge gaot trouwe, moete begiene meej en aaw vrouw èn en jong vèèreke, aanders boerde oover de start (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - ... anders ga je financieel te gronde
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Hè-s meej unne smalle ring getraawd - hij neemt het huwelijk niet zo net
- WBD III.2.2:85 'trouwerij', 'trouwpartij' = huwelijk
trubbel
zelfstandig naamwoord

trubbel van het Engelse trouble

- 2019 gedoe, onrustig persoon (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. Voor de volledige lijst Klik hier )
trug
  1. bijwoord

    terug Dan kènd oewèège nie mir terug.

    - Cees Robben; en wèltje 'trug';
  2. Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - terugkère - terugkeeren DAN- Dialectenquête 1887 Willems - hij kan nie vórt òf trug Dirk Boutkan (1996) - 'stuurt em er mar mee t(e)rug' (zin 100, blz. 99)

    - Rijmt op 'vlug'; de sjwa is volledig geabsorbeerd.
  3. bijwoord

    Weijnen (De oorzaken in de taalgesch. blz. 13) truchals zinsdeel, tegenover truuguup' als zinwoord.

trugkoome
werkwoord

terugkomen DAN- Dialectenquête 1887 Willems - de zwòleme zulle vórt gaaw trugkoome

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - 'et kómt vanzèf trug', zi den boer, èn hij gaaf zen vèèrkes spèk ('72)
- trugkoome - kwaam trug - truggekoome
trugkoomes
bijwoord

op de terugweg

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Heengòns èn trugkoomes waar ut wèl un uur l ô ope.
truifel
  1. zelfstandig naamwoord

    troffel, kalkscheppertje

    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o.+vr. 'traweel, treweel' - truweel, troffel
    - WNT - TRUWEEL, trouweel - De vormen truwel en trouwel wijzen wellicht op aceentverschuiving, welke in het Mnl. geleid heeft tot TRUFEL en later tot den opvallenden vorm TROFFEL. - Zeker gereedschap van metselaars.
  2. dienende om steenkolen, assche, aarde, kalk, steengruis enz. te scheppen

trul
  1. zelfstandig naamwoord

    - Informant Toine Raaijmakers - lodderige mond (met dikke, slappe lippen), openstaand
    - Gezegde: - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - Hul oover trul - hals over kop
    - WBD III.1.1:100 'open trul' mond (spotnaam)
  2. naam

    Bosch trul - mond

trulleke
  1. zelfstandig naamwoord

    kindje, tongetje

    - N. Daamen - Handschrift 1916 - "trulleke - 'n klein kindeke, ook zegt men wel 'steekt oe trulleke eens uit (tongetje)"
    - WBD III.1.1:100 'trulleke' = mond (spotnaam)
  2. naam

    Hees trulleke (V:60)

truske
  1. zelfstandig naamwoord

    tros As ons taante Sjaan waar gewist, kréég ik dan nog un truske drèùve of enne banaan. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

    - WBD trós, truske, kèùf of 'kuif' - haren tussen de horens van een koe
    trusketruske
  2. zelfstandig naamwoord

    trosje en truske drèùve

    - WBD truske, tros, kèùf of 'kuif' - haren tussen de horens van een koe
    - WBD III.2.3:151 'troske' = tros vruchten, ook 'trossel'
  3. verkleinwoord van 'tros', met umlaut

trussel
  1. zelfstandig naamwoord

    tròs, ris, rist: twee of meer vruchten aaneen

    - WBD III.2.3:151 'trossel', 'troske' - tros vruchten
  2. contaminatie van 'tros' en 'bussel'?

    - WNT - TROS, trosse, trots, tors, torts, trousse, TRUS(SE) verzameling vruchten of bloemen die op een bepaalde wijze aan één tak of stengel groeien.
trut
zelfstandig naamwoord

- WBD III.1.4:35 'trut', 'truttebees' = domme vrouw
- WBD III.1.4:152 'trut' = domme trage vrouw
truufke
  1. zelfstandig naamwoord

    troef, doorslaggevend element

    - Daor ist èèrmoej troef. - Daar heerst doorlopend gebrek.
    - rèùtes troef
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - truf, zelfstandig naamwoord mannelijk troef; 'Den troef is eröt' - de fut is eruit.
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TROEF zelfstandig naamwoord m., niet v. - spr. Armoei is daar troef
  2. zelfstandig naamwoord

    troefje verkleinwoord van 'troef', met umlaut

truug
  1. tussenwerpsel

    - WBD achteruit! (voermansterm om een paard te doen achteruitgaan)
    - WBD truugóp achteruit! (idem)
    - WBD huuptruug, (Hasselt ook:) 'truughuup' - achteruit: (idem)
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TERUG (uitspr. trüch)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - truughuup tsw - achteruit! (voermansterm)
  2. Weijnen (De oorzaken in de taalgeschiedenis, blz. 13) 'truch als zinsdeel, tegenover 'truughuup' als zinwoord.

