è gzelfstandig naamwoord
eg
èchelzelfstandig naamwoord
eggel, bloedzuiger, Hirudo medicinalis
Verwijderen van een bloedzuiger - uit: Kroniek van de Kempen
èchtelekbijwoord
eigenlijk
èchtigbijwoord
echt, werkelijk
Ed SchildersDe tekst luidt: 'Ons poezemien is aaltij op sjanternel... Mar as 't zò ver is... schudt ze hier durren körf om...' De poes is dus veelal uithuizig, op zoek naar een kater, maar de eigenaren van de poes zitten thuis met het nest jonkies. Een tweede verklaring voor 'sjanternel' is eveneens gebaseerd op het Frans. Merkwaardig genoeg werd die verklaring eveneens door Pierre van Beek gegeven, en wel in Tilburgse Taalplastiek nr. 58 (17-6-1968; en later nog eens opgepikt in nr. 181). '"Ze is weer op d're sjanternel geweest" wordt gezegd van een vrouw, die "op stap is geweest". Sommige vrouwen zijn "altijd op sjanternel". De uitdrukking heeft een misprijzende betekenis, die vroeger vermoedelijk sterker geweest is dan te huidigen dage. Ze wordt gebruikt voor een vrouw, die weinig thuis is en het er op aan legt zoveel mogelijk het huishouden in de steek te laten, al of niet gemotiveerd. Het lijkt mogelijk dat we hier te maken hebben met een verbastering van het Franse woord "sentinelle", dat "schildwacht" betekent. We denken dan aan 'n vrouw die in de Franse tijd een "potje" met de "schildwacht" ging vrijen, waarvoor ze dan ook wel motieven zal gezocht hebben. Een verklaring voor de ongunstige betekenis, die we nog voelen, is daarmee dan ook meteen gevonden. We voelen echter toch meer voor een verbastering van een ander Frans woord, nl. "chanternelle", dat "lokvogel" betekent. Een "op sjanternel" zijnde vrouw zou dan een vrouw of meisje zijn, die "als lokvogel" de straat optrekken, wat uiteraard oneerbaar is. Zó ongunstig klinkt de uitdrukking zoals wij ze thans in Tilburg gebruiken echter lang niet meer, maar een denigrerende bijgedachte speelt er op de achtergrond toch nog wel altijd in mee.' En in nummer 181 (5-10-1973): '...het reeds vroeger behandelde "op sjanternel gaan", in welk zonderling woord wij het Franse "sentinelle" zagen. Een vrouw, die een Franse schildwacht opzocht, stond niet zo hoog in de achting. Daardoor kreeg de verbastering "sjanternel" een ongunstige betekenis, in de zin van op pad zijn met niet al te beste bedoelingen, later afgezwakt tot het zoeken van gelegenheden om het huishouden in de steek te laten en zich met als prettiger ervaren zaken bezig te houden.' Een dergelijke betekenis heeft 'sentinelle' in het Frans echter nooit gehad; 'sentinelle' is 'een vrouwelijk schildwacht', niet een vrouw die een schildwacht opzoekt. We vatten voorlopig als volgt samen: 'op sjanternel gaan / zijn' heeft een lange betekenisweg afgelegd. Vanaf het 'lokken' met oneerbaar bevonden motieven, via het uit vrijen gaan of contact zoeken met een man, tot het op stap gaan om zich te amuseren.
Ed Schilders over deze prent van Cees Robbennaam
Uit Slaoj meej aaj mee jèùn meej èèrpel - Aan tafel met - Cees Robb en - Tilburgs Prentebuukske nr. 9; 2008 Overigens, die pollepel (in de pan, in de prent aan de muur, in de Prent van de week) is ook niet onbelangrijk. Van Beek vermeldt dat verdunde soep ook wel soep mee den heiligen pollepel werd genoemd. Een verklaring voor deze uitdrukking heeft hij niet behalve dat het een schrale troost was. Ik denk dat het, in het dialect, soep meej den hèllege pòlleepel was. Hèllege komt van heiligen, ofwel wijden. In dit geval is de pollepel echter niet door een priester geheiligd met wijwater, maar door moeder de vrouw met water uit de kraan.
èèchtegnaam
achtervoegsel
êegzelfstandig naamwoord
eg, landbouwwerktuig
naam
S toppel-eg; ca. 1870 - hiermee werd het wortelzaad na de graanoogst onder-geëgd - uit: Rijke oogst van schrale grond , tentoonstellingscatalogus Noordbrabants Museum, 1991 eegaaleg eegaaleg
naam
èège wederkerend voornaamwoord: mezelf, jezelf, zichzelf, etc. zelfstandig naamwoord: familie bijvoeglijk voornaamwoord
voornaamwoord - wederkerend
- Informant Toine Raaijmakers - oew eège doen; hij doe zen èège - hij zorgt voor zichzelf
- Willems; Dialectenquête 1887 - Toe zenèège koome. - Tot zich zelf komen
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden 1986-06-13)- Mar ik ontgaaf t mn èège...
- Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven 1958-05-24 - Wie heej naa zn èègen/ t Mist laoten paaien...?
- Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven 1966-02-18 - Hij is van zn èège al zôô zot as n kerrad...
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden 1985-04-19 - Des aaltij al unne bonzjoerder gewist die zn èège nôôt erges iets aon gelege heej laote ligge...
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden 1979-08-24- Ge het genog aon oe èège...
- Lodewijk van den Bredevoort, pseudoniem van Jo van Tilborg; Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, Tilburg 2006 - Zwemmen han we ons èège geleerd.
- Lodewijk van den Bredevoort, pseudoniem van Jo van Tilborg; Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, Tilburg 2006 - Hij besloot dus zen èège aon te melden bij Openbare Werken. Meej twee gezonde haande aon oew lèèf, kosse ze oe daor aaltij gebrèùke. Et gaaf un vaast lôon, en vaaste èèrmoei, in de volksmond.
- Ruud Damen & G.W.J. Steijns; Et Buukske - Wè en hoe in de Tilburgse Taol, 2008 - èège is gin vödje - je mag best trots zijn op jezelf
zelfstandig gebruik familie
naam
èège, van zn [van zen èège] zelf, van of uit zichzelf
naam
èègegeraajd eigengereid
eegzelfstandig naamwoord
eg, landbouwwerktuig
naam
S toppel-eg; ca. 1870 - hiermee werd het wortelzaad na de graanoogst onder-geëgd - uit: Rijke oogst van schrale grond , tentoonstellingscatalogus Noordbrabants Museum, 1991 eegaaleg eegaaleg
naam
èège wederkerend voornaamwoord: mezelf, jezelf, zichzelf, etc. zelfstandig naamwoord: familie bijvoeglijk voornaamwoord
voornaamwoord - wederkerend
- Informant Toine Raaijmakers - oew eège doen; hij doe zen èège - hij zorgt voor zichzelf
- Willems; Dialectenquête 1887 - Toe zenèège koome. - Tot zich zelf komen
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden 1986-06-13)- Mar ik ontgaaf t mn èège...
- Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven 1958-05-24 - Wie heej naa zn èègen/ t Mist laoten paaien...?
- Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven 1966-02-18 - Hij is van zn èège al zôô zot as n kerrad...
