baadwerkwoord
enkelvoud van verleden tijd van bidde - bad
baajtelwoord
beide(n)
2. zelfstandig naamwoord baai (stof, textiel) zowel de uitspraken baaj als baoj lijken voor te komen
baajenaam
baajgardnaam
allebei, bij elkaar, samen
baandzelfstandig naamwoord
band, bandje 1. fietsband Tekening: - Cees Robben; uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946
2. termen uit de industrie en ambachten
3. anatomie (dieren)
4. lopende band
4. overige betekenissen
baankzelfstandig naamwoord
bank, werkbank
baarstzelfstandig naamwoord
barst
baastzelfstandig naamwoord
bast, schors; lijf (buik); harde huid van een noot, ook schaol, schölp of bòlster genoemd
baastewerkwoord
1. bassen, blaffen
2. omzomen (als onderdeel van de ververij in de textielindustrie)
baauwzelfstandig naamwoord
1. horzel
2. bouw, gebouw, bouwwerk, de bouwsector
baawzelfstandig naamwoord
1. horzel
2. bouw, gebouw, bouwwerk, de bouwsector
baawewerkwoord
bouwen
babbiekiendjezelfstandig naamwoord
baby
bagzelfstandig naamwoord
big
baggewerkwoord
biggen bagge - bagde - gebagd
baggermeulezelfstandig naamwoord
baggermolen
bakzelfstandig naamwoord
bak(je) in diverse betekenissen 1. in de uitdrukking ...halven bak - van het zelfstandig naamwoord bak in de betekenis het bakken ofwel baksel; met half wordt niet geheel, dus halfbakken, bedoeld
2. voederbak
3. Kom, kop, bak om uit te drinken, maar ook ieder komvormig voorwerp waaruit koffie of thee wordt gedronken.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - en lékker bakske kòffie
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ze gaven schôon schilderijkes, un wijwaotersbekske of un lievevrouwebildje.
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel; NTC 1939-02-25 - 1939-04-18 - Daor is naa eenmaol niks aon te doen, we zullen er mar n bekske troost op drinke.
- Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Toen dn oudste terug kwam mee de boodschap dat vrouw Sjaane al onderweg was zette Sjareltje al vast mar koffie want ze zou eerst wel n bakske lusten.
- Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Maar allee... we zullen eens gaan kijken of de vrouw de koffie al klaar heeft, gij lust toch zeker ok wel n bakske
- Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Het vrouwvollek lust onderwijl wel n bakske koffie.
- A.J.A.C. van Delft; Van vroeger dagen, van vrijen en trouwen; NTC, 1929-11-30-30 - Na de Mis gebruikte die dan bij haar de koffie, soms kwamen meerdere buurvrouwen op een bakske.
- A.J.A.C. van Delft; Van vroeger dagen, folklore en ambacht; NTC, 1930-02-01 - n Buurvrouw komt tegen half elf een bakske doen, dat wil zeggen zij komt een tas koffie slurpen met een bestel (soort beschuit) en suiker onderwijl de nieuwtjes der buurtgenoten te releveeren of kwaad...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, nr. 66; NTC, 1968-11-04 - Een half elfke is het bakske koffie, dat buurvrouwen des morgens om half elf plegen te drinken.
- Cees Robben; Prent van de Week, 1958-02-01 - Dan maolt ze dn koffie.. en zet unne bak...
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 Bèkske n lèkker bèkske koffie
- Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 en 2002 - bèkske - kop met oor, in tegenstelling tot kumke
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Men zegt hier wel een bakje thee drinken onder den burgerstand...
- WNT bak kopje; in de volkstaal van verschillende streken
- WBD III.2.1:l86 - bakske kopje; ook genoemd: kom, kumke of tas
- WBD III.2.3:40 bakske - de maaltijd in de namiddag (de warme maaltijd werd vaak gebruikt na het middaguur; de broodmaaltijd aan het eind van de middag (werkdag)) werd vaak aangeduid als koffiedrinken
4. grap
5. bak - doosvormig voorwerp
bakhèùszelfstandig naamwoord
bakkewerkwoord
bakken . A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen; NTC, 1929-04-06 - hij bakt met alle pannen - hij is van alle markten thuis; ook: hij huilt met de wolven, waarmee hij in t bosch is
bakkelaajewerkwoord
bakkeleien
bakkerzelfstandig naamwoord
bakker
zelfstandig naamwoord
bakkerijzelfstandig naamwoord
achterste
bakkeszelfstandig naamwoord
Etymologie
1. het gezicht, in het bijzonder de mond als deel van het geheel; meestal van een man, vaak spottend bedoeld voor een lelijk of uitzonderlijk uiterlijk
- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg bakkes gezicht, mond, bek
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - 't ïs een hard gelaach 'n kaind te kussen mee 'n steene bakkes.
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 19 81-02-20 - o nze pa heej meej zn schaors in zn bakkes gesneeje;
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 19 81-02-20 vervolg van de zojuist genoemde prenttekst) - as gij naa nog eene keer tegen t smoel van onze pa bakkes zegt, dan zakkes op oe vruut timmere...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1982-04-24 - wè hee dè strontjong toch n straant bakkes war...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - fèèn bakkes - kieskeurig
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zo gaaw we geslacht hèbbe, krèède gij de bakkes (zoethoudertje)
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - haawt oew bakkes - hou je mond
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - hil dè volk zaat meej zen bakkes vol taande
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2006-02-26 - Ge kunt den draank öt zen bakkes tappe.
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Die zeergeleerde meense aaltij meej der groot bakkes.
- Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Wanneer iemand flink uit zijn mond stinkt: - Hèdde gij gin kont omdègge zo öt oew bakkes stinkt?
- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Zakkoe es meej oew bakkes oover de kaaje naaje Zal ik jou eens met je smoel over de straatstenen slaan
1.1. houtere bakkes mond van hout; met name gezegd als er drank wordt geschonken en iemand per ongeluk wordt overgeslagen
2. grimassen, bekken trekken
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1980-02-01 - Ge hoeft enen aawen aop gin bakkese te leere trèkke
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 182, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-11-24 - Hij was zo gedienstig dat hij een ouwe aap nog bakkussen zou leren trekken", werd gezegd van iemand wiens gedienstigheid wat overdreven werd gevonden. "Bakkus" (eigenlijk "bakkes") is gemeenzame taal voor wat meer beschaafd "gezicht" heet.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Dikkels waren et van die zuurkes, waor ik al hillemol niks van moes hebben. Daor kréégde zon schraol bakkes van, vond ik.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bakkes - 'k Zan is aan ew bakkes slaon.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - bakkes bakes - muil der dieren; in platte taal aangezicht of mond
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bakkes - muil der dieren. In de gemeene taal gebezigd voor mond. Houd uw bakkes - zwijg! ook: gelaatsverwringing, grimas
- WBD III.4.2:32 - bakkes - bek, muil, mond van een dier, ook kweek genoemd
- WBD III.4.2:33 - bakkes - voorste deel van het gezicht van een dier, ook genoemd: snufferd, wroet, neus of toot
- WBD III.1.1:63 bakkes - gezicht
- WBD III.1.1:80 bakkes - kaakgestel
- WBD III.1.4:269 - een bakkes trekken - een lelijk gezicht trekken
Object, tentoongesteld als onderdeel van de kermistentoonstelling 'Jaozeetie', Tilburg 2018.
bakkesvolzelfstandig naamwoord
soort snoepgoed

bakketèlzelfstandig naamwoord
kleinigheid, onbenulligheid, bagatel
bakoovezelfstandig naamwoord
bakoven
bakpanzelfstandig naamwoord
lui vies wijf
bakskezelfstandig naamwoord
bak(je) in diverse betekenissen 1. in de uitdrukking ...halven bak - van het zelfstandig naamwoord bak in de betekenis het bakken ofwel baksel; met half wordt niet geheel, dus halfbakken, bedoeld
2. voederbak
3. Kom, kop, bak om uit te drinken, maar ook ieder komvormig voorwerp waaruit koffie of thee wordt gedronken.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - en lékker bakske kòffie
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ze gaven schôon schilderijkes, un wijwaotersbekske of un lievevrouwebildje.
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel; NTC 1939-02-25 - 1939-04-18 - Daor is naa eenmaol niks aon te doen, we zullen er mar n bekske troost op drinke.
- Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Toen dn oudste terug kwam mee de boodschap dat vrouw Sjaane al onderweg was zette Sjareltje al vast mar koffie want ze zou eerst wel n bakske lusten.
- Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Maar allee... we zullen eens gaan kijken of de vrouw de koffie al klaar heeft, gij lust toch zeker ok wel n bakske
- Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Het vrouwvollek lust onderwijl wel n bakske koffie.
- A.J.A.C. van Delft; Van vroeger dagen, van vrijen en trouwen; NTC, 1929-11-30-30 - Na de Mis gebruikte die dan bij haar de koffie, soms kwamen meerdere buurvrouwen op een bakske.
- A.J.A.C. van Delft; Van vroeger dagen, folklore en ambacht; NTC, 1930-02-01 - n Buurvrouw komt tegen half elf een bakske doen, dat wil zeggen zij komt een tas koffie slurpen met een bestel (soort beschuit) en suiker onderwijl de nieuwtjes der buurtgenoten te releveeren of kwaad...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, nr. 66; NTC, 1968-11-04 - Een half elfke is het bakske koffie, dat buurvrouwen des morgens om half elf plegen te drinken.
- Cees Robben; Prent van de Week, 1958-02-01 - Dan maolt ze dn koffie.. en zet unne bak...
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 Bèkske n lèkker bèkske koffie
- Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 en 2002 - bèkske - kop met oor, in tegenstelling tot kumke
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Men zegt hier wel een bakje thee drinken onder den burgerstand...
- WNT bak kopje; in de volkstaal van verschillende streken
- WBD III.2.1:l86 - bakske kopje; ook genoemd: kom, kumke of tas
- WBD III.2.3:40 bakske - de maaltijd in de namiddag (de warme maaltijd werd vaak gebruikt na het middaguur; de broodmaaltijd aan het eind van de middag (werkdag)) werd vaak aangeduid als koffiedrinken
4. grap
5. bak - doosvormig voorwerp
zelfstandig naamwoord
kopje
zelfstandig naamwoord
2. zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van bak bakje; kopje koffie - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-02-13 - Luste ôôk n bekske leut... koffie lut... - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-02-01 - Zon bekske doe deugd
baktaandzelfstandig naamwoord
kies
baldaodegheizelfstandig naamwoord
baldadigheid
balkzelfstandig naamwoord
balk
balkenbraajzelfstandig naamwoord
balkenbrij
De stinpöst Gaode èfkes langs de slaager... komde ok nòg op de mèrt? Zurgt dan vur wè platte ribbe èn wè praaje vur de snèrt. Vier ons... vèrse wòrst èn peeje... doet er mar wè jèùne bij. n Bèkske zult n half pond kaoje èn tweej schèève balkenbrij. Op dieet Soms lig ik naachtelang te drôome van BLOEDWORST BALKENBRIJ èn ZULT. Mar... DIE-EETE dè is NIE-EETE zeej Ons Kee...èn dan zèède ötgeluld.
Van t vèèrreke - 58 jaore trug n Stuk ribstuk , n hil pan worst èn ok tweej komme vol meej zult! Balkenbrij, vier flèsse braoivlees, himmel tot de raand gevuld!
zelfstandig naamwoord
balklèèster grote lijster
ballaastzelfstandig naamwoord
ballast, grote schop; nutteloze last grote schop met opstaande randen; ballastschop
zelfstandig naamwoord
Goirles kunstwerk ter ere van de ballefrutters - Archief Pierre van Beek; Het bijschrift luidde: Zó zag de Goirlese artieste Mevrouw H. Mols-van Gool de "ballenfrutter". ballefrutter bijnaam, scheld- spot- en geuzennaam voor en van een Goirlenaar. Goirle was een van de belangrijkste leveranciers van kaatsballen; frutte betekent dan zoveel als in elkaar zetten, vervaardigen met de hand
- Cees Robben; Prent van de Week, 1976-12-10 - t Zen (de Goirlenaren) nie vur niks al zn lèève al ballefrutters gewist...
- Cees Robben; De Sint Janskapel op Nieuwkerk, Goirle 1975 - ... er was eens een tijd dat die van Goirle hier over de grens hun grens-kapel bouwden.... dan liet de jeugd Onze Lieve Heer aan het kruis hangen en luisterde naar het begrijpelijke lijdensverhaal van de armzalige ballefrutters in vroeger eeuwen.
- Cees Robben; Prent van de week - 1968-12-06
- Cees Robben; Prent van de week - 1979-02-09
- A.J.A.C. van Delft; Van vroeger dagen, 1930-06-07 - Als spotnaam der inwoners van Goirle noemt men Ballefrutters, wijl er vroeger een fabriek bestond, waar kaatsballen werden gemaakt, niet van gomelastiek, want die waren toen nog niet bekend, doch gevuld met draden, waarschijnlijk afval van draad der handwevers, welke tot een vasten bal ineengewerkt, ineengefrut werden. De werklui uit die fabriek noemde men spottend Ballefrutters, welke schimpnaam op de geheele bevolking is overgegaan.
- Anoniem; Folklore 2; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1933-12-08 - In de Tilburgsche gemeente-archieven zijn tal van bescheiden te vinden, die spreken van de fabrikage van n soort kaatsballen te Goirle in vroeger eeuwen. Die ballen werden niet vervaardigd van elastiek, want die grondstof kende men vroeger nog niet, maar werden gevuld met afval van de weversdraden. Dat afval nu, werd ineengefrut tot ballen.
- Anoniem; Toen Tilburg nog dorps was, bekende straattypen uit vervlogen dagen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1955-10-18 - De spotnaam der naburige Goirlenaars is ballefrutters, ook alweer een uitdrukking, die aan het bedrijfsleven ontleend werd. Er is een periode geweest, dat Tilborg ende Goerle administratief verenigd waren. Vandaar dat men in de Tilburgse archieven bescheiden vindt, die duiden op een vervaardiging van een soort kaatsballen te Goirle in vroeger eeuwen. Die ballen werden niet gemaakt van elastiek, want die grondstof kende men toen nog niet, doch zij werden gevuld met afval van weversdraden. Dat afval nu werd ineengefrut tot ballen en zo ontstond de scheldnaam.
- Piet Heerkens; Brabantse scheldprocessie, Brabant, 1941 - De Goolse Ballenfrutters/ Zijn rooie mannekesputters... (Goirlenaren werden ook bespot - door Tilburgers - wegens de vermeend overheersende haarkleur aldaar.)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 09 17 - Tilburg is un gròòte stad / En Gòòl is mar hèèl klèn / Toch wil ik echt wel aaventoe / nen Ballefrutter zèn.
- Ed Schilders; De Ballade van Kees Kruik, 2000 - Öt Gôol kwaam toen unnen ballefrutter/ Meej de bus nòr onze stad./ Èn die bespruuide toen dè bumke [...de lindeboom]/ Meej wèttie bij Bet Koole ha gevat.
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 ballefrutter Goirlenaar
- Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske - Wè en hoe in de Tilburgse Taol, 2008 - Scheldnaam voor de Goirlenaar, samenhangend met het feit dat in Goirle tot in de 19e eeuw nog de vervaardiging van kaatsballen een belangrijke huisnijverheid was.
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord; website Je bent een echte Tilburger als..., maart 2013 ballefrutter
- Anoniem; Typisch Tilburgs en Tilburgse typen, Oude zegswijzen en oude verhalen; Nieuwe Tilburgsche Courant - 1957-02-02 - De Brabantse volkshumor is vroeger kwistig geweest met het geven van spot- en bijnamen. De Goirlese ballefrutters is uit het tegenwoordige spraakgebruik vrijwel reeds verdwenen, maar de bijnaam onzer stadgenoten (kruikenzeiker), ontleend aan het textielbedrijf, leeft voort.
naam
Pierre van Beek Goirle was vroeger centrum van kaatsballenindustrie; Nieuwsblad van het Zuiden, 1969-02-15 Het woord frutten is gewestelijke taal voor het Algemeen Beschaafd Nederlands frutselen. Het betekent: slordig in elkaar prutsen en heeft derhalve een denigrerende betekenis. Uit hetgeen wij hierboven meedeelden blijkt duidelijk, dat er van frutten of slordig in elkaar prutsen van ballen geen sprake kon zijn. Hier werd een volwaardig, met zorg gefabriceerd produkt geleverd. In de combinatie van frutten met Goolse ballen proeft men duidelijk de bedoeling van neerhalen en eventueel kwetsen. Van deze intentie ontdaan blijft er echter van de hele ballenfrutter niets anders over dan een maker van ballen. En dit was een zeer eerzaam beroep of bijverdienste. Men zat in ieder geval niet duimen te draaien maar probeerde op een fatsoenlijke manier met werken de kost te verdienen - ook al waren de verdiensten nóg zo schraal... Nu kan men niet eisen, dat iedereen op de hoogte is van de historie van de Goirlese kaatsballenindustrie. Als dit wel het geval was, zouden we zeggen, dat wie de term ballenfrutter als scheldnaam hanteert gewoon met zijn eigen domheid te koop loopt.
zelfstandig naamwoord
ballefruttersgat Goirle bam zelfstandig naamwoord boterham; tegenover kinderen gebruikt
bambezjoerewerkwoord
de bloemetjes buiten zetten, verbrassen
bammekezelfstandig naamwoord
bambesjoerder uitgaander, feestvierder
zelfstandig naamwoord
boterhammetje
bang vannaam
bang voor
bangezelfstandig naamwoord
schrik, angst
2. werkwoord, zwak bange - bangde - gebangd ergens bang voor zijn, iets vrezen, meestal met ontkenning: je hoeft niet bang te zijn dat...
- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Ge hoeft nie te bange, as onze paa tèùs is. - Je hoeft niet bang te zijn, als vader thuis is.
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-11 - Ik geleuf nie detter de irste honderd jaor nog iets vur de Moffe te bange valt.
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-18 - En toen zee de irste commissie: daor hoefde nie vur te bange, dè komt wel.
- Pierre van Beek; Dialect en spreekwijzen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-01-10 - Ge hoeft niet te bangen - Ge behoeft niet bevreesd te zijn.
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-21 - ...want ge hoeft nie te bangen dè ze in Brussel (...bij een voetbalwedstrijd) nen Hollander n overwinning kedoo geve.
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-2 - Ge hoeft niet te bangen dè ge n preces zult krijge...
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bange(n) (alleen in de infinitief gebruikt) - bang zijn (dat...), vrezen voor, denken (dat...)
- WNT - bangen - benauwen, beklemmen; benauwd, angstig wezen; thans verouderd
- C.J. Verhoeven; Haorese woorde, spreuke en gezegdes, 2007 - bange - bang zijn, erop rekenen; nie vur te bange - niet op rekenen
bange brölòftzelfstandig naamwoord
bange bruilof; de 45-jarige bruiloft; bang omdat men vreest de gouden bruiloft (50 jaar) niet te zullen halen
bangeghèdzelfstandig naamwoord
bangheid, angst, schrik
bangeschèèterzelfstandig naamwoord
bangerik
bangskezelfstandig naamwoord
bank, werkbank
bangstèlzelfstandig naamwoord
bankstel
banjerheernaam
Frank Klaroen - pseudoniem van Willem van Mook - uit: BRABANTSCHE NOVELLEN. De wandelende schooier met zijn hond. door FRANK KLAROEN. Nieuwe Tilburgsche Courant 18-07-1933.
Nog voorkomende in de spreekwijze: Den baanderheer spelen groot leven. De baanderheer of banierheer was een edelman, die in het leger van den leenheer een eigen banier mocht voeren. Banjerheer, banjer, verbasterd uit baanderheer en baander; deze verbastering ontstond uit de omstandigheid, dat het volk in baanderheer het woord banier niet meer herkende. Men zegt: den banjerheer spelen, maar t is een banjer.
zelfstandig naamwoord
banjermeneer
zelfstandig naamwoord
Uit: Nieuwe Tilburgsche Courant, 19 februari 1940 bankrèès voorrijzen
zelfstandig naamwoord
baoj
baojenaam
baoje 1 werkwoord baden
2 bijvoeglijk naamwoord baaien, van baai gemaakt
baokerzelfstandig naamwoord
baker, kraamhulp
zelfstandig naamwoord
Baokertaand toponiem Bakertand, gebied tussen Tilburg en Goirle baol, bòltje baal, een zak van jute of grof linnen
baoksterzelfstandig naamwoord
baker, kraamhulp
zelfstandig naamwoord
Baokertaand toponiem Bakertand, gebied tussen Tilburg en Goirle baol, bòltje baal, een zak van jute of grof linnen
Baolzelfstandig naamwoord
Baarle-Nassau
Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)
Baol boemelzelfstandig naamwoord
Foto's: Regionaal archief Tilburg. Onderste foto: stoomtrein op het Bels Lijntje met links de gevel van de Muziekinstrumentenfabriek van Kessels in de Noordhoek
Baolboemelzelfstandig naamwoord
Foto's: Regionaal archief Tilburg. Onderste foto: stoomtrein op het Bels Lijntje met links de gevel van de Muziekinstrumentenfabriek van Kessels in de Noordhoek
baolketoenzelfstandig naamwoord
baalkatoen
baolzakzelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
Kis-ke - onbekende tekenaar; circa 1970 in Bisdomblad Tilburgsche Courant 1881 baomes , baomis Op deze dag, 1 oktober, werden tot in het begin van de 20ste eeuw ook zakelijke overeenkomsten afgerond (vervaldag) of aangegaan. 1. de feestdag van St. Bavo, 1 oktober Tilburgsche Courant 1892
2. zeer slecht weer, herfstweer, de herfst
Goud is t zonlicht, t ketst uit de ruiten en lokt in de herfst, de meènsen nor buiten. n Processie van blaoikes, als n waandelend tapijt. Straks zen we mee baomis al die schoonheid wir kwijt.
Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937
3 Uitdrukking
Bavo als jonge ridder - schilderij van Geertgen tot Sint-Jans
baonzelfstandig naamwoord
1. baan, weg
2. baan, betrekking
baornaam
baordzelfstandig naamwoord
baard
baorewerkwoord
baorszelfstandig naamwoord
baars
baoszelfstandig naamwoord
baas, baasje
baotzelfstandig naamwoord
baat
baotewerkwoord
baote - baote gebaot
baozelewerkwoord
geen vocaalkrimping
baozinzelfstandig naamwoord
bazin
Bartje de Ganzenèknaam
bekend Tilburgs straattype
batszelfstandig naamwoord
grote schop, achterwerk, scheldwoord
batterijzelfstandig naamwoord
achterwerk, kont; uit het Franse batterie - vuurmond
bazzeloenzelfstandig naamwoord
boezeroen, overhemd uit het Franse bougeron
bèuitroep voorafgaand aan een mededeling - wel nee! bè-nee!
voorzetsel
bij
werkwoord
Ed Schilders; WTT 2020 - Waarschijnlijk door Sterenborg (hierboven) ontleend aan een prent van Cees Robben. Mogelijk moet dit voorbeeld echter gelezen worden als Toet eej toe haj bèm, uit het Frans tout et tout = alles).
bèbbelzelfstandig naamwoord
kwebbel
bèdzelfstandig naamwoord
bed
bedaankewerkwoord
bedaanke - bedankte - bedankt in tegenwoordige tijd ook vocaalkrimping: gij/hij bedankt 1 . bedanken
Dankbetuiging van Ferry van de Zaande - internet 2013
2. ontslag nemen
bedaorewerkwoord
bedaren geen vocaalkrimping
bèddeplaankzelfstandig naamwoord
beddeplank
bèddingzelfstandig naamwoord
brede weg
bedèèrvenaam
bederven bedèèrve bedierf - bedörve
bèdehaandnaam
bijdehand
bedillewerkwoord
bedillen
bedistelewerkwoord
bedisselen, in orde maken, beredderen
bedoenwerkwoord
bedrèèvewerkwoord
bedrijven geen vocaalkrimping in tegenwoordige tijd
bedriegewerkwoord
bedriegen bedriege bedrôog - bedrooge
bèdsteejzelfstandig naamwoord
bedstede, bedstee
bèdstrôojzelfstandig naamwoord
beddenstro
beduijewerkwoord
beduiden WTT 2020 - Ötbeduije: contaminatie uit uitleggen en beduiden
bèdzèèkersgezichtzelfstandig naamwoord
samenstelling uit bed + zeiker + gezicht beddenzeikersgezicht
beebiekezelfstandig naamwoord
babytje
beebiekiendjezelfstandig naamwoord
baby
zelfstandig naamwoord
babytje
beekzelfstandig naamwoord
beek
zelfstandig naamwoord
Hilvarenbeek in de volksmond
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-05-08 - Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Lôôn of Beek....
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-01-02 - En naor Beek gao de rèès... - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1975-11-21 - Over Brees naor Beek.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hier èn te Beek - krentemik met weinig krenten
- Interview met echtpaar Staps, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Want, want Beek As gij in Hilverenbeek vruuger en verbaol krêegt, dan moeste gij in Orschòt vurkoome!
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 65, Nieuwsblad van het Zuiden 1968-10-15 - In Goirle vingen we de uitdrukking op: "Ze gaan als de zagers van Beek". Om uitleg gevraagd kregen we er de volgende verklaring voor: In vroegere dagen plachten houtzagers uit Hilvarenbeek in Goirle bomen tot planken en balken te zagen, wat op een hoge installatie geschiedde. Vervoer was er niet, de reis werd derhalve te voet gemaakt. Tegen een paar uur lopen zag men toen niet op. Men koos daarbij echter wel de kortste weg en die ging in dit geval door de hei. Aangezien zo'n heipaadje smal was, liepen die zagers niet naast maar achter elkaar. Deze manier van "reizen" was zodanig tot gewoonte geworden, dat de zagers ook nog achter elkaar bleven lopen op een brede weg. "Gaan als de zagers van Beek" betekent derhalve: achter elkaar lopen.
- Drs. H. Mandos & M. Mandos-Van de Pol; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1970 - Beek Hier en te Beek één; Hier en in Beek één. Spottend als er bijvoorbeeld maar weinig rozijnen in het brood zijn. (Beek = Hilvarenbeek.)
- Drs. H. Mandos & M. Mandos-van de Pol; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg en omstreken 1986 - Over Beek en Esbeek naar Poppel gaan. Met een omweg zijn doel willen bereiken.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 Beek
bêekzelfstandig naamwoord
beek
bèèlzelfstandig naamwoord
mannelijk/vrouwelijk maar ook aangetroffen als onzijdig bijl
bêenzelfstandig naamwoord
been, benen, beenderen, beentje Naast bêene komt ook bêen voor als meervoudsvorm 1. enkelvoud
2. meervoud
3. verkleinwoord
zelfstandig naamwoord
beentje been > beentje; bêen > bintje (vocaalkrimping)
bèènewerkwoord
binden vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bènt
bêenezelfstandig naamwoord
been, benen, beenderen, beentje Naast bêene komt ook bêen voor als meervoudsvorm 1. enkelvoud
2. meervoud
3. verkleinwoord
naam
benen, van been
beenedijewerkwoord
benedijen, loven beenedije - beenedijde - gebeenedijd
beentjessoepsoep, getrokken uit beenderen en knoken.
bèèrzelfstandig naamwoord
beer, mannelijk varken, stront
bèèrewerkwoord
dekken van een varken
bèèregewerkwoord
bergen bèèrge - borg geborge; geen vocaalkrimping
2. zelfstandig naamwoord, meervoud van bèèrg bergen
bèèrgzelfstandig naamwoord
berg
bèèrkzelfstandig naamwoord
berk
Bèèrkelzelfstandig naamwoord
Berkel; gemeente Berkel-Enschot
bèèrputzelfstandig naamwoord
beerput
Bèèrszelfstandig naamwoord
Middelbeers, de Beerzen; Oostel-, Westel- en Middelbeers
bèètewerkwoord
bijten bèète bêet gebeete vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bèt
bèètelzelfstandig naamwoord
beitel
beeterdernaam
vergrotende trap van beter in de betekenis genezen
beetersbijwoord
beter
beevaortNicolaas van Tolentino
bêevewerkwoord
beven ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bift
beeverzelfstandig naamwoord
niet uitgesproken als bèèver bever stofnaam; uit Engels beaver of Duits Biber
naam
Een sterk aan één zijde geruwd en gestreken wollen weefsel in 8-schachts versterkte kettingsatijnbinding geweven met hardgedraaide ketting en iets losser gedraaide inslag. Soms ook geweven in 5 schachts inslagsatijn. Gebruikt voor sportkleding of winterbedrijfskleding. De boven- en de onderzijde zien er geheel verschillend uit. Uit: Henk van Rijswijk, Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954. Van oudsher zeer gewilde pelssoort. (bever). In Europa levert Duitschland de meeste vellen. Roodachtige kleur. Platte staart. Door overgroote jacht op het dier, is de kans op uitsterven zeer groot. Biber of bever. Grof, sterk geruwd en daarna geschoren wollen of katoenen weefsel voor onderkleeding. Effen binding. Donkere kleuren.
bèèvertzelfstandig naamwoord
bedevaart
beezegnaam
bezig
beezemzelfstandig naamwoord
bes
beeziezelfstandig naamwoord
bes
begaajewerkwoord
begaffelewerkwoord
aan de steel steken, handig aanpakken, soms ook slordig werken
begankeniszelfstandig naamwoord
heel gedoe, zware opgave, moeite, werk De oorsprong is echter (conform Van Dale) de grote inspanning die een bedevaart vereist, of ook wel een processie.
- Informant Toine Raaijmakers - Daor zulde veul begènkenis meej krèège.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-02-09 - ..t Is me n hil begenkenis...
- Pierre van Beek; Typisch Tilburgs, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1958-01-10 t Is me n hil begengkenis. t Is een tobberij; moeizaam werk.
- Anoniem; Typisch Tilburgse uitdrukkingen, Nieuwe Tilburgsche Courant; 1958-01-10 - t Is un begengkenis - Het is een tobberij, een moeilijkheid.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 ook begankenis
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - begènkenis 't waas 'n hil begènkenis; drukte
- WNT - van begang; een der stammen van begaan + nis; het begaan, dat is het bezoeken van eene plaats; het volbrengen, verrichten van een handeling, en wel kerkelijke; in bijzonder gebruik: begrafenis, bedevaart
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - begankenis - drukte, gedoe - t is n hil begankenis, ook begenkenis
- Brabantius, 1884; Woordenlijst der Noord-Brabantsche Volkstaal, 1882 begenkenis, bedevaart; in het oosten: drukte, feestelijkheid
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - begankenis - bedevaart of toeloop van bedevaarders op n bepaalde dag
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - begenkenis, begankenis, drukte, beweging - vuil (veul) begänkenis maoken op niks
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 begankenis, begènkenis - heel gedoe, omslachtige aangelegenheid, persecutie.
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - begankenis - begrafenis, bedevaart
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - begankenis.
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - begenkenis, begankenis
begaofdnaam
begaafd
begaojewerkwoord
begaaien, begaden begaoje - begaojde begaojd; geen vocaalkrimping Etymologie - Jos Swanenberg; mededeling 2020 - In het Middelnederlands betekent begaden nog in orde brengen, regelen, verzorgen, behandelen, toetakelen maar in het Nederlands en dialecten bleef alleen de negatieve betekenis behouden: bevuilen, verbruien.
Thans verouderd, maar in de Frankische dialecten nog gewoon, vooral in het deelwoord begaaid. In de Middeleeuwen een groote reeks betekenissen., in 17e eeuw slechts enkele overgebleven. In het algemeen: iets in een zekere toestand brengen, in orde brengen, ook versieren. Bij Cats ook: bevuilen, bezoedelen. Negatieve betekenissen
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - begoait - wè waas ie begoait; toegetakeld
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t klokhuis van Brabant; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-09 - ...as ze mènen dèk t volgens hullie te veul begaoi.
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven 1957-06-08 - Ge hegget me hier wir is begaoid...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1980-02-15 - Toen ge t vleeje week mee t karnevalsbal zôô begaoid had...
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - Hij hee hil wè te verstouwe mar hij begaait t nogal is.
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1966-07-13 - Hij heeget t toch wir begaoît; assie vandaog wir iets goed doet, isset dn irste keer
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; t Draaihèùs, 2009 - èn paast er vur op dègget nie gaot begaoie.
- Piet van Beers; With Love; t Maag wir lente worre, 1982-1987 t Is nou te hope dè t weer/ tnie te veul gao begaoie/ Dan kan ik wir zo zuutjesaon/ den hof mee om gaon spaoie.
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... - maart 2013
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013
- J.M. Van der Donck; Mooi Truike; in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882 - Op t lest begaoide ie den boel zoo êrg, dè Driek () t nie laanger kon ùthaauwe.
- Brabantius, 1884; Onze Volkstaal, 1882; Woordenlijst der Noord-Brabantsche Volkstaal - begaojen, mishandelen, leelijk toetakelen, er slecht doen uitzien
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - maken, miskleunen, begaden, begaaien
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - begaden
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - begaoje - bevuilen, tekeer gaan
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bega(d)en, begaaien - bevuilen, besmeuren, bemorsen, bederven, schenden
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 begaden het (begaoje)
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Begaden - bevuilen, besmetten
- WBD III.1.4:340 begaden - het lelijk laten liggen
- WBD III.4.4:320 begaden - bevuilen
begèèfèèchtegnaam
misselijk
begèèrewerkwoord
begeren
begènkeniszelfstandig naamwoord
heel gedoe, zware opgave, moeite, werk De oorsprong is echter (conform Van Dale) de grote inspanning die een bedevaart vereist, of ook wel een processie.
- Informant Toine Raaijmakers - Daor zulde veul begènkenis meej krèège.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-02-09 - ..t Is me n hil begenkenis...
- Pierre van Beek; Typisch Tilburgs, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1958-01-10 t Is me n hil begengkenis. t Is een tobberij; moeizaam werk.
- Anoniem; Typisch Tilburgse uitdrukkingen, Nieuwe Tilburgsche Courant; 1958-01-10 - t Is un begengkenis - Het is een tobberij, een moeilijkheid.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 ook begankenis
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - begènkenis 't waas 'n hil begènkenis; drukte
- WNT - van begang; een der stammen van begaan + nis; het begaan, dat is het bezoeken van eene plaats; het volbrengen, verrichten van een handeling, en wel kerkelijke; in bijzonder gebruik: begrafenis, bedevaart
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - begankenis - drukte, gedoe - t is n hil begankenis, ook begenkenis
- Brabantius, 1884; Woordenlijst der Noord-Brabantsche Volkstaal, 1882 begenkenis, bedevaart; in het oosten: drukte, feestelijkheid
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - begankenis - bedevaart of toeloop van bedevaarders op n bepaalde dag
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - begenkenis, begankenis, drukte, beweging - vuil (veul) begänkenis maoken op niks
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 begankenis, begènkenis - heel gedoe, omslachtige aangelegenheid, persecutie.
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - begankenis - begrafenis, bedevaart
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - begankenis.
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - begenkenis, begankenis
begèrbeleurewerkwoord
verwaarlozen, bederven, beschadigen begèrveleure - begèrveleurde - begèrveleurd De etymologie is onzeker; mogelijk verbastering van het Franse guère de valeur; niet veel waarde hebben
begèrregnaam
begerig
begienzelfstandig naamwoord
begin
begienewerkwoord
beginnen begiene - begos(se) - begonne
1. infinitief en tegenwoordige tijd
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 59, 1968-09-07 - Een Alphense boer vertelde ons over de verovering van Alphen tijdens de laatste oorlog. In het heetst van het gevecht bij zijn huis tussen de Duitsers en de Polen begon zijn vrouw te kraoken. Uit het verhaal konden we afleiden, dat hij bedoelde, dat de barensweeën in letterlijke zin waren begonnen. Zie hieronder bij Hoeufft!
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? Hoe laot begient?
- Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 t Begient mee ne Proloog
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945-05-18 - En naa zon ze in eenen keer zóó begiene!
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1970-10-23 - Meej n schôôn laai gaok begiene
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-01-22 - Ak mèèrege iets nuus begien... - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-08-24 - Hij zit daor as unne ezel tussen twee bèèrege hooi... Waor zal ie naa t irst aon begiene?
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, 2007 - s Aovens onder et eete wiesse te vertelle dèk s maondags om 9 uur op et ketoor van de Tilburgse Courant as lôopjongen kos begiene.
- Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 1994 - ik dènk dèt oover en uurke begient te rèègene
- Gieleke (waarschijnlijk pseudoniem van Michel van de Ven (Lechim)); ongedateerd knipsel uit onbekende bron, circa 1960-1980 - Mar kom allee, doe goed oew bist!/ Begient mee goed te willen...
- Gieleke (waarschijnlijk pseudoniem van Michel van de Ven (Lechim)); ongedateerd knipsel uit onbekende bron, circa 1960-1980 - Allemol deeje ze d'r bist/ D'n beker te verdienen/ Mar kossen tegen Willem II/ Ten liste niks begienen.
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - et begint (korte ie) te klèppe vur dirste mis
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 lemma beginnen - heet hier van de vrouwen 'jamjam instantis partus signa dare [zodra er tekenen zijn dat de bevalling begint; vergelijk Van Beek, hierboven].
- WBD III.1.2: 4 beginnen - op gang komen
- WBD III.1.4:315 - vanher beginnen - opnieuw beginnen
2. verleden en voltooide tijd begos(se); hiernaast ook de vormen begon en begonne
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - Ge had al gelaïk, vurge begont. Je had al gelijk, voor je begon.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven 1956-07-07 - Mar as ik kôs... begôs ik nog eens...! - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven 1957-07-27 - Gin wonder dè diejen bond daor begôs
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel, feuilleton in 4 afleveringen; NTC, 1939-05-20 - 1939-06-17 - ...en toen begossen al de heeren rondjes te geven... - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 2; NTC, 1938-10-08 - ...en ie sloeg op de taofel detter de borreltjes van begosse te daanse...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 3; NTC, 1938-10-15 - ...de heeren gongen dan naor d'r kaomers en de naacht begos.
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 11; NTC 1938-12-10 - Toen begos et! - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Bad Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; NTC 1938-12-31 - 1939-02-18 - ...en 't begos me toch te regene...
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - toen ik wè begos te wènne..
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer, Asperges me, 2009 - Boove op 't koor zonge de heere/ saome meej 't allergrotst gemak./ Die hadde vur dèsse begosse/ soms al gepruufd van de kejak.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - begost - 2e en 3e hoofdvorm van beginnen
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - kwòsse begòsse
- WNT - ook: begonde en begonste, begost, begoest, met deelwoord: begonst, begost, begoest.
begòzziedraogerzelfstandig naamwoord
bagagedrager (van rijwiel), pakkendrager
begraovewerkwoord
begraven begraove - begroef begraove; geen vocaalkrimping
begrèèpewerkwoord
begrijpen begrèèpe - begrêep - begreepe in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij begrèpt
begròffeniszelfstandig naamwoord
begrafenis
begrôoteleknaam
te kostelijk
begulzegnaam
gulzig
behaandelewerkwoord
behandelen behaandele - behaandelde behaandeld; geen vocaalkrimping
behaawewerkwoord
1. behouden
2. drachtig zijn van dieren
bèhaawewerkwoord
haaw bè - hiel bè/hiel baaj - bègehaawe bijhouden
behangewerkwoord
behangen behange behong - behange
behaogezelfstandig naamwoord
behagen, in goeden doen
behèèmeldbijwoord
beheimeld (verouderd voor geheimzinnig)
behèmdbijwoord
geheimzinnig (van gehèèm?)
beheurlekbijwoord
behoorlijk
behipperewerkwoord
langzaam van een ziekte herstellen behippere behipperde - behipperd
beitelzelfstandig naamwoord
beitel
bekaampegnaam
wedijverig, jaloers; uit kampen
Koffiemok. Foto: CuBra/WTT/Brabants 2021
bekaan(s)tbijwoord
bekaanstbijwoord
bijna, bijkans
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-04-03 - Zô wè van mn eigen, bekaant de sigaar.... - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-07-05 - Ik heb er naa bekaant al tien...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 05 09 - Naa ziede daor bekaant gin meens. - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-11-27 - Bekaant unne plezaante klaant... - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1975-01-16 Is ie al dreug? Bekaant, zo af en toe verliest ie nog wel is wè. (gehoord over n kind dat pas loopt en praat)
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-04-12 - Is ie al dreug, Drieka..? Bekaant, Miena.. Af en toe verliest ons broekpoeperke nog wel is wè...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-10-03 - Ze stond er zôô breed bij mee dr braoi dewwer bekaant mee gedrieje aachter kosse...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - bekaant aflèggesgerêed - stervende
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Visse, 2009 t Is bekaanst 'n jaor geleeje/ dè menne maot is overleeje./ Ik denk daor steeds opnuu wir aon/ Ak m'n vistèùg in de schuur zie staon.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Opeens schrokken we ons èège kepot van enne knal, we gingen bekaant zelf de lucht in.
- Tillie B. (pseudoniem van Nicole de Jong); website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - ...ik geleuf dè alleman ont klòttere waar, et waar ommers bekaant Siendereklaos.
- Tillie B. (pseudoniem van Nicole de Jong); website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - Teegesworreg kan bekaant alles.
- WNT - bijkans - bekans, bijkant, bekant
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bekant - bijna
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 - bekant., bijkans, bijna - nog nie bekant - op geen stukken na.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bekant bijna (Zie WNT bijkans)
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bekan, bekanst, bekant - bijkans, bijna
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - bekant - bijna


bekaantbijwoord
bijna, bijkans
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-04-03 - Zô wè van mn eigen, bekaant de sigaar.... - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-07-05 - Ik heb er naa bekaant al tien...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 05 09 - Naa ziede daor bekaant gin meens. - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-11-27 - Bekaant unne plezaante klaant... - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1975-01-16 Is ie al dreug? Bekaant, zo af en toe verliest ie nog wel is wè. (gehoord over n kind dat pas loopt en praat)
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-04-12 - Is ie al dreug, Drieka..? Bekaant, Miena.. Af en toe verliest ons broekpoeperke nog wel is wè...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-10-03 - Ze stond er zôô breed bij mee dr braoi dewwer bekaant mee gedrieje aachter kosse...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - bekaant aflèggesgerêed - stervende
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Visse, 2009 t Is bekaanst 'n jaor geleeje/ dè menne maot is overleeje./ Ik denk daor steeds opnuu wir aon/ Ak m'n vistèùg in de schuur zie staon.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Opeens schrokken we ons èège kepot van enne knal, we gingen bekaant zelf de lucht in.
- Tillie B. (pseudoniem van Nicole de Jong); website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - ...ik geleuf dè alleman ont klòttere waar, et waar ommers bekaant Siendereklaos.
- Tillie B. (pseudoniem van Nicole de Jong); website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - Teegesworreg kan bekaant alles.
- WNT - bijkans - bekans, bijkant, bekant
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bekant - bijna
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 - bekant., bijkans, bijna - nog nie bekant - op geen stukken na.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bekant bijna (Zie WNT bijkans)
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bekan, bekanst, bekant - bijkans, bijna
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - bekant - bijna


bekaarenaam
elkaar
bekèèkewerkwoord
bekijken bekèèke - bekêek - bekeeke in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij bekèkt
bekèkszelfstandig naamwoord
bekijks, belangstelling
bekènnewerkwoord
geen weg meer weten, niets herkennen
bekètzelfstandig naamwoord
boeket, tuiltje
Tijs Dorenbosch - vignet uit De Mus en D'n örgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)
bèkkerzelfstandig naamwoord
bakker
zelfstandig naamwoord
bèkkerskèèrzelfstandig naamwoord
bakkerskar
bèkkesezelfstandig naamwoord
bekkens (muziekinstrument)
bekla(n)sjeneerewerkwoord
uitvoerig bespreken, beredeneren beklansjeneere - beklansjeneerde - beklansjeneerd van het Frans collationner
bekoevreerewerkwoord
herstellen
bekoomewerkwoord
bekomen, in een beters toestand geraken; passen bij iets of iemand bekoome - bekwaam - bekoome in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij bekomt
bekoorewerkwoord
bekoren vocaalkrimping in tegenwoordige tijd; gij/hij bekort
bèkskezelfstandig naamwoord
bak(je) in diverse betekenissen 1. in de uitdrukking ...halven bak - van het zelfstandig naamwoord bak in de betekenis het bakken ofwel baksel; met half wordt niet geheel, dus halfbakken, bedoeld
2. voederbak
3. Kom, kop, bak om uit te drinken, maar ook ieder komvormig voorwerp waaruit koffie of thee wordt gedronken.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - en lékker bakske kòffie
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ze gaven schôon schilderijkes, un wijwaotersbekske of un lievevrouwebildje.