    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TRUUGHUUP - terug! hup! kreet waarmee een paard wordt aangespoord de kar achteruit te duwen; ook toegepast op andere achterwaartse bewegingen, veelal van plotselinge en onvrijwillige aard.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. (voermanstaal) 'terug' - achteruit!
truur
zelfstandig naamwoord

- N. Daamen - Handschrift 1916 - "hij was in der truur (zatjes)"
truure
werkwoord

treuren

- WNT - TREUREN, trueren, truren. TRUEREN wordt na het eerste kwart der 17e eeuw verdrongen door TREUREN, welke laatste vorm verkozen werd in de Statenbijbel, z.a.
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - en kèènd moet aaltij truuren of muuren ('71) dient altijd bezig te zijn
tuije
werkwoord

tuien

- Jaon van Harrie van de boere Bet, Nieuwe Tilburgse Courant - 2 februari 1950: Ik weet nog dè 't geitepark 'n waai was mee waai- en boterblumkes. De omwonende meense teuide de geite op die waai, daarom de naom geitepark.
tuijer
zelfstandig naamwoord

Typoscript van een brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965

- WBD tuiertouw (touw of ketting waarmee de koe of de geit aan de tuierpaal getuierd is)
- WBD ooks 'teurtouw' en 'tou'
- WBD tèùr (Hasselt) - deel van een weide dat een aan een paal vastgebonden koe of geit kan afgrazen
- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - komde van oewen tuier aaf? (kom je van huis?)
- WNT - TUIER - 1) IJzeren of houten paal ...; 2) touw om vee vast te zetten; 4) af te grazen deel v. weide of anderen grond; ...
- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TUIER zelfstandig naamwoord mannelijk - bij landb. bindtouw, zeel, om het vee te binden
- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TUIER mannelijk - rondgang van een getuierd schaap of paard: hij heej z'ne tuier aaf - hij is klaar met zijn rondgang, heeft de hele familie bezocht.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord mannelijk 'tuier' 1) bindmiddel van een koe; 2) ruimte die zon tuier het dier toelaat.
tuijere
  1. werkwoo rd, zwak

    - A.J.A.C. van Delft - Een geit wordt "op de tuyer gezet". Dit is zij wordt aan een touw, verbonden aan een paaltje, op een stukje grasland te grazen gezet. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
    tuijere
  2. Pierre van Beek - de koej tuijere - de koe langs de berm laten grazen onder toezicht van een begeleider

    - WBD (Hasselt) tèùre (vastmaken v. rundvee en geiten aan een paal om te grazen)
    - tuijere - tuijerde - getuijerd
    - Audioregistratie 1978 - Int nòjaor moeste ze tuijere, daor zaat dan de, de mèèd, de dienstboode bij, de mèèd zin wij vruuger. Die laag dòr bè te braaje èn die moes aaf èn toe die starte vort slaon! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
    - WBD vaasttuiere - vastmaken v. rundvee en geiten aan een paal
    - WNT - TUIEREN - vee vastzetten ...; (bij uitbr.) in 't alg.: vastbinden
    - frequentatief van ndl. 'tuien' (vastbinden van bijvoorbeeld een koe)
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TUIEREN - bij landb. Het vee in de weide met een touw vastleggen.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TUIJEREN- het opstallen van het vee tegen den winter? alg. beteekenis 'binden'. Oorsprong wsch. Angels. 'tian', vincire, ligare. Z.a.
  3. K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TUIJEREN: de beesten aan een paal in de weide vast binden ten einde zij niet meer zoude kunnen eten, dan zo ver het touw toelaat. Z.a.

    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'tuieren' - een koe of geit met een zeel als anderszins aan een paal in de wei vastmaken, zodat ... z.a.
tuk
  1. zelfstandig naamwoord

    karaktertrek ene kaoje tuk = een slechte karaktertrek ...'n Keend waor 'ne goeie tuk in zit en dè aaltij 't goei veurbeeld van z'n aawe lui veur oogen hee... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940)

    - WBD goeje tuk, goejjen tuk - goede afstamming, gezegd van een koe, ook genoemd: goejen aord, goejen kòmaaf
    - Cees Robben; [over een vrouw] Dr zaat unne vulste goeie tuk in. (19740510)
    - WBD (III.2.1:389) tuk = middagdutje
    - WBD (III.2.1:391) een tukje doen, een toertje doen, vijf vatten, zijn ogen eventjes overschieten - een (middag)dutje doen
    - WBD III.1.4:64 'tuk' = karakter
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - tuk zelfstandig naamwoord - aard, trek
  2. zelfstandig naamwoord

    Verh TUK m - erfelyk trekje, meestal ongunstig: 'ne kaoje tuk' - een slechte eigenschap.

    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - 1958. Het - WNT - ziet er terecht een afleiding in van tukken en dit is identiek met Duits zucken 'trekken'.
    - WNT - TUK - (I), 6) aangeboren eigenschappen, aard, inborst, natuur
tukke
werkwoord

- WBD III.4.4:200 'tukken' = machten (ongeveer: aarzelen)
tulaand
zelfstandig naamwoord

- WBD (Hasselt) land (nl. teelland)
- WNT - TEELLAND - In collectieven zint grond,geschikt of bestemd voor het telen van gewassen; stuk land daarvoor
tult

teelt 2e + 5e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'teule', met vocaalkrimping

tunde

verleden tijd van 'teune

tungeske
zelfstandig naamwoord

tongetje verkleinwoord van 'tong', met umlaut

- Piet Heerkens, uit: De Kinkenduut, De worrend, 1941 - Weinig harsens denke klaor,/ weinig tungskes praote waor...
- Pierre van Beek - "'t Is er een met stroop op d'r tongske." Zij is een mooipraatster. (Nwe. Tilb. Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939 - Alleen as et er op aonkwaam, dan kon ze d'r tungske nog ruure, dè-t-er de vonken afvlogen.
- Cees Robben; Ruurt oe tungske op n aander (19600116) - Cees Robben; Ge zult mèèn tungske nie schappen.. (19650402)
- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Hij stikt zen tungesken al nòr bèùte Als de nood van achter zo groot is
- WBD III.1.2:103 tongetje = tong
tungske
  1. zelfstandig naamwoord

    tong

    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Den dieje, die zal ók gin blèènen óp zen tóng krèège (zegt weinig)
  2. Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - op de tong - op de tong

    - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - oover zen tóng kakke (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - overgeven (ook van dronkenschap)
    - WBD III.1.4:ll6 'vuil tong' = vrouw die graag kwaadspreekt
  3. zelfstandig naamwoord

    tongetje verkleinwoord van 'tong', met umlaut

    - Piet Heerkens, uit: De Kinkenduut, De worrend, 1941 - Weinig harsens denke klaor,/ weinig tungskes praote waor...
    - Pierre van Beek - "'t Is er een met stroop op d'r tongske." Zij is een mooipraatster. (Nwe. Tilb. Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939 - Alleen as et er op aonkwaam, dan kon ze d'r tungske nog ruure, dè-t-er de vonken afvlogen.
    - Cees Robben; Ruurt oe tungske op n aander (19600116) - Cees Robben; Ge zult mèèn tungske nie schappen.. (19650402)
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Hij stikt zen tungesken al nòr bèùte Als de nood van achter zo groot is
    - WBD III.1.2:103 tongetje = tong
tunneke
zelfstandig naamwoord

tonnetje Dirk Boutkan (1996) - tunneke (blz. 32) verkleinwoord van 'ton', met umlaut

Tunnes
  1. naam

    Sint Antonius, Antonius abt, of Antonius de heremiet, die bekend staat als patroon tegen ziekten van het varken

    - Pierre van Beek - Van een losbol zegt men: "Dit is als 't varken van St. Teunis". - De verklaring zou zijn, dat enige varkens, die aan de H. Antonius toebehoorden, vrij langs de straten rondliepen. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959) [Van Beek bedoelt de varkens die aan Antonius abt waren toegewijd, en die vrij op straat en in het veld mochten scharrelen; wat zij opbrachten, in vlees of geld, was bestemd voor de armen.]
    - Dr. Jos Schrijnen Nederlandsche volkskunde , deel 1, 1915 - Antoniussabt (17 Jan.) behoort in België tot de meest populaire heiligen. (...) Zijn attribuut is het varken, omdat de duivel in varkensgedaante hem bekoorde. Vandaar, dat de heilige naderhand algemeen als patroon van het vee werd beschouwd, en als zoodanig door boeren, vleeschhouwers en spekslagers vereerd. In de Middeleeuwen hadden de Sint Antoniusgilden het recht, een zwijn, dat als herkenningsteeken een klokje aan den hals droeg, overal vrij te laten weiden; zelfs in de steden zag men dit Antoniuszwijn ongehinderd rondloopen. In België, de Rijnprovincie en, tot voor eenige jaren, in Limburg (Vaals, Hoensbroek, enz.) wordt den 17en Januari varkensvleesch geofferd en na de kerkelijke diensten onder de armen verdeeld.
  2. De verzoeking van de Heilige Antonius Hieronymus Bosch; ca. 1468 (Prado, Madrid) Idem: detail Antonius abt werd in Riel vereerd; zijn cultus is nog steeds levendig (2012) in Loon op Zand. Ook Chaam, waar hij vooral als pestheilige [Antoniusvuur = pest] werd vereerd, was voor Tilburgers een Antonius-bedevaart.

    - Gerard Rooijakkers - Soms kruisten ook dieren met een positieve magische connotatie het pad van mensen, zoals te Oirschot gebeurde, waar omstreeks 1557 op voorspraak van de heilige Antonius Abt de pest ophield. Toen daar een lijk naar de kerk werd gebracht verscheen bij het sterfhuis een wit paard, zonder dat iemand wist waar het vandaan kwam. In dat huis vielen daarna geen pestslachtoffers meer, en nadat de ziekte overal geweken was heeft men het paard niet meer gezien. (Gerard Rooijakkers, Eer en schande ; 1995.)
    - Lowie van Dorrus Misters - In Riel werd op de feestdag van St. Antonius Abt [17 januari] meel gewijd en gingen varkenshouders met een builtje meel daarheen. Het meel werd na de wijding met kleine beetjes onder de "slobber" voor de varkens gemengd. (Nieuwe Tilburgse Courant - vrijdag 5 december 1952, Uit onze folklore 19. Oude gebruiken en de Beekse doornboom.)
    - Ronald Peeters - Eind zestiende begin zeventiende eeuw heersten er in Tilburg diverse pestepidemieën. Nabestaanden of familie van de overledenen ondernamen in 1602, 1625, 1626 en 1628 bedevaarten naar Boxtel en in 1587 naar Chaam (St. Antonius Abt, een pestheilige) uit dankbaarheid dat zij de ziekte hadden overleefd. (In: Godsvrucht en deugdzaamheid; 1997)
    - J. B. Berns, Namen voor ziekten van het vee (1983) - De populairste heilige gedurende de Middeleeuwen was Sint Antonius Abt, feestdag 17 januari. Hij werd aangeroepen tegen het vuur, waaronder men "ignis sacer" heeft te verstaan in de eerste plaats en wel in de dubbele betekenis, te weten "erysipelas" en "gangreen" (Wickersheimer 1960); vervolgens alle ziekten die met vuur benoemd werden, zoals miltvuur en ook vlekziekte. Volgens Kluge wordt in het Duitse taalgebied Antoniusfeuer in de 17de eeuw door Rose verdrongen (s.v. Rose); De Cock zegt, dat in Nederland Sint Antoniusvuur thans alleen nog in gebruik is als benaming voor een varkensziekte (De Cock 1891, 249 en 256). Goossenaerts geeft sinttunnisvier, "roodvonk der zwijnen" en Corn.-Vervl.-A.: Sint-Teunisvier, "idem" en ook "huiduitslag". Wouters (1966, 119 vv.) geeft een uitgebreide lijst van plaatsen waar men Antonius aanroept en bij welke veeziekten in het bijzonder zijn hulp wordt gevraagd. Van Haver (1964) is met betrekking tot ziekten van dieren minder gedetailleerd; hij spreekt van "tegen buikpijn en andere dierkwalen" (nr. 584, 621, 623 en 624) en van "behekst vee" (nr. 1020, 1021).
Tunnis
  1. naam

