L ènsezijstraot
  1. toponiem Lijnsezijstraat

    - Audioregistratie 1978 - et Linsheike, van Jaonus Tuurlings Lènsezijstraot waor naa die hôoge flèt stao, die hil hôoge, zèstien hôog (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
  2. zelfstandig naamwoord

    lènt lint

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "lent - een touw of teugel, waarmede den boer zijn paard ment"
    - A.J.A.C. van Delft - Een boer rijdt "zen pèrt mee een lent en haauwt bij het uitwijken hot (rechts) of aar (links) aon". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)
    - WBD - kordeel (enkele band die aan de loenje wordt vastgemaakt boven de schoft van het paard)
    - WBD - (Hasselt) lijnt (de enkele band van leer of touw die aan het paardehoofdstel is vastgemaakt) - WBD - (hs K 183) - touw, teugel waarmee de boer zijn paard ment.
    - WBD - krèùslènte- ploeglijn (het leidsel van het paard dat gebruikt wordt bij het ploegen)
    - WBD - 'meej ènkele lènt vaore', (Hasselt) 'meej en lènt laaje' leiden (van een paard) met een enkele lijn - WBD - 'voermanne meej twee lijste', (Hasselts) '... meej tweej lènte' - leiden (van een paard) met een dubbele lijn C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LENT v. - lijn waaraan het paard loopt; -t zoals bij pent, néét (nieuw), enkelt, wegt. 'Lijn' in de zin van 'streep' luidde als in ABN. - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord vrouwelijk lent (d.i. lijnt, zoals bij Brabantius) - lijn, leidsel. - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LENT zelfstandig naamwoord o.- bij landb.: lang leizeel dat in 't bebouwen van het land gebruikt om de werkossen of peerden te geleiden. Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - lènt zelfstandig naamwoord - leidsel, lint
    - WBD - III.1.3:133 'linten' = lange linten van een schort; ook; 'binders'
    - WBD - III.1.3:133 'gatlinten' = korte linten van een schort; ook 'bindels' of 'gatbanden'
  3. zelfstandig naamwoord

    lepiene lupine, hop - WBD - I:1417 hop: 'ləpienə ', 'bontjes' lèpke zelfstandig naamwoord, verkleinwoord lapje verkleinde vorm van 'lap', met umlaut

    - Cees Robben - men lepke grond (19830401) - Ons moeder heej vruuger hil de femilie vurzien van nne kèrstman. Ze mòkte die van vilte lèpkes. Dr zaate vèkskes in om de kèrstkaorte in te stoppe. (Jos Naaijkens; De kèrstman die mar nie vol kwaam; CuBra, ca 2005)
  4. Der waar niks te krèège, gin lèpke ketoen veur un jurkske, ginne lap stof veur un ordenteluk jaske. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) Ik heb van aaw lepkes en houtwol nog pupkes gemokt. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - óp zêûme nao èn en klèèn lèpke (HM'70) - bijna klaar - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "Jan Lepkus - de arlekijn bij de oude gilden"

    - WBD - III.3.1:307 'lapje (lepke)' = snipper (strook papier of stof)
    - WBD - III.1.3:18 'lapje' = vod
  5. werkwoord

    lèppe drinken, vooral van thee door vrouwen onder elkaar - Cees Robben - Lept toch nie zôô, zuipschuit... (19731005) - Cees Robben - En dan gaon we bij omas thee-leppen... (19640228) lèpschèùt zelfstandig naamwoord Henk van Rijen - iemand die de hele dag door koffie of thee drinkt lèpvölle zelfstandig naamwoord

    - WBD - moederloos veulen, ook 'lèpvulle' genoemd
    - WNT - LEPLAM - een lam dat men met vreemd zog opvoedt, oplept, zegt men in Gelderland.
  6. zelfstandig naamwoord

    lèrke leertje, stukje leer

    - Cees Robben - n lerke in de kraon [tegen het lekken] (19680816)
  7. zelfstandig naamwoord

    Henk van Rijen - er lèrke leej en laojke lêeger - het leertje ligt een laatje lager lèrske laarsje verkleinde vorm van 'lèèrs', met vocaalkrimping