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel; NTC 1939-02-25 - 1939-04-18 - Daor is naa eenmaol niks aon te doen, we zullen er mar n bekske troost op drinke.
- Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Toen dn oudste terug kwam mee de boodschap dat vrouw Sjaane al onderweg was zette Sjareltje al vast mar koffie want ze zou eerst wel n bakske lusten.
- Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Maar allee... we zullen eens gaan kijken of de vrouw de koffie al klaar heeft, gij lust toch zeker ok wel n bakske
- Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Het vrouwvollek lust onderwijl wel n bakske koffie.
- A.J.A.C. van Delft; Van vroeger dagen, van vrijen en trouwen; NTC, 1929-11-30-30 - Na de Mis gebruikte die dan bij haar de koffie, soms kwamen meerdere buurvrouwen op een bakske.
- A.J.A.C. van Delft; Van vroeger dagen, folklore en ambacht; NTC, 1930-02-01 - n Buurvrouw komt tegen half elf een bakske doen, dat wil zeggen zij komt een tas koffie slurpen met een bestel (soort beschuit) en suiker onderwijl de nieuwtjes der buurtgenoten te releveeren of kwaad...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, nr. 66; NTC, 1968-11-04 - Een half elfke is het bakske koffie, dat buurvrouwen des morgens om half elf plegen te drinken.
- Cees Robben; Prent van de Week, 1958-02-01 - Dan maolt ze dn koffie.. en zet unne bak...
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 Bèkske n lèkker bèkske koffie
- Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 en 2002 - bèkske - kop met oor, in tegenstelling tot kumke
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Men zegt hier wel een bakje thee drinken onder den burgerstand...
- WNT bak kopje; in de volkstaal van verschillende streken
- WBD III.2.1:l86 - bakske kopje; ook genoemd: kom, kumke of tas
- WBD III.2.3:40 bakske - de maaltijd in de namiddag (de warme maaltijd werd vaak gebruikt na het middaguur; de broodmaaltijd aan het eind van de middag (werkdag)) werd vaak aangeduid als koffiedrinken
4. grap
5. bak - doosvormig voorwerp
zelfstandig naamwoord
2. zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van bak bakje; kopje koffie - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-02-13 - Luste ôôk n bekske leut... koffie lut... - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-02-01 - Zon bekske doe deugd
bekullewerkwoord
treuren de etymologie is onbekend
bekwaomnaam
bekwaam; in staat (tot iets); nuchter; rijp (volgroeid)
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 [gehoord van een volkstuinder] Munne rooie kôôl groeit de buurt in, munne spinaozie stao vol ruigt en mun peekes zèn nog nie bekwaom.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ge zèèt nòg nie bekwaom om meej de gèèt nòr den bok te gaon
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-09-18 - Mun peekes zèn nog nie bekwaom... [ongetwijfeld met een ondertoon die symbolisch is voor voortplanting]
- Frans van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Alleen mistetèèd zèèk niemer bekwaom om nòr et twidde keffeej te gaon.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bekwaom - bekwaam, in staat
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 bekwaam, bekwaom deskundig; rijp, genoeg gegroeid om voor een bepaald doel gebruikt te worden (gegeten, geslacht of gedekt)
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bekwaam, in staat, geschikt.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bekwaam, veur alles bekwaam zijn - zeer te mistrouwen zijn; geschikt om verkocht, geslacht, geplukt, geoogst enzovoorts te worden.
- WBD III.1.2:182 - bekwaam - gezond
- WBD III.2.2:46 bekwaam - meerderjarig
- WBD - geslachtsrijp (van koeien)
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
bekwèèkewerkwoord
bekwijken, beroepen, beschreeuwen bekwèèke - bekwêek - bekweeke in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij bekwèkt
belaastingzelfstandig naamwoord
belasting
belaojtòffeldnaam
belatafeld, bedonderd
belaojtòffelewerkwoord
voor de gek houden
bèlappewerkwoord
bijlappen, bijbetalen
bèljaatussenwerpsel
welja
beljèrtzelfstandig naamwoord
biljarttafel; verbastering van Frans billard
zelfstandig naamwoord
biljart
beljèrtewerkwoord
biljart spelen
bèlklèèverzelfstandig naamwoord
steenklaver
bèllewerkwoord
bellen; afscheiding geven uit de schede (van koeien)
Bloemen van de bellenboom - fuchsia hybrida
bèllenbôomzelfstandig naamwoord
fuchsia (fuchsia hybrida)
bèlnêetussenwerpsel
wel nee!
belonzelfstandig naamwoord
ballon
Bèlsnaam
Belgisch; België; Belg 1.1 zelfstandig naamwoord; België, soms onzijdig
zelfstandig naamwoord
[Van den Aker doelt op verdachten in de zaak rond de moord op Marietje Kessels in 1900-1902]
naam
1.3. zelfstandig naamwoord; een Belgisch trekpaard
Het Bèls lijntje
Einde van het fietspad Bèls Lijntje bij centraal station Tilburg. Foto CuBra 2019.
Nieuwe Tilburgsche Courant 22-6-1928
2.1. Bèls spoor in plaats van Bèls lijntje
zelfstandig naamwoord
Nieuwe Tilurgsche Courant 7-12-1940 3. Tilburgse bijnamen
bèltjezelfstandig naamwoord
mannelijk/vrouwelijk maar ook aangetroffen als onzijdig bijl
zelfstandig naamwoord
bijltje
belulzelfstandig naamwoord
bèlzenaam
Belgisch; België; Belg 1.1 zelfstandig naamwoord; België, soms onzijdig
zelfstandig naamwoord
[Van den Aker doelt op verdachten in de zaak rond de moord op Marietje Kessels in 1900-1902]
naam
1.3. zelfstandig naamwoord; een Belgisch trekpaard
Het Bèls lijntje
Einde van het fietspad Bèls Lijntje bij centraal station Tilburg. Foto CuBra 2019.
Nieuwe Tilburgsche Courant 22-6-1928
2.1. Bèls spoor in plaats van Bèls lijntje
zelfstandig naamwoord
Nieuwe Tilurgsche Courant 7-12-1940 3. Tilburgse bijnamen
bèmsamentrekking
bemissewerkwoord
bemesten Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2016 - Dörom ginge wij ok höskesmis haole, zimme vruuger, öt weejseejs haole int stad. Höskesmis om de weilande èn alles te bemisse èn as we gruun moese zaaje!
bèmmelewerkwoord
loshangen, bengelen, bungelen
bemoejewerkwoord
bemoeien
Trottoirtegels met opgespoten tekst in een bushalte op de Heuvelring. Waarschijnlijk een tekst ter promotie van de fabrikant. Foto: CuBra 2018
bèndesamentrekking
ben je
bèndjezelfstandig naamwoord
band, bandje 1. fietsband Tekening: - Cees Robben; uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946
2. termen uit de industrie en ambachten
3. anatomie (dieren)
4. lopende band
4. overige betekenissen
beneejbijwoord
beneden
naam
b eneujd waarschijnlijk uit 'benodigd' iets nodig hebben
Bordje op een rustbank aan het Wilhelminakanaal; Tilburg-Noord, Foto: CuBra 2018
beneejebijwoord
beneden
naam
b eneujd waarschijnlijk uit 'benodigd' iets nodig hebben
Bordje op een rustbank aan het Wilhelminakanaal; Tilburg-Noord, Foto: CuBra 2018
bèngskezelfstandig naamwoord
bankje meestal geschreven als bènkske
bènnekezelfstandig naamwoord
bennetje, mandje
benuudnaam
benieuwd
benuutnaam
benieuwd
benuuwdnaam
benieuwd
bepaolewerkwoord
bepalen, vaststellen bepaole - bepòlde - bepòld ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij bepòlt
bèpèèrewerkwoord
bijperen, afranselen, afslaan
bepòldbijwoord
bepaald
beraojewerkwoord
beraomewerkwoord
beramen
bèrbierzelfstandig naamwoord
barbier
bèrdzelfstandig naamwoord
plank, schot (van een kruiwagen)
Berdaonaam
Breda
Berdaosnaam
Breda's, uit Breda
Berdòssewègnaam
Bredaseweg in Tilburg
berèèkewerkwoord
bereiken berèèke - berèkte - berèkt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij berèkt
Bèrndèèknaam
buurt in Tilburg; (de) Berkdijk ook uitgebreid tot de straatnaam aldaar; Bèrndè(è)ksetraot
beroerdeghèdzelfstandig naamwoord
narigheid meervoud beroerdegheeje
beroozelfstandig naamwoord
bureau, kantoor; meer in het bijzonder het voormalige politiebureau van Tilburg aan de Bisschop Zwijsenstraat
beroowzelfstandig naamwoord
bureau, kantoor; meer in het bijzonder het voormalige politiebureau van Tilburg aan de Bisschop Zwijsenstraat
zelfstandig naamwoord
bureau; in het bijzonder het politiebureau
bèrputzelfstandig naamwoord
bèrrebierzelfstandig naamwoord
barbier
Bèrrendèèknaam
buurt in Tilburg; (de) Berkdijk ook uitgebreid tot de straatnaam aldaar; Bèrndè(è)ksetraot
bèrrevoeterzelfstandig naamwoord
capucijn; kloosterorde binnen de franciscanen waarvan de paters blootsvoets op sandalen lopen
bèrrevoetsbijwoord
barrevoets; ook: kaal
bèrstzelfstandig naamwoord
barst, scheur
bèrstewerkwoord
bersten
BerthaUit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
bèrziezelfstandig naamwoord
massa, boel, hoop
- Ed Schilders; WTT - Mogelijk uit het Franse berge; oever, berm, (hoge) schuit
- Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - Der laage tòch en bèrzie aaw spèèkers - Er lagen toch een boel oude spijkers
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? n heel berzie fleschkes odeur
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? n heele berzie wilde vrammessen; n heel berzie collectanten
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - berzie - ze kwaamen mee n hil bersie (aantal)
- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1990 - un berzie sperzie [-bonen]
- Piet van Beers; Het zeventiende boekje, 2010; Kerstverhaal, 2009 - Mar toen kwaame der en bèrzie engeltjes èn die zonge der op los.
- Cursus in Tilburgs; rubriek met dialectische uitspraken in weekblad Groot Tilburg; datum onbekend (tussen 1939 en 1946) - Siendereklaos hee wir n berzie gereje
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bèrzie - grote hoop, troep
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 berzie; uit Frans berge - schuit; van grote hoeveelheid n hil berzie; ook: wanorde, chaos, rommel.
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - localiseert bèrzie in Wagenberg en Tongelre (West- en Oost-Brabant); Tilburg wordt niet genoemd.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 berzie - menigte, hoop, troep; n heel bärzie (kinderen appels, centen...)
- Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 en 2002 - berzie - grote hoeveelheid, rotzooi, wanorde, bende
- WBD III.4:260 berzie - grote hoeveelheid
- WNT berzie, ook barzie - Een woord dat in de spreektaal van veel gewesten zeer gewoon is, hetzij in den zin van ongeordende wilde troep van koeien, van kinderen, van gemeen volk, hetzij in dien van ongeordende boel, rommel, of ook in dien van drukte, herrie

bescha(a)ndeliezeerewerkwoord
beschadigen, schenden; waarschijnlijk onder invloed van schandaal
beschaajewerkwoord
bescheiden, in de betekenis beslissen
In Tilburg ook gebruikt in verkorte vorm: schaaje
naam
Elders in Brabant niet met aa-klank maar met scherpe e of ei-klank
bescheiden
beschaffewerkwoord
beschaodegewerkwoord
beschadigen
beschaojegewerkwoord
beschadigen
beschèèremewerkwoord
beschermen
bescheetenaam
bescheten, ongewenst zwanger
Nieuwe Tilburgsche Coourant 27 juli 1944
beschèùtzelfstandig naamwoord
beschuit
bèschietewerkwoord
bijschieten, opschieten bèschiete - schôot bij - bijgeschoote
beschietewerkwoord
beschiete - beschôot - beschoote iets betekenen, van belang zijn (gewoonlijk negatief gebruikt)
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 135, het Nieuwsblad van het Zuiden 1971-10-28 - Het bekende "Alle beetjes helpen" kan men bij ons horen vertalen met: "Het beschiet er wel niet aan, maar het helpt altijd". Het werkwoord "beschieten" is gewestelijke taal en betekent waarde hebben, helpen of betekenen.
- Pierre van Beek; het Nieuwsblad van het Zuiden, Tilburgse Taalplastiek, aflevering 143, 1971-12-30 "Die ene gulden, die ik nog in mijn zak heb, beschiet er nie aon", zei de cafébezoeker tot de waard, die hem er aan herinnerde, dat hij nog voor dertig piek "op de lat" stond. "Niet beschieten aan" betekent: niet de moeite lonen of niets te betekenen hebben. In Tilburg wordt "beschieten" altijd met het voorzetsel "aan" gebruikt. Van Dale geeft het, als gewestelijke taal, zonder dit voorzetsel. Bv. "Dat beschiet niet veel" in de betekenis van: heeft weinig waarde of helpt niet. In Tilburgse oren klinkt het achterwege laten van het voorzetsel vreemd.
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - de kender wasen beschiet er nie aon
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2007-01-31 2010-05-12 - Schaajt er mar meej èùt, dè beschiet er tòch nie mir aon - hou er maar mee op, dat helpt toch niet meer
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - beschiete - ertoe bijdragen
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - beschiete(n) - beschieten, helpen, baten; Dä beschiet nog is wa! (bijvoorbeeld bij een flinke gift bij een kollekte).
- WNT beschieten - een zeker belang hebben, iets beteekenen; thans in onbruik
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 beschieten. In Van Dale o.a. waarde hebben, helpen; in WNT voordeel opleveren Vooral in de uitdrukking dè beschiet er nie aon; dat maakt op een zo grote hoeveelheid geen merkbaar positief verschil, gezien de omvang van het werk in zijn geheel is deze concrete inspanning of bijdrage van geen werkelijke betekenis.
beschòmdnaam
beschaamd
beschötjezelfstandig naamwoord
beschuit
beschrèèvewerkwoord
inhouden, inhebben; van belang zijn beschrèève - beschrêef - beschreeve; geen vocaalkrimping
besèèpelewerkwoord
besjòkkebijwoord
mesjogge
besjonkelewerkwoord
beslagzelfstandig naamwoord
1.deeg voor pannenkoeken
2. beroerte
3. In de bakkerij: aangemengd meel om te bakken
4. In de brouwerij
5. Andere betekenissen
beslaonwerkwoord
beslaan beslaon besloeg - beslaoge
beslèèchtewerkwoord
overeenkomst vertonen met; uiterlijk lijken op niet anders opgetekend dan als infinitief en tweede of derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd
overdrachtelijk
overdrachtelijk - Rommelèère vink
werkwoord
overdrachtelijk Leytens vink
besnietewerkwoord
bezuren, opdraaien voor alleen de infinitief komt voor, meestal gepaard met moete
besnòtnaam
besnutzelfstandig naamwoord
deel, part
besoeniejewerkwoord
druk bezig zijn
besonjezelfstandig naamwoord
het Franse 'besogne'
bèstbijwoord
best superlatief van goed in het Tilburgs is bist meer gangbaar
bestaonwerkwoord
bestaan bestaon - beston(d) - bestaon
besteejewerkwoord
besteden
bestèlzelfstandig naamwoord
benaming voor broodsoort of koek Ed Schilders; WTT 2012 samenhang
- bestèl is vaak synoniem van mastel
- de grondvorm lijkt het Oudfranse mesteil te zijn, dat van oorsprong brood gebakken van tarwe en rogge is (Zie Baumgartner, Dictionnaire Etymologique, 1996)
- in het Nederlands was de naam voor dit brood masteluin
- dergelijk brood verdwijnt in de 19de eeuw uit het consumptiepatroon
- ondertussen zijn bestel en mastel in gebruik geraakt voor koekjesachtige producten
- soms wordt de mastel/ bestel dan gelijkgeschakeld met krakeling
- in Vlaanderen is de broodvorm langer in gebruik gebleven, maar niet noodzakelijk als een mengeling van tarwe en rogge
- in Vlaanderen is mastel opgetekend als hubertusbroodje
- mastel/ bestel als koekproduct stond ook bekend met smaakgevende ingrediënten, waaronder anijs
- in die samenstelling bekend als tractatie bij gezinsuitbreiding (vergelijk beschuit met muisjes)
- daarnaast is het koekje gebruikt als ingrediënt voor eenvoudige pap
- in die samenstelling is er verwantschap met luiwèèvepap en mogelijk ook lammetjespap in een oneigenlijke betekenis
- in de schaarse Tilburgse bronnen wordt het baksel benoemd als beschuit
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect (1916) - bestellen - groote ronde beschuiten (mastellen)
- A.J.A.C. van Delft; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-12-05 - Nou k daorvan spreek, schiete me ineens ok weer de keukenbeschuit van vroeger jaoren te binne () Bestellen hadden ongeveer den vorm van een cadetje en werden hard gebakken met anijszaadjes erin. Het was een gekruid masteluinbroodje, en werd inzonder gebruikt om er pap voor kraamvrouwen en kinderen van te koken.
bestèldnaam
van bestellen, op zijn plaats zijn, komen, brengen
bestèùtewerkwoord
roemen, prijzen, pochen op bestèùte - bestôot - bestôote vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bestöt
- Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - Ze bestöt der dòchter vusteveul. - Ze roemt haar dochter veel te veel.
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - hij wier nog bestooten ook - geloofd, geprezen
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Bestuite doe ons vrouw mèn nie gemak want dan wor ik overmoedig zeese...
- Piet Heerkens; De Kinkenduut; Mn bruurke, 1941 - Boerkens uit den buiten,/ heerkens van et laand/ zullen ons bestuiten/ om den aawen traant.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-04-14 - [dirigent over een stem in zijn zangkoor...] Anna Nuyten (...) daor kossie nie van stuiten...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1974-10-11 - Ik heb n goei vrouw... En ik bestuit ze overal...
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2005-10-08 - Ge moet et nie zo bestèùte, daor wòrt ie mar grotseg van - Je moet hem niet zo (overdreven) prijzen; daar wordt hij maar verwaand van
- WBD III.1.4:429 - bestuiten, stuiten prijzen, loven
- WBD III.1.4:193 - bestuiten - zijn tevredenheid betuigen
- WNT bestuiten - iemand of iets ophemelen, prijzen, gunstig er over spreken (in zuidelijke gewesten).
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bestùite - prijzen, loven
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 bestuiten - prijzen, loven van iets of iemand goedspreken.
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 bestuiten; iemand bestuiten - voordeelig van iemand spreken.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bestèùte(n) bestuiten; prijzen, loven
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bestuiten - bestoefen, grootelijks loven en prijzen, voordelig van iemand of iets spreken.
- Hans Heestermans; Witte nog?, 1988-1994 bestèùte
In de bijzondere betekenis: naar het varken komen kijken (vlak voor of kort na de slacht) om het te prijzen
bestèùverewerkwoord
betalen; afleiding van geldstuk stuiver
bestrèùvewerkwoord
verwennen, behagen bestrèùve - bestrèùfde - bestrèùfd geen vocaalkrimping
betaolewerkwoord
betalen betaole - betòlde - betòld vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij betòlt.
werkwoord
zelfstandig naamwoord
petat frut, petatte frut patatfriet
betaomewerkwoord
betamen
ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; et betòmt
betèdsbijwoord
bijtijds
betêekenewerkwoord
betekenen
beteulewerkwoord
betelen, veldvruchten telen, bebouwen van grond beteule - betulde betuld ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij betult
betienezelfstandig naamwoord
lage laars, laarsje; uit Frans bottine, laarsje o ok meervoud petienesen
Voor het woordbegin vergelijk Landheer; petienen - ouderwetse schoenen die van boven met een klep sloten
betieneszelfstandig naamwoord
lage laars, laarsje; uit Frans bottine, laarsje o ok meervoud petienesen
Voor het woordbegin vergelijk Landheer; petienen - ouderwetse schoenen die van boven met een klep sloten
betijjewerkwoord
zijn gang laten gaan vrijwel uitsluitend als infinitief gebruikt in de uitdrukking iemand of iets laten betijen
betjoegdnaam
bij de hand
bètjoeoebijt hij je - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-05-28 - [Naar aanleiding van een Britse dag in Tilburg] Engelsman vraagt aan Tilburger met een hond: Does he like meat fadder? Tilburger: Jè, Jèss.. en subiet bètjoeoe...
betwèffelewerkwoord
betwijfelen betwèffele - betwèffelde betwèffeld
bèùgewerkwoord
buigen bèùge - bôog gebooge in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping
beugelbaonzelfstandig naamwoord
baan waarop de beugelsport bedreven wordt
beugelewerkwoord
de beugelsport beoefenen
bèùkzelfstandig naamwoord
buik, dikke buik
bèùklôopzelfstandig naamwoord
buikloop
bèùknaovelzelfstandig naamwoord
navel
bèùkzuutnaam
buikzoet; overrijp, beurs; gezegd van vruchten en met name van peren; soms ook rot en wormstekig
zelfstandig naamwoord
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
bèùlzelfstandig naamwoord
papieren zak, buil
Ferry van de Zaande-sticker -2013
bêûlzelfstandig naamwoord
beul
beumewerkwoord
bomen (textielindustrie) verleden tijd bumde; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: bumt
beumerzelfstandig naamwoord
bomer
beurzelfstandig naamwoord
loon; het bedrag dat een arbeider gebeurd heeft
beurewerkwoord
in ontvangst nemen beure - beurde - gebeurd (geen vocaalkrimping)
bèùsbij woord buis; dronken
bèùtezelfstandig naamwoord
buitenverblijf, buitenaf; de buitenkant van een woning (stoep, ramen, tuintje)
Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 buiten; hij is van den buiten - ... van het platteland; op den buiten wonen op een buitengoed...
bijwoord
buiten
bèùtemòppewerkwoord
de laan uitsturen, naar buiten werken, hardhandig verwijderen
bèùtenböksbijwoord
buitenbuiks; overdadig; zoveel eten dat de buik opzwelt en last bezorgt
bèùterêepewerkwoord
buitenzetten (van personen) bèùterêepe - ripte bèùte bèùtegeript (scheidbaar) met vocaalkrimping, ook in de tegenwoordige tijd; hij ript bèùte
bèùteshèùsbijwoord
buitenshuis
bèùtestuuperewerkwoord
bèùtewèèkerzelfstandig naamwoord
buitenwijker, namelijk een politiefunctionaris of veldwachter
bèùtewèèverzelfstandig naamwoord
buitenwever, thuiswever
bèùzewerkwoord
veel en smakelijk eten, schrokken bèùze - bèùsde - gebèùsd (geen vocaalkrimping)
bèùzerdzelfstandig naamwoord
buizerd; roofvogelsoort (buteo)
bevangenaam
bevangen, beklemmen; benauwen van de adem of de borst
bevaorbaornaam
bevaarbaar
beveelewerkwoord
bevelen
bevobbeldbijwoord
bijvoorbeeld
bevurbildbijwoord
bijvoorbeeld
bewaokewerkwoord
bewaken bewaoke - bewòkte bewòkt; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping
bewaorewerkwoord
bewaren
beweegewerkwoord
bewegen
bewèèrewerkwoord
beweren
bewèèzewerkwoord
bewijzen
bezaajegnaam
bezèèkewerkwoord
bezèèke - bezêek bezeeke; met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: bezèkt
bezijevoorzetsel
bezijden, naast
bezjoertussenwerpsel
goeiendag, bonjour uit Frans bonjour met gereduceerde vocaal; lange oe
bezjoerderzelfstandig naamwoord
uitgaander, feestvierder
bezoejewerkwoord
bezig zijn, in beweging zijn
bezoeliezelfstandig naamwoord
beslommering(en)
bezoeliejewerkwoord
veel met kleine kinderen optrekken bezoelieje - bezoeliede - bezoelied
bezoeniezelfstandig naamwoord
beslommering(en)
bezonjezelfstandig naamwoord
gedoe, zorgen; uit Frans besogne
bezörgdnaam
bezorgd
bezunderbijwoord
bijzonder
bezuukzelfstandig naamwoord
bezoek
bezuukewerkwoord
bezoeken bezuuke bezòcht bezòcht; korte uu
bezwaaizelfstandig naamwoord
gevaarte, karwei, drukte
bezwitnaam
bezweet vocaalkrimping
biddewerkwoord
1. bidden, een gebed doen; smeken bidde baad gebeeje bidde bidde - gebid
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bidde - baad - gebeeje (ook zwak)
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven 1960-11-11 - En ik baad meej...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 05 27 - Vur de vruchten van t veld / Hee Jaanske ok gebid / Want hil dn ogst stao vul te dreug / Zò gullie ok wel wit.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 62 05 11 - En agge dan goed hèt gebid / Meugde daor scharren kòòpen. [Nl. op de bedevaart naar Sint Job in Enschot.]