    Sint Antonius, Antonius abt, of Antonius de heremiet, die bekend staat als patroon tegen ziekten van het varken

    - Pierre van Beek - Van een losbol zegt men: "Dit is als 't varken van St. Teunis". - De verklaring zou zijn, dat enige varkens, die aan de H. Antonius toebehoorden, vrij langs de straten rondliepen. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959) [Van Beek bedoelt de varkens die aan Antonius abt waren toegewijd, en die vrij op straat en in het veld mochten scharrelen; wat zij opbrachten, in vlees of geld, was bestemd voor de armen.]
    - Dr. Jos Schrijnen Nederlandsche volkskunde , deel 1, 1915 - Antoniussabt (17 Jan.) behoort in België tot de meest populaire heiligen. (...) Zijn attribuut is het varken, omdat de duivel in varkensgedaante hem bekoorde. Vandaar, dat de heilige naderhand algemeen als patroon van het vee werd beschouwd, en als zoodanig door boeren, vleeschhouwers en spekslagers vereerd. In de Middeleeuwen hadden de Sint Antoniusgilden het recht, een zwijn, dat als herkenningsteeken een klokje aan den hals droeg, overal vrij te laten weiden; zelfs in de steden zag men dit Antoniuszwijn ongehinderd rondloopen. In België, de Rijnprovincie en, tot voor eenige jaren, in Limburg (Vaals, Hoensbroek, enz.) wordt den 17en Januari varkensvleesch geofferd en na de kerkelijke diensten onder de armen verdeeld.
  2. De verzoeking van de Heilige Antonius Hieronymus Bosch; ca. 1468 (Prado, Madrid) Idem: detail Antonius abt werd in Riel vereerd; zijn cultus is nog steeds levendig (2012) in Loon op Zand. Ook Chaam, waar hij vooral als pestheilige [Antoniusvuur = pest] werd vereerd, was voor Tilburgers een Antonius-bedevaart.

    - Gerard Rooijakkers - Soms kruisten ook dieren met een positieve magische connotatie het pad van mensen, zoals te Oirschot gebeurde, waar omstreeks 1557 op voorspraak van de heilige Antonius Abt de pest ophield. Toen daar een lijk naar de kerk werd gebracht verscheen bij het sterfhuis een wit paard, zonder dat iemand wist waar het vandaan kwam. In dat huis vielen daarna geen pestslachtoffers meer, en nadat de ziekte overal geweken was heeft men het paard niet meer gezien. (Gerard Rooijakkers, Eer en schande ; 1995.)
    - Lowie van Dorrus Misters - In Riel werd op de feestdag van St. Antonius Abt [17 januari] meel gewijd en gingen varkenshouders met een builtje meel daarheen. Het meel werd na de wijding met kleine beetjes onder de "slobber" voor de varkens gemengd. (Nieuwe Tilburgse Courant - vrijdag 5 december 1952, Uit onze folklore 19. Oude gebruiken en de Beekse doornboom.)
    - Ronald Peeters - Eind zestiende begin zeventiende eeuw heersten er in Tilburg diverse pestepidemieën. Nabestaanden of familie van de overledenen ondernamen in 1602, 1625, 1626 en 1628 bedevaarten naar Boxtel en in 1587 naar Chaam (St. Antonius Abt, een pestheilige) uit dankbaarheid dat zij de ziekte hadden overleefd. (In: Godsvrucht en deugdzaamheid; 1997)
    - J. B. Berns, Namen voor ziekten van het vee (1983) - De populairste heilige gedurende de Middeleeuwen was Sint Antonius Abt, feestdag 17 januari. Hij werd aangeroepen tegen het vuur, waaronder men "ignis sacer" heeft te verstaan in de eerste plaats en wel in de dubbele betekenis, te weten "erysipelas" en "gangreen" (Wickersheimer 1960); vervolgens alle ziekten die met vuur benoemd werden, zoals miltvuur en ook vlekziekte. Volgens Kluge wordt in het Duitse taalgebied Antoniusfeuer in de 17de eeuw door Rose verdrongen (s.v. Rose); De Cock zegt, dat in Nederland Sint Antoniusvuur thans alleen nog in gebruik is als benaming voor een varkensziekte (De Cock 1891, 249 en 256). Goossenaerts geeft sinttunnisvier, "roodvonk der zwijnen" en Corn.-Vervl.-A.: Sint-Teunisvier, "idem" en ook "huiduitslag". Wouters (1966, 119 vv.) geeft een uitgebreide lijst van plaatsen waar men Antonius aanroept en bij welke veeziekten in het bijzonder zijn hulp wordt gevraagd. Van Haver (1964) is met betrekking tot ziekten van dieren minder gedetailleerd; hij spreekt van "tegen buikpijn en andere dierkwalen" (nr. 584, 621, 623 en 624) en van "behekst vee" (nr. 1020, 1021).
tunt
werkwoord

