baad
werkwoord

enkelvoud van verleden tijd van bidde - bad

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven 1960-11-11 - En ik baad meej...
baad
baaj
  1. telwoord

    beide(n)

    - Piet Heerkens; De Mus; Mijn deuntje, 1939 - in baai oew eugkes...
    - Piet Heerkens; Dn örgel; Ouwe man, 1938 - Hij keek me lang, aondaachtig aon; in baai z'n ooge blonk 'n traon.
    - Cees Robben; Prent van de Week, 1956-04-28 - En mee t aai in baai zn haand...
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - gin van baaje - geen van beiden
    - Stadsnieuws; dialectrubriek, 2006-07-02 - êen van baaje vatte, aanders krèède sebiet gin van baaje
    - Henriëtte Vunderink; k Zal van oe blèève haawe; Saome, 2007 - Wè was et schoon daor op de haaj,/ meej niemand as allêen wij baaj...
    - Henriëtte Vunderink; Tis de moejte wèrd; Vergeefse mankemènte, 2011 - Hij wier òn baaj de kaante wèl wè dôof.
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 baaje - beiden - eênvanbaaje, ginvanbaaje
    - H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch; De bie zit op de blom, 1932 - Al zijn ze baai wa jong...
  2. 2. zelfstandig naamwoord baai (stof, textiel) zowel de uitspraken baaj als baoj lijken voor te komen

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 05 03 - 'n Korte onderbroek laag klaor / Gin lange van wèrm baai / Die ha's Sjaan in de kaast gelee / Ze zee: "'t Is ommers maai."
    - Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Ze stonke nòr smoutolie, dè wèl, mar ze mòkten ok laoke èn ze mòkte flenèl. Èn rips, èn baaj, èn ok mesjèster.
    - Henk van Rijswijk; Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool, 1950-1954 baai - zware wollen stof met strijkgaren ketting en inslag, meestal in platbinding geweven. Na het weven gevold en sterk geruwd. De gebruikte grondstof was vaak van de wat mindere soort wol. Vroeger vooral geverfd met mekrap waardoor de typische roodbruine kleur ontstaat. Toepassing: rokken en goedkope bovenkleding.
baaje
naam

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - en baaje broek - te wijde broek (wegens overeenkomst met een broek van de stof baai?)
- Cees Robben; Prent van de Week, 1957-07-06 - Dn baaijen rok
- WBD III.1.3:101 - baaien rok, baaien onderrok - dikke baaien onderrok
baaje
baajgard
naam

allebei, bij elkaar, samen

- Een roestpraatje; Weekblad van Tilburg, 1867-10-05 - Ik staauw ze (de kalveren) baaigard. [daar geannoteerd als beide te gader]
baand
  1. zelfstandig naamwoord

    band, bandje 1. fietsband Tekening: - Cees Robben; uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Jè jè, ge kunt zo nog al wè laoie op in fiets as de bendjes mar hard staon
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Dur waar slèècht òn baande te koome (in de oorlog)
  2. 2. termen uit de industrie en ambachten

    - WBD II:997 - ónderbaand onderband; touw van een dradenkruis
    - WBD II:1000 - ónderbaand - vitskoord; ook: flèsroejlus
    - WBD II:1050 - lóssem baand - losse band; dubieuze aanduiding voor schie, bij breuk van het inslaggaren
    - WBD II:2765 - vurbaant - naafband (buitenzijde)
    - WBD II:2766 - aachterbaant - naafband (binnenzijde)
    - WBD II:2766 - spêêgbaande - naafband (aan weerszijden van de spaakgaten)
    - WBD II:2868 baande - banden (voor kuipen en vaten)
    - WBD II:2868 - rêêpe - idem
    - WBD II:2907 - hawtere(n) baant - houten band (voor een vat)
    - WBD II:2868 - baant - (kuip)band
  3. 3. anatomie (dieren)

    - WBD - baande - spieren tussen de staart en het kruis van de koe, ook genoemd plaote
  4. 4. lopende band

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 07 17 - We zèn twee weke van dn baand. [Twee weken vakantie]
  5. 4. overige betekenissen

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Netuurluk moes ik nog wel meejhelpe kraante vouwen en der un bendje meej naom en adres om heene plekke.
    - WBD III.3.3.111 - baand - bandelier van de suisse
    - WBD III.1.3:134 - gatbanden - korte linten van een schort
baank
zelfstandig naamwoord

bank, werkbank

- WBD II:956 - zitbaank, baank - zitplank van de weefgetouw; ook zitplank
- WBD III.4.4:22 - bank, wolk(en)bank - wolkenbank
- WBD III.4.4:148 - bank - aardlaag
- WBD III.3.3:41 - banken, kerkenbanken - idem
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bank - dur de bank gemiddeld
baankbaank
baarst
zelfstandig naamwoord

barst

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 baarst - barst
baast
zelfstandig naamwoord

bast, schors; lijf (buik); harde huid van een noot, ook schaol, schölp of bòlster genoemd

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - pènt in menen baast - pijn in mijn lijf
- WBD III.1.1:123 bast - buik
- WBD III.2.3:80 bast - schaal van peulvruchten
- WBD III.4.3:104 bast - schors van naaldbomen
- WNT bast - als een platte naam voor het lichaam van een mensch, of eigenlijk voor de huid; het meest in verbinding met de voorzetsels aan of op.
baaste
  1. werkwoord

    1. bassen, blaffen

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - baasten - heurde dieen hond nie baasten?
    - WNT - bassen - eigenlijk van honden: blaffen
  2. 2. omzomen (als onderdeel van de ververij in de textielindustrie)

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - baasten - Het stukgoed dat geverfd moet worden en waarvan men wenscht dat de zelfkant niet mede wordt geverfd, werd eerst gebaast, d.w.z. de zelfkant wordt met een zwaar lint omnaaid zoodat deze bij het verven ongeverfd blijft.
    - WTT; Ed Schilders, 2020 - In verband met de aantekening hierboven van Daamen zij gewezen op een bewijsplaats in het WNT, lemma Bast, waarin dit woord in verband wordt gebracht met het Middelhoogduitse Bast in de betekenis saum oder bebänderte rand eines kleides. Het geweven stuk wordt dan, conform Daamen, slechts aan één zijde geverfd. Het WNT maakt bij de afleiding basten gewag van een vorm van oplichterij in vroeger eeuwen: Wat kan meer naa bedrog smaaken, dan door het basten, by onvoorsigtige vreemde koopers, een geverfd laaken te doen passeren, gelyk of het in de wolle geverfd ware. Met andere woorden, het aan één zijde geverfde weefsel werd verkocht als in de wol geverfd. De laatstgenoemde, spreekwoordelijk geworden techniek behelst dat de wol al werd geverfd in ruwe, nog niet gesponnen vorm. Daardoor waren kleur en kwaliteit veel beter.
baauw
  1. zelfstandig naamwoord

    1. horzel

    - Een roestpraatje; Weekblad van Tilburg, 1867-10-05 - Gij gao () nie bizzen veur de eerste baauw
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, deel 4: Bestarium (2005, bezorgd door Jos en Cor Swanenberg) baauw, de naam van eene (koolzwarte) horzel die het vee plaagt (in WNT onder biesbouw). Het woord komt voor in de zegswijze Van d'eurste bauw nie gaon bizze letterlijk van koeien en kalveren in de wei gezegd, die met den bek open en de staart in de hoogte op en neer draven uit vrees voor den biesbouw dan: niet licht op de loop gaan, een gevaar durven afwachten.
  2. 2. bouw, gebouw, bouwwerk, de bouwsector

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Zèn bruurs wèèreke in den baaw.
baaw
  1. zelfstandig naamwoord

    1. horzel

    - Een roestpraatje; Weekblad van Tilburg, 1867-10-05 - Gij gao () nie bizzen veur de eerste baauw
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, deel 4: Bestarium (2005, bezorgd door Jos en Cor Swanenberg) baauw, de naam van eene (koolzwarte) horzel die het vee plaagt (in WNT onder biesbouw). Het woord komt voor in de zegswijze Van d'eurste bauw nie gaon bizze letterlijk van koeien en kalveren in de wei gezegd, die met den bek open en de staart in de hoogte op en neer draven uit vrees voor den biesbouw dan: niet licht op de loop gaan, een gevaar durven afwachten.
  2. 2. bouw, gebouw, bouwwerk, de bouwsector

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Zèn bruurs wèèreke in den baaw.
baawe
werkwoord

bouwen

- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 bawe - baawe
babbiekiendje
zelfstandig naamwoord

baby

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - baby
bag
zelfstandig naamwoord

big

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 bag - big
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - Naast drift in Tilburg, ook kuuske en kap/kabbe rond Tilburg, alsmede bag in een gedeelte van Midden-Brabant
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - bag - big, bagghe
- WBD - jong varken, big, ook genoemd kuuske of (in Hasselt:) kab
- WNT bagge - zie big
bagge
werkwoord

biggen bagge - bagde - gebagd

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 - baggen - een toom biggen ter wereld brengen.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bagge(n) - baggen werpen - De zog moet korts bagge.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - baggen - biggen
- WBD - jongen, biggen ter wereld brengen; ook kabbe genoemd (in Hasselt)
- WNT baggen biggen, jongen werpen
baggermeule
zelfstandig naamwoord

baggermolen

- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Meej ene baggermeule hèn ze et ok wèl gedaon (...het kanaal aanleggen) mar dè ging nie zo goed. Dieje grond was te hard, dè was te leemachteg!
bak
  1. zelfstandig naamwoord

    bak(je) in diverse betekenissen 1. in de uitdrukking ...halven bak - van het zelfstandig naamwoord bak in de betekenis het bakken ofwel baksel; met half wordt niet geheel, dus halfbakken, bedoeld

    - WTT Ed Schilders 2012 - In het dialect is de uitdrukking dichter bij de oorsprong gebleven: het baksel (het bedoelde werk) is gebrekkig.
    - Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - halven bak - half werk: Tis ammòl halven bak wèttie doe!
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - halven baks gedaon (bijwoordelijk gebruik)
    - WNT - halfbakken - bij qualitatieve persoonsnamen. Niet volslagen; in gebrekkige mate datgene zijnde wat door den naam wordt aangewezen; onvolkomen of gebrekkig in zijne soort.
  2. 2. voederbak

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zenèège van den bak laote bèète - zich laten verdringen
    - Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Als ze goed ter been waren, mochten ze hooguit wa zaad in het bakske van het kanariepietje doen, nie meer...
  3. 3. Kom, kop, bak om uit te drinken, maar ook ieder komvormig voorwerp waaruit koffie of thee wordt gedronken.

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - en lékker bakske kòffie
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ze gaven schôon schilderijkes, un wijwaotersbekske of un lievevrouwebildje.
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel; NTC 1939-02-25 - 1939-04-18 - Daor is naa eenmaol niks aon te doen, we zullen er mar n bekske troost op drinke.
    - Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Toen dn oudste terug kwam mee de boodschap dat vrouw Sjaane al onderweg was zette Sjareltje al vast mar koffie want ze zou eerst wel n bakske lusten.
    - Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Maar allee... we zullen eens gaan kijken of de vrouw de koffie al klaar heeft, gij lust toch zeker ok wel n bakske
    - Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Het vrouwvollek lust onderwijl wel n bakske koffie.
    - A.J.A.C. van Delft; Van vroeger dagen, van vrijen en trouwen; NTC, 1929-11-30-30 - Na de Mis gebruikte die dan bij haar de koffie, soms kwamen meerdere buurvrouwen op een bakske.
    - A.J.A.C. van Delft; Van vroeger dagen, folklore en ambacht; NTC, 1930-02-01 - n Buurvrouw komt tegen half elf een bakske doen, dat wil zeggen zij komt een tas koffie slurpen met een bestel (soort beschuit) en suiker onderwijl de nieuwtjes der buurtgenoten te releveeren of kwaad...
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, nr. 66; NTC, 1968-11-04 - Een half elfke is het bakske koffie, dat buurvrouwen des morgens om half elf plegen te drinken.
    - Cees Robben; Prent van de Week, 1958-02-01 - Dan maolt ze dn koffie.. en zet unne bak...
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 Bèkske n lèkker bèkske koffie
    - Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 en 2002 - bèkske - kop met oor, in tegenstelling tot kumke
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Men zegt hier wel een bakje thee drinken onder den burgerstand...
    - WNT bak kopje; in de volkstaal van verschillende streken
    - WBD III.2.1:l86 - bakske kopje; ook genoemd: kom, kumke of tas
    - WBD III.2.3:40 bakske - de maaltijd in de namiddag (de warme maaltijd werd vaak gebruikt na het middaguur; de broodmaaltijd aan het eind van de middag (werkdag)) werd vaak aangeduid als koffiedrinken
  4. 4. grap

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant; NTC, 2-11-1929-11-2 - Den burgemister hee ne schoonen bak utgehold.
    - WBD III.3.1:249 bak - grap
  5. 5. bak - doosvormig voorwerp

    - WBD II:601 bak weekbak; soort spoelbak in een looierij.
bakhèùs
zelfstandig naamwoord

bakke
werkwoord

bakken . A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen; NTC, 1929-04-06 - hij bakt met alle pannen - hij is van alle markten thuis; ook: hij huilt met de wolven, waarmee hij in t bosch is

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - bakke me en aaj of bakkeme en aaj? - doen we het of doen we het niet?
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - bakkeme en aaj òf maokeme en kiendje?
- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003 - die is met ht bakken uit de pan gesprongen een buitenechtelijk kind.
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - bakke, ik bak, gij/hij bakt, wij bakke - ik bakte - wij hèbbe gebakke
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bakke - bakken.
- Willems; Dialectenquête, 1887 - en poets speule - een poets bakken
- Willems; Dialectenquête, 1887 - bakke - bakte - gebakke
- WBD - bakoove, oove, oowve - bakoven (in het bakhuis van een boerenhuis)
- WBD III.4.4: 91 - bakken - vriezen
bakkelaaje
werkwoord

bakkeleien

- Van Dale - uit Maleis berkelahi; twisten; ruzie maken, kibbelen
- Onze Volkstaal; Woordenlijst der Noord-Brabantsche Volkstaal nr. 4, 1882 - Bakkelaejen, mee iement, iemand naloopen en flikflooien om zijne gunst te verwerven. Het tegendeel dus van Nederlands bakkeleien; elkander afrossen.
bakker
  1. zelfstandig naamwoord

    bakker

    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - bèkker
    - Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, gebaseerd op Nicolaas Daamens Handschrift Tilburgs Dialect (1916) - De bakker hee in den oven gescheten. De bakker heeft in de oven gescheten. De bakker sluit zijn bedrijf. (De bakker schiet een brood in de oven; schijt hij erin, dan heeft hij niets te bakken.)
  2. zelfstandig naamwoord

    bakkerbakker
bakkerij
zelfstandig naamwoord

achterste

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - Ze heeft een flinke bakkerij (achterste)
bakkes
  1. zelfstandig naamwoord

    Etymologie

    - WNT - Bakkes is verkort uit bakhuis gezicht, kinnebak (...) Het eerste lid is Middelnederlands backe wang, kaak (...) Het tweede lid is huis in de betekenis omhulsel, kap, zoals dat ook voorkomt in bijv. klokhuis.
  2. 1. het gezicht, in het bijzonder de mond als deel van het geheel; meestal van een man, vaak spottend bedoeld voor een lelijk of uitzonderlijk uiterlijk

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg bakkes gezicht, mond, bek
    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs dialect, 1916 - 't ïs een hard gelaach 'n kaind te kussen mee 'n steene bakkes.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 19 81-02-20 - o nze pa heej meej zn schaors in zn bakkes gesneeje;
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 19 81-02-20 vervolg van de zojuist genoemde prenttekst) - as gij naa nog eene keer tegen t smoel van onze pa bakkes zegt, dan zakkes op oe vruut timmere...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1982-04-24 - wè hee dè strontjong toch n straant bakkes war...
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - fèèn bakkes - kieskeurig
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zo gaaw we geslacht hèbbe, krèède gij de bakkes (zoethoudertje)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - haawt oew bakkes - hou je mond
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - hil dè volk zaat meej zen bakkes vol taande
    - Stadsnieuws; dialectrubriek, 2006-02-26 - Ge kunt den draank öt zen bakkes tappe.
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Die zeergeleerde meense aaltij meej der groot bakkes.
    - Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Wanneer iemand flink uit zijn mond stinkt: - Hèdde gij gin kont omdègge zo öt oew bakkes stinkt?
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Zakkoe es meej oew bakkes oover de kaaje naaje Zal ik jou eens met je smoel over de straatstenen slaan
  3. 1.1. houtere bakkes mond van hout; met name gezegd als er drank wordt geschonken en iemand per ongeluk wordt overgeslagen

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Hèk soms en houtere bakkes? (opmerking van iemand die in café overgeslagen wordt bij een rondje).
    - Je bent een echte Tilburger als...; Enquête over Je favoriete Tilburgse woord, maart 2013 -
    - Stadsnieuws; dialectrubriek, 2006-05-21 - Hèk soms en houtere bakkes?
    - Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Want die aander vèèf (drinkers), die hèbben ok gin houtere bakkes.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - kèb ok gin houtere bakkes - ik tel evengoed mee.
  4. 2. grimassen, bekken trekken

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1980-02-01 - Ge hoeft enen aawen aop gin bakkese te leere trèkke
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 182, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-11-24 - Hij was zo gedienstig dat hij een ouwe aap nog bakkussen zou leren trekken", werd gezegd van iemand wiens gedienstigheid wat overdreven werd gevonden. "Bakkus" (eigenlijk "bakkes") is gemeenzame taal voor wat meer beschaafd "gezicht" heet.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Dikkels waren et van die zuurkes, waor ik al hillemol niks van moes hebben. Daor kréégde zon schraol bakkes van, vond ik.
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bakkes - 'k Zan is aan ew bakkes slaon.
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - bakkes bakes - muil der dieren; in platte taal aangezicht of mond
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bakkes - muil der dieren. In de gemeene taal gebezigd voor mond. Houd uw bakkes - zwijg! ook: gelaatsverwringing, grimas
    - WBD III.4.2:32 - bakkes - bek, muil, mond van een dier, ook kweek genoemd
    - WBD III.4.2:33 - bakkes - voorste deel van het gezicht van een dier, ook genoemd: snufferd, wroet, neus of toot
    - WBD III.1.1:63 bakkes - gezicht
    - WBD III.1.1:80 bakkes - kaakgestel
    - WBD III.1.4:269 - een bakkes trekken - een lelijk gezicht trekken
  5. Object, tentoongesteld als onderdeel van de kermistentoonstelling 'Jaozeetie', Tilburg 2018.

bakkesvol
zelfstandig naamwoord

soort snoepgoed

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 117, Nieuwsblad van het Zuiden 1971-01-11 - In de vroegere snoepwinkeltjes, waar de jeugd haar zondagse cent ging "verbrassen" door voor een halfje te kopen en dan een halfje terug te vragen, zag zij zich o.a. in haar keuze ook gesteld voor een bepaald soort snoepgoed, dat uit de circulatie verdwenen schijnt. Het betrof hier nogal vrije grote blokjes, waarin vermoedelijk nogal wat druivesuiker verwerkt zat, die rose van kleur waren, doch die als hoofdkenmerk de erin verwerkte, hele olienootjes bezaten. Zo'n brok in je mond betekende letterlijk een hele mondvol. Wij hoorden dit snoepgoed, dat bij de Hasseltse kapel in de meimaand nooit op de kraampjes ontbrak, betitelen als een "bakkusvol".
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven 1970-07-16 t kèènd heej dr bakkes vol sjep...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - mondvolle dubbeldikke zwartwit-toffee
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - snoepgoed voor een halve cent te koop bij de Hasseltse kapel
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - bakkesvol [sic; zie Robben hierboven] meej sjèp - mondvol drop
- Je bent een echte Tilburger als...; Enquête over Je favoriete Tilburgse woord, maart 2013
- WBD III.4.4:278 bakkesvol - mondvol
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bakkesvol - babbelaar die zoo groot is dat men er maar een enkelen van in den mond kan steken
bakkesvol
bakketèl
zelfstandig naamwoord

kleinigheid, onbenulligheid, bagatel

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Enen baand plèkke is vur mèn mar en bakketèl.
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - gin bakketel
- WBD III.3.1:364 - bagatel kwajongensstreek; van Frans bagatelle - kleinigheid, beuzeling, wissewasje, vrijage
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - bagatel - bagatèl of bagetèl - kleinigheid
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bagatel
- WNT bagatel - ontleend aan Frans bagatelle en dit aan Italiaans bagatella
bakoove
zelfstandig naamwoord

bakoven

- WBD - bakoove, oove, oowve bakoven; in het bakhuis van een boerenhuis
bakpan
zelfstandig naamwoord

lui vies wijf

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - bak-pan - lui vies wijf
- WBD III.2.1:195 - bakpan, ook braojpan
bakske
  1. zelfstandig naamwoord

    bak(je) in diverse betekenissen 1. in de uitdrukking ...halven bak - van het zelfstandig naamwoord bak in de betekenis het bakken ofwel baksel; met half wordt niet geheel, dus halfbakken, bedoeld

    - WTT Ed Schilders 2012 - In het dialect is de uitdrukking dichter bij de oorsprong gebleven: het baksel (het bedoelde werk) is gebrekkig.
    - Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - halven bak - half werk: Tis ammòl halven bak wèttie doe!
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - halven baks gedaon (bijwoordelijk gebruik)
    - WNT - halfbakken - bij qualitatieve persoonsnamen. Niet volslagen; in gebrekkige mate datgene zijnde wat door den naam wordt aangewezen; onvolkomen of gebrekkig in zijne soort.
  2. 2. voederbak

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zenèège van den bak laote bèète - zich laten verdringen
    - Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Als ze goed ter been waren, mochten ze hooguit wa zaad in het bakske van het kanariepietje doen, nie meer...
  3. 3. Kom, kop, bak om uit te drinken, maar ook ieder komvormig voorwerp waaruit koffie of thee wordt gedronken.

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - en lékker bakske kòffie
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ze gaven schôon schilderijkes, un wijwaotersbekske of un lievevrouwebildje.
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel; NTC 1939-02-25 - 1939-04-18 - Daor is naa eenmaol niks aon te doen, we zullen er mar n bekske troost op drinke.
    - Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Toen dn oudste terug kwam mee de boodschap dat vrouw Sjaane al onderweg was zette Sjareltje al vast mar koffie want ze zou eerst wel n bakske lusten.
    - Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Maar allee... we zullen eens gaan kijken of de vrouw de koffie al klaar heeft, gij lust toch zeker ok wel n bakske
    - Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Het vrouwvollek lust onderwijl wel n bakske koffie.
    - A.J.A.C. van Delft; Van vroeger dagen, van vrijen en trouwen; NTC, 1929-11-30-30 - Na de Mis gebruikte die dan bij haar de koffie, soms kwamen meerdere buurvrouwen op een bakske.
    - A.J.A.C. van Delft; Van vroeger dagen, folklore en ambacht; NTC, 1930-02-01 - n Buurvrouw komt tegen half elf een bakske doen, dat wil zeggen zij komt een tas koffie slurpen met een bestel (soort beschuit) en suiker onderwijl de nieuwtjes der buurtgenoten te releveeren of kwaad...
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, nr. 66; NTC, 1968-11-04 - Een half elfke is het bakske koffie, dat buurvrouwen des morgens om half elf plegen te drinken.
    - Cees Robben; Prent van de Week, 1958-02-01 - Dan maolt ze dn koffie.. en zet unne bak...
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 Bèkske n lèkker bèkske koffie
    - Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 en 2002 - bèkske - kop met oor, in tegenstelling tot kumke
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Men zegt hier wel een bakje thee drinken onder den burgerstand...
    - WNT bak kopje; in de volkstaal van verschillende streken
    - WBD III.2.1:l86 - bakske kopje; ook genoemd: kom, kumke of tas
    - WBD III.2.3:40 bakske - de maaltijd in de namiddag (de warme maaltijd werd vaak gebruikt na het middaguur; de broodmaaltijd aan het eind van de middag (werkdag)) werd vaak aangeduid als koffiedrinken
  4. 4. grap

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant; NTC, 2-11-1929-11-2 - Den burgemister hee ne schoonen bak utgehold.
    - WBD III.3.1:249 bak - grap
  5. 5. bak - doosvormig voorwerp

    - WBD II:601 bak weekbak; soort spoelbak in een looierij.
  6. zelfstandig naamwoord

    kopje

  7. zelfstandig naamwoord

    2. zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van bak bakje; kopje koffie - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-02-13 - Luste ôôk n bekske leut... koffie lut... - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-02-01 - Zon bekske doe deugd

    - Piet van Beers; With Love; Unne mooien open dag, 1982-1987 t Vrouwvolk vat n bekske thee
    - Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; De stinpöst, 2009 - Vier ons vèrse worst èn peeje../ doet er mar wè jèùne bij./ n Bèkske zult n half pond kaoje/ èn tweej schèève balkenbrei.
baktaand
zelfstandig naamwoord

kies

- WNT - baktand - een thans verouderde naam voor kies
baldaodeghei
zelfstandig naamwoord

baldadigheid

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - baldaodeghei
balk
zelfstandig naamwoord

balk

- WBD III.3.1:126 - op de balk schrijven - uitstel van betaling geven; op de lat schrijven - borgen
balkenbraaj
  1. zelfstandig naamwoord

    balkenbrij

    - Cees Robben; Prent van de Week, 1955-02-05 - Pietje.. lustte iets van t kuuske../ Platte ribben.. zult of spek.../ Kaoikes.. balkenbrei of klöfkes.../ Kienebak soms uit de nek...
    - Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - De kèrmenaoj, de platte ribbe, de zult of krèp, et zwoert èn spèk. Toe den hiel aon toe. Durreege spèk èn ballekebraaj. Et smòdderpötje.
    - Sjef Paijmans; Herinneringen aan mijn jeugd , www.cubra.n l 2000 - Ome Herman en tante Bertha mestten elk jaar een varken en wij namen dan als het geslacht werd, een helft over. In het late najaar maakte moeder dan zult en balkenbrij...
    - Piet van Beers; bron en jaartal onbekend
  2. De stinpöst Gaode èfkes langs de slaager... komde ok nòg op de mèrt? Zurgt dan vur wè platte ribbe èn wè praaje vur de snèrt. Vier ons... vèrse wòrst èn peeje... doet er mar wè jèùne bij. n Bèkske zult n half pond kaoje èn tweej schèève balkenbrij. Op dieet Soms lig ik naachtelang te drôome van BLOEDWORST BALKENBRIJ èn ZULT. Mar... DIE-EETE dè is NIE-EETE zeej Ons Kee...èn dan zèède ötgeluld.

    - Ed Dalderop; www.cubra.nl, circa 2008 -
  3. Van t vèèrreke - 58 jaore trug n Stuk ribstuk , n hil pan worst èn ok tweej komme vol meej zult! Balkenbrij, vier flèsse braoivlees, himmel tot de raand gevuld!

    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 balkenbraaj - balkenbrij
    - Jan Naaijkens; Het dorp van onze jeugd, 1999 - Hoe ze de puntbuilen, die aan een spekhaak hingen, vulde met suiker of boekende meel voor de balkenbrij en die zorgvuldig en bedachtzaam afwoog op een blinkend koperen dubbele schaal.
    - Ed Dalderop; Pro Memorie; CuBra, 2004 - De reputatie van de slager berustte voor mijn moeder voor het grootste deel op zijn prachtige balkenbrij, de echte, met rommelkruid, en een beetje op zijn ooit behaald diploma voor de aanlevering van de beste vaars van 1939. Vette vaars met zes tanden, vermeldde de Gotisch-geschreven akte, plechtig opgehangen in de winkel.
    - WNT balkenbrij - benaming van een zekere spijs, die in verschillende streken, bij voorbeeld in Gelderland, gedurende den slachttijd wordt gegeten
  4. zelfstandig naamwoord

    balklèèster grote lijster

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - grote lijster (turdus viscivorus)
ballaast
  1. zelfstandig naamwoord

    ballast, grote schop; nutteloze last grote schop met opstaande randen; ballastschop

    - Cees Robben; Prent van de Week, 1973-05-19 - Daor staon we dan mee onzen ballaast...
    - Cees Robben; Prent van de Week, 1986-04-18 - Ik werk vort mee unne ballaast...
    - WNT ballast; waarschijnlijk uit barlast (bloote last) - last onder in een schip om het de noodige vastheid te geven.
    ballaast
  2. zelfstandig naamwoord

    Goirles kunstwerk ter ere van de ballefrutters - Archief Pierre van Beek; Het bijschrift luidde: Zó zag de Goirlese artieste Mevrouw H. Mols-van Gool de "ballenfrutter". ballefrutter bijnaam, scheld- spot- en geuzennaam voor en van een Goirlenaar. Goirle was een van de belangrijkste leveranciers van kaatsballen; frutte betekent dan zoveel als in elkaar zetten, vervaardigen met de hand

    - Cees Robben; Prent van de Week, 1976-12-10 - t Zen (de Goirlenaren) nie vur niks al zn lèève al ballefrutters gewist...
    - Cees Robben; De Sint Janskapel op Nieuwkerk, Goirle 1975 - ... er was eens een tijd dat die van Goirle hier over de grens hun grens-kapel bouwden.... dan liet de jeugd Onze Lieve Heer aan het kruis hangen en luisterde naar het begrijpelijke lijdensverhaal van de armzalige ballefrutters in vroeger eeuwen.
    - Cees Robben; Prent van de week - 1968-12-06
    - Cees Robben; Prent van de week - 1979-02-09
    - A.J.A.C. van Delft; Van vroeger dagen, 1930-06-07 - Als spotnaam der inwoners van Goirle noemt men Ballefrutters, wijl er vroeger een fabriek bestond, waar kaatsballen werden gemaakt, niet van gomelastiek, want die waren toen nog niet bekend, doch gevuld met draden, waarschijnlijk afval van draad der handwevers, welke tot een vasten bal ineengewerkt, ineengefrut werden. De werklui uit die fabriek noemde men spottend Ballefrutters, welke schimpnaam op de geheele bevolking is overgegaan.
    - Anoniem; Folklore 2; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1933-12-08 - In de Tilburgsche gemeente-archieven zijn tal van bescheiden te vinden, die spreken van de fabrikage van n soort kaatsballen te Goirle in vroeger eeuwen. Die ballen werden niet vervaardigd van elastiek, want die grondstof kende men vroeger nog niet, maar werden gevuld met afval van de weversdraden. Dat afval nu, werd ineengefrut tot ballen.
    - Anoniem; Toen Tilburg nog dorps was, bekende straattypen uit vervlogen dagen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1955-10-18 - De spotnaam der naburige Goirlenaars is ballefrutters, ook alweer een uitdrukking, die aan het bedrijfsleven ontleend werd. Er is een periode geweest, dat Tilborg ende Goerle administratief verenigd waren. Vandaar dat men in de Tilburgse archieven bescheiden vindt, die duiden op een vervaardiging van een soort kaatsballen te Goirle in vroeger eeuwen. Die ballen werden niet gemaakt van elastiek, want die grondstof kende men toen nog niet, doch zij werden gevuld met afval van weversdraden. Dat afval nu werd ineengefrut tot ballen en zo ontstond de scheldnaam.
    - Piet Heerkens; Brabantse scheldprocessie, Brabant, 1941 - De Goolse Ballenfrutters/ Zijn rooie mannekesputters... (Goirlenaren werden ook bespot - door Tilburgers - wegens de vermeend overheersende haarkleur aldaar.)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 09 17 - Tilburg is un gròòte stad / En Gòòl is mar hèèl klèn / Toch wil ik echt wel aaventoe / nen Ballefrutter zèn.
    - Ed Schilders; De Ballade van Kees Kruik, 2000 - Öt Gôol kwaam toen unnen ballefrutter/ Meej de bus nòr onze stad./ Èn die bespruuide toen dè bumke [...de lindeboom]/ Meej wèttie bij Bet Koole ha gevat.
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 ballefrutter Goirlenaar
    - Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske - Wè en hoe in de Tilburgse Taol, 2008 - Scheldnaam voor de Goirlenaar, samenhangend met het feit dat in Goirle tot in de 19e eeuw nog de vervaardiging van kaatsballen een belangrijke huisnijverheid was.
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord; website Je bent een echte Tilburger als..., maart 2013 ballefrutter
    - Anoniem; Typisch Tilburgs en Tilburgse typen, Oude zegswijzen en oude verhalen; Nieuwe Tilburgsche Courant - 1957-02-02 - De Brabantse volkshumor is vroeger kwistig geweest met het geven van spot- en bijnamen. De Goirlese ballefrutters is uit het tegenwoordige spraakgebruik vrijwel reeds verdwenen, maar de bijnaam onzer stadgenoten (kruikenzeiker), ontleend aan het textielbedrijf, leeft voort.
  3. naam

    Pierre van Beek Goirle was vroeger centrum van kaatsballenindustrie; Nieuwsblad van het Zuiden, 1969-02-15 Het woord frutten is gewestelijke taal voor het Algemeen Beschaafd Nederlands frutselen. Het betekent: slordig in elkaar prutsen en heeft derhalve een denigrerende betekenis. Uit hetgeen wij hierboven meedeelden blijkt duidelijk, dat er van frutten of slordig in elkaar prutsen van ballen geen sprake kon zijn. Hier werd een volwaardig, met zorg gefabriceerd produkt geleverd. In de combinatie van frutten met Goolse ballen proeft men duidelijk de bedoeling van neerhalen en eventueel kwetsen. Van deze intentie ontdaan blijft er echter van de hele ballenfrutter niets anders over dan een maker van ballen. En dit was een zeer eerzaam beroep of bijverdienste. Men zat in ieder geval niet duimen te draaien maar probeerde op een fatsoenlijke manier met werken de kost te verdienen - ook al waren de verdiensten nóg zo schraal... Nu kan men niet eisen, dat iedereen op de hoogte is van de historie van de Goirlese kaatsballenindustrie. Als dit wel het geval was, zouden we zeggen, dat wie de term ballenfrutter als scheldnaam hanteert gewoon met zijn eigen domheid te koop loopt.

    - Wim van Boxtel; Zo is t gekoome; Brabants Bont Sprokkels, 1981 - Hier wieren wij zelfs ballefrutters,/ al warre we dikkels rare schutters.
    - Willy van Rooy; Schoon en lilluk, 1983 - Dè kan iedere ballefrutter wel zeggen.
    - Jan Naaijkens; Des Biks, 1992 - Tussen Gôôl en Beek heerste van oudsher enige rivaliteit. De Peejzerikken of Inhangers hadden nogal een hekel aan de Gôlse geijte of Ballefrutters.
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - ballefrutters
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op website Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
  4. zelfstandig naamwoord

    ballefruttersgat Goirle bam zelfstandig naamwoord boterham; tegenover kinderen gebruikt

    - WBD III.2.3:206 - bam, bammetje - kinderwoord voor boterham
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 bam - tegenover kinderen gebruikt voor boterham: does mooi bammetjes happen.
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bam boterham; kindertaal
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bam - boterham in de kindertaal
    - Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 en 2002 - bam boterham; kindertaal
bang van
naam

bang voor

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - ik zèè van jou nie bang - ik ben voor jou niet bang
bange
  1. zelfstandig naamwoord

    schrik, angst

    - Cees Robben; Prent van de Week, 1964-11-27 - Mar het mar ginne bangen... Ik ben ginne onte meens...
    - Cees Robben; Prent van de Week, 1972-05-19 - Het mar ginne bange degger tussen uit nept, Jaon...
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - Zelfstandig gebruikt betekent den bange: schrik; bijvoorbeeld Den bangen is eraan of Hij stee mee den bange; hij is door schrik bevangen
    - WNT - bang - in ouderen vorm bange
  2. 2. werkwoord, zwak bange - bangde - gebangd ergens bang voor zijn, iets vrezen, meestal met ontkenning: je hoeft niet bang te zijn dat...

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Ge hoeft nie te bange, as onze paa tèùs is. - Je hoeft niet bang te zijn, als vader thuis is.
    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-11 - Ik geleuf nie detter de irste honderd jaor nog iets vur de Moffe te bange valt.
    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-18 - En toen zee de irste commissie: daor hoefde nie vur te bange, dè komt wel.
    - Pierre van Beek; Dialect en spreekwijzen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-01-10 - Ge hoeft niet te bangen - Ge behoeft niet bevreesd te zijn.
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-21 - ...want ge hoeft nie te bangen dè ze in Brussel (...bij een voetbalwedstrijd) nen Hollander n overwinning kedoo geve.
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-2 - Ge hoeft niet te bangen dè ge n preces zult krijge...
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bange(n) (alleen in de infinitief gebruikt) - bang zijn (dat...), vrezen voor, denken (dat...)
    - WNT - bangen - benauwen, beklemmen; benauwd, angstig wezen; thans verouderd
    - C.J. Verhoeven; Haorese woorde, spreuke en gezegdes, 2007 - bange - bang zijn, erop rekenen; nie vur te bange - niet op rekenen
bange brölòft
zelfstandig naamwoord

bange bruilof; de 45-jarige bruiloft; bang omdat men vreest de gouden bruiloft (50 jaar) niet te zullen halen

- Cees Robben; Prent van de Week, 1985-03-22 - Over n weltje ben ik vèèf-en-virtig jaor getrouwd, dan vier ik de bange bruiloft, omdek de gouwe toch nie haol...
bangeghèd
zelfstandig naamwoord

bangheid, angst, schrik

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 119, Nieuwsblad van het Zuiden 197l -02-17 - Wat doet eigenlijk een mens, die "van bangigheid in z'ne schéémelkuil kruipt"? De man verbergt zich uit angst, maar in wat voor een kuil? We zitten hier echt bij de vroegere thuiswevers. De pedalen van zo'n ouderwets weefgetouw, waarmee de wever de sprong van de ketting (schering) verzette, droegen de naam van "schéémels". We hadden hier te maken met houten latten van ongeveer anderhalve meter lengte. Het uiteinde van elke lat scharnierde aan een spil en aan het andere uiteinde waren de touwen van de kammen bevestigd. Die kammen hingen betrekkelijk laag bij de grond. Opdat de wever voor de benodigde "sprong" de latten diep genoeg zou kunnen intrappen, had men daaronder een gat in de vloer gemaakt.
bangeschèèter
zelfstandig naamwoord

bangerik

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 bangeschèèter
bangske
zelfstandig naamwoord

bank, werkbank

- WBD II:956 - zitbaank, baank - zitplank van de weefgetouw; ook zitplank
- WBD III.4.4:22 - bank, wolk(en)bank - wolkenbank
- WBD III.4.4:148 - bank - aardlaag
- WBD III.3.3:41 - banken, kerkenbanken - idem
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bank - dur de bank gemiddeld
bangskebangske
bangstèl
zelfstandig naamwoord

bankstel

- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bangstel
banjerheer
  1. naam

    Frank Klaroen - pseudoniem van Willem van Mook - uit: BRABANTSCHE NOVELLEN. De wandelende schooier met zijn hond. door FRANK KLAROEN. Nieuwe Tilburgsche Courant 18-07-1933.

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 23, Nieuwsblad van het Zuiden 1965-01-02 - Dit brengt ons weer op de banjerheer uithangen (...) Die banjerheer - of ook wel mijnheer! - vormt een verbastering van het woord baanderheer. Dat was eertijds een edele, die het recht had zijn welgeboren mannen onder zijn banier ten strijde te voeren, zoals Van Dale dat wat plechtstatig vertelt.
    - T. van Lingen; Noord en Zuid; Woordfamilies, 1871 - baanderheer banierheer
  2. Nog voorkomende in de spreekwijze: Den baanderheer spelen groot leven. De baanderheer of banierheer was een edelman, die in het leger van den leenheer een eigen banier mocht voeren. Banjerheer, banjer, verbasterd uit baanderheer en baander; deze verbastering ontstond uit de omstandigheid, dat het volk in baanderheer het woord banier niet meer herkende. Men zegt: den banjerheer spelen, maar t is een banjer.

    - Brabantsche folklore, jaargang 4, 1944 - In 1312, riep Hertog Jan II, een beruchte vergadering te Kortenberg bijeen; leenmannen en baanderheeren van Brabant, afgevaardigden van Brabantsche steden waren op deze plechtigheid aanwezig.
    - G.J. Boekenoogen; Volkskunde, jaargang 16, 1904 - Baanderheer, ook banderheer en banjerheer; bij verkorting banjer (eigenlijk een edele, die het recht had zijn welgeboren mannen onder zijn banier ten strijd te voeren). Een banjer (bij overdrijving: iemand die als een heer leeft, of die zich parmantig aanstelt: Wat een banjer!) Den banjer, den baanderheer spelen, -uithangen; den grooten heer spele.
    - WNT baanderheer - De koude winter teert op t zweet der zomerdagen, gelijck een banderheer (Vondel, 1660)
  3. zelfstandig naamwoord

    banjermeneer

    - Cees Robben; Prent van de Week, 1960-03-25 - Dn banjermeneer/ Die stapt en die treedt/ En die gao mar te keer... (... gaat over een haan in de lente)
  4. zelfstandig naamwoord

    Uit: Nieuwe Tilburgsche Courant, 19 februari 1940 bankrèès voorrijzen

    - WBD - het voorrijzen van deeg buiten de trog (op de bank of tafel)
  5. zelfstandig naamwoord

    baoj

baoje
  1. naam

    baoje 1 werkwoord baden

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 124, Nieuwsblad van het Zuiden 197l-06-03 - We kennen echter ook een door de sneeuw "baoien" of "baoieren". Hier staan we voor de dialectische omzetting van "baden" in de betekenis van "waden".
    - WBD III.1.2:152 - baden - met grote stappen lopen
    - WBD III.1.2:160 - baden - waden
    - WBD III.1.2:161 - baden - pootjebaden
    - WBD III.4.4:5 baden - schuilgaan in een wolk (van de maan)
    - Willems; Dialectenquête, 1887 - baoje - baojde gebaoje; geen vocaalkrimping
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - baoje(n) - baden, waden, met zekere moeite en op zekere diepte gaan door...
  2. 2 bijvoeglijk naamwoord baaien, van baai gemaakt

baoker
  1. zelfstandig naamwoord

    baker, kraamhulp

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ook: baokster
    - Interview met Heikanters, 1978; Transcriptie door Hans Hessels, 2015 - Ik wies vruuger aaltij al, hè, waor èrges ene klèène moes koomen, hè. Want toen was ik mar en jaor òf aacht òf zôo, dènk, hè. Èn dan kwaame ze ons moeder roepen, hè. Ik dènk òch, òch, meens nòg toe tòch, hè. Dan blêef ze ôot hil lang wèg, hil de naacht òf zôo! Die was en baoker! Die ging baokere dan nòg, hè!
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - et baokerke (Toepoel)
    - WBD III.2.2:14 - baker, baakster - vroedvrouw
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - baokster - baker
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - baokster - baker
    baokerbaoker
  2. zelfstandig naamwoord

    Baokertaand toponiem Bakertand, gebied tussen Tilburg en Goirle baol, bòltje baal, een zak van jute of grof linnen

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken?; deel 2, 2007 - Asse de nog warme kolen uit de ovens van een gasstoker afgekoeld of bekaant koud waren, moeste ze in enne baole zak doen.
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - baol - baal
baokster
  1. zelfstandig naamwoord

    baker, kraamhulp

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ook: baokster
    - Interview met Heikanters, 1978; Transcriptie door Hans Hessels, 2015 - Ik wies vruuger aaltij al, hè, waor èrges ene klèène moes koomen, hè. Want toen was ik mar en jaor òf aacht òf zôo, dènk, hè. Èn dan kwaame ze ons moeder roepen, hè. Ik dènk òch, òch, meens nòg toe tòch, hè. Dan blêef ze ôot hil lang wèg, hil de naacht òf zôo! Die was en baoker! Die ging baokere dan nòg, hè!
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - et baokerke (Toepoel)
    - WBD III.2.2:14 - baker, baakster - vroedvrouw
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - baokster - baker
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - baokster - baker
    baoksterbaokster
  2. zelfstandig naamwoord

    Baokertaand toponiem Bakertand, gebied tussen Tilburg en Goirle baol, bòltje baal, een zak van jute of grof linnen

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken?; deel 2, 2007 - Asse de nog warme kolen uit de ovens van een gasstoker afgekoeld of bekaant koud waren, moeste ze in enne baole zak doen.
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - baol - baal
Baol
  1. zelfstandig naamwoord

    Baarle-Nassau

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 120, Nieuwsblad van het Zuiden 1971-02-20 - "Bij God en in Baol is alles mogelijk" luidt een gezegde in Baarle-Nassau. Dit slaat op de merkwaardige enclave-toestand tussen Baarle-Nassau en het Belgische Baarle-Hertog, die tot de meest vreemde situaties leidt, waarop we hier thans niet verder behoeven in te gaan, omdat ze in onze streek genoeg bekend zijn.
    - H. Mandos en M. Mandos van de Pol; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend voor Tilburg en omstreken in 1986 - Achter Baal schijnt de zon. Achter Baarle schijnt de zon. Na tegenspoed zal de situatie toch weer verbeteren. (Veel Tilburgers gingen 's zondags naar Baarle-Hertog om daar de bloemetjes buiten te zetten.)
    Baol
  2. Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

Baol boemel
  1. zelfstandig naamwoord

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - boemeltrein Tilburg - Baarle-Nassau
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - Baolboemel - museumtreintje
    - Ed Schilders; WTT 2012 - Bedoeld is de stoomtrein tussen Tilburg en Turnhout, met haltes in Riel, Alphen, Baarle-Nassau, Baarle Grens en Weelde. Deze treinen (voornamelijk bedoeld voor goederenvervoer) reden over het zogenaamde Bels Lijntje.
    - Ed Schilders; column Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2012-09-27 - Heurde gij Baol Boemel wel s blaoze?/ Baol Boemel die blaost als n blaoskepèl!/ Ik liet m stôome, tuute, remme, raoze/ As ik in Baol kwaam, wies zij t al wel.
    Baol boemelBaol boemel
  2. Foto's: Regionaal archief Tilburg. Onderste foto: stoomtrein op het Bels Lijntje met links de gevel van de Muziekinstrumentenfabriek van Kessels in de Noordhoek

Baolboemel
  1. zelfstandig naamwoord

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - boemeltrein Tilburg - Baarle-Nassau
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - Baolboemel - museumtreintje
    - Ed Schilders; WTT 2012 - Bedoeld is de stoomtrein tussen Tilburg en Turnhout, met haltes in Riel, Alphen, Baarle-Nassau, Baarle Grens en Weelde. Deze treinen (voornamelijk bedoeld voor goederenvervoer) reden over het zogenaamde Bels Lijntje.
    - Ed Schilders; column Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2012-09-27 - Heurde gij Baol Boemel wel s blaoze?/ Baol Boemel die blaost als n blaoskepèl!/ Ik liet m stôome, tuute, remme, raoze/ As ik in Baol kwaam, wies zij t al wel.
    BaolboemelBaolboemel
  2. Foto's: Regionaal archief Tilburg. Onderste foto: stoomtrein op het Bels Lijntje met links de gevel van de Muziekinstrumentenfabriek van Kessels in de Noordhoek

baolketoen
zelfstandig naamwoord

baalkatoen

- A.J.A.C. van Delft; Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek, uit de volksmond opgetekend; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1961 - Hij is gemeen als n stuk baalkatoen van n cent de el. - Men zegt het bijvoorbeeld van iemand, die politiek pleegt en daarbij vaak verre van edelaardig blijkt.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - katoen, speciaal bestemd voor het maken van balen, katoen van de minste kwaliteit
baolzak
  1. zelfstandig naamwoord

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - slecht passende japon
  2. zelfstandig naamwoord

    Kis-ke - onbekende tekenaar; circa 1970 in Bisdomblad Tilburgsche Courant 1881 baomes , baomis Op deze dag, 1 oktober, werden tot in het begin van de 20ste eeuw ook zakelijke overeenkomsten afgerond (vervaldag) of aangegaan. 1. de feestdag van St. Bavo, 1 oktober Tilburgsche Courant 1892

    - Een roestpraatje; Weekblad van Tilburg, 1867-10-05 - Mer prencipaol aon den baomis, die nog dubbeltjes-briefkes [rekeningen] doe verwachten. [Op 1 oktober zullen nog wat rekeningen betaald moeten worden]
    - A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110; NTC, 1929-04-20 Mee Baomus (St. Bavomarkt) betaalt de boer zijn landhuur en mee Kauwmert (Koudemarkt) huurt hij zijn personeel.
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal ( Udenhouts), 1978 - (St.-) Bavomis - 1 oktober, vaste termijn voor betalingen e.d.; ook herfstweer
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Bamis, voor St. Bavos Mis; de 1e dag van October, is een van die, welke in dezen omtrek, bij de boeren, tijdmerk maken, gelijk Lichtmis, St. Jan, St. Maerten.
    - WNT bamis - inzonderheid gebruikelijk als tijdsbepaling. Ontstaan uit baafmis, dat is de mis van St. Bavo, op 1 October. In Zuid-Nederland nog zeer gebruikelijk, ook wel in den ruimeren zin van herfsttijd
  3. 2. zeer slecht weer, herfstweer, de herfst

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 06 23 - 't Was alle daoge baomisweer / Mee störm en donderbuie.
    - Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1990 tIs baomus-weer baos!
    - Cees Robben; Prent van de Week, 1970-10-09 - Zukkes weer is baomis-weer...
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, 2007 - Et waar ene echte baomisdag, regen en wènd. Bij et fotos maoke vur de kerk blêef et gelukkig efkes drêûg.
    - Wim van Boxtel; Brabants Bont, 1979 -
  4. Goud is t zonlicht, t ketst uit de ruiten en lokt in de herfst, de meènsen nor buiten. n Processie van blaoikes, als n waandelend tapijt. Straks zen we mee baomis al die schoonheid wir kwijt.

    - Hans Heestermans; Witte nog?, 1988-1994 - bamisweer
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 baomes, baofmis - baomesweer
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899) - bamis (toonloze i) - feestdag van St. Bavo, 1 october; tijd rond St. Bavo; de herfst
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - Bamis, Baafmis; dialekt van Hilvarenbeek e.o.
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - baomes - herfst (kaart 46 en bladzijde 160)
    - A.A. Weijnen;Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - baomes = herfst (krt. 46 en blz. 160)
  5. Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - baafmis - herfstweder
    - WBD III.3.1:129 bamis - vervaldag
    - WBD III.3.3:250 bamis - feestdag van St.-Bavo
    - WBD III.4.4:40 bamisweer - wisselvallig weer
    - WBD III.4.4:44 - bamis, bamisweer - slecht weer
    - WBD III.4.4:48 bamisweer - druilerig, nat weer
    - WBD III.4.4:119 - bamis(tijd) - herfst; ook natijd
  6. 3 Uitdrukking

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - 'Gè mot hièr gin baomes koome zaaje'- ... geen onrust komen stoken.
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel (1996) - baomes zaaje - onrust stooken
  7. Bavo als jonge ridder - schilderij van Geertgen tot Sint-Jans

baon
  1. zelfstandig naamwoord

    1. baan, weg

    - Cees Robben; Prent van de Week, 1960-11-25 - De steekes langs de groote baon
    - WBD III.3.1:396 baan heerbaan; grote, brede weg; ook genoemd: dijk
    - WBD III.3.1:397 baan - openbare weg
    - WBD II:983 - laojbaon - ladebaan (van de weefspoel); ook laojvlakte
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - baon - baan 1. de grote weg; 2. een strook van enige meters breedte over het veld.
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - baan - openbare weg die niet gekasseid is; ook pad of spoor; ook tamelijk brede aardeweg, waar men met eene kar kan rijden
    baonbaonbaonbaonbaonbaonbaonbaonbaonbaon
  2. 2. baan, betrekking

    - Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? stadsbaontjes [een niet al te inspannende betrekking]
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1975-01-16 - Ik zuuk nog aaltij n baon van s merreges vrij en s middags nie hoeven te komen en salaris over de giro.
baor
naam

baord
zelfstandig naamwoord

baard

- Cees Robben; Prent van de Week, 1978-09-02 - Noemde gij dè baord...
- Cees Robben; Prent van de Week, 1958-11-22 - Krèègt ie [het kind] irst van men n baordje../ Dan zn hanne-sjöpke aon... [Het woord is nergens anders aangetroffen in de hier kennelijk bedoelde betekenis van onderkleding voor een kind; mogelijk betekent het borstrok; mogelijk is het een verbastering van boord]
- Dialectenquête Kernkamp, 1879 'nen ruigen board
- H. Mandos & M. Mandos van de Pol; Brabantse spreekwoorden, 2003 - Dur znen baord zeike. Door zijn baard plassen. Zich onbetrouwbaar gedragen. Variant: i.p.v zeike: schijten. Tilburg '50.
- WBD III.1.1:55 - bakkebaard, bakkenbaard, bakkebaardjes, bakkenbaarden
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - baord - baard; meervoud baorte(n)
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 baard; bij vuiligheid rond den mond: Kuis(ch)t uwen baard af.
baore
werkwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - baren, spel waarbij twee groepen in twee vakken blokken omgooien
baors
zelfstandig naamwoord

baars

- WBD III.4.2:92 - baars - baars (perca fluviatilis)
- WBD III.4.2:92 - baarske - pos (gymnocephalus cernua), ook genoemd pos, schele jood of koolbaars
baos
zelfstandig naamwoord

baas, baasje

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - Baos melwurm, as g'em op z'ne kop trapt, is ie dood. Baas meelworm, als je hem op zijn kop trapt, is hij dood. Zo'n baas heeft niet veel gezag. De meelworm is een in oud meel voorkomende larve van de meelton.
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - ze zijn nog den baos; zèn dees aajer vòrs, baos?
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1981-11-13 - Ik ben thuis den baos.. , mar aster naauwt is ons vrouw den baos;... mar as ter naauwt en wedernaauwt, dan ben ik den baos...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1981-01-30 En ik zèe dees jaor feftig jaor stikkedoor bij een en de zelfde baos...
- Interview met De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Den baos die maag nie iem den baos, om zen nèk geeve int bijzèèn van zen pèrseneel!
baot
zelfstandig naamwoord

baat

- WBD III.1.1.1.2 - òn de baot, on (de) télling - de koe heeft het einde van de dracht bereikt.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 1. baat, genezing, herstel; baot zuujke, - vèène; 2. baat (weinig gebruikt in een zin als We haan geenen, respectievelijk goeien baot gevonde.)
baote
werkwoord

baote - baote gebaot

- Hein Mandos; kladscriptie Nijmegen, 1932-33 baten.
baozele
werkwoord

geen vocaalkrimping

- Piet Heerkens; De Mus; Merel, 1939 - Ge baozelt gepraotte muziek!
- WBD III.1.2:221 - bazelen - ijlen
- WNT bazelen - van bazen; eigenlijk bevelen; bij overdrijving onzin praten, beuzelen
baozin
zelfstandig naamwoord

bazin

- WBD III.3.1:35 bazin - boerin, ook vrouw
Bartje de Ganzenèk
naam

bekend Tilburgs straattype

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Mar Bartje de Ganzenèk die, die was vroeger loopjongen bij de vishandel, hè? Bij de vishandel, jè, bij de Leuw, bij de Leuw op de Körvelsewèg
bats
zelfstandig naamwoord

grote schop, achterwerk, scheldwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - grote schop; achterwerk, kont
- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Schèèlen bats Schele mafkees
- WBD III.1.1. - achterwerk - bats; ook in Tilburg
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bats - kolenschop
batterij
zelfstandig naamwoord

achterwerk, kont; uit het Franse batterie - vuurmond

- Cees Robben; Prent van de Week, 1970-03-13 - En toen viel ik op mn batterij, meneer dokter
- Cees Robben; Prent van de Week, 1972-02-25 - Wè hee dè schokwammes toch n batterij war...
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken?, deel 1, 2006 - Ik vond et aaltij un koddig gezicht. Al die dikke vrouwen öt de buurt, meej van die vette batterijen, zittend op die kèèr.
- WBD III.1.1. - achterwerk batterij; verspreid in Tilburg
bazzeloen
zelfstandig naamwoord

boezeroen, overhemd uit het Franse bougeron

- Ed Schilders; WTT 2012 - In Tilburg (na 1950?) valt bazzeloen, boezeroen samen met kiel, met name de blauwe kiel van boeren (en het hemd), gedragen tijdens de lokale carnavalsviering. In oorsprong betreft het echter twee duidelijk onderscheiden kledingstukken voor mannen, waarbij de boezeroen een onderkleed is waaroverheen nog een vest en een jas gedragen werden, terwijl de kiel juist vest en jas vervangt en het bovenkleed is van de boer of arbeidsman. In het algemeen kan gezegd worden dat het moderne woord voor bazzeloen, boezeroen overhemd is, een hemd gedragen over het onderhemd en/of de borstrok. (zie Van den Bredevoort hieronder)
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Hattie zen èège geschoren en afgewaase dan trok ie zen overhemd aon. Dè noemde hij men bazeroen. Daor zaat ginne kraog aon. Aachter in de kraog zaat un knupsgat, waor un boordeknupke in paaste. Hattie dè bazeroen dichtgeknupt, et waar mistal un blauwwit gestript geval, dan vatte ie dieje boord, die er los bij heurde. Meej et gaotje in dieje boord naor aachteren, perbeerde ie dan dè boordeknupke in dè gaotje te krège. Dè lukte netuurluk nôot aachtermekaar. Dieje boord waar ôk zô stèèf as un plank. Mistal nao zon drie mislukte pogingen, riep ie er éne van ons. Wij moese et al hillemol op ons gevuul doen. Wij zagen nie wè we deeje, daor waren wij nog te klèèn veur.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 01 12 - Ze kòòpe, truije, kleekes, rokke / 'n Theeservies, n bazzeroen.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 05 12 - Wie waast oew vuile bazzeroene?
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 03 11 - Z'n bazzeroentje was gescheurd...
  1. uitroep voorafgaand aan een mededeling - wel nee! bè-nee!