- Henriëtte Vunderink; k Zal van oe blèève haawe; Zoas ik et as kèènd beleefde, 2007 - En aaw vrouwke in et zwart,/ dè dè van bèùte kos,/ die bidde veur, tien weesgegroeten...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); t Spook; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-01-03 - En as ik mn aovondgebed nie gebejen ha en mn drie kruiskes nie gemaokt ha veur ik te bed gong, dan hak et er nie leevend afgebraocht.
- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2016 - En as dan gewoon et rôozenhuuke afgelôope was, dan wèrd de littanie gebid èn dan moeste op oew knieje. Dan zaate zôo op, op oew knieje op de bank teege de muur òn te kèèke!
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Daor wier wel elke dag veur de school begon gebid.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, 2007 - Allêen bij ons moeder ha dè bidde niks geholpe, ze waar toch dôod gegaon, dus òn de wèèrde van dè gebid twèffelde ik sindsdien allang. Ons moeder ha nie dôod meuge gaon.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, 2007 - en waarde gij wir van die dôodzonde aaf, agge de penitentie, mistal drie Onze Vaders en drie Weesgegroeten gebid hadt.
- H.A. Sterneberg s.j.; Maonnaacht; Een Busselke Braobaansch, 1932 - Waor bij daag den boer gebeeën/ heej om zegen op den zaoi...
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bidde(n) - bidde gebid; 1. een gebed doen tot God; 2. verzoeken, uitnodigen
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - bidden - bide (bide, gebit)
werkwoord
2. op de uitvaart uitnodigen
WBD III.3.3:318 - het aanzeggen - rouwbrief
werkwoord
3. opzitten
bidhèùszelfstandig naamwoord
bidhuis
bidprèntjezelfstandig naamwoord
gedachtenisprentje, doodsprentje
Tijs Dorenbosch - vignet uit De Mus en D'n örgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)
biezelfstandig naamwoord
bij
M'n biekes zie ik geere gaon van blom toe blom, en aaf en aon toezjoer en toepartoe en vlug de blumkes aaf en weer terug van zoeme zom weerom van blom toe blom.
bieboerzelfstandig naamwoord
imker
biechstuultjeszelfstandig naamwoord
biechtstoeltjes
naam
Tekening: Kees Koster
Boven: een deel van de gasfabriek, begrensd door de Lange Nieuwstraat. De muur van De Biechtstuultjes is dan al geen doorgaand weggetje meer. Onder: de grens van het spoorwegemplacement. Voor details KLIK HIER Afbeelding: Frohawk
biechtstuultjeszelfstandig naamwoord
biechtstoeltjes
naam
Tekening: Kees Koster
Boven: een deel van de gasfabriek, begrensd door de Lange Nieuwstraat. De muur van De Biechtstuultjes is dan al geen doorgaand weggetje meer. Onder: de grens van het spoorwegemplacement. Voor details KLIK HIER Afbeelding: Frohawk
biediefkezelfstandig naamwoord
koolmees (Parus major)
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - biedief - koolmees
- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-20 - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan gaon we veugeltjes zuuken en we vinden veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enz.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-07-08 - ...meej biediefkes
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2010-02-21 - Biediefkes ziede swènters aatij in pòrkes dur den hòf bèùtele - Koolmezen zie je s winters altijd paarsgewijs door de tuin buitelen.
- WBD III.4:1: - biedief - koolmees (parus major)
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - biediefke - koolmees (parus major)
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 biediefken - vogel, vliegenvanger, [Latijnse naam: Muscicapa]
- WNT II, 2565 bij - In sommige samenstellingen schijnt bij de beteekenis te hebben van vlieg, te weten in bieknapper; een vogeltje dat op vliegen aast, ook vliegenpikker geheeten
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Klein vogeltje, door de landlieden aldus genaamd, niet, gelijk van zelf spreekt, omdat het op de bijen, maar op de vliegen aast.
biejezelfstandig naamwoord
bij
M'n biekes zie ik geere gaon van blom toe blom, en aaf en aon toezjoer en toepartoe en vlug de blumkes aaf en weer terug van zoeme zom weerom van blom toe blom.
werkwoord
bieden bieje bôoj / boj - geboje
zelfstandig naamwoord
bojem 1. bodem
- Informant Toine Raaijmakers - Ruure, vrouw Paones, de sèùker is nòr den bójem gezakt... [tegen iemand die in zijn koffie/thee blijft roeren]
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-03-02 - 1940-04-06 - ...mar die boks, daor wilde-n-ie niks van wete, den bojem hing ongeveer toe op zn kuite!
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-08-06 - Is dn bôjem daor zô bist...?
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-10-07 - Vlugge vogel (...) die (...) pieren uit den bôjem trekt...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-03-09 - Dn bojjem scheurt open
- Interview met Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - ge had nie veul sènte, ge kost nie veul ònlègge want ge dòcht akker tweej, drie hèb, dan zit ik op den bojem... èn mènne kastelein, assie oe kènde, dan pofte ie wèl Klik hier voor audiofragment
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 haaw tòch op, hèlleg vat zonder bojem gezegd van iemand die overdreven vroom is
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg; Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 Die pannen van tegesworrig hebben ammel van die dunne bôjems, daor zèn gin goeie pannen te kôop, zizze dan.
- WBD II:l385 - voeringbójem - voeringbodem (van een pet)
- WBD II:2832,2863 - bójem, bojem - bodem van de kruiwagen, respectievelijk van een vat
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - bodem bojem
2. perceel bosgrond
biejekörfzelfstandig naamwoord
bijenkorf
biejeskoopzelfstandig naamwoord
bioscoop
biejeskoopzakkezelfstandig naamwoord
samenstelling uit bioscoop + (broek-)zakken
biekezelfstandig naamwoord
bij
M'n biekes zie ik geere gaon van blom toe blom, en aaf en aon toezjoer en toepartoe en vlug de blumkes aaf en weer terug van zoeme zom weerom van blom toe blom.
biekörfzelfstandig naamwoord
bijenkorf
biemanzelfstandig naamwoord
bijenhouder
bierzelfstandig naamwoord
bier
Hij fiedelde mar van tierelierelier en zaogde rauw kris-kras en ie dronk 'n stevig pötje bier, as 't geen jenever was. Z'n ooge blonken as van glas en gluurden deur 'n kier...... ze dreven, - as 't geen snevel was, - ze dreven rond in bier!
Tekening: - Cees Robben; Prent van de week - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946
bierbòrsezelfstandig naamwoord
stro-afval
bierkezelfstandig naamwoord
biertje
biestzelfstandig naamwoord
biest, eerste melk van een kalfkoe
Biestenoutakkertoponiem Biest-Houtakker
bietebaaweschrik aanjagen - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-09-09 - Den felle wilde wend/ zôô gromt en bietebaauwt
Afbeeldingen uit De Engelbewaarder voor de jongere lezertjes , jaargang 59, 1947-48, door Jan Lutz. Derk Bietebauw betovert een bezoeker.
Bietelsnaam
The Beatles
"De Beatels" waren op bezuuk... Wie is er gek? Ons laand was de verleeje week V ur driekwart van de wès " De Beatels" waren op bezuuk Te zien vur hòòge près. Mee haoren as ne jongen aop En jaskes as 'ne kiel En weet ik wè ammol nog meer Kortom echt imbeciel. Mar jè ze beuren 'r ok veur En echt zon bietje nie Dus èrges zèn ze nie zò gek Want ze doen 't vur de spie. Mar 't publiek dè naor d'r kèkt Hee wel 'n gròòt gebrek Wie vur die jankers geld betaolt Die is hardstikke gek.
bietjezelfstandig naamwoord
beetje
1. zelfstandig naamwoord
bijwoord
Promotiekaartje van website Tilburg.com.
biezewerkwoord
met opgeheven staart rondlopen van koeien bieze - biesde gebiesd; korte ie
biezemòrtelewerkwoord
poepen
bijkeukezelfstandig naamwoord
bijkeuken
bijlèggewerkwoord
bijleggen, goedmaken bijlègge leej bij bijgelee(j)t
bijlichtewerkwoord
bijlichten, iemand de waarheid zeggen (overdrachtelijk)
bijtikkewerkwoord
bijtikken, klappen uitdelen
bikkelewerkwoord
met bikkels spelen; ...speelbotjes
bikkerewerkwoord
bikken, beitelen
bikkesemèntzelfstandig naamwoord
etenswaar, voedsel
Biksnaam
Beeks, van Hilvarenbeek
Biksendèèkzelfstandig naamwoord
Beeksedijk; weg tussen Hilvarenbeek en Goirle
bikskezelfstandig naamwoord
beekje
bilzelfstandig naamwoord
dijbeen; bil
bildegôojewerkwoord
kinderspel
bildekezelfstandig naamwoord
prentje
bildhaawerzelfstandig naamwoord
beeldhouwer
biljèrtewerkwoord
biljart spelen
billewaogezelfstandig naamwoord
te voet
bimkezelfstandig naamwoord
bindermèèlzelfstandig naamwoord
beender(en)meel
binnebijwoord
binnen
binnebraandjezelfstandig naamwoord
binnedeurbijwoord
binnendoor
binnedoenwerkwoord
binnedoen - di/deej binne binnegedaon
binnenbèèrzelfstandig naamwoord
varken met inwendige teelballen
binnesèùsnaam
binnenshuis
binnewèèverzelfstandig naamwoord
Wever die in een fabriek werkt, in tegenstelling tot een hèùswèèver, tèùswèèver, bèùtewèèver, die in het eigen huis zijn getouw heeft.
binnezèèkerzelfstandig naamwoord
binsbijwoord
stante pede, op staande voet, onverwijld = staantepeej
Stòndebêens en botteramke/ want vur kooke is gin tèèd. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vurjaors-trubbel)
bintjezelfstandig naamwoord
been, benen, beenderen, beentje Naast bêene komt ook bêen voor als meervoudsvorm 1. enkelvoud
2. meervoud
3. verkleinwoord
bisjezelfstandig naamwoord
beestje verkleinwoord van bist, met weglating van t
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? bisje
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, april 1945-04-06 - Des naaw eemel den aord van t bisje.
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-04-06 - Inne meensch is t aorig bisje, Karel.
- Informant Toine Raaijmakers - Et Bèls lèntje ister mar en bisje bij (schamper gezegd van iets kleins of onbeduidends)
- Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven 1965-12-17 - As jouwe kòp op en vèèreke stond, zodde dènke dèt bisje ziek was.
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - uit het cluster stj wordt de t verzwegen
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - et bisje - frater Loyola
- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003 - tis er mar en bisje bij - het ene gespreksonderwerp stelt niets voor vergeleken bij het andere.
- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003 - beest -5- Iemand 'n bisje in 'n oor zetten. Iemand een beestje in het oor zetten. Een vrouw zwanger maken. (Zie ook: buik -5-, haan -4-, kam -3-, kneukei, meisje -6-, schort -1-, waterverf.) Tilburg (D) '16
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 beest -5- Iemand 'n bisje in 'n oor zetten. [Iemand zwanger maken]
- WBD III.4.2:228 - beestje - hoofdluis (pediculus capitis); ook genoemd pietje
biskòpzelfstandig naamwoord
bisschop
bisselzelfstandig naamwoord
takkenbezem
bissemewerkwoord
vegen, bezemen
bistzelfstandig naamwoord
beest, beesten
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-11 - ...des gewoonweg tegen de biste aaf!
- Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant; 1959-03-19 - Ge moet niet zo den beest rijden in de betekenis van Ge moet niet zo ondeugend zijn; zo brutaal, zo balorig. Dit zal wel verband houden met de folkloristische gebruiken, die in sommige streken bestonden, om iemand, die zich misdragen had, op een beest (ezel of paard) te schand rond te rijden.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-05 - Hört dè bist toch is te keer gaon...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-05-15 - Daor zwemmen gin vissen en paolingen in,/ Die bisten zijn wel wijzer...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - twaalf boeren èn eenen hond zèn dèrtien biste
- Dialectenquête Kernkamp, 1879 - bist
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bist - beest, koe
- WBD III.1.4:94 beest - beestachtige perspoon
- WBD III.1.4:105 beest - schavuit
- WBD III.1.4:319 - de beest uithangen - zich als een beest gedragen
- WBD III.1.4:320 - de beest spelen - idem
- WBD III.3.1:369 beest - galgenaas
bistezelfstandig naamwoord
beest, beesten
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-11 - ...des gewoonweg tegen de biste aaf!
- Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant; 1959-03-19 - Ge moet niet zo den beest rijden in de betekenis van Ge moet niet zo ondeugend zijn; zo brutaal, zo balorig. Dit zal wel verband houden met de folkloristische gebruiken, die in sommige streken bestonden, om iemand, die zich misdragen had, op een beest (ezel of paard) te schand rond te rijden.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-05 - Hört dè bist toch is te keer gaon...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-05-15 - Daor zwemmen gin vissen en paolingen in,/ Die bisten zijn wel wijzer...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - twaalf boeren èn eenen hond zèn dèrtien biste
- Dialectenquête Kernkamp, 1879 - bist
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bist - beest, koe
- WBD III.1.4:94 beest - beestachtige perspoon
- WBD III.1.4:105 beest - schavuit
- WBD III.1.4:319 - de beest uithangen - zich als een beest gedragen
- WBD III.1.4:320 - de beest spelen - idem
- WBD III.3.1:369 beest - galgenaas
bizzewerkwoord
met opgeheven staart rondlopen van koeien bieze - biesde gebiesd; korte ie
blaajewerkwoord
bladeren; het verzamelen van blad van groente om het te gebruiken als veevoer In deze zwakke vorm voor Tilburg alleen opgetekend in:
naam
In 1867 wordt nog de uitspraak met ao gegeven:
blaasjeszeegezelfstandig naamwoord
naam
Etymologie
Het ritueel
naam
Tilburg
Gilze-Rijen
Kaatsheuvel
De Ochtendridders van de Korenbloemstraat, 2007 Een Tilburgse herinnering - Blasius in de Korenbloemstraat De deur ging open, en ze kwamen binnen. Hij [de pastoor] bromde niets tegen ons, helemaal niks. Hij zag ons niet zitten. Hij was helemaal in de andere wereld. Hij ging midden voor de klas op een stoel zitten, en de misdienaars posteerden zich aan weerszijden van hem, met hun brandende kaarsen. De broeder was met de stille trom naar achter in de klas verdwenen, en stuurde ons zacht fluisterend één voor één naar voren. De eerste, Jan Adriaans, liep naar voren, en wist niet wat de bedoeling was. Hij begreep dat hij de kant van de pastoor uit moest, maar toen hij daar in de buurt kwam, gaf die verder niet thuis. Doorlopen dan maar, moet hij gedacht hebben, met kleine pasjes, dan hoor ik het wel, maar hij hoorde niets. En terwijl hij daar zo op de pastoor aan het aanschuifelen was, wist hij het ook niet meer, en keek hij met een benauwd gezicht over zijn schouder om naar de broeder. Knielen begreep Adriaans heel snel, uit de woeste blik van de broeder, en de hand die hem de grond leek te willen indrukken. Toen hij echter zat, bleef alles stil, en er gebeurde niets. Ook Adriaans bleef zitten, totdat hij het gekuch van de broeder opmerkte, en hij met een half schuin oog naar achteren keek, waar de broeder hem met man en macht verder naar voren leek te willen vegen. Nog dichterbij, begreep Adriaans, en hij kroop op zijn knieën dichter bij de pastoor. Toen hij eenmaal zat waar hij leek te moeten zitten, kruiste meneer pastoor twee kaarsen voor zijn keel, en, zoals ook later bij mij bleek, prevelde deze met gesloten ogen een gebed, en dan amen, en was de volgende aan de beurt. En zo trok hij de hele school door, alle klassen langs. Toen de pastoor vertrokken was, begon de broeder uit te leggen dat het vandaag de dag van de Heilige Blasius was, dat wij zojuist de Blasiuszegen gekregen hadden, en dat Blasius een heilige was die ervoor zorgde dat wij niet zouden stikken in graten, wanneer we vis zaten te eten. Uit: Kroniek van de Kempen 1994; tekenaar niet vermeld. blad
blaawblauw
► _blaauw0" href="#blauw">
blaaziejuszeegezelfstandig naamwoord
naam
Etymologie
Het ritueel
naam
Tilburg
Gilze-Rijen
Kaatsheuvel
De Ochtendridders van de Korenbloemstraat, 2007 Een Tilburgse herinnering - Blasius in de Korenbloemstraat De deur ging open, en ze kwamen binnen. Hij [de pastoor] bromde niets tegen ons, helemaal niks. Hij zag ons niet zitten. Hij was helemaal in de andere wereld. Hij ging midden voor de klas op een stoel zitten, en de misdienaars posteerden zich aan weerszijden van hem, met hun brandende kaarsen. De broeder was met de stille trom naar achter in de klas verdwenen, en stuurde ons zacht fluisterend één voor één naar voren. De eerste, Jan Adriaans, liep naar voren, en wist niet wat de bedoeling was. Hij begreep dat hij de kant van de pastoor uit moest, maar toen hij daar in de buurt kwam, gaf die verder niet thuis. Doorlopen dan maar, moet hij gedacht hebben, met kleine pasjes, dan hoor ik het wel, maar hij hoorde niets. En terwijl hij daar zo op de pastoor aan het aanschuifelen was, wist hij het ook niet meer, en keek hij met een benauwd gezicht over zijn schouder om naar de broeder. Knielen begreep Adriaans heel snel, uit de woeste blik van de broeder, en de hand die hem de grond leek te willen indrukken. Toen hij echter zat, bleef alles stil, en er gebeurde niets. Ook Adriaans bleef zitten, totdat hij het gekuch van de broeder opmerkte, en hij met een half schuin oog naar achteren keek, waar de broeder hem met man en macht verder naar voren leek te willen vegen. Nog dichterbij, begreep Adriaans, en hij kroop op zijn knieën dichter bij de pastoor. Toen hij eenmaal zat waar hij leek te moeten zitten, kruiste meneer pastoor twee kaarsen voor zijn keel, en, zoals ook later bij mij bleek, prevelde deze met gesloten ogen een gebed, en dan amen, en was de volgende aan de beurt. En zo trok hij de hele school door, alle klassen langs. Toen de pastoor vertrokken was, begon de broeder uit te leggen dat het vandaag de dag van de Heilige Blasius was, dat wij zojuist de Blasiuszegen gekregen hadden, en dat Blasius een heilige was die ervoor zorgde dat wij niet zouden stikken in graten, wanneer we vis zaten te eten. Uit: Kroniek van de Kempen 1994; tekenaar niet vermeld. blad
bladzelfstandig naamwoord
1. blaadje (van een plant)
2. tijdschriftje
zelfstandig naamwoord
blaok oorspronkelijk een door verbranding ontstane en zichtbare rode gloed; van recentere datum elk zichtbaar effect van verhitting: rook, damp, wasem.
Ill. uit Kroniek van de Kempen; een zogenaamde panblaker
blaojerzelfstandig naamwoord
1. blaadje (van een plant)
2. tijdschriftje
zelfstandig naamwoord
blaok oorspronkelijk een door verbranding ontstane en zichtbare rode gloed; van recentere datum elk zichtbaar effect van verhitting: rook, damp, wasem.