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden 1985-04-19 - Des aaltij al unne bonzjoerder gewist die zn èège nôôt erges iets aon gelege heej laote ligge...
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden 1979-08-24- Ge het genog aon oe èège...
- Lodewijk van den Bredevoort, pseudoniem van Jo van Tilborg; Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, Tilburg 2006 - Zwemmen han we ons èège geleerd.
- Lodewijk van den Bredevoort, pseudoniem van Jo van Tilborg; Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, Tilburg 2006 - Hij besloot dus zen èège aon te melden bij Openbare Werken. Meej twee gezonde haande aon oew lèèf, kosse ze oe daor aaltij gebrèùke. Et gaaf un vaast lôon, en vaaste èèrmoei, in de volksmond.
- Ruud Damen & G.W.J. Steijns; Et Buukske - Wè en hoe in de Tilburgse Taol, 2008 - èège is gin vödje - je mag best trots zijn op jezelf
zelfstandig gebruik familie
naam
èège, van zn [van zen èège] zelf, van of uit zichzelf
naam
èègegeraajd eigengereid
èège vèèfzelfstandig naamwoord
kinderspel met centen als inzet mogelijk vergelijkbaar met mitjesteeke
Cees Robben - Prent van de week - 13 juni 1975
èègelekbijwoord
eigenlijk
èègenèèrzelfstandig naamwoord
eigenaar
èègestenaam
eigenste
èègetiltzelfstandig naamwoord
zelfgeteelde tabak, eigen teelt; meestal van inferieure kwaliteit
èègewèèsbijwoord
eigenwijs
èèkzelfstandig naamwoord
eik,eikje
èèkenaam
eiken, van eikenhout
èèkelzelfstandig naamwoord
eikel
Hedde'r wel 'ns in gebeten? Eekels zijn mar verkenseten! Mar 'nen eik, mee stam en kroon, komt uit 'n eekeltje en is schoon!
èèkenbôomzelfstandig naamwoord
eik, eikeboom
èèlbijwoord
ijl
eemelbijwoord
eenmaal
êemelbijwoord
eenmaal
eemeltzelfstandig naamwoord
emelt, larve van de langpootmug
êemerzelfstandig naamwoord
- Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd, Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940 - ...om den eemer vol waoter te scheppe... -- 'n boerinneke [...] mee twee eemers versche roome, die ze pas gemolken had, et schuim stond er nog op te broezen.
- Piet Heerkens; uit De knaorrie, Den braand, 1949 - en laait ie as vlam naor buiten uit, dan helpt er geen blusse mee eemer of spuit!
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 03 28 - 't Is lente, dè zie'k aon de vrouwe / Die wir mee dwèl en èèmers sjouwe
- Piet van Beers; With Love; 1982-1987 - Eet meer fruit - Wel twoalef eemers vruchten...
- Pierre van Beek; Nieuwsblad van het Zuiden, Tilburgse Taalplastiek aflevering 101, 1970-05-08 - Weinig respect voor schreiende vrouwen legde de man aan de dag die zei: "Vrouwentranen een kwartje de emmer!" Hij bedoelde dat vrouwen gemakkelijk tot schreien komen.
- WBD; puteemer (ook Hasselt en Korvel - putemmer - zinken of gekuipte houten emmer waarmee men water put)
- WBD (III.2.1:123) - 'emmer', 'putemmer'
- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland deel 2 Vocabularium, 1958 - zelfstandig naamwoord mannelijk - emmer
- K. Heeroma ; Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - EEMER, nu emmer; het eerste bij Kiliaen en Plantijn, het laatste niet.
- WNT - EMMER, gewestelijk ook 'eemer'
- De Jager; 'Taalkundige handleiding tot de Staten-overzetting des bijbels' - EEMER Jes. XL:15: Siet de volckeren zijn geacht als een druppel van eenen eemer / Eemer werd vroeger bestendig geschreven voor 'emmer dus bij voorb. Vondel III.123: 'Men bluscht een' grooten brant met eenen eemer bloets' ... Deze, thans verouderde, schrijfwijze, welke, naar de afleiding, de ware schijnt te zijn, komt ook alleen bij Kiliaen voor.
êentelwoord
een, ene, een zekere
uitdrukking hetzelfde, gelijk; uit Frans tout-même, verbasterd tot twee woorden voor de borst van de vrouw - Cees Robben; [Onderwijzer:] Wes t verschil tussen ruiteketuit en bonnefooi... [leerlinge:] Volgens men is dè één tiet-mem, mister.. (19840120)
êenetelwoord
een, ene, een zekere
êeneghèdjezelfstandig naamwoord
enigheidje, eentje, alleen
êentoetmèmvan gelijke aard; uit het Franse tout de même, met daarbij in het dialect een toespeling op mem in de betekenis tiet
eepilee(jnaam
eepinglee(jnaam
de uitspraak is onzeker en niet af te leiden uit WBD
Cees Robben opschrift in de pent van 1964-11-20
eerbeeziezelfstandig naamwoord
aardbei
èèrbeeziezelfstandig naamwoord
aardbei, 'aarbei', 'aarbeezie'
èèrdezelfstandig naamwoord
aarde, grond, zand
eerewerkwoord
eren, vereren vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij irt
èèregzelfstandig naamwoord
iets dat erg is, slecht, bedenkelijk meestal met het werkwoord hebben; ergens erg in hebben
zelfstandig naamwoord
erg, in de betekenis gewaarwording
èèregerzelfstandig naamwoord
het ergere; alleen in de uitdrukking tegen dn èèrger, gezegd als bezwering om erger te voorkomen
èèregesbijwoord
Schilderij van Georg Flegel (detail) - Stilleven met erwten.
èèremzelfstandig naamwoord
arm, armen 1.1 arm als lichaamsdeel
èèremezelfstandig naamwoord
arm, armen 1.1 arm als lichaamsdeel
zelfstandig naamwoord
arm, arme, armen 1 het lichaamsdeel
zelfstandig naamwoord
1.1 Met de kromme arm
zelfstandig naamwoord
1.2 Benaming voor een liefdadigheidsinstantie ter bestrijding van armoede
1.3 armoede
naam
arm, armoedig
èèremoejzelfstandig naamwoord
armoede
- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - Bij hullie ist èèrmoej troef. - Bij hen heerst doorlopend gebrek.
- Dialectenquête 1887 Willems - èrremoej
- Kees en Bart; dialoog in Tilburgse Post, 1922-193? - èrremoei
- Audioregistratie 1978; interview met Heikanters, transcriptie door Hans Hessels - Mar et was wèl èèremoej troef, èèremoej troef! Mar ze waaren et veul eensgezinder onder mekaare!
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ge kunt meej tweeje meer èèrmoej lijen as allêeneg
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - wie gift wèttie heej, is wèrd dèttie èèrmoej lijdt
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 vaast wèèrk, vaaste èèrmoej
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - èèrmoej zuukt list
- Lodewijk van den Bredevoort, pseudoniem van Jo van Tilborg; Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Hij besloot dus zen èège aon te melden bij Openbare Werken. Meej twee gezonde haande aon oew lèèf, kosse ze oe daor aaltij gebrèùke. Et gaaf un vaast lôon, en vaaste èèrmoei, in de volksmond.