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun op collecte; NTC 1939-08-12 - 1939-08-26 - Bè-nee, den baos is taai zat...
    bè
  2. voorzetsel

    bij

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Toe teej toe haj bèm. - Zelfs thee had hij bij zich.
  3. werkwoord

    Ed Schilders; WTT 2020 - Waarschijnlijk door Sterenborg (hierboven) ontleend aan een prent van Cees Robben. Mogelijk moet dit voorbeeld echter gelezen worden als Toet eej toe haj bèm, uit het Frans tout et tout = alles).

    - Cursus in Tilburgs; krantenrubriek in Groot Tilburg, circa 1940 - Kem bemme - Ik heb hem bij me
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bè - bij
bèbbel
zelfstandig naamwoord

kwebbel

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - hak menen bèbbel mar dichtgehaawe - had ik maar niet zoveel gepraat
- Piet van Beers; Brabants Bont, circa 2005 - Nòdderhaand moete nie maawe; Dan moete oewen bèbbel haawe
- WBD III.1.1:100 babbel - mond
bèd
zelfstandig naamwoord

bed

- Cees Robben; Prent van de Week,Nieuwsblad van het Zuiden 1978-07-21 - Hij is nie goed of niks, en leej te bed en alles...
- Pierre van Beek; Typisch Tilburgs; NTC, 1958-01-10 - Iemand, die zijn vriend precies verkeerd ergens mee helpt, helpt hem van bed op strooi.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - leetie naa al te bèd?
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - et is mèn om et eeve, òf ik in bèd lig òf erneeve
- WBD III.2.1:100 - bed
- WBD III.2.2:31 - nog alles in bed - nog niet zindelijk (kind)
bedaanke
  1. werkwoord

    bedaanke - bedankte - bedankt in tegenwoordige tijd ook vocaalkrimping: gij/hij bedankt 1 . bedanken

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - dègge bedankt zèèt, dè witte - nou, dank je wel hoor! [hier dus in cynische zin gebruikt]
    - In het traditioneel gezegde: 'Èn dègge bedankt zèèt dè witte
  2. Dankbetuiging van Ferry van de Zaande - internet 2013

    - Paul Spapens e.a.; Goedgetòld; diksjenèèr van de Tilburgse taol, 2004 - bedankt - dankjewel (ook ironisch)
  3. 2. ontslag nemen

    - Interview met de heer De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 Dè moete doen!, zègge ze, ...ge moet allemòl bedanke!, zeetie, ...want et gèld is op! Ge zult nòr Duitsland moete as dè gèld op is!.. Èn toen hèbbe we ammel bedankt bij Jan van Aorendonk, hè. Ammel bedankt!!
bedaore
werkwoord

bedaren geen vocaalkrimping

- WBD III.1.4:74 bedaard - bezadigd
- Willems; Dialectenquête, 1887 - bedaore - bedaorde - bedaord
bèddeplaank
zelfstandig naamwoord

beddeplank

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - tisser êene van de bèddeplaank - wordt gezegd van een kind dat precies negen maanden na de huwelijksvoltrekking geboren is
- WBD I.1.1.1.1 - beddeplank, beddeplaank bedsteesponde; losse plank in de opening van de bedstede, die verhindert dat de slaper eruit valt
- WBD I.1.1.1.1 - beddeplank, beddebaank beddeplank; plank in de bedstede boven hoofd- of voeteneinde, waarop iets gelegd/gezet kan worden.
- WNT - Hij is van de beddeplank - waarmede waarschijnlijk bedoeld is dat de bevruchting reeds plaats had vóór de jonggetrouwden nog ordelijk te bed lagen.
bèdding
zelfstandig naamwoord

brede weg

- WBD III.3.1:396 bedding heerbaan; grote, brede weg, ook baan genoemd
bedèèrve
naam

bederven bedèèrve bedierf - bedörve

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bedèèreve - bedieref - bedöreve
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - bedurreve eetwaoren
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 44, Nieuwsblad van het Zuiden 1965-11-27 - "Mee waoter valt niks goed te maoken en mee suiker kunde niks bederven" is een equivalent voor de meer bekende uitdrukking: "Men vangt meer vliegen met honing dan met azijn".
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1983-08- 19 - Beter n aauw perd kepot as en jong bedörve.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, 2007 - Waar et gin kwaste bedèèrve dettie deej, dan waar ie wel kaomers òn et behange.
- Willems; Dialectenquête, 1887 - bedèèrve - bedörf - bedörve (in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping)
- WBD III.2.3:202 bedorven - beschimmeld (brood)
- WBD III.2.3:203 bederf - bederf in het brood
- WBD III.2.2:34 bedorven - verwend kind
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bedörven zijn tot in t merk van zijn beenen - door en door bedorven zijn
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - bederven - bedéreve - bediref - bedoreve
bèdehaand
naam

bijdehand

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1967-03-10 - Zij is aaltij haontje de veurste gewist, echt bèdehaand; ze vree mee dur zistien al thuîs en mee t trouwen mos ze ôk hard lôope
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 5, Nieuwsblad van het Zuiden 1964-05-30 - Van iemand die onhandig is, kan men horen, dat hij "bijdehand is als een pan zonder steel".
- WBD - bèddehaandsketier - linker voorkwartier van de koeie-uier
- WBD - bè de haand - linkerkant van het paard, ook genoemd óndehaand of van de haandse kaant.
bedille
werkwoord

bedillen

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1963-02-10 - Die zitten naa te bedillen, wietter bedééld mot worre.
- Cees Robben; Prent van de Week, 1965-04-02 - Dr valt hil wè te bedillen, Merie, asser gedild moet worre..
bedistele
werkwoord

bedisselen, in orde maken, beredderen

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - bedistelen - in orde brengen
bedrèève
werkwoord

bedrijven geen vocaalkrimping in tegenwoordige tijd

- Willems; Dialectenquête, 1887 - bedrèève - bedrêef - bedreeve
bedriege
werkwoord

bedriegen bedriege bedrôog - bedrooge

- Willems; Dialectenquête, 1887 - bedriege - bedrôog - bedrooge
bèdsteej
zelfstandig naamwoord

bedstede, bedstee

- WBD - bedstee bedstede; geheel door omtimmering afgesloten ruimte waarin een slaapplaats is gemaakt
bèdstrôoj
zelfstandig naamwoord

beddenstro

- Pierre van Beek; Onze folklore; NTC, 1959-03-19 - verhuizen kost bedstrooi - verhuizen brengt meestal vele ongedachte kosten mede.
beduije
werkwoord

beduiden WTT 2020 - Ötbeduije: contaminatie uit uitleggen en beduiden

- Willems; Dialectenquête, 1887 - beduije - beduide - beduid; ik bedui, gij/hij beduit
bèdzèèkersgezicht
zelfstandig naamwoord

samenstelling uit bed + zeiker + gezicht beddenzeikersgezicht

- Hans Hessels; opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus, 2019 - bleek, ongezond gezicht, zoals van een bedlegerig, bedzeikend persoon. Voor de volledige lijst KLIK HIER
beebiekiendje
  1. zelfstandig naamwoord

    baby

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - baby
  2. zelfstandig naamwoord

    babytje

beek
  1. zelfstandig naamwoord

    beek

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - meervoud beeke naast enkelvoud beek ook bêek
  2. zelfstandig naamwoord

    Hilvarenbeek in de volksmond

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-05-08 - Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Lôôn of Beek....
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-01-02 - En naor Beek gao de rèès... - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1975-11-21 - Over Brees naor Beek.
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hier èn te Beek - krentemik met weinig krenten
    - Interview met echtpaar Staps, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Want, want Beek As gij in Hilverenbeek vruuger en verbaol krêegt, dan moeste gij in Orschòt vurkoome!
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 65, Nieuwsblad van het Zuiden 1968-10-15 - In Goirle vingen we de uitdrukking op: "Ze gaan als de zagers van Beek". Om uitleg gevraagd kregen we er de volgende verklaring voor: In vroegere dagen plachten houtzagers uit Hilvarenbeek in Goirle bomen tot planken en balken te zagen, wat op een hoge installatie geschiedde. Vervoer was er niet, de reis werd derhalve te voet gemaakt. Tegen een paar uur lopen zag men toen niet op. Men koos daarbij echter wel de kortste weg en die ging in dit geval door de hei. Aangezien zo'n heipaadje smal was, liepen die zagers niet naast maar achter elkaar. Deze manier van "reizen" was zodanig tot gewoonte geworden, dat de zagers ook nog achter elkaar bleven lopen op een brede weg. "Gaan als de zagers van Beek" betekent derhalve: achter elkaar lopen.
    - Drs. H. Mandos & M. Mandos-Van de Pol; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1970 - Beek Hier en te Beek één; Hier en in Beek één. Spottend als er bijvoorbeeld maar weinig rozijnen in het brood zijn. (Beek = Hilvarenbeek.)
    - Drs. H. Mandos & M. Mandos-van de Pol; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg en omstreken 1986 - Over Beek en Esbeek naar Poppel gaan. Met een omweg zijn doel willen bereiken.
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 Beek
bêek
zelfstandig naamwoord

beek

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - meervoud beeke naast enkelvoud beek ook bêek
bèèl
zelfstandig naamwoord

mannelijk/vrouwelijk maar ook aangetroffen als onzijdig bijl

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - t Bijl staot er om zoo te zeggen al tegenaon.
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Het volksgebruik verandert op verscheidene plaatsen de geslachten der naamwoorden; het bijl.
bêen
  1. zelfstandig naamwoord

    been, benen, beenderen, beentje Naast bêene komt ook bêen voor als meervoudsvorm 1. enkelvoud

    - Pierre van Beek; Tilburgse Typen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1958-03-28 - Heeft men iemand beledigd of toornig gemaakt, dan wordt gezegd: Toen was t tegen t kwaai (kaoi) been; toen werd hij kwaad; door daad of woord werd de ander beledigd en ontstond vijandschap.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 83, Nieuwsblad van het Zuiden 1969-07-24 - "Die opmerking was tegen het verkeerde been" betekent, dat ze bij diegene tot wie ze gericht was een aanleiding vormde om diens ergernis op te wekken. Dat been is dan wel hetzelfde als waarmee sommige mensen uit bed plegen te stappen.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven 1959-01-31 t Gao goed, zi dokter:Jaanse... en t aander bêen moet er ok aaf.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1983-12-16 Och meneer den dokter, mn haand is wir doof, en mn been dè slaopt, mn neus lôopt as n kraontje, mn ooren die fluiten...
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Ons moeder waar der wel wir mooi klaor meej, daor laag ze te bed in de höskaomer. In de bedstee zal et wel te benauwd zèèn gewist omdesse naa in un normaol bed laag, laag ze aaltij asse wir un kiendje kréég, meej un schôon spraai erover. Ze ha der haore los over et kussen liggen. Ons moeder ha van dè lange haor tot op der kont. Aanders vlocht ze dè elke mèèrge tot twee sterten en rolde die dan op tot un knötje, desse meej haorspelden bij elkaar hield. Zeker gin tèèd gehad, omdè dieje ooievaar ineens vur de deur stond. Dieje vogel ha ze wir in der béén gepikt, de rotzak.
  2. 2. meervoud

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 meervoud bêene
    - A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen; Nieuwe Tilburgse Courant, 1929-04-06 - Ze bleef zitten met twee platte kinderen, terwijl ze weer op dr leste beenen liep. - Haar man stierf terwijl ze twee kinderen had, die nog niet loopen konden, terwijl spoedig een nieuw kindje verwacht werd.
    - Pierre van Beek; Dialect en spreekwijzen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-01-10 Mn vrouw loopt op dr laatste benen. - Haar zwangerschap loopt ten einde.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven 1967-10-06 - Mn vrouw is van de been afgeraokt... [van de bêên ziek]
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Pieta (Melis) zit in Fatima, die heej alletweej der bêene kwèèt Vruuger asse... aatij siegaare rôoken, hè, èn veul vur èèreme meense doen hil veul!
  3. 3. verkleinwoord

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bintje
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 60, Nieuwsblad van het Zuiden 1968-07-13 [Wie] "op de Mokerhei mee z'n beentjes ligt te rammelen." Zo'n iemand is dood, "effenaaf" dood. Op de heide bij Mook werd ooit een veldslag geleverd.
    - WBD III.1.1:28 benen - beenderen
    - WBD III.1.3:239 beenkap - lappenkous
  4. zelfstandig naamwoord

    beentje been > beentje; bêen > bintje (vocaalkrimping)

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 09 19 - Mar n kort gèmslère bruukske / Ge wit wel, mee zò'n gròòte klep / Zô'k vur gin duuzend gulde aondoen / Omdè'k te dunne bintjes heb.
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Miet, gao mar gauw daor bij Bert Hòns (Haans), gao mar gaa vur en dubbeltje bintjes haole! Dan hèbbe we mèèrege soep èn kaojkes, zôo
bèène
werkwoord

binden vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bènt

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - beinen
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bèène bónd gebónde
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - bèène (kaart 15)
- WBD III.1.3:132 binders - lange linten van een schort
- WBD III.2.1:365 - binden idem; dik worden van gerechten
- Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - bêne (ê als in Frans même)
- Willems; Dialectenquête, 1887 - bèène - bón(de) - gebónde;
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - be.ne(n) - beenen, bijnnen, bijnden - binden
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bijnen - binden. En koor(d) aan ne stok bijnen; gebonnen - 3e hoofdvorm van bijnen
bêene
  1. zelfstandig naamwoord

    been, benen, beenderen, beentje Naast bêene komt ook bêen voor als meervoudsvorm 1. enkelvoud

    - Pierre van Beek; Tilburgse Typen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1958-03-28 - Heeft men iemand beledigd of toornig gemaakt, dan wordt gezegd: Toen was t tegen t kwaai (kaoi) been; toen werd hij kwaad; door daad of woord werd de ander beledigd en ontstond vijandschap.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 83, Nieuwsblad van het Zuiden 1969-07-24 - "Die opmerking was tegen het verkeerde been" betekent, dat ze bij diegene tot wie ze gericht was een aanleiding vormde om diens ergernis op te wekken. Dat been is dan wel hetzelfde als waarmee sommige mensen uit bed plegen te stappen.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven 1959-01-31 t Gao goed, zi dokter:Jaanse... en t aander bêen moet er ok aaf.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1983-12-16 Och meneer den dokter, mn haand is wir doof, en mn been dè slaopt, mn neus lôopt as n kraontje, mn ooren die fluiten...
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Ons moeder waar der wel wir mooi klaor meej, daor laag ze te bed in de höskaomer. In de bedstee zal et wel te benauwd zèèn gewist omdesse naa in un normaol bed laag, laag ze aaltij asse wir un kiendje kréég, meej un schôon spraai erover. Ze ha der haore los over et kussen liggen. Ons moeder ha van dè lange haor tot op der kont. Aanders vlocht ze dè elke mèèrge tot twee sterten en rolde die dan op tot un knötje, desse meej haorspelden bij elkaar hield. Zeker gin tèèd gehad, omdè dieje ooievaar ineens vur de deur stond. Dieje vogel ha ze wir in der béén gepikt, de rotzak.
  2. 2. meervoud

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 meervoud bêene
    - A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen; Nieuwe Tilburgse Courant, 1929-04-06 - Ze bleef zitten met twee platte kinderen, terwijl ze weer op dr leste beenen liep. - Haar man stierf terwijl ze twee kinderen had, die nog niet loopen konden, terwijl spoedig een nieuw kindje verwacht werd.
    - Pierre van Beek; Dialect en spreekwijzen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-01-10 Mn vrouw loopt op dr laatste benen. - Haar zwangerschap loopt ten einde.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven 1967-10-06 - Mn vrouw is van de been afgeraokt... [van de bêên ziek]
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Pieta (Melis) zit in Fatima, die heej alletweej der bêene kwèèt Vruuger asse... aatij siegaare rôoken, hè, èn veul vur èèreme meense doen hil veul!
  3. 3. verkleinwoord

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bintje
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 60, Nieuwsblad van het Zuiden 1968-07-13 [Wie] "op de Mokerhei mee z'n beentjes ligt te rammelen." Zo'n iemand is dood, "effenaaf" dood. Op de heide bij Mook werd ooit een veldslag geleverd.
    - WBD III.1.1:28 benen - beenderen
    - WBD III.1.3:239 beenkap - lappenkous
  4. naam

    benen, van been

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - En bêene handvat - een benen handvat
    - WBD II.1100 - beene knéúp - benen knoop
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - biene beenen; uit been vervaardigd
beenedije
werkwoord

benedijen, loven beenedije - beenedijde - gebeenedijd

- Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - benedije
beentjessoep

soep, getrokken uit beenderen en knoken.

- Willem van Mook; Uit het land der Brabantsche week; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1930-07-31 - èrrepel mee juin of wé sloeber van beentjessoep..
bèèr
zelfstandig naamwoord

beer, mannelijk varken, stront

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - brombeir
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - brèùne bèère - trappisten
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 bèèr naast beer
- WBD - volwassen mannelijk varken
- WBD - binnenbèèr - mannelijk varken dat door geslachtelijke afwijking niet als zodanig herkenbaar is
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bèèr - beer, mannelijk varken
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - be:r beer; volwassen manlijk zwijn dat ter dekking wordt gehouden
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - Metaforisch gebruik; ruwe, onbeschofte kerel.
bèère
werkwoord

dekken van een varken

- bèère - bèèrde gebèèrd; geen vocaalkrimping
- WBD - laten dekken van een varken (in de Hasselt), aldaar ook ònbèère genoemd
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - be.re(n) - beren
bèèrege
  1. werkwoord

    bergen bèèrge - borg geborge; geen vocaalkrimping

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bèèrege - bóreg - gebòrege
  2. 2. zelfstandig naamwoord, meervoud van bèèrg bergen

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1978-08-25 En hij zaat as unne ezel tussen twee bèèrege hooi en wies nie aon welke kaant te begiene...
bèèrg
zelfstandig naamwoord

berg

- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bèèreg - berg
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 1. bèrg - manlijke (gesneden) big; 2. berg, hoogte
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 168, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-02-28 Tegenwoordig kennen we langzaam-aan-acties om uiting te geven aan ontevredenheid. Iets tergend langzaam doen, hebben we echter altijd wel gekend. Van wie zich hieraan schuldig maakte, heette het dat hij "van de lange berg kwam".
- WBD III.4.4:139 berg - duin
- WBD - gesneden mannelijk varken; ook bèrreg genoemd
bèèrk
zelfstandig naamwoord

berk

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bèèrk, naast bèrk
Bèèrkel
zelfstandig naamwoord

Berkel; gemeente Berkel-Enschot

bèèrput
zelfstandig naamwoord

beerput

Bèèrs
zelfstandig naamwoord

Middelbeers, de Beerzen; Oostel-, Westel- en Middelbeers

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Middelbeers; de Beerzen (Oost-, West- en Middelbeers)
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - Bèèrs - alleen voor Middelbeers; Oostel- en Westelbeers worden steeds bij de volle naam genoemd.
bèète
werkwoord

bijten bèète bêet gebeete vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bèt

- Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - ...mèn schonste Tilburgse spreuk. Die gao zôo: Bèttie akkum aaj?
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-02 - Kwô dettie oe béét
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - kwottie oe bêet - ik wou dat hij je beet
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - verleden tijd bêet, maar bitte gij?
- Drs. H. Mandos & M. Mandos-van de Pol; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1977 - Daar kande geen strooi mee bijten. Daar kun je geen stro mee bijten (...) arm zijn.
bèètel
zelfstandig naamwoord

beitel

beeterder
naam

vergrotende trap van beter in de betekenis genezen

- WBD III.1.2:410 beter - genezen
beeters
bijwoord

beter

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 123, Nieuwsblad van het Zuiden 1971-05-03 - Een eigenaardige, gewestelijke constructie zien we ook gehanteerd in een uitdrukking als bv.: "Niet beters te weten of hij had een gabardine regenjas aan". Men houdt hiermede een slagje om de arm, omdat men de positieve uitspraak niet helemaal aandurft. Er wordt rekening gehouden met de mogelijkheid, dat men zich vergist.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 171, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-04-12 - "Niet beters te weten of..." fungeert als equivalent voor "naar mijn mening", waardoor een bewering iets van haar boudheid verliest, doordat er ruimte voor een andere opvatting gelaten wordt. Bv.: Niet beters te weten of dit zijn kievitseieren.
- WNT beter; bijwoord; In Zuid-Nederland komt ook als bijwoord de bijvorm beters voor.
beevaort

Nicolaas van Tolentino

- Informant Toine Raaijmakers - l0 september naar Eindhoven om Sint-Nicolaas van Tolentijn aan te roepen vur et vee
- Informant Toine Raaijmakers - 2e Pinksterdag in Loon-op-Zand vèèrekesbeevert
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, Tilburg 1984 - de Gòolse mannen die bèvurten gère
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven 1960-05-20 - ter bèèvert in de maond van maai... - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden 1970-09-25 - Saome trokke ze ter bèèvert - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 05 19 - Vruuger was 't mee Hemelvaort / 's Mèrges om vèf uur op / En dan dur de Enschotsebaon / Op bèvert naor Sint Job.
- Ad van den Boom; De wèèvers van Tilburg, circa 2005 - In de Maaj mee vrouw en kender/ Gonge ze op bèèvert nor St. Job/ Dan wir nor huis mee unne stok/ Van flötjeshout, unne schar in top
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Bèèvert, 2009 - En zôo, waare der overal pestoors/ die unnen hellige op stal han staon./ Op zon bèèvert wier flink/ mee de schaol rondgegaon.
- Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Onze vadder en ons moeder ginge nòg op beevert. Nòr Keevelèèr. Zèlf zèèk nôot vèdder gewist as de Hasseltse kepèl èn Sint Jòb.
- WBD - III.3.3:27l - op/te bèèvert gaon
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bèèvert - bedevaart
bêeve
werkwoord

beven ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bift

- Willems; Dialectenquête, 1887 - bêeve - bifde - gebifd
beever
  1. zelfstandig naamwoord

    niet uitgesproken als bèèver bever stofnaam; uit Engels beaver of Duits Biber

    - Henk van Rijswijk; Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool, 1950-09-01 - 1954-07-31 bever - namaak beverhuid
  2. naam

    Een sterk aan één zijde geruwd en gestreken wollen weefsel in 8-schachts versterkte kettingsatijnbinding geweven met hardgedraaide ketting en iets losser gedraaide inslag. Soms ook geweven in 5 schachts inslagsatijn. Gebruikt voor sportkleding of winterbedrijfskleding. De boven- en de onderzijde zien er geheel verschillend uit. Uit: Henk van Rijswijk, Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954. Van oudsher zeer gewilde pelssoort. (bever). In Europa levert Duitschland de meeste vellen. Roodachtige kleur. Platte staart. Door overgroote jacht op het dier, is de kans op uitsterven zeer groot. Biber of bever. Grof, sterk geruwd en daarna geschoren wollen of katoenen weefsel voor onderkleeding. Effen binding. Donkere kleuren.

beezeg
naam

bezig

- WBD III.1.4:352 - bezig zijn
- WBD III.2.2:31 bezighouwerke - nog niet zindelijk kind
beezem
zelfstandig naamwoord

bes

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Gòmme mèèrege beezeme plukke?
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - beezeme bessen
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 bizzem - bes, bezie; ook -bei in èrbizzem - aardbei.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 beizi, bezie - bes
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - beejzem - bes; ook beejzie
- WBD III.4.3:91 - vergifbeezie, kriek, vergiftegde beezem, vergiftege beezem - oneetbare bes
- WBD III.4.3:174 - lievevrouwbeezem - jeneverbes
- WBD III.2.3:174 - bezem, bezie - bes
- WBD III.2.3:176 - bezem, bezie - aalbes
- WBD III.4.3:179 - bosbes, bosbezem - blauwe bosbes
- WBD III.4.3:179 - sint-jansbeezem - blauwe bosbes; ook genoemd klòkkebaaj
- WBD III.4.3:180 bosbes - rode bosbes
beezie
zelfstandig naamwoord

bes

- Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - Gòmme mèèrege beezeme plukke?
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - beezeme bessen
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 bizzem - bes, bezie; ook -bei in èrbizzem - aardbei.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 beizi, bezie - bes
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - beejzem - bes; ook beejzie
- WBD III.4.3:91 - vergifbeezie, kriek, vergiftegde beezem, vergiftege beezem - oneetbare bes
- WBD III.4.3:174 - lievevrouwbeezem - jeneverbes
- WBD III.2.3:174 - bezem, bezie - bes
- WBD III.2.3:176 - bezem, bezie - aalbes
- WBD III.4.3:179 - bosbes, bosbezem - blauwe bosbes
- WBD III.4.3:179 - sint-jansbeezem - blauwe bosbes; ook genoemd klòkkebaaj
- WBD III.4.3:180 bosbes - rode bosbes
begaffele
werkwoord

aan de steel steken, handig aanpakken, soms ook slordig werken

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - klaarmaken, afmaken
- Cees Robben; Prent van de week; Roomsch Leven 1965-01-15 - Ik zal oe wè teugwèès maoke hoe degge dè vort moet begaffele...
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven 1962-09-14 - Ge hegget meej de riek begaffeld... [namelijk het bed niet netjes opgedekt]
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - beeindigen, voltooien
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2008-12-07 - Ik zal oe es teugwèès maoke hoe dègge dè moet begaffele. - Ik zal je eens precies uitleggen hoe je dat zo efficiënt mogelijk doet.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - begaffelen - misdrijven, misdoen
- WNT begaffelen - l. den mond zoo ver opendoen dat men een groot brok eten naar binnen kan krijgen; 2. vandaar: handig en snel iets weten gedaan te krijgen; 3. ten slotte verschilt het weinig van bedisselen
- WBD III.4.4:302 begaffelen - ordenen
begankenis
zelfstandig naamwoord

heel gedoe, zware opgave, moeite, werk De oorsprong is echter (conform Van Dale) de grote inspanning die een bedevaart vereist, of ook wel een processie.

- Informant Toine Raaijmakers - Daor zulde veul begènkenis meej krèège.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-02-09 - ..t Is me n hil begenkenis...
- Pierre van Beek; Typisch Tilburgs, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1958-01-10 t Is me n hil begengkenis. t Is een tobberij; moeizaam werk.
- Anoniem; Typisch Tilburgse uitdrukkingen, Nieuwe Tilburgsche Courant; 1958-01-10 - t Is un begengkenis - Het is een tobberij, een moeilijkheid.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 ook begankenis
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - begènkenis 't waas 'n hil begènkenis; drukte
- WNT - van begang; een der stammen van begaan + nis; het begaan, dat is het bezoeken van eene plaats; het volbrengen, verrichten van een handeling, en wel kerkelijke; in bijzonder gebruik: begrafenis, bedevaart
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - begankenis - drukte, gedoe - t is n hil begankenis, ook begenkenis
- Brabantius, 1884; Woordenlijst der Noord-Brabantsche Volkstaal, 1882 begenkenis, bedevaart; in het oosten: drukte, feestelijkheid
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - begankenis - bedevaart of toeloop van bedevaarders op n bepaalde dag
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - begenkenis, begankenis, drukte, beweging - vuil (veul) begänkenis maoken op niks
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 begankenis, begènkenis - heel gedoe, omslachtige aangelegenheid, persecutie.
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - begankenis - begrafenis, bedevaart
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - begankenis.
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - begenkenis, begankenis
begaofd
naam

begaafd

- Kees en Bart; dialoog in Tilburgsche Post, 1922-193? - begaofdheid
begaoje
  1. werkwoord

    begaaien, begaden begaoje - begaojde begaojd; geen vocaalkrimping Etymologie - Jos Swanenberg; mededeling 2020 - In het Middelnederlands betekent begaden nog in orde brengen, regelen, verzorgen, behandelen, toetakelen maar in het Nederlands en dialecten bleef alleen de negatieve betekenis behouden: bevuilen, verbruien.

    - Mededeling Anton van der Lee, 2020 Begaoien is waarschijnlijk afkomstig uit de taal van de vroegere klompenmakers. Die zetten twee klompen in wording op de gaoibank en met het paalmes dat aan één kant vast stond werd daarop bepaald dat de klompen een paar zouden gaan vormen, dus elkaars wirgaoi. Deed je dat verkeerd dan had je het begoaid.
    - Van Dale - begaaien - uit het Middelnederlandse begaden - het gelijke bij elkaar brengen. Gewestelijk echter: bevuilen, bezoedelen, het in de broek doen (van kinderen); en zich begaaien, zich te goed doen aan voedsel of drank.
    - WNT - begaden - met uitstooting der d ook begaaien begaadde - begaad
  2. Thans verouderd, maar in de Frankische dialecten nog gewoon, vooral in het deelwoord begaaid. In de Middeleeuwen een groote reeks betekenissen., in 17e eeuw slechts enkele overgebleven. In het algemeen: iets in een zekere toestand brengen, in orde brengen, ook versieren. Bij Cats ook: bevuilen, bezoedelen. Negatieve betekenissen

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - begoait - wè waas ie begoait; toegetakeld
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t klokhuis van Brabant; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-09 - ...as ze mènen dèk t volgens hullie te veul begaoi.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven 1957-06-08 - Ge hegget me hier wir is begaoid...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1980-02-15 - Toen ge t vleeje week mee t karnevalsbal zôô begaoid had...
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - Hij hee hil wè te verstouwe mar hij begaait t nogal is.
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1966-07-13 - Hij heeget t toch wir begaoît; assie vandaog wir iets goed doet, isset dn irste keer
    - Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; t Draaihèùs, 2009 - èn paast er vur op dègget nie gaot begaoie.
    - Piet van Beers; With Love; t Maag wir lente worre, 1982-1987 t Is nou te hope dè t weer/ tnie te veul gao begaoie/ Dan kan ik wir zo zuutjesaon/ den hof mee om gaon spaoie.
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... - maart 2013
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013
    - J.M. Van der Donck; Mooi Truike; in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882 - Op t lest begaoide ie den boel zoo êrg, dè Driek () t nie laanger kon ùthaauwe.
    - Brabantius, 1884; Onze Volkstaal, 1882; Woordenlijst der Noord-Brabantsche Volkstaal - begaojen, mishandelen, leelijk toetakelen, er slecht doen uitzien
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - maken, miskleunen, begaden, begaaien
    - A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - begaden
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - begaoje - bevuilen, tekeer gaan
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bega(d)en, begaaien - bevuilen, besmeuren, bemorsen, bederven, schenden
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 begaden het (begaoje)
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Begaden - bevuilen, besmetten
    - WBD III.1.4:340 begaden - het lelijk laten liggen
    - WBD III.4.4:320 begaden - bevuilen
begèèfèèchteg
naam

misselijk

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - begaif-aichtig - misselijk
begèère
werkwoord

begeren

- Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - Dè beger ik vaan jaau te wète (è: tussen ee en è) - Dat begeer ik; begeerte
- WBD III.1.4:433; 435 - begeren
- Willems; Dialectenquête, 1887 - begèère - begèèrde begèèrd; geen vocaalkrimping
begènkenis
zelfstandig naamwoord

heel gedoe, zware opgave, moeite, werk De oorsprong is echter (conform Van Dale) de grote inspanning die een bedevaart vereist, of ook wel een processie.

- Informant Toine Raaijmakers - Daor zulde veul begènkenis meej krèège.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-02-09 - ..t Is me n hil begenkenis...
- Pierre van Beek; Typisch Tilburgs, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1958-01-10 t Is me n hil begengkenis. t Is een tobberij; moeizaam werk.
- Anoniem; Typisch Tilburgse uitdrukkingen, Nieuwe Tilburgsche Courant; 1958-01-10 - t Is un begengkenis - Het is een tobberij, een moeilijkheid.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 ook begankenis
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - begènkenis 't waas 'n hil begènkenis; drukte
- WNT - van begang; een der stammen van begaan + nis; het begaan, dat is het bezoeken van eene plaats; het volbrengen, verrichten van een handeling, en wel kerkelijke; in bijzonder gebruik: begrafenis, bedevaart
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - begankenis - drukte, gedoe - t is n hil begankenis, ook begenkenis
- Brabantius, 1884; Woordenlijst der Noord-Brabantsche Volkstaal, 1882 begenkenis, bedevaart; in het oosten: drukte, feestelijkheid
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - begankenis - bedevaart of toeloop van bedevaarders op n bepaalde dag
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - begenkenis, begankenis, drukte, beweging - vuil (veul) begänkenis maoken op niks
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 begankenis, begènkenis - heel gedoe, omslachtige aangelegenheid, persecutie.
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - begankenis - begrafenis, bedevaart
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - begankenis.
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - begenkenis, begankenis
begèrbeleure
werkwoord

verwaarlozen, bederven, beschadigen begèrveleure - begèrveleurde - begèrveleurd De etymologie is onzeker; mogelijk verbastering van het Franse guère de valeur; niet veel waarde hebben

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 02 10 - Mar t is zò'n zund hoese ons taol / Dikkels begèrbeleure. // Ons Tilburgs dè is vuls te schòòn / Nie plat, nèè hèèl wè rèker / Mar kèk, zòiets begrèpt allèèn / 'ne Pronte kruikezèker.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven , 1956-04-28 - Tiest Vermeeren haoj n kiepke... / En die preutse pik-madam/ Leej n aaike... en t woog zuiver.../ Honderd-vijf-en-sistig gram.../ Naor daffaire waar t kiepke/ iet of wet begerbeleurd... - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven , 1965-03-26 - ...begerbeleurd van kop toe teen - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven , 1970-03-13 - En toen viel ik op mn batterij, meneer dokter, en../ En naa denk dek munne/ startschroef heb begerbeleurd.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - varianten: begarbeleure, begèrbeleure, begèrveleure
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 - ouderwets en tamelijk zeldzaam
begèrreg
naam

begerig

- WBD III.1.4:434; 435 - begerig begerig, begeerlijk
- WBD III.2.3:20 - begerig - gulzig
begien
zelfstandig naamwoord

begin

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Bad Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-31 - 1939-02-18 - ...In et begien...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 01 02 - Ik vroeg deez' week verschaaie meense: / "Hèdde efkes tèd messchien? / Zodde gij mèn is wille zegge, / Wè vènde gij 'n goei begien?" / D'n bronollieboer: "Ik wô dè ons Trees niemir maauwde / Dè ik nie genog verdien / En dèsse mèn m'n pilske gunde / Dè was vur mèn 'n goei begien."
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - begien
begiene
  1. werkwoord

    beginnen begiene - begos(se) - begonne

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 03 18 - En dan begient de lente.
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 -beginne/begiene - begós/begón begónne
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - begiene - beginnen; verleden tijd begós; voltooide tijd begóst
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - begiene beginnen; verleden tijd begòs
  2. 1. infinitief en tegenwoordige tijd

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 59, 1968-09-07 - Een Alphense boer vertelde ons over de verovering van Alphen tijdens de laatste oorlog. In het heetst van het gevecht bij zijn huis tussen de Duitsers en de Polen begon zijn vrouw te kraoken. Uit het verhaal konden we afleiden, dat hij bedoelde, dat de barensweeën in letterlijke zin waren begonnen. Zie hieronder bij Hoeufft!
    - Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? Hoe laot begient?
    - Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 t Begient mee ne Proloog
    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945-05-18 - En naa zon ze in eenen keer zóó begiene!
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1970-10-23 - Meej n schôôn laai gaok begiene
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-01-22 - Ak mèèrege iets nuus begien... - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-08-24 - Hij zit daor as unne ezel tussen twee bèèrege hooi... Waor zal ie naa t irst aon begiene?
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, 2007 - s Aovens onder et eete wiesse te vertelle dèk s maondags om 9 uur op et ketoor van de Tilburgse Courant as lôopjongen kos begiene.
    - Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 1994 - ik dènk dèt oover en uurke begient te rèègene
    - Gieleke (waarschijnlijk pseudoniem van Michel van de Ven (Lechim)); ongedateerd knipsel uit onbekende bron, circa 1960-1980 - Mar kom allee, doe goed oew bist!/ Begient mee goed te willen...
    - Gieleke (waarschijnlijk pseudoniem van Michel van de Ven (Lechim)); ongedateerd knipsel uit onbekende bron, circa 1960-1980 - Allemol deeje ze d'r bist/ D'n beker te verdienen/ Mar kossen tegen Willem II/ Ten liste niks begienen.
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - et begint (korte ie) te klèppe vur dirste mis
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 lemma beginnen - heet hier van de vrouwen 'jamjam instantis partus signa dare [zodra er tekenen zijn dat de bevalling begint; vergelijk Van Beek, hierboven].
    - WBD III.1.2: 4 beginnen - op gang komen
    - WBD III.1.4:315 - vanher beginnen - opnieuw beginnen
  3. 2. verleden en voltooide tijd begos(se); hiernaast ook de vormen begon en begonne

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - Ge had al gelaïk, vurge begont. Je had al gelijk, voor je begon.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven 1956-07-07 - Mar as ik kôs... begôs ik nog eens...! - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven 1957-07-27 - Gin wonder dè diejen bond daor begôs
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel, feuilleton in 4 afleveringen; NTC, 1939-05-20 - 1939-06-17 - ...en toen begossen al de heeren rondjes te geven... - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 2; NTC, 1938-10-08 - ...en ie sloeg op de taofel detter de borreltjes van begosse te daanse...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 3; NTC, 1938-10-15 - ...de heeren gongen dan naor d'r kaomers en de naacht begos.
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 11; NTC 1938-12-10 - Toen begos et! - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Bad Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; NTC 1938-12-31 - 1939-02-18 - ...en 't begos me toch te regene...
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - toen ik wè begos te wènne..
    - Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer, Asperges me, 2009 - Boove op 't koor zonge de heere/ saome meej 't allergrotst gemak./ Die hadde vur dèsse begosse/ soms al gepruufd van de kejak.
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - begost - 2e en 3e hoofdvorm van beginnen
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - kwòsse begòsse
    - WNT - ook: begonde en begonste, begost, begoest, met deelwoord: begonst, begost, begoest.
begòzziedraoger
zelfstandig naamwoord

bagagedrager (van rijwiel), pakkendrager

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 08 05 - Wè laoter kwaam z'n zwaoger / Mee drie jong hundjes in 'n maand / Op z'ne begozzie-draoger.
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2007-05-16 - Sprinkt mar op mènne begòzziedraoger, dan brèng ik oe wèl èfkes tèùs
begraove
werkwoord

begraven begraove - begroef begraove; geen vocaalkrimping

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1975-07-04 Of ge naa begraove wordt in n kiest van waai-bôômehout of van èèke... dr onder gaode...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 181, Nieuwe Tilburgsche Courant, 1973-05-10 - van den èèrme begraove - op kosten van het Burgerlijk Armbestuur
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 181, Nieuwe Tilburgsche Courant, 05-10-1973 - De goede man of vrouw hoorde het zelf niet meer, maar de praatgrage goegemeente had er heel scherpe oren voor. "Ze hebben 'm mee 't klein bimke begraoven", werd er dan gezegd. Een buitenstaander werd daar misschien niet direct helemaal wijs uit, de insider daarentegen wist onmiddellijk, dat de betrokkene "van den èrme", dus op kosten van het Burgerlijk Armbestuur, begraven was. Zwaar klokgelui kon er dan niet op overschieten, maar het lichte bimbamklokje speelde wel mee voor een grijpstuiver.
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - In iemes z'n hart begraven liggen as 'n boerenkont in 'nen turkslaire broek.
begrèèpe
werkwoord

begrijpen begrèèpe - begrêep - begreepe in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij begrèpt

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 deh g t nie kunt begrèpen
- WBD III.1.4:32 - begrèèpe - begrijpen
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - begrijpen - bevatten, inhouden, behelzen.
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 begrijpen; wordt in deze streken veel gebruikt in den eigenlijken zin van omvatten.
begròffenis
zelfstandig naamwoord

begrafenis

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - begroffenis
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1973-10-05 En de biste plaots bij un begraofenis en n bruiloft des den twidde waoge...
- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1990 - Des un hil beleevenis, zon begroffenis.
- Willems; Dialectenquête, 1887 - begraofenis
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - begraffenis - begrafenis
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - begroffenis - begrafenis
begrôotelek
naam

te kostelijk

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - te duur
- WNT - begrootelijk - zoodanig dat iets iemand moet begrooten, spijten; spijtig, verdrietig; alleen gewestelijk.
begulzeg
naam

gulzig

- WBD III.2.3:20 begulzig - gulzig
behaandele
werkwoord

behandelen behaandele - behaandelde behaandeld; geen vocaalkrimping

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - behaandeld
- Grôot diktee van de Tilburgse taol; 2007 - agge daor wòrt behaandeld
behaawe
  1. werkwoord

    1. behouden

    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-02-04 - Dan bende behaauwe, man... [gezegd door een huisarts tegen een 81-jarige man
  2. 2. drachtig zijn van dieren

    - Een roestpraatje; Weekblad van Tilburg, 1867-10-05 - t Vaol versken () witte wel, wil nie behaauwen. [Wil maar niet drachtig worden.]
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - Van een koe die gestierd is en het zaad van de stier niet als het ware weggeworpen heeft, heet het: Ze hëe behaauwe; Ze is bevrucht ()
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 behouden behaawe Gezegd van een koe die met succes gedekt is
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 behou(d)en - behou(d)en zijn, kalf inhebben, drachtig zijn; bij landbouwers
bèhaawe
werkwoord

haaw bè - hiel bè/hiel baaj - bègehaawe bijhouden

behange
werkwoord

behangen behange behong - behange

- WBD - goej behange koej, schôon behange koej - harmonisch van bouw; ook vierkaante, gelèjnde, goej gesloowte, goed gestòpte koej
behaoge
zelfstandig naamwoord

behagen, in goeden doen

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - krèède et nòr behaoge, dan wòrde nòr et kèrkhòf gedraoge
behèèmeld
bijwoord

beheimeld (verouderd voor geheimzinnig)

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 geheimzinnig
behèmd
bijwoord

geheimzinnig (van gehèèm?)

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-04-02 - Hij deej nogal behemst
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 81, Nieuwsblad van het Zuiden 1969-06-27 - Nog even voortwandelend op het pad van "geheimheid" stuiten we op: "Hij is op alles effe (even) behèmd". Ook hier hebben we met ons "beheimd" te maken. De man waarvan bovenstaand gezegd wordt, kenmerkt zich door een neiging de zaken geheim te houden. Dat is derhalve het tegenovergestelde van een die het hart op de tong heeft. We hanteren dat "behèmd" ook nog in de vergelijking: "Hij doet zo behèmd as 'n kat mee d'r jong!" Zoals bekend hebben katten de neiging hun jongen te verstoppen.
- WBD III.1.4:416 - behemd - geheimzinnig
- WNT II:1491 behemstig (thans onbekend) - geheim, op eene geheimzinnige wijze
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 beheimd, behèmd - geheimzinnig, geheim doend (Van Dale beheimst)
- C.J. Verhoeven; Haorese woorde, spreuke en gezegdes, 2007 behèmd - geheimzinnig
beheurlek
bijwoord

behoorlijk

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - behórlek, behoorlek
- Grôot diktee van de Tilburgse taol, 2008 - meej enen beheurleken hôop tjèmtjèm
behippere
werkwoord

langzaam van een ziekte herstellen behippere behipperde - behipperd

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - behibberen - hij is wir ant behibberen - bijkomen, herstellen
- Pierre van Beek; Dialect en spreekwijzen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-01-10 - Geef die man eens n flinke bedrag tot steun, dan kan hij wat behipperen. - ...dan kan hij wat bijkomen, uit zijn moeilijkheden raken, aansterken, ruimer in de middelen komen
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-12-17 - Onze Jaon die zô behippere/ As zn Willem II mar won...! - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1982-03-26 - Ik ben wir behipperd...
beitel
zelfstandig naamwoord

beitel

- WBD II 2708 - béjtel - beitel
- WBD II:2709 - hagbéjtel - hakbeitel
- WBD II:2710 - steejgbéjtel - steekbeitel
- WBD II:2711 schiedbéjtel - schietbeitel
- WBD II:2395 - draajguuts - draaiguts
bekaampeg
  1. naam

    wedijverig, jaloers; uit kampen

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-02-28 - Wè zen ze toch bekaampig - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1969-11-07 - t Was unne bekaampige meens..
  2. Koffiemok. Foto: CuBra/WTT/Brabants 2021

bekaan(s)t
bijwoord

- Dekens hèk dan ok pekaant nie mir noodig (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- Pekaant aon alle groot plezier zit innen bitteren naosmaok. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- ... t wor pekaant hil de dag nie licht nie. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- Henk van Rijen (1998): bijkans, bijna
bekaanst
bijwoord

bijna, bijkans

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-04-03 - Zô wè van mn eigen, bekaant de sigaar.... - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-07-05 - Ik heb er naa bekaant al tien...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 05 09 - Naa ziede daor bekaant gin meens. - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-11-27 - Bekaant unne plezaante klaant... - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1975-01-16 Is ie al dreug? Bekaant, zo af en toe verliest ie nog wel is wè. (gehoord over n kind dat pas loopt en praat)
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-04-12 - Is ie al dreug, Drieka..? Bekaant, Miena.. Af en toe verliest ons broekpoeperke nog wel is wè...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-10-03 - Ze stond er zôô breed bij mee dr braoi dewwer bekaant mee gedrieje aachter kosse...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - bekaant aflèggesgerêed - stervende
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Visse, 2009 t Is bekaanst 'n jaor geleeje/ dè menne maot is overleeje./ Ik denk daor steeds opnuu wir aon/ Ak m'n vistèùg in de schuur zie staon.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Opeens schrokken we ons èège kepot van enne knal, we gingen bekaant zelf de lucht in.
- Tillie B. (pseudoniem van Nicole de Jong); website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - ...ik geleuf dè alleman ont klòttere waar, et waar ommers bekaant Siendereklaos.
- Tillie B. (pseudoniem van Nicole de Jong); website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - Teegesworreg kan bekaant alles.
- WNT - bijkans - bekans, bijkant, bekant
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bekant - bijna
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 - bekant., bijkans, bijna - nog nie bekant - op geen stukken na.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bekant bijna (Zie WNT bijkans)
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bekan, bekanst, bekant - bijkans, bijna
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - bekant - bijna
bekaanstbekaanst
bekaant
bijwoord

bijna, bijkans

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-04-03 - Zô wè van mn eigen, bekaant de sigaar.... - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-07-05 - Ik heb er naa bekaant al tien...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 05 09 - Naa ziede daor bekaant gin meens. - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-11-27 - Bekaant unne plezaante klaant... - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1975-01-16 Is ie al dreug? Bekaant, zo af en toe verliest ie nog wel is wè. (gehoord over n kind dat pas loopt en praat)
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-04-12 - Is ie al dreug, Drieka..? Bekaant, Miena.. Af en toe verliest ons broekpoeperke nog wel is wè...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-10-03 - Ze stond er zôô breed bij mee dr braoi dewwer bekaant mee gedrieje aachter kosse...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - bekaant aflèggesgerêed - stervende
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Visse, 2009 t Is bekaanst 'n jaor geleeje/ dè menne maot is overleeje./ Ik denk daor steeds opnuu wir aon/ Ak m'n vistèùg in de schuur zie staon.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Opeens schrokken we ons èège kepot van enne knal, we gingen bekaant zelf de lucht in.
- Tillie B. (pseudoniem van Nicole de Jong); website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - ...ik geleuf dè alleman ont klòttere waar, et waar ommers bekaant Siendereklaos.
- Tillie B. (pseudoniem van Nicole de Jong); website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - Teegesworreg kan bekaant alles.
- WNT - bijkans - bekans, bijkant, bekant
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bekant - bijna
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts), 1978 - bekant., bijkans, bijna - nog nie bekant - op geen stukken na.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bekant bijna (Zie WNT bijkans)
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bekan, bekanst, bekant - bijkans, bijna
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - bekant - bijna
bekaantbekaant
bekaare
naam

elkaar

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - bekare, bij bekare, aachter bekare, van bekare gaon
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? t zal wel veur bekare koomen; mee bekare overeenkoomen
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1944-12-15 - Nou me dunkt! Ge ziet bekaant niks aanders dan naoie! Ik wed dettie wel uit virtig verschillende lepkes bestao, diechche aon bekare het gedriegd.
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-01-26 - Hoe zit dè dan in bekare?
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-01-26 - dan vèchte ze wel nie direct, mar dan peste ze bekare 'n bietje veul
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-01-26 - Jè allemol goed en wel, mar ge kunt toch gin vier en twintig uur aachter bekare slaope.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bekander, mekander, malkander, bekaar, mekaar, malkander
bekèèke
werkwoord

bekijken bekèèke - bekêek - bekeeke in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij bekèkt

- WBD III.1.4:336 bekijken - zorgen voor
- WBD III.1.41:51 bekijken - proberen
bekèks
zelfstandig naamwoord

bekijks, belangstelling

- Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - Veul bekèks hèbbe - in de belangstelling staan
- WNT bekijk - Het bekijken van iemand. Veel bekijk (of bekijks) hebben. Ergens het voorwerp der algemene nieuwsgierigheid zijn.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bekijk; geen bekijks wèèrd zijn - niets waard zijn
bekènne
werkwoord

geen weg meer weten, niets herkennen

- Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven 1967-09-01 - Ge kunt oewèège hier niemer bekènne...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 171; Nieuwsblad van het Zuiden, 31-03-1973 - Ik bekèn me hier nie - Als iemand zich vreemd voelt op een plaats waar hij vroeger toch goed de weg geweten heeft of zich thuis gevoeld heeft.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bekènne(n), bespeuren; z'n aegen erges niks/goewd bekenne - niets uit de omgeving herkennen.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bekennen; zijn eigen ievers bekennen - eene plaats, waar men vroeger geweest is, nog herkennen.
bekèt
  1. zelfstandig naamwoord

    boeket, tuiltje

    - WBD III.4.3:208 - bekèt - boeket; ook genoemd bekètje, boske, strökske, blommeke, bos blomme; van Frans bouquet
  2. Tijs Dorenbosch - vignet uit De Mus en D'n örgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)

bèkker
  1. zelfstandig naamwoord

    bakker

    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - bèkker
    - Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, gebaseerd op Nicolaas Daamens Handschrift Tilburgs Dialect (1916) - De bakker hee in den oven gescheten. De bakker heeft in de oven gescheten. De bakker sluit zijn bedrijf. (De bakker schiet een brood in de oven; schijt hij erin, dan heeft hij niets te bakken.)
  2. zelfstandig naamwoord

    bèkkerbèkker
bèkkerskèèr
zelfstandig naamwoord

bakkerskar

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - bèkkerskèèr
bèkkerskèèrbèkkerskèèr
bèkkese
zelfstandig naamwoord

bekkens (muziekinstrument)

- Interview Jolen, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Ik heb irst meej meej de bèkkese geslaoge, jè! De trom! Et gebeurt ôot wèlles dèk et hèb moete doen omdè dan de trombaone er nie wa, dèk et dan wèl di mar aanders dik dè nie Nèè, ik blêef bij mèn êen dinge èn zôo ist meej alles!
bekla(n)sjeneere
werkwoord

uitvoerig bespreken, beredeneren beklansjeneere - beklansjeneerde - beklansjeneerd van het Frans collationner

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - uitweiden over quasi-gewichtige zaken
- WBD III.4.303 - beklassineren - ordenen
bekoevreere
werkwoord

herstellen

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - er beter op worden
- Ed Schilders; WTT 2020 - waarschijnlijk een uitspraakvariant op het Franse recouvrir
bekoome
werkwoord

bekomen, in een beters toestand geraken; passen bij iets of iemand bekoome - bekwaam - bekoome in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij bekomt

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1966-07-13 - zoals gij, zô is er gin, mar dè bekomttoe wel
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bekommen - bekomen, in een betere toestand geraken; Ge bent erop bekomme!
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bekomen - tot zijn zelven komen, weder tot het bewustzijn komen
bekoore
werkwoord

bekoren vocaalkrimping in tegenwoordige tijd; gij/hij bekort

- Willems; Dialectenquête, 1887 - bekoore - bekoorde - bekoord
bèkske
  1. zelfstandig naamwoord

    bak(je) in diverse betekenissen 1. in de uitdrukking ...halven bak - van het zelfstandig naamwoord bak in de betekenis het bakken ofwel baksel; met half wordt niet geheel, dus halfbakken, bedoeld

    - WTT Ed Schilders 2012 - In het dialect is de uitdrukking dichter bij de oorsprong gebleven: het baksel (het bedoelde werk) is gebrekkig.
    - Voorbeeld van originele systeemkaart Sterenborg - halven bak - half werk: Tis ammòl halven bak wèttie doe!
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - halven baks gedaon (bijwoordelijk gebruik)
    - WNT - halfbakken - bij qualitatieve persoonsnamen. Niet volslagen; in gebrekkige mate datgene zijnde wat door den naam wordt aangewezen; onvolkomen of gebrekkig in zijne soort.
  2. 2. voederbak

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zenèège van den bak laote bèète - zich laten verdringen
    - Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Als ze goed ter been waren, mochten ze hooguit wa zaad in het bakske van het kanariepietje doen, nie meer...
  3. 3. Kom, kop, bak om uit te drinken, maar ook ieder komvormig voorwerp waaruit koffie of thee wordt gedronken.

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - en lékker bakske kòffie
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Ze gaven schôon schilderijkes, un wijwaotersbekske of un lievevrouwebildje.
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel; NTC 1939-02-25 - 1939-04-18 - Daor is naa eenmaol niks aon te doen, we zullen er mar n bekske troost op drinke.
    - Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Toen dn oudste terug kwam mee de boodschap dat vrouw Sjaane al onderweg was zette Sjareltje al vast mar koffie want ze zou eerst wel n bakske lusten.
    - Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Maar allee... we zullen eens gaan kijken of de vrouw de koffie al klaar heeft, gij lust toch zeker ok wel n bakske
    - Wil van Pelt; Brabants knipoog uit het verleden, 2001; CuBra - Het vrouwvollek lust onderwijl wel n bakske koffie.
    - A.J.A.C. van Delft; Van vroeger dagen, van vrijen en trouwen; NTC, 1929-11-30-30 - Na de Mis gebruikte die dan bij haar de koffie, soms kwamen meerdere buurvrouwen op een bakske.
    - A.J.A.C. van Delft; Van vroeger dagen, folklore en ambacht; NTC, 1930-02-01 - n Buurvrouw komt tegen half elf een bakske doen, dat wil zeggen zij komt een tas koffie slurpen met een bestel (soort beschuit) en suiker onderwijl de nieuwtjes der buurtgenoten te releveeren of kwaad...
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, nr. 66; NTC, 1968-11-04 - Een half elfke is het bakske koffie, dat buurvrouwen des morgens om half elf plegen te drinken.
    - Cees Robben; Prent van de Week, 1958-02-01 - Dan maolt ze dn koffie.. en zet unne bak...
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 Bèkske n lèkker bèkske koffie
    - Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 en 2002 - bèkske - kop met oor, in tegenstelling tot kumke
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Men zegt hier wel een bakje thee drinken onder den burgerstand...
    - WNT bak kopje; in de volkstaal van verschillende streken
    - WBD III.2.1:l86 - bakske kopje; ook genoemd: kom, kumke of tas
    - WBD III.2.3:40 bakske - de maaltijd in de namiddag (de warme maaltijd werd vaak gebruikt na het middaguur; de broodmaaltijd aan het eind van de middag (werkdag)) werd vaak aangeduid als koffiedrinken
  4. 4. grap

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant; NTC, 2-11-1929-11-2 - Den burgemister hee ne schoonen bak utgehold.
    - WBD III.3.1:249 bak - grap
  5. 5. bak - doosvormig voorwerp

    - WBD II:601 bak weekbak; soort spoelbak in een looierij.
  6. zelfstandig naamwoord

    2. zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van bak bakje; kopje koffie - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-02-13 - Luste ôôk n bekske leut... koffie lut... - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-02-01 - Zon bekske doe deugd

    - Piet van Beers; With Love; Unne mooien open dag, 1982-1987 t Vrouwvolk vat n bekske thee
    - Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; De stinpöst, 2009 - Vier ons vèrse worst èn peeje../ doet er mar wè jèùne bij./ n Bèkske zult n half pond kaoje/ èn tweej schèève balkenbrei.
bekulle
werkwoord

treuren de etymologie is onbekend

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - èège schuld wòrdt nie bekuld - om eigen schuld wordt niet getreurd
bekwaom
  1. naam

    bekwaam; in staat (tot iets); nuchter; rijp (volgroeid)

    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 [gehoord van een volkstuinder] Munne rooie kôôl groeit de buurt in, munne spinaozie stao vol ruigt en mun peekes zèn nog nie bekwaom.
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ge zèèt nòg nie bekwaom om meej de gèèt nòr den bok te gaon
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-09-18 - Mun peekes zèn nog nie bekwaom... [ongetwijfeld met een ondertoon die symbolisch is voor voortplanting]
    - Frans van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Alleen mistetèèd zèèk niemer bekwaom om nòr et twidde keffeej te gaon.
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bekwaom - bekwaam, in staat
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 bekwaam, bekwaom deskundig; rijp, genoeg gegroeid om voor een bepaald doel gebruikt te worden (gegeten, geslacht of gedekt)
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bekwaam, in staat, geschikt.
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bekwaam, veur alles bekwaam zijn - zeer te mistrouwen zijn; geschikt om verkocht, geslacht, geplukt, geoogst enzovoorts te worden.
    - WBD III.1.2:182 - bekwaam - gezond
    - WBD III.2.2:46 bekwaam - meerderjarig
    - WBD - geslachtsrijp (van koeien)
  2. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

bekwèèke
werkwoord

bekwijken, beroepen, beschreeuwen bekwèèke - bekwêek - bekweeke in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij bekwèkt

- Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - ik kós em nie bekweeke gekreege krèège - ik slaagde er niet in met hem door te roepen contact te krijgen [waarschijnlijk ontleend aan een prent van Cees Robben]
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - ...ge elkaor nie bekwèken kunt
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-07-17 - Hij bekwekt mee gemak vèèf, zis ekkers ver.
bekwèèke
belaasting
zelfstandig naamwoord

belasting

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - belaasting
belaojtòffeld
naam

belatafeld, bedonderd

- Lowie van Dorrus Misters; Onze Tilburgse folklore, aflevering 1; Wijkbuurten in vroeger dagen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-11-08 - een latafel. Deze ziet men heden niet meer in de stad. Zij is vervangen door het dressoir, maar in tegenstelling met het laatste, dat zowat uitsluitend met wat er in en er op staat voor pronk dient, had de latafel een méér practisch doel. Zij was iets hoger en bevatte gewoonlijk drie diepe laden, waarvan dan in de onderste onderkleding, in de tweede betere kleding, zoals de grote poffermuts, moeders zijden pelerine en/of neusdoek (wollen omslagdoek) en in de bovenste meer kleinere maar meestal ook kostbaardere voorwerpen.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - zèède belaojtòffeld! - ben je belatafeld/bedonderd!
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - belaojtoffeld - gek, bedonderd
belaojtòffele
werkwoord

voor de gek houden

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Bad Baozel, 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-31 - 1939-02-18 - Ieder jaor schreef den riddacteur van den Bode van Baozel daogs veur den irsten April iets in z'nen kraant, waor ie al z'n lezers mee belaoitaofelde.
- Onze Taal, Taaladvies; internet 2020 - Belatafeld is als grap ontstaan; het is een verbastering van belazerd , dat lange tijd als een erg grof woord werd beschouwd. Belazerd is afgeleid van de naam van Lazarus, een lepralijder die in het bijbelboek Lucas voorkomt. Lepra (melaatsheid) was een gevreesde besmettelijke ziekte die tot ver in de Middeleeuwen ook in Europa voorkwam. In de verbastering belatafeld zit het woord latafel , een ouderwets woord voor een commode . [Een kast met tafelblad en laden waarin linnengoed werd bewaard.]
bèlappe
werkwoord

bijlappen, bijbetalen

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - inzet verhogen; verklikken
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 bijbetalen; verraden
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bijlappen bijvoegen - Lapt er nog ne frang bij, dan is t verkocht.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bèlappe bijlappen; er inluizen; inzet verhogen
bèljaa
tussenwerpsel

welja

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 belja - uitdrukking, in allerlei varianten uitgesproken; bejjah, beljat, bajjahs, wel ja!; niet altijd gebruikt om ondubbelzinnig te bevestigen
- WNT wel-ja; ook verbasterd tot weja, be(l)ja, be(l)jaat; uit wel ja' + t
beljèrt
  1. zelfstandig naamwoord

    biljarttafel; verbastering van Frans billard

    - Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - biljert
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - Drik Heeren heej en biljèrt
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - Jè jè, t biljert is nie wèrm, de ballen zèn nie rond, de keu is te glad
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 10 20 - De Nilles ha drie weeke lang / Geoefend op t beljèrt.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven 1969-05-09 t biljèrt is nie wèèrum... munne pommeraans frotst...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1982-01-15 - Biljèrten is toch en schôon spel... Mar ge wordt er wel zat van...
    - WBD II:898 - biljartlaoke/biljèrtlaoke - biljartlaken.
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - biljèrt - biljart
  2. zelfstandig naamwoord

    biljart

beljèrte
werkwoord

biljart spelen

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1973-08-10 - Ge kunt toch biljèrte...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), de Tilburgse Koerier, 78 10 05 -
bèlklèèver
zelfstandig naamwoord

steenklaver

- WBD I:1409 bèlklééver - steenklaver
bèlle
  1. werkwoord

    bellen; afscheiding geven uit de schede (van koeien)

    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bellen (van koeien gezegd)
    - WBD - (van een koe) afscheiding geven uit de schede
  2. Bloemen van de bellenboom - fuchsia hybrida

bèllenbôom
zelfstandig naamwoord

fuchsia (fuchsia hybrida)

- WBD III.2.l:438 - bèllenbôom fuchsia, ook genoemd bèlleplaant of bèllekesplaant
bèllenbôom
bèlnêe
tussenwerpsel

wel nee!