    - Dialectenquête 1876 - lerske
    - WBD - III.1.3:221 'laarsje' = halfhoge damesschoen met knopen opzij
  8. zelfstandig naamwoord

    ook: 'knooplaarsje' lèsje

    - Van Dale - lestje - het laatste tikje (bij een kinderspel) - - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "lesje spelen (krijgertje)"
    - A.J.A.C. van Delft - Hoe heerlijk onschuldig staat daar tegenover het "lesje doen" of "gevangetje". Een vlot elkaar na loopen en als men elkaar bereikt had een tikje geven, waardoor de "getikte" het contraspelletje ging vertoonen. Wie het "lest" tikte, was ditmaal ook het best af. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 16 maart 1929)
  9. zelfstandig naamwoord

    lèst lijst

    - WBD - ötmeutelende lèst, ötgemeutelde lèst (II:1051) - uitmeutelende/uitgemeutelde lijst (v. een geweven stof); ook slèèchte kaant genoemd - WBD - lèst (II:911) - zelfkant; ook: zèlfkaant of kaant genoemd - WBD - (II:2797) 'lést' - bovenbouw van een karbak
  10. bijwoord

    lèst(e), list(e) op de laatste plaats; van tijd: onlangs

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 (blz. 35) lòtst, lèst, list (van 'laot' met vocaalreductie)
    - Dialectenquête 1876 - hij is den leste
    - List waarde gij de lèste, - Laatst was jij de laatste.
    - Cees Robben - t Is kazzjewêêel die kiep van mèn.../ zô zörgt ze vur de Paose.../ t Is de leste van den tôôm.../ En asse lee.... dan staose... (19550312)
  11. naam

    Uitdrukking

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - óp et lèst lôope - de bevalling voelen naderen
    - 2020 - Wanneer er gesproken wordt over een vervelend kwaaltje: - dè ha onze paa op zen lèst ôok! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).
  12. werkwoord

    lèste

    - WBD - (III.3.2:52) lèste, ook lèsje speule = krijgertje; ook gevangertje
  13. zelfstandig naamwoord

    lèster, lèèster lijster (Turdus) Turdus viscivorus - grote lijster; afbeelding uit Naumann Luister naar het geluid van de grote lijster (turdus viscivorus) Luister naar het geluid van de zanglijster (turdus philomelus)

    - WBD - III.4.1:85 'lijster', 'todlijster', ' schijtlijster' , balklijster' - grote lijster (Turdus viscivorus) - WBD - III.4.1:88 'dubbellijster', ' kramlijster ' = kramsvogel, ook genoemd: vlierscheut; 81 'lijster' = merel; 85 -balklijster' = grote lijster 85 'schijtlijster','todlijster' = grote lijster
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LIJSTER (uitspr. lestər ) - zelfstandig naamwoord v. en niet mannelijk Frans: grive - lijster
  14. zelfstandig naamwoord

    lètje latje

    - WBD - rietlatjes, rietlètjes (II:982) - rietlatjes (v.d. rietkam) - WBD - lètjes, krôonlètjes (II:1032) - kroonlatjes; ook: kroonspèèle
laars

Conclusie panaarse / panaarste gaat terug tot minimaal eind 16de eeuw en betekent in essentie een straf (obiurgare), die uitgevoerd wordt door met een pan (patella) hard (ferrea) op de billen (aars, aers, nates) te slaan. Daarnaast ook, en vanuit klassiek Latijn: met een zool (solea) of sandaal (sandaal) op de kont slaan of daartegen schoppen. Vandaar het latere leerzen, laarzen.

labberke
  1. zelfstandig naamwoord

    soort van goedkope schaats; etymologie onduidelijk

    - Naarus, pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941 - Vlee jaor hamme ieder zon paor labberkes van vèf en twintig stuiver, mar naa hemme schotse.
    labberkelabberke
  2. zelfstandig naamwoord

    l abbezoet wang, oren, klap uit het Franse 'l'abajoue' of 'La bajoue'; in beide gevallen samentrekking van 'bas' en 'joue', letterlijk: de lage wang, hangwang, wangzak.

    - WTT - 2012 - In het Tilburgs niet in die betekenis aangetroffen maar als 'grote oren'. Daarnaast veelal voor een 'klap', waarschijnlijk dus een klap om de oren; ook het werkwoord 'labbezoete' komt in die betekenis voor.
    - Jan Jaansen, pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; Nieuwe Tilburgsche Courant 1-10-1938 - "Geen oore," riep den örgeltrapper, "hij hee me aanders nog al 'n paor labezoeten aachter z'n kaoke hange!"
  3. zelfstandig naamwoord