- Henriëtte Vunderink; Ik zal van oe blèèven haawe, 2007 - Der was veul èèrmoej in die tèèd,/ veul traone zèn gelaote./ Daor kan ik fabriekaant èn kerk aaltij nog om haote.
- Cees Robben; Prent van de week, Roomsch Leven 1957-07-04 - in al zn eeremoei
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-10-16 - Dan ruuk ik wir dem eeremoei/ die vruuger deur vur deur/ De straot op kwaam heel zwoel en zwaor/ van kender en slameur...
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden 1984-04-20 - As ge meej oewen èèremoei ginne raod wit... Dan zèède nie werd deggem het...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 12 21 - Meljoene meense lije èrmoei.
zelfstandig naamwoord
koude
ongemak
zelfstandig naamwoord
Schilderij van Jules Bastien-Lepage, Oktober - aardappeloogst; 19e eeuw Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel. èèrepel Èèrepeleeters - afbeelding uit Katholieke Illustratie circa 1930 aardappel(s) Gewas uit de familie der nachtschades - Solanum tuberosum
zelfstandig naamwoord
Spelling met '-appel'
Uitdrukkingen
- WBD III.1.1. lemma urineren - frequent: vooral noordelijk Tilburg de aardappels afgieten
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 12, Nieuwsblad van het Zuiden, 1965-01-23 "Zo lang èrpels zette as ge mist het". We geven het helemaal in dialect, omdat het heel wat lekkerder klinkt dan in het ABN, waarin het luidt: "Zo lang aardappels zetten als men mest heeft". We hebben te maken met plastische taal van wat men een "doorzetter" zou kunnen noemen. De betekenis van de uitdrukking is: Met iets zo lang doorgaan als mogelijk.
- Frans Verbunt; Tilburgs voor Tonpraters 7 e perbeersel, 1996 - èèrlep of loof - komt er nog wat van? kiezen of delen
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, Nieuwsblad van het Zuiden, 1965-01-23 - Een kaartspeler, die bij het rikken "acht slagen deed" zei: "Hier, sopt hier oewen erpel (aardappel) maar 'ns in!" Het klonk als een uitdaging, die suggereerde, dat de tegenpartij hard zou moeten spartelen om hem "er in te speulen."
- Cees Robben; De Prent van de week in het Zilver, 1981 - 't Is me wè lekkers...' zei Kupke met de spot in zijn ogen..., hoe grôôter de èèrpel... hoe lomper den boer...!
- Frans Verbunt; Tilburgs voor Tonpraters 7 e perbeersel, 1996 - De lompsten boer tilt de grotste èèrpel. - Frans Verbunt; Tilburgs voor Tonpraters 7 e perbeersel, 1996 - Zo lang èèrpel zette agge mist hèt.
- Frans Verbunt; Tilburgs voor Tonpraters 7 e perbeersel, 1996 - Meej den dieje bènde ok nòg nie òn de nuuw èèrpel. Met hem kun je nog heel wat meemaken.
- Frans Verbunt; Tilburgs voor Tonpraters 7 e perbeersel, 1996 - Zo lillek as ene mòttegen èèrpel. - Frans Verbunt; Tilburgs voor Tonpraters 7 e perbeersel, 1996 - Zo schèènhèlleg as enen duuvel die zen èèrpel in wijwaoter kokt.
Werkzaamheden
Oude aardappelsoorten
naam
Bijnamen
Gereedschap
Overdrachtelijk gebruikt
Samenstellingen
èèrepelbènnekezelfstandig naamwoord
aardappelmandje
èèrepelbochtzelfstandig naamwoord
aardappelloof.
èèrepelfôojzelfstandig naamwoord
èèrepelkèlderzelfstandig naamwoord
aardappelkelder; plaats waar de aardappels bewaard werden
èèrepelkèrmiszelfstandig naamwoord
aardappelkermis
èèrepelkèùlzelfstandig naamwoord
aardappelkuil
èèrepelkoekzelfstandig naamwoord
pannenkoek bereid met aardappels
èèrepellaandzelfstandig naamwoord
aardappelland, aardappelakker
- A.J.A.C. van Delft; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1924-04-12, Van vroeger dagen 34: Factoren voor groei - Benevens den landbouw, zegt hij, maakt de fabrieksarbeid het bestaan uit van Tilburgs inwoners. Men schat het getal menschen, hetwelk door dien arbeid "tegen niet hooge dagloonen", om der goedkoope levenswijs wille, onderhoud vinden, op ruim 6000; de meeste huisgezinnen hebben een reepje land of tuin achter hunne woning, tot het teelen van warmoezerijen, en hebben daarbij een zekere uitgestrektheid gronds, om aardappelen voor het gezin te winnen; zij houden daarbij veelal een geit en mesten een varken, welke hun melk, spek en mestspecie voor hun aardappelland verschaffen.
- Anoniem; Nieuwe Tilburgse Courant, 1955-04-09; Toen Tilburg nog dorps was - Daarbij kwam, dat zeker aan de buitenkant van Tilburg vrijwel iedereen er een flinke lap grond bij zijn huiske had liggen, waarop de aardappelen en groenten geteeld werden, een geit werd gehouden en de nodige konijnen verzorging vroegen.
- Van Delft; Nieuwe Tilburgsche Courant, Van Vroeger Dagen afl. 110, 1929-04-20 - "We hebben dan tegelijk veul mis voor ons eirepullaand, want huskemis deugt nie daorveur."
- Dorrus Misters; Nieuwe Tilburgse Courant 1951-03-29, Onze Tilburgse folklore 6, Paaseieren, namen en verdwenen gebruiken - Behalve voedsel was er ook nodig strooisel (strouwsel), want die beestjes moesten mest maken voor de tuin en het te pachten aardappelland
- Piet van Beers; Mòlle zèn krèùse, www.cubra, circa 2003 Ik hèb er êene [een mol] op munne tèùn./ Mar... ik hèm nie in de haand. / Ik ziege't smèèrges ònt gazon / èn òn m'n èèrpellaand.