de indruk geven (tonen, doch passief) M Hij tunt wèl fèfteg. - Hij wekt de indruk wel vijftig jaar te zijn.

- teune - tunde - getund
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TOONEN, vroeger ook voor 'vertoonen'. Z.a.
turf
zelfstandig naamwoord

turf

- Pierre van Beek - "Er diende nog wel een turf in de kachel", er moet nog 'n schepje bij. (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)
turf
turk
zelfstandig naamwoord

spotnaam inwoner van het stadsdeel Goirke, meer in het algemeen ook inwoner van het noordelijk deel van Tilburg (boven de lijn of aon geene kaant); de benaming is waarschijnlijk gebaseerd op het vaak donkere voorkomen van de arbeiders in de textielfabrieken. Tilburgers bezuiden de spoorlijn werden kaaibuuters genoemd. - Cees Robben; Isser dè eene van t Gurke Tonia...? Nee hörre... dr wordt bij ons ginne Turk vermist... (19560303) - Lèst han ze teege Stekelenburg gezeej dèttie te veul op et gemintehèùs zaat. Hij moes es meej de meense in de stad kènnes gòn maoke. Ze han en afspraok vur em gemòkt bè de Turke. Naa, tweej uurkes laoter wier er gebèld op et gemintehèùs: et wèèksèntrum van et Gurke òn de lijn. Òf den burgemister al onderweege waar? Iè, die waar allang vertrokke. Et ènde van et lieke waar dèsse den burgemister opgescharreld hèbben in de moskeej. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 1997) - Vruuger waar dè aanders. Toen hamme hier meschient wel Törke, mar die waare gewoon gebooren op et Gurke. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2000)

turkelaand
  1. zelfstandig naamwoord

    het noordelijk deel van Tilburg; benoorden de spoorlijn

    - A.J.A.C. van Delft - "Wat een ferm kindje ligt daar in de wieg", zei ik. "Ja, ja," was 't antwoord "en 't is er eene van half om half! De vrouw komt uit 't Turkenland en ik ben van de stad." Hiermede werd bedoeld, dat het ouderpaar onderscheidenlijk van benoorden en bezuiden de spoorlijn afkomstig is. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
  2. naam

    turkslèèr Turks leer

    - En de zij je petjes, de blauwe toekielen en de turkschleeren broek heuren er van eiges bij. Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.
tusse
voorzetsel

tussen

- Cees Robben; hij zaat as enen eezel tusse twee bèèrge hooj;
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - dertusse geschoove zèèn as Pónsieus Pielaatus int kreedoo (R'75)
- WBD III.4.4:240 'tussen licht en donker = schemering; 240: 'tussen de grauwe en de blauwe' = schemering
tussejas
zelfstandig naamwoord

- WBD III.1.3:33 'tussenjas' = Lichte herenoverjas; ook 'miezezon
tussenbaaje
bijwoord

tussenbeide, nu en dan

- Als gevolg van regressieve assimilatie klinkt de n als mannelijk
- Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'tussenbaaje'
- Cees Robben; Niemand die kwaam tusse-baaie... (19810515)
- Stadsnieuws - Kunde dees tussenbaaje ok nie èfkes doen? - ... ondertussen ... (050709)
- WBD III.1.4:337 'tussenbeide komen' = ingrijpen
- WNT - TUSSCHENBEIJE
tussenöt
bijwoord

tussenuit meestal gebruikt met een werkwoord dat 'weglopen', 'wegrennen' betekent; en waarschijnlijk daarmee een beeld ter vergelijking met het oudere gezegde over een paard dat op hol slaat; met name in samenstellingen met 'pèère'.

- der tussenöt naaje - ervandoor gaan
- WBD er tussenöt gaon - op hol slaan (van een paard), ook genoemd 'óp hòl slaon'
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Toen ie de pliessie zaag, pèèrde-n-ie urtussenööt.
- Vruuger wonde ik nòg saome meej ons Deborah. Mar die isser meej Dethlef òp 't Hôog tussenötgepèèrd. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'r tussenöt naaje - ervandoor gaan
tut
  1. zelfstandig naamwoord

    interjectie

    - N. Daamen (handschrift Tilburgs 1916) - "tut gij (loop heen, enz.)"
    - WBD III.1.4:35 'tut' = domme vrouw
    - Bosch tut - fopspeen; domme vrouw
  2. werkwoord