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - belnee (belnee:); uitdrukking, door ouderen soms ook belnent (wel neen t)
- WNT - welnee(n); verbasterd tot belnee en belneent, belnint, respectievelijk welnint, welneenk, welnenik; ter uitdrukking van een sterke ontkenning.
belon
zelfstandig naamwoord

ballon

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - belon - belonneke
Bèls
  1. naam

    Belgisch; België; Belg 1.1 zelfstandig naamwoord; België, soms onzijdig

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 6; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-21 - Ze stonden er daor in t Bels van te kèken...
    - Interview met Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Ik weet goed, vroeger hè, we zitten hier dicht in Bèls, èn dan gebeurde nòg wèlles dègge smòkkelaars had
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - De pestoor Zinnicq Bergmann isser van gestörreve. De köster, die isser toen nòr Bèls toe gevlucht èn de schilder Mutsers (Mutsaers), hèbbe jaoren in Bèls gezeete. Dus dès nôot nie bekènd gewist!
  2. zelfstandig naamwoord

    [Van den Aker doelt op verdachten in de zaak rond de moord op Marietje Kessels in 1900-1902]

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Echte kenderköpkes waren et, ingevoerd vanöt den Bels.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Radiodistributie wel te verstaon, waor ge drie zenders op kost krèège, Hilversum 1 en 2 en den Bels.
    - Frans van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dè koop ik in bij n aaw maot van mèn öt Bels.
    - Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - Kèkte göllie ôot nòr den Bèls [de Belgische televisiezender]?
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 6; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-21 - Neffen ons wont nen Bels...
    - Henriëtte Vunderink; Tis de moejte wèrd; Vlòmse gaaj, 2011 - Der wont sins kòrt enen allòchtoon in onze tèün./ Ze zègge, tis femielie van de kraaj./ Hij heej gineens en paspoort òf en staates./ Èn al et voedsel dèttie it, dè krèègt ie graates./ Van hèrkomst enen Bèls, die Vlòmse gaaj.
  3. naam

    1.3. zelfstandig naamwoord; een Belgisch trekpaard

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Apart in un waai stond hier en daor ene bels of zô ge wilt den brèùne, die et mar moes zien te trèkke, brééd op vier pilèère van pôote meej van die flosse, die over zen hoeve vielen as gerdène. Zon pèrd stond aaltij te drôome, meej êene pôot opgetrokke.
    - WBD - bèls (Hasselt) - zwaar paard, ook bónk genoemd, of zwaore
  4. Het Bèls lijntje

    - Ed Schilders; WTT 2019 - Bèls lijntje. De spoorlijn die Tilburg en Turnhout verbond met tussenstations in Riel, Alphen, Baarle-Nassau, Baarle-Nassau Grens en Weelde. In gebruik genomen in 1867; in 1934 werd het vervoer van reizigers gestaakt, in 1973 het transport van goederen. In 1987 opgebroken. Op het tracé is in 1990 een fietspad aangelegd.
  5. Einde van het fietspad Bèls Lijntje bij centraal station Tilburg. Foto CuBra 2019.

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant aflevering 6; Nieuwe Tilburgsche Courant , 1929-11-21 - Hij leest aaltij nog Belze kraanten...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 09 25 - Wij kèken in de tussentèd / Wel naor d'n Belze zender. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 01 20 - D'r ís òòt unne tèd gewist / Dègge mee èène gulde / In ieder Belze staminee / Gewoon vur kòning spulde.
    - Bèlze steen, 1928
  6. Nieuwe Tilburgsche Courant 22-6-1928

    - Ook Bèlze kaaje:
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Want nèt as hier vruuger de Bredòssewèg... dè was, dè was mar ene grôote kaajewèg want der laage van die grôote Bèlze kaaje laage derin
  7. 2.1. Bèls spoor in plaats van Bèls lijntje

    - Pierre van Beek; Nieuwsblad van het Zuiden, Tilburgse Taalplastiek, aflevering 27, 06-02-1965 - Het Bels spoor is er mar 'n bisje (beestje) bij. Het is de nog bestaande spoorlijn, die via Riel en Alphen naar Baarle-Nassau loopt en van daar aansluit op het Belgische spoorwegnet. Men kan de aangehaalde uitdrukking gebruiken als bv. iemand iets groots toont en men op een ironische manier zijn instemming betuigt, die echter - juist door de ironie - wel eens niet-instemming kan zijn.
    - Pierre van Beek; Nieuwsblad van het Zuiden, Tilburgse Taalplastiek, aflevering 93, 07-01-1969 - Een Tilburgse moeder stond tegen een kennis de lof van haar kind te zingen. Uit haar mond noteerden wij: "'t Is 'n gaawske, een rat is er mar 'n bisje (beestje) bij". Zij bedoelde dat het om een vlug kind ging, zó rap, dat men het zelfs nog niet met een rat kon vergelijken. De niet geringe mate van overdrijving in het beeld werkt hier komisch, doch degenen die de hyperbool gebruiken, blijken zich hiervan niet bewust. Dat "beestje" als instrument tot overdrijving hebben we vroeger hier al eens eerder ontmoet. Het betrof toen een vergelijking, waarin gezegd werd: "'t Bels spoor is er mar 'n bisje bij".
  8. zelfstandig naamwoord

    Nieuwe Tilurgsche Courant 7-12-1940 3. Tilburgse bijnamen

    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - et Bèlske - Jantje van Halsteren
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den Bèls - De Zwart
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - et Bèls boerke - Aug. Daems
    - WNT bels; verbastering van Frans belge - 1. spreektaal; 2. Belgisch trekpaard
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - belg bèls; soms in volksmond bèls, bèlze
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - Bels - Belg; Bels(ch) Belgisch; de Belze vlag
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - Bèls - België, Belg, Belgisch
bèltje
  1. zelfstandig naamwoord

    mannelijk/vrouwelijk maar ook aangetroffen als onzijdig bijl

    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - t Bijl staot er om zoo te zeggen al tegenaon.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Het volksgebruik verandert op verscheidene plaatsen de geslachten der naamwoorden; het bijl.
  2. zelfstandig naamwoord

    bijltje

    - WBD II.2731 - béltje - handbijl
    - WBD III.2.1:250 bijltje - bepaald hakmesje; ook kapbijltje
    bèltjebèltje
belul
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - benul, besef
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - belul - benul
- WNT - benul - bij oudere schrijvers altijd belul
bèlze
  1. naam

    Belgisch; België; Belg 1.1 zelfstandig naamwoord; België, soms onzijdig

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 6; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-21 - Ze stonden er daor in t Bels van te kèken...
    - Interview met Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Ik weet goed, vroeger hè, we zitten hier dicht in Bèls, èn dan gebeurde nòg wèlles dègge smòkkelaars had
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - De pestoor Zinnicq Bergmann isser van gestörreve. De köster, die isser toen nòr Bèls toe gevlucht èn de schilder Mutsers (Mutsaers), hèbbe jaoren in Bèls gezeete. Dus dès nôot nie bekènd gewist!
  2. zelfstandig naamwoord

    [Van den Aker doelt op verdachten in de zaak rond de moord op Marietje Kessels in 1900-1902]

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, Tilburg 2006 - Echte kenderköpkes waren et, ingevoerd vanöt den Bels.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Radiodistributie wel te verstaon, waor ge drie zenders op kost krèège, Hilversum 1 en 2 en den Bels.
    - Frans van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dè koop ik in bij n aaw maot van mèn öt Bels.
    - Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - Kèkte göllie ôot nòr den Bèls [de Belgische televisiezender]?
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 6; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-21 - Neffen ons wont nen Bels...
    - Henriëtte Vunderink; Tis de moejte wèrd; Vlòmse gaaj, 2011 - Der wont sins kòrt enen allòchtoon in onze tèün./ Ze zègge, tis femielie van de kraaj./ Hij heej gineens en paspoort òf en staates./ Èn al et voedsel dèttie it, dè krèègt ie graates./ Van hèrkomst enen Bèls, die Vlòmse gaaj.
  3. naam

    1.3. zelfstandig naamwoord; een Belgisch trekpaard

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Apart in un waai stond hier en daor ene bels of zô ge wilt den brèùne, die et mar moes zien te trèkke, brééd op vier pilèère van pôote meej van die flosse, die over zen hoeve vielen as gerdène. Zon pèrd stond aaltij te drôome, meej êene pôot opgetrokke.
    - WBD - bèls (Hasselt) - zwaar paard, ook bónk genoemd, of zwaore
  4. Het Bèls lijntje

    - Ed Schilders; WTT 2019 - Bèls lijntje. De spoorlijn die Tilburg en Turnhout verbond met tussenstations in Riel, Alphen, Baarle-Nassau, Baarle-Nassau Grens en Weelde. In gebruik genomen in 1867; in 1934 werd het vervoer van reizigers gestaakt, in 1973 het transport van goederen. In 1987 opgebroken. Op het tracé is in 1990 een fietspad aangelegd.
  5. Einde van het fietspad Bèls Lijntje bij centraal station Tilburg. Foto CuBra 2019.

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant aflevering 6; Nieuwe Tilburgsche Courant , 1929-11-21 - Hij leest aaltij nog Belze kraanten...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 09 25 - Wij kèken in de tussentèd / Wel naor d'n Belze zender. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 01 20 - D'r ís òòt unne tèd gewist / Dègge mee èène gulde / In ieder Belze staminee / Gewoon vur kòning spulde.
    - Bèlze steen, 1928
  6. Nieuwe Tilburgsche Courant 22-6-1928

    - Ook Bèlze kaaje:
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Want nèt as hier vruuger de Bredòssewèg... dè was, dè was mar ene grôote kaajewèg want der laage van die grôote Bèlze kaaje laage derin
  7. 2.1. Bèls spoor in plaats van Bèls lijntje

    - Pierre van Beek; Nieuwsblad van het Zuiden, Tilburgse Taalplastiek, aflevering 27, 06-02-1965 - Het Bels spoor is er mar 'n bisje (beestje) bij. Het is de nog bestaande spoorlijn, die via Riel en Alphen naar Baarle-Nassau loopt en van daar aansluit op het Belgische spoorwegnet. Men kan de aangehaalde uitdrukking gebruiken als bv. iemand iets groots toont en men op een ironische manier zijn instemming betuigt, die echter - juist door de ironie - wel eens niet-instemming kan zijn.
    - Pierre van Beek; Nieuwsblad van het Zuiden, Tilburgse Taalplastiek, aflevering 93, 07-01-1969 - Een Tilburgse moeder stond tegen een kennis de lof van haar kind te zingen. Uit haar mond noteerden wij: "'t Is 'n gaawske, een rat is er mar 'n bisje (beestje) bij". Zij bedoelde dat het om een vlug kind ging, zó rap, dat men het zelfs nog niet met een rat kon vergelijken. De niet geringe mate van overdrijving in het beeld werkt hier komisch, doch degenen die de hyperbool gebruiken, blijken zich hiervan niet bewust. Dat "beestje" als instrument tot overdrijving hebben we vroeger hier al eens eerder ontmoet. Het betrof toen een vergelijking, waarin gezegd werd: "'t Bels spoor is er mar 'n bisje bij".
  8. zelfstandig naamwoord

    Nieuwe Tilurgsche Courant 7-12-1940 3. Tilburgse bijnamen

    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - et Bèlske - Jantje van Halsteren
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den Bèls - De Zwart
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - et Bèls boerke - Aug. Daems
    - WNT bels; verbastering van Frans belge - 1. spreektaal; 2. Belgisch trekpaard
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - belg bèls; soms in volksmond bèls, bèlze
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - Bels - Belg; Bels(ch) Belgisch; de Belze vlag
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - Bèls - België, Belg, Belgisch
bèm
samentrekking

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - bij zich; uit bè + em
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 bèm - bij zich
bemisse
werkwoord

bemesten Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2016 - Dörom ginge wij ok höskesmis haole, zimme vruuger, öt weejseejs haole int stad. Höskesmis om de weilande èn alles te bemisse èn as we gruun moese zaaje!

bèmmele
werkwoord

loshangen, bengelen, bungelen

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - bemmelen - het hing er los bij te bemmelen; los, luchtig aanhangen
- Cursus in Tilburgs; rubriek met dialectische uitspraken in weekblad Groot Tilburg; datum onbekend (tussen 1939 en 1946) - Haj okkene noemer tussche zn schouwerblaoie bemmelen?
- WBD III.1.2521 bemmelen - bengelen; ook bungelen
bemoeje
  1. werkwoord

    bemoeien

    - Frans van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn netuurlek kwaam Tieske van Gèèrven zenèège der teegenaon bemoeie.
  2. Trottoirtegels met opgespoten tekst in een bushalte op de Heuvelring. Waarschijnlijk een tekst ter promotie van de fabrikant. Foto: CuBra 2018

bènde
samentrekking

ben je

- Cees Robben; Prent van de week - Bende al getrouwd Piet...? (19650910) - Cees Robben; Prent van de week - Bende klaor meej oe wèèrik Merie? (19650917) - Cees Robben; Prent van de week - Bende zot, Serafien... (19811009)
- Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, Tilburg 2004 - bènde nie goed wèès of doede mar zôo ...
bènde
bèndje
  1. zelfstandig naamwoord

    band, bandje 1. fietsband Tekening: - Cees Robben; uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Jè jè, ge kunt zo nog al wè laoie op in fiets as de bendjes mar hard staon
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Dur waar slèècht òn baande te koome (in de oorlog)
  2. 2. termen uit de industrie en ambachten

    - WBD II:997 - ónderbaand onderband; touw van een dradenkruis
    - WBD II:1000 - ónderbaand - vitskoord; ook: flèsroejlus
    - WBD II:1050 - lóssem baand - losse band; dubieuze aanduiding voor schie, bij breuk van het inslaggaren
    - WBD II:2765 - vurbaant - naafband (buitenzijde)
    - WBD II:2766 - aachterbaant - naafband (binnenzijde)
    - WBD II:2766 - spêêgbaande - naafband (aan weerszijden van de spaakgaten)
    - WBD II:2868 baande - banden (voor kuipen en vaten)
    - WBD II:2868 - rêêpe - idem
    - WBD II:2907 - hawtere(n) baant - houten band (voor een vat)
    - WBD II:2868 - baant - (kuip)band
  3. 3. anatomie (dieren)

    - WBD - baande - spieren tussen de staart en het kruis van de koe, ook genoemd plaote
  4. 4. lopende band

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 07 17 - We zèn twee weke van dn baand. [Twee weken vakantie]
  5. 4. overige betekenissen

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Netuurluk moes ik nog wel meejhelpe kraante vouwen en der un bendje meej naom en adres om heene plekke.
    - WBD III.3.3.111 - baand - bandelier van de suisse
    - WBD III.1.3:134 - gatbanden - korte linten van een schort
beneej
  1. bijwoord

    beneden

    - Cees Robben; Prent van de week - deugskes zeejig naor beneej... (19550827)
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - BENEDEN - bijwoord en voorzetsel
  2. naam

    b eneujd waarschijnlijk uit 'benodigd' iets nodig hebben

    - Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867) - Ons Drieske is er mar daonig meê beneuid [namelijk een fatsoenlijke boezeroen]
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 bijvoeglijk naamwoord, benood, verlegen om, behoefte hebbende aan.
  3. Bordje op een rustbank aan het Wilhelminakanaal; Tilburg-Noord, Foto: CuBra 2018

beneeje
  1. bijwoord

    beneden

    - Cees Robben; Prent van de week - deugskes zeejig naor beneej... (19550827)
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - BENEDEN - bijwoord en voorzetsel
  2. naam

    b eneujd waarschijnlijk uit 'benodigd' iets nodig hebben

    - Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867) - Ons Drieske is er mar daonig meê beneuid [namelijk een fatsoenlijke boezeroen]
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 bijvoeglijk naamwoord, benood, verlegen om, behoefte hebbende aan.
  3. Bordje op een rustbank aan het Wilhelminakanaal; Tilburg-Noord, Foto: CuBra 2018

bèngske
zelfstandig naamwoord

bankje meestal geschreven als bènkske

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bèngske - bankje
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - op et bènkske laag en plènkske èn en tèngske
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-09-29 - Sjareltje geniet.. dè ziede,/ Op zn benkske in de zon... - Cees Robben; Prent van de Week ; Roomsch Leven , 1954-05-01 - In die hille klêne benkskes van de Hasseltse kapel... - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-04-26 - Meej t zekske langs de benkskes [namelijk het zakje waarin de kerkgangers die in de banken zitten hun bijdrage kunnen doen]
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - Bèts van et bènkske - Karin Bruurs
- Tony Ansems; cd Tilburgse Liekes American Style 2; t Willeminapark, 2009 - En we vreejen op een benkske/ Want in 't gras, det wou ze nie...
- WBD III.3.3:46 - bankjes, bankskes - armenbanken (in de kerk)
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 bènkske
bènneke
zelfstandig naamwoord

bennetje, mandje

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); t Briefke van duuzend; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-10-05 - Hanna, ik hè gedroomd dè Onzen Lieven Heer mee n benneke neuzen veur me stond en dè-t-ie zee: Oome Teun, ge hebt de keus! Kies n goei uit mijn benneke, menneke, want n goeie gevel siert et huis! En vat naa nie zoo'n snotneuske, nie zoo'n wipneuske, mar híér zóó-iets bijveurbeeld...
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 7; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-30 - Zooas ik dan zee, ze kwaam op me afgedrippeld mee d'r bodschappenbenneke onder d'ren errem.
- Pierre van Beek; Typisch Tilburgs, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1958-01-10 n benneke is een mandje
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 mandje
- WNT - ben, verkleinwoord benneken
benuud
naam

benieuwd

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - benuuwd
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-10 - Ik ben alleen mar benuut hoe zm dè zullen lappe!
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1956-07-14 - k Was benuut.. dè snapte warre
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 05 26 - ik zè toch kaai benuut.
- WBD III.1.4:7 - benieuwen, benieuwd zijn - benieuwen
- WBD III.1.4:14 benieuwen - veronachtzamen
- WBD III.1.4:187 - erg benieuwd zijn - (vol) verwachting
benuut
naam

benieuwd

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - benuuwd
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-10 - Ik ben alleen mar benuut hoe zm dè zullen lappe!
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1956-07-14 - k Was benuut.. dè snapte warre
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 05 26 - ik zè toch kaai benuut.
- WBD III.1.4:7 - benieuwen, benieuwd zijn - benieuwen
- WBD III.1.4:14 benieuwen - veronachtzamen
- WBD III.1.4:187 - erg benieuwd zijn - (vol) verwachting
benuuwd
naam

benieuwd

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - benuuwd
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 11; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-10 - Ik ben alleen mar benuut hoe zm dè zullen lappe!
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1956-07-14 - k Was benuut.. dè snapte warre
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 05 26 - ik zè toch kaai benuut.
- WBD III.1.4:7 - benieuwen, benieuwd zijn - benieuwen
- WBD III.1.4:14 benieuwen - veronachtzamen
- WBD III.1.4:187 - erg benieuwd zijn - (vol) verwachting
bepaole
werkwoord

bepalen, vaststellen bepaole - bepòlde - bepòld ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij bepòlt

bèpèère
werkwoord

bijperen, afranselen, afslaan

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - een afranseling geven
bepòld
bijwoord

bepaald

beraoje
werkwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - beraden
beraome
werkwoord

beramen

- WBD III.1.2:86 beramen - reiken naar
- WBD III.1.4:19 beramen - broeden
bèrbier
zelfstandig naamwoord

barbier

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - bij den berrebier; barrebier
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 10 01 - t Was zò druk bij dn bèrrebier... - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 12 16 - Naor d'n bèrrebier! - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-10-31 - Ik koom rèècht van den berrebier...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - bèrbier
bèrbierbèrbier
bèrd
zelfstandig naamwoord

plank, schot (van een kruiwagen)

- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - berd, bètplank
- WNT - berd; daarnaast ook wel bard; meervoud berderen en berders; Vlaams berdels
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 berd; Kempen ook bäd; meervoud berden, berder en berderen - plank, bord
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 berd; in de betekenis van bord (tabula, asser)
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 burden - de zijplanken op de zijde van ene kar. Van berd, een plank. Men zegt zowel berrie als burrie.
Berdao
naam

Breda

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Ik pak em, scheur em open en lees dèk de week derop, zôo en zôo laot in Berdao moet zèèn in de Kloosterkazerne om gekeurd te worre vur militaire dienst.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Ik werkte ondertussen bij De Stem in Berdao.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, Tilburg 2007 - Dieje deftige meneer meej zen sigarewinkeltje zaat naa in Berdao, in de pèreplu.
- Henriëtte Vunderink; Tilbörg, k Zal van oe blèève haawe, 2007 - T[ilburg] is gin Berdao èn zeeker gin Den Bosch.
Berdaos
naam

Breda's, uit Breda

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Berdaos, Berdòsse - Un Berdaos mèdje meej unne Berdòsse jonge
Berdòssewèg
naam

Bredaseweg in Tilburg

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? den Bredosschenweg
berèèke
werkwoord

bereiken berèèke - berèkte - berèkt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij berèkt

Bèrndèèk
naam

buurt in Tilburg; (de) Berkdijk ook uitgebreid tot de straatnaam aldaar; Bèrndè(è)ksetraot

- Willem van Mook; Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 t Tweede bedrijf is de zitting van den Körvelschen gemènteraod, Körvel vurgesteld as stad, mee t Körvelsch Huukske, het Laor en den Berrendijk as vursteeën
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Meindert van Gaalen, as ge die kènt? Die zulde gij noojt gekènd hèbbe dènk, van öt den Bèrndèèk
beroerdeghèd
zelfstandig naamwoord

narigheid meervoud beroerdegheeje

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ook berôêrdeghèj
- WBD III.1.4:258 beroerdigheid - ellende
beroo
zelfstandig naamwoord

bureau, kantoor; meer in het bijzonder het voormalige politiebureau van Tilburg aan de Bisschop Zwijsenstraat

beroow
  1. zelfstandig naamwoord

    bureau, kantoor; meer in het bijzonder het voormalige politiebureau van Tilburg aan de Bisschop Zwijsenstraat

  2. zelfstandig naamwoord

    bureau; in het bijzonder het politiebureau

bèrput
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ook birput - beerput
bèrrebier
zelfstandig naamwoord

barbier

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - bij den berrebier; barrebier
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 10 01 - t Was zò druk bij dn bèrrebier... - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 12 16 - Naor d'n bèrrebier! - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-10-31 - Ik koom rèècht van den berrebier...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - bèrbier
bèrrebierbèrrebier
Bèrrendèèk
naam

buurt in Tilburg; (de) Berkdijk ook uitgebreid tot de straatnaam aldaar; Bèrndè(è)ksetraot

- Willem van Mook; Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 t Tweede bedrijf is de zitting van den Körvelschen gemènteraod, Körvel vurgesteld as stad, mee t Körvelsch Huukske, het Laor en den Berrendijk as vursteeën
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Meindert van Gaalen, as ge die kènt? Die zulde gij noojt gekènd hèbbe dènk, van öt den Bèrndèèk
bèrrevoeter
zelfstandig naamwoord

capucijn; kloosterorde binnen de franciscanen waarvan de paters blootsvoets op sandalen lopen

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 kapucijn
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bèrrevoeter - capucijn
bèrrevoets
bijwoord

barrevoets; ook: kaal

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, Nieuwsblad van het Zuiden, aflevering 62, 1968-08-16 - "Hij had zo'nen berrevoetse kop, dè-t-er alle vliegen de been op braken." "Berrevoets" betekent blootvoets." In onze uitdrukking hebben de voeten er niet meer direct mee te maken. Men bedoelt "kaal", denkt daarbij aan "bloot" en de voeten spelen dan nog alleen op de verre achtergrond mee ter versterking van de uitdrukking en betekenen zo nog een plastische vormgeving. Maar er zit nog méér in de uitdrukking. In gedachten ziet men de vliegen aan het schaatsenrijden op dat bolvormige kale hoofd, dat hun zoveel moeite kost, dat zij voortdurend over hun eigen poten struikelen.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - berrevoets - barrevoets
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - berrevoets barvoets; berrevoets gaan.
bèrst
zelfstandig naamwoord

barst, scheur

- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - der is en bèrst (of scheur) in de kan
- WNT barst, ook berst
bèrste
werkwoord

bersten

- Willems; Dialectenquête, 1887 - bèrste - borst - geborste
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bersten sterven van beesten, soms ook van menschen; zijn eigen te bersten eten, drinken, lachen, loopen, schreeuwen, werken, zingen - zodanig ... dat men er kwalijk van zou worden.
- WNT barsten, ook bersten
Bertha

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

bèrzie
zelfstandig naamwoord

massa, boel, hoop

- Ed Schilders; WTT - Mogelijk uit het Franse berge; oever, berm, (hoge) schuit
- Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - Der laage tòch en bèrzie aaw spèèkers - Er lagen toch een boel oude spijkers
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? n heel berzie fleschkes odeur
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? n heele berzie wilde vrammessen; n heel berzie collectanten
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - berzie - ze kwaamen mee n hil bersie (aantal)
- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa 1990 - un berzie sperzie [-bonen]
- Piet van Beers; Het zeventiende boekje, 2010; Kerstverhaal, 2009 - Mar toen kwaame der en bèrzie engeltjes èn die zonge der op los.
- Cursus in Tilburgs; rubriek met dialectische uitspraken in weekblad Groot Tilburg; datum onbekend (tussen 1939 en 1946) - Siendereklaos hee wir n berzie gereje
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bèrzie - grote hoop, troep
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 berzie; uit Frans berge - schuit; van grote hoeveelheid n hil berzie; ook: wanorde, chaos, rommel.
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - localiseert bèrzie in Wagenberg en Tongelre (West- en Oost-Brabant); Tilburg wordt niet genoemd.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 berzie - menigte, hoop, troep; n heel bärzie (kinderen appels, centen...)
- Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 en 2002 - berzie - grote hoeveelheid, rotzooi, wanorde, bende
- WBD III.4:260 berzie - grote hoeveelheid
- WNT berzie, ook barzie - Een woord dat in de spreektaal van veel gewesten zeer gewoon is, hetzij in den zin van ongeordende wilde troep van koeien, van kinderen, van gemeen volk, hetzij in dien van ongeordende boel, rommel, of ook in dien van drukte, herrie
bèrzie
bescha(a)ndeliezeere
werkwoord

beschadigen, schenden; waarschijnlijk onder invloed van schandaal

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - heb ik verschaaie meensen die hier wone, grouwelijk beschaandeliseerd, dur ze ammel over dezelfde kam te schère.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1958-10-04 - Zegt dè mn gezicht beschandeliseerd is...
- Henriëtte Vunderink; k Zal van oe blèève haawe; Enen appel, 2007 - Mèn wang is naa beschandeliezeerd...
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2009-04-08 - We m ô ogen op zondag nôot bèùte speule om onze kleere nie te beschandeliezeere
- Frans van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - èn toen kwaam er ene vrachtwaoge langs èn daor viel toen dieje kompjoeter aaf. Èn himmel nie beschaandeliseerd of niks. Zoodoende staotie naa hier.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - schadaliseren - toetakelen, schenden
beschaaje
  1. werkwoord

    bescheiden, in de betekenis beslissen

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven; 1958-05-24 - Dè laoten we God.. en/ Dn mölder beschaaijen [uitdrukking om te zeggen dat het antwoord op een vraag moeilijk of niet te geven is]
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dè zumme Gòd en de mölder mar laote beschaaje - daar zullen we maar niet over redetwisten
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - overeenkomen, vaststellen
  2. In Tilburg ook gebruikt in verkorte vorm: schaaje

    - Pierre van Beek; Nieuwsblad van het Zuiden, Tilburgse Taalplastiek, aflevering 9, 1964-07-18 - Wantrouwen vindt men ook in "Dè zullen we den duvel en de mulder mar laten schaaien, die schaaien zo veul", waarbij op de eerste plaats de suggestie wordt gewekt, dat de molenaar nogal relatie met de duivel heeft. De uitdrukking wordt in het algemeen gebezigd als men bedoelt aan te geven, dat men een zaak op zijn beloop moet laten - er zich niet in moet verdiepen. Op de achtergrond zou men echter de hatelijkheid ten opzichte van de mulder kunnen zien, doordat hij meel voor zichzelf van het bezit van een ander "afscheidt". Een indruk van kleinzieligheid geven de gezegden wel en zucht tot kwaadsprekerij zal de uitvinders ervan vermoedelijk niet vreemd zijn geweest.
    - Pierre van Beek; Nieuwsblad van het Zuiden, Tilburgse Taalplastiek, aflevering 23, 1965-01-02 - Kunnen we ergens geen uitspraak over doen, dan wordt er wel gezegd: "Dè kan alleen God en de mölder (molenaar) schaaien" (beslissen) of: "Laat dè God en de mölder mar schaaien!". Dit soms nog met de toevoeging: "Die schaaien zoveul". (...) het woord "schaaien" [heeft] dan twee betekenissen in één, te weten "beslissen" en "scheiden". Alleen in de eerste is het typisch gewestelijk en vooral ook Tilburgs.
    - WBD III.1.4: 49 - bescheiden - beslissen
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - beschaaje - bedingen, afspreken
  3. naam

    Elders in Brabant niet met aa-klank maar met scherpe e of ei-klank

    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - bescheiden (beschèèje) - bedingen, als voorwaarde stellen, als toegift eisen
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 beschèèje - bescheiden, bedingen
    - Lex Reelick, Bosch woordenboek 1993 en 2002 - bescheije (vooral voltooid deelwoord bescheeje) - vastgelegd, bedongen
    - WNT - bepalen, vaststellen; soms ook bedingen; iemand iets toewijzen, toedeelen
  4. bescheiden

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Dè-s ginnen onbeschaaje meens
beschaffe
werkwoord

- WBD III.1.4:422 - beschaffen - een aanmerking maken
beschaodege
werkwoord

beschadigen

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Ze beschaoiige de boel hier nie onverdoens.
- WBD II 583 - beschaodegd - beschadigd (bij huiden)
beschaojege
werkwoord

beschadigen

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Ze beschaoiige de boel hier nie onverdoens.
- WBD II 583 - beschaodegd - beschadigd (bij huiden)
beschèèreme
werkwoord

beschermen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - beschèèreme
bescheete
  1. naam

    bescheten, ongewenst zwanger

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - der bescheete ötzien - er beroerd uitzien
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Der wier ons nôot niks gezeej! Ons moeder heej nôot niks teege mèn gezeej! Nôot! Jè, hadde bescheete òngekoome, jè, dan hadde ze... dan wast vurbij hè! Klik hier voor audiofragment
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-06-29 - [moeder tegen dochter] Ben mar blij degge nie bescheeten zeed thuisgekoome...
    - WNT - bescheeten - smerig, niet fraai, niet oprecht gemeend
  2. Nieuwe Tilburgsche Coourant 27 juli 1944

beschèùt
zelfstandig naamwoord

beschuit

- WBD - beschèùtenblóm - bloem van zeer harde droge tarwekorrels
- WBD - beschèùtenblóm - meel voor het bereiden van beschuitdeeg, ook 'petènt' genoemd
- WBD - beschèùtdêeg - beschuitdeeg
- WBD - beschèùt snije - doormidden snijden van beschuitbollen
- WBD - beschèùtmis - beschuitmes (gebruikt om beschuitbollen doormidden te snijden)
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 beschèùt - beschuit; meervoud beschèùt en beschèùte(n)
beschèùtbeschèùt
bèschiete
werkwoord

bijschieten, opschieten bèschiete - schôot bij - bijgeschoote

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg 1941; CuBra - mar wè zat er aon beschiete
- Informant Toine Raaijmakers - korter zijn (van een route); ...dè schiet tòch zó bij, as ge binnendeur gaot.
beschiete
werkwoord

beschiete - beschôot - beschoote iets betekenen, van belang zijn (gewoonlijk negatief gebruikt)

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 135, het Nieuwsblad van het Zuiden 1971-10-28 - Het bekende "Alle beetjes helpen" kan men bij ons horen vertalen met: "Het beschiet er wel niet aan, maar het helpt altijd". Het werkwoord "beschieten" is gewestelijke taal en betekent waarde hebben, helpen of betekenen.
- Pierre van Beek; het Nieuwsblad van het Zuiden, Tilburgse Taalplastiek, aflevering 143, 1971-12-30 "Die ene gulden, die ik nog in mijn zak heb, beschiet er nie aon", zei de cafébezoeker tot de waard, die hem er aan herinnerde, dat hij nog voor dertig piek "op de lat" stond. "Niet beschieten aan" betekent: niet de moeite lonen of niets te betekenen hebben. In Tilburg wordt "beschieten" altijd met het voorzetsel "aan" gebruikt. Van Dale geeft het, als gewestelijke taal, zonder dit voorzetsel. Bv. "Dat beschiet niet veel" in de betekenis van: heeft weinig waarde of helpt niet. In Tilburgse oren klinkt het achterwege laten van het voorzetsel vreemd.
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - de kender wasen beschiet er nie aon
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2007-01-31 2010-05-12 - Schaajt er mar meej èùt, dè beschiet er tòch nie mir aon - hou er maar mee op, dat helpt toch niet meer
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - beschiete - ertoe bijdragen
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - beschiete(n) - beschieten, helpen, baten; Dä beschiet nog is wa! (bijvoorbeeld bij een flinke gift bij een kollekte).
- WNT beschieten - een zeker belang hebben, iets beteekenen; thans in onbruik
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 beschieten. In Van Dale o.a. waarde hebben, helpen; in WNT voordeel opleveren Vooral in de uitdrukking dè beschiet er nie aon; dat maakt op een zo grote hoeveelheid geen merkbaar positief verschil, gezien de omvang van het werk in zijn geheel is deze concrete inspanning of bijdrage van geen werkelijke betekenis.
beschòmd
naam

beschaamd

- WBD III.1.4:70 beschaamd; schuchter
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 beschaamd; uitspraak beschamt, beschaomt, beschomt schaamrood, beschaamd om..., veur..., over...
beschötje
zelfstandig naamwoord

beschuit

- WBD - beschèùtenblóm - bloem van zeer harde droge tarwekorrels
- WBD - beschèùtenblóm - meel voor het bereiden van beschuitdeeg, ook 'petènt' genoemd
- WBD - beschèùtdêeg - beschuitdeeg
- WBD - beschèùt snije - doormidden snijden van beschuitbollen
- WBD - beschèùtmis - beschuitmes (gebruikt om beschuitbollen doormidden te snijden)
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 beschèùt - beschuit; meervoud beschèùt en beschèùte(n)
beschötjebeschötje
beschrèève
werkwoord

inhouden, inhebben; van belang zijn beschrèève - beschrêef - beschreeve; geen vocaalkrimping

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Dieje kèrremes, dè beschrèèft me wè!
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dè beschrèèft wè - dat heeft heel wat voeten in aarde
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 beschrijven, beschrééve - inhouden, inhebben, ingewikkeld zijn en lang duren, van belang zijn; dè beschrééft wè
- Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 en 2002 - beschrève - van belang zijn, ingewikkeld zijn
besèèpele
werkwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - beetnemen, overheersen - Lot oe nie besèèpele - Laat je niet overheersen
- WNT - besijpelen - bedruppelen
besjòkke
bijwoord

mesjogge

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-01-27 - 1940-02-17 - Bende staopel-besjokke, Jan, of krijgdet?
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun in den trein; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-09-16 - Bende staopelbesjokke, menneke!?
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - gek, dwaas; uit Hebreeuws meshugo
- WNT - mesjoche - mesjoege, mesjogge, mesjokke krankzinnig; uit Jiddisch mesjogge, uit Hebreeuws masuggá; bargoens en volkstaal besjoege
besjonkele
werkwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - betalen
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - besjonkele - aflaat verdienen
beslag
  1. zelfstandig naamwoord

    1.deeg voor pannenkoeken

    - WBD III.2.3:225 beslag - pannenkoekendeeg
  2. 2. beroerte

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - beslag - beroerte
    - Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - n licht beslag
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - beslag - beroerte
    - WBD III.1.2:314 beslag - hartinfarct
    - WNT beslag - slag, en wel in de bepaalde toepassing van beroerte (hoogduits schlag); gewestelijk, met name in het Overbetuwsch, en, wat Zuid-Nederland betreft, vooral in Brabant.
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - beroerte
  3. 3. In de bakkerij: aangemengd meel om te bakken

    - WBD - beslagkèùp beslagkuip; kuip waarin moutmeel en water werden gemengd, in de brouwerij
  4. 4. In de brouwerij

    - WBD - beslag beslag; mengsel van moutmeel en water in de beslagkuip, in de brouwerij
    - WBD - beslagkèùp beslagkuip; kuip waarin moutmeel en water worden gemengd, in de brouwerij
    - WBD - beslagpomp wortpomp; pomp die, als dat niet gebeurt door hoogteverschil, gebruikt wordt om wort van de lekbak naar de wortketel te transporteren
  5. 5. Andere betekenissen

    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - het gezamenlijke koperwerk waarmee schoonheidshalve het paardetuig is bezet.
beslaon
werkwoord

beslaan beslaon besloeg - beslaoge

- H. Mandos & M. Mandos-Van de Pol; De Brabantse Spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg, 1986 - Dubbel beslaan is altijd beter. Aan twee heiligen tegelijk dezelfde gunst vragen; meer kans hebben op resultaat door het aan meer personen te vragen.
beslèèchte
  1. werkwoord

    overeenkomst vertonen met; uiterlijk lijken op niet anders opgetekend dan als infinitief en tweede of derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd

    - Ed Schilders; WTT 2012 - Dit beslèèchte is dus niet het beslechten in de zin van beslissen zoals Pierre van Beek vermoedde, zie onder, maar is een verbastering van slachten (zie WNT hieronder).
    - Informant Toine Raaijmakers - lijken op
    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - beslaichten - hij beslaicht die of die (hij gelijkt die)
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1979-09-14 - Gij beslèècht men wel, maotje....
    - Cursus in Tilburgs; rubriek met dialectische uitspraken in weekblad Groot Tilburg; datum onbekend (tussen 1939 en 1946) - Hij beslègt hùlje vadder
    - WBD III.4.4:301 beslachten - gelijken
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 beslechten beslèèchte; geslachten, lijken op, iets met iemand gemeen hebben. Slaat niet altijd op familietrekken, hiervoor is aorden nor gebruikelijk; dan zulde gééj den aandere beslèèchte - dan zul je wel lijken op iemand die ... [dan volgt het voorbeeld]
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - beslaachten - beslachten, (ge)lijken op
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - beslèèchte - lijken op
    - WNT - slachten - van den stam van slaan slachten [...] Thans nog slechts gewestelijk. Met betrekking tot een gelijkenis of overeenkomst in het algemeen of in niet genoemde opzichten.
  2. overdrachtelijk

    - Informant Toine Raaijmakers - Tegen een kleinzerige Ge beslèècht de vètte osse wèl; die vuulen et ók ooveral.
  3. overdrachtelijk - Rommelèère vink

    - A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 117; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-06-05 - Als iemand niet veel praat, doch maar stil zit te luisteren en te denken, klinkt het Hij beslecht Rommelère vink, die docht dr deuntje. Rommelaar had namelijk een vink, die niet zong, en als men daarover een aanmerking maakte, zeide hij: Die denkt zn deuntje.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 3; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-02-18 - En hebt u nooit gehoord Hij beslècht Rommelère vink; die docht d'r deuntje! Men zegt dit als iemand niet veel praat doch maar stil voor zich uit zit te denken. Rommelaar was een veugeltjesprutter, die een vink had, welke niet zong. Maakte men daar aanmerking op dan luidde steevast zijn slagvaardig antwoord Die denkt dr deuntje!
  4. werkwoord

    overdrachtelijk Leytens vink

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 4, Nieuwsblad van het Zuiden, 1964-05-27 - We hebben nog een vink onder onze notities met de uitdrukking Hij beslècht Leytens vink, hij leert achteruit!, wat o.a. gezegd wordt wanneer iemand dingen slechter doet dan hij ze voorheen deed. Beslècht vinden we een mooi Tilburgs woord. De onbepaalde wijs hiervan moet zijn beslechten. Het curieuze is, dat het werkwoord beslechten in het Algemeen Beschaafd Nederlands wel bestaat, maar in een geheel andere betekenis dan waarin het, in vervoegde vorm, in het zinnetje over de vink van Rommelaar gebruikt wordt. In het Algemeen Beschaafd betekent het beslissen. Zo wordt bv. een pleit beslecht. In Tilburg heeft het echter ook de waarde van gelijken op of overeenkomen met. Van Dale's groot woordenboek der Nederlandse taal kent het in de Tilburgse betekenis niet.
besniete
werkwoord

bezuren, opdraaien voor alleen de infinitief komt voor, meestal gepaard met moete

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 04 24 - Ik moes t wir besniete. / In plak van in ne luie stoel / Fèn in de zon te zitte / Krèèg ik nen blok-kwast in m'n haand / En moes de kelder witte.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 09 18 'k Hè gin verstaand van weeduwschap / Of hoe dè òk maag hiete, / Mar ik weet wel dè's taante Sjoo / t Zondags mot besniete. / / Vur dag en daauw stao òòme Peer / Mee 't zaodbèkske te schudde... - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 06 24 - Hij zee: "In 't irst viel 't nie mee, / Allèèn tusse die griete / Want of 'k iets ha' gedaon of nie / Ik moes't aaltij besniete."
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - de goej mottenet meej de kaoj besniete
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - besniete, misnieten - ontgelden, bezuren
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 besnieten bezuren; altijd in verbinding met moeten en het
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - besniete(n) besnieten - (iets) ontgelden, (het) bezuren
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - besniete - bezuren
besnòt
naam

- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 117; Nieuwe Tilburgsche Courant; 1929-06-05 - Als ge niet besnot bent, hoef je je neus niet te vegen. zegt de volksmond om aan te duiden Wie geen schuld aan iets heeft, behoeft zich van geen smet te zuiveren.
besnut
zelfstandig naamwoord

deel, part

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 103, Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-06-10 - Wie "zijn besnut heeft gekregen" ontving wat hem toekwam. Hij heeft zijn part gehad. Hetzelfde drukt men ook uit met "zijn gezaoi gehad hebben". Bij dat "gezaoi" dienen we dan te denken aan "zaaisel", d.w.z. dat wat gezaaid is.
bèst
bijwoord

best superlatief van goed in het Tilburgs is bist meer gangbaar

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 best; in de uitdrukking zn best - optimaal, in hoge mate. Versterkende bijwoordelijke bepaling: t réégent zn best; hij ét wir zn best (zoals hij het op zijn best doet)
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 best, zijn best - zoveel het kan, zeer goed
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bèst - hevig, best
bèst
bestaon
werkwoord

bestaan bestaon - beston(d) - bestaon

- Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 2008 - de Stichting Tilbörgse Taol bestao naa vèftien jaor
besteeje
werkwoord

besteden

- Willems; Dialectenquête, 1887 - besteeje - besteedde besteed; geen vocaalkrimping
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 besteed; t is er nie(t) aan besteed t is het niet waard
bestèl
zelfstandig naamwoord

benaming voor broodsoort of koek Ed Schilders; WTT 2012 samenhang

- bestèl is vaak synoniem van mastel
- de grondvorm lijkt het Oudfranse mesteil te zijn, dat van oorsprong brood gebakken van tarwe en rogge is (Zie Baumgartner, Dictionnaire Etymologique, 1996)
- in het Nederlands was de naam voor dit brood masteluin
- dergelijk brood verdwijnt in de 19de eeuw uit het consumptiepatroon
- ondertussen zijn bestel en mastel in gebruik geraakt voor koekjesachtige producten
- soms wordt de mastel/ bestel dan gelijkgeschakeld met krakeling
- in Vlaanderen is de broodvorm langer in gebruik gebleven, maar niet noodzakelijk als een mengeling van tarwe en rogge
- in Vlaanderen is mastel opgetekend als hubertusbroodje
- mastel/ bestel als koekproduct stond ook bekend met smaakgevende ingrediënten, waaronder anijs
- in die samenstelling bekend als tractatie bij gezinsuitbreiding (vergelijk beschuit met muisjes)
- daarnaast is het koekje gebruikt als ingrediënt voor eenvoudige pap
- in die samenstelling is er verwantschap met luiwèèvepap en mogelijk ook lammetjespap in een oneigenlijke betekenis
- in de schaarse Tilburgse bronnen wordt het baksel benoemd als beschuit
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect (1916) - bestellen - groote ronde beschuiten (mastellen)
- A.J.A.C. van Delft; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-12-05 - Nou k daorvan spreek, schiete me ineens ok weer de keukenbeschuit van vroeger jaoren te binne () Bestellen hadden ongeveer den vorm van een cadetje en werden hard gebakken met anijszaadjes erin. Het was een gekruid masteluinbroodje, en werd inzonder gebruikt om er pap voor kraamvrouwen en kinderen van te koken.
bestèld
naam

van bestellen, op zijn plaats zijn, komen, brengen

- Piet Heerkens; De Mus; Sterke vrouw, 1939 Dren oudste, Kees, is goed besteld/ getrouwd in eigen huis en veld
bestèld
bestèùte
  1. werkwoord

    roemen, prijzen, pochen op bestèùte - bestôot - bestôote vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bestöt

    - Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - Ze bestöt der dòchter vusteveul. - Ze roemt haar dochter veel te veel.
    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - hij wier nog bestooten ook - geloofd, geprezen
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Bestuite doe ons vrouw mèn nie gemak want dan wor ik overmoedig zeese...
    - Piet Heerkens; De Kinkenduut; Mn bruurke, 1941 - Boerkens uit den buiten,/ heerkens van et laand/ zullen ons bestuiten/ om den aawen traant.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-04-14 - [dirigent over een stem in zijn zangkoor...] Anna Nuyten (...) daor kossie nie van stuiten...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1974-10-11 - Ik heb n goei vrouw... En ik bestuit ze overal...
    - Stadsnieuws; dialectrubriek, 2005-10-08 - Ge moet et nie zo bestèùte, daor wòrt ie mar grotseg van - Je moet hem niet zo (overdreven) prijzen; daar wordt hij maar verwaand van
    - WBD III.1.4:429 - bestuiten, stuiten prijzen, loven
    - WBD III.1.4:193 - bestuiten - zijn tevredenheid betuigen
    - WNT bestuiten - iemand of iets ophemelen, prijzen, gunstig er over spreken (in zuidelijke gewesten).
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bestùite - prijzen, loven
    - K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 bestuiten - prijzen, loven van iets of iemand goedspreken.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 bestuiten; iemand bestuiten - voordeelig van iemand spreken.
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bestèùte(n) bestuiten; prijzen, loven
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bestuiten - bestoefen, grootelijks loven en prijzen, voordelig van iemand of iets spreken.
    - Hans Heestermans; Witte nog?, 1988-1994 bestèùte
  2. In de bijzondere betekenis: naar het varken komen kijken (vlak voor of kort na de slacht) om het te prijzen

bestèùvere
werkwoord

betalen; afleiding van geldstuk stuiver

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - ge mot et mar kunnen bestuivere - ...betalen
- WNT stuiveren - in het algemeen: dokken en betalen
bestrèùve
werkwoord

verwennen, behagen bestrèùve - bestrèùfde - bestrèùfd geen vocaalkrimping

- Informant Toine Raaijmakers - Ze lòt erèège gèère bestrèùve.
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1968-03-20 - Ge zèt n aachteruit gezet menneke, ik zal jou wellus goed bestruive (verwennen)
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1968-06-28 - ...Mister, ge mot er op tèèd wè aaikes onder lègge... En al broeit ie ze vuil, toch mar bestruive... - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-11-05 - [mijn man is...] ginne kaoie... mar ge mot m wete te bestruive...
- Ed Schilders; WTT 2013 - De etymologie is niet opgehelderd, mogelijk is er een samenhang met struif, dus: met een lekkernij verwennen. Cees Robben koppelt het werkwoord in het voorbeeld hierboven immers aan aajkes. Vooralsnog lijkt bestrèùve in de hier bedoelde positieve betekenissen als verwennen en vleien dus een versterking van een onbekend werkwoord struiven of bestruiven.
betaole
  1. werkwoord

    betalen betaole - betòlde - betòld vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij betòlt.

    - Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - dan betaol ik den dòkter; belasting betaole; metêen betaole
    - Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - betold
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dè betòlt ie öt zen visjeszèkske
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ook: petaole
  2. werkwoord

    - Henk van Rijen (1998): betalen
  3. zelfstandig naamwoord

    petat frut, petatte frut patatfriet

    - Blomkôole meej petatte frut... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Smaokeluk)
betaome
  1. werkwoord

    betamen

    - Willems; Dialectenquête, 1887 - betaome - betòmde - betòmd
  2. ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; et betòmt

betèds
bijwoord

bijtijds

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-11-26 - [Drees heeft...] beteds den A.O.W. nog uitgevonden...
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bijtij(d)en, bijtijds - somtijds
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bijtijd, bijtijds - intijds
betêekene
werkwoord

betekenen

- Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - Wè heej dè te betêekene?
beteule
werkwoord

betelen, veldvruchten telen, bebouwen van grond beteule - betulde betuld ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij betult

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-05-17 - Ik beteul zelf munnen hof en win veul.
betiene
  1. zelfstandig naamwoord

    lage laars, laarsje; uit Frans bottine, laarsje o ok meervoud petienesen

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-01-27 - 1940-02-17 - Trien, poetst mn bottines...
    - WBD III.1.3:219 bottine - hoge schoen met elastische tussenstukken
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 pettin bottine
    betienebetiene
  2. Voor het woordbegin vergelijk Landheer; petienen - ouderwetse schoenen die van boven met een klep sloten

betienes
  1. zelfstandig naamwoord

    lage laars, laarsje; uit Frans bottine, laarsje o ok meervoud petienesen

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-01-27 - 1940-02-17 - Trien, poetst mn bottines...
    - WBD III.1.3:219 bottine - hoge schoen met elastische tussenstukken
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 pettin bottine
    betienesbetienes
  2. Voor het woordbegin vergelijk Landheer; petienen - ouderwetse schoenen die van boven met een klep sloten

betijje
werkwoord

zijn gang laten gaan vrijwel uitsluitend als infinitief gebruikt in de uitdrukking iemand of iets laten betijen

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 04 26 - Zen Trees wo nòr de huishaawbeurs,/ hij liet ze mar betije
betjoegd
naam

bij de hand

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - betjoegd t is ne betjoegde kairel; slim, bij de hand
- WNT betoeg(d) - rijk, uit de brand, goed af
bètjoeoe

bijt hij je - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-05-28 - [Naar aanleiding van een Britse dag in Tilburg] Engelsman vraagt aan Tilburger met een hond: Does he like meat fadder? Tilburger: Jè, Jèss.. en subiet bètjoeoe...

betwèffele
werkwoord

betwijfelen betwèffele - betwèffelde betwèffeld

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? betweffelen
bèùge
werkwoord

buigen bèùge - bôog gebooge in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bögt/bèùgt - buigt
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - in verleden tijd variatie - bogde, bôogde
- Dialectenquête Kernkamp, 1879 - buige (ui als in Frans Meuse, fleuve)
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - de burries van de kreugel bèùge deur ónder et gewicht
- Willems; Dialectenquête, 1887 - bèùge - bôog gebooge; in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping
beugelbaon
zelfstandig naamwoord

baan waarop de beugelsport bedreven wordt

beugele
werkwoord

de beugelsport beoefenen

- Van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 104; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-03-16 - - Nog wat ouderen vermaakten zich met beugelen. Op menig Meierijsch dorp ziet men nog hier of daar zoon beugelbaan. Meest had men die te Tilburg bij de boeren, die wat achteraf woonden, en bij buitencafés. Een ruimte van vijf bij drie en halve meter groot was door planken omgrensd en daarin een leemen vloer met op een derde gedeelte vast in den grond een groote ijzeren ring. Eigenlijk drie ringen boven elkaar. De buitenste was iets grooter dan de ballen waar men mee speelde. Die bollen waren gedraaide hardhouten kanjers van zoowat vijftien centimeter middellijn. Men speelde op beurt af van het begin der baan met een slager. Die slagers waren zware planken met een handvat er aan gesneden, waarmede die ballen versjouwd werden, flinke spieroefeningen dus. Het doel was om den bal door den bovenste ring te krijgen, deze telde de meeste punten, de andere minder, wijl het dáárdoor werken der ballen gemakkelijker ging. Aan het boveneinde was de baan wat hooger voor het uitrollen der ballen. Met het beugelen brachten de buurtjongens zoodoende den Zondag door.
- Interview Jolen, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Mar mist din ze beugeleWitte waor dè gedaon wèrd? Agge nouw de Diepestraot ingaot van Körvel èùt èn dan hèdde en rij höskes staon èn dè schaajt bij Gèèr van Aveldonk. (?) Dieje, op dieje punt wèrd dè mist gedaon van die, van die buurt zak nouw mar zègge.
bèùklôop
zelfstandig naamwoord

buikloop

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bèùklôop geen klinkerverkorting
bèùknaovel
zelfstandig naamwoord

navel

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1963-06-15 [Moeder breit een borstrok voor haar dochter...] Zèk al aon dn buîknaovel?
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1970-09-23 [gehoord bij brei-bezigheden...] Dès broddelwerk, die braainolde zèn te laank, t is zunt want ge zèt al aon den buîknaovel.
bèùkzuut
  1. naam

    buikzoet; overrijp, beurs; gezegd van vruchten en met name van peren; soms ook rot en wormstekig

  2. zelfstandig naamwoord

    - Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - bökzuute pèère
    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - buikzuut - gebutst of gestooten fruit of fruit dat te lang gelegen heeft
    - Cees Robben; Prent van de week - Prent van de week 15 september 1956; de tekst is een verwijzing naar de buikpijn die overrijpe peren kunnen veroorzaken, waardoor het eten ervan laxerend kan werken.
    - Cees Robben; Prent van de week - Prent van de week 9 oktober 1981; marktkoopman probeert inferieure appels aan de vrouw te brengen
    - WBD III.2.3:157/158 - buikzoet, buikziek overrijp, melig
    - WBD III.2.3:160 buikzoet - blutsen
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 bökzuut buikzoet, overrijp, beurs (van fruit gezegd)
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - buikziek beursch; buikzieke pèren.
  3. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

bèùl
  1. zelfstandig naamwoord

    papieren zak, buil

    - Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - hij leest de bèùle van Brónsgist - hij weet van niks [want die bèùle waren onbedrukt]
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-02 - Zède getrouwd dan wordt dè netuurlijk n moeilijker geval mar dr is toch ôk wel n mouw on te paassen. Ge brengt [van de kermis] vur oe vernomste helft van oe trouwbuukske bij zon gelegenheid nen buil stroopmoppen of n paor kwattas mee; dè is n veul beter remedie tegen onweer as nen bliksemafleijer: de bui drijft over zonder dè-get rommelen heurt!
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-09 - ...mn stukske, dèk mee n nuuw pen op nen schoonen gladgestreken buil geschreven hô...
    - Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 [In de tabakswinkel wordt een zak tabak achterover gedrukt] Mar dan laag der n bèùl tabak of tien, mar dan han ze wèl zolang gewèrkt dètter êene op der voete laag die vur de tonbank ston... Èn dan, hè, nie bij Susse mar bij die jonges dan, hè. Èn dan ten liste begonne ze zowè te stoeje èn dus zètte ze de deur oope èn dan schuptenie dieje bèùl tabak nòr bèùte!
    - H. Mandos & M. Mandos-van de Pol; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1966 - De buil van De Gruyter lezen. Het zakje van De Gruyter lezen. 1. Een sufferd zijn; 2. erg geleerd doen maar weinig weten; 3. oud nieuws vertellen. (Vroeger vouwde men de builen van krantenpapier.) Varianten: ipv De Gruyter: Hettema, Ebben, Bronsgeest; ipv buil: tabaksbuil; ... aan de binnenkant lezen; De kolenbak gelezen hebben.
    bèùlbèùlbèùlbèùl
  2. Ferry van de Zaande-sticker -2013

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - meer bèùl as tebak (gezegd van iemand die verwaand is)
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Zullie wogen et dan aaf en deeje et in un papieren böltje.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Bekaant alles moes in enne bèùl geschept worre en afgewogen.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Onze vadder meej enne grôote bèùl vol snoep vur de thösblèèvers
    - Tony Ansems; cd Tilburgse Liekes American Style 2; Drie koningen, 2009 - We zongen en we kwamen thuis/ Meej ene hele buil meej snoep...
    - Tony Ansems; cd Tilburgse Liekes American Style 2; t Willeminapark, 2009 t Laag vol meej papier, en peukies/ En halve böltjes friet...
    - WBD III.1.2:376 buil - bloeduitstorting
    - WBD III.1.2:376 bult - buil
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - buidel ... zelfs gebruikt men het alhier wel voor een papieren zakje
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bùil - papieren zak
bêûl
zelfstandig naamwoord

beul

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 meervoud - beule
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den beul, tandarts Beukers, omdat hij met zijn grote handen fors aanpakte. Hij kwam uit Schiedam, had een tandartsenpraktijk in de Zomerstraat.
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den beul - Bernard Janssens, omdat hij nooit ook maar een vlieg kwaad deed.
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den beul van Gôol - Bas Goijaerts, omdat men vond dat deze inwoner van Goirle hard reed.
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - de pèèrdebeul - G. v. Huijgevoort, hij handelde in pèèrde en ging naar men zei bepaald niet zachtzinnig om met zijn handelswaar. Woonde in de Anna Paulownastraat.
- WNT - beul, in ouderen vorm beudel, naast bodel Als Middelnederlandse spelling boedel een scherplange oo weergeeft, resteert na d-syncope de basis voor een naglijder: boodel - booel - bôôl.
beume
werkwoord

bomen (textielindustrie) verleden tijd bumde; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: bumt

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - bêûme - bomen, ketting om boom doen (textielindustrie)
- WBD II:998 - beume bomen - De geschoren ketting gelijkmatig (met behulp van de effenaar, boomhout, boomstok) op de kettingboom winden.
- WBD II:1007 - te brêed, te smal, te eng, te slap... gebumd - te breed, te smal, te eng, te slap.. geboomd
beumer
zelfstandig naamwoord

bomer

- WBD II:l004 - beumer bomer - Een van de mannen die het werk van het bomen verrichten of de persoon die daarvan de leiding heeft..
beure
werkwoord

in ontvangst nemen beure - beurde - gebeurd (geen vocaalkrimping)

- Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - slaog beure - een pak slaag krijgen
- Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - dan kunde ze beure - dan kun je slaag krijgen
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - vanwege den gebeurden dubbeltjespot
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 beuren - ontvangen, opnemen, innemen, heffen (schatting)
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - beure beuren, in ontvangst nemen (geld of slaag)
- WNT - beuren - in ontvangst nemen; geld... , zijn loon beuren
bèùte
  1. zelfstandig naamwoord

    buitenverblijf, buitenaf; de buitenkant van een woning (stoep, ramen, tuintje)

    - Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - gòmme nòr den bèùte? - gaan we naar het buiten/landgoed?
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - doede gij den bèùte, dan waas ik swèls aaf.
  2. Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 buiten; hij is van den buiten - ... van het platteland; op den buiten wonen op een buitengoed...