werkwoord
Foto: collectie Wim van de Wouw (CuBra) Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg èèrepelschèlle aardappelschillen, aardappelen schillen
zelfstandig naamwoord
() De blaojkes die zèn allang van de bôome. Dè blèèft zeeker zôo, nòg 'n mònd òf tweej, drie. Hoe dieje lange wènter goed dur te koome. Dè weet ik zôo krèk op 't momènt nòg nie. Mar meej dè ik dè dènk, heur ik ons Keej al roepe: "Zèg Peer, de èèrpel moete geschèld. Èn ge zot tòch stòffe èn de köpkes omwaase. Èn hoe ist meej de gruunte gestèld?" - Jodocus, pseudoniem van Jacques Stroucken; in: Toemet-hooi, website CuBra circa 2002 - Hij stao daor zo freet as un himmels boeket Op mun graasveld te geuren en kleuren. Ik hè munne stoel in zun schaoduw gezet: 't is vekaansie! Wè kan me gebeure! Zwaorlèvige hommels en vliegskes van goud Zèn druk in de weer rond de blommen; Ut gromt en ut gonst en ut vliegt en ut dauwt Om ut uurst bè de honing te kommen. Van nieje en wepse hèk naauw nog gin laast, Die kunne de kaauw nog nie lèje; Aachter munne rug in de heg en de maast Zèn de musse al volop aont vrèje. Mun boek laot ik dicht en mun oge gaon toe. Un zaolig gevuul zo te drome! Soms denk ik: ik leef pas volop a'k niks doe, A'k mar alles laot gaon en laot kome. Unnen droom duurt nie lang en den bloesem vergaot; Daor zun we 't wel meej moete stelle. Ons To lapt de raome en roept innis kwaod: 'Ik docht dè gè èrpel zôt schelle!' - Lechim, pseudoniem van Michel van de Ven, De Tilburgse Koerier 78 06 22: 't Schelle van d'èrpels D'r hong 'n plaotje op de deur : "Aachterom - zonder belle" Daor zaat de Kriest 'nen èèmer vol Mee èrappel [sic] te schelle. Ik vroeg: "Mar meens wè doede naauw? Dès wérk vur vrouwehaande, Of ligde gij bij jullie Jaans Ok vort zó strak aon baande?" "Och nèè, dè valt wel mee zee Kriest Mar ze wil gaon kampeere Daor wordt èrpel-schelle mèn taok Ik wô't mar is prebeere" "Want d'aander week 'n zaoterdag Dan gao'me daor al heene En 'k wil nie vur Jan Klaosse staon, Dörom zè'k vast aon t treene." - Lechim, pseudoniem van Michel van de Ven; De Tilburgse Koerier 76 03 11 - Ze snaauwde: "Schèlt de èrpel vast / En gao de raome waasse, / Dan kund' ak' naor de mèrt toe zè / Strak op de kiendjes paasse" Schilderij van Evert Pieters èèrepel-steekes-tèèd de tijd waarin de aardappels geoogst werden door ze met de riek uit de akker op te steken
èèrepelziektezelfstandig naamwoord
aardappelziekte
èèrevewerkwoord
erven
èèrgzelfstandig naamwoord
erg, in de betekenis gewaarwording
èèrgeraantbijwoord
ergens
- A.J.A.C. van Delft; Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen aflevering 111, 27 april 1929 "Ergeraans" wil ook zeggen: ergens.
- Jan Jaansen, pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1, Nieuwe Tilburgsche Courant 1-10-1938 - En in Baozel is dè nog 'n bietje erger as ergerand aanders!
- Stadsnieuws; dialectrubriekje 2006) - Ik weet nie persies waor ie wont, èrgeraand op Körvel gelêuf ik.
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer, 2009 Vrèmde kòst: Frankrijk, Portugal of Spanje/ òf daor èrgeraand.
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dan gingde èèrgeraant nortoe èn dan waar daor van alles te doen.
- WBD III.4.4:198 - 'ergent', 'ergant', 'ergerans', 'ieverans', 'ieverantergens'; 'ieverens' = ergens
- Jan Naaijkens; Dè's Biks - 1992 - èrreges; ook 'èrgant'
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - ERGERHANDS voor 'ergens'. Dit woord meen ik bij de oude schrijvers wel gevonden te hebben.
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 ERGAND bijwoord, ergens.
- WNT kent het niet, wel ERGERINGS, gevormd naast ERGENS
èèrigzelfstandig naamwoord
erg, in de betekenis gewaarwording
èèrmzelfstandig naamwoord
arm, arme, armen 1 het lichaamsdeel
zelfstandig naamwoord
1.1 Met de kromme arm
zelfstandig naamwoord
1.2 Benaming voor een liefdadigheidsinstantie ter bestrijding van armoede
1.3 armoede
naam
arm, armoedig
èèrmezelfstandig naamwoord
arm, arme, armen 1 het lichaamsdeel
zelfstandig naamwoord
1.1 Met de kromme arm
zelfstandig naamwoord
1.2 Benaming voor een liefdadigheidsinstantie ter bestrijding van armoede
1.3 armoede
naam
arm, armoedig
èèrmenbèngskezelfstandig naamwoord
armenbankje
èèrmoejegnaam
armoedig
Eerste persoon meervoud - wij kwamenVan geens gons, gong ut beter as toen we trugkwaampe... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)
èèszelfstandig naamwoord
ijs
Stadsnieuws; dialectrubriekje, 2006-04-12 - Gin èès èn tòch schòts: gezegd van iemand die bij het lopen zijn voeten naar buiten zet (ook: ginne kèèrmis èn tòch nooga)
èèselekbijwoord
ijselijk
èèshèllegezelfstandig naamwoord
de ijsheiligen: Pancratius, Servatius, en Bonifatius; hun feestdagen zijn 12, 13, en 14 mei
eesjuitroep hee!, nou zeg!
èèspinzelfstandig naamwoord
ijspegel
eetallaazjeweekzelfstandig naamwoord
etalageweek
Etalage van slagerij Lejeune in 1936 (detail). Met dank aan Regionaal Archief Tilburg.
Nieuwe Tilburgsche Courant - 15 april 1900 Tilburgsche Courant - 7 april 1901 Tilburgsche Courant - 24 maart 1910
eetewerkwoord
eten eete - aat gegeete, soms: geëete
1.1. In tegenwoordige tijd vocaalkrimping: ik eet/ gij/hij/ zij it; imperatief: it
zelfstandig naamwoord
1.2. Als voltooid deelwoord ook 'geëete'
eeterzelfstandig naamwoord
de ether; in verband met televisieuitzending
eeterszelfstandig naamwoord
aardappelen voor consumptie door mensen
eeteskaastzelfstandig naamwoord
etenskast
eeteswaorzelfstandig naamwoord
eeuwigheizelfstandig naamwoord
eeuwigheid
eevangeeliezelfstandig naamwoord
evangelie
èèvebijwoord
eevegetijbijwoord
uit even & getij; op hetzelfde moment, gelijktijdig
Avena fatua
eeventeweelbijwoord
eventueel
zelfstandig naamwoord
eevie WBD III.4.3:341 eevie - oot (Avena fatua), ook 'oot' genoemd
èèzewerkwoord
ijzen
eezelzelfstandig naamwoord
ezel - dier uit het ondergeslacht van de paardachtigen - Equus africanus asinus 1 Uitdrukkingen 1.1 Met betrekking tot voortplanting
1.2 Over het noodlot, lotsbestemming
zelfstandig naamwoord
1.3 Diverse
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden 1984-08-24 - Hij zit daor as unne ezel tussen twee bèèrege hooi... Waor zal ie naa t irst aon begiene?