Ill. uit Kroniek van de Kempen; een zogenaamde panblaker
blaokerzelfstandig naamwoord
blaker, lage kandelaar met brede, platte voet en een handvat
blaoszelfstandig naamwoord
blaas
blaosslaonPieter Breughel - detail uit De Kinderspelen
blaosvèèchtePieter Breughel - detail uit De Kinderspelen
blaozewerkwoord
blazen, wind laten blaoze - blaosde - geblaoze (geen vocaalkrimping); 1. blazen, adem uitstoten
2. een wind laten, winderig zijn
3. het blazen fabrieksinstallaties om het begin en eind van de werktijden aan te geven
4 . overige betekenissen
blauwköpkezelfstandig naamwoord
blauwkopje; mees
blauwputjezelfstandig naamwoord
blauwputje; aardappelsoort
blauwscheutzelfstandig naamwoord
spataderen (of de bezitter ervan?)
blauwslôotzelfstandig naamwoord
blauwsloot
Cees Robben; Detail uit de Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-10-16
zelfstandig naamwoord
blauwsloot - open riool; speciaal in de periferie van Tilburg, veelal gevuld met door textielfabrieken geloosd afvalwater van ververijen, waardoor het water een blauwe kleur kreeg
blauwvèèrverzelfstandig naamwoord
1. blauwverver, blauwvlieg, Calliphora vomitoria L. Blauwvlieg - Calliphora vomitoria L. 2. beroep
blauwvliegzelfstandig naamwoord
blauwe vlieg; officieel roodwangbromvlieg / Calliphora vicina
blèdschapzelfstandig naamwoord
blijdschap
Schilderij van Klaes Molenaer
blêekzelfstandig naamwoord
droogweide, bleekveld, bleek
naam
2. bijvoeglijk naamwoord bleek
blèèkewerkwoord
blèèke - blèkte geblèkt bleken, in het bijzonder het bleken van gewassen linnengoed in de buitenlucht
Uit: Kroniek van de Kempen 1994
werkwoord
blijken blèèke - blêek gebleeke; in tegenwoordige tijd vocaalkrimping gij/hij blèkt
blèènzelfstandig naamwoord
1. blaar
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - blaine - hij hee blaine onder zn voeten geloopen (blaren)
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-03-09 - Mn haande vol blèène van t kreugeltje douwe...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-10-17 - ... bloed en blèènen...
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Daor zitten wij nie op te wochte, wie zen gat verbraandt moet op de blèène zitte, is toch et gezegde.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Die han un end gelôope, nie normaal, volgens de zuster. De blène op der voeten, mar de zuster zeej blaren. Dè verstonden wij netuurluk nie, mar onze vadder wies toevallig dè blaren, blène waren, die ha ze wel ens gehad en die deeje zeer, dè kos ie wel vertellen.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 11 06 - Want as 't 'n bietje mee wil valle / Zèn ze dan d'r blène kwèt.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 06 21 - Ge wit toch asg'oew bille braand / Motte op de blène zitte.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 06 09
blèèn(ezelfstandig naamwoord
1. blaar
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - blaine - hij hee blaine onder zn voeten geloopen (blaren)
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-03-09 - Mn haande vol blèène van t kreugeltje douwe...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-10-17 - ... bloed en blèènen...
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Daor zitten wij nie op te wochte, wie zen gat verbraandt moet op de blèène zitte, is toch et gezegde.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Die han un end gelôope, nie normaal, volgens de zuster. De blène op der voeten, mar de zuster zeej blaren. Dè verstonden wij netuurluk nie, mar onze vadder wies toevallig dè blaren, blène waren, die ha ze wel ens gehad en die deeje zeer, dè kos ie wel vertellen.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 11 06 - Want as 't 'n bietje mee wil valle / Zèn ze dan d'r blène kwèt.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 06 21 - Ge wit toch asg'oew bille braand / Motte op de blène zitte.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 06 09
blèèrewerkwoord
blèren, blaten; huilen, lawaai maken blèère - blèèrde geblèèrd; geen vocaalkrimping hard huilen
zingen - zoals tijdens het 'blèèrkonkoer', de wedstrijd voor carnavalsliedjes
blèèrkonkoerzelfstandig naamwoord
liedjeswedstrijd om het beste carnavalslied aan te wijzen
blèèrkòpzelfstandig naamwoord
blaarkop
blèètewerkwoord
loeien, blaten blèète - blèètte- geblèèt; met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd blèt
blèèvewerkwoord
blijven blèève - blêef - gebleeve
Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937
bleezewerkwoord
blèkzelfstandig naamwoord
blik, een houder van glanzend metaal; voorwerpen die van blik gemaakt zijn
naam
1.1. schors van bomen
blèkke mienekezelfstandig naamwoord
rond dun plaatje blik, speelgoedmuntje
blèkkemienekezelfstandig naamwoord
rond dun plaatje blik, speelgoedmuntje
blèndnaam
blind
blèndaoszelfstandig naamwoord
paardevlieg, (blinde) daas
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-05-31 - Ik slao niks aaf as blauw vliegen en blendaoze...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 21, Nieuwsblad van het Zuiden 1965-02-13 - Wie "niks afslaot as vliegen en blendaozen" is zó inhalerig van aard, dat hij alles accepteert, wat hem wordt aangeboden. "Blendaos" (blindaas) is in onze streek de benaming voor een bepaalde soort steekvlieg, die vooral voorkomt aan de waterkanten. Die beesten kunnen venijnig steken. Zwemmers in beken, vennen of andere natuurbaden kunnen daarvan meespreken. De vliegen zuigen zich op het lichaam vast en laten zich slechts met geweld verwijderen. Er zijn mensen wier bloed op de steek van een "blendaos" zodanig reageert, dat lichaamsdelen zoals arm of been zeer sterk opzwellen. Een steek nabij het oog kan bij de mensen, die er bevattelijk voor zijn, tot gevolg hebben dat het oog tijdelijk geheel dicht raakt door de opzwelling. Het zal nu wel duidelijk zijn, dat de uitdrukking: "Het is van de vliegen naar de blendaos" ons gewestelijk equivalent is van het "van de wal in de sloot" of "van de regen in de drup geraken."
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - blendoas - daas, paardenvlieg
- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 111; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-27 - Dat is van de vliegen naar de blindazen wil zeggen Dat is van den regen in den drop. Ook hoorde ik hiervoor Het is van pissebed op kakkebed.
- WBD III.4.2:128 - blinddaas - daas (tabanidae), ook genoemd: horzel of daas
- WBD III.4.2:131 blinddaas - runderhorzel (hypoderma bovis), ook genoemd runderhorzel en (zelden) bisworm
- WBD III.2:134 blinddaas - paardenhorzel (gastrophilus intestinalis, ook paardenwesp genoemd
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - blèndaos - blinddaas, paardevlieg
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 daas - tweevleugelig insect, aschgrauw van kleur, ook blinddaas en dazerik genaamd.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - blèndaos - daasvlieg
- WNT blinddaas blinde dazen of blindazen, welke benaming, deze dieren (de paardenvliegen) verschuldigd zijn aan de onbesuisdheid, waarmede zij somwijlen tegen helderwitte muren aan komen vliegen.
blèndezelfstandig naamwoord
1. vensterluiken, blinden (alleen meervoud)
2. iemand die blind is
3. blindelings
Blènde Fielnaam
volksnaam voor de sociëteit Philharmonie; de buitenmuur daarvan had geen ramen, was een blinde muur.
blènde koejzelfstandig naamwoord
kinderspelletje; blindemannetje
blèntjezelfstandig naamwoord
1. blaar
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - blaine - hij hee blaine onder zn voeten geloopen (blaren)
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-03-09 - Mn haande vol blèène van t kreugeltje douwe...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-10-17 - ... bloed en blèènen...
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Daor zitten wij nie op te wochte, wie zen gat verbraandt moet op de blèène zitte, is toch et gezegde.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Die han un end gelôope, nie normaal, volgens de zuster. De blène op der voeten, mar de zuster zeej blaren. Dè verstonden wij netuurluk nie, mar onze vadder wies toevallig dè blaren, blène waren, die ha ze wel ens gehad en die deeje zeer, dè kos ie wel vertellen.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 11 06 - Want as 't 'n bietje mee wil valle / Zèn ze dan d'r blène kwèt.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 06 21 - Ge wit toch asg'oew bille braand / Motte op de blène zitte.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 06 09
zelfstandig naamwoord
blèszelfstandig naamwoord
haarpluk, witte verticale streep op voorhoofd van paard
blèsôogzelfstandig naamwoord
maanblindheid De etymologie van blès is onduidelijk
bliekzelfstandig naamwoord
karperachtige zoetwatervis kolblei, blei (Blicca bjoerkna)
bliekewerkwoord
de ie wordt meestal lang uitgesproken; gluren, loeren blieke - bliekte - gebliekt
blieszelfstandig naamwoord
vlies tussen vrucht(vlees) en pit of schil bij peulvruchten, graankorrels en citrusvruchten; ook genoemd vlies, blees, vlim het verkleinwoord is blieske of bliske
bliksemzelfstandig naamwoord
bliksem
blinkewerkwoord
blinken blinke - blonk - geblonke
blinkmèrtzelfstandig naamwoord
kermismarkt
blinksmèèrzelfstandig naamwoord
schoensmeer
blòdselzelfstandig naamwoord
bloodsel, afgeleid van bladsel, bladplanten tussen het gras die grazers laten staan, vandaar: slecht gras, dat de koeien niet vreten
bloedzelfstandig naamwoord
bloed; hier degene die moet bloeden; den bloed (korte oe)
bloedblèènzelfstandig naamwoord
bloedblaar
Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937
bloedzèùgerzelfstandig naamwoord
bloedzuiger in het algemeen een wormachtige variant van de Hirudinea. in het Tilburgs echter ook gebruikt voor de oorworm, zoals aangegeven door:
bloejewerkwoord
bloeden, bloeien
bloemkôolzelfstandig naamwoord
bloemkool verkleinwoord bloemkoltje
eigelek wel trèkke? Deel 2, 2007 - Et dienee waar gewoon, èèrpel, bloemkôol, amper genoeg, en dun gesneeje rundvléés, waor ge ieder twee vellekes van krêegt.
bloeszelfstandig naamwoord
blouse
blòkzelfstandig naamwoord
blok
blökskezelfstandig naamwoord
blomzelfstandig naamwoord
1. bloem; het fijnste maalsel van een graansoort
2. bloem (als plantensoort)
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - blommen; blommen plukken
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-22 - n plekske/ waor blom hôn gestaon
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-15 - In de waaij/ Heb ik gespuld.. en blom geplukt
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-01-29 - [hij] teult er wilde blommen... - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-15 - Hier aon de oevers van de Laaij/ Ben ik geboren... In de waaij/ Heb ik gespuld.. en blom geplukt.../ En hier... zô zong ie as verrukt.. / (Swels dettie Dientje kuste)/ Moet laoter men gebinte rusten...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-03-09 - n schuchtere blom steeket köpke omhoog
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-11-02 - Dn ekker-gods die leej zô schôôn vol blommen...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-01-18 - Welke blomme wilde op oew begraofenis? Snoffels...dalidas.. paosblomme.. of stinkerkes...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-05-20 - Meej duuzend blommen aon de kaant
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-05-06 - Dees buske blommen/ Is vur jou...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 10 04 - De Jan was stevig zat gewist / Vanèges was 't thuis toen fist / 's Aandrendaogs docht ie: Verdomme, / Ik koop vur m'n vrouw wè blomme. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 05 08 - t Is dòòien-herdenking / Seldaoten staon stram / Bèrgen van blommen / n Vurige vlam. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 06 05 - In t vrije veld zède schatrèk / De blommen staon ammol te prèk. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 03 26 - Toen ie de blommen waoter gaaf / Riep z'n vrouw moord en braand / Ge giet die plaanten vuls te veul / Ge verzuipt ze bekaant. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 01 21 - Ze zitte thuis vur de Teevee / Goed lui en lam te slaope / Toe dè de blomme op de kaast / Gewoon vort mee gaon gaope. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 07 09 - Ons Sjaan hee aachter in dn hof / Geraniums geplaant / Ze groef mee zörg irst n flink gat / Mee mist en blommezaand.
blombaolzelfstandig naamwoord
meelzak
blommerijzelfstandig naamwoord
rij van bloemen
blommistzelfstandig naamwoord
bloemist
blomrèùkerzelfstandig naamwoord
ruiker
blomzuutbijwoord
enigszins scheel, loensen; bloemzoet, zo zoet, dat wil zeggen lieflijk, als fijne bloem
- WTT 2018; - In alle Tilburgse bronnen vanaf 1916 (Handschrift Daamen) gedefinieerd als een afwijking aan de ogen; een variant naast scheel en loenzen. Ook als zodanig bij Robben.
- WTT 2018 - Van oorsprong is blomzuut echter geen oogafwijking, maar een aanduiding van een manier van kijken. Bloem is dan, volgens het WNT lemma bloem betekenis 12 het fijnste van het meel, dat door het ziften van het grovere meel en de zemelen wordt afgescheiden.... WNT lemma bloemzoet verwijst naar deze 12de betekenis en zoet. Eigenlijk zoo zoet als bloem; gewoonlijk in min of meer ongunstigen zin van iemands gelaatstrekken, manier van spreken enzovoorts. De ongunstigheid lijkt derhalve samen te hangen met schijnheilig kijken of zoete broodjes bakken, goedpraten.
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - blómzuut - ze keke n bietje blomzuut, bietje scheel
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 62 11 09 - n Bietje blomzuut [Titel van een vers over een schele fietser.]
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-07-06 - [Vrouw tegen man met bril] Ik kan naa nie zegge degge loenst... mar ge kekt wel blomzuut... op t schèèle aaf...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1961-11-24 - Schèèl Merieke.. Blomzuut kieke...
- Henriëtte Vunderink; k Zal van oe blèève haawe; Wieste..?, 2007 - Wieste, dè iemes die wè loenst,/ in Tilbörg blomzuut kèkt?
- WBD III.1.1:244 - blomzoet kijken - scheelzien
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - blomzuut - een beetje scheel
blôotnaam
bloot, naakt behalve in eigenlijke zin ook overdrachtelijk gebruikt bij sommige kaartspellen, namelijk als de enige kaart in een van de vier kleuren
blôoteblote kaart in het spel rikken; de enige kaart van één kleur - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-01-02 - [Verliezer:] Dè was ôôk unne blôôte... - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den blôote - Vincent Mutsaerts, ook Dr. Blöte van blôot als zn overgeheveld
blôotebillegezichtzelfstandig naamwoord
blotebillengezicht; bol, glad gezicht
blôotevoetepaoterzelfstandig naamwoord
bijnaam van de paters kapucijnen, die met blote voeten in sandalen liepen
blôotkrabbewerkwoord
blootkrabben goed in de slappe was zitten ; in de zin van deren; vrijwel altijd in een ontkennende zegswijze zoals door iets of iemand niet gedeerd worden
bloowzelfstandig naamwoord
blo, blode
blòskezelfstandig naamwoord
blaas
blösterzelfstandig naamwoord
schilfer
blotskòpnaam
blootshoofds, zonder hoofdbedekking
Afbeelding uit: Kroniek van de Kempen
blòttewerkwoord
bloten
blücher of de nachtnaam
uitdrukking; kaartterm Ets van Gottfried Arnold Lehmann: Wellington omhelst Bluecher op het slagveld van Waterloo Tijs Dorenbosch - vignet uit De Mus en D'n örgel van Piet Heerkens (1939 & 1938) blumke, blummrkes, bluumke zelfstandig naamwoord, verkleinwoord bloemetje, bosje bloemen verkleinwoord van blom
blumkezelfstandig naamwoord
Thomé - primula veris
► 'mertuntje'
► 'mertuntje' genoemd
blutnaam
zonder geld, al het geld verspeeld
blutsewerkwoord
blutsen, kneuzen; butse van vallend fruit blutse - blutste geblutst
bluujkezelfstandig naamwoord
bloedje, hulpeloos kind
Nillus ha zis klène bluukes, daor ware twee platte kender bij, Jaans moes nog wè zuutjes aon doen, was pas efkus in de rij.
bluukezelfstandig naamwoord
bloedje, hulpeloos kind
Nillus ha zis klène bluukes, daor ware twee platte kender bij, Jaans moes nog wè zuutjes aon doen, was pas efkus in de rij.
bobbertjezelfstandig naamwoord
bochtzelfstandig naamwoord
bòddie bildingzelfstandig naamwoord
bodybuilding
bodschapzelfstandig naamwoord
boodschap
zelfstandig naamwoord
boebes
boegzelfstandig naamwoord
boekzelfstandig naamwoord
het boek 1. In oudere teksten mannelijk in plaats van onzijdig: den boek
1.1 kerkboek
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun in den trein; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-09-16 - ...taante Hanna mee dren kerkboek en dren paoternoster bij den heerd...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-05-20 - 1939-06-17 - ..allebaai mee den kerkboek in de haand...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 2; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-10-08 - ...de appetekersvrouw, die erg zemelechtig is, liet dren boek vallen en gong er bij zitte...
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Leest zelf zonnen boek.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-01-13 Een dorpeling die een bekeuring van de veldwachter kreeg, omdat hij na sluitingsuur in een café werd aangetroffen, had toch nog een helder ogenblik toen hij tot de man van de wet zei: "Ik stao liever in jouwen boek dan op het daogelijks gebed". Dat "dagelijks gebed" was het aflezen van de overledenen in de kerk.
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - en t aander [prentje] hek in mène kerkboek.
- Piet Heerkens; De knaorrie; Oo, hellige ziel, 1949 - oewen dikke kerkboek geeft oe heel veul werk... [In het kerkboek werden vaak ook de gedachtenisprentjes van de overledenen bewaard, voor wie een gebedje kon worden gedaan.]
- H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch; Oh! Klotterende klompen, 1932 - op klompen ter Mis, meej/ den beejboek in haand...
boekèndzelfstandig naamwoord
boekweit
Fallopia convulvulus - boekent
- Naarus; (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Daor stond daor nog wè boekent in n potje in dè gaaf ik ze [de kippen].
- Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, aflevering 6; Paaseieren, namen en verdwenen gebruiken; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1951-03-29 - Als de varkens nog klein waren, kocht men bijvoorbeeld karnemelk van de boer. Werden ze groter - en vooral tegen de tijd dat zij vetgemest werden - kwam er graanmeel. Als het kon boekweitmeel en toen ook de maïs in de handel kwam maïsmeel, maar hierin bestond een groot onderscheid. Als er een slager kwam om een vet varken te kopen, was gewoonlijk zijn eerste vraag: waarmee is het gemest, met boekweit of met maïs. In het eerste geval was de geboden prijs per kilo altijd een paar centen hoger dan bij maïsvoer.
- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2016 - Dè wèrd gemaole èn, jè... dan krêede boekente strèùf... boekentmèèle strèùf hiet et, hè... ènne boekente pap!
- WBD I:1412 boeket [sic]
- WBD III.2.3:225 boekendekoek boekweitkoek
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - boegend, bogent, boekend, bongend - boekweit
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 bokkent; verbastering voor boekweit
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - boegent, respectievelijk bogent, bongent - boekweit.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 boekerd, boeked (toonloze e) - boekweit
boekèndemèèlzelfstandig naamwoord
boekweitmeel
boekèntzelfstandig naamwoord
boekweit
Fallopia convulvulus - boekent
- Naarus; (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Daor stond daor nog wè boekent in n potje in dè gaaf ik ze [de kippen].
- Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, aflevering 6; Paaseieren, namen en verdwenen gebruiken; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1951-03-29 - Als de varkens nog klein waren, kocht men bijvoorbeeld karnemelk van de boer. Werden ze groter - en vooral tegen de tijd dat zij vetgemest werden - kwam er graanmeel. Als het kon boekweitmeel en toen ook de maïs in de handel kwam maïsmeel, maar hierin bestond een groot onderscheid. Als er een slager kwam om een vet varken te kopen, was gewoonlijk zijn eerste vraag: waarmee is het gemest, met boekweit of met maïs. In het eerste geval was de geboden prijs per kilo altijd een paar centen hoger dan bij maïsvoer.
- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2016 - Dè wèrd gemaole èn, jè... dan krêede boekente strèùf... boekentmèèle strèùf hiet et, hè... ènne boekente pap!
- WBD I:1412 boeket [sic]
- WBD III.2.3:225 boekendekoek boekweitkoek
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - boegend, bogent, boekend, bongend - boekweit
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 bokkent; verbastering voor boekweit
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - boegent, respectievelijk bogent, bongent - boekweit.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 boekerd, boeked (toonloze e) - boekweit
boekèntemèèlzelfstandig naamwoord
boekweitmeel
boekhaawerzelfstandig naamwoord
boekhouder
boekleezelfstandig naamwoord
bouclé, stofnaam
boekleejzelfstandig naamwoord
bouclé, stofnaam
boenterzelfstandig naamwoord
tweejarig paard
boerzelfstandig naamwoord
boer, boeren, boertje korte oe in boerke
samenstellingen Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - kiepenboer uitdrukkingen
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 136, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-01-13 - Ouder worden kan leiden tot zelfinkeer en bezonkenheid. Die gedachte werd neergelegd in: "Als de boeren oud worden, staan ze onder de preekstoel". Oftewel: ze zijn "fijn" geworden.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 166, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-01-30 - Nog eens moet de boer er aan geloven met de uitdrukking: "nen boer stao aaltij veuls te eng". Dat duidt op hebberigheid, die hem er toe brengt een te hoge prijs te vragen.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 166, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-01-30 - Voor een ingewikkeld geval staan we met de volkswijsheid: "Een boer heeft twee roeien". Zij houdt de beschuldiging in, dat een boer steeds zijn eigen voordeel zoekt. Alsof dit onder andere standen ook niet voor zou komen! Maar de boer doet dat dan wel op een aan hem aangepaste manier. Een "roei" (roede) is een vlaktemaat van 33 vierkante meter. Een boer beschouwt - als het hem goed uitkomt, zeggen boze tongen - een "roei" echter ook als lengtemaat. Hij rekent dan een lengte van: "vèèf, zis zeuve". Dat betekent 5,6 tot 5,7 meter. Hij maakt daarvan het kwadraat. Van 5,6 komt dat neer op 31,36 vierkante meter. Uitgaande van 5,7 wordt het 32,49 vierkante meter. Hij blijft daarmee echter steeds beneden de 33 vierkante meter. Waarom zou men het niet ingewikkeld doen als er voordeel aan kan zitten!... In ieder geval een curieus gereken!