  3. bijwoord

    buiten

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - hij is op den bööte - hij is op het land; hij is op zenen bööte - hij is op zijn landgoed
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - den bööte doen - de buitenboel schoonmaken
    - Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 1994 - de waas hangt nog bèùte
    - Dialectenquête Kernkamp, 1879 - buite (ui als in Frans Meuse, fleuve)
bèùtemòppe
werkwoord

de laan uitsturen, naar buiten werken, hardhandig verwijderen

- Frans van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik ha geheurd dèsse den burgemister bèùtegemòpt hèbbe.
- Frans van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èkkes laoter zie ik hum dur êen van die kermesklaante bèùtegemòpt wòrre omdèttie gin kòrtje ha.
bèùtenböks
bijwoord

buitenbuiks; overdadig; zoveel eten dat de buik opzwelt en last bezorgt

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1967-08-04 - Agge (...) buiten-buiks te veul eet of drinkt...
bèùterêepe
werkwoord

buitenzetten (van personen) bèùterêepe - ripte bèùte bèùtegeript (scheidbaar) met vocaalkrimping, ook in de tegenwoordige tijd; hij ript bèùte

- Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - As ge blèèft drèène, zak oe gaa bèùterêepe.
- Ed Schilders; WTT 2018 - Vergelijk met (hierboven) bèùtemòppe.
- Ed Schilders; WTT 2017 - Samenstelling uit buiten en repen. Repen in de betekenis hoepelen, het spel waarbij met een stok een hoepel rollend moet worden gehouden. Zie lemma rêepe. In die betekenis al bij Kiliaen: Ludere circulo ligneo (1599).
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2007-03-01 - As ge bèùs zèèt maag de kastelein oe bist bèùtereepe
- WNT reepen - Alleen gewestelijk in Zuid-Nederland, Zuid-Limburg (in den vorm reipen) en de Bommelerwaard aangetroffen Vandaar: bèùterêepe, naar buiten rollen of slaan.
bèùteshèùs
bijwoord

buitenshuis

- Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 2007 - vrouwe die bèùteshèùs kosse wèèreke
bèùtestuupere
werkwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - niet al te zachtzinnig buiten de deur zien te krijgen
bèùtewèèker
zelfstandig naamwoord

buitenwijker, namelijk een politiefunctionaris of veldwachter

- Nel Timmermans; Zit t soms in de femilie?; CuBra; ca. 2002 - Diejen ôome èn zene maot waare bèùtewèèkers, die ginge aaltij saome op de fiets bèùte de bebouwde kom meej ene grôote zwarte bouviër de boeve opspoore.
bèùtewèèver
zelfstandig naamwoord

buitenwever, thuiswever

- Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - de buitenwèvers van Körvel, och èrm, och èrm, och èrm, dr braken toch zoveul draoi...
- Interview met Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Dè waare buiteweevers, die hadde en groot huis èn daor stond en hil ouw ketaaw in Jè, die, die, die naome dè weet ik ammel zozeer niemer hörre!
- WBD II:941 - bèùtewèèver - buitenwever, wever die thuis en niet op een fabriek werkte; ook tèùswèèver genoemd
- WBD II:949 - bèùtewèève, ook: tèùswèève - weven buiten de fabriek
bèùze
werkwoord

veel en smakelijk eten, schrokken bèùze - bèùsde - gebèùsd (geen vocaalkrimping)

- Informant Toine Raaijmakers - gezellig eten; smakelijk eten en op je gemak - hij zaat me toch te bèùze
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1970-09-23 - Rôôken doek nie mar ik hauw wel van goed buîze - ...lekker eten
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - veel eten, schrokken
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - kaaw schootel? dès bèùze geblaoze!
- Tony Ansems; Peestamp; cd Gatvermiedenhoet, 2010 - Witte wek gere te freten heb/ Wek gere kook/ akker de tijd vur heb/ Pee stamp, witte kool, en juine/ Rook worst, efkes laote bruine/ Lekker, vanavond lekker buize, peestamp
- WBD III.2.3:9 buizen - schrokken
- WNT buizen - vreten; onmatig drinken, zuipen. Thans nog slechts hier en daar in de platte volkstaal, zoo b.v. in Groningerland (bepaaldelijk jenever drinken
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - buizen - onmatig drinken, overdadig zuipen
bèùzerd
zelfstandig naamwoord

buizerd; roofvogelsoort (buteo)

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 meervoud bèùzers; door de meervouds-s ontstaat het cluster rts, waaruit de t verzwegen wordt
bevange
naam

bevangen, beklemmen; benauwen van de adem of de borst

- WBD - bevange - verkouden (van een paard); zie droes
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bevangen
bevaorbaor
naam

bevaarbaar

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bevaobaor of bevaorbaor
beveele
werkwoord

bevelen

- Willems; Dialectenquête, 1887 - beveele - bevôol bevoole; vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bevilt
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bevool; 2e hoofdvorm van bevelen
bevobbeld
bijwoord

bijvoorbeeld

- Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 2000 - Lopt bevobbeld saoterdags mar es oover de mèrt.
- Frans van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Zôo is er bevobbeld gin auto-afdêeling èn ginne pin-up int midde.
bevurbild
bijwoord

bijvoorbeeld

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? bevurbild, bevorbild, bevurbild
bewaoke
werkwoord

bewaken bewaoke - bewòkte bewòkt; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - bewòkt
bewaore
werkwoord

bewaren

- WBD III.1.4:335 bewaren - in acht nemen
- Willems; Dialectenquête, 1887 - bewaore - bewaorde bewaord; geen vocaalkrimping
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bewaren; goed blijven, bewaard kunnen worden; houden - Perzen en appelkokken bewaren nie lank.
beweege
werkwoord

bewegen

- Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - Daor bewigt iets...
- Willems; Dialectenquête, 1887 - beweege - bewôog bewooge; vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bewigt
bewèère
werkwoord

beweren

- Willems; Dialectenquête, 1887 - bewèère - bewèèrde bewèèrd; geen vocaalkrimping
bewèèze
werkwoord

bewijzen

- Willems; Dialectenquête, 1887 - bewèèze- bewêes- beweeze; in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping
bezaajeg
naam

- WBD III.1.4:439 bezaaiig - sober
bezèèke
werkwoord

bezèèke - bezêek bezeeke; met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: bezèkt

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - bedonderen; niet meer bijkomen van de lach
bezije
voorzetsel

bezijden, naast

bezjoer
tussenwerpsel

goeiendag, bonjour uit Frans bonjour met gereduceerde vocaal; lange oe

bezoelie
zelfstandig naamwoord

beslommering(en)

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 78, Nieuwsblad van het Zuiden 1969-04-12 - "Die buurvrouw van ons is de hele dag in bezoenie en ze weet van geen uitschaaien!" dwarrelt er vanaf de Koningshoeven op ons bureau. Alleen dat "bezoenie" laat aan duidelijkheid te wensen over. We zullen hier wel te maken hebben met een verbastering van het Franse woord "besogne", dat werk of bezigheid betekent. Voor ons "ploeteren" gebruikt de Fransman "besogner". En ploeteren doet die van geen ophouden wetende Tilburgse buurvrouw wel. We menen ook eens de uitdrukking gehoord te hebben: "Het is een hele bezoelie". Hier is de letter "n" dus door een "l" vervangen. Veel zegt dit niet, want van vreemd in de oren klinkende woorden maakt de één dit en de andere dat.
- Lucie Verstijnen; mededeling aan WTT, 2020 - Mijn moeder zei altijd: Ik ben dn hele dag in bezoelie. Ze bedoelde dat ze de hele dag bezig was geweest. Ik zie dat Pierre van Beek deze zelfde betekenis vermeldt, maar dan met een vraagteken erbij.
bezoelieje
werkwoord

veel met kleine kinderen optrekken bezoelieje - bezoeliede - bezoelied

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 aansukkelen
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bezoeliën - baby's wassen en bakeren; meer algemeen: veel met kleine kinderen optrekken
bezoenie
zelfstandig naamwoord

beslommering(en)

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 78, Nieuwsblad van het Zuiden 1969-04-12 - "Die buurvrouw van ons is de hele dag in bezoenie en ze weet van geen uitschaaien!" dwarrelt er vanaf de Koningshoeven op ons bureau. Alleen dat "bezoenie" laat aan duidelijkheid te wensen over. We zullen hier wel te maken hebben met een verbastering van het Franse woord "besogne", dat werk of bezigheid betekent. Voor ons "ploeteren" gebruikt de Fransman "besogner". En ploeteren doet die van geen ophouden wetende Tilburgse buurvrouw wel. We menen ook eens de uitdrukking gehoord te hebben: "Het is een hele bezoelie". Hier is de letter "n" dus door een "l" vervangen. Veel zegt dit niet, want van vreemd in de oren klinkende woorden maakt de één dit en de andere dat.
bezonje
zelfstandig naamwoord

gedoe, zorgen; uit Frans besogne

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 08 24 - Vur dè ieder zen plòtske ha/ gaaf et al veul bezonje.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 bezigheden; uit Frans besognes
bezörgd
naam

bezorgd

- Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - Mòkt oe mar nie bezörgd - maak je maar geen zorgen
- WBD III.1.1:75 - bezorgd kijken, fronsen
- WBD III.1.4:280 - bezorgd
- WBD III.1.4:336 - bezorgd zijn, zorgen voor
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bezörgd zorgzaam - vader is nen bezörgde meens (thans nagenoeg verouderd)
bezunder
bijwoord

bijzonder

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - bezunder
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 01 31 - D'r is niks bezunders loos
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1977-03-18 - En hoe bezunder moet t bezonder onderwèès na eigeluk zèèn..?
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bezonder, bezunder, bezunders bijzonder; bezonderste, bezunderste - voornaamste
bezuuk
zelfstandig naamwoord

bezoek

- WBD III.3.1:37 - bezoek, visite
- WBD III.2.2:5 - Mina is op bezoek - menstrueren
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bezuuk - bezoek
bezuuke
werkwoord

bezoeken bezuuke bezòcht bezòcht; korte uu

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - bezuuke
- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 111; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-27 Ge kunt er wat mee bezoeken wordt gezegd om aan te duiden, dat men veel moeilijkheden en trubbel ergens mee ondervinden kan.
- Dialectenquête Kernkamp, 1879 - Waannir komd u bruur jaaw bezuuke?
- WBD III.3.1:38 - bezoeken, opzoeken - bezoeken
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bezoeken
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bezuken bezoeken
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - bezueken voor bezoeken. Het is geene vervalschte, maar verouderde uitspraak, want het komt aldus bij Kiliaen voor, hoezeer hij aldaar op besoecken verwijst.
bezwaai
zelfstandig naamwoord

gevaarte, karwei, drukte

- Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - Wèn bezwaaj, zónne kènderwaogen in hèùs!
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - bezwèèj bezwaai; van een gevaarte; n hil bezwèèj - omvangrijk karwei. Mijn spelling is enigszins willekeurig (van Frans besoin?). WNT heeft gezwaai: zwaaien met de ermen, omslag, omhaal, drukte.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bezwei, bezwaai 1. beweging, (nodeloze) drukte; 2. iets dat groot en enigszins onhandelbaar van vorm is
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bezwaaj - onhandelbaar iets
- WBD III.1.4:382 bezwaai - drukte
- WBD III.1.4.392 bezwaai - kouwe drukte
- WNT - bezwaai beweging; ook (noodelooze) drukte, poeha
bezwit
naam

bezweet vocaalkrimping

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 bezwit voor bezweet
bidde
  1. werkwoord

    1. bidden, een gebed doen; smeken bidde baad gebeeje bidde bidde - gebid

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bidde - baad - gebeeje (ook zwak)
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven 1960-11-11 - En ik baad meej...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 05 27 - Vur de vruchten van t veld / Hee Jaanske ok gebid / Want hil dn ogst stao vul te dreug / Zò gullie ok wel wit.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 62 05 11 - En agge dan goed hèt gebid / Meugde daor scharren kòòpen. [Nl. op de bedevaart naar Sint Job in Enschot.]
    - Henriëtte Vunderink; k Zal van oe blèève haawe; Zoas ik et as kèènd beleefde, 2007 - En aaw vrouwke in et zwart,/ dè dè van bèùte kos,/ die bidde veur, tien weesgegroeten...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); t Spook; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-01-03 - En as ik mn aovondgebed nie gebejen ha en mn drie kruiskes nie gemaokt ha veur ik te bed gong, dan hak et er nie leevend afgebraocht.
    - Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2016 - En as dan gewoon et rôozenhuuke afgelôope was, dan wèrd de littanie gebid èn dan moeste op oew knieje. Dan zaate zôo op, op oew knieje op de bank teege de muur òn te kèèke!
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Daor wier wel elke dag veur de school begon gebid.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, 2007 - Allêen bij ons moeder ha dè bidde niks geholpe, ze waar toch dôod gegaon, dus òn de wèèrde van dè gebid twèffelde ik sindsdien allang. Ons moeder ha nie dôod meuge gaon.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 2, 2007 - en waarde gij wir van die dôodzonde aaf, agge de penitentie, mistal drie Onze Vaders en drie Weesgegroeten gebid hadt.
    - H.A. Sterneberg s.j.; Maonnaacht; Een Busselke Braobaansch, 1932 - Waor bij daag den boer gebeeën/ heej om zegen op den zaoi...
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bidde(n) - bidde gebid; 1. een gebed doen tot God; 2. verzoeken, uitnodigen
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - bidden - bide (bide, gebit)
  2. werkwoord

    2. op de uitvaart uitnodigen

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 70-08-14 - Zèède gij ôôk op de kèès gebid [kaas = de maaltijd na de begrafenisplechtigheid]
  3. WBD III.3.3:318 - het aanzeggen - rouwbrief

    - WBD III.3.3:323 bidden - op de begrafenis uitnodigen; ook aanzeggen
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bidde - op de uitvaart verzoeken
    - WNT II - ter begraaffenisse te bidden
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bidden - de lieden mondeling op eenen lijkdienst uitnoodigen; ook: te lijk bidden
  4. werkwoord

    3. opzitten

    - WBD III.2.1:486 - bidde - opzitten van een hond; ook: schôoje, opzitten, mooi zitten, schoon zitten
bidhèùs
zelfstandig naamwoord

bidhuis

- Lowie van Dorrus Misters; Onze Tilburgse folklore, aflevering 1; Wijkbuurten in vroeger dagen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-11-08 - Eertijds had iedere buurt haar bidhuis, meestal, als het kon, gevestigd in een boerenwoning omdat deze gewoonlijk meer ruimte hadden in - zoals men dat toen noemde - een open voorhuis. () Daar werd iedere Zondag de rozenkrans gebeden. In de Meimaand gebeurde dit iedere dag, maar dan werd ook het Mariabeeld, op kosten der buurtbewoners, extra versierd. Was er van de omwonenden iemand voorzien van de laatste H.H. Sacramenten dan werd ook in het bidhuis gedurende drie avonden de rozenkrans gebeden.
- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2016 - Dè was ok môoj! Asser, asser iemand dôod was èn dan wasser en bidhèùs. Èn dan hadde daor en paor stoele èn daor li en plangk ooverheene zôo in de ronde. Èn dan kwaame de mènse dan saoves bidde!
bidprèntje
  1. zelfstandig naamwoord

    gedachtenisprentje, doodsprentje

    - Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol, 2004 - liegen as en bidprentje
  2. Tijs Dorenbosch - vignet uit De Mus en D'n örgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)

bie
  1. zelfstandig naamwoord

    bij

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - er kwaam n bieke brommen
    - Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - biejekörf
    - Piet Heerkens; Dn örgel; Iemker-lieke, 1938:
    biebiebie
  2. M'n biekes zie ik geere gaon van blom toe blom, en aaf en aon toezjoer en toepartoe en vlug de blumkes aaf en weer terug van zoeme zom weerom van blom toe blom.

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Boere-Profeet; feuilleton in 5 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-07-01 - 1939-07-29 - ...en den boer wees naor den bieënstal mee z'n pijpke. Daor heb ik nog veul plezier aon, aon mn bieje. t Is zoo gezellig om in et zunneke neffen den biejenstal te gaon zitte en te luisteren naor al dè gezoem en t ruukt er zoo lekker rondom de körve.
    - Piet Heerkens; De Kinkenduut; De Bie, 1941 - Aon die blommen / hong die bie
    - H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch; De bie zit op de blom, 1932 - al is zon bieke nog zo klein, z is krek as d auwe biekes zijn.
    - A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - bie - bij (insect)
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bie - bij
    - Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 bij bi, verkleinwoord bi:ke
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bie bij; In samenstellingen gebruikt men altijd bie, nooit bieën; bieboer, biehal, biekaar, biekorf, -man
    - WNT bij; daarnaast bie
bieboer
zelfstandig naamwoord

imker

- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bieboer - een man, inzonderheid een landbouwer, die bieën houdt
bieboer
biechstuultjes
  1. zelfstandig naamwoord

    biechtstoeltjes

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - muur van den Atteljee, bekend bij vrijende paartjes
  2. naam

    Tekening: Kees Koster

    - Toos van Poppel-van Es; e-mail aan WTT, 2011-05-26 - Tussen het spoor en het fratershuis met drukkerij zwijsen liep een straatje Het Fratersgat dat na deze gebouwen afboog naar de Lange Nieuwstraat en dan Fraterstraat heette. Dat Fratersgat liep dus ook door achter het gasfabriek, postkantoor en het St. Annahofje (later De Medeklinker) Dat was een dikke gemetselde muur met mooie nissen in een boogvorm. Dat waren dus de biechtstoelen. En er werd heel wat afgevreeën in de biechtstoelen.
    - Hieronder een foto uit het begin van de jaren zestig met daarop de restanten van De Biechtstuultjes.
  3. Boven: een deel van de gasfabriek, begrensd door de Lange Nieuwstraat. De muur van De Biechtstuultjes is dan al geen doorgaand weggetje meer. Onder: de grens van het spoorwegemplacement. Voor details KLIK HIER Afbeelding: Frohawk

biechtstuultjes
  1. zelfstandig naamwoord

    biechtstoeltjes

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - muur van den Atteljee, bekend bij vrijende paartjes
  2. naam

    Tekening: Kees Koster

    - Toos van Poppel-van Es; e-mail aan WTT, 2011-05-26 - Tussen het spoor en het fratershuis met drukkerij zwijsen liep een straatje Het Fratersgat dat na deze gebouwen afboog naar de Lange Nieuwstraat en dan Fraterstraat heette. Dat Fratersgat liep dus ook door achter het gasfabriek, postkantoor en het St. Annahofje (later De Medeklinker) Dat was een dikke gemetselde muur met mooie nissen in een boogvorm. Dat waren dus de biechtstoelen. En er werd heel wat afgevreeën in de biechtstoelen.
    - Hieronder een foto uit het begin van de jaren zestig met daarop de restanten van De Biechtstuultjes.
  3. Boven: een deel van de gasfabriek, begrensd door de Lange Nieuwstraat. De muur van De Biechtstuultjes is dan al geen doorgaand weggetje meer. Onder: de grens van het spoorwegemplacement. Voor details KLIK HIER Afbeelding: Frohawk

biediefke
zelfstandig naamwoord

koolmees (Parus major)

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - biedief - koolmees
- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-20 - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan gaon we veugeltjes zuuken en we vinden veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enz.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-07-08 - ...meej biediefkes
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2010-02-21 - Biediefkes ziede swènters aatij in pòrkes dur den hòf bèùtele - Koolmezen zie je s winters altijd paarsgewijs door de tuin buitelen.
- WBD III.4:1: - biedief - koolmees (parus major)
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - biediefke - koolmees (parus major)
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 biediefken - vogel, vliegenvanger, [Latijnse naam: Muscicapa]
- WNT II, 2565 bij - In sommige samenstellingen schijnt bij de beteekenis te hebben van vlieg, te weten in bieknapper; een vogeltje dat op vliegen aast, ook vliegenpikker geheeten
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - Klein vogeltje, door de landlieden aldus genaamd, niet, gelijk van zelf spreekt, omdat het op de bijen, maar op de vliegen aast.
biediefkebiediefkebiediefke
bieje
  1. zelfstandig naamwoord

    bij

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - er kwaam n bieke brommen
    - Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - biejekörf
    - Piet Heerkens; Dn örgel; Iemker-lieke, 1938:
    biejebiejebieje
  2. M'n biekes zie ik geere gaon van blom toe blom, en aaf en aon toezjoer en toepartoe en vlug de blumkes aaf en weer terug van zoeme zom weerom van blom toe blom.

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Boere-Profeet; feuilleton in 5 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-07-01 - 1939-07-29 - ...en den boer wees naor den bieënstal mee z'n pijpke. Daor heb ik nog veul plezier aon, aon mn bieje. t Is zoo gezellig om in et zunneke neffen den biejenstal te gaon zitte en te luisteren naor al dè gezoem en t ruukt er zoo lekker rondom de körve.
    - Piet Heerkens; De Kinkenduut; De Bie, 1941 - Aon die blommen / hong die bie
    - H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch; De bie zit op de blom, 1932 - al is zon bieke nog zo klein, z is krek as d auwe biekes zijn.
    - A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - bie - bij (insect)
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bie - bij
    - Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 bij bi, verkleinwoord bi:ke
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bie bij; In samenstellingen gebruikt men altijd bie, nooit bieën; bieboer, biehal, biekaar, biekorf, -man
    - WNT bij; daarnaast bie
  3. werkwoord

    bieden bieje bôoj / boj - geboje

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bieje - bój/booj - gebóje
    - Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - Der bôoj gin man hogger!
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - der boj gin man hogger
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 bieje; ik biej, gij/hij biejt, wij bieje bôoj - gebôoje
    - WBD III.3.1:54 bieje - loven en bieje, handelen, handel drijven, sjachelen, aanprijzen
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bie(d)en en bee(d)en - een bod doen op iets
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bieën - bieden - gebooie
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - bieden bie boi - geboje
  4. zelfstandig naamwoord

    bojem 1. bodem

    - Informant Toine Raaijmakers - Ruure, vrouw Paones, de sèùker is nòr den bójem gezakt... [tegen iemand die in zijn koffie/thee blijft roeren]
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-03-02 - 1940-04-06 - ...mar die boks, daor wilde-n-ie niks van wete, den bojem hing ongeveer toe op zn kuite!
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-08-06 - Is dn bôjem daor zô bist...?
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-10-07 - Vlugge vogel (...) die (...) pieren uit den bôjem trekt...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-03-09 - Dn bojjem scheurt open
    - Interview met Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - ge had nie veul sènte, ge kost nie veul ònlègge want ge dòcht akker tweej, drie hèb, dan zit ik op den bojem... èn mènne kastelein, assie oe kènde, dan pofte ie wèl Klik hier voor audiofragment
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 haaw tòch op, hèlleg vat zonder bojem gezegd van iemand die overdreven vroom is
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg; Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 Die pannen van tegesworrig hebben ammel van die dunne bôjems, daor zèn gin goeie pannen te kôop, zizze dan.
    - WBD II:l385 - voeringbójem - voeringbodem (van een pet)
    - WBD II:2832,2863 - bójem, bojem - bodem van de kruiwagen, respectievelijk van een vat
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - bodem bojem
  5. 2. perceel bosgrond

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - un höös èn un bojemke - een huis met een stukje grond
    - Oud archief in het Regiomaal Archief Tilburg (GAT R526:176V°, 1736) - Iten een heijbodemke groot een lopensaet ter plaetse in de Schooten, oost de vroente, west de Leij.
    - WBD III.4.4:162 - bodem - oerbank (grondsoort)
biejekörf
zelfstandig naamwoord

bijenkorf

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? biejekörf - Dè lekt dikkels op innen strijd as in innen biejekörf.
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-18 - As in innen biejekörf?
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bijenkorf
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - biekörf - bijenkorf; figuurlijk kegelvormige zomerhoed
biejeskoop
zelfstandig naamwoord

bioscoop

- Interview Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2013 - Ge had vruuger niks as veugeltjes vange biejeskoope dè was er nòg nie as presies Divvenijns (Devenijns) op den Heuvel. Mar dè was en kwartje intreej!
biejeskoopzakke
zelfstandig naamwoord

samenstelling uit bioscoop + (broek-)zakken

- Hans Hessels; opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus, 2019 - broekzakken zonder dichtgenaaide onderkant ten behoeve van bepaalde seksuele handelingen in de bioscoop (en waarschijnlijk ook elders).
bieke
  1. zelfstandig naamwoord

    bij

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - er kwaam n bieke brommen
    - Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - biejekörf
    - Piet Heerkens; Dn örgel; Iemker-lieke, 1938:
    biekebiekebieke
  2. M'n biekes zie ik geere gaon van blom toe blom, en aaf en aon toezjoer en toepartoe en vlug de blumkes aaf en weer terug van zoeme zom weerom van blom toe blom.

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Boere-Profeet; feuilleton in 5 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-07-01 - 1939-07-29 - ...en den boer wees naor den bieënstal mee z'n pijpke. Daor heb ik nog veul plezier aon, aon mn bieje. t Is zoo gezellig om in et zunneke neffen den biejenstal te gaon zitte en te luisteren naor al dè gezoem en t ruukt er zoo lekker rondom de körve.
    - Piet Heerkens; De Kinkenduut; De Bie, 1941 - Aon die blommen / hong die bie
    - H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch; De bie zit op de blom, 1932 - al is zon bieke nog zo klein, z is krek as d auwe biekes zijn.
    - A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - bie - bij (insect)
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bie - bij
    - Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 bij bi, verkleinwoord bi:ke
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bie bij; In samenstellingen gebruikt men altijd bie, nooit bieën; bieboer, biehal, biekaar, biekorf, -man
    - WNT bij; daarnaast bie
biekörf
zelfstandig naamwoord

bijenkorf

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? biejekörf - Dè lekt dikkels op innen strijd as in innen biejekörf.
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-18 - As in innen biejekörf?
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bijenkorf
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - biekörf - bijenkorf; figuurlijk kegelvormige zomerhoed
bieman
zelfstandig naamwoord

bijenhouder

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect. 1916 - bieman - ijmker; bielui - ijmkers
bier
  1. zelfstandig naamwoord

    bier

    - A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 117; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-06-05 - Wat een vaatje zuur bier is, zullen de ouwe vrijsters zelf het minst gaarne uitleggen; die zouden mogelijk nog het liefst voor n hipje aangezien worden in de hoop er zoodoende nog een aan den haak te kunnen slaan.
    - Piet Heerkens; Dn örgel; Jan Viool, 1938:
    bier
  2. Hij fiedelde mar van tierelierelier en zaogde rauw kris-kras en ie dronk 'n stevig pötje bier, as 't geen jenever was. Z'n ooge blonken as van glas en gluurden deur 'n kier...... ze dreven, - as 't geen snevel was, - ze dreven rond in bier!

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, Nieuwsblad van het Zuiden 1971-11-18 - Het kwaadste bier is altijd nog beter dan het beste werk.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, Nieuwsblad van het Zuiden 1966-05-14 - "Het zakt as bruin bier" wordt gezegd in letterlijke en figuurlijke zin van iets dat snel minder wordt. De vergelijking zal wel stammen uit de tijd, dat er nog veel gerstebier gedronken werd en slaat op het snel verdwijnen van de brede schuimrand in het glas.
  3. Tekening: - Cees Robben; Prent van de week - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - kastelein, tapt ene pòt vant biste bier want onze grotvadder is dood
    - Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven 1968-01-26 n glas bier zôo grôot as mèèrege hil den dag...
bierbòrse
zelfstandig naamwoord

stro-afval

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - stroafval, kort stro
bierbòrse
bierke
zelfstandig naamwoord

biertje

- Voorbeeld op originele systeemkaart Wil Sterenborg - klèèn bierke - klein gedoe, schriele houding
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - Dat is geen klein bier - Dat is geen kleinigheid, dat is de moeite weerd.
bierke
biest
zelfstandig naamwoord

biest, eerste melk van een kalfkoe

- Dialectenquête Kernkamp, 1879 - biest
- WNT - biest - De eerste melk van een zoogdier, nadat het heeft gebaard.
Biestenoutakker

toponiem Biest-Houtakker

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hessels, 2014 - èn toen zèn wij op de schòtse, zèn wij nòg ôojt oover et kenaol gereeje, gienderwèèd nòr den Biestenhoutakker toe... toendertèèd!
bietebaawe
  1. schrik aanjagen - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-09-09 - Den felle wilde wend/ zôô gromt en bietebaauwt

    - WNT - bietebauw - In toepassing op verschijnselen die vrees aanjagen. Een woord als boeman, bullebak en dergelijke: een spook waarmede kinderen worden bang gemaakt. Men vindt ook bijtebauw, maar het is niet waarschijnlijk dat men hier eene samenstelling met bijten moet aannemen, althans DE BO [1873] geeft bijdebauw, bijbauw, biebauw, pikkebauw: uit enkele dezer vormen kan bijtebauw door volksetymologie zijn ontstaan. Naast bietebauw zijn nog andere vormen aan te wijzen, bijvoorbeeld bieteman, en waarschijnlijk ook bietebeer.
  2. Afbeeldingen uit De Engelbewaarder voor de jongere lezertjes , jaargang 59, 1947-48, door Jan Lutz. Derk Bietebauw betovert een bezoeker.

Bietels
  1. naam

    The Beatles

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 06 12 -
    BietelsBietelsBietels
  2. "De Beatels" waren op bezuuk... Wie is er gek? Ons laand was de verleeje week V ur driekwart van de wès " De Beatels" waren op bezuuk Te zien vur hòòge près. Mee haoren as ne jongen aop En jaskes as 'ne kiel En weet ik wè ammol nog meer Kortom echt imbeciel. Mar jè ze beuren 'r ok veur En echt zon bietje nie Dus èrges zèn ze nie zò gek Want ze doen 't vur de spie. Mar 't publiek dè naor d'r kèkt Hee wel 'n gròòt gebrek Wie vur die jankers geld betaolt Die is hardstikke gek.

bietje
  1. zelfstandig naamwoord

    beetje

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer, Tilburg 1996 - bietje
  2. 1. zelfstandig naamwoord

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-11-26 - Zô ietje bij bietje
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 alle bietjes hèlpe, zi de mug, èn ze piste in de zee
    - Elie van Schilt; Tèèd; CuBra, circa 2000 - Toen ik nog kéénd was, ut is al héél lang gelejen/ Toen waren de meessen mee un bietje al tevrejen.
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun op collecte, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-08-12 - 1939-08-26 Alle bietjes helpen, zee de mug en ze pieste in de zee!
    - Tony Ansems; cd Tilburgse Liekes American Style 2; Het klenderke, 2009 - Soms ist mar un bietje, en soms unne kwak...
    - WBD III.4.4:256 beetje - een gering aantal
    - WBD III.4.4:275 beetje - weinig
  3. bijwoord

    Promotiekaartje van website Tilburg.com.

    - Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - Et duurt wèl en bietje lang.
    - Willem van Mook; Korvelse Revue Vruuger en naa, 1926 - mar dan nog n bietje erger
    - Karel en Sjarel; dialoog Groot Tilburg, 1944-12-08 - Achche soms wilt dek bij jou vast n bietje mee kom elpe, dan gère hurre. - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-07-16 - Zeg maokt is mensie, zee mn vrouw.../ en affeseert n bietje...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-12-07 - Tam en zeeg... n bietje bang
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-05 - Vur n bietje rôôme..
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - stalpt es en bietje - ga eens wat opzij
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - maok et naa en bietje - maak het niet te bont
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - de meens was bietje bij bietje veul zat gewòrre
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zenèège en bietje (af)waase - een Tilburger ging elke maand een keer in bad, vuil of niet
bieze
werkwoord

met opgeheven staart rondlopen van koeien bieze - biesde gebiesd; korte ie

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bizze - onrustig met opgeheven staart door de wei rennen (van koeien en kalveren gezegd die door bauwen geplaagd worden).
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - biezen, bijzen, bizzen - wild rondlopen
- WBD - met opgeheven staart rondlopen (van koeien); zie bizze
- WNT - bijzen - van vee; door de weide rennen, vooral wanneer het tochtig is of door de hitte of door insecten wordt geplaagd. Van menschen: (driftig) loopen.
biezemòrtele
werkwoord

poepen

- Ed Schilders; WTT, 2017 poepen; afgeleid van de plaatsnaam Biezenmortel (nabij Udenhout), maar om onduidelijke redenen.
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - biezemortelen - ik mot eerst is gon biezemortelen
bijkeuke
zelfstandig naamwoord

bijkeuken

- WBD I.I:64 - goot, moos, washuis, huis
- WBD III.2.1:79 - noemt onder achterkeuken geen Tilburgs equivalent
bijlègge
werkwoord

bijleggen, goedmaken bijlègge leej bij bijgelee(j)t

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1963-11-22 - Mar as alles wir bijgeleet is, is alles wir kits
bijlichte
werkwoord

bijlichten, iemand de waarheid zeggen (overdrachtelijk)

- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 111; Nieuwe Tilburgsche Courant; 1929-04-27 - t Ies goed dè k nie thues was, aanders hak m iets bijgelicht t Is goed, dat ik niet thuis was toen hij kwam, anders zou ik hem eens terdege de waarheid gezegd hebben.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 15; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1950-06-05 - Iemand bijlichten is iemand de waarheid in het gezicht vertellen. Zo kan men horen t Was mar goed dè-t-ie nie thuis was, aanders zou ik m s bijgelicht hebben!
bijtikke
werkwoord

bijtikken, klappen uitdelen

- Frans van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn as ze dan soms ene grôote smoel hadde, dan deeje wij ze bijtikke. - Frans van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Dè hoeft toch nie hil Tilburg te weete, dè ik aachter de tròllies hèb gezeete, omdè ik er êene bijgetikt hèb?
bikkele
werkwoord

met bikkels spelen; ...speelbotjes

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - bikkelen en bonken - meisjesspel met vier bikkeltjes en een bol, de vier zijden van het bikkeltje heetten stantjes, snufkes, putters en ruggels
bikkere
werkwoord

bikken, beitelen

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel, feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-05-20 - 1939-06-17 - Den beeldhouwer moes weer ophaawen mee bikkeren en Baozel kreeg z'n staandbild nogal nie.
bikkesemènt
zelfstandig naamwoord

etenswaar, voedsel

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - voedsel, eten
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - voorraad etenswaar
- Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2009-12-09 - Ons moeder hòlde vrèddags op de mèrt vur hil de week et bikkesemènt.
Biks
naam

Beeks, van Hilvarenbeek

- Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - enen Bikse - een Hilvarenbekenaar
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 03 28 - : "Hoera, naa zèmmer / 'k Gao naor de Bikse Bèrge toe / 'k Heb wèrk als leuwetemmer."
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - Beeks
Biksendèèk
zelfstandig naamwoord

Beeksedijk; weg tussen Hilvarenbeek en Goirle

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - den Biksendèèk
bikske
zelfstandig naamwoord

beekje

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bikske
bil
zelfstandig naamwoord

dijbeen; bil

- WBD I,3; 1976 - koej meej goej/ mooje bille - koe met mooie billen; dikbil, dubbelbil, dòbbelbil; dikbil (kalf met dikke billen); paardebil; ook broek genoemd
bildegôoje
werkwoord

kinderspel

- Informant Ad Vinken Een kind zwaait een ander kind aan de arm van zich af. Dat kind moet dan verstard blijven staan in de houding waarin het terechtkomt. Wie de mooiste - of moeilijkste - pose aanhoudt, heeft gewonnen en mag de volgende serie beelden gooien.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bildegooje was een kinderspel
bildeke
zelfstandig naamwoord

prentje

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 bildeke, doodsbildeke - (doods)prentje
bildhaawer
zelfstandig naamwoord

beeldhouwer

- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - beldhouwer -beeldhouwer
biljèrte
werkwoord

biljart spelen

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1973-08-10 - Ge kunt toch biljèrte...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), de Tilburgse Koerier, 78 10 05 -
billewaoge
zelfstandig naamwoord

te voet

- Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - meej den billewaoge (gaon) - te voet (gaan) per pedes apostolorum [letterlijk: op apostelvoeten, omdat de apostelen te voet het geloof gingen verkondigen]
- Stadsnieuws; Dialectrubriek, 2010-02-24 - As oewen baand kepòt is, kunde vort meej de billewaoge - .. te voet verder
- WNT bil bilwagen; voor de grap van de beenen gezegd, als middel van vervoer
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 bilwagen
bimke
zelfstandig naamwoord

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 181, het Nieuwsblad van het Zuiden, 1973-10-05 - De goede man of vrouw hoorde het zelf niet meer, maar de praatgrage goegemeente had er heel scherpe oren voor. "Ze hebben 'm mee 't klein bimke begraoven", werd er dan gezegd. Een buitenstaander werd daar misschien niet direct helemaal wijs uit, de insider daarentegen wist onmiddellijk, dat de betrokkene "van den èrme", dus op kosten van het Burgerlijk Armbestuur, begraven was. Zwaar klokgelui kon er dan niet op overschieten, maar het lichte bimbamklokje speelde wel mee voor een grijpstuiver.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bimmeke(n) - het kleinste klokje uit den toren
bindermèèl
zelfstandig naamwoord

beender(en)meel

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - meel van beenderen (om lijm te maken)
binne
bijwoord

binnen

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - hij is wir binne mee zene zak èn zun rèfke - daar heb je hem weer!
binnebraandje
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - binnenpretje
binnedeur
bijwoord

binnendoor

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Sint Job, dè was Berkel-Enschot. Dè was himmel nie zo wèèd hè. Hier bi, zo wè bi, binnendeur dan waar... dan zèèder zôo
binnedoen
werkwoord

binnedoen - di/deej binne binnegedaon

- WBD I.3 (1976) - naar de stal brengen na de zomer (van koeien); ook genoemd indoen, binnendoen.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - binnendoen - inhalen, in woonhuis, schuur of stal brengen; et kooren, de haover, de koei...
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - binnendoen - inhalen, binnendragen; den oo(g)st, de was(ch) binnendoen
binnenbèèr
zelfstandig naamwoord

varken met inwendige teelballen

- WBD - mannelijk varken dat door geslachtelijke afwijking niet als zodanig herkenbaar is
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - binnenbeer - ongelubd zwijn waarvan de ballen uitwendig niet zijn te zien
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - binnenbeer (scherpe e) - beer (verken), waarvan de teelballen binnenblijven
binnesèùs
naam

binnenshuis

- Ed Schilders; WTT 2013 - in de uitspraak vervalt de h; binnesèùs
binnewèèver
zelfstandig naamwoord

Wever die in een fabriek werkt, in tegenstelling tot een hèùswèèver, tèùswèèver, bèùtewèèver, die in het eigen huis zijn getouw heeft.

- Gerard van Leijborgh; De laatste Tilburgsche huiswever 2, aan het woord Frans van Geloven, de laatste huiswever; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-11-09 - En, zoo gingen wij met ons vraaggesprek verder, het oude weversambacht zal wel zoo geriefelijk niet geweest zijn, als dit met de binnenwevers het geval is, die in de fabriek alles kant en klaar voor zich vinden? Ja, heel gemakkelijk was het voor ons vroeger niet, want vroeger kregen de wevers het garen aan de fabriek, namen dit mede naar huis, om dan zelf de ketting te scheren, we moesten dus zelf een scheerraam hebben. Verder moesten we dan de ketting lijmen, drogen en opboomen.
binnezèèker
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - varken met niet zichtbare geslachtsafwijking
bins
  1. bijwoord

    stante pede, op staande voet, onverwijld = staantepeej

    - Cees Robben - we hèbben irst stòndebêens gegeete; op stònde voet;
  2. Stòndebêens en botteramke/ want vur kooke is gin tèèd. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vurjaors-trubbel)

    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - s tóndənbens , bijw. ' staandebeens' - staande, in staande houding
    - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'stondebins' bw - staandebeens
bintje
  1. zelfstandig naamwoord

    been, benen, beenderen, beentje Naast bêene komt ook bêen voor als meervoudsvorm 1. enkelvoud

    - Pierre van Beek; Tilburgse Typen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1958-03-28 - Heeft men iemand beledigd of toornig gemaakt, dan wordt gezegd: Toen was t tegen t kwaai (kaoi) been; toen werd hij kwaad; door daad of woord werd de ander beledigd en ontstond vijandschap.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 83, Nieuwsblad van het Zuiden 1969-07-24 - "Die opmerking was tegen het verkeerde been" betekent, dat ze bij diegene tot wie ze gericht was een aanleiding vormde om diens ergernis op te wekken. Dat been is dan wel hetzelfde als waarmee sommige mensen uit bed plegen te stappen.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven 1959-01-31 t Gao goed, zi dokter:Jaanse... en t aander bêen moet er ok aaf.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1983-12-16 Och meneer den dokter, mn haand is wir doof, en mn been dè slaopt, mn neus lôopt as n kraontje, mn ooren die fluiten...
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Ons moeder waar der wel wir mooi klaor meej, daor laag ze te bed in de höskaomer. In de bedstee zal et wel te benauwd zèèn gewist omdesse naa in un normaol bed laag, laag ze aaltij asse wir un kiendje kréég, meej un schôon spraai erover. Ze ha der haore los over et kussen liggen. Ons moeder ha van dè lange haor tot op der kont. Aanders vlocht ze dè elke mèèrge tot twee sterten en rolde die dan op tot un knötje, desse meej haorspelden bij elkaar hield. Zeker gin tèèd gehad, omdè dieje ooievaar ineens vur de deur stond. Dieje vogel ha ze wir in der béén gepikt, de rotzak.
  2. 2. meervoud

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 meervoud bêene
    - A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen; Nieuwe Tilburgse Courant, 1929-04-06 - Ze bleef zitten met twee platte kinderen, terwijl ze weer op dr leste beenen liep. - Haar man stierf terwijl ze twee kinderen had, die nog niet loopen konden, terwijl spoedig een nieuw kindje verwacht werd.
    - Pierre van Beek; Dialect en spreekwijzen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-01-10 Mn vrouw loopt op dr laatste benen. - Haar zwangerschap loopt ten einde.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven 1967-10-06 - Mn vrouw is van de been afgeraokt... [van de bêên ziek]
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Pieta (Melis) zit in Fatima, die heej alletweej der bêene kwèèt Vruuger asse... aatij siegaare rôoken, hè, èn veul vur èèreme meense doen hil veul!
  3. 3. verkleinwoord

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bintje
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 60, Nieuwsblad van het Zuiden 1968-07-13 [Wie] "op de Mokerhei mee z'n beentjes ligt te rammelen." Zo'n iemand is dood, "effenaaf" dood. Op de heide bij Mook werd ooit een veldslag geleverd.
    - WBD III.1.1:28 benen - beenderen
    - WBD III.1.3:239 beenkap - lappenkous
bisje
zelfstandig naamwoord

beestje verkleinwoord van bist, met weglating van t

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? bisje
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, april 1945-04-06 - Des naaw eemel den aord van t bisje.
- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-04-06 - Inne meensch is t aorig bisje, Karel.
- Informant Toine Raaijmakers - Et Bèls lèntje ister mar en bisje bij (schamper gezegd van iets kleins of onbeduidends)
- Cees Robben; Prent van de Week, Rooms Leven 1965-12-17 - As jouwe kòp op en vèèreke stond, zodde dènke dèt bisje ziek was.
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - uit het cluster stj wordt de t verzwegen
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - et bisje - frater Loyola
- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003 - tis er mar en bisje bij - het ene gespreksonderwerp stelt niets voor vergeleken bij het andere.
- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003 - beest -5- Iemand 'n bisje in 'n oor zetten. Iemand een beestje in het oor zetten. Een vrouw zwanger maken. (Zie ook: buik -5-, haan -4-, kam -3-, kneukei, meisje -6-, schort -1-, waterverf.) Tilburg (D) '16
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 beest -5- Iemand 'n bisje in 'n oor zetten. [Iemand zwanger maken]
- WBD III.4.2:228 - beestje - hoofdluis (pediculus capitis); ook genoemd pietje
biskòp
zelfstandig naamwoord

bisschop

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - bisschop
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - as den bisschòp ne priester wijdt wijdt den duuvel en pestorsmèèd
bissel
zelfstandig naamwoord

takkenbezem

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel (1996) - bezem van takken
bisseme
werkwoord

vegen, bezemen

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - bezemen; ook bèsseme
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 6; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-21 - ...hoewel ge iemes die aachter den zisdaogen-koning twiddes wordt, toch niemer meugt wegbesemen.
bist
zelfstandig naamwoord

beest, beesten

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-11 - ...des gewoonweg tegen de biste aaf!
- Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant; 1959-03-19 - Ge moet niet zo den beest rijden in de betekenis van Ge moet niet zo ondeugend zijn; zo brutaal, zo balorig. Dit zal wel verband houden met de folkloristische gebruiken, die in sommige streken bestonden, om iemand, die zich misdragen had, op een beest (ezel of paard) te schand rond te rijden.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-05 - Hört dè bist toch is te keer gaon...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-05-15 - Daor zwemmen gin vissen en paolingen in,/ Die bisten zijn wel wijzer...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - twaalf boeren èn eenen hond zèn dèrtien biste
- Dialectenquête Kernkamp, 1879 - bist
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bist - beest, koe
- WBD III.1.4:94 beest - beestachtige perspoon
- WBD III.1.4:105 beest - schavuit
- WBD III.1.4:319 - de beest uithangen - zich als een beest gedragen
- WBD III.1.4:320 - de beest spelen - idem
- WBD III.3.1:369 beest - galgenaas
biste
zelfstandig naamwoord

beest, beesten

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-11 - ...des gewoonweg tegen de biste aaf!
- Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant; 1959-03-19 - Ge moet niet zo den beest rijden in de betekenis van Ge moet niet zo ondeugend zijn; zo brutaal, zo balorig. Dit zal wel verband houden met de folkloristische gebruiken, die in sommige streken bestonden, om iemand, die zich misdragen had, op een beest (ezel of paard) te schand rond te rijden.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-05 - Hört dè bist toch is te keer gaon...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-05-15 - Daor zwemmen gin vissen en paolingen in,/ Die bisten zijn wel wijzer...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - twaalf boeren èn eenen hond zèn dèrtien biste
- Dialectenquête Kernkamp, 1879 - bist
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bist - beest, koe
- WBD III.1.4:94 beest - beestachtige perspoon
- WBD III.1.4:105 beest - schavuit
- WBD III.1.4:319 - de beest uithangen - zich als een beest gedragen
- WBD III.1.4:320 - de beest spelen - idem
- WBD III.3.1:369 beest - galgenaas
bizze
werkwoord

met opgeheven staart rondlopen van koeien bieze - biesde gebiesd; korte ie

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bizze - onrustig met opgeheven staart door de wei rennen (van koeien en kalveren gezegd die door bauwen geplaagd worden).
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - biezen, bijzen, bizzen - wild rondlopen
- WBD - met opgeheven staart rondlopen (van koeien); zie bizze
- WNT - bijzen - van vee; door de weide rennen, vooral wanneer het tochtig is of door de hitte of door insecten wordt geplaagd. Van menschen: (driftig) loopen.
blaaje
  1. werkwoord

    - blaaje - blaajde - geblaajd (geen vocaalkrimping)
  2. bladeren; het verzamelen van blad van groente om het te gebruiken als veevoer In deze zwakke vorm voor Tilburg alleen opgetekend in:

    - WBD I.3 - veevoer verzamelen (bijvoorbeeld bietbladeren), ook plukke genoemd
  3. naam

    In 1867 wordt nog de uitspraak met ao gegeven:

blaasjeszeege
  1. zelfstandig naamwoord

    - WTT, Ed Schilders 2015; Blasiuszegen - Katholiek ritueel; eertijds uitgevoerd op 3 februari, de feestdag van de heilige Blasius, waarbij de priester twee gekruiste en gewijde kaarsen tegen de keel van de gelovige hield. Daarmee werd de gelovige gevrijwaard van keelaandoeningen. De kaarsen werden op 2 februari (Maria Lichtmis) gewijd. Elders in Brabant en Vlaanderen ook tegen huidaandoeningen (blazen). Ook als remedie tegen dergelijke ziekten van het vee.
    blaasjeszeegeblaasjeszeege
  2. naam

    Etymologie

    - A.A. Weijnen; Ziektenamen in Nederlandse dialecten, 1995 - Het verband tussen de ziekte en de betrokken heilige is zeer gevarieerd. (...) In een aantal gevallen is het de naam van de heilige die tot een bepaalde verering leidde. Zo worden de Westvlaamse Sint-Blasiuszeren (Latijns rupia) aldus genoemd omdat de huidziekte met blazen of blaren begint. We zouden hier kunnen spreken van een volksetymologisch verband. Ook daarom bij voorbeeld wordt Valentijn tegen vallende ziekte aangeroepen.
    - W. Knippenberg; Brabants Heem; Oude kapellen in Noord-Brabant; deel IV, 1959 - Beter bekend is de H. BLASIUS, bisschop te Sebaste in Armenie, in 316 gemarteld (feestdag 3 februari). Hij behoort ook tot de uit het oosten ingevoerde heiligen, van wie de legendenvorming zich meester maakte. Omdat hij een jongen, die een visgraat had ingeslikt, van de verstikkingsdood had gered, werd hij aangeroepen tegen difterie en andere keelziekten.
  3. Het ritueel

    - WvK; Het kosterboek - Feest van den H Blasius [3 Febr], 1925 - 1. Vóór de H. Mis worden twee kaarsen gewijd volgens het ritueel (...) Dit kan in de sacristie gebeuren; de koster zorge voor wijwater en ritueel. 2. Na de H. Mis legt de priester de kazuifel en manipel af; zoo noodig doet hij de roode gekruiste stool om, en de kaarsen worden aangestoken. De koster verwijdere de kelk van het altaar. 3. Buiten de H. Mis draagt de priester voor deze zegening superplie en roode stool. 4. De kaarsen worden apart bewaard om ook gedurende het jaar den Blasiuszegen, bijvoorbeeld aan zieken te kunnen geven. [Het is niet bekend wie de auteir WvK is]
  4. naam

    Tilburg

    - Henk van Rijen; Men Tilburgs woordeboek, 1998- Sint-Blaasiejus, 3 februari, wordt aangeroepen bij keelpijn.
  5. Gilze-Rijen

    - Wim van Gestel; Woordenlijst van de streektaal van Gilze en Rijen, 1996 - Blaosius (den Hèèligen) Blasius (3 februari). Dag, waarop de Blasiuszegen werd gegeven; met twee gekruiste kaarsen om de hals tegen keelziekten. De kaarsen werden op 2 februari, (Maria Lichtmis) gewijd.
  6. Kaatsheuvel

    - André van Riel; Oe Toch; Het dialect van Kaatsheuvel, 2002 Dn Blasiuszeegen hale. Op 3 februari een zegen tegen keelkwalen halen (met 2 gekruiste kaarsen).
  7. De Ochtendridders van de Korenbloemstraat, 2007 Een Tilburgse herinnering - Blasius in de Korenbloemstraat De deur ging open, en ze kwamen binnen. Hij [de pastoor] bromde niets tegen ons, helemaal niks. Hij zag ons niet zitten. Hij was helemaal in de andere wereld. Hij ging midden voor de klas op een stoel zitten, en de misdienaars posteerden zich aan weerszijden van hem, met hun brandende kaarsen. De broeder was met de stille trom naar achter in de klas verdwenen, en stuurde ons zacht fluisterend één voor één naar voren. De eerste, Jan Adriaans, liep naar voren, en wist niet wat de bedoeling was. Hij begreep dat hij de kant van de pastoor uit moest, maar toen hij daar in de buurt kwam, gaf die verder niet thuis. Doorlopen dan maar, moet hij gedacht hebben, met kleine pasjes, dan hoor ik het wel, maar hij hoorde niets. En terwijl hij daar zo op de pastoor aan het aanschuifelen was, wist hij het ook niet meer, en keek hij met een benauwd gezicht over zijn schouder om naar de broeder. Knielen begreep Adriaans heel snel, uit de woeste blik van de broeder, en de hand die hem de grond leek te willen indrukken. Toen hij echter zat, bleef alles stil, en er gebeurde niets. Ook Adriaans bleef zitten, totdat hij het gekuch van de broeder opmerkte, en hij met een half schuin oog naar achteren keek, waar de broeder hem met man en macht verder naar voren leek te willen vegen. Nog dichterbij, begreep Adriaans, en hij kroop op zijn knieën dichter bij de pastoor. Toen hij eenmaal zat waar hij leek te moeten zitten, kruiste meneer pastoor twee kaarsen voor zijn keel, en, zoals ook later bij mij bleek, prevelde deze met gesloten ogen een gebed, en dan amen, en was de volgende aan de beurt. En zo trok hij de hele school door, alle klassen langs. Toen de pastoor vertrokken was, begon de broeder uit te leggen dat het vandaag de dag van de Heilige Blasius was, dat wij zojuist de Blasiuszegen gekregen hadden, en dat Blasius een heilige was die ervoor zorgde dat wij niet zouden stikken in graten, wanneer we vis zaten te eten. Uit: Kroniek van de Kempen 1994; tekenaar niet vermeld. blad

blaaw

blauw

► _blaauw0" href="#blauw">
blaaziejuszeege
  1. zelfstandig naamwoord

    - WTT, Ed Schilders 2015; Blasiuszegen - Katholiek ritueel; eertijds uitgevoerd op 3 februari, de feestdag van de heilige Blasius, waarbij de priester twee gekruiste en gewijde kaarsen tegen de keel van de gelovige hield. Daarmee werd de gelovige gevrijwaard van keelaandoeningen. De kaarsen werden op 2 februari (Maria Lichtmis) gewijd. Elders in Brabant en Vlaanderen ook tegen huidaandoeningen (blazen). Ook als remedie tegen dergelijke ziekten van het vee.
    blaaziejuszeegeblaaziejuszeege
  2. naam

    Etymologie

    - A.A. Weijnen; Ziektenamen in Nederlandse dialecten, 1995 - Het verband tussen de ziekte en de betrokken heilige is zeer gevarieerd. (...) In een aantal gevallen is het de naam van de heilige die tot een bepaalde verering leidde. Zo worden de Westvlaamse Sint-Blasiuszeren (Latijns rupia) aldus genoemd omdat de huidziekte met blazen of blaren begint. We zouden hier kunnen spreken van een volksetymologisch verband. Ook daarom bij voorbeeld wordt Valentijn tegen vallende ziekte aangeroepen.
    - W. Knippenberg; Brabants Heem; Oude kapellen in Noord-Brabant; deel IV, 1959 - Beter bekend is de H. BLASIUS, bisschop te Sebaste in Armenie, in 316 gemarteld (feestdag 3 februari). Hij behoort ook tot de uit het oosten ingevoerde heiligen, van wie de legendenvorming zich meester maakte. Omdat hij een jongen, die een visgraat had ingeslikt, van de verstikkingsdood had gered, werd hij aangeroepen tegen difterie en andere keelziekten.
  3. Het ritueel

    - WvK; Het kosterboek - Feest van den H Blasius [3 Febr], 1925 - 1. Vóór de H. Mis worden twee kaarsen gewijd volgens het ritueel (...) Dit kan in de sacristie gebeuren; de koster zorge voor wijwater en ritueel. 2. Na de H. Mis legt de priester de kazuifel en manipel af; zoo noodig doet hij de roode gekruiste stool om, en de kaarsen worden aangestoken. De koster verwijdere de kelk van het altaar. 3. Buiten de H. Mis draagt de priester voor deze zegening superplie en roode stool. 4. De kaarsen worden apart bewaard om ook gedurende het jaar den Blasiuszegen, bijvoorbeeld aan zieken te kunnen geven. [Het is niet bekend wie de auteir WvK is]
  4. naam

    Tilburg

    - Henk van Rijen; Men Tilburgs woordeboek, 1998- Sint-Blaasiejus, 3 februari, wordt aangeroepen bij keelpijn.
  5. Gilze-Rijen

    - Wim van Gestel; Woordenlijst van de streektaal van Gilze en Rijen, 1996 - Blaosius (den Hèèligen) Blasius (3 februari). Dag, waarop de Blasiuszegen werd gegeven; met twee gekruiste kaarsen om de hals tegen keelziekten. De kaarsen werden op 2 februari, (Maria Lichtmis) gewijd.
  6. Kaatsheuvel

    - André van Riel; Oe Toch; Het dialect van Kaatsheuvel, 2002 Dn Blasiuszeegen hale. Op 3 februari een zegen tegen keelkwalen halen (met 2 gekruiste kaarsen).
  7. De Ochtendridders van de Korenbloemstraat, 2007 Een Tilburgse herinnering - Blasius in de Korenbloemstraat De deur ging open, en ze kwamen binnen. Hij [de pastoor] bromde niets tegen ons, helemaal niks. Hij zag ons niet zitten. Hij was helemaal in de andere wereld. Hij ging midden voor de klas op een stoel zitten, en de misdienaars posteerden zich aan weerszijden van hem, met hun brandende kaarsen. De broeder was met de stille trom naar achter in de klas verdwenen, en stuurde ons zacht fluisterend één voor één naar voren. De eerste, Jan Adriaans, liep naar voren, en wist niet wat de bedoeling was. Hij begreep dat hij de kant van de pastoor uit moest, maar toen hij daar in de buurt kwam, gaf die verder niet thuis. Doorlopen dan maar, moet hij gedacht hebben, met kleine pasjes, dan hoor ik het wel, maar hij hoorde niets. En terwijl hij daar zo op de pastoor aan het aanschuifelen was, wist hij het ook niet meer, en keek hij met een benauwd gezicht over zijn schouder om naar de broeder. Knielen begreep Adriaans heel snel, uit de woeste blik van de broeder, en de hand die hem de grond leek te willen indrukken. Toen hij echter zat, bleef alles stil, en er gebeurde niets. Ook Adriaans bleef zitten, totdat hij het gekuch van de broeder opmerkte, en hij met een half schuin oog naar achteren keek, waar de broeder hem met man en macht verder naar voren leek te willen vegen. Nog dichterbij, begreep Adriaans, en hij kroop op zijn knieën dichter bij de pastoor. Toen hij eenmaal zat waar hij leek te moeten zitten, kruiste meneer pastoor twee kaarsen voor zijn keel, en, zoals ook later bij mij bleek, prevelde deze met gesloten ogen een gebed, en dan amen, en was de volgende aan de beurt. En zo trok hij de hele school door, alle klassen langs. Toen de pastoor vertrokken was, begon de broeder uit te leggen dat het vandaag de dag van de Heilige Blasius was, dat wij zojuist de Blasiuszegen gekregen hadden, en dat Blasius een heilige was die ervoor zorgde dat wij niet zouden stikken in graten, wanneer we vis zaten te eten. Uit: Kroniek van de Kempen 1994; tekenaar niet vermeld. blad

blad
  1. zelfstandig naamwoord

    1. blaadje (van een plant)

    - Piet Heerkens; De Kinkenduut, In et bos, 1941 - De blaoikes in et bos ...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-11-02 - De blaoikes wiegen af en aon...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-05-22 - De blaoikes van den lendenbôôm... die hebben veul geheurd...
  2. 2. tijdschriftje

    - Frans van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik wèèrrek inmiddels al wir verèkkes lang vur dees blaoike. De T, wittenie?
  3. zelfstandig naamwoord

    blaok oorspronkelijk een door verbranding ontstane en zichtbare rode gloed; van recentere datum elk zichtbaar effect van verhitting: rook, damp, wasem.