- Piet van Beers; www.cubra circa 2005 - Nêe, hij zètte ´m te pèrd, of beeter gezee, ten eezel èn ging er zèlf nèffe lôope. Van daor èùt nòr Jeericho dès nog ´n hil ènd èn ge moet flink ònstappe vur dègge in de bebouwde kom van die plòts zèèt .´t Verhaol gao dan vèrder: De Samaritaon zuukt ´n kosthèùs vur zene passazjier.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-08-18 - Een mens behoeft niet altijd het betere of het beste te bezitten. Ook met het mindere kan hij tevreden zijn. Vooral als dat mindere hem, onder bepaalde omstandigheden, méér nut bewijst dan dat wat als het betere pleegt te worden aangezien. Deze wijsheid wordt uitgedrukt in het volgende: "Beter van een ezel wél gedragen, dan door een paard in het zand geslagen." De uitdrukking kan gehanteerd worden als antwoord op een opmerking van een kritikaster.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 82, Nieuwsblad van het Zuiden, 1969-06-27 Om aan te geven dat wie A gezegd heeft ook B dient te zeggen of tot uitdrukking te brengen dat het één bij het ander behoort, twee zaken onafscheidelijk aan elkaar verbonden zijn, hoorden wij een oude Tilburger origineel voor de dag komen met de volkse vinding "Wie enen ezel rijdt, moet ook ieder jaar 'nen koop hout pachten".
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 99, Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-04-09 Een oude, plaatselijke petroleumventer leeft voort in de vergelijking: "Zo frut als de ezel van Stien Ollie". Dit lijkt er ons op te wijzen, dat het ezeltje een nogal kaduuk geval moet zijn geweest.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - kèèken as enen eezel die int hooj stao te zèèke - onnozel
- WBD III.1.4:36 'ezel' = ezelachtig persoon
eezelskèèrzelfstandig naamwoord
ezelskar, ezelskarretje
eezelskèrkezelfstandig naamwoord
ezelskar, ezelskarretje
èèzerzelfstandig naamwoord
ijzer, strijkijzer
èèzerdraojkezelfstandig naamwoord
ijzerdraadje
èèzerenaam
ijzeren
èèzergraszelfstandig naamwoord
kweekgras, Triticum repens
ook genoemd: paone, peene, peeze
èffebijwoord
effen, even, egaal een korte tijd, even
èffegetijebijwoord
tegelijkertijd, meteen
èffegoedbijwoord
evengoed, net als iedereen
èffenaafbijwoord
uitdrukkingloos, vlakweg, zonder meer, kortweg, nuchter, langs z'n neus weg, te kijken staan
bijwoord
bijvoeglijk naamwoord bijna hetzelfde, vergelijkbaar
'Efkes wè lekkers', slogan bij een snoepkraam bij de Hasseltse kapel (2017). Dezelfde snoepkraam, nu in mei 2019
èfkesbijwoord
eventjes, even
- Cees Robben; Prent van de week, Rooms Leven Swels det ik efkes wochte moes (19590912)
- Cees Robben; Prent van de week, Rooms Leven Komt toevallig Siendereklaos efkes nog mee appels gooien (19571207)
- Cees Robben; Prent van de week, Rooms Leven Aon de raand van de stad/ Leej unne zaanderige pad/ Nog efkes en dan laot-ie t schiete... Hij is uit de tèèd.. (19580222) [Over de Reitse Hoevenstraat; Robben bedoelt hier de asfaltering van de zandwegen in het toenmalige buitengebied van Tilburg]
- Cees Robben; Prent van de week, Rooms Leven Hij keek me efkes aorig aon (19661021)
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden - Jonge.. löstert naa is efkes... (19701023)
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden - En toen stond ie efkes stil... (19701120)
- Piet van Beers; www.cubra, ca 2003 - "Ik gao èfkes nòr de tèùn, Merie." / zeej Balthazar Vermeer. / "Ak oe sewèèle nie mir zie, / ist naa de liste keer."
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 05 06 - Ze hee efkes geprakkezeerd
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 05 13 - Verleeje week laas Trees de kraant, / Kèèk over d'ren bril / En vroeg: "n ramp, 'n ongeluk, / Wès daorvan t verschil? // De Tiest docht irst hèèl efkes nao / Mar toen zee dieje kruk: / "As gij in 't knaol zôt vallen Trees / Was dè n ongeluk. // Mar haolde iemand jou d'r uit / Dan zò dè volgens mèn / Van n onneuzel ongeluk / n Ramp geworre zèn."
- Tillie B (pseudoniem van Nicole van Wagenberg); uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - Èffe vraoge hoe dèt meej em gao. Meschient èfkes oover zenen bast aajen òf òn zen wòrtele kriebelen òf iets.
- WBD III.4.4:131 'efkes' = poosje
- Jan Naaijkens; Dès Biks,1992 - èfkes bijwoord: even
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - efkes, bijw. efkens - eventjes
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 EVENTJES, EFFENTJES - èfkes, bijwoord
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 - EFKENS bijwoord. eventjes; lichtjes, in zeer geringe mate: Ik kwam maar efkens aan ze' lijf en hij begost te grijzen.


'Een hoogstmodern systeem van eggen in Tilburg', circa 1930
eigenaam
zelfstandig naamwoord
2. wederkerend voornaamwoord
eigennaam
zelfstandig naamwoord
2. wederkerend voornaamwoord
eigendiglukbijwoord
eigenlijk
eigesnaam
zelfstandig naamwoord
2. wederkerend voornaamwoord
èkkerzelfstandig naamwoord
akker, bouwland (ook volgens WBD)
Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937
èkkermènnekezelfstandig naamwoord
èksaomezelfstandig naamwoord
examen
èkseemzelfstandig naamwoord
eczeem
èkskezelfstandig naamwoord
eik,eikje
èksterzelfstandig naamwoord
ekster - Pica pica
zelfstandig naamwoord
Illustratie Rolf Jansen èksterôog eksteroog
èlzelfstandig naamwoord
lengtemaat van 0,726 m in Tilburg in gebruik vóór de invoering van het Nederlands Metriek Stelsel, 1820
èlkenaam
elke
èlkendêennaam
elkeen, iedereen
èlleboogzelfstandig naamwoord
elleboog
èllemaotzelfstandig naamwoord
ellemaat
èlvendèrtegstbijwoord
èlzesèèsjezelfstandig naamwoord
elzensijsje- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 sijs (Carduelis spinus)
èmde letter M van het alfabet
emnaam
hem (zonder nadruk); met nadruk: hum
werkwoord
wederkerend voornaamwoord
envoorzetsel
lidwoord een; meestal geschreven als un of 'n. een, 'n
Tony Ansems - Gauw 't Roozenhuuke bidde/ Die ouw vrouwkes waren snel... (De Hasseltse kapel; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008) Ed Schilders - Wij moese aatij irst de [Hasseltse] kepèl in èn n rôozehuuke bidde vurdèmme vur êen of twee cènte snuupkes mochte kôope. En ik moet zègge, dan smòkte-n-et ok beeter. Et joodevèt, de stroopseldòtjes, de dròpveeters, t zuuthout, tôoverbòlle. (Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009) Ed Schilders - Toen wonde bij t pleintje ok nòg Virginie Doorakkers. Die waar bijna hèllig, zoveul rôozehuukes as die had vurgebeeje in de kepèl. (Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009) Gerard Steijns - Toen liepeme nòg meej in de persèssie èn wier et rôozenhuudje nòg gebeeje. (Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005)
zelfstandig naamwoord
ROOZENHUUKE Roozenhuuke, perelsnoer, schoon gebed veur heer en boer. Roozenhuuke, waor 'k aon bid as ik stil en alleenig zit. 's Aovonds ritseltikte trouw ter eere van Ons Lieve Vrouw. Weesgegroetjes vijf keer tien en vijf Gloria's bovendien. Op z'nen tijd vijf Vadderonzen laot ik daor deurhenen gonzen. Weesgegroetjes van geloof, hoop en liefde die ik beloof. Weesgegroetjes van berouw via Onze Lieve Vrouw. Weesgegroetjes van geluk, blumkes die ik geere pluk. Roozenhuuke. perelsnoer, schoon gebed veur heer en boer. ròpke
zelfstandig naamwoord
ròpkoek, raopkoek Pierre van Beek - raapkoek, afvalprodukt bij het olie-maken ròpt(e) werkwoordsvorm; persoonsvorm. raapt(e)
zelfstandig naamwoord
ròs
zelfstandig naamwoord
Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'ros' zelfstandig naamwoord - graszode ròsdoek Pierre van Beek - zak onder de wagen voor paardevoer
zelfstandig naamwoord
Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hil wè in zene ròsdoek hèbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - heel wat in zijn mars hebben (Rosdoek= zak die boeren en voerlui vroeger onder hun kar of wagen hadden hangen, waarin hooi, haver, brood voor het paard zat.)