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1982-12-03 - wè unne boer laoit, brengt ie thuis
- Informant Ad Vinken - de stómste boere hèbbe de dikste peeje - wie zonder veel overleg te werk gaat, heeft vaak het beste resultaat
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - den lómpsten boer tilt de grótste èèrpel
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - der ligge zat boeren opt kèèrkhòf die nèt zo lui zèn as ikke
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - as ene pestoor mèlk drinkt en enen boer wèèn, dan zèn er twee ziek
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - boeren hèbben ok maniere, maar aander
- Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Als iemand ergens mee stopt maar de rotzooi laat liggen: - die schaajt er meej èùt as enen boer van zene stront!
kaarttermen
vaak, evenals wanneer op een boer een vrouw de boer heeft een vrouw nodig valt.
boerewerkwoord
geen vocaalkrimping; steeds lange oe een boerenbedrijf voeren, boeren, voortdoen
boereguldzelfstandig naamwoord
boerengilde
boerekooletòppestaampzelfstandig naamwoord
stamppot van boerenkool samentrekking van boerenkool en boerentoppen
boeremikzelfstandig naamwoord
rond witbrood
boerenzelfstandig naamwoord
boer, boeren, boertje korte oe in boerke
samenstellingen Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - kiepenboer uitdrukkingen
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 136, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-01-13 - Ouder worden kan leiden tot zelfinkeer en bezonkenheid. Die gedachte werd neergelegd in: "Als de boeren oud worden, staan ze onder de preekstoel". Oftewel: ze zijn "fijn" geworden.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 166, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-01-30 - Nog eens moet de boer er aan geloven met de uitdrukking: "nen boer stao aaltij veuls te eng". Dat duidt op hebberigheid, die hem er toe brengt een te hoge prijs te vragen.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 166, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-01-30 - Voor een ingewikkeld geval staan we met de volkswijsheid: "Een boer heeft twee roeien". Zij houdt de beschuldiging in, dat een boer steeds zijn eigen voordeel zoekt. Alsof dit onder andere standen ook niet voor zou komen! Maar de boer doet dat dan wel op een aan hem aangepaste manier. Een "roei" (roede) is een vlaktemaat van 33 vierkante meter. Een boer beschouwt - als het hem goed uitkomt, zeggen boze tongen - een "roei" echter ook als lengtemaat. Hij rekent dan een lengte van: "vèèf, zis zeuve". Dat betekent 5,6 tot 5,7 meter. Hij maakt daarvan het kwadraat. Van 5,6 komt dat neer op 31,36 vierkante meter. Uitgaande van 5,7 wordt het 32,49 vierkante meter. Hij blijft daarmee echter steeds beneden de 33 vierkante meter. Waarom zou men het niet ingewikkeld doen als er voordeel aan kan zitten!... In ieder geval een curieus gereken!
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1982-12-03 - wè unne boer laoit, brengt ie thuis
- Informant Ad Vinken - de stómste boere hèbbe de dikste peeje - wie zonder veel overleg te werk gaat, heeft vaak het beste resultaat
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - den lómpsten boer tilt de grótste èèrpel
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - der ligge zat boeren opt kèèrkhòf die nèt zo lui zèn as ikke
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - as ene pestoor mèlk drinkt en enen boer wèèn, dan zèn er twee ziek
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - boeren hèbben ok maniere, maar aander
- Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Als iemand ergens mee stopt maar de rotzooi laat liggen: - die schaajt er meej èùt as enen boer van zene stront!
kaarttermen
vaak, evenals wanneer op een boer een vrouw de boer heeft een vrouw nodig valt.
boerenèrbèrzelfstandig naamwoord
boerenknecht, boerenarbeider lange oe
Dianthus barbatus
boeresnòffelzelfstandig naamwoord
bloemsoort; duizendschoon (Dianthus barbatus)
boeretêenezelfstandig naamwoord
tuinbonen
boeretijzelfstandig naamwoord
letterlijk: boerentijd, vroegere tijd Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 94, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-01-29 - En ooit horen zeggen, dat "het er een echte boeretij" was? Dat betekent dat het er echt landelijk naar toegaat, zoals bv. op een gezellige, ouderwetse bruiloft. "Tij" was de naam voor een verzamelplaats, waar de oude Germanen recht spraken. Er wordt wel aangenomen, dat men dit woord nog terugvindt in de streeknaam "Goedetijd" te Alphen en in "Tijvoirt", welke laatste naam men onder Goirle aantreft, al praat de volksmond daar van "Tèvert".
boeretòppezelfstandig naamwoord
boerenkool
boerevrommesboerenvrouw samenstelling van boeren en vrouwmens
urren êrm; daar geannoteerd met verbasterd van boerenvrouwmensch
boerkezelfstandig naamwoord
boer, boeren, boertje korte oe in boerke
samenstellingen Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - kiepenboer uitdrukkingen
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 136, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-01-13 - Ouder worden kan leiden tot zelfinkeer en bezonkenheid. Die gedachte werd neergelegd in: "Als de boeren oud worden, staan ze onder de preekstoel". Oftewel: ze zijn "fijn" geworden.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 166, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-01-30 - Nog eens moet de boer er aan geloven met de uitdrukking: "nen boer stao aaltij veuls te eng". Dat duidt op hebberigheid, die hem er toe brengt een te hoge prijs te vragen.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 166, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-01-30 - Voor een ingewikkeld geval staan we met de volkswijsheid: "Een boer heeft twee roeien". Zij houdt de beschuldiging in, dat een boer steeds zijn eigen voordeel zoekt. Alsof dit onder andere standen ook niet voor zou komen! Maar de boer doet dat dan wel op een aan hem aangepaste manier. Een "roei" (roede) is een vlaktemaat van 33 vierkante meter. Een boer beschouwt - als het hem goed uitkomt, zeggen boze tongen - een "roei" echter ook als lengtemaat. Hij rekent dan een lengte van: "vèèf, zis zeuve". Dat betekent 5,6 tot 5,7 meter. Hij maakt daarvan het kwadraat. Van 5,6 komt dat neer op 31,36 vierkante meter. Uitgaande van 5,7 wordt het 32,49 vierkante meter. Hij blijft daarmee echter steeds beneden de 33 vierkante meter. Waarom zou men het niet ingewikkeld doen als er voordeel aan kan zitten!... In ieder geval een curieus gereken!
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1982-12-03 - wè unne boer laoit, brengt ie thuis
- Informant Ad Vinken - de stómste boere hèbbe de dikste peeje - wie zonder veel overleg te werk gaat, heeft vaak het beste resultaat
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - den lómpsten boer tilt de grótste èèrpel
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - der ligge zat boeren opt kèèrkhòf die nèt zo lui zèn as ikke
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - as ene pestoor mèlk drinkt en enen boer wèèn, dan zèn er twee ziek
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - boeren hèbben ok maniere, maar aander
- Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Als iemand ergens mee stopt maar de rotzooi laat liggen: - die schaajt er meej èùt as enen boer van zene stront!
kaarttermen
vaak, evenals wanneer op een boer een vrouw de boer heeft een vrouw nodig valt.
boesterewerkwoord
grondig schoonmaken, schoonschrobben, (zichzelf) een wasbeurt geven
boetewerkwoord
boeten
boetsebòllewerkwoord
kindertaal voor als het kind het hoofd stoot
Boezeroen uit Elspeet - bron: Geheugen van Nederland
boezeroenzelfstandig naamwoord
Cees Robben (detail Prent van de week 12 juni 1976)
Jan Boezeroen = de eenvoudige werkman
naam
Etymologie
boezjievonkezelfstandig naamwoord
bougievonken samenstelling uit bougie + vonken
zelfstandig naamwoord
bofkont geluksvogel
zelfstandig naamwoord
boj, booj bode
boj verleden tijd van bieje
böjkesIllustratie: Rolf Janssen
bokzelfstandig naamwoord
bok
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 2; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-16 - Bart zit zô vol grappen as nen bok vol keutels
- Lodewijk van den Bredevoort; (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Dè waren meense die waren nie katteliek, dè waren protestantse bokken, volgens wè ze tegen ons vertelden. Die protestanten schêene ons ôk èùt veur kattelieke gèète.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - op den bok meegaon - voor niks meegaan (kaartterm)
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 165; Nieuwsblad van het Zuiden, 1973-01-18 - Een vrouw, die pas het kaartspel rikken had geleerd, speelde een tegenspeelster, die "mezjèr" deed, "er in". Zij gaf zichzelf een compliment met de enthousiast gestelde vraag: "Is dat niet goed gestoten voor een jonge bok?" Daarbij wordt dus uitgegaan van de gedachte, dat een jonge bok ook het stoten nog moet leren. De algemene betekenis van de uitdrukking is het leveren van een prestatie door iemand, waarvan wordt aangenomen, dat hij er nog niet de nodige vaardigheid voor verworven heeft.
- H. Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003; zegsman J. Mandos sr, opgetekend Tilburg 1950 - Daor zal den bok wel eens scheef zeiken. Daar zal de bok wel eens scheef plassen. Bij een royale levenswijze zal er nog wel eens een tekort komen.
- H. Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003; zegsman A. Knegtel, opgetekend Tilburg 1950 't Erop hebbe as den bok op mieë. Er zo belust op zijn als de bok op de geit. Spreekwoordelijke vergelijking. Ergens tuk op zijn. (Mie, mietje = geit, geitje.) Varianten: 'r Erop hebben als 'n bok op 'n haverkist: ipv 't erop hebben: erop afvliegen. (Zie ook: ajvliegen.) Tilburg (Kn) *50
- WBD II:2779 - bók - karsteun (t-vormig)

bökbaandzelfstandig naamwoord
buikband
bokgôojewerkwoord
bokgooien; kinderspel
bokkebaajzelfstandig naamwoord
stofnaam (textiel); zeer grof wollen weefsel
naam
Nieuwe Tilburgsche Courant - 31-12-1915
bokkegnaam
tochtig, bronstig, hitsig
bokkesprongzelfstandig naamwoord
bokspringen; kinderspel
bökpèntzelfstandig naamwoord
buikpijn
bokszelfstandig naamwoord
broek A.J.A.C. v an Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 111; Nieuwe Tilburgsche Courant; 1929-04-27 - Een broek wordt ook hier evenals in meerdere streken wel een boks genoemd.
bökskezelfstandig naamwoord
buikje
bokstaopelewerkwoord
in kennis stellen, duidelijk maken, boekstaven, inprenten, mogelijk ook opstoken, uitdagen (zie Hein Quinten) bokstaopele bokstaopelde - gebokstaopeld
bökzuurzelfstandig naamwoord
maagzuur Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, Diksjenèèr van de Tilburgse Taol, 2004 - daor krèèg ik et bökzuur van
bökzuutnaam
Johannes van Dam: Peren rotten vaak van binnenuit. Vanbuiten zie je niks, maar het hart is bruin. Buikziek noem je dat. Als een peer eenmaal rijp is, rot hij trouwens ontzettend snel. (...) Dat dat voor een peer geldt, en niet voor een appel, heeft een duidelijke oorzaak. Stel dat u een vrucht in handen heeft en u weet niet of het een appel of een peer is. Wat doe je dan? Je gooit hem in een bak water. Blijft hij drijven, dan is het een appel. Zinkt hij, dan is het een peer. Dat komt omdat een appel kleine luchtblaasjes heeft, die hem lichter dan water maken. Daarom knapt hij als je erin bijt, drijft hij en kunnen bacteriën zich niet zo gemakkelijk in een appel verplaatsen. Een handpeer is een en al sap en knapt niet. 'Peren en vrouwen die niet en kraken / Die acht men allerbest te smaken.' (Cats) (De Dikke van Dam, 2005)
naam
buikzoet, overrijp, beurs, melig
bòlzelfstandig naamwoord
bal, hoofd
bòlaajzelfstandig naamwoord
kinderspeelgoed
bòlderewerkwoord
bòlderkèèrzelfstandig naamwoord
bolderwagen, bolderkar
bòlderwaogezelfstandig naamwoord
bolderwagen, bolderkar
bòllewerkwoord
met een bal spelen bòlle - bòlde - gebòld
bòllefruttewerkwoord
ballenfrutten, het vervaardigen van onder andere kaatsballen in Goirle
bòllegôojzelfstandig naamwoord
böllekewerkwoord
bulken, een boer laten, kokhalzen, oprispen
böltjezelfstandig naamwoord
papieren zak, buil
Ferry van de Zaande-sticker -2013
bombakkeszelfstandig naamwoord
masker, mombakkes afstandsassimilatie van plaats; m>b
bomberaajzelfstandig naamwoord
bombazijn, sterke geweven katoenen of linnen stof
zelfstandig naamwoord
J.T. Bonthond; Woordenboek voor de manufacturier, 1947 - Bombazijn. Aan de achterzijde geruwd weefsel van sterke katoenen garens, geweven in 5-bindige inslagsatijn of 8-bindige dubbelsatijn. Toepassing op werkmanskleeding. Ook moleskin (mollevel), pilow of Engelsch leer en kalerug geheeten.
bombezaajzelfstandig naamwoord
bombazijn, sterke geweven katoenen of linnen stof
zelfstandig naamwoord
J.T. Bonthond; Woordenboek voor de manufacturier, 1947 - Bombazijn. Aan de achterzijde geruwd weefsel van sterke katoenen garens, geweven in 5-bindige inslagsatijn of 8-bindige dubbelsatijn. Toepassing op werkmanskleeding. Ook moleskin (mollevel), pilow of Engelsch leer en kalerug geheeten.
bombezèènzelfstandig naamwoord
stofnaam, bombazijn
bombezjoerewerkwoord
de bloemetjes buiten zetten, verbrassen naar het Frans van bon en jour en samenstelling bonjour; letterlijk een goede dag hebben'
Bondzelfstandig naamwoord
de vakbond
bonkzelfstandig naamwoord
Belgisch (trek-)paard
bonnefoojsamentrekking
bons
bòntjezelfstandig naamwoord
1. baan, weg
2. baan, betrekking
zelfstandig naamwoord
baantje
bontjezelfstandig naamwoord
boontje
boogzelfstandig naamwoord
boog, bocht
bôogverleden tijd van bèùge boog
boogerdzelfstandig naamwoord
boomgaard
booluszelfstandig naamwoord
spiraalvormig zoet broodje met suiker en kaneel; drol
bôomzelfstandig naamwoord
boom; werktuig verkleinwoord bumke; meervoud meestal bôome maar ook bôom en nog vroeger bêûm
bôomewerkwoord
vocaalkrimping in tegenwoordige tijd (gij, hij, gullie bomt) in de verleden tijd en in voltooid verleden tijd
bôonzelfstandig naamwoord
boon
► <span style="font-family:"Garamond","serif";
bôonstaokzelfstandig naamwoord
boonstaak, bonenstaak
boorzelfstandig naamwoord
boorbaandzelfstandig naamwoord
boordband, lint om te boorden
boordeknupkezelfstandig naamwoord
boordenknoopje
boorewerkwoord
boren, boorden in tegenwoordige tijd vocaalkrimping bij gij bórt, daarentegen hij boort
bôotzelfstandig naamwoord
boot
booterzelfstandig naamwoord
boter
zelfstandig naamwoord
booterbrökske
werkwoord
bootere bootere - booterde - gebooterd Boerin tijdens het 'bootere' aan de karnton
booter-stèfkezelfstandig naamwoord
karnstaf
Onbekende schilder
booterkwikkezelfstandig naamwoord
oud kinderspelletje; elkaar optillen, ruggelings
Bootermanszelfstandig naamwoord
Botermans
booterschèèfzelfstandig naamwoord
Afbeelding uit: Kroniek van de Kempen
booterstaandzelfstandig naamwoord
karnton
Afbeelding uit: Kroniek van de Kempen
booterstafzelfstandig naamwoord
karnstaf
Onbekende schilder
bootertonzelfstandig naamwoord
karnton
boovezelfstandig naamwoord
boven
voorzetsel
2. bijwoord boven; op het politiebureau aan de Bisschop Zwijsenstraat in Tilburg, onderdeel van het oude stadhuis. In meer algemene zin ook de ambtenarij en de regering
4. samenstellingen met diverse betekenissen
boovemoerdèksezelfstandig naamwoord
iemand van boven de Moerdijk, noorderling
booveneboven; alleen in combinatie met onder
boovenèèrmsbijwoord
met omhooggestrekte armen; figuurlijk bovenmatig
boovetèùgzelfstandig naamwoord
overleer van een schoen
bordjezelfstandig naamwoord
boordje
bòrdjezelfstandig naamwoord
baardje, bordje, schoteltje
bòrduurewerkwoord
borduren
börgzelfstandig naamwoord
borg
börgemisterzelfstandig naamwoord
burgemeester
2. uitdrukking
3. bijnamen
Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.
börgerzelfstandig naamwoord
burger, burgemeester (en dan altijd met den)


börgermeenszelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord burgermens, gewone burger; hier leek (in tegenstelling tot priester)
börgervaojerzelfstandig naamwoord
burgervader, burgemeester
bòrrelzelfstandig naamwoord
borrel
bòrselzelfstandig naamwoord
borstel
bòrselewerkwoord
borstelen, nabewerking van een weefsel bòrsele - bòrselde - gebòrseld
bòrskezelfstandig naamwoord
baars
zelfstandig naamwoord
baarsje
bòrstigbijwoord
geweldig, danig
bòrstròkzelfstandig naamwoord
boszelfstandig naamwoord
bos; groep bomen; plant met van de grond af houtige takken (struik); bundel samengebonden groenten of bloemen
bosbeeziezelfstandig naamwoord
bosbes, vossenbes
bosdèùfzelfstandig naamwoord
houtduif
bòskezelfstandig naamwoord
baas, baasje
zelfstandig naamwoord
baasje, kereltje
bossewerkwoord
slaan, ranselen
vruchten uit de boom schudden of van de takken slaan
Bosse rèèszelfstandig naamwoord
bössemzelfstandig naamwoord
bunzing
bössemewerkwoord
stinken
böstelzelfstandig naamwoord
afvalproduct bij het brouwen van bier
botzelfstandig naamwoord
laars
botjezelfstandig naamwoord
bootje, botje
botramzelfstandig naamwoord
boterham Jan de Bray - Weeskinderen in een weeshuis in Haarlem- 17de eeuw
- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - moederke, wilde nen botterham smeere?
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, - nen botteram smeren
- Piet Heerkens; Dn örgel; Scheeresliep, 1938 Moederke, wilde nen botterkam smeere? / Heur is: mn maog klept den engel des heeren!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - En wèn gezicht! Is oewen boterham in et zaand gevalle?!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den jongen dokter, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-04-22 - 1939-05-08 - Toen ie n botterham of drie-vier op ha...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - Den Sik ha zn botterhemke deurgeslikt...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 05 14 - 's Aoves bij d'n botteram / Krèègde èèn schar mee tweeje / Gin meens ha't rèk in dieje tèd / Mar we waare tevreeje. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 09 16 - Die meense, och, ge kent ze wel, / Vertellen ok zò gère / Dèsse op dre botteram / Allèèn goei boter smèren.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 82 01 07 - 't Vurrig jaor was nie zó slècht / Al viel wel is wè teege / We hebbe ammol nog op tèd / 'nen Botteram gekreege. - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1973-04-09 - As ge vèftig geworre zèt, hedde oewen grôtste botterham op
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - dè hek echtig nie gedaon, krûîske sterven en honderd duuzend èzere botterhammen eten
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch leven, 1965-10-22 - Mar t is taovend wir niks toe den botteram... [vanavond op droog brood naar bed]
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-03-19 - Hij heej munne botteram in t waoter gegooid... Zôô-zôô... En meej opzet... Nèè meneer, meej zult...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 101, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-05-08 - Een eed mag men niet lichtvaardig afleggen, maar het is wel mogelijk op een andere manier nadrukkelijk te onderstrepen, dat men de waarheid spreekt of het bij het rechte eind heeft. Bijv. "Als dat nie klopt, vreet ik mijn pet op!" Kinderen hadden daarvoor weleer een andere vocabulaire. Zij zouden in het onderhavige geval: "kruiske stèèrven" of "honderd duizend ijzeren boterhammen opeten" en nog zo'n paar van die krachttoeren uitvoeren, welke we vergeten zijn.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 110, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-10-03 - Is een zaak of situatie zoals zij behoort te zijn, valt er geen omissie, gebrek of tegenspraak te ontdekken, dan kan de Tilburger voldaan constateren: "Het klopt als twaalf aaieren (eieren) mee 'nen mikken boterham". (Mik is wittebrood). Wij voor ons zijn op het eerste gezicht geneigd te denken, dat dit een nogal ongewone maaltijd betekent en dat het derhalve helemaal niet klopt. De gedachte zal hier derhalve wel uitgaan naar een stevige maaltijd. Als zodanig is het dan wel wéér in orde. Het is: "dikke mik!"
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Smòrges brôod, ene botterham, hè, meej en bietje sèùker derop
zelfstandig naamwoord
botrammezelfstandig naamwoord
boterham Jan de Bray - Weeskinderen in een weeshuis in Haarlem- 17de eeuw
- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - moederke, wilde nen botterham smeere?
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, - nen botteram smeren
- Piet Heerkens; Dn örgel; Scheeresliep, 1938 Moederke, wilde nen botterkam smeere? / Heur is: mn maog klept den engel des heeren!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - En wèn gezicht! Is oewen boterham in et zaand gevalle?!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den jongen dokter, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-04-22 - 1939-05-08 - Toen ie n botterham of drie-vier op ha...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - Den Sik ha zn botterhemke deurgeslikt...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 05 14 - 's Aoves bij d'n botteram / Krèègde èèn schar mee tweeje / Gin meens ha't rèk in dieje tèd / Mar we waare tevreeje. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 09 16 - Die meense, och, ge kent ze wel, / Vertellen ok zò gère / Dèsse op dre botteram / Allèèn goei boter smèren.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 82 01 07 - 't Vurrig jaor was nie zó slècht / Al viel wel is wè teege / We hebbe ammol nog op tèd / 'nen Botteram gekreege. - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1973-04-09 - As ge vèftig geworre zèt, hedde oewen grôtste botterham op
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - dè hek echtig nie gedaon, krûîske sterven en honderd duuzend èzere botterhammen eten
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch leven, 1965-10-22 - Mar t is taovend wir niks toe den botteram... [vanavond op droog brood naar bed]
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-03-19 - Hij heej munne botteram in t waoter gegooid... Zôô-zôô... En meej opzet... Nèè meneer, meej zult...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 101, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-05-08 - Een eed mag men niet lichtvaardig afleggen, maar het is wel mogelijk op een andere manier nadrukkelijk te onderstrepen, dat men de waarheid spreekt of het bij het rechte eind heeft. Bijv. "Als dat nie klopt, vreet ik mijn pet op!" Kinderen hadden daarvoor weleer een andere vocabulaire. Zij zouden in het onderhavige geval: "kruiske stèèrven" of "honderd duizend ijzeren boterhammen opeten" en nog zo'n paar van die krachttoeren uitvoeren, welke we vergeten zijn.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 110, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-10-03 - Is een zaak of situatie zoals zij behoort te zijn, valt er geen omissie, gebrek of tegenspraak te ontdekken, dan kan de Tilburger voldaan constateren: "Het klopt als twaalf aaieren (eieren) mee 'nen mikken boterham". (Mik is wittebrood). Wij voor ons zijn op het eerste gezicht geneigd te denken, dat dit een nogal ongewone maaltijd betekent en dat het derhalve helemaal niet klopt. De gedachte zal hier derhalve wel uitgaan naar een stevige maaltijd. Als zodanig is het dan wel wéér in orde. Het is: "dikke mik!"