    - WBD III.2.2:22 'tutten' = spenen; 24 'tut' = speen, ook 'frut'; 25 'tut' = fopspeen; ook 'tutter', 'tutje
tut-tut
zelfstandig naamwoord

alle vindplaatsen met 'geen', en dus in de betekenis: 'het is niet niks', dat wil zeggen: 'het is een grote opgave om...' ...et was ginnen tut-tut om mee zooiets te begiene. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939) "Dè-d-is geenen tut-tut, man!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 5; Nieuwe Tilburgsche Courant 29-10-1938) ..."'t is toch geenen tut-tut om zóó'n lang gedicht in mekaar te draaien... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 9; Nieuwe Tilburgsche Courant 26-11-1938) ...Een en tachtig jaar, 't is geenen tut-tut, ik wil 't er veur doen! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939) De Baokelsche kerk stond te dicht bij de straot; "'n fout van den dommen pastoor", waar de praot. 't Waar geenen tut-tut om

- WNT - TUT, tuttut - (v) tussenwerpsel - 1) uitroep als uiting van verwerping, afkeuring, misnoegen, ongeduld en derg. 2) uitroep om aan te sporen tot matiging, kalmte, dan wel om te sussen; 3) uitroep van verbazing
- Cees Robben; Tut-tut, Siebil.. (19570803)
tutter
zelfstandig naamwoord

- Pierre van Beek - Een fopspeen noemt men in Tilburg "een tuitter" of een "frut" of "een tutter". Overdrachtelijk zegt men van iemand, die zich aan drank te buiten gaat, dat "hij flink tuttert". (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)
tuttere
  1. werkwoord

    duimzuigen

    - WBD III.2.2:22 'tetteren' = gezoogd worden
    - WBD III.2.2:23 'tutterfles' = zuigfles; ook 'tutfles', 'tutter'
    - WBD III.2.2:23 'tutter' = speen
    - tuttere - tutterde - getutterd
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TUTTEREN, ook TEUTEREN - zuigen (van kleine kinderen); zuipen, overdadig drinken.
  2. Bosch tuttere - drinken; zuigen op een fopspeen; duimen

    - WNT - TUTTEREN (I) - 1) zuigen, in 't bijz. van kinderen; 2) (- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - en Ned.
  3. Limburg) bep. zuipen

tuul
  1. zelfstandig naamwoord

    tule

    - WBD II.4. p. 891 Doorzichtig garenweefsel met fijne mazen, met of zonder patroon" (Van Dale, tule). J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij tule- of gordijnweefsel": Bij dit soort weefsel hebben de draden ten opzichte van elkaar een schuin verloop. Tule glasgordijnstof heeft het uiterlijk van een honingraat. Bobbinnetgoed" tule: het type tuul, K 183 (= Tilburg) , - WNT - lemma Tule I 1974 - TULLE , zelfstandig naamwoord vrouwelijk (in Vl.-België m., door BAL [1899] echter als vrouwelijk vermeld; als stofnaam is het thans soms onz.: Ontleening van Frans (point de) tulle. De oudste bewijsplaats in het Frans dateert van 1765, de vroegste gegevens omtrent de fabricage von feinem gewebe für spitzen usw. in Tulle van 1698. 1. Naam voor zeker netvormig fijn weefsel van zijde, katoen of daarop gelijkende kunstvezels, hetzij met de hand (bij zekere soorten van kant), hetzij machinaal vervaardigd. NEMNICH, Holl. Waaren-Lex. [1821]. 2. Als ben. voor elk van de versch. soorten van tule.
  2. zelfstandig naamwoord

    t uu reluut Ill. Naumann Dossier Leeuwerik (tuureluut) - Brabantse namen, dialectkaarten, afbeeldingen - citaten - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - kuifleeuwerik, tuureluur (tringa totanus)

    - N. Daamen - Handschrift 1916 - "tuureluut - groote vogel in de hei (zie kulder)"
    - Cees Robben; Ik heurde van dn tuureluut/ van takkeling en waol (19600708) - Cees Robben; [de ene vogeltjesprutter tegen de andere:] Ik heb hier niks hangen as unne tuureluut... Mar doar binne hek nog n kwèèk zitte mee drie jong... (19710723)
    - WBD III.4.1:164 'tureluut' - leeuwerik (Galerida cristata)
    - WBD III.4.1:222 'Tureluut' - wulp (Numenius arquata), ook: 'wulp', 'kuilder'
  3. Ghijsen (Wdb. Zeeuwse dial.): tuureluut WP-enc. dierenrijk: kuifleeuwerik = galerida cristata

tuut
  1. zelfstandig naamwoord

    1. politieagent

    - WBD III.3.1:345 'tuut' = politieagent
    - WNT - TUUT (I) in enkele westnederl. steden, m.n. Utrecht, benaming voor politieagent, smeris
    tuut
  2. 2. fietsband (tuub, tuup; van Frans: tube) lekke tuut - lekke band (van een fiets)

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - tuut, tuup - fietsband
  3. 3. tuit, puntzak

    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ene tuut friet
  4. 4. voetbal van leder

    - Informant Ad Vinken; ene lèère tuut - een leren voetbal
  5. naam

    Ons Jaoneke ha dieje lèère tuut gewonnen, et waar den hoofdprèès van un loterij. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) Enne grôote gezette vent meej ene pens van de grôotste maot lèère tuut (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) 5. mond, beter: tiet

    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TUUT v - tuit, iets om aan te tutteren.
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - tuut zelfstandig naamwoord - speen
  6. naam