zelfstandig naamwoord
rösmis - rolploeg, eind 19e eeuw - het mesvormige rösmis snijdt de grond vertikaal, waarna de driehoekige ploegschaar de grond horizontaal snijdt - uit: Rijke oogst van schrale grond, tentoonstellingscatalogus Noordbrabants Museum, 1991 rösmis
werkwoord
ròsse
werkwoord
rösse wrijven
werkwoord
't Was net of Onze Lieve Heer z'n verfdoos leeggerosen hô, de liste kladdekes hier en daor nirgesmeerd, en toen bij z'n eige gezee hô: Zie zoo, ik schaai er dees jaor aaf mee verven... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)
Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rösse ww - stevig wrijven
zelfstandig naamwoord
ròssege
werkwoord
rössele de kachel oppoken door het rooster te schudden
zelfstandig naamwoord
roster rooster
zelfstandig naamwoord
ròszode roszode, graszode
naam
ròt rot
zelfstandig naamwoord
Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'rot' bijvoeglijk naamwoord - rot rötje ruitje De raomen in de klas han un hèle hôop klène rötjes. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) rötjesbroek zelfstandig naamwoord
èn allesbijwoord
versterking van het voorgaande
èn naa gijuitroep
èndzelfstandig naamwoord
eind, einde, uiteinde, afstand; langwerpig stuk WTT 2020 - We gòn en èndje waandele.
- Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit 't klokhuis van Brabant 4, 2-11-1929)- Alles hier op de wèreld hee toch een end, behalve sesiesworst zô "de Tuter" zeggen, want die hee-t-er twee. Jè, wè zulde daor op afdingen!...
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - Hij wó mèn meej en ènd hout slaon.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 en èndje moeder Gods - stok voor een aframmeling
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 stuuper mèn is en èndje - geef me eens een zetje
- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - As ouwoere wòrst was, hadde gij en hil ènd Als ouwehoeren worst was had jij een lange.
- WBD III.3.1:399 'dood end' = doodlopende weg
- WBD III.2.2:52 'einde' = dood
- WBD III.4.4:131 'end = poosje; 196 'end' = uitgestrektheid
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 Eind ... 2. (van iets langs gezegd, bv. worst of hout) stuk: 'n ènd hout.
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899: END zelfstandig naamwoord o. , vrklw. endje(n), endeke(n). - eind, einde
- Jan Naaijkens ; Dè's Biks - 1992 - ènd - einde; 'n ènd hout - een stuk hout
s tuk vee
e end
èndeldèèrmzelfstandig naamwoord
endeldarm WBD III.1.1. lemma endeldarm, dikke darm endelderm ook in Tilburg, Udenhout
èndelingzelfstandig naamwoord
de betekenis die Daamen geeft is niet bevestigd
Èndhoovezelfstandig naamwoord
Eindhoven ook: Ènthoove, met name in Tilburgse toponiemen als Ènthoovesewèg
èndjezelfstandig naamwoord
eind, einde, uiteinde, afstand; langwerpig stuk WTT 2020 - We gòn en èndje waandele.
- Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit 't klokhuis van Brabant 4, 2-11-1929)- Alles hier op de wèreld hee toch een end, behalve sesiesworst zô "de Tuter" zeggen, want die hee-t-er twee. Jè, wè zulde daor op afdingen!...
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, Antwerpen 1952 - Hij wó mèn meej en ènd hout slaon.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 en èndje moeder Gods - stok voor een aframmeling
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 stuuper mèn is en èndje - geef me eens een zetje
- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - As ouwoere wòrst was, hadde gij en hil ènd Als ouwehoeren worst was had jij een lange.
- WBD III.3.1:399 'dood end' = doodlopende weg
- WBD III.2.2:52 'einde' = dood
- WBD III.4.4:131 'end = poosje; 196 'end' = uitgestrektheid
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 Eind ... 2. (van iets langs gezegd, bv. worst of hout) stuk: 'n ènd hout.
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899: END zelfstandig naamwoord o. , vrklw. endje(n), endeke(n). - eind, einde
- Jan Naaijkens ; Dè's Biks - 1992 - ènd - einde; 'n ènd hout - een stuk hout
s tuk vee
e end
èndvoorzelfstandig naamwoord
eindvoor
èngbijwoord
eng
èngelzelfstandig naamwoord
engel
èngelshèmzelfstandig naamwoord
Engels hemd
ènkeldbijwoord
enkel, slechts
ènkeltbijwoord
enkel, slechts
ènnegstenaam
ènnegtnaam
enige, enkele, een paar uiteenlopende uitspraak ènnige
ènnigte
telwoord
ènnegte
innigte
ènnigenaam
enige, enkele, een paar uiteenlopende uitspraak ènnige
ènnigte
telwoord
ènnegte
innigte
ennigtenaam
enige, enkele, een paar uiteenlopende uitspraak ènnige
ènnigte
telwoord
ènnegte
innigte
ènteldèèremzelfstandig naamwoord
endeldarm van geslacht rund in de slagerij: aarsdarm
Illustratie uit Handboek voor de slager ; 1956; onder hoofdredactie van J.W. Baretta,een uitgave vanwege het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening.
èntelewerkwoord
entelen
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "èntele - ruziemaken, vooral onder de kinderen"
- Pierre van Beek; Tilburgs folklore, Nieuwsblad van het Zuiden, 18 juli 1958 - Entelen" - ruzie maken.
- Pierre van Beek; Tilburgs folklore, Nieuwsblad van het Zuiden, 18 juli 1958 - "Op 'nen entel gooien." - ruzie zoeken; provoceren.
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden - Naa-nie entele.. kernollie... (19580802)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 06 17 - Terwèl daor binne dieje meens / Hullie kènd zit te èntele... [namelijk een examinator]
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 zitte awir te èntele - zit je alweer te vervelen!
- Ed Schilders; Wè zeetie?, website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009 - Òch, dr waar netuurlek in èllek höshaawe welles stront òn de knikker. Dè begos meej stèchele en èntele. Daor kwaam hommeles van, èn dan begos t r pas goed te spanne.