    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 blaok - dikke rook, walm; meestal gezegd van damp, die van warm eten af slaat: den blaok slot er aaf; den blaok hangt on de zulder.
    - WBD III.2.1:218 - blaak, rook - damp
    - WBD III.4.4:212 blaak - damp, stoom; waas, rook, smook
    - WNT blaak - gloed van vuur (ook figuurlijk); thans niet meer in gebruik.
  4. Ill. uit Kroniek van de Kempen; een zogenaamde panblaker

blaojer
  1. zelfstandig naamwoord

    1. blaadje (van een plant)

    - Piet Heerkens; De Kinkenduut, In et bos, 1941 - De blaoikes in et bos ...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-11-02 - De blaoikes wiegen af en aon...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-05-22 - De blaoikes van den lendenbôôm... die hebben veul geheurd...
  2. 2. tijdschriftje

    - Frans van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik wèèrrek inmiddels al wir verèkkes lang vur dees blaoike. De T, wittenie?
  3. zelfstandig naamwoord

    blaok oorspronkelijk een door verbranding ontstane en zichtbare rode gloed; van recentere datum elk zichtbaar effect van verhitting: rook, damp, wasem.

    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 blaok - dikke rook, walm; meestal gezegd van damp, die van warm eten af slaat: den blaok slot er aaf; den blaok hangt on de zulder.
    - WBD III.2.1:218 - blaak, rook - damp
    - WBD III.4.4:212 blaak - damp, stoom; waas, rook, smook
    - WNT blaak - gloed van vuur (ook figuurlijk); thans niet meer in gebruik.
  4. Ill. uit Kroniek van de Kempen; een zogenaamde panblaker

blaoker
zelfstandig naamwoord

blaker, lage kandelaar met brede, platte voet en een handvat

- WBD III.2.1:265 - blaoker - blaker
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 blaker - ijzeren schutsel voor een open vuur; keerspanneken
blaoker
blaos
zelfstandig naamwoord

blaas

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1983-08-19 - Gij zult oew blaos nie scheure.. [Jij zult van werken niet doodgaan.]
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - En dan had ze smèèreges () zon blaos bezije op dieje mond zitte. Dan was die, die middelsèène òn et wèrreke gewist òf zôo, hè ...èn dè kwaam daor in die blaos èn dan din wij die blaos èlleke keer aaf
blaoze
  1. werkwoord

    blazen, wind laten blaoze - blaosde - geblaoze (geen vocaalkrimping); 1. blazen, adem uitstoten

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - die blaosden oe wèrem
    - A.J.A.C. van Delft; Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek uit de volksmond opgetekend; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1961 - Het zal wel koelen zonder blazen. - Die overdreven ijver mindert vanzelf.
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1982-03-26 - ...naa blaos ik alwir en virke ... [ nu ben ik alweer behoorlijk hersteld van een ziekte]
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven 1966-09-02 - ...ze blaost der partij goed...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Ge kunt nie blòòze, èn tegelèèk de róók in oewe mónd haawe.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Blòòst um mar óp. Loop naar de maan.
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - blies
    blaoze
  2. 2. een wind laten, winderig zijn

    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1973-12-31 - Ik blaos van onderen en boven
    - Piet van Beers; With Love; Ik lus t geleijk, 1982-1987 - En wè gedocht, .. van boonesoep/ En lekkere malse snert./ Ge blaost er, en ge stinkt er van/Mar dè is t men wel werd.
    - Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Jonges, löster is, 2009 - En dörrom eete wij naa snert/ èn flink wè schórseneere./ Dan kunnen wij m ok enne keer/ op n blaoskonzert trakteere.
    - WBD III.1.1. - een wind laten; in Tilburg en Reusel als enige twee plaatsen van opgave
  3. 3. het blazen fabrieksinstallaties om het begin en eind van de werktijden aan te geven

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 06 11 - D'n hèèlen dag aon oew ketaauw / 't Zwèèt dröpt naor beneeje / Mar as't 'saoves geblaoze hee / Dan is 't lèèd geleeje.
  4. 4 . overige betekenissen

    - WBD - (van een paard) met neus en lippen proesten; briese (Hasselt), elders ook snottere genoemd
    - WBD II:1026 - blaoze blazen, droogwaaien; ook drêûge
    - WBD II:1028 - blaoze blazen, vetten; ook spèùte
    - WBD III.2.1:502 - blaoze - blazen van de kat, ook grijnzen
    - WBD III.1.4:156 - blazerig - loom door de hitte
    - WBD III.3.1:304 blazen - opscheppen
blauwköpke
zelfstandig naamwoord

blauwkopje; mees

- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-20 - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan gaon we veugeltjes zuuken en we vinden veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enzovoorts
blauwputje
zelfstandig naamwoord

blauwputje; aardappelsoort

- WBD I:1446 - blouputjes
blauwputje
blauwscheut
zelfstandig naamwoord

spataderen (of de bezitter ervan?)

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - blaawscheut
blauwslôot
  1. zelfstandig naamwoord

    blauwsloot

    - Interview echtpaar Staps, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Vruuger hadde die blaawlôope de blaawslôot zin ze vruuger, die liepen er durheene
  2. Cees Robben; Detail uit de Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-10-16

  3. zelfstandig naamwoord

    blauwsloot - open riool; speciaal in de periferie van Tilburg, veelal gevuld met door textielfabrieken geloosd afvalwater van ververijen, waardoor het water een blauwe kleur kreeg

    - Weekblad voor Tilburg, 1866-04-14 - Bij een vechtpartij belandt een dronken schutter in een vollen sloot met blauw fabriekwater gevuld ... waaruit hij nu geheel blauwgeverwd te voorschijn kwam. (waarschijnlijk oudste vindplaats)
    - Piet Heerkens; Brabant; Tilburg zingt, 1941 - We hebben hier ok eenen blauwen sloot/ en as gem ruukt dan valde dood!
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg 1941; CuBra - binnen kort zullen die bisjes nog zeldzoamer zen as in [een] wolhaand krab in innen blauwsloot
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg 1941; CuBra - Toense in [een] end geloope han kwamen ze vur innen blauwsloot en daor kosse ze nie over.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-10-16 - Den blaauwslôôt was n zuut riôôl/ heel open en plezaant
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-03-16 - Blauwslôôt.. Buunder.. Baors en Broek..
    - Interview met Hermans, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Ik weet goed, vroeger hè, we zitten hier dicht in Bèls, èn dan gebeurde nòg wèlles dègge smòkkelaars had, war! Èn asse dan verdacht waare, dan hadde en diepe sloot want vroeger hadde die riejôole nie èn zoo.dan kroope ze in dieje, in dieje sloot, hil diep hè! () Ènt gewas dètter binnenin was, dè zòchte ze dan èn dè trokke ze oover der hoofd heene dèsse et nie zien
blauwvèèrver
zelfstandig naamwoord

1. blauwverver, blauwvlieg, Calliphora vomitoria L. Blauwvlieg - Calliphora vomitoria L. 2. beroep

- WTT 2022; iemand die weefsel blauw verft
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den blaawvèèrver = Thom. Thijs
blauwvlieg
zelfstandig naamwoord

blauwe vlieg; officieel roodwangbromvlieg / Calliphora vicina

- WBD III.4.2:127 - blauwvlieg - blauwe vleesvlieg of bromvlieg; ook genoemd blauwe vlieg, spekvlieg of bromvlieg
blauwvlieg
blèdschap
  1. zelfstandig naamwoord

    blijdschap

    - WBD III.1.4:190 blijdschap - pret
  2. Schilderij van Klaes Molenaer

blêek
  1. zelfstandig naamwoord

    droogweide, bleekveld, bleek

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - De waas laag al betèds op den blêek
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1963-02-10 - Ge mot menne waas 'ns zien assie van de bléék komt.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 04 22 - Zis keer spuule, dan dur 't blauwsel / En laoter dreuge op de blèk. - WBD III.2.1:401 - blêek - grasveld
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bleik, bleek, bleekveld; verkleinwoord bläkske(n)
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bleik - bleek, bleekplaats; de wasch vande bleik halen
    blêek
  2. naam

    2. bijvoeglijk naamwoord bleek

    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - de blêeke Bèts - mevrouw Schoenmakers
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek., 2000 - den blêeke Zoontjes
blèèke
  1. werkwoord

    blèèke - blèkte geblèkt bleken, in het bijzonder het bleken van gewassen linnengoed in de buitenlucht

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-06-30 - Verder gaot ie [de wol] op dn taas/ om te dröge.. en dan blèèke/ in de zon gelek de waas...... [De gedroogde wol wordt in de zon gebleekt. Dit gebeurde vroeger ook met de witte was.]
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven 1956-06-30 t ongeblekte gao terzijje...
    - WBD III.2.1:331/333 - blauwen; bleken - de was bleken
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bleiken - bleken
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bleiken bleeken; de was(ch) bleiken
    blèèkeblèèke
  2. Uit: Kroniek van de Kempen 1994

  3. werkwoord

    blijken blèèke - blêek gebleeke; in tegenwoordige tijd vocaalkrimping gij/hij blèkt

blèèn
zelfstandig naamwoord

1. blaar

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - blaine - hij hee blaine onder zn voeten geloopen (blaren)
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-03-09 - Mn haande vol blèène van t kreugeltje douwe...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-10-17 - ... bloed en blèènen...
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Daor zitten wij nie op te wochte, wie zen gat verbraandt moet op de blèène zitte, is toch et gezegde.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Die han un end gelôope, nie normaal, volgens de zuster. De blène op der voeten, mar de zuster zeej blaren. Dè verstonden wij netuurluk nie, mar onze vadder wies toevallig dè blaren, blène waren, die ha ze wel ens gehad en die deeje zeer, dè kos ie wel vertellen.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 11 06 - Want as 't 'n bietje mee wil valle / Zèn ze dan d'r blène kwèt.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 06 21 - Ge wit toch asg'oew bille braand / Motte op de blène zitte.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 06 09
blèèn(e
zelfstandig naamwoord

1. blaar

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - blaine - hij hee blaine onder zn voeten geloopen (blaren)
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-03-09 - Mn haande vol blèène van t kreugeltje douwe...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-10-17 - ... bloed en blèènen...
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Daor zitten wij nie op te wochte, wie zen gat verbraandt moet op de blèène zitte, is toch et gezegde.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Die han un end gelôope, nie normaal, volgens de zuster. De blène op der voeten, mar de zuster zeej blaren. Dè verstonden wij netuurluk nie, mar onze vadder wies toevallig dè blaren, blène waren, die ha ze wel ens gehad en die deeje zeer, dè kos ie wel vertellen.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 11 06 - Want as 't 'n bietje mee wil valle / Zèn ze dan d'r blène kwèt.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 06 21 - Ge wit toch asg'oew bille braand / Motte op de blène zitte.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 06 09
blèère
  1. werkwoord

    blèren, blaten; huilen, lawaai maken blèère - blèèrde geblèèrd; geen vocaalkrimping hard huilen

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 08 04 - De klènste hong aon oewe slip / Te jaanken en te blèren
  2. zingen - zoals tijdens het 'blèèrkonkoer', de wedstrijd voor carnavalsliedjes

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 12 15 - 'n Zaoterdag gaon ze vur 't Karneval / Aon 't leutere en aon 't blère / Alles op z'n Tilburgs, zó plat as mar kan / Kèk, zóiets dè heur ik naa gère.
    - Henriëtte Vunderink; Tis de moejte wèrd; Jong zèèn, 2011 - Èn nò wè pilskes flink gòn zitte blèère.
    - WBD loeien; ook brulle, blijte, kweeke of kwèèke genoemd, gezegd van een koe
    - WBD III.1.4:251/255 blèren huilen, luid schreien
blèèrkonkoer
zelfstandig naamwoord

liedjeswedstrijd om het beste carnavalslied aan te wijzen

- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Òf meejkwèèke op et blèèrkonkoer.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zingen op het blèèrconcours
blèèrkòp
zelfstandig naamwoord

blaarkop

- WBD - koe met witte kop, ook witkòp genoemd
- WNT - blaarkoe - koe met eene blaar; blaarkop - eene zeer breede bles, die zich zijdelings over de wangen uitbreidt en de oogen omvat.
blèète
werkwoord

loeien, blaten blèète - blèètte- geblèèt; met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd blèt

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-06-30 - de waai... waor t schaop heej staon te blèèten
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bleiten blaten; gezegd van geiten en schapen
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 blèten - hetzelfde als Hollands blaten - schreien, janken, krijten, weenen; luidruchtig luidkeels zingen of schreeuwen; razen, tieren, kijven, schelden de koej blèt
- WBD - loeien
- WBD - blijte - loeien, ook brulle, blèère, kwèèke of kweeke genoemd.
- WBD III.1.4:254 blaten - luid schreien
- WNT blaten - in zuidelijke gewesten meestal bleten; blaten en bleten; waarschijnlijk een klanknabootsend woord, vergelijk latijns blatero
blèève
  1. werkwoord

    blijven blèève - blêef - gebleeve

    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-02-27 - Zon wij nog kiendjes kunne krèège Tonia...? / Agge daor blèèft zitte nie.. lummel.....
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-01-10 Ge moet nie blèève drèène druiloor...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven 1959-12-19 - Waor is de tèèd gebleeve, Engelientje...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1977-04-08 - Blèèf toch thuis moeder... T is nog gin weer om er unne hond deur te jaoge....
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - den dikke mot zis weeke plat te bèd blèève
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 blèft - 2 e en 3e persoon enkelvoud, maar enkelvoud neutrum ook blèèf-et; met postcliticum blèft-et of blèèv-et; doublet blèft + blèèft - blijft
    - Dialectenquête Kernkamp, 1879 - blêve (als Frans tête)
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - blèèfde - blijf je
  2. Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

bleeze
werkwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ontstrengen
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Mot te gè al die bontjes nòg bleeze? - Moet je al die boontjes nog schoonmaken?
- WBD - III.2.1:371 - bleeze - erwten of bonen afhalen
- WNT bliezen, afleiding van blies; vezel op den naad van de schelpen van peulvruchten
bleeze
blèk
  1. zelfstandig naamwoord

    blik, een houder van glanzend metaal; voorwerpen die van blik gemaakt zijn

    - Voorbeeld op originele systeemkaart Sterenborg - blèk èn veeger - stoffer en blik
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 62 02 23 - vèger en blek...
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 stil, òf ik veeg oe op et blèk
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - blèk - blik (om het stof op te vegen)
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - blek - blik
  2. naam

    1.1. schors van bomen

    - WBD III.4.3:63 - blèk - schors
    - WBD III.4.3:104 - blek - schors van naaldbomen
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 118, het Nieuwsblad van het Zuiden 1971-01-21 Van "blekke miekes" hoort men al lang niet meer spreken. Oude Tilburgers zullen u echter nog vertellen, dat dit blikken plaatjes waren ter grootte van een dubbeltje. Zij waren geponst uit de eenmaal in zwang zijnde blikken garenpijpen of tuiten. Men gebruikte ze o.a. in patronaten als fiches bij het kaartspel.
blèkke mieneke
zelfstandig naamwoord

rond dun plaatje blik, speelgoedmuntje

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dubbeltje; stukje metaal ter grootte van een dubbeltje, gebruikt in de textielindustrie en in het kinderspel, genoemd naar de toenmalige beeldenaar van een dubbeltje Wilhelmina
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 118, het Nieuwsblad van het Zuiden 1971-01-21 Van "blekke miekes" hoort men al lang niet meer spreken. Oude Tilburgers zullen u echter nog vertellen, dat dit blikken plaatjes waren ter grootte van een dubbeltje. Zij waren geponst uit de eenmaal in zwang zijnde blikken garenpijpen of tuiten. Men gebruikte ze o.a. in patronaten als fiches bij het kaartspel.
blèkkemieneke
zelfstandig naamwoord

rond dun plaatje blik, speelgoedmuntje

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dubbeltje; stukje metaal ter grootte van een dubbeltje, gebruikt in de textielindustrie en in het kinderspel, genoemd naar de toenmalige beeldenaar van een dubbeltje Wilhelmina
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 118, het Nieuwsblad van het Zuiden 1971-01-21 Van "blekke miekes" hoort men al lang niet meer spreken. Oude Tilburgers zullen u echter nog vertellen, dat dit blikken plaatjes waren ter grootte van een dubbeltje. Zij waren geponst uit de eenmaal in zwang zijnde blikken garenpijpen of tuiten. Men gebruikte ze o.a. in patronaten als fiches bij het kaartspel.
blènd
naam

blind

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - dieje blende meensch; n blend perd
- Piet Heerkens; De Mus; De jaorgetij, 1939 - De Wenter, oud en kleurenblend,/ gaaf witte dekens mee kaawe wend.
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-12-22 - n Pond zaod vur mn vink... Wit of zwart, menneke... Dè-nukt-nie.. Zis blend...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-10-16 - n blende vrouw en unne dôôve meens
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - de blènde Peer - Joh. Rokven
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den blènde Thirus - blinde man, omgeving Julianapark
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - in de superlatief wordt de d niet uitgesproken; blènst
blèndaos
zelfstandig naamwoord

paardevlieg, (blinde) daas

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-05-31 - Ik slao niks aaf as blauw vliegen en blendaoze...
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 21, Nieuwsblad van het Zuiden 1965-02-13 - Wie "niks afslaot as vliegen en blendaozen" is zó inhalerig van aard, dat hij alles accepteert, wat hem wordt aangeboden. "Blendaos" (blindaas) is in onze streek de benaming voor een bepaalde soort steekvlieg, die vooral voorkomt aan de waterkanten. Die beesten kunnen venijnig steken. Zwemmers in beken, vennen of andere natuurbaden kunnen daarvan meespreken. De vliegen zuigen zich op het lichaam vast en laten zich slechts met geweld verwijderen. Er zijn mensen wier bloed op de steek van een "blendaos" zodanig reageert, dat lichaamsdelen zoals arm of been zeer sterk opzwellen. Een steek nabij het oog kan bij de mensen, die er bevattelijk voor zijn, tot gevolg hebben dat het oog tijdelijk geheel dicht raakt door de opzwelling. Het zal nu wel duidelijk zijn, dat de uitdrukking: "Het is van de vliegen naar de blendaos" ons gewestelijk equivalent is van het "van de wal in de sloot" of "van de regen in de drup geraken."
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - blendoas - daas, paardenvlieg
- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 111; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-27 - Dat is van de vliegen naar de blindazen wil zeggen Dat is van den regen in den drop. Ook hoorde ik hiervoor Het is van pissebed op kakkebed.
- WBD III.4.2:128 - blinddaas - daas (tabanidae), ook genoemd: horzel of daas
- WBD III.4.2:131 blinddaas - runderhorzel (hypoderma bovis), ook genoemd runderhorzel en (zelden) bisworm
- WBD III.2:134 blinddaas - paardenhorzel (gastrophilus intestinalis, ook paardenwesp genoemd
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - blèndaos - blinddaas, paardevlieg
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 daas - tweevleugelig insect, aschgrauw van kleur, ook blinddaas en dazerik genaamd.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - blèndaos - daasvlieg
- WNT blinddaas blinde dazen of blindazen, welke benaming, deze dieren (de paardenvliegen) verschuldigd zijn aan de onbesuisdheid, waarmede zij somwijlen tegen helderwitte muren aan komen vliegen.
blènde
  1. zelfstandig naamwoord

    1. vensterluiken, blinden (alleen meervoud)

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-11-25 [Ze] doen vruug de blenden dicht...
    - WBD III.2.1:44 - blinde luik (binnen)
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 blindeke(n) - ieder van de twee kleine schermen, die men langs binnen voor de onderste ruiten van een venster zet, en die beletten van buiten naar binnen, maar niet van binnen naar buiten te zien.
  2. 2. iemand die blind is

    - Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek, aflevering 6; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-03-11 Hier zie ik oe, zeej den blende! en Naauw heur ik oe, zeej den dove! Dit kan iemand wel eens ten antwoord krijgen als hij goed uit den hoek komt of de spijker op de kop slaat.
  3. 3. blindelings

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-01-19 - Peer van Dun was unne dwaoler (...) die de haai in den blende kos belôôpe
Blènde Fiel
naam

volksnaam voor de sociëteit Philharmonie; de buitenmuur daarvan had geen ramen, was een blinde muur.

- Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse Revue Vruuger en naa, 1926 - ok Oel en de Paddewaaikes, het Kretshuiske en iets over tuiten..., de blende Fiel
- Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse Revue Vruuger en naa, 1926 - Dan kwaame we langs de blende Fiel,/ Bij Mie Viool de goeie ziel...
blènde koej
zelfstandig naamwoord

kinderspelletje; blindemannetje

- A .J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 106; Nieuwe Tilburgse Courant, 23 maart 1929-03-23 - Hetgeen elders blindemannetje heet, noemde men hier blinde koei, waar heenen?! Geeft de benaming niet iets onbeschaafds, iets ruws in uitdrukking aan? Men speelde het met een groot aantal kinderen op een weiland. Men vormde een kring en een ervan moest zich omkeeren en zeggen een getal, bijvoorbeeld 15 of 20. Dan begon de voorman te tellen, gaande in de richting van den zonneloop. Wie het genoemde nummer ten deel viel, was de blinde koe. Op het blindemannetje terugkomend, de koe werd een doek voor de oogen gebonden en hij werd alleen gezet. Ieder mocht hem een tikje met de hand geven op schouder of rug. De blinde moest trachten er een te pakken te krijgen. Had hij hem (of haar), dan moest hij nog zeggen, wie het was. Gelukte dit, dan ging de doek van de oogen en had hij goed geraden, dan trad de gevangene in zijn plaats om het koeschap te aanvaarden, anders bleef de vorige vanger.
blèntje
  1. zelfstandig naamwoord

    1. blaar

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - blaine - hij hee blaine onder zn voeten geloopen (blaren)
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-03-09 - Mn haande vol blèène van t kreugeltje douwe...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-10-17 - ... bloed en blèènen...
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Daor zitten wij nie op te wochte, wie zen gat verbraandt moet op de blèène zitte, is toch et gezegde.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Die han un end gelôope, nie normaal, volgens de zuster. De blène op der voeten, mar de zuster zeej blaren. Dè verstonden wij netuurluk nie, mar onze vadder wies toevallig dè blaren, blène waren, die ha ze wel ens gehad en die deeje zeer, dè kos ie wel vertellen.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 11 06 - Want as 't 'n bietje mee wil valle / Zèn ze dan d'r blène kwèt.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 06 21 - Ge wit toch asg'oew bille braand / Motte op de blène zitte.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 06 09
  2. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - baleintje; blaartje
    - WBD III.1.2:348 bleintje - blaartje
    - WBD III.4.4:232 bleintje - bobbel, ook bult
    - WBD III.4.4:232 - baleintje - dubbe reep voor de stevigheid
blès
zelfstandig naamwoord

haarpluk, witte verticale streep op voorhoofd van paard

- WBD - bosje haar (van een paard) dat tussen zijn oren naar voren hangt, ook maontóp genoemd
- WBD - langwerpige streep van voorhoofd tot neus (op een paard)
- WBD - lok-/roepnaam van het paard, respectievelijk de merrie
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - blès 1. lange witte streep over de kop bij paarden; 2. dat gedeelte der manen van een paard dat tussen de oren door over het voorhoofd hangt; 3. weelderige haarkuif bij mensen.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bles - haarlok op het hoofd van een paard; witte streep van voorhoofd tot neus bij paard of koe; zon paard
blèsôog
zelfstandig naamwoord

maanblindheid De etymologie van blès is onduidelijk

- WBD I.4 - Een oogaandoening die met grote tussenpauzes, variërend van een week à een maand tot een jaar, kan optreden. Tijdens de aanval is het dier lichtschuw; het gehele oog vertoont ontstekingsverschijnselen.
- Website dierengeneeskunde.nl (2022) - Maanblindheid is een ontsteking van de iris en de diepere delen van het oog. Maanblindheid wordt ook vaak uveitis, recidiverende uveitis of Equine Recidiverende uveitis (ERU) genoemd. De ziekte komt voor bij alle paardenrassen.
- J. Vercoullie; Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 1925 - maanblind is saamgesteld of met maan = hemellichaam, of met maan = wat maanvormig is, als b.v. zeker oogvlies, naar gelang het betrekking heeft op de leepoogigheid die met de maan af- en toeneemt of op het gebrek aan het gezicht dat het gevolg is van een vlies in t oog.
bliek
zelfstandig naamwoord

karperachtige zoetwatervis kolblei, blei (Blicca bjoerkna)

- WBD III.4.2:89 - bliek kolblei, ook blei genoemd
- WTT, Ed Schilders, 2022; Gehoord en gebruikt in de Hasselt, jaren '60 als bliekske, voor elke vis die wij in het Wilhelminakanaal vingen en die een geringe lengte had. De kolblei kan echter 40 centimeter lang worden.
blieke
werkwoord

de ie wordt meestal lang uitgesproken; gluren, loeren blieke - bliekte - gebliekt

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 blieken - een manier van kijken. Het had een wat agressievere klank en leek meer op gluren en loeren; op een nieuwsgierige manier een tafereel gadeslaan dat niet als een schouwspel bedoeld is; van een afstand visueel binnendringen in de intimiteit van anderen.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - blieke(n) - in het voorbijgaan glurend; loerend naar binnen kijken.
- WBD III.1.1:239 - blieken - scherp kijken
- WBD III.1.1:203 blieken - grijnzen
blies
zelfstandig naamwoord

vlies tussen vrucht(vlees) en pit of schil bij peulvruchten, graankorrels en citrusvruchten; ook genoemd vlies, blees, vlim het verkleinwoord is blieske of bliske

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 vruchtvlies
- WBD III.2.3:165 bleesje - vliesje in vrucht; ook vliesje of vlim
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - blees van hard, vliezig bestanddeel van een korrel of van het klokhuis van een vrucht; n bliske tussen mn taand.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - blies - vezel op den naad van de schelpen van peulvruchten, zooals erwten en boonen
bliksem
zelfstandig naamwoord

bliksem

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 06 03 - Want wie pit in z'n bliksem hee / Is vur n blèn nie bang.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - bliksem in unne kaolen bôom gift hil ut jaor strôom - onweer vroeg in het jaar belooft veel regen
blinke
werkwoord

blinken blinke - blonk - geblonke

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - blinke - et blingt
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - blinken
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - blinken - doen blinken, doen glanzen met er over te wrijven
blinkmèrt
zelfstandig naamwoord

kermismarkt

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - blinkmert - zoo noemde men de vroegere kermismarkt
blòdsel
zelfstandig naamwoord

bloodsel, afgeleid van bladsel, bladplanten tussen het gras die grazers laten staan, vandaar: slecht gras, dat de koeien niet vreten

bloed
zelfstandig naamwoord

bloed; hier degene die moet bloeden; den bloed (korte oe)

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-12-11 - Hij daanste gewillig/ Den dôôd tegemoet.../ In n raozende vaort.../ En Sjef was den bloed.../ En nôôt zou den stumper meer rije... De Prent steunt een actie om het aantal verkeersslachtoffers in Tilburg terug te dringen.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-05-23 - Ik was den bloed
bloedblèèn
  1. zelfstandig naamwoord

    bloedblaar

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - bloedblaar
    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord; Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als.. - maart 2013
  2. Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

bloedzèùger
zelfstandig naamwoord

bloedzuiger in het algemeen een wormachtige variant van de Hirudinea. in het Tilburgs echter ook gebruikt voor de oorworm, zoals aangegeven door:

- WBD III.4.2:221 - bloedzuiger - oorworm (Forficula auricularia)
bloedzèùgerbloedzèùger
bloeje
werkwoord

bloeden, bloeien

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - net of wuit ons neus bloejen
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - waare ze zen bist ònt vèèchten èn bloeje bloeje.. Dè kunde wèl begrèèpe netuurlek, hè!
bloemkôol
  1. zelfstandig naamwoord

    bloemkool verkleinwoord bloemkoltje

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne
    bloemkôol
  2. eigelek wel trèkke? Deel 2, 2007 - Et dienee waar gewoon, èèrpel, bloemkôol, amper genoeg, en dun gesneeje rundvléés, waor ge ieder twee vellekes van krêegt.

    - Jodocus (pseudoniem van Jacques Stroucken); Toe-met hooi; Volkstuinders, circa 1985 - Piet heej unne snijboon van 40 lank,/ en Willem van één staok 3 kilo/ Mar Toon heej nen bloemkool zo groot en zo blank/ as de borst van de Venus van Milo.
bloes
zelfstandig naamwoord

blouse

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1970-09-23 - Mn lèn maag er zèn, ik zè alléén n bietje zwaor in de bloes; enigszins grote borsten hebben.
blòk
zelfstandig naamwoord

blok

- WBD II:1389 - óóver dem blòk trékke' - over de blok trekken; de pet over de vorm trekken (blok = ijzeren vorm)
- WBD II:1389) blok, meervoud blòkke - blok (houten vorm voor petten)
blökske
zelfstandig naamwoord

blom
  1. zelfstandig naamwoord

    1. bloem; het fijnste maalsel van een graansoort

    - Voorbeeld op originele systeemkaart van Wil Sterenborg - ginne klaoren blóm - geen zuivere koffie
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-06-24 - Zeg kende gij dè brooike nog/ Van klaoren blom.. van enkelt rog/ t hartjesbrood...
    - Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - dè's naa klaoren blom!
  2. 2. bloem (als plantensoort)

    - Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - blommen; blommen plukken
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-22 - n plekske/ waor blom hôn gestaon
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-15 - In de waaij/ Heb ik gespuld.. en blom geplukt
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-01-29 - [hij] teult er wilde blommen... - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-08-15 - Hier aon de oevers van de Laaij/ Ben ik geboren... In de waaij/ Heb ik gespuld.. en blom geplukt.../ En hier... zô zong ie as verrukt.. / (Swels dettie Dientje kuste)/ Moet laoter men gebinte rusten...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-03-09 - n schuchtere blom steeket köpke omhoog
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-11-02 - Dn ekker-gods die leej zô schôôn vol blommen...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-01-18 - Welke blomme wilde op oew begraofenis? Snoffels...dalidas.. paosblomme.. of stinkerkes...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-05-20 - Meej duuzend blommen aon de kaant
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-05-06 - Dees buske blommen/ Is vur jou...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 10 04 - De Jan was stevig zat gewist / Vanèges was 't thuis toen fist / 's Aandrendaogs docht ie: Verdomme, / Ik koop vur m'n vrouw wè blomme. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 05 08 - t Is dòòien-herdenking / Seldaoten staon stram / Bèrgen van blommen / n Vurige vlam. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 06 05 - In t vrije veld zède schatrèk / De blommen staon ammol te prèk. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 03 26 - Toen ie de blommen waoter gaaf / Riep z'n vrouw moord en braand / Ge giet die plaanten vuls te veul / Ge verzuipt ze bekaant. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 01 21 - Ze zitte thuis vur de Teevee / Goed lui en lam te slaope / Toe dè de blomme op de kaast / Gewoon vort mee gaon gaope. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 07 09 - Ons Sjaan hee aachter in dn hof / Geraniums geplaant / Ze groef mee zörg irst n flink gat / Mee mist en blommezaand.
blombaol
zelfstandig naamwoord

meelzak

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 blombaol - meelzak
blommerij
zelfstandig naamwoord

rij van bloemen

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 9; Nieuwe Tilburgsche Courant; 1930-02-22 - Mar ik hè hil die blommerij - waor haolen ze ze op dezen tijd van 't jaor vandaon - nog al 'ns mee opzij gezet. Van hil die flauwe kul mot ik niks hebben...
blommist
zelfstandig naamwoord

bloemist

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - blommist
blomrèùker
zelfstandig naamwoord

ruiker

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 12; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-17 - Juffrouw Jaanse ha aon moeten zien dè Harrie van den apotheker aon ons Jetje nen blomruiker ha aongebojen.
blomzuut
bijwoord

enigszins scheel, loensen; bloemzoet, zo zoet, dat wil zeggen lieflijk, als fijne bloem

- WTT 2018; - In alle Tilburgse bronnen vanaf 1916 (Handschrift Daamen) gedefinieerd als een afwijking aan de ogen; een variant naast scheel en loenzen. Ook als zodanig bij Robben.
- WTT 2018 - Van oorsprong is blomzuut echter geen oogafwijking, maar een aanduiding van een manier van kijken. Bloem is dan, volgens het WNT lemma bloem betekenis 12 het fijnste van het meel, dat door het ziften van het grovere meel en de zemelen wordt afgescheiden.... WNT lemma bloemzoet verwijst naar deze 12de betekenis en zoet. Eigenlijk zoo zoet als bloem; gewoonlijk in min of meer ongunstigen zin van iemands gelaatstrekken, manier van spreken enzovoorts. De ongunstigheid lijkt derhalve samen te hangen met schijnheilig kijken of zoete broodjes bakken, goedpraten.
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - blómzuut - ze keke n bietje blomzuut, bietje scheel
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 62 11 09 - n Bietje blomzuut [Titel van een vers over een schele fietser.]
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-07-06 - [Vrouw tegen man met bril] Ik kan naa nie zegge degge loenst... mar ge kekt wel blomzuut... op t schèèle aaf...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1961-11-24 - Schèèl Merieke.. Blomzuut kieke...
- Henriëtte Vunderink; k Zal van oe blèève haawe; Wieste..?, 2007 - Wieste, dè iemes die wè loenst,/ in Tilbörg blomzuut kèkt?
- WBD III.1.1:244 - blomzoet kijken - scheelzien
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - blomzuut - een beetje scheel
blôot
naam

bloot, naakt behalve in eigenlijke zin ook overdrachtelijk gebruikt bij sommige kaartspellen, namelijk als de enige kaart in een van de vier kleuren

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het zuiden 1974-06-14 Weg mee blôote hartes of piek zus of zôo... [ piek = pico bij het kaartspel rikken]
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - de vrouw blôot èn en klèntje (kaartspel)
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - blòòt - bloot, kaartterm; n blòòte kaort hèbbe
blôote

blote kaart in het spel rikken; de enige kaart van één kleur - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-01-02 - [Verliezer:] Dè was ôôk unne blôôte... - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den blôote - Vincent Mutsaerts, ook Dr. Blöte van blôot als zn overgeheveld

blôotebillegezicht
zelfstandig naamwoord

blotebillengezicht; bol, glad gezicht

blôotevoetepaoter
zelfstandig naamwoord

bijnaam van de paters kapucijnen, die met blote voeten in sandalen liepen

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - Misschien vendt zet wel un goeie daod, dèk ene priester, ene paoter terwille ben gewist en wel ene blôote voetenpaoter, ene paoter die in Tilburg zenne kost bij mekaare moes schooie.
blôotkrabbe
werkwoord

blootkrabben goed in de slappe was zitten ; in de zin van deren; vrijwel altijd in een ontkennende zegswijze zoals door iets of iemand niet gedeerd worden

- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven, 1956-12- 15 Dieje krabde nie blôot.. Dè is zonne heel rijke stinkerd...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het zuiden 1978-04-21 Ik zèè vort unne dikke... En ze krabbe men niemer blôot
- Cees Robben; Prent van de Week, Roomsch Leven 1961-09-22 Ze krabben mèn nie blôot.. zeej Drik.. Ik zit goed in de schèève...
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Ötverkôop, 2009 - Want... as ik enen dag gao visse/ krabbe ze mèèn zomar nie bloot. [Dan ben ik de koning te rijk.]
bloow
zelfstandig naamwoord

blo, blode

- WBD III.1.4:70 - blo, blode schuchter
blòske
zelfstandig naamwoord

blaas

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1983-08-19 - Gij zult oew blaos nie scheure.. [Jij zult van werken niet doodgaan.]
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - En dan had ze smèèreges () zon blaos bezije op dieje mond zitte. Dan was die, die middelsèène òn et wèrreke gewist òf zôo, hè ...èn dè kwaam daor in die blaos èn dan din wij die blaos èlleke keer aaf
blöster
zelfstandig naamwoord

schilfer

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-05-28 - Dr is nog gin blösterke aaf... [van het glazuur van een vaas]
- WBD III.1.2:269 - bluisters - huidschilfers
- WBD III.4.4:268 bloester - schilfer
- WNT II:2929 bluister - van of naast bluisteren. Bij Kiliaen vertaald met pustula en hecta... pustula in panis crusto assurgens. In 16e eeuw als bijvorm van blister
blotskòp
  1. naam

    blootshoofds, zonder hoofdbedekking

    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - blootshoofds
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - blootskop - blootshoofds
  2. Afbeelding uit: Kroniek van de Kempen

blòtte
werkwoord

bloten

- WBD II:605 - blòtte - haren, verwijderen van de opperhuid met haar, in de leerindustrie
- WBD II:609 - blòtvèlleke - blootvelletje, de gehaarde en gevleesde huid
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 blotten - blooten, het haar of de wol van de huiden doen.
blòtte
blücher of de nacht
naam

uitdrukking; kaartterm Ets van Gottfried Arnold Lehmann: Wellington omhelst Bluecher op het slagveld van Waterloo Tijs Dorenbosch - vignet uit De Mus en D'n örgel van Piet Heerkens (1939 & 1938) blumke, blummrkes, bluumke zelfstandig naamwoord, verkleinwoord bloemetje, bosje bloemen verkleinwoord van blom

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, Tilburg 1984 - och blumke, k heb oe zo dikkels bekëken
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1954-04-24 - Wè lief is mn blumke
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 03 24 - al die schóóne blummekes...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 blumke, bluumke
- Dialectenquête Kernkamp, 1879 - de jungskes hebbe blumpkes geplokke
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bloemeke(n), blommeke(n) - verkleinwoord van bloem, blom
blumke
  1. zelfstandig naamwoord

    - Frans Verbunt; Woordeboek van de Tilburgse Taol, 1996 - aajerblumke - primula (primula veris); eersteling van de lente
    blumkeblumke
  2. Thomé - primula veris

    - WTT 2011: sleutelbloem, ook
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - aajerbluumkes - primula's
    ► 'mertuntje'
    ► 'mertuntje' genoemd
blut
naam

zonder geld, al het geld verspeeld

- Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, Diksjenèèr van de Tilburgse Taol, 2004 ook kèps
- K. Heeroma; Brabants uit de 18e eeuw; woordenlijsten Verster, 1968 - bluts zijn - niets meer hebben. Deze betekenis van ledigheid vindt men in het woord blutten bij Kiliaen en Plantijn homo stolidus, inanis
- WBD III.3.2:36 - blut of kèps - alles kwijt (bij een spel)
blutse
werkwoord

blutsen, kneuzen; butse van vallend fruit blutse - blutste geblutst

- WBD III.2.3:159 blutsen - blutsen, kneuzen
- WNT - blutsen - stooten of slaan, inzonderlijk met de bijgedachte dat er eene of meer blutsen ontstaan; ook van vruchten
bluujke
  1. zelfstandig naamwoord

    bloedje, hulpeloos kind

    - Anoniem; Tilburgs folklore; n Kaoi rikkemedaosie; Nieuwe Tilburgse Courant, 1959-11-19
  2. Nillus ha zis klène bluukes, daor ware twee platte kender bij, Jaans moes nog wè zuutjes aon doen, was pas efkus in de rij.

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 10 06 - Want die bluukes zèn zò zuut.
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 bloejke; bloejkes van kènder
    - Dialectenquête Kernkamp, 1879 - bluke
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 bluujke, bloeike - bloedje
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bloeike(n); in de Kempen ook bloiken, blujken;arm, beklagensweerdig kindje; verkleinwoord van bloed, bloedje
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bluujke - hulpeloos kindje
bluuke
  1. zelfstandig naamwoord

    bloedje, hulpeloos kind

    - Anoniem; Tilburgs folklore; n Kaoi rikkemedaosie; Nieuwe Tilburgse Courant, 1959-11-19
  2. Nillus ha zis klène bluukes, daor ware twee platte kender bij, Jaans moes nog wè zuutjes aon doen, was pas efkus in de rij.

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 10 06 - Want die bluukes zèn zò zuut.
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 bloejke; bloejkes van kènder
    - Dialectenquête Kernkamp, 1879 - bluke
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 bluujke, bloeike - bloedje
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bloeike(n); in de Kempen ook bloiken, blujken;arm, beklagensweerdig kindje; verkleinwoord van bloed, bloedje
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bluujke - hulpeloos kindje
bobbertje
zelfstandig naamwoord

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - bobbertje bloedworst - klein dik mannetje
- WNT; lemma bobber, 1892 - schertsende benaming van iemand met eene korte, ineengedrongen gestalte of met een dik, groot hoofd; kokkerd, dikzak, dikkop.
bocht
zelfstandig naamwoord

bòddie bilding
zelfstandig naamwoord

bodybuilding

- Frans van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik zal em es laote zien dèttie ginne grôote smoel teege mèn moet hèbbe, ik gao op bòddie bilding èn dan zakkem es krèège.
bodschap
  1. zelfstandig naamwoord

    boodschap

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bodschap (met vocaalreductie)
    - WBD III.2.1:208 boodschappenkorf - boodschappenmand
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 boodschap (uitspraak boeëd-, bod-')
  2. zelfstandig naamwoord

    boebes

    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Boebes Bonkig boers figuur.
boeg
zelfstandig naamwoord

- WBD - borst van een paard
- WNT - Het gewricht dat gevormd wordt door het schouderblad en een der opperarmbeenderen van een paard, doch ook in ruimeren zin, met inbegrip van de omliggende zachte deelen (spieren, pezen, huid)
boek
  1. zelfstandig naamwoord

    het boek 1. In oudere teksten mannelijk in plaats van onzijdig: den boek

    - Dialectenquête Kernkamp, 1879 - nen aauwen boek
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - onzijdig woord mannelijk gemaakt
    - Informant Toine Raaijmakers - Gij komt ok aaltij ast boek omgedraogen is - te laat komen [bedoeld is het misboek dat van de linkerkant van het altaar (gezien vanuit de kerkganger) door de misdienaar werd overgebracht naar de rechterkant]
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 boek; zelfstandig naamwoord mannelijk en niet onzijdig den boek is omgedragen - het eten is op
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - die heej zenen boek dichtgedaon [hij is overleden]
  2. 1.1 kerkboek

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun in den trein; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-09-16 - ...taante Hanna mee dren kerkboek en dren paoternoster bij den heerd...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-05-20 - 1939-06-17 - ..allebaai mee den kerkboek in de haand...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 2; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-10-08 - ...de appetekersvrouw, die erg zemelechtig is, liet dren boek vallen en gong er bij zitte...
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Leest zelf zonnen boek.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-01-13 Een dorpeling die een bekeuring van de veldwachter kreeg, omdat hij na sluitingsuur in een café werd aangetroffen, had toch nog een helder ogenblik toen hij tot de man van de wet zei: "Ik stao liever in jouwen boek dan op het daogelijks gebed". Dat "dagelijks gebed" was het aflezen van de overledenen in de kerk.
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - en t aander [prentje] hek in mène kerkboek.
    - Piet Heerkens; De knaorrie; Oo, hellige ziel, 1949 - oewen dikke kerkboek geeft oe heel veul werk... [In het kerkboek werden vaak ook de gedachtenisprentjes van de overledenen bewaard, voor wie een gebedje kon worden gedaan.]
    - H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch; Oh! Klotterende klompen, 1932 - op klompen ter Mis, meej/ den beejboek in haand...
boekènd
  1. zelfstandig naamwoord

    boekweit

    - WBD III.4.3:268 - wilden boekent - zwaluwtong (polygonum convolvulus; beter fallopia convulvulus)
  2. Fallopia convulvulus - boekent

    - Naarus; (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Daor stond daor nog wè boekent in n potje in dè gaaf ik ze [de kippen].
    - Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, aflevering 6; Paaseieren, namen en verdwenen gebruiken; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1951-03-29 - Als de varkens nog klein waren, kocht men bijvoorbeeld karnemelk van de boer. Werden ze groter - en vooral tegen de tijd dat zij vetgemest werden - kwam er graanmeel. Als het kon boekweitmeel en toen ook de maïs in de handel kwam maïsmeel, maar hierin bestond een groot onderscheid. Als er een slager kwam om een vet varken te kopen, was gewoonlijk zijn eerste vraag: waarmee is het gemest, met boekweit of met maïs. In het eerste geval was de geboden prijs per kilo altijd een paar centen hoger dan bij maïsvoer.
    - Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2016 - Dè wèrd gemaole èn, jè... dan krêede boekente strèùf... boekentmèèle strèùf hiet et, hè... ènne boekente pap!
    - WBD I:1412 boeket [sic]
    - WBD III.2.3:225 boekendekoek boekweitkoek
    - A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - boegend, bogent, boekend, bongend - boekweit
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 bokkent; verbastering voor boekweit
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - boegent, respectievelijk bogent, bongent - boekweit.
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 boekerd, boeked (toonloze e) - boekweit
boekèndemèèl
zelfstandig naamwoord

boekweitmeel

- WBD III.2.3:140 boekendepap - boekweitpap; ook boekettepap
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 boegendemeel respectievelijk bongendemeel - boekweitmeel
boekènt
  1. zelfstandig naamwoord

    boekweit

    - WBD III.4.3:268 - wilden boekent - zwaluwtong (polygonum convolvulus; beter fallopia convulvulus)
  2. Fallopia convulvulus - boekent

    - Naarus; (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Daor stond daor nog wè boekent in n potje in dè gaaf ik ze [de kippen].
    - Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, aflevering 6; Paaseieren, namen en verdwenen gebruiken; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1951-03-29 - Als de varkens nog klein waren, kocht men bijvoorbeeld karnemelk van de boer. Werden ze groter - en vooral tegen de tijd dat zij vetgemest werden - kwam er graanmeel. Als het kon boekweitmeel en toen ook de maïs in de handel kwam maïsmeel, maar hierin bestond een groot onderscheid. Als er een slager kwam om een vet varken te kopen, was gewoonlijk zijn eerste vraag: waarmee is het gemest, met boekweit of met maïs. In het eerste geval was de geboden prijs per kilo altijd een paar centen hoger dan bij maïsvoer.
    - Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2016 - Dè wèrd gemaole èn, jè... dan krêede boekente strèùf... boekentmèèle strèùf hiet et, hè... ènne boekente pap!
    - WBD I:1412 boeket [sic]
    - WBD III.2.3:225 boekendekoek boekweitkoek
    - A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - boegend, bogent, boekend, bongend - boekweit
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 bokkent; verbastering voor boekweit
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - boegent, respectievelijk bogent, bongent - boekweit.
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 boekerd, boeked (toonloze e) - boekweit
boekèntemèèl
zelfstandig naamwoord

boekweitmeel

- WBD III.2.3:140 boekendepap - boekweitpap; ook boekettepap
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 boegendemeel respectievelijk bongendemeel - boekweitmeel
boekhaawer
zelfstandig naamwoord

boekhouder

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - boekhaawer
boekhaawer
boeklee
zelfstandig naamwoord

bouclé, stofnaam

- Hen k van Rijswijk, Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954 - W ollen mantelstof met strijkgaren of kamgaren ketting en bouclé-inslag d.w.z. een effecttwijn met lussen bestaande uit een gronddraad, een effectdraad en een fixeerdraad. Licht gevold en geweven in gelijkzijdige keperbinding.
boekleej
zelfstandig naamwoord

bouclé, stofnaam

- Hen k van Rijswijk, Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954 - W ollen mantelstof met strijkgaren of kamgaren ketting en bouclé-inslag d.w.z. een effecttwijn met lussen bestaande uit een gronddraad, een effectdraad en een fixeerdraad. Licht gevold en geweven in gelijkzijdige keperbinding.
boenter
zelfstandig naamwoord

tweejarig paard

- WBD - tweejarig paard, ook tweejaorege genoemd
boenter
boer
  1. zelfstandig naamwoord

    boer, boeren, boertje korte oe in boerke

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bu:r, bu:re, burke
    - Dialectenquête Kernkamp, 1879 - diejen boer heedn luien knêcht - die boer heeft een luien knecht
  2. samenstellingen Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - kiepenboer uitdrukkingen

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 136, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-01-13 - Ouder worden kan leiden tot zelfinkeer en bezonkenheid. Die gedachte werd neergelegd in: "Als de boeren oud worden, staan ze onder de preekstoel". Oftewel: ze zijn "fijn" geworden.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 166, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-01-30 - Nog eens moet de boer er aan geloven met de uitdrukking: "nen boer stao aaltij veuls te eng". Dat duidt op hebberigheid, die hem er toe brengt een te hoge prijs te vragen.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 166, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-01-30 - Voor een ingewikkeld geval staan we met de volkswijsheid: "Een boer heeft twee roeien". Zij houdt de beschuldiging in, dat een boer steeds zijn eigen voordeel zoekt. Alsof dit onder andere standen ook niet voor zou komen! Maar de boer doet dat dan wel op een aan hem aangepaste manier. Een "roei" (roede) is een vlaktemaat van 33 vierkante meter. Een boer beschouwt - als het hem goed uitkomt, zeggen boze tongen - een "roei" echter ook als lengtemaat. Hij rekent dan een lengte van: "vèèf, zis zeuve". Dat betekent 5,6 tot 5,7 meter. Hij maakt daarvan het kwadraat. Van 5,6 komt dat neer op 31,36 vierkante meter. Uitgaande van 5,7 wordt het 32,49 vierkante meter. Hij blijft daarmee echter steeds beneden de 33 vierkante meter. Waarom zou men het niet ingewikkeld doen als er voordeel aan kan zitten!... In ieder geval een curieus gereken!
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1982-12-03 - wè unne boer laoit, brengt ie thuis
    - Informant Ad Vinken - de stómste boere hèbbe de dikste peeje - wie zonder veel overleg te werk gaat, heeft vaak het beste resultaat
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - den lómpsten boer tilt de grótste èèrpel
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - der ligge zat boeren opt kèèrkhòf die nèt zo lui zèn as ikke
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - as ene pestoor mèlk drinkt en enen boer wèèn, dan zèn er twee ziek
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - boeren hèbben ok maniere, maar aander
    - Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Als iemand ergens mee stopt maar de rotzooi laat liggen: - die schaajt er meej èùt as enen boer van zene stront!
  3. kaarttermen

    - Pierre van Beek; Typische zegswijzen, aflevering 5; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-08-25 De schotels wassen en als ge drie boeren hebt, krijg je van de vierde slaag hoort men
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1985-01-11 Goei weer vur boerekôôletoppestamp meej vorse worst...
    - Informant Toine Raaijmakers; ongedateerd - den bónten boer rije - er lustig op los leven
  4. vaak, evenals wanneer op een boer een vrouw de boer heeft een vrouw nodig valt.