    6. bijnaam

tuute
werkwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - toeteren, jengelen
- WNT - TUTEN nevenvorm van toeten en tuiten
tuuter
zelfstandig naamwoord

toeter, toethoorn, claxon

tuutere
  1. werkwoord

    - tuutere - tuuterde - getuuterd
    - steeds korte uu
    - Wellicht een frequentatieve onomatopee.
    - A.J.A.C. van Delft - "Hij tutert goed" beteekent: hij drinkt nogal veel. ('t Schijnt ontleend te zijn aan 'n "tuter" of 'n "tuut", dat de Tilburgsche benaming voor een fopspeen is. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)
    - A.J.A.C. van Delft - Een "tuut" of "tuter" is een fopspeen. Zoo'n fopspeen wordt ook op de zuigflesch gezet, en als de kleine goed drinkt, zegt moeder: "Hij tutert goed." In overdrachtelijken zin is men dit ook op volwassenen gaan toepassen, die nogal eens misbruik van sterken drank maken of die regelmatig heel wat borreltjes gebruiken; dan zegt men ook: "Hij tutert goed." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)
  2. werkwoord

    Lopte 's aovends bij 't nor huis gaon Sjarels [=de veldwachter] 'ns tegen 't lijf en ie zee, dè-'t net lekt of ge nog al goed getuterd hed, dan zegde mar, dè ge krek oeë teen stotte tegen 'nen utstekenden kaai en 't is lang vur mekare. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929) D'r wier goed bij getuuterd dieën aovond... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939) Pierre van Beek - drinken van een baby; rijkelijk veel alcoholica tot zich nemen Pierre van Beek - hij tuutert goed - hij (de baby) drinkt goed

    - Cees Robben; Hij tuutert en hij doe mar aon... (19600226) - Cees Robben; vrouw over haar man: Hij tuutert gèère moeder... (19660610)
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TUTTEREN, ook TEUTEREN - zuigen (kinderen); overdadig drinken, zuipen
    - WNT - kent het woord niet, evenmin als De Jager.
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - TUTEREN onov.ww - zuigen, tutteren, lebberen: op z'nen dö:m tuteren.
    - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - TEUTEREN - zuigen van kinderen, ook TUTTEREN
    - WNT - TUTTEREN - 1) zuigen, drinken (v. kind); 2) (- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - N-Limb.: zuipen
tuuterke
zelfstandig naamwoord

toetertje, speelgoed-blaasinstrument Pierre van Beek - tuuterke (kregen de kinderen met de kermis) (Tilburgse Taaklplastiek 128)

twaalf
  1. telwoord

    twaalf [zonder svarabhaktivocaal omdat die binnen de eerste syllabe blijft] in de uitdrukking twaalf gooien (met twee dobbelstenen); geluk hebben Die is wèl getrouwd! Mee 'n dochter van Door de Vries en dè wit-ie-zelf ook, want ie hee twaalf gegooid hurre! Krimmeneel wen vrammes is dè! (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929) Pierre van Beek iemand die "twaalf gegooid" heeft, want wanneer de volksmond dit oordeel uitspreekt, kan de betrokkene zich allesbehalve gelukkig prijzen met de andere helft van zijn trouwboekje. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 8 april 1950)

    - De Wijs; (op straat gehoord, de ene vrouw tegen de ander over n passerend vrouw: ) t is n struise vrouw, ik geleuf wèl dettie er twaalef mee gegooid hee (13-07-1966)
  2. WTT 2012: een opmerkelijke vindplaats beweert echter het tegendeel: - A.J.A.C. van Delft - "Hij heeft twaalf gegooid." Dit is: Hij heeft het (met zijn vrouw) niet getroffen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

twaalfde
telwoord

twaalfde [zonder svarabhaktivocaal omdat die binnen de eerste syllabe blijft]

twalsereej
  1. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - tafelzeil (Fr. toile cirée)
  2. zelfstandig naamwoord

    Verbastering van Franse 'toile cirée' = met was bestreken doek wasdoek, veelal gebruikt als tafelzeil

    - dè de kasteleins, inplaots van d'ren twalsiree te buunen, zaand
    - Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dwalseree
twaolf
telwoord

twaalf

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'de klok slao' twaolf'
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - twaolf aajer èn dartien köökes - een buitenkansje
- Dialectenquête 1887 Willems - twalef
twèèg
zelfstandig naamwoord

boomknop waaruit scheuten of loten te voorschijn komen jonge tak

- WBD III.4.3:127 twèèg - wilgenteen; ook genoemd: wis, baand, teen, sliet
- WBD III.4.3:70 twèèg - knop waaruit een twijg groeit; ook genoemd: loot
- WBD III.4.3:75 twèèg - twijg, jonge tak; ook genoemd: wis, tak, takje, teen, rijs of scheut
tweej
telwoord

twee DAN- Dialectenquête 1887 Willems - de tweej dötsers kwaame nòr bèùte

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'T-waar dik aon meej die tweej' - ze konden het goed met elkaar vinden
tweejfèfteg
telwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - rijksdaalder, 'rèksdòlder
tweejzak
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - iemand die praat met twee monden
twèène
  1. werkwoord