- WBD III.1.4:240 'entelen' = kibbelen
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 ENTELEN (èntele) onovergankelijk werkwoord, doorgaan met pogingen om gelijk te krijgen.
- Jan Naaijkens; Dè's Biks - 1992 - èntele ww. - klieren, vervelen
- WNT: knorren, brommen, kijven (verouderd) vervelend doen, pesten, vitten
ènterzelfstandig naamwoord
ènterèntbijwoord
van eind tot eind
erbèèrmeleknaam
erbarmelijk
èrbeeziezelfstandig naamwoord
aardbei
èrbèjewerkwoord
arbeiden, ook 'arbèje'
erbij zèènuitdrukking - erbij zijn, zwanger zijn
èrdkèèrzandkar, grondkar
erfhèùszelfstandig naamwoord
erfhuis
èrgzelfstandig naamwoord
iets dat erg is, slecht, bedenkelijk meestal met het werkwoord hebben; ergens erg in hebben
èrgerzelfstandig naamwoord
het ergere; alleen in de uitdrukking tegen dn èèrger, gezegd als bezwering om erger te voorkomen
èrgeraandbijwoord
ergens
- A.J.A.C. van Delft; Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen aflevering 111, 27 april 1929 "Ergeraans" wil ook zeggen: ergens.
- Jan Jaansen, pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1, Nieuwe Tilburgsche Courant 1-10-1938 - En in Baozel is dè nog 'n bietje erger as ergerand aanders!
- Stadsnieuws; dialectrubriekje 2006) - Ik weet nie persies waor ie wont, èrgeraand op Körvel gelêuf ik.
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer, 2009 Vrèmde kòst: Frankrijk, Portugal of Spanje/ òf daor èrgeraand.
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dan gingde èèrgeraant nortoe èn dan waar daor van alles te doen.
- WBD III.4.4:198 - 'ergent', 'ergant', 'ergerans', 'ieverans', 'ieverantergens'; 'ieverens' = ergens
- Jan Naaijkens; Dè's Biks - 1992 - èrreges; ook 'èrgant'
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - ERGERHANDS voor 'ergens'. Dit woord meen ik bij de oude schrijvers wel gevonden te hebben.
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 ERGAND bijwoord, ergens.
- WNT kent het niet, wel ERGERINGS, gevormd naast ERGENS
èrgeraansbijwoord
ergens
- A.J.A.C. van Delft; Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen aflevering 111, 27 april 1929 "Ergeraans" wil ook zeggen: ergens.
- Jan Jaansen, pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1, Nieuwe Tilburgsche Courant 1-10-1938 - En in Baozel is dè nog 'n bietje erger as ergerand aanders!
- Stadsnieuws; dialectrubriekje 2006) - Ik weet nie persies waor ie wont, èrgeraand op Körvel gelêuf ik.
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer, 2009 Vrèmde kòst: Frankrijk, Portugal of Spanje/ òf daor èrgeraand.
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dan gingde èèrgeraant nortoe èn dan waar daor van alles te doen.
- WBD III.4.4:198 - 'ergent', 'ergant', 'ergerans', 'ieverans', 'ieverantergens'; 'ieverens' = ergens
- Jan Naaijkens; Dè's Biks - 1992 - èrreges; ook 'èrgant'
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - ERGERHANDS voor 'ergens'. Dit woord meen ik bij de oude schrijvers wel gevonden te hebben.
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 ERGAND bijwoord, ergens.
- WNT kent het niet, wel ERGERINGS, gevormd naast ERGENS
èrketètzelfstandig naamwoord
bazig vrouwspersoon
Uit een brief van A.C. Hoogendoorn (Goirle) aan Pierre van Beek - 1965 - archief Erven Pierre van Beek
èrmoejegnaam
ernèffebijwoord
ernaast
èrregentbijwoord
Schilderij van Georg Flegel (detail) - Stilleven met erwten.
èrregesbijwoord
Schilderij van Georg Flegel (detail) - Stilleven met erwten.
èrtzelfstandig naamwoord
erwt, Pisum sativum
Uitdrukkingen 1. Zijn erwten uit hebben ; afgedaan hebben; verloren hebben
Uit een Tilburgs liedschrift
2. Zijn erwten diep in de grond steken ; iets te goed willen doen.
3. Geef ze een erwtje
zelfstandig naamwoord
4. Twee erwten op een plankje Metafoor voor kleine borsten (of: eigenlijk geen borstvorming maar de tepel als erwt)
erteegenaonbijwoord
ertegenaan
èrteketètzelfstandig naamwoord
bazig vrouwspersoon
Uit een brief van A.C. Hoogendoorn (Goirle) aan Pierre van Beek - 1965 - archief Erven Pierre van Beek
èrtesoepzelfstandig naamwoord
erwtensoep
"Agge tòch gaot Bal," ...zeej Merie, "Brèng dan wè Praaje meej. Tweej dikke, vur den Èrtesoep èn wè vur den Hasjee"
Ast rèègent of miezert, of 't waait er es flink. Dan zègge ze: "Wè ist toch wir snèrtweer." Ik haaw nie van rèègen èn òk nie van wènd. Mar... van èrtesoep hèb ik gin afkeer.
èrtkzelfstandig naamwoord
kar waarop grond (aarde) vervoerd wordt
Foto: Regionaal Archief - Stadsmuseum Tilburg
èrtrèèsaardrijs
èrtsoepzelfstandig naamwoord
erwtensoep
ertussenèùtbijwoord
ertussenuit
esbijwoord
eens; ook uitgesproken en gespeld 'is'
èsprèsbijwoord
èssènsiezelfstandig naamwoord
uit Franse essence
etToponiem; het Krijthuis, onderdeel van Den Eùlevlucht, op Korvel Krijthuis (?)
naam
Willem van Mook
zelfstandig naamwoord
krèùd, meervoud kruije sintjaakòpskrèùd - kruiskruid - senecio hoefkrèùd - klein hoefblad - tussilago farfara boerewörmkrèùd / tanacetum vulgare sintjanskrèùd - sedum telephium kruid, 'toekruid' bôonekrèùd - bonenkruid
251 hoefkrèùd - klein hoefblad (Tussilago farfara)
zelfstandig naamwoord
het Wilhelminapark
Et Vèntoponiem
ètterbèùlzelfstandig naamwoord
etzèllefdenaam
hetzelfde
Lechim, pseudoniem van Michel van de Ven; De Tilburgse Koerier 11 januari 1979
êûgskezelfstandig naamwoord
oogje verkleinwoord van 'ôog'
zelfstandig naamwoord
- H.A. Sterneberg; Een Busselke Braobaansch, 1932 - ...en laot me slaopen gaon,/ m'n eugskens vallen toe!
- Piet Heerkens; Dn örgel, 1938 - Ou twee eugskes allebaai / zijn lijk blumkes in de waai...
- Piet Heerkens; Dn örgel, 1938 - De sterre traone geen zier, / ze knipperen eugskes van plezier!
- Piet Heerkens; Dn örgel, 1938 - Och blumke,/ 'k heb oe zo dikkels bekeeke, / vriendelijk ding aon m'ne voet, / oe blaanke blaoikes, / oe gouwe draoikes, / oe eugske dè doe me zo goed!