    - WBD III.1.4:237 - de bonte boer rijden - razen en tieren
    - WBD III.1.2:250 boerke - oprisping
boere
werkwoord

geen vocaalkrimping; steeds lange oe een boerenbedrijf voeren, boeren, voortdoen

- Informant Toine Raaijmakers [over een klein boertje...] die boert meej en gèèt èn nen èkster
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1955-01-29 - Den kapelaon, hij boert mar vort...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 01 07 - Zèn we strak, as't wir Nuuwjaor is / Dezelfde meens gebleven? // Of zèn we goed vuruit geboerd..?
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - boeren - we hebben nog gin taid om s middags is op onze stoai te kunnen boeren
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); 't Klokhuis van Brabant 2; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-16 - ...overdag wè boeren in dren hof...
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - Volgens kaart 61 ligt Tilburg juist op het gebied waar de vocaal kort klinkt; niettemin is op Tilburgs gebied de lange klinker niet uitgesloten.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - boeren - figuurlijk een helsch leven maken, razen en tieren, drinken en klinken; er deur boeren - arm worden
boereguld
zelfstandig naamwoord

boerengilde

- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - boerenguld - gilde Sint Joris
boerekooletòppestaamp
zelfstandig naamwoord

stamppot van boerenkool samentrekking van boerenkool en boerentoppen

- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Peejstaamp, hasjee, tis ammòl hêel lèkker, mar et lèkkerste vonnik boerekôoletòppestaamp meej vòrse wòrst.
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-01-11 - ...goei weer vur boerekôôletoppestaamp
boeremik
zelfstandig naamwoord

rond witbrood

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, Tilburg, 1984 - boeremik meej krènte
- WBD III.2.5:192 boerenmik - rond wittebrood
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - boeremik - eigen gebakken wittebrood van de boeren.
boeren
  1. zelfstandig naamwoord

    boer, boeren, boertje korte oe in boerke

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bu:r, bu:re, burke
    - Dialectenquête Kernkamp, 1879 - diejen boer heedn luien knêcht - die boer heeft een luien knecht
  2. samenstellingen Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - kiepenboer uitdrukkingen

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 136, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-01-13 - Ouder worden kan leiden tot zelfinkeer en bezonkenheid. Die gedachte werd neergelegd in: "Als de boeren oud worden, staan ze onder de preekstoel". Oftewel: ze zijn "fijn" geworden.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 166, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-01-30 - Nog eens moet de boer er aan geloven met de uitdrukking: "nen boer stao aaltij veuls te eng". Dat duidt op hebberigheid, die hem er toe brengt een te hoge prijs te vragen.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 166, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-01-30 - Voor een ingewikkeld geval staan we met de volkswijsheid: "Een boer heeft twee roeien". Zij houdt de beschuldiging in, dat een boer steeds zijn eigen voordeel zoekt. Alsof dit onder andere standen ook niet voor zou komen! Maar de boer doet dat dan wel op een aan hem aangepaste manier. Een "roei" (roede) is een vlaktemaat van 33 vierkante meter. Een boer beschouwt - als het hem goed uitkomt, zeggen boze tongen - een "roei" echter ook als lengtemaat. Hij rekent dan een lengte van: "vèèf, zis zeuve". Dat betekent 5,6 tot 5,7 meter. Hij maakt daarvan het kwadraat. Van 5,6 komt dat neer op 31,36 vierkante meter. Uitgaande van 5,7 wordt het 32,49 vierkante meter. Hij blijft daarmee echter steeds beneden de 33 vierkante meter. Waarom zou men het niet ingewikkeld doen als er voordeel aan kan zitten!... In ieder geval een curieus gereken!
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1982-12-03 - wè unne boer laoit, brengt ie thuis
    - Informant Ad Vinken - de stómste boere hèbbe de dikste peeje - wie zonder veel overleg te werk gaat, heeft vaak het beste resultaat
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - den lómpsten boer tilt de grótste èèrpel
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - der ligge zat boeren opt kèèrkhòf die nèt zo lui zèn as ikke
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - as ene pestoor mèlk drinkt en enen boer wèèn, dan zèn er twee ziek
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - boeren hèbben ok maniere, maar aander
    - Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Als iemand ergens mee stopt maar de rotzooi laat liggen: - die schaajt er meej èùt as enen boer van zene stront!
  3. kaarttermen

    - Pierre van Beek; Typische zegswijzen, aflevering 5; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-08-25 De schotels wassen en als ge drie boeren hebt, krijg je van de vierde slaag hoort men
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1985-01-11 Goei weer vur boerekôôletoppestamp meej vorse worst...
    - Informant Toine Raaijmakers; ongedateerd - den bónten boer rije - er lustig op los leven
  4. vaak, evenals wanneer op een boer een vrouw de boer heeft een vrouw nodig valt.

    - WBD III.1.4:237 - de bonte boer rijden - razen en tieren
    - WBD III.1.2:250 boerke - oprisping
boerenèrbèr
  1. zelfstandig naamwoord

    boerenknecht, boerenarbeider lange oe

    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 arbei(d)er - boerenwerkman, dagloner die boerenwerk verricht
  2. Dianthus barbatus

boeresnòffel
zelfstandig naamwoord

bloemsoort; duizendschoon (Dianthus barbatus)

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - boerensnoffel - duizendschoon
boeresnòffel
boeretêene
zelfstandig naamwoord

tuinbonen

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - boerenteenen - tuinboonen, groote boonen
- Piet van Beers; With Love; Wie tuinbonen wil eten moet Februari niet vergeten, 1982-1987 - Ik hè ze al in de Wêyk gezet/ en merrege gaon ze er in/ Mn Boeretenen wel te verstaon/ en dê is naor munne zin.
- Piet van Beers; Ogste; CuBra, 19 juli 2004-07-19 - Ik hèb gezien dètter mn vrieskaast/ Aorig vol begient te raoke./ Sprèùtjes, peekus èn asperges/ kôol spinòzie, pastinaoke.// Pultjes, èrtjes, kappesèèners, boeretêene, èègenhèèmers./ Krotjes, bontjes van de staok./ Èlke week is ´t wir raok.
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2002-08 - Vruuger noemde ze knaawbôonen ok wèl boeretêene
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 boeretee:ne - grote bonen, moffelbonen
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 boereteenen - platteboonen, groote tuinboonen; in de Kempen labboonen geheeten
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - boeretêene - tuinbonen
- WBD III.2.5:84 boerenteen - tuinboon
boeretij
zelfstandig naamwoord

letterlijk: boerentijd, vroegere tijd Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 94, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-01-29 - En ooit horen zeggen, dat "het er een echte boeretij" was? Dat betekent dat het er echt landelijk naar toegaat, zoals bv. op een gezellige, ouderwetse bruiloft. "Tij" was de naam voor een verzamelplaats, waar de oude Germanen recht spraken. Er wordt wel aangenomen, dat men dit woord nog terugvindt in de streeknaam "Goedetijd" te Alphen en in "Tijvoirt", welke laatste naam men onder Goirle aantreft, al praat de volksmond daar van "Tèvert".

boeretòppe
zelfstandig naamwoord

boerenkool

- Cees Robben; Prent van de Week, Tilbörges kost; Roomsch Leven, 1961-12-22 ...schenken... knooken... boere-toppen... zoere zult
- Piet van Beers; With Love; Ik lus t geleijk, 1982-1987 - We ete eens per virtien daog/ Dan stamp van boeretoppe./ Daor motte wel, volgens Ons Kee/ Gerukte worst instoppe.
- Piet van Beers; Het zeventiende boekje; De mèrt, 2010 - Soms worret stamp van boeretoppe (daor moete verse worst in stoppe)/ soms worret peejstamp meej hasjee, of ik neem wè sudderlappe mee.
- WBD III.2.5:94 boerentoppen boerenkool; ook toppen
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - boeretoppe boerenkool
boerevrommes
  1. boerenvrouw samenstelling van boeren en vrouwmens

    - J.M. Van der Donck, Mooi Truike; in Joh. A. Leopold en L. Leopold; Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882 - t Waor n jong boerevrommes, mit nen zwaoren kurf an
  2. urren êrm; daar geannoteerd met verbasterd van boerenvrouwmensch

boerke
  1. zelfstandig naamwoord

    boer, boeren, boertje korte oe in boerke

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bu:r, bu:re, burke
    - Dialectenquête Kernkamp, 1879 - diejen boer heedn luien knêcht - die boer heeft een luien knecht
  2. samenstellingen Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - kiepenboer uitdrukkingen

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 136, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-01-13 - Ouder worden kan leiden tot zelfinkeer en bezonkenheid. Die gedachte werd neergelegd in: "Als de boeren oud worden, staan ze onder de preekstoel". Oftewel: ze zijn "fijn" geworden.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 166, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-01-30 - Nog eens moet de boer er aan geloven met de uitdrukking: "nen boer stao aaltij veuls te eng". Dat duidt op hebberigheid, die hem er toe brengt een te hoge prijs te vragen.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 166, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-01-30 - Voor een ingewikkeld geval staan we met de volkswijsheid: "Een boer heeft twee roeien". Zij houdt de beschuldiging in, dat een boer steeds zijn eigen voordeel zoekt. Alsof dit onder andere standen ook niet voor zou komen! Maar de boer doet dat dan wel op een aan hem aangepaste manier. Een "roei" (roede) is een vlaktemaat van 33 vierkante meter. Een boer beschouwt - als het hem goed uitkomt, zeggen boze tongen - een "roei" echter ook als lengtemaat. Hij rekent dan een lengte van: "vèèf, zis zeuve". Dat betekent 5,6 tot 5,7 meter. Hij maakt daarvan het kwadraat. Van 5,6 komt dat neer op 31,36 vierkante meter. Uitgaande van 5,7 wordt het 32,49 vierkante meter. Hij blijft daarmee echter steeds beneden de 33 vierkante meter. Waarom zou men het niet ingewikkeld doen als er voordeel aan kan zitten!... In ieder geval een curieus gereken!
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1982-12-03 - wè unne boer laoit, brengt ie thuis
    - Informant Ad Vinken - de stómste boere hèbbe de dikste peeje - wie zonder veel overleg te werk gaat, heeft vaak het beste resultaat
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - den lómpsten boer tilt de grótste èèrpel
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - der ligge zat boeren opt kèèrkhòf die nèt zo lui zèn as ikke
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - as ene pestoor mèlk drinkt en enen boer wèèn, dan zèn er twee ziek
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - boeren hèbben ok maniere, maar aander
    - Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Als iemand ergens mee stopt maar de rotzooi laat liggen: - die schaajt er meej èùt as enen boer van zene stront!
  3. kaarttermen

    - Pierre van Beek; Typische zegswijzen, aflevering 5; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-08-25 De schotels wassen en als ge drie boeren hebt, krijg je van de vierde slaag hoort men
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1985-01-11 Goei weer vur boerekôôletoppestamp meej vorse worst...
    - Informant Toine Raaijmakers; ongedateerd - den bónten boer rije - er lustig op los leven
  4. vaak, evenals wanneer op een boer een vrouw de boer heeft een vrouw nodig valt.

    - WBD III.1.4:237 - de bonte boer rijden - razen en tieren
    - WBD III.1.2:250 boerke - oprisping
boestere
werkwoord

grondig schoonmaken, schoonschrobben, (zichzelf) een wasbeurt geven

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - (ze) gonge meej enen emmer waoter, un stuk sunlicht zéép, un washandje en ene handdoek der èège boven schôon boestere.
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 boesteren (meestal samengesteld met af) - grondig en niet al te zachtzinnig schoonmaken, bij voorkeur met sop en een harde borstel; mogelijk afgeleid van boest, bast of van bolsteren en oorspronkelijk de bast eraf schrappen
boete
werkwoord

boeten

- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003 - Laat geboet, zelden goed. Berouw komt na de zonde. Tilburg eo '86
boetsebòlle
  1. werkwoord

    kindertaal voor als het kind het hoofd stoot

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 boetsebòlle
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - boetsenbol, ook wel boets; schertsende aanduiding van een kinderhoofdje, naar het frequent boetsen (botsen, stoten)
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - boetsenbol ( kindertaal ) - hoofd, kop
    - WBD III.1.2:176 boetsen, boetsebol doen - stoten met het hoofd
    - WBD III.1.2:178 boetsen - het hoofd stoten
    - WBD III.1.1:37 - boetsebol - hoofd
  2. Boezeroen uit Elspeet - bron: Geheugen van Nederland

boezeroen
  1. zelfstandig naamwoord

    - Ed Schilders; WTT 2012 - In Tilburg valt bazzeloen/boezeroen vaak samen met kiel, met name de blauwe kiel van boeren en het hemd, gedragen tijdens de lokale carnavalsviering. In oorsprong betreft het echter twee duidelijk onderscheiden kledingstukken voor mannen, waarbij de boezeroen een onderkleed is waaroverheen nog een vest en een jas gedragen werden, terwijl de kiel juist vest en jas vervangt en het bovenkleed is van de boer of arbeidsman. In het algemeen kan gezegd worden dat het moderne woord voor bazzeloen/boezeroen overhemd is, een hemd gedragen over het onderhemd en/of de borstrok.
    - Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - We droege gin boezeroen mir, mar missiezonnekes. Èn palletoo èn kooverkookes. Dè waar ammòl vur ooverdaags.
    - Piet Maes; Het arme Weverke, doelend op de gelukzalige pater Donders; de Kandelaar , 1926-10-03; in: A.J.A.C van Delft ; Spin- en weversliedjes oud en nieuw; Utrecht, 1952 t Was maar een arm weverke in een klein huisje aan de uiterste punt van het grote dorp Tilburg. Hij zat daar aan vaders getouw in z'n gestreepte boezeroen en klabbakkerde z'n rammelende spoeltjes door het garen
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Boere-Profeet, feuilleton in 5 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-07-01 -1939-07-29 - Hij zaat er in zn boezeroen, mee de zwarte zije pet op...
  2. Cees Robben (detail Prent van de week 12 juni 1976)

    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1976-06-12 - Mee dees [mooi] weer laot ik munne borstrok en boezeroen mar is uit
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-06-22 - En denkt aon oe boezeroen...
    - Piet van Beers; Vurjaor 1989 - Mar...êens dan ist kaoj weer gedaon/ Dè is, waor we op hôope/ Dan kunde gerust den hêelen dag/ in oe Boezeroentje lôope. - Wim van Boxtel; Dn örgel; Brabants Bont, 1979 - in ons sweeks boezeroentje [in ons doordeweekse hemd]
    - Ad van den Boom; Unnen droom, circa 2005 - De straote waare vol mee wèèvers, mee galge over durren boezeroen
  3. Jan Boezeroen = de eenvoudige werkman

    - Tekening van Kis-ke (ca. 1970) knipsel uit een onbekende publicatie, mogelijk Rooms Leven/Bisdomblad). Prent en tekst behelzen het nieuwe, modern ingerichte verzorgingstehuis aan de Hoefstraat (tegenwoordig Zorgcentrum Padua) - Mar naaw kan ok Jan Boezeroen/ Ne lèèvesaovond krèège/ Himmòl apart, meej veul gerief/ En n pleej vur zn èège
  4. naam

    Etymologie

    - WNT, 1897 - Korte kiel met lange mouwen, meestal van blauw gestreept katoen of linnen; door zeelieden, sjouwers en ambachtslieden, vooral als onderkleed, gedragen. In Zuid-Nederland zijn nevens boezeroen allerlei andere vormen in zwang als boezeron, buzeron, bazeron (West-Vlaanderen), barzeloen, bazeloen (Leuven, bazeroentje (Limburg), boe(r)zelaan (Lier en Mechelen).
    - WBD III.1.3:47 boezeroen - overhemd
    - WBD III.1.3:76 boezeroentje - boezeroen
    - WBD III.1.3:97 boezeroen - borstrok
boezjievonke
  1. zelfstandig naamwoord

    bougievonken samenstelling uit bougie + vonken

    - Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus, 2 019 - Onmogelijke opdracht, bijvoorbeeld als 1-aprilgrap in werkplaatsen: - Hòlt vur mèn es en duske rôoj boezjievonke öt de graazie!!!
  2. zelfstandig naamwoord

    bofkont geluksvogel

    - WBD III.1.4:194 bofkont geluksvogel, boffer
  3. zelfstandig naamwoord

    boj, booj bode

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun en de dames; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-01-20 - ...daor kwaamp den booi en braocht nen brief
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-10-01 Nou appeteker, zee den postbooi...
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - bode boi; meervoud bois; verkleinwoord boike
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 boo, booi (scherpe o), boi - bode
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 bòj - postbode
    - WBD III.3.1:438 booi - postbode
  4. boj verleden tijd van bieje

böjkes

Illustratie: Rolf Janssen

bok
zelfstandig naamwoord

bok

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 2; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-16 - Bart zit zô vol grappen as nen bok vol keutels
- Lodewijk van den Bredevoort; (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Dè waren meense die waren nie katteliek, dè waren protestantse bokken, volgens wè ze tegen ons vertelden. Die protestanten schêene ons ôk èùt veur kattelieke gèète.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - op den bok meegaon - voor niks meegaan (kaartterm)
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 165; Nieuwsblad van het Zuiden, 1973-01-18 - Een vrouw, die pas het kaartspel rikken had geleerd, speelde een tegenspeelster, die "mezjèr" deed, "er in". Zij gaf zichzelf een compliment met de enthousiast gestelde vraag: "Is dat niet goed gestoten voor een jonge bok?" Daarbij wordt dus uitgegaan van de gedachte, dat een jonge bok ook het stoten nog moet leren. De algemene betekenis van de uitdrukking is het leveren van een prestatie door iemand, waarvan wordt aangenomen, dat hij er nog niet de nodige vaardigheid voor verworven heeft.
- H. Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003; zegsman J. Mandos sr, opgetekend Tilburg 1950 - Daor zal den bok wel eens scheef zeiken. Daar zal de bok wel eens scheef plassen. Bij een royale levenswijze zal er nog wel eens een tekort komen.
- H. Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003; zegsman A. Knegtel, opgetekend Tilburg 1950 't Erop hebbe as den bok op mieë. Er zo belust op zijn als de bok op de geit. Spreekwoordelijke vergelijking. Ergens tuk op zijn. (Mie, mietje = geit, geitje.) Varianten: 'r Erop hebben als 'n bok op 'n haverkist: ipv 't erop hebben: erop afvliegen. (Zie ook: ajvliegen.) Tilburg (Kn) *50
- WBD II:2779 - bók - karsteun (t-vormig)
bok
bökbaand
zelfstandig naamwoord

buikband

- WBD - bökbaand - buikriem (van het paard, die dient als verbinding tussen de beide strengen) (Hasselt)
bokgôoje
werkwoord

bokgooien; kinderspel

- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 104; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-03-16 - Het bokgooien geschiedde met minstens drie paren jongens. De eene moest voorover gebogen gaan staan, terwijl de ander hem schrijlings op den rug zat. Zoodoende werden dus drie of meer ruiters gevormd, die elkaar al zittend een bal toewierpen. Miste de eene ruiter den bal tijdens het opvangen, dan sprongen alle ruiters van den bok af en de bok trachtte den bal te grijpen en er den ruiter mede te raken. Gelukte dit, dan wisselden de kinderen om en mochten dus diegenen, die eerst bok stonden ruiter zijn. Een uitstekend jongensspel met gezonde bewegingen.
bokkebaaj
  1. zelfstandig naamwoord

    stofnaam (textiel); zeer grof wollen weefsel

    - WTT; aanvulling 2018 samengesteld uit baaj en de vertaling van het Engelse buck (bok) in buckskin (skin = huid)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - bokkebaaj - bukskin, wollen keper
    - Henk van Rijswijk; schriftelijke mededeling, 2013 - Bokkebaaj is geen buckskin. Het zijn bindingstechnisch gezien allebei baajen. Maar buckskin is van een betere kwaliteit wol gemaakt.
    - Gerard van Leijborgh; De laatste Tilburgsche huiswever; aan het woord Frans van Geloven; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940 -10-26 - En wat was zoo wat je eerste werk? Eerst moest ik de wever helpen om het te leeren, zooveel als bij-wever; doch spoedig deed ik het zelf en weefde toen bokkebaai, later ben ik op de buks gegaan.
    - Jan Elemans; aantekening in zijn nagelaten handschriften, gedateerd 5 oktober 2013 - Toen ik jaren 50 in Nijmegen afstudeerde (...) ontmoette ik daar een meisje uit de Tilburgse textiel. Ik vroeg haar naar het mooiste woord uit hun lapjestaal. Dat had ze voor de grofste, slechtste kwaliteit: bokkenbaai. Een mensenleeftijd later loop ik haar weer tegen het lijf. Ik voel aan haar jasje: bokkenbaai! Dat ik dat nog weet! Ze beloont me met ng een woord, voor de mooiste, duurste, beste, zachtste kwaliteit: nonnenbuik.
    - WBD II.4 - Van Dale zegt bij bokkebaai grove wollen stof. De respondent van K 183 (Tilburg) stelt bokkebaai gelijk met bukskin.
  2. naam

    Nieuwe Tilburgsche Courant - 31-12-1915

    - WBD II.4:858 - De respondent van K 183 (Tilburg) zegt dat bukskin behoort tot de herenstoffen. Grothe spreekt van bukskin
    - Van Dale - bukskin (buckskin) - Sterke gekeperde stof van heel of half wol, aan één kant geschoren.
    - WNT - bukskin
    - Van Dale, 1914 - buckskin (Engels bokkevel), bukskin - algemene benaming voor gevolde, bovendien een weinig geruwde strijkgaren herenstoffen, welke dikwijls geheel of ten dele uit kunstwol zijn samengesteld,
    - Winkler Prins Encyclopedie; 1949 - Van de kettingkepers bij kaard-garenweefsels behooren vermeld te worden de onder verschillende benamingen voorkomende bukskins en kasimiren
bokkeg
naam

tochtig, bronstig, hitsig

- WBD tochtig; gezegd van een geit
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bókkig 1. tochtig, ritsig; van geiten gezegd; 2. van personen; zich gedragende als een bok, namelijk norsig, koppig
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bokkig - tochtig, sprekende van geiten; pruilend; die moeft, kopt, het hoofd omdraait om u niet te moeten groeten
bokkesprong
zelfstandig naamwoord

bokspringen; kinderspel

- Interview echtpaar Staps, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Èn, èn bokkesprong èn, èn jè, hoe ist schèrke sliep! Hè, hè!
bökpènt
zelfstandig naamwoord

buikpijn

- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - ik krèèg bökpènt van oew gezêever - ik krijg buikpijn van je geklets
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bökpènt
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1967-08-04 - Buikpent menneke..?! - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1984-11-02 - Ik heb bökpent moeder Dan bidde mar tot Sinte Piet det vur oew gat schiet...
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - Zôo wè iederéén rolde bekaant van zenne stoel, van et laage. Bökpènt han wer van gekreegen.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - buikpijnt l. buikpijn; een synoniem is pänspent; 2. hartzeer, chagrijn, spijt; hij zal er wel bökpent af hebbe
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bökpènt - buikpijn
boks
zelfstandig naamwoord

broek A.J.A.C. v an Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 111; Nieuwe Tilburgsche Courant; 1929-04-27 - Een broek wordt ook hier evenals in meerdere streken wel een boks genoemd.

bökske
zelfstandig naamwoord

buikje

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - om de bolle bùkskes, de spin viel op dr bùkske
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-10-07 - Doede gij oew bökske deugd...
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 boekske bökske
- WBD III.1.1:123 - bökske - buikje
bokstaopele
werkwoord

in kennis stellen, duidelijk maken, boekstaven, inprenten, mogelijk ook opstoken, uitdagen (zie Hein Quinten) bokstaopele bokstaopelde - gebokstaopeld

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1965-02-11 k heb zat meense gebokstaopeld mar t is nie gelukt - ik heb veel mensen in de arm genomen...
- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, uitgave in eigen beheer, circa 1990 - We zun dun dieje us efkus bokstaopele...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - op de hoogte brengen
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2009-08-12 - As ge dè zôo nie begrèpt, zakket oe wèl es aanders bokstaopele - ...op andere wijze aan het verstand brengen. (verwant met boekstaven)
- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - boekstapelen, inbokstapelen, bokstapelen - inprenten
bökzuur
zelfstandig naamwoord

maagzuur Paul Spapens e.a.; Goedgetòld, Diksjenèèr van de Tilburgse Taol, 2004 - daor krèèg ik et bökzuur van

bökzuut
  1. naam

    Johannes van Dam: Peren rotten vaak van binnenuit. Vanbuiten zie je niks, maar het hart is bruin. Buikziek noem je dat. Als een peer eenmaal rijp is, rot hij trouwens ontzettend snel. (...) Dat dat voor een peer geldt, en niet voor een appel, heeft een duidelijke oorzaak. Stel dat u een vrucht in handen heeft en u weet niet of het een appel of een peer is. Wat doe je dan? Je gooit hem in een bak water. Blijft hij drijven, dan is het een appel. Zinkt hij, dan is het een peer. Dat komt omdat een appel kleine luchtblaasjes heeft, die hem lichter dan water maken. Daarom knapt hij als je erin bijt, drijft hij en kunnen bacteriën zich niet zo gemakkelijk in een appel verplaatsen. Een handpeer is een en al sap en knapt niet. 'Peren en vrouwen die niet en kraken / Die acht men allerbest te smaken.' (Cats) (De Dikke van Dam, 2005)

    - Frans Debrabandere; Etymologisch Brabants woordenboek, 2010 - buikzoet, buikzuut, bukzuut, bokzuit, buikziek, overrijp, half rot (fruit); Volksetymologisch uit Middelnederlands buucsocht (buikziekte); buucsuchtich (buikziek)
    - WBD III 3.1.2 - De uitdrukking buikzoet maken geeft mogelijk het gevolg van het blutsen van fruit aan. Vergelijk Van Dale buikziek; van vruchten, aangestoken, half verrot.
    - WBD III 2.3 - overrijp - buikziek
    - WNT - buik - buikzoet van vruchten, overrijp, beursch - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - dieën appel ies bekzuut - die appel is buikzoet
    - Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.
  2. naam

    buikzoet, overrijp, beurs, melig

bòlaaj
zelfstandig naamwoord

kinderspeelgoed

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - bollaai steenenbal; kinder speelgoed
bòldere
werkwoord

- WBD III.3.1:389 bolderen - hotsen (zachtjes schokken op een hobbelige weg)
bòlderkèèr
zelfstandig naamwoord

bolderwagen, bolderkar

- Lowie van Dorrus Misters; Onze Tilburgse folklore, aflevering 2; Tilburg had een respectabele lijst; Nieuwe Tilburgsche Courant 1954-02-04 - Zoals deze (voerlieden) hadden ook meestal de anderen voor hun speciale vrachten geschikte vervoermiddelen. Een der meest bekende was o.a. de bolderwagen met laagliggende bodem, zodat de gewoonlijk zware vrachtstukken niet hoog behoefden te worden getild.
bòlderwaoge
zelfstandig naamwoord

bolderwagen, bolderkar

- Lowie van Dorrus Misters; Onze Tilburgse folklore, aflevering 2; Tilburg had een respectabele lijst; Nieuwe Tilburgsche Courant 1954-02-04 - Zoals deze (voerlieden) hadden ook meestal de anderen voor hun speciale vrachten geschikte vervoermiddelen. Een der meest bekende was o.a. de bolderwagen met laagliggende bodem, zodat de gewoonlijk zware vrachtstukken niet hoog behoefden te worden getild.
bòlle
werkwoord

met een bal spelen bòlle - bòlde - gebòld

- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - voetbòlle, handbòlle
- WBD III.3.2:124 - bòlle, katsele - ballen, met de bal spelen
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bollen - met eenen bol spelen; kegelen; dobbelen
bòllefrutte
werkwoord

ballenfrutten, het vervaardigen van onder andere kaatsballen in Goirle

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 03 15 - Ze zegge dè 'ne Gòòlse meens / Z'n neus zelf nie kan snutte / En dèsse daor d'n gaanse dag / Niks doen as bollefrutte.
bòllegôoj
zelfstandig naamwoord

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Dès mar ene bòllegôoj Dat is maar op een steenworp afstand.
bölleke
werkwoord

bulken, een boer laten, kokhalzen, oprispen

böltje
  1. zelfstandig naamwoord

    papieren zak, buil

    - Voorbeeld op systeemkaart Wil Sterenborg - hij leest de bèùle van Brónsgist - hij weet van niks [want die bèùle waren onbedrukt]
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-02 - Zède getrouwd dan wordt dè netuurlijk n moeilijker geval mar dr is toch ôk wel n mouw on te paassen. Ge brengt [van de kermis] vur oe vernomste helft van oe trouwbuukske bij zon gelegenheid nen buil stroopmoppen of n paor kwattas mee; dè is n veul beter remedie tegen onweer as nen bliksemafleijer: de bui drijft over zonder dè-get rommelen heurt!
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-09 - ...mn stukske, dèk mee n nuuw pen op nen schoonen gladgestreken buil geschreven hô...
    - Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 [In de tabakswinkel wordt een zak tabak achterover gedrukt] Mar dan laag der n bèùl tabak of tien, mar dan han ze wèl zolang gewèrkt dètter êene op der voete laag die vur de tonbank ston... Èn dan, hè, nie bij Susse mar bij die jonges dan, hè. Èn dan ten liste begonne ze zowè te stoeje èn dus zètte ze de deur oope èn dan schuptenie dieje bèùl tabak nòr bèùte!
    - H. Mandos & M. Mandos-van de Pol; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1966 - De buil van De Gruyter lezen. Het zakje van De Gruyter lezen. 1. Een sufferd zijn; 2. erg geleerd doen maar weinig weten; 3. oud nieuws vertellen. (Vroeger vouwde men de builen van krantenpapier.) Varianten: ipv De Gruyter: Hettema, Ebben, Bronsgeest; ipv buil: tabaksbuil; ... aan de binnenkant lezen; De kolenbak gelezen hebben.
    böltjeböltjeböltjeböltje
  2. Ferry van de Zaande-sticker -2013

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - meer bèùl as tebak (gezegd van iemand die verwaand is)
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Zullie wogen et dan aaf en deeje et in un papieren böltje.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Bekaant alles moes in enne bèùl geschept worre en afgewogen.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? deel 1, 2006 - Onze vadder meej enne grôote bèùl vol snoep vur de thösblèèvers
    - Tony Ansems; cd Tilburgse Liekes American Style 2; Drie koningen, 2009 - We zongen en we kwamen thuis/ Meej ene hele buil meej snoep...
    - Tony Ansems; cd Tilburgse Liekes American Style 2; t Willeminapark, 2009 t Laag vol meej papier, en peukies/ En halve böltjes friet...
    - WBD III.1.2:376 buil - bloeduitstorting
    - WBD III.1.2:376 bult - buil
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - buidel ... zelfs gebruikt men het alhier wel voor een papieren zakje
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bùil - papieren zak
bombakkes
zelfstandig naamwoord

masker, mombakkes afstandsassimilatie van plaats; m>b

- WBD - III.3.2:284 - bombakkes, mondbakkes - masker
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - mombakkes, een andere variant is mondbakkes
bomberaaj
  1. zelfstandig naamwoord

    bombazijn, sterke geweven katoenen of linnen stof

  2. zelfstandig naamwoord

    J.T. Bonthond; Woordenboek voor de manufacturier, 1947 - Bombazijn. Aan de achterzijde geruwd weefsel van sterke katoenen garens, geweven in 5-bindige inslagsatijn of 8-bindige dubbelsatijn. Toepassing op werkmanskleeding. Ook moleskin (mollevel), pilow of Engelsch leer en kalerug geheeten.

    - IDEM - zekere geweven stof, oorspronkelijk bestaande uit zijde, of uit zijde, kemelshaar en katoen; later ook uit ketting van zijde en inslag van kamgaren, of geheel uit kamgaren vervaardigd;
    - Kuyper; Technologie 2 - Tegenwoordig hier te lande (althans te Leiden); een plat weefsel, bestaande uit ketting en inslag van katoen, dat veel gebruikt wordt voor voering, werkmansondergoed enzovoorts. In de algemeene taal wordt echter niet zelden de naam bombazijn ten onrechte gegeven aan de stof waarvan werkmansbroeken gemaakt worden (pillow).
bombezaaj
  1. zelfstandig naamwoord

    bombazijn, sterke geweven katoenen of linnen stof

  2. zelfstandig naamwoord

    J.T. Bonthond; Woordenboek voor de manufacturier, 1947 - Bombazijn. Aan de achterzijde geruwd weefsel van sterke katoenen garens, geweven in 5-bindige inslagsatijn of 8-bindige dubbelsatijn. Toepassing op werkmanskleeding. Ook moleskin (mollevel), pilow of Engelsch leer en kalerug geheeten.

    - IDEM - zekere geweven stof, oorspronkelijk bestaande uit zijde, of uit zijde, kemelshaar en katoen; later ook uit ketting van zijde en inslag van kamgaren, of geheel uit kamgaren vervaardigd;
    - Kuyper; Technologie 2 - Tegenwoordig hier te lande (althans te Leiden); een plat weefsel, bestaande uit ketting en inslag van katoen, dat veel gebruikt wordt voor voering, werkmansondergoed enzovoorts. In de algemeene taal wordt echter niet zelden de naam bombazijn ten onrechte gegeven aan de stof waarvan werkmansbroeken gemaakt worden (pillow).
Bond
zelfstandig naamwoord

de vakbond

- Interview met de heer De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Toen is den Bond gekoome! Toen hèb ik daor men eige vur gespanne... vur den Bond!
bonk
zelfstandig naamwoord

Belgisch (trek-)paard

- WBD - zwaar paard (Hasselt); ook genoemd zwaore
- WBD III.4.4:221 - bonk - iets groots in zijn soort
- WBD III.3.2:101 bonken - knikkers laten stuiteren
bonnefooj
samentrekking

bons

- Reflector, in weekblad Groot Tilburg, 08-12-1944 - In de titel van een wekelijks column: Bons, Bùllie en Gienderwèt.
bòntje
  1. zelfstandig naamwoord

    1. baan, weg

    - Cees Robben; Prent van de Week, 1960-11-25 - De steekes langs de groote baon
    - WBD III.3.1:396 baan heerbaan; grote, brede weg; ook genoemd: dijk
    - WBD III.3.1:397 baan - openbare weg
    - WBD II:983 - laojbaon - ladebaan (van de weefspoel); ook laojvlakte
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - baon - baan 1. de grote weg; 2. een strook van enige meters breedte over het veld.
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - baan - openbare weg die niet gekasseid is; ook pad of spoor; ook tamelijk brede aardeweg, waar men met eene kar kan rijden
    bòntjebòntjebòntjebòntjebòntjebòntjebòntjebòntjebòntjebòntje
  2. 2. baan, betrekking

    - Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? stadsbaontjes [een niet al te inspannende betrekking]
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1975-01-16 - Ik zuuk nog aaltij n baon van s merreges vrij en s middags nie hoeven te komen en salaris over de giro.
  3. zelfstandig naamwoord

    baantje

    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - baantje - betrekking, bediening
bontje
zelfstandig naamwoord

boontje

- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - booterbóntje, slaojbôon
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1977-08-05 Vrouw, de bontjes zen nie gaor...
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1976-08-20 Vur tien guldes zaoigoed gekocht... En één boontje geplukt...
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - bonen en erwten veroorzaken winden
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - aanstellerig ze verkopt beuntjes
- WBD III.1.4:87- heilig boontje - huichelaar
- WBD I:1417 - bontjes (boontjes)
- WBD III.2.3:83 boterboontje prinsessenboon; ook boontje
- WBD III.2.3:85 - boterboon - kievitsboon
bontje
boog
zelfstandig naamwoord

boog, bocht

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - enen boog (draai) en boog (schiettuig)
bôog

verleden tijd van bèùge boog

- Dirk Boutkan & Maarten Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bogde/ boogde (met of zonder vocaalkrimping)
boogerd
zelfstandig naamwoord

boomgaard

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - ...mee waoter en boogerden...
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Wij gingen meej den boogerd in, gevallen ôogstappels raope.
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2009-04-05 - De kènder spulde bij den boer in den boogerd bumkeverwissele.
- WBD III.2.1:461 - boogerd - boomgaard
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bogaard, bogerd - boomgaard, boogaard
- WNT - boomgaard - Reeds in het Middelnederlands bijvormen als boongaert en bogaert, die ten deele met verzwakten klemtoon voortleven in bongerd en boogaard, boogerd (in verschillende, vooral Zuidelijke gewesten).
boolus
zelfstandig naamwoord

spiraalvormig zoet broodje met suiker en kaneel; drol

- WBD III.2.3:197 bolus wittebroodje
bôom
zelfstandig naamwoord

boom; werktuig verkleinwoord bumke; meervoud meestal bôome maar ook bôom en nog vroeger bêûm

bôome
werkwoord

vocaalkrimping in tegenwoordige tijd (gij, hij, gullie bomt) in de verleden tijd en in voltooid verleden tijd

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 bôome - breedvoerig praten, bomen
bôon
zelfstandig naamwoord

boon

- Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant 1959-03-19 - in de bonen zijn - verstrooid, verward zijn; zn positieven niet bij mekaar hebben
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Vrèmde kòst, 2009 - Gif mèn mar wèk hier gewènd zèè,/ ene goeje vètte pòt./ Zuurkôolstamp òf brèùne bôone.../ Èn n nutje toe... tòt slòt.
- Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - erten en boone
► <span style="font-family:"Garamond","serif";
bôonstaok
zelfstandig naamwoord

boonstaak, bonenstaak

- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 109; Nieuwe Tilburgsche Courant; 1929-04-13 - n Goed kastelein moet boonstaken op zn kop kunnen laten scherpen - Een herbergier moet veel over z'n kant kunnen laten gaan. Hij moet zich veel kunnen laten zeggen zonder kwaad te worden.
boor
zelfstandig naamwoord

- WBD II:2714 - slangeboor slangboor; érwimboor - irwinboor
- WBD II:2716 - sefréémboor soevereinboor
boorbaand
zelfstandig naamwoord

boordband, lint om te boorden

- WBD II:1086 boorband - boordband
boordeknupke
zelfstandig naamwoord

boordenknoopje

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1965-02-11 - As ik echt op mn gemak ben, gao ik in mn boordeknupke zitten; de boord los doen en er zijn gemak van nemen.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-03-19 - As ik echt op mn gemak ben zit ik tliefst [sic] in mn boorde-knupke... [De prent toont een man die op de wc aan het lezen is]
boore
werkwoord

boren, boorden in tegenwoordige tijd vocaalkrimping bij gij bórt, daarentegen hij boort

- Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - bore - boren
- WBD - II:l238 - bóóre - boorden, omboorden
- Willems; Dialectenquête, 1887 - boore - bórde - gebórd
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - boorden - van kleedingstukken; een rok boorden
bôot
zelfstandig naamwoord

boot

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - die stapten in den bôot
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? bótje
- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - èngelaand lòt veul aaw bôote afbreeke
booter
  1. zelfstandig naamwoord

    boter

    - Rudolph van Veen; Interview Brabants Dagblad, 2013-12-14 - Als kind vroeg ik om vijf kilo boter om een beeld te maken. Mijn moeder had kinderklei kunnen kopen, maar ze kocht twintig pakjes goei boter.
    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant 5; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-7/14 - Witte wè ze bij ons schaand noemen? Zelf goei boter eten en oe kender margerine geve!
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - margarine, in tegenstelling tot goej booter (roomboter)
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - booter - boter, goej booter - roomboter
    booter
  2. zelfstandig naamwoord

    booterbrökske

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - botercaramel (koosnaam)
    - WBD III.2.5:248 - boterbrok(je) - boterkussentje, ook boterpik
  3. werkwoord

    bootere bootere - booterde - gebooterd Boerin tijdens het 'bootere' aan de karnton

    - Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1966 ne stuiver melk en niet geboterd, iets zonder moeite bereikt
    - WBD - karnen
    - WBD III.l.4:338 boteren - gelukken
booter-stèfke
  1. zelfstandig naamwoord

    karnstaf

    - WBD karnstaf; stok met cirkelvormige, van openingen voorziene plank, die in de karnton op en neer bewogen wordt, ook genoemd booterstèfke, staf, stèfke
    booter-stèfkebooter-stèfke
  2. Onbekende schilder

booterkwikke
zelfstandig naamwoord

oud kinderspelletje; elkaar optillen, ruggelings

- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 booterkwikke, bootere; spelletje
booterkwikke
Bootermans
zelfstandig naamwoord

Botermans

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 5; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1964-05-30 - De heer Botermans dreef destijds het voornaamste hotel van Tilburg, namelijk De Gouden Zwaan, dat aan den Heuvel stond, daar waar zich nu de Hema bevindt. Zijn dochter trouwde met een kelner uit de zaak, een verbintenis, die de openbare mening nogal als een waagstuk beschouwde en dit - klein en dorps als de samenleving hier was - niet onder stoelen of banken stak.
- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend Tilburg 1977 - Botermans Botermans waagde z'n dochter wel, en dè was zo'n kostelijk paand. Botermans waagde zijn dochter wel, en dat was zo'n rijk bezit. Aanmoediging als iemand een beslissing moet nemen in een onzekere aangelegenheid. (Botermans was de gegoede eigenaar van Hotel de Zwaan in Tilburg. Hij gaf zijn enige dochter ten huwelijk aan een zekere Knegtel, pottenbakker uit Bohemen.)
booterschèèf
  1. zelfstandig naamwoord

    - WBD - deksel van de karnton
  2. Afbeelding uit: Kroniek van de Kempen

booterstaand
  1. zelfstandig naamwoord

    karnton

    - Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - boterstaand - karnton
    - WBD - karnton, ook genoemd booterstand, staand, booterton
    - WNT - boterstande - hoog, smal vat waarin de boterstooter op en neer bewogen wordt; hetzelfde als boterkarn.
    booterstaand
  2. Afbeelding uit: Kroniek van de Kempen

booterstaf
  1. zelfstandig naamwoord

    karnstaf

    - WBD karnstaf; stok met cirkelvormige, van openingen voorziene plank, die in de karnton op en neer bewogen wordt, ook genoemd booterstèfke, staf, stèfke
    booterstafbooterstaf
  2. Onbekende schilder

booterton
zelfstandig naamwoord

karnton

- WBD - karnton, ook genoemd staand, booterstaand, booterstand; karnmolen
booterton
boove
  1. zelfstandig naamwoord

    boven

    - Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - Ak nòr den boove gao
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-06-19 - As de mieter naor boven... want gij brengt er het brekspul in...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Zèè de den boove òn ut doen? Ben je boven bezig?
    - WBD III.2.1:76 - den boven - bovenverdieping
    - Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 boven, bo:ve - het bovenhuis
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bovenverdieping, bovenhuis, bovenkamer; de meid is bezig met den boven te schuren; op nen boven wonen
  2. voorzetsel

    2. bijwoord boven; op het politiebureau aan de Bisschop Zwijsenstraat in Tilburg, onderdeel van het oude stadhuis. In meer algemene zin ook de ambtenarij en de regering

    - A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-20 - Vroeger mossen de zatlappen boven kommen bij den commesaar en als zij dan boven (op het stadhuis) waren geweest wieren ze dr onder gezet (in de gevangenis).
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1962-04-06 - Den Sjarel moes boven-komen... En tèènemekaare dr onder... [De cellen waren blijkbaar onder het politiebureau gelegen.]
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 01 08 - 't Is allemol bezuinige, / Wègge van booven heurt...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Zèè de naa pas boove zonk? - Ben je nu pas boven water (uit bed)?
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Dè-s boove mun heup! - Dat ligt boven mijn vermogen!
  3. 4. samenstellingen met diverse betekenissen

    - WBD - boovenèrm, boowvenèèrem (Hasselt) - bovenbeen van een paard
    - WBD II:1002 - boowvedèksel, boowvelat - deksel van de effenaar
    - WBD II:1019 - boovespròng bovensprong; bij weefgetouw
    - WBD II:1047 - (de ketting/de inslag) wèrkt boove, leej boove - bovenwerken
    - WBD II:911 - boowvekaant - bovenkant (van het weefsel)
    - WBD III.2.1:67 boovelicht - waaier, bovenlicht; venster boven de huisdeur
boovemoerdèkse
zelfstandig naamwoord

iemand van boven de Moerdijk, noorderling

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 boovemoerdèkse - iemand van boven de rivieren, noorderling
boovene

boven; alleen in combinatie met onder

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-02-09 - Mar Sjarel, wè sieder toch uit! Van onder tot bovene onder de slèk! Waor hedde toch ingezete menneke?
boovenèèrms
bijwoord

met omhooggestrekte armen; figuurlijk bovenmatig

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 bovenarms (bovenèèrms) - met de armen hoog geheven om uit te halen, met veel inspanning of enthousiasme; ook in hoge mate hij stötte bovenèèrms - hij was zeer uitbundig in zijn lof
- WBD - boovenèrm, boowvenèerem - bovenbeen van een paard (Hasselt)
boovetèùg
zelfstandig naamwoord

overleer van een schoen

- WBD II:671 - overleer, het betere, fijnere leer voor de bovenzijde van schoenen, of het deel van de schoen daarvan gemaakt
- WBD II:712 - het bovenste gedeelte van de schoen
bordje
zelfstandig naamwoord

boordje

bòrdje
zelfstandig naamwoord

baardje, bordje, schoteltje

- WBD III.2.1:188 bordje - schoteltje
bòrduure
werkwoord

borduren

- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend Tilburg 1960 - Aan je kont geborduurd. Dat kun je net denken.
börg
zelfstandig naamwoord

borg

- Kernkamp; Dialectenquête, 1879 burg; met doffe u, vergelijk mulder, putje (potje)
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - börg - börg veur iemand of veur iet spreken - er borg voor staan, er voor instaan.
börgemister
  1. zelfstandig naamwoord

    burgemeester

    - Piet van Beers; Het zeventiende boekje; Zoveul agger nôodeg hèt, 2010 - Der zulle nog mar wèèneg meense zèn/ die Den Harrie hèbbe gekend./ Hij liep as enen Börgemister rond./ Ene groote strèùse vènt.
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - den burgemister vaan t durp
  2. 2. uitdrukking

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - hij mòkten ur verschaajene börgemister - hij maakte er nogal wat soldaat
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dan za-k oe us börgemister maoke - dan zal ik je eens bij je kruis pakken
  3. 3. bijnamen

    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den börgemister van den Haajkaant - Drik van Dyk
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den börgemister van den Bèsterd - Leo Geerts
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den börgemister - Huub v.d. Eerden
  4. Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.

börger
zelfstandig naamwoord

burger, burgemeester (en dan altijd met den)

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe dokter, feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-01-27 - 1940-02-17 - En den burger is hier onze overigheid, dus hij moet iets doen...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 01 18 - We hebbe 'ne Geminte-raod / Om d'n börger te diene
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - den börger - de burgemeester
- Henriëtte Vunderink; k Zal van oe blèève haawe; Lintjesrèège, 2007 - Ieder jaor, rond de verjòrdag/ van onze Kôonegin,/ wòrren er dur den Börger/ hil wè lintjes opgespèld. ...
- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Karneval. We hèbbener jaore op moete wòchte, mar toen mogget van den börger.
- WBD III.1:323 - burger, burgervader - burgemeester
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 burger, börger 1. iemand die geen boer is; 2. burgemeester
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - borger (uitspraak börreger) - burger
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - börger - burgemeester
börgerbörger
börgermeens
zelfstandig naamwoord

zelfstandig naamwoord burgermens, gewone burger; hier leek (in tegenstelling tot priester)

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Naa gao ene börgermeens... die doe zonne, zonne toog aon èn die gao in de kèrk stòn te preeke! Pestoors hèbbe ze niemer nôodeg! Klik hier voor audiofragment
börgervaojer
zelfstandig naamwoord

burgervader, burgemeester

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? burgervaojer
- WBD III.3.1:323 - burgervader, burgervaaier - burgemeester
bòrrel
zelfstandig naamwoord

borrel

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 104, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-07-02 - Een oude Tilburger, die van vroeger zat te verhalen, toverde onbewust een sprekend beeld te voorschijn toen hij vertelde, dat Jantje Marinus voor zes cent een borrel schonk "waar ge mee twee ogen in kondt kijken". Niet te vragen hoe groot die borrel wel was. En ook niet hoe lang geleden. Dat kan alleen maar vóór de eerste wereldoorlog geweest zijn. "Jantje Marinus" was in die dagen en ook nog wel later een nu afgebroken middenstandscafé op de hoek van het straatje van Bronsgeest naar het Piusplein, achter de Heikese kerk.
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2006-01-25 - den dieje tapt en borreltje zonder vergunning - hij snuit zijn neus zonder zakdoek, door een neusgat dicht te houden
bòrsel
zelfstandig naamwoord

borstel

- WBD III.2.1:290 - bòrsel - borstel, afwasborstel; ook boender
- WBD III.2.1:305 - bòrsel - kleerborstel
- WBD III.1.3:270 borstel - haarborstel; ook 'weerborstel
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bòrsel - borstel
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - börstel (uitspraak böstel)
bòrsele
werkwoord

borstelen, nabewerking van een weefsel bòrsele - bòrselde - gebòrseld

- WBD II:1056 - bòrsele - borstelen (nabewerking weefsel)
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bö(r)stelen vechten; ze begosten te bö(r)stelen
bòrske
  1. zelfstandig naamwoord

    baars

    - WBD III.4.2:92 - baars - baars (perca fluviatilis)
    - WBD III.4.2:92 - baarske - pos (gymnocephalus cernua), ook genoemd pos, schele jood of koolbaars
  2. zelfstandig naamwoord

    baarsje

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 bòrske - baarsje
bòrstig
bijwoord

geweldig, danig

- Anoniem; Een roestpraatje; Van de Schelde tot de Weichsel , deel 1, 1882 - Want vruug geweeterd zulle ze [de biggen] stug zèn en borstig goed slabbe [drinken].
bòrstròk
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 bòrstròk - borstrok, gebreid hemd
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Juffer, ge hè-g-ut ok lillek op oewen bòrstròk - Juffrouw, je bent flink verkouden.
- WBD III.1.3:98 borstrok - onderhemd; ook kamizool
- WBD III.1.3:96 borsok - borstrok
bos
zelfstandig naamwoord

bos; groep bomen; plant met van de grond af houtige takken (struik); bundel samengebonden groenten of bloemen

bosbeezie
zelfstandig naamwoord

bosbes, vossenbes

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bosbezie - bosbes
bosdèùf
zelfstandig naamwoord

houtduif

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 bosdööf - houtduif (columba palumbus)
bòske
  1. zelfstandig naamwoord

    baas, baasje

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - Baos melwurm, as g'em op z'ne kop trapt, is ie dood. Baas meelworm, als je hem op zijn kop trapt, is hij dood. Zo'n baas heeft niet veel gezag. De meelworm is een in oud meel voorkomende larve van de meelton.
    - Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - ze zijn nog den baos; zèn dees aajer vòrs, baos?
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1981-11-13 - Ik ben thuis den baos.. , mar aster naauwt is ons vrouw den baos;... mar as ter naauwt en wedernaauwt, dan ben ik den baos...
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1981-01-30 En ik zèe dees jaor feftig jaor stikkedoor bij een en de zelfde baos...
    - Interview met De Kok, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Den baos die maag nie iem den baos, om zen nèk geeve int bijzèèn van zen pèrseneel!
  2. zelfstandig naamwoord

    baasje, kereltje

bosse
  1. werkwoord

    slaan, ranselen

    - Voorbeeld op een systeemkaart Wil Sterenborg - der flink onder bosse - rigoureus de orde herstellen
    - Informant Ad Vinken, ca. 1980 - klappen uitdelen
    - Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 1945-05-18 t Wordt méér dan hoogen tèd, Karel, detter is flink onder wordt gebost.
    - WBD III.1.2:30 bossen - slaan; ook: naaien, ertegenaan peren, een labbezoet geven
    - WBD III.1.2:62 - eronder bossen als bovenstaand
  2. vruchten uit de boom schudden of van de takken slaan

    - Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - prèùme bosse - pruimen uit de boom schudden
    - Luciën; Herinneringen uit mijn artistenleven; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1933-09-09 Zeg Sjijn, witte woar lekkere appeltjes groeien, en zó suut? Ik heb er een poar afgebost over de heg, mar lekker, jong! zei eens onze Vic. [Luciën was een in Hilvarenbeek geboren humorist en conferencier]
    - WBD III.2.3:l60 - bossen - appels van de boom schudden
    - WBD III.2.3:185 - bossen - noten afslaan; ook aframmelen, afranselen
Bosse rèès
zelfstandig naamwoord

bössem
zelfstandig naamwoord

bunzing

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 81, Nieuwsblad van het Zuiden 1969-06-06 - Van de roemruchte Tilburgse blauwsloten kon vroeger gezegd worden, dat ze "stonken as 'nen bössum" (bunzing) - ook al bestaat er geen overeenkomst tussen beider geuren. Daar ging het dan ook niet om, maar wel om met een krachtig beeld de afschuwelijkheid van de geur "reukbaar" te maken.
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - bössem bunsing
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - bössem [ironische koosnaam] t is zòne lieven bössum
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bössem - bunzing
- WBD III.4.2:51 buisem - bunzing, fis (mustela putorius)
- WBD III.4.2:52 - buisem (Korvel) - fret (mustela furo)
- WBD III.4.2:54 buisem - marter (martes foina), ook genoemd steenmarter, fluwijn, fretje, fret, eierwezel
- WNT bunzing; de vormen op -ing staan tegenover die op -em als bokking tegenover bokkem
bösseme
werkwoord

stinken

- WBD III.1.1:255 buisemen - stinken
böstel
zelfstandig naamwoord

afvalproduct bij het brouwen van bier

- Lowie van Dorrus Misters; Onze Tilburgse folklore; De brouwerij van vroeger, aflevering 9; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1951-08-01 - Het voornaamste hiervan was de bostel, meestal genoemd buistel. Dit was het overschot van de gemalen of geplette mout, nadat de wort (dit is de benaming voor het aftreksel van de mout) er af was. Deze buistel werd afgehaald door boeren, vooral voor melkvee. De boeren kregen bericht welke dag er gebrouwen werd en wanneer ze dan aan de brouwerij moesten zijn. Van de mouterij werden als veevoeder verkocht de gedroogde en afgemalen moutkiemen.
bot
zelfstandig naamwoord

laars

- WBD III.1.5:228 - bot - laars
botje
zelfstandig naamwoord

bootje, botje

- WBD III.3.1:425 - bootje - boot
botram
  1. zelfstandig naamwoord

    boterham Jan de Bray - Weeskinderen in een weeshuis in Haarlem- 17de eeuw

    - Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - moederke, wilde nen botterham smeere?
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, - nen botteram smeren
    - Piet Heerkens; Dn örgel; Scheeresliep, 1938 Moederke, wilde nen botterkam smeere? / Heur is: mn maog klept den engel des heeren!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - En wèn gezicht! Is oewen boterham in et zaand gevalle?!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den jongen dokter, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-04-22 - 1939-05-08 - Toen ie n botterham of drie-vier op ha...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - Den Sik ha zn botterhemke deurgeslikt...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 05 14 - 's Aoves bij d'n botteram / Krèègde èèn schar mee tweeje / Gin meens ha't rèk in dieje tèd / Mar we waare tevreeje. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 09 16 - Die meense, och, ge kent ze wel, / Vertellen ok zò gère / Dèsse op dre botteram / Allèèn goei boter smèren.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 82 01 07 - 't Vurrig jaor was nie zó slècht / Al viel wel is wè teege / We hebbe ammol nog op tèd / 'nen Botteram gekreege. - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1973-04-09 - As ge vèftig geworre zèt, hedde oewen grôtste botterham op
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - dè hek echtig nie gedaon, krûîske sterven en honderd duuzend èzere botterhammen eten
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch leven, 1965-10-22 - Mar t is taovend wir niks toe den botteram... [vanavond op droog brood naar bed]
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-03-19 - Hij heej munne botteram in t waoter gegooid... Zôô-zôô... En meej opzet... Nèè meneer, meej zult...
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 101, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-05-08 - Een eed mag men niet lichtvaardig afleggen, maar het is wel mogelijk op een andere manier nadrukkelijk te onderstrepen, dat men de waarheid spreekt of het bij het rechte eind heeft. Bijv. "Als dat nie klopt, vreet ik mijn pet op!" Kinderen hadden daarvoor weleer een andere vocabulaire. Zij zouden in het onderhavige geval: "kruiske stèèrven" of "honderd duizend ijzeren boterhammen opeten" en nog zo'n paar van die krachttoeren uitvoeren, welke we vergeten zijn.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 110, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-10-03 - Is een zaak of situatie zoals zij behoort te zijn, valt er geen omissie, gebrek of tegenspraak te ontdekken, dan kan de Tilburger voldaan constateren: "Het klopt als twaalf aaieren (eieren) mee 'nen mikken boterham". (Mik is wittebrood). Wij voor ons zijn op het eerste gezicht geneigd te denken, dat dit een nogal ongewone maaltijd betekent en dat het derhalve helemaal niet klopt. De gedachte zal hier derhalve wel uitgaan naar een stevige maaltijd. Als zodanig is het dan wel wéér in orde. Het is: "dikke mik!"
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Smòrges brôod, ene botterham, hè, meej en bietje sèùker derop
  2. zelfstandig naamwoord

    - Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 2007 - ...waor ze deren èège botram meej kunne verdienen
    - Informant Ad Vinken - hónderdduuzend èèzere bótramme eete - kröske stèèrve
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1879 nen botteraam
    - WBD III.2.3:41 - boterham uit de hand - namidag maaltijd
    - WBD III.2.3:205 boterham - snede brood
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 botram - boterham
    - Goemans, Leuvens taaleigen, 1936 - boterham - be:teram of be:tram
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 boterham (uitspraak boteram); botterham (uitspraak botteram) - boterham
botramme
  1. zelfstandig naamwoord

    boterham Jan de Bray - Weeskinderen in een weeshuis in Haarlem- 17de eeuw

    - Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - moederke, wilde nen botterham smeere?
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, - nen botteram smeren
    - Piet Heerkens; Dn örgel; Scheeresliep, 1938 Moederke, wilde nen botterkam smeere? / Heur is: mn maog klept den engel des heeren!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - En wèn gezicht! Is oewen boterham in et zaand gevalle?!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den jongen dokter, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-04-22 - 1939-05-08 - Toen ie n botterham of drie-vier op ha...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - Den Sik ha zn botterhemke deurgeslikt...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 05 14 - 's Aoves bij d'n botteram / Krèègde èèn schar mee tweeje / Gin meens ha't rèk in dieje tèd / Mar we waare tevreeje. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 09 16 - Die meense, och, ge kent ze wel, / Vertellen ok zò gère / Dèsse op dre botteram / Allèèn goei boter smèren.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 82 01 07 - 't Vurrig jaor was nie zó slècht / Al viel wel is wè teege / We hebbe ammol nog op tèd / 'nen Botteram gekreege. - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1973-04-09 - As ge vèftig geworre zèt, hedde oewen grôtste botterham op
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - dè hek echtig nie gedaon, krûîske sterven en honderd duuzend èzere botterhammen eten
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch leven, 1965-10-22 - Mar t is taovend wir niks toe den botteram... [vanavond op droog brood naar bed]
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-03-19 - Hij heej munne botteram in t waoter gegooid... Zôô-zôô... En meej opzet... Nèè meneer, meej zult...
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 101, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-05-08 - Een eed mag men niet lichtvaardig afleggen, maar het is wel mogelijk op een andere manier nadrukkelijk te onderstrepen, dat men de waarheid spreekt of het bij het rechte eind heeft. Bijv. "Als dat nie klopt, vreet ik mijn pet op!" Kinderen hadden daarvoor weleer een andere vocabulaire. Zij zouden in het onderhavige geval: "kruiske stèèrven" of "honderd duizend ijzeren boterhammen opeten" en nog zo'n paar van die krachttoeren uitvoeren, welke we vergeten zijn.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 110, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-10-03 - Is een zaak of situatie zoals zij behoort te zijn, valt er geen omissie, gebrek of tegenspraak te ontdekken, dan kan de Tilburger voldaan constateren: "Het klopt als twaalf aaieren (eieren) mee 'nen mikken boterham". (Mik is wittebrood). Wij voor ons zijn op het eerste gezicht geneigd te denken, dat dit een nogal ongewone maaltijd betekent en dat het derhalve helemaal niet klopt. De gedachte zal hier derhalve wel uitgaan naar een stevige maaltijd. Als zodanig is het dan wel wéér in orde. Het is: "dikke mik!"
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Smòrges brôod, ene botterham, hè, meej en bietje sèùker derop
  2. zelfstandig naamwoord

    - Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 2007 - ...waor ze deren èège botram meej kunne verdienen
    - Informant Ad Vinken - hónderdduuzend èèzere bótramme eete - kröske stèèrve
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1879 nen botteraam
    - WBD III.2.3:41 - boterham uit de hand - namidag maaltijd
    - WBD III.2.3:205 boterham - snede brood
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 botram - boterham
    - Goemans, Leuvens taaleigen, 1936 - boterham - be:teram of be:tram
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 boterham (uitspraak boteram); botterham (uitspraak botteram) - boterham
bottelèèr
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - wijnhandelaar die op fust importeerde en zelf bottelde
botteram
  1. zelfstandig naamwoord

    boterham Jan de Bray - Weeskinderen in een weeshuis in Haarlem- 17de eeuw

    - Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - moederke, wilde nen botterham smeere?
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, - nen botteram smeren
    - Piet Heerkens; Dn örgel; Scheeresliep, 1938 Moederke, wilde nen botterkam smeere? / Heur is: mn maog klept den engel des heeren!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - En wèn gezicht! Is oewen boterham in et zaand gevalle?!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den jongen dokter, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-04-22 - 1939-05-08 - Toen ie n botterham of drie-vier op ha...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - Den Sik ha zn botterhemke deurgeslikt...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 05 14 - 's Aoves bij d'n botteram / Krèègde èèn schar mee tweeje / Gin meens ha't rèk in dieje tèd / Mar we waare tevreeje. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 09 16 - Die meense, och, ge kent ze wel, / Vertellen ok zò gère / Dèsse op dre botteram / Allèèn goei boter smèren.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 82 01 07 - 't Vurrig jaor was nie zó slècht / Al viel wel is wè teege / We hebbe ammol nog op tèd / 'nen Botteram gekreege. - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1973-04-09 - As ge vèftig geworre zèt, hedde oewen grôtste botterham op
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - dè hek echtig nie gedaon, krûîske sterven en honderd duuzend èzere botterhammen eten
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch leven, 1965-10-22 - Mar t is taovend wir niks toe den botteram... [vanavond op droog brood naar bed]
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-03-19 - Hij heej munne botteram in t waoter gegooid... Zôô-zôô... En meej opzet... Nèè meneer, meej zult...
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 101, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-05-08 - Een eed mag men niet lichtvaardig afleggen, maar het is wel mogelijk op een andere manier nadrukkelijk te onderstrepen, dat men de waarheid spreekt of het bij het rechte eind heeft. Bijv. "Als dat nie klopt, vreet ik mijn pet op!" Kinderen hadden daarvoor weleer een andere vocabulaire. Zij zouden in het onderhavige geval: "kruiske stèèrven" of "honderd duizend ijzeren boterhammen opeten" en nog zo'n paar van die krachttoeren uitvoeren, welke we vergeten zijn.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 110, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-10-03 - Is een zaak of situatie zoals zij behoort te zijn, valt er geen omissie, gebrek of tegenspraak te ontdekken, dan kan de Tilburger voldaan constateren: "Het klopt als twaalf aaieren (eieren) mee 'nen mikken boterham". (Mik is wittebrood). Wij voor ons zijn op het eerste gezicht geneigd te denken, dat dit een nogal ongewone maaltijd betekent en dat het derhalve helemaal niet klopt. De gedachte zal hier derhalve wel uitgaan naar een stevige maaltijd. Als zodanig is het dan wel wéér in orde. Het is: "dikke mik!"
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Smòrges brôod, ene botterham, hè, meej en bietje sèùker derop
  2. zelfstandig naamwoord

    - Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 2007 - ...waor ze deren èège botram meej kunne verdienen
    - Informant Ad Vinken - hónderdduuzend èèzere bótramme eete - kröske stèèrve
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1879 nen botteraam
    - WBD III.2.3:41 - boterham uit de hand - namidag maaltijd
    - WBD III.2.3:205 boterham - snede brood
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 botram - boterham
    - Goemans, Leuvens taaleigen, 1936 - boterham - be:teram of be:tram
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 boterham (uitspraak boteram); botterham (uitspraak botteram) - boterham
botteramme
  1. zelfstandig naamwoord

    boterham Jan de Bray - Weeskinderen in een weeshuis in Haarlem- 17de eeuw

    - Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - moederke, wilde nen botterham smeere?
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, - nen botteram smeren
    - Piet Heerkens; Dn örgel; Scheeresliep, 1938 Moederke, wilde nen botterkam smeere? / Heur is: mn maog klept den engel des heeren!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - En wèn gezicht! Is oewen boterham in et zaand gevalle?!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den jongen dokter, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-04-22 - 1939-05-08 - Toen ie n botterham of drie-vier op ha...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - Den Sik ha zn botterhemke deurgeslikt...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 05 14 - 's Aoves bij d'n botteram / Krèègde èèn schar mee tweeje / Gin meens ha't rèk in dieje tèd / Mar we waare tevreeje. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 09 16 - Die meense, och, ge kent ze wel, / Vertellen ok zò gère / Dèsse op dre botteram / Allèèn goei boter smèren.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 82 01 07 - 't Vurrig jaor was nie zó slècht / Al viel wel is wè teege / We hebbe ammol nog op tèd / 'nen Botteram gekreege. - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1973-04-09 - As ge vèftig geworre zèt, hedde oewen grôtste botterham op
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - dè hek echtig nie gedaon, krûîske sterven en honderd duuzend èzere botterhammen eten
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch leven, 1965-10-22 - Mar t is taovend wir niks toe den botteram... [vanavond op droog brood naar bed]
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-03-19 - Hij heej munne botteram in t waoter gegooid... Zôô-zôô... En meej opzet... Nèè meneer, meej zult...
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 101, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-05-08 - Een eed mag men niet lichtvaardig afleggen, maar het is wel mogelijk op een andere manier nadrukkelijk te onderstrepen, dat men de waarheid spreekt of het bij het rechte eind heeft. Bijv. "Als dat nie klopt, vreet ik mijn pet op!" Kinderen hadden daarvoor weleer een andere vocabulaire. Zij zouden in het onderhavige geval: "kruiske stèèrven" of "honderd duizend ijzeren boterhammen opeten" en nog zo'n paar van die krachttoeren uitvoeren, welke we vergeten zijn.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 110, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-10-03 - Is een zaak of situatie zoals zij behoort te zijn, valt er geen omissie, gebrek of tegenspraak te ontdekken, dan kan de Tilburger voldaan constateren: "Het klopt als twaalf aaieren (eieren) mee 'nen mikken boterham". (Mik is wittebrood). Wij voor ons zijn op het eerste gezicht geneigd te denken, dat dit een nogal ongewone maaltijd betekent en dat het derhalve helemaal niet klopt. De gedachte zal hier derhalve wel uitgaan naar een stevige maaltijd. Als zodanig is het dan wel wéér in orde. Het is: "dikke mik!"
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Smòrges brôod, ene botterham, hè, meej en bietje sèùker derop
  2. zelfstandig naamwoord

    - Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 2007 - ...waor ze deren èège botram meej kunne verdienen
    - Informant Ad Vinken - hónderdduuzend èèzere bótramme eete - kröske stèèrve
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1879 nen botteraam
    - WBD III.2.3:41 - boterham uit de hand - namidag maaltijd
    - WBD III.2.3:205 boterham - snede brood
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 botram - boterham
    - Goemans, Leuvens taaleigen, 1936 - boterham - be:teram of be:tram
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 boterham (uitspraak boteram); botterham (uitspraak botteram) - boterham
botterbluumkes
zelfstandig naamwoord

boterbloempjes (Ranunculus)

- Jaon van Harrie van de boere Bet; Nieuwe Tilburgse Courant, 1950-02-02 - Ik weet nog dè 't geitepark 'n waai was mee waai- en boterblumkes. De omwonende meense teuide de geite op die waai, daarom de naom geitepark.
botterbluumkesbotterbluumkes
botterham
  1. zelfstandig naamwoord

    boterham Jan de Bray - Weeskinderen in een weeshuis in Haarlem- 17de eeuw

    - Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - moederke, wilde nen botterham smeere?
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, - nen botteram smeren
    - Piet Heerkens; Dn örgel; Scheeresliep, 1938 Moederke, wilde nen botterkam smeere? / Heur is: mn maog klept den engel des heeren!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - En wèn gezicht! Is oewen boterham in et zaand gevalle?!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den jongen dokter, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-04-22 - 1939-05-08 - Toen ie n botterham of drie-vier op ha...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - Den Sik ha zn botterhemke deurgeslikt...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 05 14 - 's Aoves bij d'n botteram / Krèègde èèn schar mee tweeje / Gin meens ha't rèk in dieje tèd / Mar we waare tevreeje. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 09 16 - Die meense, och, ge kent ze wel, / Vertellen ok zò gère / Dèsse op dre botteram / Allèèn goei boter smèren.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 82 01 07 - 't Vurrig jaor was nie zó slècht / Al viel wel is wè teege / We hebbe ammol nog op tèd / 'nen Botteram gekreege. - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1973-04-09 - As ge vèftig geworre zèt, hedde oewen grôtste botterham op
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - dè hek echtig nie gedaon, krûîske sterven en honderd duuzend èzere botterhammen eten
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch leven, 1965-10-22 - Mar t is taovend wir niks toe den botteram... [vanavond op droog brood naar bed]
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-03-19 - Hij heej munne botteram in t waoter gegooid... Zôô-zôô... En meej opzet... Nèè meneer, meej zult...
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 101, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-05-08 - Een eed mag men niet lichtvaardig afleggen, maar het is wel mogelijk op een andere manier nadrukkelijk te onderstrepen, dat men de waarheid spreekt of het bij het rechte eind heeft. Bijv. "Als dat nie klopt, vreet ik mijn pet op!" Kinderen hadden daarvoor weleer een andere vocabulaire. Zij zouden in het onderhavige geval: "kruiske stèèrven" of "honderd duizend ijzeren boterhammen opeten" en nog zo'n paar van die krachttoeren uitvoeren, welke we vergeten zijn.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 110, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-10-03 - Is een zaak of situatie zoals zij behoort te zijn, valt er geen omissie, gebrek of tegenspraak te ontdekken, dan kan de Tilburger voldaan constateren: "Het klopt als twaalf aaieren (eieren) mee 'nen mikken boterham". (Mik is wittebrood). Wij voor ons zijn op het eerste gezicht geneigd te denken, dat dit een nogal ongewone maaltijd betekent en dat het derhalve helemaal niet klopt. De gedachte zal hier derhalve wel uitgaan naar een stevige maaltijd. Als zodanig is het dan wel wéér in orde. Het is: "dikke mik!"
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Smòrges brôod, ene botterham, hè, meej en bietje sèùker derop
  2. zelfstandig naamwoord

    - Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 2007 - ...waor ze deren èège botram meej kunne verdienen
    - Informant Ad Vinken - hónderdduuzend èèzere bótramme eete - kröske stèèrve
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1879 nen botteraam
    - WBD III.2.3:41 - boterham uit de hand - namidag maaltijd
    - WBD III.2.3:205 boterham - snede brood
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 botram - boterham
    - Goemans, Leuvens taaleigen, 1936 - boterham - be:teram of be:tram
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 boterham (uitspraak boteram); botterham (uitspraak botteram) - boterham
botterhamme
  1. zelfstandig naamwoord

    boterham Jan de Bray - Weeskinderen in een weeshuis in Haarlem- 17de eeuw

    - Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - moederke, wilde nen botterham smeere?
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, - nen botteram smeren
    - Piet Heerkens; Dn örgel; Scheeresliep, 1938 Moederke, wilde nen botterkam smeere? / Heur is: mn maog klept den engel des heeren!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - En wèn gezicht! Is oewen boterham in et zaand gevalle?!
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den jongen dokter, feuilleton in 3 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-04-22 - 1939-05-08 - Toen ie n botterham of drie-vier op ha...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - Den Sik ha zn botterhemke deurgeslikt...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 05 14 - 's Aoves bij d'n botteram / Krèègde èèn schar mee tweeje / Gin meens ha't rèk in dieje tèd / Mar we waare tevreeje. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 09 16 - Die meense, och, ge kent ze wel, / Vertellen ok zò gère / Dèsse op dre botteram / Allèèn goei boter smèren.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 82 01 07 - 't Vurrig jaor was nie zó slècht / Al viel wel is wè teege / We hebbe ammol nog op tèd / 'nen Botteram gekreege. - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1973-04-09 - As ge vèftig geworre zèt, hedde oewen grôtste botterham op
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1964-08-17 - dè hek echtig nie gedaon, krûîske sterven en honderd duuzend èzere botterhammen eten
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch leven, 1965-10-22 - Mar t is taovend wir niks toe den botteram... [vanavond op droog brood naar bed]
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-03-19 - Hij heej munne botteram in t waoter gegooid... Zôô-zôô... En meej opzet... Nèè meneer, meej zult...
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 101, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-05-08 - Een eed mag men niet lichtvaardig afleggen, maar het is wel mogelijk op een andere manier nadrukkelijk te onderstrepen, dat men de waarheid spreekt of het bij het rechte eind heeft. Bijv. "Als dat nie klopt, vreet ik mijn pet op!" Kinderen hadden daarvoor weleer een andere vocabulaire. Zij zouden in het onderhavige geval: "kruiske stèèrven" of "honderd duizend ijzeren boterhammen opeten" en nog zo'n paar van die krachttoeren uitvoeren, welke we vergeten zijn.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 110, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-10-03 - Is een zaak of situatie zoals zij behoort te zijn, valt er geen omissie, gebrek of tegenspraak te ontdekken, dan kan de Tilburger voldaan constateren: "Het klopt als twaalf aaieren (eieren) mee 'nen mikken boterham". (Mik is wittebrood). Wij voor ons zijn op het eerste gezicht geneigd te denken, dat dit een nogal ongewone maaltijd betekent en dat het derhalve helemaal niet klopt. De gedachte zal hier derhalve wel uitgaan naar een stevige maaltijd. Als zodanig is het dan wel wéér in orde. Het is: "dikke mik!"
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Smòrges brôod, ene botterham, hè, meej en bietje sèùker derop
  2. zelfstandig naamwoord

    - Grôot Diktee van de Tilburgse Taol, 2007 - ...waor ze deren èège botram meej kunne verdienen
    - Informant Ad Vinken - hónderdduuzend èèzere bótramme eete - kröske stèèrve
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1879 nen botteraam
    - WBD III.2.3:41 - boterham uit de hand - namidag maaltijd
    - WBD III.2.3:205 boterham - snede brood
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 botram - boterham
    - Goemans, Leuvens taaleigen, 1936 - boterham - be:teram of be:tram
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 boterham (uitspraak boteram); botterham (uitspraak botteram) - boterham
bout
  1. zelfstandig naamwoord

    1. zelfstandig naamwoord fiasco, flop, iets waardeloos waarschijnlijk van bout in de betekenis uitwerpsel, drol in de vorm en kleur van een bout

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 22, Nieuwsblad van het Zuiden 1964-12-19 - "Ge kunt den bout hakke!" zeggen we in Tilburg, waar de "Hollander" het wat netter doet met: "Morgen brengen! Je tante! Ja, ik zal gek zijn!" Die "Hollanders" kennen echter ook de uitdrukking: "Hij kan me de bout hachelen". Zowel "hachelen" als "bout" zijn Bargoens of dieventaal [...] Het werkwoord "hachelen" betekent: eten, ook wel gulzig eten. Met "bout" worden fecaliën aangeduid. Men weet nu meteen waar het woord "boutketel" vandaan komt, dat men ook in Tilburg wel eens voor wc kan horen gebruiken. "Den bout hachelen" betekent in het Bargoens figuurlijk: naar de maan lopen. Het is een zeer platte verwensing. We geloven echter niet, dat die platheid in Tilburg wordt aangevoeld, daar vermoedelijk nauwelijks iemand, die van "bout hakke" spreekt, zich bewust is van wat hij eigenlijk letterlijk zegt...
    - Ruud Damen & G.W.J. Steijns; Et Buukske; Wè en hoe in de Tilburgse Taol, 2008 - bout - waardeloos gedoe, mislukking
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - et tenêelstuk was enen grôoten bout
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Nou, dè was wir ene grôoten bout.
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 T is tóch ammel ene grôoten bout.
  2. Ferry van de Zaande-sticker - 2013 2. voorvoegsel

    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik hou nie van boutmuziek; ge moet mèn gin boutkerwaaikes laote doen.
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Bah bah, wènnen boutzooi.
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik vèèn dus dèt mar es aafgelôope moet zèèn meej die boutdinger ammel.
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bout - beer, menschendrek (zie but)
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836- zie boud
  3. 2. ijzeren werktuig, wroeter

    - WBD - wroeter; ijzeren werktuig in de vorm van een pin of ganzevoet, bevestigd aan de achterkant van het rister, tegen de ploegzool aan (in Hasselt)
boute
werkwoord

bouten, dat wil zeggen 'poepen'

- Zegsman Hans Hessels, 2021 - Gao mar vast nòr bèd! Ik moet irst nòg es goed boute.
boutjan
zelfstandig naamwoord

gratis en voor niks

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn daor zit ik dan himmel vur nen boutjan te zwiere, zwaaie èn knoeperhard dur t luchtrèùm te draaie.
bouw
zelfstandig naamwoord

gebouw, bouwwerk

- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - Et nuuw pòsketoor is nen grôoten bouw.
- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - Zen bruurs wèèrken in den bouw. - Zijn broers werken op n bouwwerk.
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - bouw 1. bouwwerk, gebouw; 2. het verzorgen en melken van het vee en tijdstip waarop dit moet gebeuren; dn bouw doen - vooral op zondag, als dn bouw het enige werk is.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bouw gebouw; ne sterken bouw
braaje
werkwoord

breien braaje - braajde/breej - gebraajd/gebreeje

- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2016 - Int nòjaor moeste ze tuijere, daor zaat dan de, de mèèd, de dienstboode bij, de mèèd zin wij vruuger. Die laag dòr bè te braaje èn die moes aaf èn toe die starte vort slaon!
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 A-k oe gebraaid hò, dan hò-k oe aachtermekaare ötgetròkke.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - Ik herinner me nog borstrokke, vruuger droege we swenters borstrokken over ons hemd tegen de kou. Die dinge wiere gebraaid. Hadder toevallig enen òn gekreege, die öt de losse pols gebraaid waar, dan zaat dè wel lekker soepel over oew hemd en konde oe èège zonder moeite beweege. Mar soms, soms waar der intje ònt braaie gewist, die alles zôo vaast ha aongetrokke, dègge dè kuras, dè borstharnas, amper over oewe kop krêegt getrokken. Aojemhaole gong dan nao efkes oefene wel wir mar soepel bèùge waar der nie bij.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - Vergit ok de mèskesonderbroeke nie. Die mèskes, zôlang ze nog meske waren, droege gebraaide broeken. As die öt de waas kwaame, waaren et net planken, zôo stèèf, zeker asse te wèèrm gewaase waaren.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - De broek, diese aonha zal wel un gebraaide zèn gewist, zon ketoene, waor et petrôon op oew kont viel af te leezen, agge efkes gezeete hadt.
- Ruud Damen & G.W.J. Steijns; Et Buukske; Wè en hoe in de Tilburgse Taol, 2008 - Nie praote mar braaje - niet kletsen [je laten afleiden] maar doorwerken
- Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - braaie
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 braijen - breijen, breiden
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 gebreeën (zachte e); 3e hoofdvorm van breien
- WBD - kousenbraajer - paard dat onder het stappen de benen kruiselings plaatst
braajer
zelfstandig naamwoord

breier

- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den braajer - textielfabrikant Henri Blomjous
braajnòld
zelfstandig naamwoord

breinaald

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 breipen
- WBD III.2.1:384 breipennen, brei-ijzers
braajwèèrk
zelfstandig naamwoord

breiwerk; broddelwerk

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-07-20 - gin sôrt van braaiwerk, bij ons noemen we dè, broddelen!
braak

persoonsvorm; verleden tijd van breeke brak

braand
  1. zelfstandig naamwoord

    1. brand, figuurlijk gebruikt

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Den grótsten braand is eraaf - de felheid is geluwd
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1969-07-04 - Ge zèt n zeeverkiep en ge lôpt op n kiepedrefke; den grôtste braand is er wel aaf.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1969-08-15 - Mar den grôôtsten braand is er wel aaf... dè-wel-dè... [Op onze leeftijd doen we het seksueel wat rustiger aan]
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ge heurt nòg van den braand - ik hou je op de hoogte (ook Stadsnieuws; dialectrubriek, 2006-05-17)
  2. 2. ontsteking (van de huid)

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - In et veurjaor maaide onze vadder enne kwak braandnetels en die wiere der bij gedaon saomen meej die schellen waar dè prima vreten veur de vèèrkes. Dè waar tegen de braand zittie, die netels. Dè waar zeker één of aander ziekte. Eén ding weet ik nog wel, dè koken van die braandnetels, waar in hil de buurt te ruuken. De vèèrkes wiere der in ieder geval goed vet van. Netuurluk nie alléén daorvan.
    - WBD II:589 - brantplèk een rotte plek in de huid, meestal ontstaan bij het drogen ter conservering term uit de leerlooierij]
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - braand
    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - Zo helder as brand.
braandastraasie
werkwoord

brandverzekering

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 braandastraasie brandverzekering (assurantie)
braande
werkwoord

branden braande - braande - gebraand

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden 1977-08-19 - As n aauw schuur begient te braanden, dan helpt er gin blussen mir aon.
- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003; opgetekend Tilburg 1977 - As n aauw schuur begient te braanden, dan helpt er gin blussen mir aon.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 147, Nieuwsblad van het Zuiden 1972-01-13 - "Het dunste takske brandt het eerst" houdt een waarschuwing in om te zorgen, dat men in bepaalde omstandigheden goed beslagen ten ijs komt. Op een futiliteit wordt soms immers gevit en men ziet die wel eens aangegrepen om kritiek uit te oefenen.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - kromhawt braandt ok - het goedkopere is vaak even goed.
- WBD II:1056 - braande - branden (nabewerking weefsel)
braandeboers
zelfstandig naamwoord

uit het Franse brandebourg

- Frans Verbunt - versiering bij het knoopsgat van een pyjama
- Ed Schilders; WTT 2013 - Verbunt verklaart het woord niet. Vooral de beperking tot pyama is interessant. Mogelijk gaat het hier om het met kleurrijke draad zomen van knoopsgaten, of het aanbrengen van borduursel. Het woord komt niet voor in het WBD. Het kan nauwelijks anders of dit is de Tilburgse uitspraak van brandebourgs of brandebours, dat van oorsprong verwijst naar een kostbare manier om (gala)uniformen te sluiten. De benaming is ontleend aan de Franse uitspraak van de Duitse landsnaam Brandenburg. De sluiting bestaat dan uit twee uit kostbare draad gevlochten delen, waarvan er een eindigt in een knoopsgat, en het andere de knoop bevat. (Vergelijk de sluiting van winterjassen die houtjes-touwtjes-jassen worden genoemd.) De sluiting was vooral bekend als onderdeel van militaire uniformen en wordt in het Nederlands meestal in verband gebracht met galons en tressen (conform R. Broby-Johansen; Kleding en het AaBe ervan, 1953)
braandeboers
braandkèùl
  1. zelfstandig naamwoord

    brandkuil

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 braandkööl - brandkuil, kuil met bluswater
  2. Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

braandrestraasie
zelfstandig naamwoord

- Ed Schilders; WTT 2020 - Alleen aangetroffen in de tekst hierboven afgebeeld. Het betreft een oude benaming voor de voorwaarden die de verzekeringsmaatschappij stelt in geval van brand; Tegenwoordig spreekt men van brandregres. Het idee van de verzekering komt tot uiting in verastereerd, een verbastering met het Franse assurer en het Nederlandse verzekeren.
braandrestraasie
braawe
werkwoord

brouwen

- WBD III.2.l:359 - brouwen - aardappelen stampen, britse
- Willems; Dialectenquête, 1887 - braawe - braawde - gebraawe
braawele
werkwoord

wauwelen, wawelen, bazelen

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - hurt um us braawele - hoor hem eens wartaal uitslaan
braawer
  1. zelfstandig naamwoord

    bierbrouwer

    - Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, aflevering 8; Oude brouwerijen in Tilburg; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1951-06-23 - In onze schooljaren hebben wij ooit gehoord of gelezen, dat er een tijd was, waarin Tilburg 63 brouwerijen telde. Wanneer dit geweest is, hebben wij niet kunnen achterhalen; ook het Gemeente-archief verstrekte ons hieromtrent geen gegevens. Wel kregen we van de heer Schurink enige lijsten ter inzage van bestaande brouwerijen in de jaren 1690-1696. In 1694 bijv. waren hier 28 brouwerijen, waarvan enige waren aangegeven als huisbrouwerij, de overige als coöperatieve brouwerij. De eerste brouwden dus voor eigen huishouden met dienend personeel, de andere natuurlijk ook voor eigen gebruik en tevens voor de verkoop. () Met deze 28 zijn we echter nog lang niet aan de 63. Bij de toename der bevolking is echter waarschijnlijk ook het getal brouwerijen wel gestegen. Een oud-Tilburger, die er ook iets van weten kon en bij wie wij daarom eens informeerden, vond dit getal 63 absoluut niet onaannemelijk, zelfs zeer goed verklaarbaar, want men moet hierbij niet vergeten, dat koffie en thee toen hier nog totaal onbekend waren. Deze dranken zijn hier pas ingeburgerd na de oprichting der Oost-Indische Compagnie en er kan nog een hele tijd verlopen zijn vooraleer het de volksdranken zijn geworden.
  2. ()

    - Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, aflevering 9; Oude brouwerijen in Tilburg; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1951-08-01 - Nu we toch hierover bezig zijn, willen we nog even de brouwerijen die we in Tilburg gekend hebben de revue laten passeren.
  3. 1. Aan de Heikant bij de ingang der Heikantse Baan de firma Witlox. 2. Aan het Goirke hoek Kasteeldreef Jan de Kanter, tevens koster. 3. Aan de Veldhoven C. van Roessel, brouwerij De halve Maan tevens handelsmouterij. 4. Aan de Bosscheweg rechts over de Kanaalbrug brouwerij De Kroon met mouterij. De eerste hiervan staat er nog, maar zal wel van bestemming zijn veranderd. Tijdens de oorlog 1914-1918 deed ze nog dienst als groente-drogerij. 5. Aan de Lovensestraat heeft de heer van Tulder nog een brouwerijtje gebouwd, maar of er ooit bier gemaakt is betwijfelen wij sterk. Het gebouw bestaat nog en is te vinden op het terrein van de steenkolenhandel der firma Van Ierland. 6. Aan de Bosscheweg ter hoogte waar nu fraterhuis en -school staan, firma van Roessel, brouwerij Het Anker. Deze heer woonde echter op de Heuvel naast de kerk en had ook café, het tegenwoordige l'Industrie. 7. Aan de Bredaseweg, waar nu is gevestigd melkhandel firma van Thiel, voordien de graanhandel firma Gebr. Majoie, was de brouwerij van de heer van den Boer. 8. Eveneens aan de Bredaseweg, tegenover het missiehuis, heeft Henri de Kanter, zoon van Jan (zie nr. 2), ook een brouwerij gebouwd. Hiervan zouden we hetzelfde kunnen zeggen als van nr. 5. Heden is er in gevestigd de garage van de heer Strijbosch. 9. Aan het Korvelplein brouwerij De Posthoorn, erven A.H. van Roessel. Deze A.H. van Roessel was een broer van brouwer C. van Roessel aan de Veldhoven (zie nr. 3). Op Korvel was ook een mouterij voor eigen gebruik. 10. Brouwerij De Schaapskooi, ook met eigen mouterij. Dan waren er nog een paar andere, die echter geen Coopbrouwerijen waren, dus uitsluitend dienden voor eigen gebruik. Wellicht bestaan ze nog, namelijk bij de Eerwaarde Paters Capucijnen Korvelseweg en de Eerwaarde Paters Missionarissen aan de Bredaseweg. Buiten deze Tilburgse brouwerijen leverden nog verschillende andere brouwers hier hun product, o.a. die van Hilvarenbeek, Baarschot (onder Diessen), Middelbeers, Vessem en misschien nog andere.

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - brouwer
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Wòr den braawer zit, kan den bèkker nie zèèn. - Als je veel gedronken hebt, hoef je niet meer te eten.
    - Ruud Damen & G.W.J. Steijns; Et Buukske; Wè en hoe in de Tilburgse Taol, 2008 - bierbrouwer, maar ook wel leverancier van dranken in het algemeen
brak
zelfstandig naamwoord

klein kind, altijd een jongen

- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - Gij waart nòg mar nen brak van en jaor òf zeuve
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? nen kleinen brak; nen brak van amper zes jaor
- Hein Quinten; Tilburgse spreuken, circa, 1990 - De kleen brakke zen in dun hof ont mitje steke!
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-12-22 Ons klutje dè strooit wè plezier in t rond (...) Dan gaot ie.. dn brak en hij zuukt t geluk...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1963-11-29 - Toen t nog unne klèène brak was..
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 11 30 - Dè Sindreklaos zòiets kan doen / Snappe ze nie die brakke / Wörom krègt wie 't miste hee / Aaltij de gròòtste pakke?
- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - ...èn langs de kaant stao zonnen aawen Tilbörgse meens meej en klèèn klutje te kèèke, èn ik heur diejen brak zègge...
- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Dè was toen ik nòg mar enen brak waar...
- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Hoe grôoter de strêûp hoe beeter. Ge had toen ok nòg veul mêer sorte kender dan teegesworreg. Ge had irst platte kènder. Dè waare de kiendjes die nòg nie kosse lôope. Die wèrre dikkels ok haawkènder genoemd, omdèt moeders ze òn de mèm moes haawe. Asse dan grôoter wiere van et zòg, dan waare-n-et irst klutjes, dan ploddekes, en dan brakke. Ge had ok nòg broekpoeperkes, jungskes, mèdjes òf durskes.
- Gerard Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol, 2002 - Diejen brak zit de gòdsgaanseleken dag aachter zene kompjoeter.
- WBD III.1.4:85 brak - schelm
- Hans Heestermans; Witte nog? 1988-1994 - brak - straatjongen, deugniet
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 brak - kleine jongen
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - brak - rakker, wilde jongen, straatlooper
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - brak - klein kind
- WNT brak- Thans nog hier en daar bekend voor straatjongen, bengel, guit, rekel, deugniet.
brak
bram
zelfstandig naamwoord

irritante, fatterige jongeman

- WTT; Hans Hessels, 2021 - stevige kerel, flinke knaap
- Piet Heerkens; De Mus, in het gedicht Pauw, 1939 Spraai oewen start ns, pronkenden bram [2] / doe naaw ns mooi as n freete [3] madam. [Noot 2 luidt: opschepper. Noot 3: deftig]
branbaor
naam

brandbaar

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - uit cluster ntb wordt de t verzwegen branbaor
brandappel
zelfstandig naamwoord

- WBD III.4.3:109 - brandappel - sparappel
brandje
  1. zelfstandig naamwoord

    1. brand, figuurlijk gebruikt

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Den grótsten braand is eraaf - de felheid is geluwd
    - Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1969-07-04 - Ge zèt n zeeverkiep en ge lôpt op n kiepedrefke; den grôtste braand is er wel aaf.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1969-08-15 - Mar den grôôtsten braand is er wel aaf... dè-wel-dè... [Op onze leeftijd doen we het seksueel wat rustiger aan]
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ge heurt nòg van den braand - ik hou je op de hoogte (ook Stadsnieuws; dialectrubriek, 2006-05-17)
  2. 2. ontsteking (van de huid)

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - In et veurjaor maaide onze vadder enne kwak braandnetels en die wiere der bij gedaon saomen meej die schellen waar dè prima vreten veur de vèèrkes. Dè waar tegen de braand zittie, die netels. Dè waar zeker één of aander ziekte. Eén ding weet ik nog wel, dè koken van die braandnetels, waar in hil de buurt te ruuken. De vèèrkes wiere der in ieder geval goed vet van. Netuurluk nie alléén daorvan.
    - WBD II:589 - brantplèk een rotte plek in de huid, meestal ontstaan bij het drogen ter conservering term uit de leerlooierij]
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - braand
    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - Zo helder as brand.
braoj
  1. zelfstandig naamwoord

    1. dikke kont, bips

    - Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - Ze gong er meej der braoj boovenóp zitte.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 10 06 - "Die nieuwe busse - zee de Kriest - / Zèn echt naor mènne zin, / Ge stapt gemakker in en uit / En r gaon meer meensen in. // "Dès waor", zee toen hullie Merie, / "'t is ne gemakke trap, / Mar die klèn stuultjes aon de kaant / Die vèn ik wel wè krap. // "Want zèdde 'n bietje zwaor van lèf / Dan hèdde al gaauw laast / Om dègge mee oe dikke braoi / Nie in zo'n stuultje paast.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-10-03 - Ze stond er zôô breed bij mee dr braoi dewwer bekaant mee gedrieje aachter kosse... - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1987-06-05 - Wesse mee dr haande rèècht zet stôôt ze mee dr dikke braoi wir om... - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1974-10-25 - Zôdee gij oew braoi daor ôôk in wille draaie...
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den braoj - Jos Adriaansen
    - Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; De stinpöst, 2009 - Waait de wènd onder mn ròkke/ dan is dè tòch wel genaoj./ Van den aandere kaant ist angstig/ dèk n kaaw vat òn mn braoj.
    - F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Èn eigelek hasse ok wèl n bietje enen dikke braoi, mar goed, ge moet nie te naaw kèèke.
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - braoj - nogal dik achterste
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - wè hè dè mins toch n dikke braoj!
    - WBD III.1.1. - achterwerk brade, braai, praai (centraal Tilburg)
    - Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 & 2002 - braoi - achterwerk, billen
  2. 2. prak, restje eten

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - broai - opstovertje, overschotje middageten
braojappel
zelfstandig naamwoord

gebraden appel

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - broai-appel - hij valt net uit as ne broaiappel - over het een of ander onbenullig uitvallen
braoje
  1. werkwoord

    braoje - braojde gebraoje 1. br aden

    - Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opghetekend in Tilburg 1935 - daor waor den herring braoit - daar waar het iemand bevalt.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1981-03-06 [Over een man die zelf kookt] Ik pruts en ik braoi zelf...
    - Henriëtte Vunderink; k Zal van oe blèève haawe; Ons Moeder, 2007 - èn et vlees stond hil zachjes te braoje...
  2. 2. iets verkeerd(s) doen, verprutsen

    - Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - dernèffe braoje - iets verkeerd doen
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun in den trein; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-09-16 - ...al heet ie er soms al ns leelijk neffen gebraoie
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe kapelaon van Baozel, aflevering 1; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-10-01 - ...want hij braoit er dikkels lillek neffe...
    - Henriëtte Vunderink; k Zal van oe blèève haawe; Et naojmesjien, 2007 - Ik ha dè ding nie afgespèld,/ kwaar zoo mar wè gòn naoje./ Et bleek toen ik et ophing,/ dekker niks van ha gebraoje.
    - Henriëtte Vunderink; Tis de moejte wèrd; Fans van Oranje, 2011 - Toen Marco vier jaor trug et oranje-team ging treene,/ toen heurde ènkelt lòf èn optiemisme om oe heene./ Want Advocaat die hatter zôogezeej nik van gebraoje./ Die kon as koots gin goed mir doen, jao twas enen hêele kaoje.
  3. 2.1. in bijzonderheid bij het kaartspel

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Af en toe wiert er éne kaod, omdè zenne maot der neffen braoide of omdettie meej de liste slag der nog in misèèrde.
  4. 3. praten (babbelen)

    - Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - òn mekaar braoje - verbinden (in kletspraat)
  5. 4. het slachtoffer zijn

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-02-25 - 1939-04-18 - ...nee dan bende al verloofd en gebraojen veur heel oew verder leven.
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun en de dames; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-01-20 - ...ze moete respect veur oe hebbe! Hoofd van het huisgezin! En wie dè nie klaor krijgt, die is veur eens en veurgoed gebraoie!
  6. 5. presteren

    - Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009 - Èlk jaor gaok waogeslouwe [naar de wagens van de carnavalsoptocht kijken] omdèk zo nuuwschiereg zèè wèsse der dees jaor wir van braoje.
braojer
zelfstandig naamwoord

prutser, knoeier

- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - enen braojer - smid die niet goed kon lassen.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - braojer - knoeier, prutser
braojke
zelfstandig naamwoord

klein stuk braadvlees of gebraden vlees; het opgewarmde restje van het vlees, prakje

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-19 - Hij hield van (...) braoikes... en van overschot... van kaoikes... en gerukte sprot.
- Ad van den Boom; Bè de wèèvers òn tòffel, circa 2005 - En van de overschotte van de dag/ Vurt slaope ok nog braojkes
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Allêen òn tòffel, 2009 - As ik mn braoike op hèb gaok de tòffel afrèùme...
- WBD III.2.3: 123 braadje - kliekje
- WBD III.4.4:265 braadke - klein overschot
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 braoj - bij Van Dale Zuidnederlands voor schijfje spek om te braden. Behalve hoeveelheid om te braden betekent het woord ook wel nogal dik achterste
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bra(d)e, braai (uitspraak braoë, broa) - eene snede spek of hesp, gelijk men ze pleegt te snijden om ze in de pan te braden.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - braojke - prakje
braojpan
zelfstandig naamwoord

braadpan; pan met dikke wand, geschikt om er vlees in te braden.

- WBD III.2.1:195 - braaipan, bakpan
braok
naam

braak

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Zo wèèt ge kèèke kost, laag alles nòg braok.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 braakgrond, braakland - grond dien men bewerkt, maar een seizoen onbezaaid laat (landbouw)
braoke
werkwoord

braken, overgeven braoke - bròkte - gebròkt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij bròkt

braom
zelfstandig naamwoord

- Hein Mandos; kladscriptie Nijmegen, 1932-33 - braam
- WBD III.4.3:l50 - braambezie, braambezem - braambes
braosem
zelfstandig naamwoord

brasem

- WBD III.4.2:90 - brasem - brasem (abramis brama)
brasse
werkwoord

knoeien, morsen

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 brassen - morsen, knoeien (vooral aan tafel)
brèbbel
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 brèbbel - iemand die praat zonder ophouden, kletswijf
brèbbele
werkwoord

druk praten

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 druk praten, verward keuvelen; ze brèbbelt alles ööt - ze vertelt alles verder
Bredòssewèg

toponiem Bredaseweg

- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - èn toen kosseme saoves òf tweej keer in de week bij Toon van t Hof op de Bredòssewèg in die kefeej, daor vruuger de Haos gezeeten heej...
brêedhouwer
zelfstandig naamwoord

breedhouder

- WBD brêedhower - breedhouder , benaming voor tempel, een onderdeel van een weefgetouw
breej
zelfstandig naamwoord

breed, breedte Heerkens gebruikt breej/breed onzijdig in de eerste twee uitdrukkingen in combinatie met t lang en mannelijk in het laatste citaat als breeje/breedte

- Piet Heerkens; Vertesselkes; De boeren van Baokel, 1944 - Al wèk van dr weet over Baokels verlee, dè zal ik van boven toe onder aon öllie vertellen in t lang en in t bree
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Kareltje Vinken, feuilleton in 10 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-04-13 - 1940-08-24 - En oome Teun vertelde zn gesprek mee Kareltjes in et lang en breej...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Bad Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-31 - 1939-02-18 - En daorin stond alles in den breje beschreven...
breeke
werkwoord

breken breeke - braak - gebrooke vocaalkrimping in tegenwoordige tijd; gij/hij brikt oude verleden tijd brôok

breekwaor
zelfstandig naamwoord

aardewerk, in het bijzonder serviesgoed

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - breekwerk - vage benaming voor serviesgoed.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - breekwaar; al wat licht breekt, zooals glaswerk
breekwèèrk
zelfstandig naamwoord

aardewerk, in het bijzonder serviesgoed

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - breekwerk - vage benaming voor serviesgoed.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - breekwaar; al wat licht breekt, zooals glaswerk
Brees

Breehees; buurtschap ten zuiden van Goirle grenzend aan landgoed Gorp en Roovert

- Cees Robben; Nieuwsblad van het Zuiden, 1975-11-21 - Binnedeur over Brees naor Beek...
brèkspèl
  1. spelbreker, in de war brengen

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 33, Nieuwsblad van het Zuiden 1965-04-03 - Iemand die er altijd "het brekspel" inbrengt, treedt steeds als spelbreker op. Merkwaardig is hier de omkering van spelbreker naar "bre(e)kspel".
    - Informant Toine Raaijmakers - alles in brakspul brenge - alles in de war sturen
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-06-19 - [Moeder straft kind...] As de mieter naor boven... want gij brengt er het brekspul in...
    - Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003 - èrges en breekspul inbrenge - spelbreker zijn
    - C.J. Verhoeven; Haorese woorde, spreuke en gezegdes, 2007 - brekspul - breekspul; toen hadde t brèkspul on de gang
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 brèkspeul - breekspeul, brekespel; hij maoket brekspuil - hij is de spelbreker; voor de vorm vergelijk WNT lemma brekespel
    - WNT - brekespel, voorheen, en in Zuid-Nederland nog thans, breekspel - iemand die het spel, de vreugde, het genoegen van een gezelschap door twist, misplaatsten ernst enzovoorts stoort.
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - brekespel blékspélder - iemand die het spel in de war helpt; iemand waarop geen staat te maken is
  2. Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.

brèkspul
  1. spelbreker, in de war brengen

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 33, Nieuwsblad van het Zuiden 1965-04-03 - Iemand die er altijd "het brekspel" inbrengt, treedt steeds als spelbreker op. Merkwaardig is hier de omkering van spelbreker naar "bre(e)kspel".
    - Informant Toine Raaijmakers - alles in brakspul brenge - alles in de war sturen
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-06-19 - [Moeder straft kind...] As de mieter naor boven... want gij brengt er het brekspul in...
    - Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003 - èrges en breekspul inbrenge - spelbreker zijn
    - C.J. Verhoeven; Haorese woorde, spreuke en gezegdes, 2007 - brekspul - breekspul; toen hadde t brèkspul on de gang
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 brèkspeul - breekspeul, brekespel; hij maoket brekspuil - hij is de spelbreker; voor de vorm vergelijk WNT lemma brekespel
    - WNT - brekespel, voorheen, en in Zuid-Nederland nog thans, breekspel - iemand die het spel, de vreugde, het genoegen van een gezelschap door twist, misplaatsten ernst enzovoorts stoort.
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen, 1936 - brekespel blékspélder - iemand die het spel in de war helpt; iemand waarop geen staat te maken is
  2. Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.

brèlle
werkwoord

huilen, schreien

- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - Et bòske brèlde omdèt gevalle was.
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1965-05-14 - Dan begiende te brellen...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - vermeldt ook rondbazuinen
brèlle
brèm
zelfstandig naamwoord

haantje-de-voorste; druktemaker

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 02 21 - En geleuf me, al die brakken / Waren gewoonweg staopelbrem. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 10 02 - "Oòòòh" zee ons Sjefke toen bedaord / "Mar dan vraog ik mee klem: / As dè gin echte nozems zèn / Weurom doen ze dan zô brem? - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-03-25 - Dn haon die doe brem.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - iemand die je niet serieus kunt nemen
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - druktemaker
brèmbeezie
  1. zelfstandig naamwoord

    braambes, Rubicus fruticosus

    - A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-20 - Wij plukken brembezemen en knoesels en spreken van eenen houteren haomer, die in eenen euregel klopt, daarmede bedoelend braambessen, kruisdorens, een houten hamer en een orgel
    - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Ok wilde framboze en brembeezeme.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Onze vadder viet in de augustusmaond wel ens enne dag vrij. Hij ging dan meej ons brembezems plukken.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-11-20 - opschrift in deze prent:
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - meervoud: brèmbisseme, brèmbeezie
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - meervoud: brèmbisseme, brèmbeezie
    - WBD III.4.3 brèmstrèùk - braamstruik (Rubus fruticosus) ook genoemd: brèmbeezem of brèmbeezeme of doorns
  2. Rubus fruticosus

    - WBD III.4.3 - brèmstrèùk - braamstruik (rubus fruticosus) ook genoemd brèmbeezem of brèmbeezeme of doorns
  3. Sylvia curruca - William Wright

    - WBD III.4.3:150 - brèmbeezem of brèm - braambes
    - WBD III.2.3:222 braambeziënvlaai - bramenvlaai
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - brembeizem, brembezem, brembezem, brembezing braambes
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 brèèmbees, brembees - braambezie; ook brömbeejzem
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - brèmbeezie, brèmbeejzie - braambes
brèmkwèèk
  1. zelfstandig naamwoord

    braamsluiper

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 brèmkwèèk - braamsluiper (Sylvia curruca)
  2. Sylvia borin - William Wright

brèmkwètje
zelfstandig naamwoord

barmsijsje, grasmus, tuinfluiter

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 brèmkwètje - barmsijsje (carduelis flammea), grasmus (sylvia communis), tuinfluiter (sylvia borin)
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - bremkwetje bastaardnachtegaal (Sylvia borin)
- A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-20 - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan gaon we veugeltjes zuuken en we vinden veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enzovoorts
brèmkwètje
bretèl
zelfstandig naamwoord

bretel

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1972-10-17 - Ge môt naa nie zô overdrève; gij maokt van ieder elastiekske unne bretel...
brèùd
  1. zelfstandig naamwoord

    1. bruid, vrouw die in het huwelijk treedt

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 "'t Is nog ver van lachen", zei de bruid, en ze schreuwde.
    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - 'k Zal oe ok is dienen, zo gaauw as ge de bruid zait. [Doe het opgedragen werk zelf maar.]
    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - De's 'n aander bruid. [Dat is andere koek]
    - Dialectenquête Kernkamp, 1879 - Wè vur n klêd haad de bruid oan? (ui als in Frans Meuse)
  2. 2. mest van mensen, drek Afleiding van het Middelnederlandse brui

    - WNT, lemma Bruid II - 2. Vloeibare beer, menschendrek, Stercora liquida (Kiliaen 1599). In Holland gedurende de 17de eeuw veelal verbonden met vuil in de uitdr.: de vuile bruid uitdragen enz., den beerput ruimen. Vooral in woordspeling met Bruid [als onder 1.] Een woord dat reeds in de middeleeuwen, in Brabant, voorkomt en dat zeker wel verwant is met Brui...
    - A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-29 - Als de beerput vol is, komt de boer ruimen en nimt dan de bruid mee.
brèùn
naam

bruin, bruiner, bruinst

- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - enen brèùnen èèrm haole - in het gevlij komen, strooplikken
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 53, Nieuwsblad van het Zuiden 1966-05-14 - "Het zakt as bruin bier" wordt gezegd in letterlijke en figuurlijke zin van iets dat snel minder wordt. De vergelijking zal wel stammen uit de tijd, dat er nog veel gerstebier gedronken werd en slaat op het snel verdwijnen van de brede schuimrand in het glas.
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - brèùne bèère - trappisten
- WBD III.3.1:259 - een bruine arm halen - vleien
- WBD III.2.3:190 - bruin brood - zemelenbrood
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bruin; t al te brön maoke - het al te bont maken
brèùne
zelfstandig naamwoord

de bruine; het (bruine) paard als metafoor voor de portemonnee

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Der ware wè koste òn gekoome èn den brèùne kosset niemer trekke.
brèùnwèrker
zelfstandig naamwoord

bruinwerker

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Brèùnwèrker Homofiel
bridst
naam

breedst

- A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - bridste
bridte
zelfstandig naamwoord

breedte

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 06 16 - / "'t Kan niet aaltij t zelfde zèn, / Op tèd iets nieuws, dè witte / En dörom krègde naauw nen daas / Mee stripkes in de bridte.
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - brite (met vocaalkrimping)
brief
zelfstandig naamwoord

brief

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-02 - Ons kermis is dees jaor vur den irsten keer dreug gelee, dè wil zeggen, dè ge in de cafés vur oe goeie centen eigenlijk gin drupke snevel zôt kunnen koopen. De köster was in den raod den eenigste die zne mond er tegen durfde open te trekken. Van den eene kaant valt dè te begrijpe, want hij hee-t-m verduveld gère; en dan ten twidde: die thuis niks as leege briefkes meuge lezen, hebben op n aander de miste prots.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek aflevering 182, Nieuwsblad van het Zuiden 1970-08-13 - Wie "niets te lezen heeft als lege briefkes", heeft niets te vertellen en geen recht van meepraten. De uitdrukking placht nogal gebruikt te worden door ouders tegenover een kind, dat zich ongevraagd in gesprekken van volwassenen mengde.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - niks in te brèngen hèbben as leege briefkes
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - We han over et algemeen niks in te brengen. Lege briefkes zeej de volksmond mar daor schote ok niks meej op.
- Hans Hessels, 2021 dè geef ik oe op en briefke ben daar maar zeker van
- WBD III.3.1:168 briefke - bankbiljet
- WBD III.3.1:174 - grote brief - bankbiljet van f 1000; ook rode rug
briejantiene
zelfstandig naamwoord

brillantine product om het haar te verstevigen en te doen glanzen. In vloeibare vorm (haarwater) en als smeersel (pommade). Van het Franse werkwoord briller; schitteren, glanzen, en in 1867 daar geïntroduceerd als merknaam Brillantine.

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - In mèn haor hak allemol slaoge geleej. Nao un tedje blééve die ok vort zitten, ak der mar genoeg briejantiene opsmèèrde.
briejantiene
briek
zelfstandig naamwoord

schriele man etymologie onbekend

- Hans Hessels; opgetekend uit familiekringen Hessels en Marinus, 2019 briek - een schriel, houterig figuur
briekèt

briket; geperste vaste koolbrandstof

briense
werkwoord

hinneken afgeleid van het verouderde brinsen; vergelijk briesen briense - brienste - gebrienst

- WBD - hinneken (van een paard), ook genoemd hunkere, hinneke of kwèkke
brier
zelfstandig naamwoord

slagboom; uit Frans barrière dat vaak Nedelands barrier werd uitgesproken en vervolgens is verkort.

- Lowie van Dorrus Misters; Uit onze Tilburgse folklore, aflevering 12; Van postwagen en diligence; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1951-12-11 - De meesten van ons hebben nog wel gekend de barrières of barrier, nog korter brier, gelegen aan de wegen die zijn aangelegd tijdens de Franse overheersing en daarom meestal genoemd Napoleonswegen, zoals Turnhout-Tilburg, Tilburg-Breda, Tilburg-Den Bosch. Zo ook van de grens Achel-Eindhoven, Boxtel-Den Bosch. Over deze wegen lagen de barrières, slagbomen, met de huizen waarvan men de nu nog bestaande brier noemt. Maar het huis, meestal ook herberg, was niet de barrier, maar de boom, die over de weg lag, zoals nu nog aan de grenskantoren. Hier moest door voerlui met paarden of honden en ook voor voetgangers tol worden betaald. Het recht om tol te innen werd tegelijk met het woonhuis verpacht.() Voor zover ons bekend waren er in Tilburg 3 barrieren, waarvan 2 aan de Bredaseweg. De eerste lag tegenover café Het dorstig Hert en de tweede, voor de Hultense brug, tegenover café Dongenwijk en de derde op de Bosscheweg, juist voor het tegenwoordige spoorwegviaduct. Deze zaak is echter ook verbouwd en niet meer als barrier te herkennen. Van de Poppelse grens naar Tilburg waren er 2, maar beiden onder de gemeente Goirle. Vanaf Tilburg lag de eerste juist over de gemeentegrens, rechts. Zij draagt nog steeds de naam van De Golse brier. De tweede lag op de Poppelseweg even voor de brug over de stroom. Tot voor enige tijd waren beide uitwendig nog in de oorspronkelijke toestand. Deze bierhuizen waren allen in dezelfde trant gebouwd en op een afstand van elkaar van ca. een uur gaans.
- WBD III.3.1:411 - barrier (brier) - slagboom, ook boom, tolboom
briese
werkwoord

briesen

- WBD [van een paard...] met neus en lippen proesten (Hasselts), elders genoemd blaoze of snottere
brievekaort
zelfstandig naamwoord

briefkaart

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Mar t viel nogal mee, want nao drie daoge zwaor verdriet kwaamp er innen brievekaort van Keese...
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-09-02 - Ge kunt beter n brievekaort nemen...
- WBD III.3.1:439 brievenkaart - briefkaart
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - brievekaort - briefkaart
brieveköpke

postzegel; letterlijk brievenkopje

- Gerard van Leyborgh (pseudoniem van Lambert de Wijs); Tilburgsche Schetsen; Ceciliafeest; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1925-10-24 - Mar Harrie hedde gin brievekópke in oewe zak, want dan mot ik toch nog effe weg schrève.
brievezèkske
zelfstandig naamwoord

brievenzakje, enveloppe

- Lowie van Dorrus Misters; Uit onze Tilburgse folklore, aflevering 12; Van postwagen en diligence; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1951-12-11 - Postagentschappen bestonden nog niet. Wel verkocht men in sommige winkels postzegels, maar met verhoging van een halve of hele cent en daar werd 70 jaar geleden ook rekening mee gehouden. Men verkocht bijvoorbeeld postzegels en schrijfbehoeften, velletjes brievenpapier, brievenzekskes of avelotten (enveloppen), pennen en inkt in t Herringsend (Haringseind, Korvelseweg) bij F. v.d. Hout-Becx, op Korvel bij Trui Bos (recht tegenover de brievenbus), in den Berrendijk (Berkdijk) bij Piet van Heijst. Zo zal het in andere buurten ook wel geweest zijn.
brikt

persoonsvorm van breeke breekt 2e + 3e persoon enkelvoud; tegenwoordige tijd van breeke, met vocaalkrimping

bril
zelfstandig naamwoord

bril

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 108, 1970-08-13 - Van een man met opvallend kromme benen kon men horen zeggen Hij loopt mee nen bril; het is een goeie om een verken te vangen. De bril waarmee we hier te maken hebben, was een rond gat in de planken wand van een varkenskot. Het varken moest hier de kop door steken om uit de aan de buitenkant staande trog te kunnen eten. Dit was bruikbaar voor een varken van drie maanden maar ook voor een groter. Het werd afgesloten met een houten schuif, welke door een pinnetje in een gaatje op bepaalde hoogte kon worden vastgezet. Men meldt ons ook, dat van iemand met kromme benen gezegd werd: Hij staat vene teens. Met dat vene weten we helemaal geen raad.
brillejood
zelfstandig naamwoord

samenstelling uit bril + jood brildrager

- Henk van Rijen ; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 brillejood scheldnaam voor brildragende
- Hans Hessels; opgetekend uit familiekringen Hessels en Marinus, 2019 brillejood (oorspronkelijk een joodse handelaar die brillen verkocht)
brilletiene
zelfstandig naamwoord

product om het haar te verstevigen en te doen glanzen In vloeibare vorm (haarwater) en als smeersel (pommade). Van het Franse werkwoord briller; schitteren, glanzen, en in 1867 daar geïntroduceerd als merknaam Brillantine.