    - WBD twijnen: het in elkaar draaien van hennepvezels tot een draad (II:699)
  2. twèène - twènde - getwènd (ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij twènt)

twèffel
zelfstandig naamwoord

twijfel

twèffele
werkwoord

twijfelen

- WBD III.1.4:53 'twijfelen' = aarzelen
- twèffele - twèffelde - getwèffeld
- Cees Robben; ...n vlinderke tweffelend hangen... (19590822) - Cees Robben; En keert de rust al tweffelend/ in t vredig huisgezin... (19650507)
twènner
zelfstandig naamwoord

twijnder

- WBD twènner (II:935) - twerner, twijner
twènter
zelfstandig naamwoord

- WBD paard van anderhalf jaar oud, ook 'jòrling' genoemd
- WNT - TWENTER (I) - zelfstandig naamwoord 1) dier, inz. paard of rund dat twee jaar oud is; 2) (driejarige) koe die haar tweede kalf krijgt
twidde
  1. telwoord

    tweede

    - Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - twidde rang
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - dès nòg en twidde = dat valt nog te bezien
  2. zacht van hart en mild van tong... et irste is heel curieus, et twidde meer miraculeus... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Daawe lijster, 1941)

    - Cees Robben; den twidde waoge... (19751701)
  3. ... ons laand euwig de twidde... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Twiddes)

    - Dialectenquête 1887 Willems - twidde
    - WBD III.2.2:74 'tweede moeder' = stiefmoeder
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - telw. 'tweedes' - tweede: 'den tweedese', 'de twéedese laog'
twiddehaans
  1. naam

    tweedehands

    - Henriëtte Vunderink; Tilbörg; k Zal van oe blèève haawe, 2007 -
  2. Mar we zèn wèl frêet op onze Willem tweej. Hij is twiddehaans, mar dè kan ons niks verschille, want in Den Haag zon zum toch niemir wille, ons Heuvels pronkstuk, èn wij doent er gèère meej.

    - Dus ik bèl Fred van Boesschoten op meej de tillefoon, want die heej nòg ene tèèd in twiddehaans kleding gedaon. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
    - Ik zèg: 'Witte wè gij moet doen', zèggik. 'Gij moet es meej mèn meejgaon naor Fred van Boesschoten, die doe in twiddehaans waoges (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
twidderaande
naam

tweeërhande, tweeërlei

- Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - twidderhaande
- Cees Robben; Kekkis Merie... Twidderaande sôôrt kès... (19540313)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 07 24 - Ge hèt hier, net as overal, / Ok twidderaande straoten / Straoten waor ge op fietsen kunt / En straoten vol mee gaoten.
- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - daor leej twidderaande kèès; tunnekeskèès èn kemèènekèès - daar liggen twee soorten kaas: tonnetjeskaas en komijne
twiddes
  1. telwoord

    als tweede; te laat; ten tweede

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Gij komt twiddes (je had er eerder moeten zijn); je komt te laat (vist achter het net)
  2. bijwoord

    Zoo kwaam 't dan dè Jantje [de baanrenner Jan Pijnenburg] en den Bras [en zijn koppelgenoot Braspennincx] - al waren ze in 't geheel twiddes - toch de recordhawers van den 144-minuten koppelwedstrijd geworden zèn... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

    - WNT - TWEEDE(N)S, tweeders, twee(d)s(t) - ten tweede, in de tweede plaats; (als) de tweede, in het bijz. bij kinderspelen
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - telw. 'tweedes' - tweede (ook attributief.)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - twiddes tw - tweede
  3. zelfstandig naamwoord

    twiet

    - Henk van Rijswijk - Tweed: wollen strijkgaren stof met een ruwe optiek in plat- of gelijkzijdige keperbinding of visgraatkeperbinding. Weinig of niet gevold. Gebruikt voor damesmantels en lichte overjassen. Harris tweed: als tweed maar dan met specifieke ruitpatronen.
  4. (Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), Schilderij - Salomon de Bray - 17de eeuw

twids
  1. telwoord

    als tweede; te laat; ten tweede

    - Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Gij komt twiddes (je had er eerder moeten zijn); je komt te laat (vist achter het net)
  2. bijwoord

    Zoo kwaam 't dan dè Jantje [de baanrenner Jan Pijnenburg] en den Bras [en zijn koppelgenoot Braspennincx] - al waren ze in 't geheel twiddes - toch de recordhawers van den 144-minuten koppelwedstrijd geworden zèn... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

    - WNT - TWEEDE(N)S, tweeders, twee(d)s(t) - ten tweede, in de tweede plaats; (als) de tweede, in het bijz. bij kinderspelen
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - telw. 'tweedes' - tweede (ook attributief.)
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - twiddes tw - tweede
  3. zelfstandig naamwoord

    twiet

    - Henk van Rijswijk - Tweed: wollen strijkgaren stof met een ruwe optiek in plat- of gelijkzijdige keperbinding of visgraatkeperbinding. Weinig of niet gevold. Gebruikt voor damesmantels en lichte overjassen. Harris tweed: als tweed maar dan met specifieke ruitpatronen.
  4. (Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), Schilderij - Salomon de Bray - 17de eeuw

twilling
  1. zelfstandig naamwoord

    tweeling

    - Cees Robben; 'Jaon hee un twilling gekregen'
    twillingtwilling
  2. Meej zon kaante tweeling-pètje/ wè motte daor naa toch meej doen. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Behaa-haandel...)

twisje
zelfstandig naamwoord

twistje vD aantal ineendraaiingen van getwijnd garen per lengte-eenheid

- WBD twisje (II:1012) onregelmatigheid aan een draad
×