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Smòrges brôod, ene botterham, hè, meej en bietje sèùker derop
zelfstandig naamwoord
bottelèèrzelfstandig naamwoord
botteramzelfstandig naamwoord
boterham Jan de Bray - Weeskinderen in een weeshuis in Haarlem- 17de eeuw
- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - moederke, wilde nen botterham smeere?
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, - nen botteram smeren
- Piet Heerkens; Dn örgel; Scheeresliep, 1938 Moederke, wilde nen botterkam smeere? / Heur is: mn maog klept den engel des heeren!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - En wèn gezicht! Is oewen boterham in et zaand gevalle?!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den jongen dokter, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-04-22 - 1939-05-08 - Toen ie n botterham of drie-vier op ha...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - Den Sik ha zn botterhemke deurgeslikt...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 05 14 - 's Aoves bij d'n botteram / Krèègde èèn schar mee tweeje / Gin meens ha't rèk in dieje tèd / Mar we waare tevreeje. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 09 16 - Die meense, och, ge kent ze wel, / Vertellen ok zò gère / Dèsse op dre botteram / Allèèn goei boter smèren.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 82 01 07 - 't Vurrig jaor was nie zó slècht / Al viel wel is wè teege / We hebbe ammol nog op tèd / 'nen Botteram gekreege. - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1973-04-09 - As ge vèftig geworre zèt, hedde oewen grôtste botterham op
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - dè hek echtig nie gedaon, krûîske sterven en honderd duuzend èzere botterhammen eten
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch leven, 1965-10-22 - Mar t is taovend wir niks toe den botteram... [vanavond op droog brood naar bed]
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-03-19 - Hij heej munne botteram in t waoter gegooid... Zôô-zôô... En meej opzet... Nèè meneer, meej zult...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 101, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-05-08 - Een eed mag men niet lichtvaardig afleggen, maar het is wel mogelijk op een andere manier nadrukkelijk te onderstrepen, dat men de waarheid spreekt of het bij het rechte eind heeft. Bijv. "Als dat nie klopt, vreet ik mijn pet op!" Kinderen hadden daarvoor weleer een andere vocabulaire. Zij zouden in het onderhavige geval: "kruiske stèèrven" of "honderd duizend ijzeren boterhammen opeten" en nog zo'n paar van die krachttoeren uitvoeren, welke we vergeten zijn.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 110, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-10-03 - Is een zaak of situatie zoals zij behoort te zijn, valt er geen omissie, gebrek of tegenspraak te ontdekken, dan kan de Tilburger voldaan constateren: "Het klopt als twaalf aaieren (eieren) mee 'nen mikken boterham". (Mik is wittebrood). Wij voor ons zijn op het eerste gezicht geneigd te denken, dat dit een nogal ongewone maaltijd betekent en dat het derhalve helemaal niet klopt. De gedachte zal hier derhalve wel uitgaan naar een stevige maaltijd. Als zodanig is het dan wel wéér in orde. Het is: "dikke mik!"
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Smòrges brôod, ene botterham, hè, meej en bietje sèùker derop
zelfstandig naamwoord
botterammezelfstandig naamwoord
boterham Jan de Bray - Weeskinderen in een weeshuis in Haarlem- 17de eeuw
- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - moederke, wilde nen botterham smeere?
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, - nen botteram smeren
- Piet Heerkens; Dn örgel; Scheeresliep, 1938 Moederke, wilde nen botterkam smeere? / Heur is: mn maog klept den engel des heeren!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - En wèn gezicht! Is oewen boterham in et zaand gevalle?!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den jongen dokter, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-04-22 - 1939-05-08 - Toen ie n botterham of drie-vier op ha...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - Den Sik ha zn botterhemke deurgeslikt...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 05 14 - 's Aoves bij d'n botteram / Krèègde èèn schar mee tweeje / Gin meens ha't rèk in dieje tèd / Mar we waare tevreeje. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 09 16 - Die meense, och, ge kent ze wel, / Vertellen ok zò gère / Dèsse op dre botteram / Allèèn goei boter smèren.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 82 01 07 - 't Vurrig jaor was nie zó slècht / Al viel wel is wè teege / We hebbe ammol nog op tèd / 'nen Botteram gekreege. - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1973-04-09 - As ge vèftig geworre zèt, hedde oewen grôtste botterham op
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - dè hek echtig nie gedaon, krûîske sterven en honderd duuzend èzere botterhammen eten
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch leven, 1965-10-22 - Mar t is taovend wir niks toe den botteram... [vanavond op droog brood naar bed]
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-03-19 - Hij heej munne botteram in t waoter gegooid... Zôô-zôô... En meej opzet... Nèè meneer, meej zult...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 101, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-05-08 - Een eed mag men niet lichtvaardig afleggen, maar het is wel mogelijk op een andere manier nadrukkelijk te onderstrepen, dat men de waarheid spreekt of het bij het rechte eind heeft. Bijv. "Als dat nie klopt, vreet ik mijn pet op!" Kinderen hadden daarvoor weleer een andere vocabulaire. Zij zouden in het onderhavige geval: "kruiske stèèrven" of "honderd duizend ijzeren boterhammen opeten" en nog zo'n paar van die krachttoeren uitvoeren, welke we vergeten zijn.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 110, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-10-03 - Is een zaak of situatie zoals zij behoort te zijn, valt er geen omissie, gebrek of tegenspraak te ontdekken, dan kan de Tilburger voldaan constateren: "Het klopt als twaalf aaieren (eieren) mee 'nen mikken boterham". (Mik is wittebrood). Wij voor ons zijn op het eerste gezicht geneigd te denken, dat dit een nogal ongewone maaltijd betekent en dat het derhalve helemaal niet klopt. De gedachte zal hier derhalve wel uitgaan naar een stevige maaltijd. Als zodanig is het dan wel wéér in orde. Het is: "dikke mik!"
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Smòrges brôod, ene botterham, hè, meej en bietje sèùker derop
zelfstandig naamwoord
botterbluumkeszelfstandig naamwoord
boterbloempjes (Ranunculus)
botterhamzelfstandig naamwoord
boterham Jan de Bray - Weeskinderen in een weeshuis in Haarlem- 17de eeuw
- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - moederke, wilde nen botterham smeere?
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, - nen botteram smeren
- Piet Heerkens; Dn örgel; Scheeresliep, 1938 Moederke, wilde nen botterkam smeere? / Heur is: mn maog klept den engel des heeren!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - En wèn gezicht! Is oewen boterham in et zaand gevalle?!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den jongen dokter, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-04-22 - 1939-05-08 - Toen ie n botterham of drie-vier op ha...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - Den Sik ha zn botterhemke deurgeslikt...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 05 14 - 's Aoves bij d'n botteram / Krèègde èèn schar mee tweeje / Gin meens ha't rèk in dieje tèd / Mar we waare tevreeje. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 09 16 - Die meense, och, ge kent ze wel, / Vertellen ok zò gère / Dèsse op dre botteram / Allèèn goei boter smèren.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 82 01 07 - 't Vurrig jaor was nie zó slècht / Al viel wel is wè teege / We hebbe ammol nog op tèd / 'nen Botteram gekreege. - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1973-04-09 - As ge vèftig geworre zèt, hedde oewen grôtste botterham op
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - dè hek echtig nie gedaon, krûîske sterven en honderd duuzend èzere botterhammen eten
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch leven, 1965-10-22 - Mar t is taovend wir niks toe den botteram... [vanavond op droog brood naar bed]
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-03-19 - Hij heej munne botteram in t waoter gegooid... Zôô-zôô... En meej opzet... Nèè meneer, meej zult...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 101, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-05-08 - Een eed mag men niet lichtvaardig afleggen, maar het is wel mogelijk op een andere manier nadrukkelijk te onderstrepen, dat men de waarheid spreekt of het bij het rechte eind heeft. Bijv. "Als dat nie klopt, vreet ik mijn pet op!" Kinderen hadden daarvoor weleer een andere vocabulaire. Zij zouden in het onderhavige geval: "kruiske stèèrven" of "honderd duizend ijzeren boterhammen opeten" en nog zo'n paar van die krachttoeren uitvoeren, welke we vergeten zijn.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 110, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-10-03 - Is een zaak of situatie zoals zij behoort te zijn, valt er geen omissie, gebrek of tegenspraak te ontdekken, dan kan de Tilburger voldaan constateren: "Het klopt als twaalf aaieren (eieren) mee 'nen mikken boterham". (Mik is wittebrood). Wij voor ons zijn op het eerste gezicht geneigd te denken, dat dit een nogal ongewone maaltijd betekent en dat het derhalve helemaal niet klopt. De gedachte zal hier derhalve wel uitgaan naar een stevige maaltijd. Als zodanig is het dan wel wéér in orde. Het is: "dikke mik!"
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Smòrges brôod, ene botterham, hè, meej en bietje sèùker derop
zelfstandig naamwoord
botterhammezelfstandig naamwoord
boterham Jan de Bray - Weeskinderen in een weeshuis in Haarlem- 17de eeuw
- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - moederke, wilde nen botterham smeere?
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, - nen botteram smeren
- Piet Heerkens; Dn örgel; Scheeresliep, 1938 Moederke, wilde nen botterkam smeere? / Heur is: mn maog klept den engel des heeren!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - En wèn gezicht! Is oewen boterham in et zaand gevalle?!
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den jongen dokter, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-04-22 - 1939-05-08 - Toen ie n botterham of drie-vier op ha...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - Den Sik ha zn botterhemke deurgeslikt...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 05 14 - 's Aoves bij d'n botteram / Krèègde èèn schar mee tweeje / Gin meens ha't rèk in dieje tèd / Mar we waare tevreeje. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 09 16 - Die meense, och, ge kent ze wel, / Vertellen ok zò gère / Dèsse op dre botteram / Allèèn goei boter smèren.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 82 01 07 - 't Vurrig jaor was nie zó slècht / Al viel wel is wè teege / We hebbe ammol nog op tèd / 'nen Botteram gekreege. - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1973-04-09 - As ge vèftig geworre zèt, hedde oewen grôtste botterham op
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - dè hek echtig nie gedaon, krûîske sterven en honderd duuzend èzere botterhammen eten
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch leven, 1965-10-22 - Mar t is taovend wir niks toe den botteram... [vanavond op droog brood naar bed]
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-03-19 - Hij heej munne botteram in t waoter gegooid... Zôô-zôô... En meej opzet... Nèè meneer, meej zult...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 101, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-05-08 - Een eed mag men niet lichtvaardig afleggen, maar het is wel mogelijk op een andere manier nadrukkelijk te onderstrepen, dat men de waarheid spreekt of het bij het rechte eind heeft. Bijv. "Als dat nie klopt, vreet ik mijn pet op!" Kinderen hadden daarvoor weleer een andere vocabulaire. Zij zouden in het onderhavige geval: "kruiske stèèrven" of "honderd duizend ijzeren boterhammen opeten" en nog zo'n paar van die krachttoeren uitvoeren, welke we vergeten zijn.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 110, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-10-03 - Is een zaak of situatie zoals zij behoort te zijn, valt er geen omissie, gebrek of tegenspraak te ontdekken, dan kan de Tilburger voldaan constateren: "Het klopt als twaalf aaieren (eieren) mee 'nen mikken boterham". (Mik is wittebrood). Wij voor ons zijn op het eerste gezicht geneigd te denken, dat dit een nogal ongewone maaltijd betekent en dat het derhalve helemaal niet klopt. De gedachte zal hier derhalve wel uitgaan naar een stevige maaltijd. Als zodanig is het dan wel wéér in orde. Het is: "dikke mik!"
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Smòrges brôod, ene botterham, hè, meej en bietje sèùker derop
zelfstandig naamwoord
boutzelfstandig naamwoord
1. zelfstandig naamwoord fiasco, flop, iets waardeloos waarschijnlijk van bout in de betekenis uitwerpsel, drol in de vorm en kleur van een bout
Ferry van de Zaande-sticker - 2013 2. voorvoegsel
2. ijzeren werktuig, wroeter
boutewerkwoord
bouten, dat wil zeggen 'poepen'
boutjanzelfstandig naamwoord
gratis en voor niks
bouwzelfstandig naamwoord
gebouw, bouwwerk
braajewerkwoord
breien braaje - braajde/breej - gebraajd/gebreeje
- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2016 - Int nòjaor moeste ze tuijere, daor zaat dan de, de mèèd, de dienstboode bij, de mèèd zin wij vruuger. Die laag dòr bè te braaje èn die moes aaf èn toe die starte vort slaon!
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 A-k oe gebraaid hò, dan hò-k oe aachtermekaare ötgetròkke.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - Ik herinner me nog borstrokke, vruuger droege we swenters borstrokken over ons hemd tegen de kou. Die dinge wiere gebraaid. Hadder toevallig enen òn gekreege, die öt de losse pols gebraaid waar, dan zaat dè wel lekker soepel over oew hemd en konde oe èège zonder moeite beweege. Mar soms, soms waar der intje ònt braaie gewist, die alles zôo vaast ha aongetrokke, dègge dè kuras, dè borstharnas, amper over oewe kop krêegt getrokken. Aojemhaole gong dan nao efkes oefene wel wir mar soepel bèùge waar der nie bij.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - Vergit ok de mèskesonderbroeke nie. Die mèskes, zôlang ze nog meske waren, droege gebraaide broeken. As die öt de waas kwaame, waaren et net planken, zôo stèèf, zeker asse te wèèrm gewaase waaren.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - De broek, diese aonha zal wel un gebraaide zèn gewist, zon ketoene, waor et petrôon op oew kont viel af te leezen, agge efkes gezeete hadt.
- Ruud Damen & G.W.J. Steijns; Et Buukske; Wè en hoe in de Tilburgse Taol, 2008 - Nie praote mar braaje - niet kletsen [je laten afleiden] maar doorwerken
- Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - braaie
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 braijen - breijen, breiden
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 gebreeën (zachte e); 3e hoofdvorm van breien
- WBD - kousenbraajer - paard dat onder het stappen de benen kruiselings plaatst
braajerzelfstandig naamwoord
breier
braajnòldzelfstandig naamwoord
breinaald
braajwèèrkzelfstandig naamwoord
breiwerk; broddelwerk
braakpersoonsvorm; verleden tijd van breeke brak
braandzelfstandig naamwoord
1. brand, figuurlijk gebruikt
2. ontsteking (van de huid)
braandastraasiewerkwoord
brandverzekering
braandewerkwoord
branden braande - braande - gebraand
braandeboerszelfstandig naamwoord
uit het Franse brandebourg

braandkèùlzelfstandig naamwoord
brandkuil
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
braandrestraasiezelfstandig naamwoord
braawewerkwoord
brouwen
braawelewerkwoord
wauwelen, wawelen, bazelen
braawerzelfstandig naamwoord
bierbrouwer
()
1. Aan de Heikant bij de ingang der Heikantse Baan de firma Witlox. 2. Aan het Goirke hoek Kasteeldreef Jan de Kanter, tevens koster. 3. Aan de Veldhoven C. van Roessel, brouwerij De halve Maan tevens handelsmouterij. 4. Aan de Bosscheweg rechts over de Kanaalbrug brouwerij De Kroon met mouterij. De eerste hiervan staat er nog, maar zal wel van bestemming zijn veranderd. Tijdens de oorlog 1914-1918 deed ze nog dienst als groente-drogerij. 5. Aan de Lovensestraat heeft de heer van Tulder nog een brouwerijtje gebouwd, maar of er ooit bier gemaakt is betwijfelen wij sterk. Het gebouw bestaat nog en is te vinden op het terrein van de steenkolenhandel der firma Van Ierland. 6. Aan de Bosscheweg ter hoogte waar nu fraterhuis en -school staan, firma van Roessel, brouwerij Het Anker. Deze heer woonde echter op de Heuvel naast de kerk en had ook café, het tegenwoordige l'Industrie. 7. Aan de Bredaseweg, waar nu is gevestigd melkhandel firma van Thiel, voordien de graanhandel firma Gebr. Majoie, was de brouwerij van de heer van den Boer. 8. Eveneens aan de Bredaseweg, tegenover het missiehuis, heeft Henri de Kanter, zoon van Jan (zie nr. 2), ook een brouwerij gebouwd. Hiervan zouden we hetzelfde kunnen zeggen als van nr. 5. Heden is er in gevestigd de garage van de heer Strijbosch. 9. Aan het Korvelplein brouwerij De Posthoorn, erven A.H. van Roessel. Deze A.H. van Roessel was een broer van brouwer C. van Roessel aan de Veldhoven (zie nr. 3). Op Korvel was ook een mouterij voor eigen gebruik. 10. Brouwerij De Schaapskooi, ook met eigen mouterij. Dan waren er nog een paar andere, die echter geen Coopbrouwerijen waren, dus uitsluitend dienden voor eigen gebruik. Wellicht bestaan ze nog, namelijk bij de Eerwaarde Paters Capucijnen Korvelseweg en de Eerwaarde Paters Missionarissen aan de Bredaseweg. Buiten deze Tilburgse brouwerijen leverden nog verschillende andere brouwers hier hun product, o.a. die van Hilvarenbeek, Baarschot (onder Diessen), Middelbeers, Vessem en misschien nog andere.
brakzelfstandig naamwoord
klein kind, altijd een jongen
- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - Gij waart nòg mar nen brak van en jaor òf zeuve
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? nen kleinen brak; nen brak van amper zes jaor
- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa, 1990 - De kleen brakke zen in dun hof ont mitje steke!
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-12-22 Ons klutje dè strooit wè plezier in t rond (...) Dan gaot ie.. dn brak en hij zuukt t geluk...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1963-11-29 - Toen t nog unne klèène brak was..
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 11 30 - Dè Sindreklaos zòiets kan doen / Snappe ze nie die brakke / Wörom krègt wie 't miste hee / Aaltij de gròòtste pakke?
- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - ...èn langs de kaant stao zonnen aawen Tilbörgse meens meej en klèèn klutje te kèèke, èn ik heur diejen brak zègge...
- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Dè was toen ik nòg mar enen brak waar...
- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Hoe grôoter de strêûp hoe beeter. Ge had toen ok nòg veul mêer sorte kender dan teegesworreg. Ge had irst platte kènder. Dè waare de kiendjes die nòg nie kosse lôope. Die wèrre dikkels ok haawkènder genoemd, omdèt moeders ze òn de mèm moes haawe. Asse dan grôoter wiere van et zòg, dan waare-n-et irst klutjes, dan ploddekes, en dan brakke. Ge had ok nòg broekpoeperkes, jungskes, mèdjes òf durskes.
- Gerard Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol, 2002 - Diejen brak zit de gòdsgaanseleken dag aachter zene kompjoeter.
- WBD III.1.4:85 brak - schelm
- Hans Heestermans; Witte nog? 1988-1994 - brak - straatjongen, deugniet
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 brak - kleine jongen
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - brak - rakker, wilde jongen, straatlooper
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - brak - klein kind
- WNT brak- Thans nog hier en daar bekend voor straatjongen, bengel, guit, rekel, deugniet.

bramzelfstandig naamwoord
irritante, fatterige jongeman
branbaornaam
brandbaar
brandappelzelfstandig naamwoord
brandjezelfstandig naamwoord
1. brand, figuurlijk gebruikt
2. ontsteking (van de huid)
braojzelfstandig naamwoord
1. dikke kont, bips
- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - Ze gong er meej der braoj boovenóp zitte.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 10 06 - "Die nieuwe busse - zee de Kriest - / Zèn echt naor mènne zin, / Ge stapt gemakker in en uit / En r gaon meer meensen in. // "Dès waor", zee toen hullie Merie, / "'t is ne gemakke trap, / Mar die klèn stuultjes aon de kaant / Die vèn ik wel wè krap. // "Want zèdde 'n bietje zwaor van lèf / Dan hèdde al gaauw laast / Om dègge mee oe dikke braoi / Nie in zo'n stuultje paast.
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-10-03 - Ze stond er zôô breed bij mee dr braoi dewwer bekaant mee gedrieje aachter kosse... - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-06-05 - Wesse mee dr haande rèècht zet stôôt ze mee dr dikke braoi wir om... - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1974-10-25 - Zôdee gij oew braoi daor ôôk in wille draaie...
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den braoj - Jos Adriaansen
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; De stinpöst, 2009 - Waait de wènd onder mn ròkke/ dan is dè tòch wel genaoj./ Van den aandere kaant ist angstig/ dèk n kaaw vat òn mn braoj.
- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn eigelek hasse ok wèl n bietje enen dikke braoi, mar goed, ge moet nie te naaw kèèke.
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - braoj - nogal dik achterste
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - wè hè dè mins toch n dikke braoj!