- Zegsman Harrie van Boxtel, 2019 - brilletiene; jaren '50 van 20ste eeuw
britse
werkwoord

prakken, eten met een vork fijnmaken en dooreenmengen britse - britste gebritst; kinderspelletje

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - britsen - moeder maak britsen? - aardappelen op het bord tot brei maken
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 154, 1972-04-15 [onder schoolmakkers...] een medescholier bij armen en benen vastpakken en hem dan in ritmische herhaling met het achterwerk op de grond laten botsen.
- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Dan mòkte we in et midde vant bòrd in de boerekôol en költje om de sjuu in te doen. Èn dan mar britse, meneer. Lèkker! Èn dabbe, èn prakke. Gin gepielie. Spaoje!
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
- WBD III.2.1:359 - britse - aardappelen stampen, ook brouwen genoemd
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 britsen, bratsen - het eten fijn prakken met de vork, teneinde het vet daarin te doen trekken
bròbbele
werkwoord

borrelen

- WBD III.4.4:214 brobbelen - borrelen, ook bobbelen, bubbelen
bròbbele
bròbbelschèèt
zelfstandig naamwoord

samenstelling van brobbel (luchtbel) en schijt diarree

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - 'k Wo det ie et brobbelschijt kreeg. Ik wou dat hij diarree kreeg.
- WTT, Ed Schilders 2022 - Gezien de betekenis van 'bròbbele' als een geluid dat de darmen maken als er (veel) geborreld is, is 'bròbbelschèèt' daarvan mogelijk een ernstiger gevolg.
bròddele
werkwoord

broddelen, slecht werk afleveren

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1962-02 - gin sôrt van braaiwerk, bij ons noemen we dè, broddelen!
bròddelwèèrk
zelfstandig naamwoord

slecht uitgevoerd werk

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1970-09-23 [gehoord bij brei-bezigheden...] Dès broddelwerk, die braainolde zèn te laank, t is zunt want ge zèt al aon den buîknaovel
brödje
  1. zelfstandig naamwoord

    1. bruid, vrouw die in het huwelijk treedt

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 "'t Is nog ver van lachen", zei de bruid, en ze schreuwde.
    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - 'k Zal oe ok is dienen, zo gaauw as ge de bruid zait. [Doe het opgedragen werk zelf maar.]
    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - De's 'n aander bruid. [Dat is andere koek]
    - Dialectenquête Kernkamp, 1879 - Wè vur n klêd haad de bruid oan? (ui als in Frans Meuse)
  2. 2. mest van mensen, drek Afleiding van het Middelnederlandse brui

    - WNT, lemma Bruid II - 2. Vloeibare beer, menschendrek, Stercora liquida (Kiliaen 1599). In Holland gedurende de 17de eeuw veelal verbonden met vuil in de uitdr.: de vuile bruid uitdragen enz., den beerput ruimen. Vooral in woordspeling met Bruid [als onder 1.] Een woord dat reeds in de middeleeuwen, in Brabant, voorkomt en dat zeker wel verwant is met Brui...
    - A.J.A.C. van Delft; Van Vroeger Dagen, aflevering 110; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-04-29 - Als de beerput vol is, komt de boer ruimen en nimt dan de bruid mee.
  3. zelfstandig naamwoord

    bruidje

    - WBD - III.3.3:265 brödje; persèssiebrödje - bruidje in de processie
brodkaant
zelfstandig naamwoord

broodkant Letterlijk: zijkant van het brood, met name de zachte kant (zonder korst) van aaneengebakken broden; ook: brood Figuurlijk: het leven

- Pierre van Beek; "Ik heb het grootste stuk van mijnen broodkaant op", zei de oude Tilburger en hij bedoelde hiermee, dat hij het grootste deel van zijn leven achter de rug had. Aardig is hier de op de achtergrond zittende gedachte, die het leven doet zien als een brood, waarvan men telkens een stuk afsnijdt totdat er niets meer over is. De "sneden" zijn de voortschrijdende jaren en het verdwijnen van het laatste stuk betekent de dood. In Tilburg kan men ook nog wel de uitdrukking horen: "Langs de broodkaant snijen." In onze gedachte zit dat steeds verbonden met een rond brood, maar dit zou wel een zeer individuele opvatting kunnen zijn. Het betekent gewoon: een boterham afsnijden. Van Dale geeft het woord "broodkant" niet, wèl daarentegen "een kant brood" als deel van een brood. Een "half kantje" is daar de helft van een half, dus een kwart brood! Onze Tilburgse "broodkant" en die "kant brood" zijn voor ons gewestelijk taalgevoel niet precies hetzelfde.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 brotkaant - brood, eten, zijkant van het vloerbrood
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Zit te wir òn den brotkaant? - Heb je weer honger?
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - den brôodkaant nie in zene zak hèbbe [zonder verklaring]
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect (1916) - 't Grootste stuk van zijnen broodkaant ophebben. Door Mandos in Brabantse spreekwoorden (2003) toegelicht: Het grootste deel van zijn leven achter de rug hebben. (Broodkant = een brood waarvan al een stuk is afgesneden.) Variant: Z'n grootste korst brood ophebben.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 brokant - broodkant, grote kant (stuk) brood
- WBD - niet vermeld
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 broodkant - Hetgeene er van een brood overblijft, nadat er al veel afgesneden is Nen broodkant is minder als en half brood en meer als en körst.
brodkaantbrodkaant
brödspaor
zelfstandig naamwoord

bruidspaar

- WBD III.2.2:86 - bruidspaar
broebele
  1. werkwoord

    borrelen, opborrelen

    - Piet Heerkens; Dn örgel; Stilleeve, 1938 - Soms, ineens, begient de knaorrie,
  2. rilt n trillerig melodieke; puur en klaor gerol, gebroebel

    - Piet Heerkens; Dn örgel; Moedertaol, 1938 - Melodieë moete vloeie/ moeten as fonteine sproeie/ moeten broebelen as n bron/ lekker leuteren in de zon.
    - Piet Heerkens; De Kinkenduut; Naachtegaol, 1941 - Heur m toontjes brabbele, broebele...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Bad Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938-12-31 - 1939-02-18 - ...te kijken of ze et waoter ergeraand zaage broebele...
    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); t Spook; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-01-03) - ...en toen ik vlakbij kwaam, begos er daor ineens iets te broebele en ik heurde iets spolderen in t waoter.
broebels
zelfstandig naamwoord

- Piet Heerkens; De Kinkenduut; De paoter en de kinkenduut, 1941 - en ik blaos er de broebels in t waoter...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 broebels luchtbellen
- WBD III.4.4:213 - broebel - luchtbel, ook brobbel, bobbel, bel
- WBD III.4.4t:231 brobbel - bobbel, ook bult
broeder
zelfstandig naamwoord

pannekoek; flinke drol

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ene flinke stront
broeje
werkwoord

broeden broeje - broejde gebroejd; korte oe

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 bruje - broeje (geen umlaut wegens volgende j)
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1978-06-09 - de gaans zaat te broeie
- Sjaak Smolders; schriftelijke mededeling, 2017 - In de jaren 50 en 60 was bij ons thuis in de winter de enige verwarming de kolenkachel in de huiskamer, en later nog een kolenkachel in de keuken. En de kachel moest s nachts uit. Als ik wel eens s morgens moeite had om mijn heerlijk warme bedje uit te komen, dan riep ons moeder: Ge bent toch zeker geen sneuw aon t broeie! Dat zei ze ook als je uit de kouw van buiten kwam en dan te lang met je rug naar de kachel ging zitten.
- WBD III.4.4:12/13 - broeilucht, broeierige lucht - lucht die onweer en regen voorspelt
- WBD III.4.4:31 - broeierig, broeiend weer - benauwd weer
- WBD III.1.4:18 broeden - in het geheim uitdenken
- Goemans, Leuvens taaleigen, 1936 - broeden - bruje brude - gebrut
broek
zelfstandig naamwoord

broek

broekèkster
zelfstandig naamwoord

(Vlaamse) gaai

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - gaai (garrulus glandarius)
- WBD III.4.1:149 - broekèkster gaai
Broekhoove
zelfstandig naamwoord

Broekhoven (wijk in Tilburg-Zuid); genoemd naar de hoven in het broek

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 8, Neuwsblad van het Zuiden, 1964-07-04 - Van iemand die erg rap was, kon men horen zeggen "Gij zijt zeker mee den Broekhovense tram meegekomen". Nu heeft er op Broekhoven nooit een tram gereden. "De Broekhovense tram" was dan ook de bijnaam van een oude baker, die altijd snel liep - eigenlijk was haar lopen snelwandelen! - zegt onze briefschrijfster.
- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, zegsman J. Mandos sr., opgetekend in Tilburg 1950 - Naar de spleet van Broekhoven moeten. Moeten betalen; naar de broekzak moeten (daarin zit immers de beurs).
broekjanneke
zelfstandig naamwoord

ekster

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - ekster (pica pica)
- WBD - broekjanneke ekster
broeknaachtegaol
zelfstandig naamwoord

kikker

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - broeknaachtegoal kikker
- WBD III.4.2:111 - broeknachtegaal - kikker, ook genoemd kinkenduut, of kikkebil, kinkvors, puit, kikker
- WTT, Ed Schilders 2022 - Het lijkt niet uitgesloten dat de zang van de nachtegaal hier wordt vergeleken met het gekwaak van de kikvors, waarbij het laatstgenoemde geluid wordt vergeleken met winderigheid. Zoals een scheet ook wel, en zelfs in het ABN, 'broekhoest' werd genoemd.
broekpoeperke
zelfstandig naamwoord

broekpoepertje; kind dat nog niet zindelijk is

- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-04-12 - Is ie al dreug, Drieka..? Bekaant, Miena.. Af en toe verliest ons broekpoeperke nog wel is wè...
- Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Hoe grôoter de strêûp hoe beeter. Ge had toen ok nòg veul mêer sorte kender dan teegesworreg. Ge had irst platte kènder. Dè waare de kiendjes die nòg nie kosse lôope. Die wèrre dikkels ok haawkènder genoemd, omdèt moeders ze òn de mèm moes haawe. Asse dan grôoter wiere van et zòg, dan waare-n-et irst klutjes, dan ploddekes, en dan brakke. Ge had ok nòg broekpoeperkes, jungskes, mèdjes òf durskes.
broekrije
werkwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - aachter zen broek rije - iemand dwingen door te lopen
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 broekrèèje - iemand bij zijn kraag en de kont van zijn broek pakken, iets optillen en vooruit duwen
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - broekrije - iemand achter bij zn broek en zn kraag grijpen, wat optillen en hem zo dwingen om te lopen
broekspèèp
zelfstandig naamwoord

broekspèèp

- WBD III.1.3:122 broekspijp
broeksriem
zelfstandig naamwoord

broekriem

- WBD III.1.3:123 broeksriem - broekriem; ook broeks(en)band
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 broeks(ch) - van of behoorende tot eene broek; broeksche buil broekzak; broeksche pijpen - broekpijpen
broelie
zelfstandig naamwoord

rommel, gewoel, wanorde; kinderschare (denigrerende betekenis) uit het Frans brouille

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 154, Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-04-15 - Een vrouw die "met heel haar broelie af komt zetten", brengt een "hele streup" (rij, serie, hoop) kinderen mee. Het gebruik van het denigrerende woord "broelie" verraadt, dat men op dit bezoek helemaal niet gesteld is. Voor dat "streup" zien wij verband met "streupen", het dialectische woord voor "stropen" in de zin van afstropen.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - kinderen (broedsel); un vrammes meej hil heur broelie - een vrouw met haar hele kinderschare
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - wanorde
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 10 04 - Mar 't risseltaot van al dn broelie...
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 2010-02-07 - Toen ze èfkes der kont gekeerd ha, han de kènder enen hôop broelie gemòkt. - Toen ze eventjes niet opgelet had, hadden de kinderen een hoop rommel gemaakt.
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 - broelie (Frans brouille) - wanorde, onoverzichtelijke toestand die iemand de neiging bezorgt zich terug te trekken en hil den broelie achter zich te laten.
- WNT broel, daarnaast broelie - in den zin van rommel, gewoel, wanorde
broelieje
werkwoord

krioelen

- WBD III.1.2:22 broeliën - krioelen; ook wemelen, wriemelen, friemelen, kriemelen, krieuwelen, draaien
Broer
zelfstandig naamwoord

- WTT; 2015 - In een gezin dat reeds meisjes telde, kreeg de eerste jongen vaak de voornaam Broer
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 Broer - Als na het eerste kind (een meisje) een jongetje werd geboren, werd dat dikwijls Broertje of Broer genoemd.
broerdeghèd
zelfstandig naamwoord

narigheid

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - ...en de grotst meugelijke broerdighei uitgehaold
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Zènen naom was den Dadder. Dr kos gin kilometers in den omtrek broerdighei uitgehaold worren of hij wies er van.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 brôêrdereghèt/hèj - beroerdigheid, narigheid
broerdighei
zelfstandig naamwoord

narigheid

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - ...en de grotst meugelijke broerdighei uitgehaold
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Zènen naom was den Dadder. Dr kos gin kilometers in den omtrek broerdighei uitgehaold worren of hij wies er van.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 brôêrdereghèt/hèj - beroerdigheid, narigheid
broes
zelfstandig naamwoord

schuim (bijvoorbeeld op de mond van een paard); schuimbeestje

- WBD III.4.2:223 - broes - schuimbeestje (philaenus spumarius), ook schuim genoemd of snot
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 broes - schuim, vooral op de mond van een paard; ook wel gezegd van mensen die zich opwinden bij het praten den broes stond op zne mond.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 broes, broesem -bruis, dik schuim; den broes stond op zijn lippen
broeze
werkwoord

schuimen

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Oome Teun in den trein; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939-09-16 n boerinneke [...] mee twee eemers versche roome, die ze pas gemolken had, et schuim stond er nog op te broezen.
brojke
zelfstandig naamwoord

broodje

- Informant Ad Vinken - broodje, kadetje
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-06-24 - Zeg kende gij dè brooike nog/ Van klaoren blom.. van enkelt rog/ t hartjesbrood...
- Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; Gin zin mir...; ongedateerd knipse uit de Tilburgse Koerier 1960-1980- Aacht brooikes dik meej zult èn kèès...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - brôojkes meej kèès (oorspronkelijke maaltijd na een begrafenis) (ook Stadsnieuws; dialectrubriek, 2006-05-07)
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - brôojke
- Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - brooikes mi kês
- WBD III.2.3:l97 broodje - wittebroodje, ook klontebrooike of suikerbroodje
bròjke
zelfstandig naamwoord

klein stuk braadvlees of gebraden vlees; het opgewarmde restje van het vlees, prakje

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-09-19 - Hij hield van (...) braoikes... en van overschot... van kaoikes... en gerukte sprot.
- Ad van den Boom; Bè de wèèvers òn tòffel, circa 2005 - En van de overschotte van de dag/ Vurt slaope ok nog braojkes
- Piet van Beers; Spoeje doemmeniemer; Allêen òn tòffel, 2009 - As ik mn braoike op hèb gaok de tòffel afrèùme...
- WBD III.2.3: 123 braadje - kliekje
- WBD III.4.4:265 braadke - klein overschot
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 braoj - bij Van Dale Zuidnederlands voor schijfje spek om te braden. Behalve hoeveelheid om te braden betekent het woord ook wel nogal dik achterste
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bra(d)e, braai (uitspraak braoë, broa) - eene snede spek of hesp, gelijk men ze pleegt te snijden om ze in de pan te braden.
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - braojke - prakje
bròk
zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 bròk toffee
- WBD III.2.3:245 - brok, brokje babbelaar
bròkke
werkwoord

brokkelen

- Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Mar ons moeder had ok nòg wè in de pap te bròkke.
bròksel
zelfstandig naamwoord

beschuitenpap

- Ed Schilders; WTT 2012 - Het is vooralsnog onduidelijk of dit woord terug gaat op bròk (namelijk de brokjes van de beschuit), dan wel op een verkorte vorm van braaksel, dus een visuele overeenkomst omdat de pap op braaksel lijkt; vergelijk het snoepgoed dat kattespouw werd genoemd, het braaksel van een kat. Of op brok als dialectische variant van breuk, breuksel, namelijk de gebroken beschuit als ingrediënt van de pap.
- WBD III.2.3:143 - broksel beschuitenpap; ook luiwijvenpap
brökske
zelfstandig naamwoord

brokje, stukje, snoepje

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-05-29 - bloozend brokske onverstaand...
Bròkwaaj
  1. zelfstandig naamwoord

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 Bròkwaaj - Brockway (naam van de eerste Tilburgse stadsbusdienst)
    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Èn wè was de irste bus, de Bròkwaaj?
  2. Nieuwe Tilburgsche Courant - ca. 1930

brollie
zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 kinderschaar
brollie
brölòft
zelfstandig naamwoord

bruiloft

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1975-01-17 En de biste plaots bij un begraofenis en n en bruiloft des den twidde waoge...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Daor hèn ze bröleft - Gezegd van het legen van de beerput dwars door het huis
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - bij en mis drinkt er êene èn zinge ze allemòl bij en brölòft zingt er êene èn drinke ze allemòl
- Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - bruloft (met ö van Götter)
- WBD III.3.3:301 - brölòft - bruiloft
bròmke
  1. zelfstandig naamwoord

    - Hein Mandos; kladscriptie Nijmegen, 1932-33 - braam
    - WBD III.4.3:l50 - braambezie, braambezem - braambes
  2. zelfstandig naamwoord

    braampje

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 bròmke - braampje
bromollie
zelfstandig naamwoord

petroleum (uit bronolie)

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - ...dè was bronolie op t vuur...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant 1939-02-25 - 1939-04-18 - ...jullie bronolie-krantje, den Bode van Baozel...
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - was er zonne man, zon man van et gaslicht òngestèld, meej zonne lange stòk meej zon lèmpke veur derin. Petrollie, hè, en knoetje in, meej bronnollie. Èn dan gingie saoves dieje lantèère veur in dè gòtje steeke. De lantèèren ònmaoke!
brönder
naam

bruin, bruiner, bruinst

- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - enen brèùnen èèrm haole - in het gevlij komen, strooplikken
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 53, Nieuwsblad van het Zuiden 1966-05-14 - "Het zakt as bruin bier" wordt gezegd in letterlijke en figuurlijke zin van iets dat snel minder wordt. De vergelijking zal wel stammen uit de tijd, dat er nog veel gerstebier gedronken werd en slaat op het snel verdwijnen van de brede schuimrand in het glas.
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - brèùne bèère - trappisten
- WBD III.3.1:259 - een bruine arm halen - vleien
- WBD III.2.3:190 - bruin brood - zemelenbrood
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bruin; t al te brön maoke - het al te bont maken
bröneg
naam

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 bröneg - bruinachtig
bronollie
zelfstandig naamwoord

petroleum (uit bronolie)

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - ...dè was bronolie op t vuur...
- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); Den Sik van Baozel, feuilleton in 8 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant 1939-02-25 - 1939-04-18 - ...jullie bronolie-krantje, den Bode van Baozel...
- Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - was er zonne man, zon man van et gaslicht òngestèld, meej zonne lange stòk meej zon lèmpke veur derin. Petrollie, hè, en knoetje in, meej bronnollie. Èn dan gingie saoves dieje lantèère veur in dè gòtje steeke. De lantèèren ònmaoke!
bronollieboer
zelfstandig naamwoord

verkoper van petroleum

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 01 02 - Ik vroeg deez' week verschaaie meense: / "Hèdde efkes tèd messchien? / Zodde gij mèn is wille zegge, / Wè vènde gij 'n goei begien?" / / D'n bronollieboer: "Ik wô dè ons Trees niemir maauwde / Dè ik nie genog verdien / En dèsse mèn m'n pilske gunde / Dè was vur mèn 'n goei begien."
bronolliekan
  1. zelfstandig naamwoord

    kan voor petroleum bronollielaamp zelfstandig naamwoord petroleumlamp

    - WBD III.2.1:274 - bronollielaamp - petroleumlamp
  2. zelfstandig naamwoord

    bronolliemesjientje petroleumstelletje

    - WBD III.2.1.236 - bronoliemachine, bronoliemachientje, machientje, bronoliestelletje
  3. zelfstandig naamwoord

    Bronsgist

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel (1996) - Bronsgeest, kruidenierszaak op 't Heike
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - Bronsgeest, kruidenierszaak op t Heike
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ge mót ze wè toegeeve, zeej Brónsgist - geef ze maar gelijk
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hij is zout haole bij Bronsgist - gezegd als men niet wist waar iemand heen was
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hij leest den bèùl van Bronsgist - hij kan het weten (maar die builen waren onbedrukt)
    ► 9
    ► 9 c itaten over Bronsgist
brönst
naam

bruin, bruiner, bruinst

- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - enen brèùnen èèrm haole - in het gevlij komen, strooplikken
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 53, Nieuwsblad van het Zuiden 1966-05-14 - "Het zakt as bruin bier" wordt gezegd in letterlijke en figuurlijke zin van iets dat snel minder wordt. De vergelijking zal wel stammen uit de tijd, dat er nog veel gerstebier gedronken werd en slaat op het snel verdwijnen van de brede schuimrand in het glas.
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - brèùne bèère - trappisten
- WBD III.3.1:259 - een bruine arm halen - vleien
- WBD III.2.3:190 - bruin brood - zemelenbrood
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bruin; t al te brön maoke - het al te bont maken
broo
zelfstandig naamwoord

bureau, bureautje

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Ak zoo vur mn brooke zit te staore
broobroo
brôod
zelfstandig naamwoord

brood, tarwebrood van (volkoren) tarwemeel, al dan niet gemengd met gebroken tarwe en tarwevlokken, en waarin zemelen met het blote oog waarneembaar zijn. (Koninklijk besluit 4 juni 1998)

- WTT; aanvulling 2016 - in het Tilburgs was brôod meestal bruinbrood en roggebrood in het bijzonder; witbrood (melkbrood, waterbrood) werd meestal aangeduid met mik
brôod
brôodkaant
zelfstandig naamwoord

broodkant Letterlijk: zijkant van het brood, met name de zachte kant (zonder korst) van aaneengebakken broden; ook: brood Figuurlijk: het leven

- Pierre van Beek; "Ik heb het grootste stuk van mijnen broodkaant op", zei de oude Tilburger en hij bedoelde hiermee, dat hij het grootste deel van zijn leven achter de rug had. Aardig is hier de op de achtergrond zittende gedachte, die het leven doet zien als een brood, waarvan men telkens een stuk afsnijdt totdat er niets meer over is. De "sneden" zijn de voortschrijdende jaren en het verdwijnen van het laatste stuk betekent de dood. In Tilburg kan men ook nog wel de uitdrukking horen: "Langs de broodkaant snijen." In onze gedachte zit dat steeds verbonden met een rond brood, maar dit zou wel een zeer individuele opvatting kunnen zijn. Het betekent gewoon: een boterham afsnijden. Van Dale geeft het woord "broodkant" niet, wèl daarentegen "een kant brood" als deel van een brood. Een "half kantje" is daar de helft van een half, dus een kwart brood! Onze Tilburgse "broodkant" en die "kant brood" zijn voor ons gewestelijk taalgevoel niet precies hetzelfde.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 brotkaant - brood, eten, zijkant van het vloerbrood
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - Zit te wir òn den brotkaant? - Heb je weer honger?
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - den brôodkaant nie in zene zak hèbbe [zonder verklaring]
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect (1916) - 't Grootste stuk van zijnen broodkaant ophebben. Door Mandos in Brabantse spreekwoorden (2003) toegelicht: Het grootste deel van zijn leven achter de rug hebben. (Broodkant = een brood waarvan al een stuk is afgesneden.) Variant: Z'n grootste korst brood ophebben.
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 brokant - broodkant, grote kant (stuk) brood
- WBD - niet vermeld
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 broodkant - Hetgeene er van een brood overblijft, nadat er al veel afgesneden is Nen broodkant is minder als en half brood en meer als en körst.
brôodkaantbrôodkaant
brôodkaast
zelfstandig naamwoord

voorraadkast

- WBD spinde, voorraadkast of bewaarruimte voor levensmiddelen, ook genoemd eeteskaast, vliegekaast of kaast
brôodkrèùmel
  1. zelfstandig naamwoord

    broodkruimel

    - Pierre van Beek; Onze folklore, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1959-03-19 - De broodkruimels steken hem. - Hij doet zeer dartel, wordt overmoedig en let niet voldoende op de kleintjes.
  2. Afbeelding uit het 'Nuuw Tilburgs Leesplèngske' dat in 2020 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven in samenwerking met Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant en Erfgoed Tilburg. De illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn.

brôodpaoter
zelfstandig naamwoord

broodpater

- Karel de Beer; Tilburgse bijnamen, CuBra brôodpaoter - Gerrit Poels - Men bleef hem pater noemen, hoewel hij al in 1969 uit het klooster trad om zich geheel aan de armenzorg in de stad te wijden. Oprichter van Huize Poels voor daklozen, eethuis De Pollepel en kringloopbedrijf La Poubelle. Was initiatiefnemer achter enkele stichtingen op dit gebied, genaamd Poels, Blut en Broodnodig. Vanaf 1990 richt hij zich volledig op het rondbrengen in alle vroegte op zijn fiets van brood en andere levensmiddelen, ter beschikking gesteld door plaatselijke bakkerijen, supermarkten en producenten.
brôodpaoter
brôodpèèp
zelfstandig naamwoord

broodpijp fantasiewoord

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - Wè op de broodpaip speulen. Wat op de broodpijp spelen. Honger lijden.
brôodzak
zelfstandig naamwoord

broodzak

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 broodzak; de bakker die langs de deur ging, had die over zijn schouder hangen, met daarin voor en achter de brôojer.
brôoj
zelfstandig naamwoord

broden

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 brôoje naast brôojer
brôoje
  1. naam

    bijvoeglijk naanwoord van brooddeeg gemaakt

  2. werkwoord

    zoveel als: er brood van maken; figuurlijk bedoeld: zich redden, ergens in slagen

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - slagen, succes hebben
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - hè hee-g-ut gebrôojd - hij heeft het gehaald
    - WNT - brooden eigenlijk van brood voorzien, met brood voeden, onderhouden; figuurlijk zooveel als verzadigen, tevredenstellen
brôojer
zelfstandig naamwoord

broden

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 brôoje naast brôojer
brôojke
zelfstandig naamwoord

broodje

- Informant Ad Vinken - broodje, kadetje
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-06-24 - Zeg kende gij dè brooike nog/ Van klaoren blom.. van enkelt rog/ t hartjesbrood...
- Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; Gin zin mir...; ongedateerd knipse uit de Tilburgse Koerier 1960-1980- Aacht brooikes dik meej zult èn kèès...
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - brôojkes meej kèès (oorspronkelijke maaltijd na een begrafenis) (ook Stadsnieuws; dialectrubriek, 2006-05-07)
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - brôojke
- Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - brooikes mi kês
- WBD III.2.3:l97 broodje - wittebroodje, ook klontebrooike of suikerbroodje
brôok
werkwoord

brak oude verleden tijd van breeke; naast braak

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 01 17 - De opruiming bròòk deze keer / Ruim vur de tèd al los.
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, Tilburg. 1984 - mar t perd deh brook zn aachterste poot...
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 K-brôok bekaant munne nèk - ik brak bijna mijn nek
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 brook (zachte o); 2e hoofdvorm van breken
- Lex Reelick; Bosch woordenboek, 1993 & 2002 - brook - brak (onvoltooid verleden tijd van breken)
brooke
zelfstandig naamwoord

bureau, bureautje

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Ak zoo vur mn brooke zit te staore
brookebrooke
broow
  1. zelfstandig naamwoord

    bureau, kantoor; meer in het bijzonder het voormalige politiebureau van Tilburg aan de Bisschop Zwijsenstraat

  2. Auteur onbekend - Collectie Museum der Brotkultur , Ulm

  3. zelfstandig naamwoord

    bureau; in het bijzonder het politiebureau

bròsseg
naam

bròssem
  1. zelfstandig naamwoord

    brasem

    - WBD III.4.2:90 - brasem - brasem (abramis brama)
  2. zelfstandig naamwoord

    brasem; riviervis (Abramis brama)

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 08 19 - ...hij zwom as enen bròssem...
    bròssem
bröst
zelfstandig naamwoord

bazig of koppig iemand

- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - de bröste - Jaan & Kees Pap-van Pelt
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - bröst - lomp manspersoon
brösteg
bijwoord

bronstig; tochtig (van een zeug)

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - bröstig - ons vairke is bröstig - bronstig, tuchtig
- Stadsnieuws; dialectrubriek, 1991-07-06 - De stier waar wèl brösteg, mar de koej nog nie stiereg
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken?, Deel 1, 2006 As ge naa zegt tussen de soep en de èèrpel en op de keukentoffel, dan kos ik oe nog wel geleuve Dré, mar veftien keer, dan zèède nog bröstiger dan un knèèn, zeej Driekske.
- Van de Schelde tot de Weichsel; Een roestpraatje; deel 1, 1882 - En t zèugske, dat naauw brùstig is, kunnoe goeschiks nao den beer doen.
- WBD - geslachtsdrift vertonend (van een koe), ook stiereg of rits genoemd
- WBD - tochtig, gezegd van een vrouwelijk varken
- A. A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek, 1995 - bruistig, pruistig, briestig, britsig - tochtig
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 bruistig, bröstig - (van varkens gezegd) loops; ook wel ruw en opvliegend van karakter
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bruistig (uitspraak brösteg) - bronstig, tochtig; sprekende van zwijnen
- WNT - bruistig - onstuimig. Waarschijnlijk, zij t ook niet rechtstreeks, afgeleid van bruisen
brul
  1. zelfstandig naamwoord

    brul 1.1 kenmerk van bronstige koeien

    - WBD - et brul hèbbe - lijden aan de brulziekte (bronstig bij koeien)
    - WBD - en brul - koe die aan brulziekte lijdt
  2. 1.2 blijkbaar ook voor onvruchtbare koe

    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 brul - eene koe, waar men geen kalf in krijgen kan; onvruchtbare koe.
  3. naam

    2 in samenstellingen

brulle
werkwoord

bronstig springen, loeien

- WBD - van een koe; bronstig op een andere koe springen, ook rije genoemd
- WBD - loeien, ook blijte, blèère, kweeke of kwèèke genoemd
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - brullen - Wordt niet enkel gezeid van t geluid van wilde dieren, maar ook van t geloei van t hoornvee. Ook luidkeels schreien
bruuds
naam

broeds uu is kort

- WBD - broeds (in Hasselt)
bruuje
werkwoord

broeden

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-03-09 - t bruujt rontelom...
- WBD - bruuje (Hasselt) - broeden, op eieren zitten
- Willems; Dialectenquête, 1887 - bruuje - bruujde - gebruujd; ik bruuj, gij/hij bruujt
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 bru(d)en broeden; daar bruudt iet.
bruukske
zelfstandig naamwoord

verkleinwoord van broek broekje

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bruukske
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Een bruukske van vruuger ha veul weg van innen envelop in vurfrontje mee in lèfke er aon, dè net zaat as in visje, en van aachteren de klep mee twee knupkes.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 01 14 - Ons Tèske hee n bruukske nòòdig... - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 09 19 - Mar n kort gèmslère bruukske / Ge wit wel, mee zò'n gròòte klep / Zô'k vur gin duuzend gulde aondoen / Omdè'k te dunne bintjes heb. - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad, Tilburg 1984 - en bruukske meej en gòtje
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-01-16 - En ik strèèk mn bruukske wir vors in de plooi.
- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1986 - Wat zal het dun deur z'n broekje drentelen. Wat zal het hem dun door zijn broek lopen. Hij zal van angst diarree krijgen.
bruur
  1. zelfstandig naamwoord

    broer, jongen, maatje, vriend lange uu 1. broer als bloedverwant

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - onze / jullie/ hullie bruur
    - Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Bij iemand met erg grote voeten: - Dès en bruur van Sanders! ook wel als vraag - Zèède gij en bruur van Sanders?
  2. naam

    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - De een: Ik zal oe es vur oew bakkes slaon! De ander: Wie nimde daor vur meej? De een: Den deeze, èn dès en bruur van den dieje! (laat beurtelings zijn vuisten zien) Als twee vechtjassen elkaar overbluffen.
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - Waannir komd u bruur jaaw bezuuke?
    - A.A. Weijnen; Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - men bruur war muug
    - H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 bruer voor brueder, als broeder voor broer
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bruur - broeder; broeder wordt gebezigd voor kloosterbroeder e.d.
  3. 2. broer als koosnaam

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1956-08-18 - Zôdde-me-nie-is-wille-stuupere-bruur...? - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-02-12 - Hoe is ter meej bruur... - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1971-02-12 - Witte gij waor Gôôl leej, bruur.. - Cees Robben; Prent van de Week; Niewsblad van het Zuiden, 1987-04-10 - Ge het wirris abuus bruur..
bruurke
zelfstandig naamwoord

broertje, klein kind, jongen (zelfs als het een zoon is) de u is nu kort

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1959-10-03 - haauwt dè bruurke in de gaote...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1967-12-08 - Kek toch is wen diepe gatte vadder../ Dè zen gin gatte bruurke.../ Dè zen gaoter...
bruutaol
naam

brutaal

- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? brutaol - nie te brutaol optreejen
- WBD III.3.1:221 - brutaal, strant, astrant - vrijpostig
- WBD III.1.4:130 brutaal - moedig
bruuw
naam

ruw

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, 1968-12-27 - Noemde gij dè baord? Dan is schèère dr nog nie bij, ge kunt beter n bruwe kaort neeme en aanders gao-de mar ns in unne flinke wènd staon
bui
zelfstandig naamwoord

regenbui

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 4; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-11-02 - Zède getrouwd dan wordt dè netuurlijk n moeilijker geval mar dr is toch ôk wel n mouw on te paassen. Ge brengt [van de kermis] vur oe vernomste helft van oe trouwbuukske bij zon gelegenheid nen buil stroopmoppen of n paor kwattas mee; dè is n veul beter remedie tegen onweer as nen bliksemafleijer: de bui drijft over zonder dè-get rommelen heurt!
buk
zelfstandig naamwoord

handel, verdienste, werk

- Interview Bertens, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - Toen ging den buk zon bietje meer aachterèùt èn toen isser de man ötgescheeje, witte wèl!
bukkem
  1. zelfstandig naamwoord

    bokking, gerookte haring

    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 14, Nieuwsblad van het Zuiden, 1964-10-21 - Het is mogelijk, dat het bij de jonge generatie niet zo aanslaat. Voor haar is een "bukkum" (bokking) bijna 'n onbekend product. Dit in tegenstelling tot 10-tal jaren geleden toen gerookte bokking een goedkoop volksvoedsel was. Vooral tijdens de vasten werd er nogal bokking geconsumeerd. Zodanig, dat men in die tijden van iemand, die een nogal bruine (gerookte?) huidkleur had wel eens schertsend kon horen zeggen, dat dit kwam van het vele bokking eten...
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 14, Nieuwsblad van het Zuiden, 1964-10-21 - Nu we toch in de kattewereld toeven: een jeugdig paartje liep zeer lief, arm om elkaars leest, door het wandelbos. Plots zei een gepensioneerde op een bank: "De kat sleept mee den bukkum!" We vonden het oergeestig. Iedere poging tot uitleg bederft het. Je kunt de betekenis enkel maar voelen! Daarin zit juist het geestige.
    - Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 147, Nieuwsblad van het Zuiden, 1972-01-13 - Een mens kan niet steeds het beste genieten. Hij moet in het leven het goede met het kwade nemen. Deze levensles hoorden wij op de volgende manier vertolken: "Ieder iets van de bukkum (bokking), al is ie nog zo plat!"
    - Willem van Mook; Het land der Brabantsche week; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1930-07-31 - Jaans hee al van alles gedaon: op de Mert gestaon mee gaoren en baand en mee visch en gruunten geleurd. Dr echt artikel is eigenlijk vorschen bukkem. Mar as ze gin centen hee om gruunten of vorschen bukkem te koopen, dan gao ze mee dren man naor de Vuchterhaai, zaand schoepen. Dés de goeikoopste handelswaor die t er is.
    - Willem van Mook; Het land der Brabantsche week; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1930-07-31 t Is dè wr, zoo klaogde ze, in den pruimentijd wè fruit en in de Vaasten we vorschen bukkem bij verkoopen, mar aanders was t nie om te doen.
    - Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - vorsche bukkem
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 06 03 - Nimde gij bròòd mee bukkum mee?
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 62 02 02 - Hil de week deur unnen bukkum en zondags n aai.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Rooms Leven, 1968-04-05 - aacht vorse bukkeme, liefst meej mölluk/ En gin zaaiers...
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1986-04-25 - Bukkum [opschrift in de tekening] - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1962-11-30 - Vurrukkelukke bukkeme... Aacht vur n kwartje... Vur-de-voet-gevat...
    - Anoniem; Tilburgs folklore; n Kaoi rikkemedaosie, Nieuwe Tilburgse Courant, 1959-11-19
  2. Toen ging ie mee bukkum leure, mee de kreugel van de buur, Jaans pluisde wol, deej stukke, t was genog vur brood en huur.

    - Interview Van den Aker, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2014 - den êenen tèèd krêede brôod onder oewen èèrm èn den aanderen tèèd krêede en stuk òf drie bukkeme èn dòr koste saoves meej opstappe èn dè was al wègge krêegt van de, van hil den dinge en gin lôon!
buks
zelfstandig naamwoord

verkorting van bukskin ▼ bukskin

- Gerard van Leijborgh; De laatste Tilburgsche huiswever, aan het woord Frans van Geloven; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-10-26 - En wat was zoo wat je eerste werk? Eerst moest ik de wever helpen om het te leeren, zooveel als bij-wever; doch spoedig deed ik het zelf en weefde toen bokkebaai, later ben ik op de buks gegaan.
- WBD II.4 - Van Dale zegt bij bokkebaai grove wollen stof. De respondent van K 183 (Tilburg) stelt bokkebaai gelijk met bukskin .
bukske
zelfstandig naamwoord

kleine bok; verkleinwoord van bok

- WBD - mannelijk jong van een geit (in Hasselt)
bukskin
zelfstandig naamwoord

buckskin; stofnaam (textiel); zeer grof wollen weefsel

bukswèèver
  1. zelfstandig naamwoord

    bukskinwever

    - WBD II:942 bukswèèver, bukskinwèèver - bukskinwever
    - WBD II:947 buksketaaw, buksgetaaw, bukskinketaaw - bukskingetouw
  2. samentrekking

    b ù ns

    - Reflector, in weekblad Groot Tilburg, 08-12-1944 - In de titel van een wekelijks column: Bons, Bùllie en Gienderwèt.
bult
zelfstandig naamwoord

bult, bochel, buil, gezwel

- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den gouwen bult - Bernard Pessers
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - bultje Van Dijk n kapper uit de van Hogendorpstraat
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - bultje Eras - Hans Eras
- Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - bultje Franken - ... Franken, Goirkestraat
- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1954 - Mi 'n bultje van devotie lopen. Met een bultje van devotie lopen. Met een scheef hoofd lopen.
- Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend in Tilburg 1965 als roep van een venter - As 't veur niks is, de bulten erop. Als het voor niets is, de bulten erop. 1. Het ervan nemen; het is voor niets. 2. Oorspronkelijk de inhoud van de maatbeker niet gladstrijken, zodat men naast de juiste maat, bij het scheppen telkens een bult meer neemt of geeft. Een kop = inhoudsmaat voor droge waren: algemeen 1 liter, in Tilburg 4,7 liter.
- WBD III.1.2:263 bult - gezwel
- WBD III.4.4:231 bult - bobbel, ook puistje; hoogte in het land (in Hasselt), ook horst genoemd
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 bult - bochel, oneffenheid. Als lichaamsgebrek voorwerp van veel scherts. De uitdrukking belofte mokt schuld, en ègget nie volbrengt, kredde nen bult, en, als antwoord op hoe laat is t?, kwart over den bult, t hee krèk gespuld.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bult - bochel; hoogte, heuveltje; buil, knobbel.
bumke
  1. 1. enkelvoud - bôom

    - Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - ene kaolen bôom - een boom zonder bladeren
    - Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1983-04-15 - den appel valt nie ver van den bôom...
    - Frans Hessels (1931-2006); uitspraken opgetekend door zoon Hans Hessels, 2020 - Er loopt een neger voorbij op straat - die hèbbe ze meej en spiegeltje öt den bôom gelòkt!
    ► <span style="font-family:"Garamond","serif";
  2. 2.1. meervoud bôome, bôom

    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Onze vadder groef aaltij, meej zenne maot, de wortels van afgezaogde bôom öt de grond.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - Et verschil in et landschap hier, vergeleeke bij ons, zaat em in de rije hôoge boom
    - Henriëtte Vunderink; Tis de moejte wèrd; Hèrfst, 2011 - Èn et grasvèld leej gelèèk bezaajd/ meej blaojer, van de bôom gewaajd...
    - Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - boomen en struike (meestal boum(?))
    - Hein Mandos; Brabantse spreekwoorden, 2003, opgetekend Tilburg 1976 - ik zit liever onder de bomen dan onder de mensen.
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 Volgens kaart 63 ligt Tilburg in smalle strook zonder e (sjwa), zonder umlaut in pluralis. - De meervoudsvorm met umlaut [bêûm] komt voor in het Midden-Noord-Brabants.
  3. 2.2. meervoud - bêûm

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 meervoud bôome, verouderd bêûm
    - Lauran Toorians; De beum ston in de rij; CuBra; 200? - De beum ston in de rij -/ ontblaoierd dur de wend en wochtend op de wenter.
  4. naam

    3. onderdeel van werktuigen

    - WBD - balk van een egraam (Hasselt); men kent bijvoorbeeld vierbôomers
    - WBD - schórbôom schelfhout; stuk rondhout als onderdeel van een hooizoldervloer
    - WBD II:951 - dwarsboome - scheien van het handweefgetouw
    - WBD II:957, 961 - gaorenbóóm, borstbóóm van een weefgetouw; ook vörbóóm
    - WBD III.3.1:411 - boom - slagboom, ook brier genoemd
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - Tontje Bôom - Ant. v.d. Boom
  5. zelfstandig naamwoord

    boompje verkleinwoord van bôom

    - Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - Swirskaante de kaajbaand ston bumkes. - Aan beide zijden van de stoeprand staan boompjes.
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bumke
    - Piet Heerkens; Dn örgel; De spin en de bie en de mus, 1938 - Er stond n sparrebumke, verborgen in n huukske
    - Cursus in Tilburgs, 1948 - Zwirskaante de kaaibaande stinte bumkes.
    - Piet Heerkens; De knaorrie; t Peerebumke, 1949 - Vijftig peeren aon één bumke, aanderhalve meter hoog!
    - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 - bumke
    - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 - dè bumke zal daor moejlek kunne groeje
burd
zelfstandig naamwoord

bord, boord, zijschot en/of sluitplank van een karbak

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 burd - zijschot van kruiwagen
- WBD - II:2802 - aachterburt - sluitplank aan achterzijde van een karbak
burderèk
zelfstandig naamwoord

- WBD bordenrek; houten rek aan de muur, waarin men de afgewassen etens- of sierborden bergt (in Hasselt)
burger
  1. zelfstandig naamwoord

    burger, burgemeester (en dan altijd met den)

    - Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe dokter, feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-01-27 - 1940-02-17 - En den burger is hier onze overigheid, dus hij moet iets doen...
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 01 18 - We hebbe 'ne Geminte-raod / Om d'n börger te diene
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - den börger - de burgemeester
    - Henriëtte Vunderink; k Zal van oe blèève haawe; Lintjesrèège, 2007 - Ieder jaor, rond de verjòrdag/ van onze Kôonegin,/ wòrren er dur den Börger/ hil wè lintjes opgespèld. ...
    - Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Karneval. We hèbbener jaore op moete wòchte, mar toen mogget van den börger.
    - WBD III.1:323 - burger, burgervader - burgemeester
    - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 burger, börger 1. iemand die geen boer is; 2. burgemeester
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - borger (uitspraak börreger) - burger
    - Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - börger - burgemeester
    burgerburger
  2. zelfstandig naamwoord

    burgemeester

burrie
zelfstandig naamwoord

burrie, berrie, brancard

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd); De nuuwe dokter, feuilleton in 4 afleveringen; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940-01-27 - 1940-02-17 - Jan Groen, de metselaar, ha n boerenker opgesteld en mee enkelde vlaggen behangen: dè waar t podium veur den burger, mee de burries naor aachteren.
- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek, aflevering 148; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1972-01-26 - Een Tilburgse moeder kwam eens bij de werkgever van haar zoon met de boodschap: "Onze Janus kan vandaag niet komen werken. Hij is uit de burries gevallen". Dat hield in dat hij ziek was. Die uitdrukking zal wel van de boerenkant komen, al weten we niet precies wat een uit de burries vallend paard betekent. In orde lijkt ons dit met zo'n paard in ieder geval toch niet.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hij leej öt de burries - gezegd van een boer die geen paard meer bezat
- Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - En kèèr geriffermeerd maoke! Dan din ze die op zene zijkaant gôoje, dè din ze saoves òf snaachs, hè! Op zene zijkaant èn dan de burrie die konde himmel ondersteboove draaje! Èn dan wir trugzètte! Dan moeste aatij vòlk gòn haole!
buske
zelfstandig naamwoord

bosje (zowel bloemen als bomen), bundeltje samengebonden groenten; busje

buskrèùt
  1. zelfstandig naamwoord

    buskruit

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - den dieje, as die et buskrèùt öt ha moete vèène, schôoteme na nòg meej pèèl èn boog.
  2. Hout sprokkelen - Charles Sprague Pearce

bussel
zelfstandig naamwoord

bundel (bijvoorbeeld van samengebonden groenten) bussels - dennebossen

bussel
bussele
  1. werkwoord

    samenbinden, bundelen

    - WBD III.1.4:47 - busselen - schipperen
  2. in verband met eten en drinken

    - WBD III.2.3; Eten en drinken, 2004 - langzaam en met smaak eten door kleine stukjes uit te zoeken of af te plukken. (in Tilburg)
busselke
  1. zelfstandig naamwoord

    1. bundeltje, busseltje

    - WBD III.4.4:258 'busseltje' = bundel
    - WBD III.2.3:79 'busseltje' = bundel groenten
  2. 2 . dodenteken

but
zelfstandig naamwoord

1. gier, poep

buts
zelfstandig naamwoord

deuk

- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - Er zitte veul butse in de môor. - Er zitten veel deuken in de waterketel.
- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden 1973-10-19 - Ze hebbe hier toch zonne lekkere zachte borrel, meneer... ge kunt er de butse innèèpe...
- WBD III.1.2:69 buts - bluts; ook deuk, duts, zonk
- WNT buts - buil, bult, gezwel; deuk
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - buts - indeuking, holligheid door drukking veroorzaakt
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - buts - weerzin; butsen - buts voor kneuzing
butse
werkwoord

deuken, kneuzen, bijvoorbeeld van vallend fruit butse - butste gebutst

butsmuts
zelfstandig naamwoord

valhelm

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - valhelm
buuk
zelfstandig naamwoord

korte uu beuk, beukenheg

- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1961-02-25 - Waor den buuk zn voetstuk had...
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - Gaode wè meer links op dan vènde oerwoude van eikelen en buuke stamme...
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont); Groot Tilburg, 1941; CuBra - ...in [een] heg van doren mee hier en daor wè buuk er tussen
- Kernkamp; Dialectenquête, 1879 nen buuk
- WBD III.4.3:114 - buuk, buukenbôom - beuk (fagus sylvatica)
- WBD III.4.3:191 - buuk - haagbeuk; ook genoemd haagbuuk, buukenhaag, buukenheg, rauwe buuk, gròffebuuk
buukenbôom
zelfstandig naamwoord

korte uu beuk

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 3; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1929-10-23 t Was t goud van dikke bukenboomen, die as kerkzuilen geplaant stonden in t sappige mos.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - buukebôom beukeboom
- WBD III.4.3:114 - buukenbôom, buuk - beuk (fagus sylvatica)
buukenotje
zelfstandig naamwoord

beukenootje

- Informant Ad Vinken - variant bukkenutje
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 buukenootjes
- WBD III.3.2:95 beukennootje
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bukenoot - beukenoot
buukenutje
zelfstandig naamwoord

beukenootje

- Informant Ad Vinken - variant bukkenutje
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant, 1952 buukenootjes
- WBD III.3.2:95 beukennootje
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - bukenoot - beukenoot
buukske

De overgang van de 'oe' in 'boek ' naar de korte 'uu' van 'buukske' lijkt dialectisch maar is in feite de oude, Middelnederlandse vorm van 'bucsken, -kin, buksken '. Deze vormen worden geciteerd in het lemma Boekscin van het Middelnederlands woordenboek. Bij het citaat vermeldt dit woordenboek uitdrukkelijk dat het een Zuidnederlandse uitspraak betrof, met een korte 'uu' en met verkleinvorm 'kin', welke vergelijkbaar is met bijvoorbeeld 'mannekin', mannequin, mannetje. 'Bucskin' is een leenwoord geworden in het Frans, en wel als 'bouquin', waarbij de oe-klank dus gehandhaafd is, waarschijnlijk op basis van 'boeckijn' of 'boeksckijn'. In zijn Dictionnaire historique de la langue française schrijft Alian Rey dat het woord 'bouquin' aanvankelijk als 'boucquain' in 1459 voor het eerst voorkomt in een Franse tekst, en aan het eind van de 16de eeuw als 'bouquin'. Uit deze vorm is onder andere afgeleid het beroep van bouquiniste, een verkoper met een boekenstalletje op de kade van de Seine in Parijs, met vooral ouder en goedkoper drukwerk, en tegenwoordig veel souvenirs.

buunder
  1. zelfstandig naamwoord

    korte uu 1. oppervlaktemaat bunder, hectare

    - Interview met Heikanters, 1978; transcriptie Hans Hessels, 2015 - In den orlog was dè goud wèrd, witte nie! Die klaajboere in de klaaj wast êen èn al kôolzaod! En dè bròcht veul op! Der kwaam ast goej kôolzaod was, drieduuzend kieloow van enen buunder!
    - WNT - bunder - in verschillende streken met helderen klinker buunder
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 bünder of beunder, 'buinder uitgesproken wordende
    - WBD - bunder (oppervlaktemaat)
    - WBD III.4.4:291 - kwart bunder - idem, ook zil
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bünder - bunder, landmaat ter grootte van 1 hectare
  2. 2. toponiem Den Buunder; ven tussen Moerenburg en De Baars, ook Grollegat genoemd

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 06 03 - Vier aovenden d'n èkker in / Dur bossen en dur haai / Mersjeeren langs d'n Buunder / 't Baksven en langs de Laai.
    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1957-03-16 - Blauwslôôt.., Buunder.., Baors en Broek....
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den Buunder - Grollegat (toponiem)
  3. naam

    Zonder titel; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1904-04-16 Maar aan dien plas, aan dien Buunder zou zelfs Gezelle meer dan droefheid hebben gehoord uit het weeklagend rietgezang... Wanneer s nachts de maan haar stralen schiet over de stille golfjes van dien plas, wie zegt dan, dat er niet witte gedaanten zweven over het watervlak; of als het onstuimig is in de lucht en de donkere wolken gitzwarte schaduw over de ruw-klotsende waterdeining vlekken, wie zou er willen gaan afwachten of er niet donkere schimmen langs de rietvelden jagen, en of het droevig lied er niet zingt van menschen, die in dien duisteren poel hun dood gingen zoeken of er jammerlijk omkwamen zonder hun schuld?.... Ik weet het niet, ik weet het niet, maar in mijn jeugd waarschuwden de oudere menschen ons reeds voor dien Buunder, als voor een verraderlijk, op menschen afgunstig water, dat onder zijn lachenden waterspiegel de valschheid verborg van de schoone sirenen, die met heerlijk gezang en lonkend oog den mensch roepen in zijn verderf. En als kind waren wij altijd blijde als wij den Buunder achter ons hadden.

    - Lowie van Dorrus Misters; Onze Tilburgse folklore, aflevering 13; Oude koffiehuizen in Tilburg, 1; Nieuwe Tilburgse Courant, 1952-02-16 - Aan de IJsclubweg voorbij de Buunder aan de weg naar het Baks Ven was het jagerscafé de Baars ...
    - Pierre van Beek; Van de Buunder en Baksven tot Galgeven; Het Nieuwsblad van het Zuiden, 1970-07-25 - Het zal wel de nostalgie zijn geweest, welke ons - met zomerprikkels in het bloed - plotseling naar die sinds lang niet meer bezochte contreien dreef! De Buunder, de Baars, Baksven, Galgeven, de Helleputten, Mie Pieters... Allemaal namen als evenzoveel vergulde herinneringen aan een tijd, waarin de zomers zomers en de dagen trager waren... De Tilburgers trokken graag die kanten uit voor hun zondagse wandeling...
  4. Den Buunder op een oude kaart van Tilburg, onder de naam Grollegat - collectie RAT

buune
werkwoord

boenen, poetsen buune - buunde gebuund korte uu

- Willems; Dialectenquête, 1887 - bune
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 gi-m us un töddeke om dè-d-af te buune geef me eens een doekje om dat af te poetsen
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - zie schuren
buurman
zelfstandig naamwoord

buurman korte uu

- Cees Robben; Prent van de Week, Nieuwsblad van het Zuiden, 1974-11-01- Gij moest is n en vurbild nemen aon onzen nuuwen buurman.
- Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1978-11-24 - zakkoe ruile vur den buurman? Dè wèl, buurvrouw...
- Kernkamp; Dialectenquête, 1879 - den stier van onzen buurman
- WBD III.3.1:319 buurman - buurman; ook genoemd buur, gebuur, naaste buur, nabuur
buurt
  1. zelfstandig naamwoord

    korte uu 1. buurt, omgeving

    - Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1964-09-18 - Munne rooie kôôl groeit de buurt in... [de uitdrukking wordt door Robben duidelijk bedoeld als een slecht bericht voor de tuinder, maar wat er met de rode kool dan qua groei mis is, is nog niet opgehelderd]
    - WBD III.3.1:318 buurt - buurt; ook genoemd geburen
    - WBD III.3.1:321 - buurt - gebuurte; ook genoemd buurlui, geburen, gebuur, geburen, buren, gebuurt
    - WBD III.4.4:135 buurt - streek
  2. 2. het buurten, gezellig gesprek

    - Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 5; 1929-11-7/14 - De kannen ston daor altij gereed in t gruunhok, neffen de verkenskooi. Ik vat ze daor en rij dan wir deur zonder n sterveling te zien, mar vandemèrge hèk buurt gekrege.
    - Karel de Beer; Tilburgs Bijnamenboek, 2000 - den buurt - Drik van Iersel
    - A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 bürt buurt; de daad van het buurten - ze heet eren bürt al öt; de gezamenlijke mensen die ergens buurten
    - J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 buurt - de buurt houden - buurten
buurte
werkwoord

gezellig babbelen (oorspronkelijk met buren) korte uu buurte - buurtte gebuurt

- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - Et wèèf zit wir èrgerhaand te buurte.
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek); t Klokhuis van Brabant, aflevering 8; 1929 -12-29 - Omdè de aovenden zô lang zèn hôk besloten wè te gon buurten bij Bartje Bollekes...
- Cees Robben; Prent van de Week; Roomsch Leven, 1960-11-25 - Ge speult wè kaort en buurt en praot
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 05 05 - Ons Drieka schèènt op tilleviesie/ omdè ik iederen aoved kèèk/ zij wil liever aaltij buurte/ mar deeze week krêeg ik gelèèk.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 1, 2006 - Ik wier prompt teruggestuurd dur onze vadder, die daor op de plaots stond te buurten meej enne maot van et wèèrk.
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg); Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel 2, 2007 - Buurte, thee drinke meej un kuukske.
- WBD III.3.1:42 - (gaan) buurten, smoren en ouwehoeren - kortavonden
- Jan Naaijkens; Dès Biks, 1992 - buurte - gezellig kletsen
- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal [Udenhouts], 1978 buurten - praten als met buren, zonder gewichtigheid en in der zelfde taal; een tot niets verplichtende conversatie voeren.
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - buurten - den avond al koutende bij den eenen of anderen gebuur gaan doorbrengen
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - buurten, ook wel kortavonden;
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bürte(n) - ergens een bezoek brengen en er blijven praten (wat helemaal niet in de buurt hoeft te zijn)
- WNT buurten - in de buurt een bezoek brengen, met een buur gaan praten
buurter
zelfstandig naamwoord

iemand die (geregeld) ergens komt buurten korte uu

- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - bürter - buurter, hij die buurt
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 buurter - iemand die den avond bij eenen gebuur al pratende doorbrengt.
buurvrouw

korte uu buurvrouw

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd) ; Boere-profeet; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1939 - Mar ik zal ns naor de buurvrouw gaon en vraogen of dè wel in orde is as dr kiepe heel den pastoorstuin komen vernielen!
- Piet Heerkens; De Kinkenduut, 1940 - Mar de buurvrouw, kaole madam/ mee twee kender...
- Willem van Mook; Nieuwe Brabantse novellen, 1970 - De buurvrouw keek Mie mee grote ogen van verwondering aon...
- Lodewijk van den Bredevoort; Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Deel I, 2006 - Un strèùse buurvrouw, Tonia Voskens, pakte onze kenderwaoge, draaide enne verse handdoek om menne kop en zette mèn in de kenderwaoge.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); Ochèrm, die moeders...; Tilburgsche Koerier, circa 1970 - Mar de buurvrouw roept dur de heg/ Of dèsse koffie lust...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven); t Irste goej weer; Tilburgse Koerier, circa 1970 - De buurvrouw stao mee t zwempak aon / Op dr plaotske te strèke [strijken]...
- Piet van Beers; Nie rôoke in hèùs; CuBra, circa 2005 - Mar... buurvrouw tòch, t is tòch nie zôo/ dèk wòr bespieoneerd?
buut
zelfstandig naamwoord

buit; van Frans but; mikpunt, doel

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - büt (bij verstoppertje)
- Kees en Bart; dialoog in Tilburg Post, 1922-193? - meej den buut gòn strèèke - er met de buit vandoor gaan.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 04 03 - De Tiest was bij de voetbalpool / En hij docht bij z'n ège: / t Is d'n aonhaauwer die wint / Ik zal d'n buut wel krègen. - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 10 06 - De kènder in De Bocht zèn d'irste / Die veurdèèl hebben van dn buut... [namelijk de opbrengst van een actie voor Huize de Bocht in Goirle.]
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - verzamelplaats, aftikplaats bij het verstoppertje spelen; in de carnavalssfeer is buut een tonpraot
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - afmeldplaats bij verstoppertje
- A.P. de Bont; Dialect van Kempenland, 1958 - buut - buit, winst: de buujt saomen daele
- J. Cornelissen & J.B. Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 buut - buit, Frans butin; merkelijke hoeveelheid; onverwacht profijt, winst.
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 buet hoort men hier meer dan buit
buute
  1. werkwoord

    1. aanleggen (gezegd van een vuur), graven korte uu

    - Kernkamp, Dialectenquête, 1879 - vuur bute - vuur boeten
    - WBD III.4.2:68 - buten - graven van een konijnenhol, ook dabben of wroeten genoemd
  2. 2. boeten

    - Informant Piet Mutsaers - dè buut nie - dat is niet volgens de regels
    - Cees Robben; Prent van de Week; Nieuwsblad van het Zuiden, 1985-08-30 - Onrechtverdighed komt te buute...
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - onrèèchvèèrdeghèd komt te buute - onrechtvaardigheid straft zich zelf
    - Cursus in Tilburgs; krantenrubriek in Groot Tilburg, circa 1940 - Onrechvèrighei komt te bute
×