- Jan Jaansen, pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939 - "Ik weet nog iets beter," en 't kwezelke kneep d'r eugskes toe...
- Jan Jaansen, pseudoniem van Piet Heerkens svd; 'Oome Teun naor zee', Nieuwe Tilburgsche Courant 18-11-1939 - Jan Ansems is ommers laoter zelf getrouwd mee dèzelfde meske, waor oome Teun toentertijd 'n eugske op ha! Jan Jaansen - Die "goeie zaok" bestond veur Rosa Stokkermans hierin, dè ze al lang 'n eugske ha op Harrie van den apotheker..
- Lechim, pseudoniem van Michel van de Ven; De Tilburgse Koerier, 8 maart 1973 - Wè hedde toch klèn eugskes, Jaon,/ ne kaoter van t fist?
- Interview met Heikanters 1978; transcriptie door Hans Hessels - Hier èn daor en êûgske vèt zôo [in de soep] Der krêeg gin man enen hartònval, dè nie!
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden - deugskes zeejig naor beneej... (19550827)
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden - Ons Kupkes-schutters-eugskes (19560714)
- Cees Robben; Prent van de week, Nieuwsblad van het Zuiden - Dr eugskes blinken (19580201)
- Weijnen, Dialectatlas - met umlaut, volgens kaart 48
eugskezelfstandig naamwoord
1. het oog, de ogen, oogje
- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Haawt Gòd vur ôoge èn de haand vur oew gat, dan zal oe niks ontvalle.
- "Meens, kijk toch 'n bietjen uit oe soep-ooge!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 27-1-1940 17-2-1940)
- Èn ok zen ôoge waare niemir al te bist. (Henriëtte Vunderink, Vergeefse mankemènte, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - zen ôoge
- Mandos - Brabantse spreekwoorden: Dè zèn de èlf ôoge nie (D16) - Daar is weinig kans op.
- Mandos - Brabantse spreekwoorden: Hij stikt Gòd de ôogen èùt (v- Dialectenquête 1887 Willems - Tilburgse Taalplastiek 1969) - gezegd van iemand die ondanks dat hij het goed heeft, altijd klaagt en meent te kort te komen.
- Dialectenquête 1887 Willems - Tilburgse Taalplastiek 1972) - moeten trouwen (Vrouwen menen aan de ogen te kunnen zien of iemand in verwachting is.)
- Mandos - Brabantse spreekwoorden: et wiegestrôoj zit nòg in zen ôoge ('7l) - hij is nog niet droog achter zijn oren
- Mandos - Brabantse spreekwoorden: zó zèùver as en ôog vól matèrrie (N. Daamen, woordenlijst 1916:) - zo schoon (?) als een oog vol etter: dus niet schoon
- WBD - 'óóge' (II:974) - ogen; ook: 'heejveléúchskes' (heveloogjes) [?]
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek (1998) - ek gao èfkes men ôoge verschiete - ik ga even een dutje doen.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - schèèl ôoge geeve - jaloezie opwekken
- Interview Hermans - 1978 - dronkenschap - dè was en dwèèltocht, war, toedè we tös kwaame èn dan laagen ons ôogen al en bietje boovenop èn dan kwaame we tèùs èn dan viele we in de bèdsteej oover ons moeder heen omdè ge zat waart!. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
zelfstandig naamwoord
2. boomknop waaruit scheuten of loten tevoorschijn komen
3. vetringen in de soep
èùjerzelfstandig naamwoord
WBD - uier, ook 'èùjr' genoemd
eulzelfstandig naamwoord
slaapbol, klaproos, papaver
Illustratie: Rolf Jansen
èùlzelfstandig naamwoord
uil, uiltje
Èùlevluchtnaam
toponiem De Uilenvlucht, deel van Korvel; en titel van een scène uit de Korvelse Revue Vruuger en naa, 1926.
èùrzelfstandig naamwoord
WBD - uier, ook 'èùjr' genoemd
zelfstandig naamwoord
uier
èùrewerkwoord
eurieantzelfstandig naamwoord
Uit een brief van A.C. Hoogendoorn (Goirle) aan Pierre van Beek naar aanleiding van Van Beeks vraagstelling in de krant - afbeelding: Archief erven Pierre van Beek
euszelfstandig naamwoord
1. hoos, schepper om te hozen
2. soort van dakgoot
eusezelfstandig naamwoord
eeuwsel, weide in een bos nog geen Tilburgse bewijsplaatsen aangetroffen
euselzelfstandig naamwoord
1. hoos, schepper om te hozen
2. soort van dakgoot
èùtbijwoord
uit
bijwoord
uit Wè mòkt et èùt, dèttie et ötmòkt. Wè maok et èùt Cees Robben: van vruuger, öt verleeje tèèd; de krintjes öt de mik pölleke; Cees Robben: Gao öt de licht staon! hij frèt öt de rèùf;
voorzetsel
Van Rijen: 'Öt diéjen bööl komt nie veul ööt' - er komt niet veel uit die zak. Van Rijen: 'T-is ööt licht' - Het is volop dag.
èùthallewerkwoord
uithallen, het vlees van een zelfgeslacht dier (meestal varken) aan huis verkopen; syn.: uitponden, uitslijten.
euwzelfstandig naamwoord
eeuw
euwegbijwoord
eeuwig korte eu
euweghèdzelfstandig naamwoord
eeuwigheid
èùzewerkwoord
euzelzelfstandig naamwoord
WBD - overstekend deel van een dak, ozie van het dak; ook 'dröp' genoemd
zelfstandig naamwoord
Typoscript van een brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965 - Archief erven Pierre van Beek
ewègbijwoord
weg
- Piet Heerkens; De Mus, 1939 - wijd eweg is alle smart naa,/ klaor muziek is mijn gedaachte.
- Willems; Dialectenquête 1887 - ze zèn ewèg om te speule - ze zijn eweg spelen
- Willems; Dialectenquête 1887 - ewèg lôope - vòrtloopen (weg)
- Naarus, pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra - 'k Weet zeker dè gullie oe eige al is afgevraagd het wurrom zo dieë Naarus echteluk hier uweg gegaon zèn, en zoj daor giender nogal aorde?
- WBD III.1.2:131 'eenweg' = verdwenen (ook 'eweg')
- Stadsnieuws; dialectrubriekje 2006-05-31 - Ik zèè wir es ewèg.
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - eweg (bijwoord.) - weg (brab.) = eng. away Mnl.vz. een >in
- Jan Naaijkens; Dè's Biks - 1992 - ewèg bijwoord. weg
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 - EWEG (e toonl.) bijwoord - weg, henen; Eng. away, Mnl. 'enweg'
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 bijw. 'ewèg' - weg
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 WEG 2)bijwoord - verdwenen, uitgesproken als 'eweg'; hij is eweg.
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - EWEG voor 'weg' is hier, gelijk op meer plaatsen, in de praattaal zeer gemeen. ...Kiliaan heeft 'eweg gaen', het Friesch 'aewer',het Engels 'away', enz.
- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - EWEG voor 'weg', 'niet voorhanden'. Kil.: ewegh-gaan - abire; eng. away.
ewèglôopewerkwoord