- WBD III.1.1. - achterwerk brade, braai, praai (centraal Tilburg)
- Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 & 2002 - braoi - achterwerk, billen
2. prak, restje eten
braojappelzelfstandig naamwoord
gebraden appel
braojewerkwoord
braoje - braojde gebraoje 1. br aden
2. iets verkeerd(s) doen, verprutsen
2.1. in bijzonderheid bij het kaartspel
3. praten (babbelen)
4. het slachtoffer zijn
5. presteren
braojerzelfstandig naamwoord
prutser, knoeier
braojkezelfstandig naamwoord
klein stuk braadvlees of gebraden vlees; het opgewarmde restje van het vlees, prakje
braojpanzelfstandig naamwoord
braadpan; pan met dikke wand, geschikt om er vlees in te braden.
braoknaam
braak
braokewerkwoord
braken, overgeven braoke - bròkte - gebròkt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij bròkt
braomzelfstandig naamwoord
braosemzelfstandig naamwoord
brasem
brassewerkwoord
knoeien, morsen
brèbbelzelfstandig naamwoord
brèbbelewerkwoord
druk praten
Bredòssewègtoponiem Bredaseweg
brêednaam
breed
brêedhouwerzelfstandig naamwoord
breedhouder
breejzelfstandig naamwoord
breed, breedte Heerkens gebruikt breej/breed onzijdig in de eerste twee uitdrukkingen in combinatie met t lang en mannelijk in het laatste citaat als breeje/breedte
breekewerkwoord
breken breeke - braak - gebrooke vocaalkrimping in tegenwoordige tijd; gij/hij brikt oude verleden tijd brôok
breekwaorzelfstandig naamwoord
aardewerk, in het bijzonder serviesgoed
breekwèèrkzelfstandig naamwoord
aardewerk, in het bijzonder serviesgoed
BreesBreehees; buurtschap ten zuiden van Goirle grenzend aan landgoed Gorp en Roovert
brèkspèlspelbreker, in de war brengen
Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.
brèkspulspelbreker, in de war brengen
Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.
brèllewerkwoord
huilen, schreien
brèmzelfstandig naamwoord
haantje-de-voorste; druktemaker
brèmbeeziezelfstandig naamwoord
braambes, Rubicus fruticosus
Rubus fruticosus
Sylvia curruca - William Wright
brèmkwèèkzelfstandig naamwoord
braamsluiper
Sylvia borin - William Wright
brèmkwètjezelfstandig naamwoord
barmsijsje, grasmus, tuinfluiter
brèngewerkwoord
brengen brènge - bròcht - gebròcht
bretèlzelfstandig naamwoord
bretel
brèùdzelfstandig naamwoord
1. bruid, vrouw die in het huwelijk treedt
2. mest van mensen, drek Afleiding van het Middelnederlandse brui
brèùnnaam
bruin, bruiner, bruinst
brèùnezelfstandig naamwoord
de bruine; het (bruine) paard als metafoor voor de portemonnee
brèùnwèrkerzelfstandig naamwoord
bruinwerker
bridstnaam
breedst
bridtezelfstandig naamwoord
breedte
briefzelfstandig naamwoord
brief
briejantienezelfstandig naamwoord
brillantine product om het haar te verstevigen en te doen glanzen. In vloeibare vorm (haarwater) en als smeersel (pommade). Van het Franse werkwoord briller; schitteren, glanzen, en in 1867 daar geïntroduceerd als merknaam Brillantine.
briekzelfstandig naamwoord
schriele man etymologie onbekend
briekètbriket; geperste vaste koolbrandstof
briensewerkwoord
hinneken afgeleid van het verouderde brinsen; vergelijk briesen briense - brienste - gebrienst
brierzelfstandig naamwoord
slagboom; uit Frans barrière dat vaak Nedelands barrier werd uitgesproken en vervolgens is verkort.
briesewerkwoord
briesen
brievekaortzelfstandig naamwoord
briefkaart
brieveköpkepostzegel; letterlijk brievenkopje
brievezèkskezelfstandig naamwoord
brievenzakje, enveloppe
briktpersoonsvorm van breeke breekt 2e + 3e persoon enkelvoud; tegenwoordige tijd van breeke, met vocaalkrimping
brilzelfstandig naamwoord
bril
brillejoodzelfstandig naamwoord
samenstelling uit bril + jood brildrager
brilletienezelfstandig naamwoord
product om het haar te verstevigen en te doen glanzen In vloeibare vorm (haarwater) en als smeersel (pommade). Van het Franse werkwoord briller; schitteren, glanzen, en in 1867 daar geïntroduceerd als merknaam Brillantine.
britsewerkwoord
prakken, eten met een vork fijnmaken en dooreenmengen britse - britste gebritst; kinderspelletje
bròbbelewerkwoord
borrelen
bròbbelschèètzelfstandig naamwoord
samenstelling van brobbel (luchtbel) en schijt diarree
bròchtwerkwoord
bracht, gebracht
bròchtewerkwoord
bracht, gebracht
bròddelewerkwoord
broddelen, slecht werk afleveren
bròddelwèèrkzelfstandig naamwoord
slecht uitgevoerd werk
brödjezelfstandig naamwoord
1. bruid, vrouw die in het huwelijk treedt
2. mest van mensen, drek Afleiding van het Middelnederlandse brui
zelfstandig naamwoord
bruidje
brodkaantzelfstandig naamwoord
broodkant Letterlijk: zijkant van het brood, met name de zachte kant (zonder korst) van aaneengebakken broden; ook: brood Figuurlijk: het leven


brödspaorzelfstandig naamwoord
bruidspaar
broebelewerkwoord
borrelen, opborrelen
rilt n trillerig melodieke; puur en klaor gerol, gebroebel
broebelszelfstandig naamwoord
broederzelfstandig naamwoord
pannekoek; flinke drol
broejewerkwoord
broeden broeje - broejde gebroejd; korte oe
broekzelfstandig naamwoord
broek
broekèksterzelfstandig naamwoord
(Vlaamse) gaai
Broekhoovezelfstandig naamwoord
Broekhoven (wijk in Tilburg-Zuid); genoemd naar de hoven in het broek
broekjannekezelfstandig naamwoord
ekster
broeknaachtegaolzelfstandig naamwoord
kikker
broekpoeperkezelfstandig naamwoord
broekpoepertje; kind dat nog niet zindelijk is
broekrijewerkwoord
broekspèèpzelfstandig naamwoord
broekspèèp
broeksriemzelfstandig naamwoord
broekriem
broeliezelfstandig naamwoord
rommel, gewoel, wanorde; kinderschare (denigrerende betekenis) uit het Frans brouille
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 154, Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-04-15 - Een vrouw die "met heel haar broelie af komt zetten", brengt een "hele streup" (rij, serie, hoop) kinderen mee. Het gebruik van het denigrerende woord "broelie" verraadt, dat men op dit bezoek helemaal niet gesteld is. Voor dat "streup" zien wij verband met "streupen", het dialectische woord voor "stropen" in de zin van afstropen.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - kinderen (broedsel); un vrammes meej hil heur broelie - een vrouw met haar hele kinderschare
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - wanorde
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 10 04 - Mar 't risseltaot van al dn broelie...
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2010-02-07 - Toen ze èfkes der kont gekeerd ha, han de kènder enen hôop broelie gemòkt. - Toen ze eventjes niet opgelet had, hadden de kinderen een hoop rommel gemaakt.
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - broelie (Frans brouille) - wanorde, onoverzichtelijke toestand die iemand de neiging bezorgt zich terug te trekken en hil den broelie achter zich te laten.
- WNT broel, daarnaast broelie - in den zin van rommel, gewoel, wanorde
broeliejewerkwoord
krioelen
Broerzelfstandig naamwoord
broerdeghèdzelfstandig naamwoord
narigheid
broerdigheizelfstandig naamwoord
narigheid
broeszelfstandig naamwoord
schuim (bijvoorbeeld op de mond van een paard); schuimbeestje
broezewerkwoord
schuimen
brojkezelfstandig naamwoord
broodje
bròjkezelfstandig naamwoord
klein stuk braadvlees of gebraden vlees; het opgewarmde restje van het vlees, prakje
bròkzelfstandig naamwoord
bròkkewerkwoord
brokkelen
bròkselzelfstandig naamwoord
beschuitenpap
brökskezelfstandig naamwoord
brokje, stukje, snoepje
Bròkwaajzelfstandig naamwoord
Nieuwe Tilburgsche Courant - ca. 1930
brolliezelfstandig naamwoord
brölòftzelfstandig naamwoord
bruiloft
bròmkezelfstandig naamwoord
zelfstandig naamwoord
braampje
bromolliezelfstandig naamwoord
petroleum (uit bronolie)
bröndernaam
bruin, bruiner, bruinst
brönegnaam
bronolliezelfstandig naamwoord
petroleum (uit bronolie)
bronollieboerzelfstandig naamwoord
verkoper van petroleum
bronolliekanzelfstandig naamwoord
kan voor petroleum bronollielaamp zelfstandig naamwoord petroleumlamp
zelfstandig naamwoord
bronolliemesjientje petroleumstelletje
zelfstandig naamwoord
Bronsgist
► 9
► 9 c itaten over Bronsgist
brönstnaam
bruin, bruiner, bruinst
broozelfstandig naamwoord
bureau, bureautje
brôodzelfstandig naamwoord
brood, tarwebrood van (volkoren) tarwemeel, al dan niet gemengd met gebroken tarwe en tarwevlokken, en waarin zemelen met het blote oog waarneembaar zijn. (Koninklijk besluit 4 juni 1998)
brôodkaantzelfstandig naamwoord
broodkant Letterlijk: zijkant van het brood, met name de zachte kant (zonder korst) van aaneengebakken broden; ook: brood Figuurlijk: het leven


brôodkaastzelfstandig naamwoord
voorraadkast
brôodkrèùmelzelfstandig naamwoord
broodkruimel
Afbeelding uit het 'Nuuw Tilburgs Leesplèngske' dat in 2020 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven in samenwerking met Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant en Erfgoed Tilburg. De illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn.
brôodpaoterzelfstandig naamwoord
broodpater
brôodpèèpzelfstandig naamwoord
broodpijp fantasiewoord
brôodzakzelfstandig naamwoord
broodzak
brôojzelfstandig naamwoord
broden
brôojenaam
bijvoeglijk naanwoord van brooddeeg gemaakt
werkwoord
zoveel als: er brood van maken; figuurlijk bedoeld: zich redden, ergens in slagen
brôojerzelfstandig naamwoord
broden
brôojkezelfstandig naamwoord
broodje
brôokwerkwoord
brak oude verleden tijd van breeke; naast braak
brookezelfstandig naamwoord
bureau, bureautje
broowzelfstandig naamwoord
bureau, kantoor; meer in het bijzonder het voormalige politiebureau van Tilburg aan de Bisschop Zwijsenstraat
Auteur onbekend - Collectie Museum der Brotkultur , Ulm
zelfstandig naamwoord
bureau; in het bijzonder het politiebureau
bròssegnaam
bròssemzelfstandig naamwoord
brasem
zelfstandig naamwoord
brasem; riviervis (Abramis brama)
bröstzelfstandig naamwoord
bazig of koppig iemand
bröstegbijwoord
bronstig; tochtig (van een zeug)
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - bröstig - ons vairke is bröstig - bronstig, tuchtig
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 1991-07-06 - De stier waar wèl brösteg, mar de koej nog nie stiereg
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken?, Deel 1, 2006 As ge naa zegt tussen de soep en de èèrpel en op de keukentoffel, dan kos ik oe nog wel geleuve Dré, mar veftien keer, dan zèède nog bröstiger dan un knèèn, zeej Driekske.
- Van de Schelde tot de Weichsel; Een roestpraatje; deel 1, 1882 - En t zèugske, dat naauw brùstig is, kunnoe goeschiks nao den beer doen.
- WBD - geslachtsdrift vertonend (van een koe), ook stiereg of rits genoemd
- WBD - tochtig, gezegd van een vrouwelijk varken
- A. A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - bruistig, pruistig, briestig, britsig - tochtig
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 bruistig, bröstig - (van varkens gezegd) loops; ook wel ruw en opvliegend van karakter
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bruistig (uitspraak brösteg) - bronstig, tochtig; sprekende van zwijnen
- WNT - bruistig - onstuimig. Waarschijnlijk, zij t ook niet rechtstreeks, afgeleid van bruisen
brulzelfstandig naamwoord
brul 1.1 kenmerk van bronstige koeien
1.2 blijkbaar ook voor onvruchtbare koe
naam
2 in samenstellingen
brullewerkwoord
bronstig springen, loeien
bruudsnaam
broeds uu is kort
bruujewerkwoord
broeden
bruukskezelfstandig naamwoord
verkleinwoord van broek broekje
bruurzelfstandig naamwoord
broer, jongen, maatje, vriend lange uu 1. broer als bloedverwant
naam
2. broer als koosnaam
bruurkezelfstandig naamwoord
broertje, klein kind, jongen (zelfs als het een zoon is) de u is nu kort
bruutaolnaam
brutaal
bruuwnaam
ruw
buizelfstandig naamwoord
regenbui
bukzelfstandig naamwoord
handel, verdienste, werk
bukkemzelfstandig naamwoord
bokking, gerookte haring
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 14, Nieuwsblad van het Zuiden, 1964-10-21 - Het is mogelijk, dat het bij de jonge generatie niet zo aanslaat. Voor haar is een "bukkum" (bokking) bijna 'n onbekend product. Dit in tegenstelling tot 10-tal jaren geleden toen gerookte bokking een goedkoop volksvoedsel was. Vooral tijdens de vasten werd er nogal bokking geconsumeerd. Zodanig, dat men in die tijden van iemand, die een nogal bruine (gerookte?) huidkleur had wel eens schertsend kon horen zeggen, dat dit kwam van het vele bokking eten...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 14, Nieuwsblad van het Zuiden, 1964-10-21 - Nu we toch in de kattewereld toeven: een jeugdig paartje liep zeer lief, arm om elkaars leest, door het wandelbos. Plots zei een gepensioneerde op een bank: "De kat sleept mee den bukkum!" We vonden het oergeestig. Iedere poging tot uitleg bederft het. Je kunt de betekenis enkel maar voelen! Daarin zit juist het geestige.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 147, Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-01-13 - Een mens kan niet steeds het beste genieten. Hij moet in het leven het goede met het kwade nemen. Deze levensles hoorden wij op de volgende manier vertolken: "Ieder iets van de bukkum (bokking), al is ie nog zo plat!"
- Willem van Mook; Het land der Brabantsche week; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1930-07-31 - Jaans hee al van alles gedaon: op de Mert gestaon mee gaoren en baand en mee visch en gruunten geleurd. Dr echt artikel is eigenlijk vorschen bukkem. Mar as ze gin centen hee om gruunten of vorschen bukkem te koopen, dan gao ze mee dren man naor de Vuchterhaai, zaand schoepen. Dés de goeikoopste handelswaor die t er is.
- Willem van Mook; Het land der Brabantsche week; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1930-07-31 t Is dè wr, zoo klaogde ze, in den pruimentijd wè fruit en in de Vaasten we vorschen bukkem bij verkoopen, mar aanders was t nie om te doen.
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - vorsche bukkem
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 06 03 - Nimde gij bròòd mee bukkum mee?
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 62 02 02 - Hil de week deur unnen bukkum en zondags n aai.
- Cees Robben; Prent van de Week; Rooms Leven, 1968-04-05 - aacht vorse bukkeme, liefst meej mölluk/ En gin zaaiers...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-04-25 - Bukkum [opschrift in de tekening] - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1962-11-30 - Vurrukkelukke bukkeme... Aacht vur n kwartje... Vur-de-voet-gevat...
- Anoniem; Tilburgs folklore; n Kaoi rikkemedaosie, Nieuwe Tilburgse Courant, 1959-11-19
Toen ging ie mee bukkum leure, mee de kreugel van de buur, Jaans pluisde wol, deej stukke, t was genog vur brood en huur.
bukszelfstandig naamwoord
verkorting van bukskin ▼ bukskin
bukskezelfstandig naamwoord
kleine bok; verkleinwoord van bok
bukskinzelfstandig naamwoord
buckskin; stofnaam (textiel); zeer grof wollen weefsel
bukswèèverzelfstandig naamwoord
bukskinwever
samentrekking
b ù ns
bultzelfstandig naamwoord
bult, bochel, buil, gezwel
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den gouwen bult - Bernard Pessers
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - bultje Van Dijk n kapper uit de van Hogendorpstraat
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - bultje Eras - Hans Eras
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - bultje Franken - ... Franken, Goirkestraat
- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1954 - Mi 'n bultje van devotie lopen. Met een bultje van devotie lopen. Met een scheef hoofd lopen.
- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1965 als roep van een venter - As 't veur niks is, de bulten erop. Als het voor niets is, de bulten erop. 1. Het ervan nemen; het is voor niets. 2. Oorspronkelijk de inhoud van de maatbeker niet gladstrijken, zodat men naast de juiste maat, bij het scheppen telkens een bult meer neemt of geeft. Een kop = inhoudsmaat voor droge waren: algemeen 1 liter, in Tilburg 4,7 liter.
- WBD III.1.2:263 bult - gezwel
- WBD III.4.4:231 bult - bobbel, ook puistje; hoogte in het land (in Hasselt), ook horst genoemd
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 bult - bochel, oneffenheid. Als lichaamsgebrek voorwerp van veel scherts. De uitdrukking belofte mokt schuld, en ègget nie volbrengt, kredde nen bult, en, als antwoord op hoe laat is t?, kwart over den bult, t hee krèk gespuld.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bult - bochel; hoogte, heuveltje; buil, knobbel.
bumke1. enkelvoud - bôom
► <span style="font-family:"Garamond","serif";
2.1. meervoud bôome, bôom
2.2. meervoud - bêûm
naam
3. onderdeel van werktuigen
zelfstandig naamwoord
boompje verkleinwoord van bôom
burdzelfstandig naamwoord
bord, boord, zijschot en/of sluitplank van een karbak
burderèkzelfstandig naamwoord
burgerzelfstandig naamwoord
burger, burgemeester (en dan altijd met den)


zelfstandig naamwoord
burgemeester
burriezelfstandig naamwoord
burrie, berrie, brancard
buskezelfstandig naamwoord
bosje (zowel bloemen als bomen), bundeltje samengebonden groenten; busje
buskrèùtzelfstandig naamwoord
buskruit
Hout sprokkelen - Charles Sprague Pearce
busselzelfstandig naamwoord
bundel (bijvoorbeeld van samengebonden groenten) bussels - dennebossen
busselewerkwoord
samenbinden, bundelen
in verband met eten en drinken
busselkezelfstandig naamwoord
1. bundeltje, busseltje
2 . dodenteken
butzelfstandig naamwoord
1. gier, poep
butszelfstandig naamwoord
deuk
butsewerkwoord
deuken, kneuzen, bijvoorbeeld van vallend fruit butse - butste gebutst
butsmutszelfstandig naamwoord
valhelm
buukzelfstandig naamwoord
korte uu beuk, beukenheg
buukenbôomzelfstandig naamwoord
korte uu beuk
buukenotjezelfstandig naamwoord
beukenootje
buukenutjezelfstandig naamwoord
beukenootje
buukskeDe overgang van de 'oe' in 'boek ' naar de korte 'uu' van 'buukske' lijkt dialectisch maar is in feite de oude, Middelnederlandse vorm van 'bucsken, -kin, buksken '. Deze vormen worden geciteerd in het lemma Boekscin van het Middelnederlands woordenboek. Bij het citaat vermeldt dit woordenboek uitdrukkelijk dat het een Zuidnederlandse uitspraak betrof, met een korte 'uu' en met verkleinvorm 'kin', welke vergelijkbaar is met bijvoorbeeld 'mannekin', mannequin, mannetje. 'Bucskin' is een leenwoord geworden in het Frans, en wel als 'bouquin', waarbij de oe-klank dus gehandhaafd is, waarschijnlijk op basis van 'boeckijn' of 'boeksckijn'. In zijn Dictionnaire historique de la langue française schrijft Alian Rey dat het woord 'bouquin' aanvankelijk als 'boucquain' in 1459 voor het eerst voorkomt in een Franse tekst, en aan het eind van de 16de eeuw als 'bouquin'. Uit deze vorm is onder andere afgeleid het beroep van bouquiniste, een verkoper met een boekenstalletje op de kade van de Seine in Parijs, met vooral ouder en goedkoper drukwerk, en tegenwoordig veel souvenirs.
buunderzelfstandig naamwoord
korte uu 1. oppervlaktemaat bunder, hectare
2. toponiem Den Buunder; ven tussen Moerenburg en De Baars, ook Grollegat genoemd
naam
Zonder titel; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1904-04-16 Maar aan dien plas, aan dien Buunder zou zelfs Gezelle meer dan droefheid hebben gehoord uit het weeklagend rietgezang... Wanneer s nachts de maan haar stralen schiet over de stille golfjes van dien plas, wie zegt dan, dat er niet witte gedaanten zweven over het watervlak; of als het onstuimig is in de lucht en de donkere wolken gitzwarte schaduw over de ruw-klotsende waterdeining vlekken, wie zou er willen gaan afwachten of er niet donkere schimmen langs de rietvelden jagen, en of het droevig lied er niet zingt van menschen, die in dien duisteren poel hun dood gingen zoeken of er jammerlijk omkwamen zonder hun schuld?.... Ik weet het niet, ik weet het niet, maar in mijn jeugd waarschuwden de oudere menschen ons reeds voor dien Buunder, als voor een verraderlijk, op menschen afgunstig water, dat onder zijn lachenden waterspiegel de valschheid verborg van de schoone sirenen, die met heerlijk gezang en lonkend oog den mensch roepen in zijn verderf. En als kind waren wij altijd blijde als wij den Buunder achter ons hadden.
Den Buunder op een oude kaart van Tilburg, onder de naam Grollegat - collectie RAT
buunewerkwoord
boenen, poetsen buune - buunde gebuund korte uu
buurmanzelfstandig naamwoord
buurman korte uu
buurtzelfstandig naamwoord
korte uu 1. buurt, omgeving
2. het buurten, gezellig gesprek
buurtewerkwoord
gezellig babbelen (oorspronkelijk met buren) korte uu buurte - buurtte gebuurt
- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - Et wèèf zit wir èrgerhaand te buurte.
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 8; 1929 -12-29 - Omdè de aovenden zô lang zèn hôk besloten wè te gon buurten bij Bartje Bollekes...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-11-25 - Ge speult wè kaort en buurt en praot
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 05 05 - Ons Drieka schèènt op tilleviesie/ omdè ik iederen aoved kèèk/ zij wil liever aaltij buurte/ mar deeze week krêeg ik gelèèk.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Ik wier prompt teruggestuurd dur onze vadder, die daor op de plaots stond te buurten meej enne maot van et wèèrk.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - Buurte, thee drinke meej un kuukske.
- WBD III.3.1:42 - (gaan) buurten, smoren en ouwehoeren - kortavonden
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - buurte - gezellig kletsen
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 buurten - praten als met buren, zonder gewichtigheid en in der zelfde taal; een tot niets verplichtende conversatie voeren.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - buurten - den avond al koutende bij den eenen of anderen gebuur gaan doorbrengen
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - buurten, ook wel kortavonden;
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bürte(n) - ergens een bezoek brengen en er blijven praten (wat helemaal niet in de buurt hoeft te zijn)
- WNT buurten - in de buurt een bezoek brengen, met een buur gaan praten
buurterzelfstandig naamwoord
iemand die (geregeld) ergens komt buurten korte uu
buurvrouwkorte uu buurvrouw
buutzelfstandig naamwoord
buit; van Frans but; mikpunt, doel
buutewerkwoord
1. aanleggen (gezegd van een vuur), graven korte uu
2. boeten