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "ik gaf hem een labbezoet (een klets)" - WBD - III.1.2:31 'een labbezoet geven' = slaan - WBD - III.1.2:34 'labbezoet' = slag
  4. bijwoord

    l abendig

    - WNT - lemma Labendig - Geweldig, duchtig. In verschillende oostelijke en zuidelijke dialecten gebruikelijk.
    - WTT - 2017 - de volgende bewijsplaats suggereert toch iets anders, maar wat dat is, is niet helder.
    - Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867) - lk weet er labendig regttoevoort geenen raod toe. Daar echter geannoteerd als een bastaardvloek: Bendig , behendig [Huijdecoper]; waar deze bastaardvloek van daan komt, weet ik niet.
    - In Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882) geannoteerd als: Labendig, waarlijk, wezenlijk.
laboerêere
  1. werkwoord

    uit Frans: labourer; de grond omploegen; zwaar werk verrichten

    - Jan Jaansen, pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 22-4-1939 8-5-1939) - ...die vremde ziekte [...] waoraon ie naa laboereerde.
  2. zelfstandig naamwoord

    Vicia faba labbôon tuinbonen, vicia faba; 'boeretêene' 'knaawbôone', 'moffe(l)bôone'

    - WTT - 2012 - de labboon, en dus geen verbastering van lap-boon
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven ; ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier - 1960-1980)
lam
  1. bijwoord

    dronken

    - Lodewijk van den Bredevoort, pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Tôontje waar me toch lam mar die hatter ok veul èùt, heurde ik dan.'
  2. zelfstandig naamwoord

    lambèls bepaald soort olielamp van Belgisch fabrikaat

    - Jan Naaijkens, Biks: lampbèls zelfstandig naamwoord - petroleumlamp
    - WBD - (III.2.1:272) onder 'lampe belge' wordt Tilburg niet genoemd
    - WTT - 2012: ook in Tilburg voor de invoering van electriciteit wel degelijk een bekend product, zowel in staande als hangende uitvoering. Het systeem werd in 1884 gepatenteerd door de Belgische firma Lempereur & Bernard. Al in 1885 waren de lampen te koop in Tilburg.
  3. werkwoord

    Advertentie: Nieuwe Tilburgsche Courant 1885 lamhannese

    - - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "ligt d'r nie te lamhanisse (flauw, aklig doen ook wel bedriegen)
  4. zelfstandig naamwoord

    lamke, lèmke lampje

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 uit cluster mpk wordt de p verzwegen
  5. zelfstandig naamwoord

    lamlèndeghei lamlendigheid - WBD - III.4.4:325 (zonder het achtervoegsel) 'lamlendig = langzaam' lamme werkwoord, zwak

    - WBD - (Hasselt) lammeren ter wereld brengen
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - lamə(n) zw.ww. intr. en tr. - lammeren werpen
lammer
  1. werkwoord

    lammere

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - betalen
    lammerlammerlammerlammer
  2. werkwoord

    lammeteere lamenteren, weeklagen over onwerkelijk leed ...mar gère of nie, ge hed 't te nemen zooas Onze Lieve Heer 't opschept en 't biste is er nie over te lammenteeren. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

    - Cees Robben - Ze [de echtgenote] ôôliekont en lammenteert/ en zeurt aon munne kop. (19650507)
    - Cees Robben - [soldaat tegen vrouw:] En mocht ik sneevlen... (...) Dan nie gelammenteerd... / Dan zèdde gij gebrooid.. Ge wit ik ben goed verastereerd... (19551217)
    - Cees Robben - Dus nie gelammenteerd, ik ben (...) goed verastereerd... (19760514)
    - Cees Robben - Hier zèn al veul kuuskes wè steeg en wè knorrig/ En fel lamenterend de pèèp uit gegaon... (1970) [Geen Prent van de week, maar een advertentie bij het zeventigjarig bestaan van Slagerij Ooms]
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 02 05 - As onzen opa lammenteert / Dèttie r nie teege kan
  3. zelfstandig naamwoord

    Ze heej volgens Lia nog wel staon te lamenteere (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) Vruuger zeeje ze dè Tilburgers nie ont mar pront zèn. Òf ok wèl: Nie lammenteere mar akkedeere. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009) - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LAMMETEEREN (met zachte e) - lamenteren, jammeren Typha latifolia lampepoetser zo genoemd omdat de aar gebruikt kon worden om het glas van olielampen aan de binnenzijde te reinigen

    - WBD - III.4.3:411 lampepoetser - lisdodde (Typha latifolia), ook genoemd: lis of lisdòt, tompoes of riet - WBD - III.4.3:412 lampepoetser - aar van de lisdodde, ook genoemd: lisdòt, kolf, tompoes of kattestèrt
  4. zelfstandig naamwoord

    lamstraol lamstraal

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - lammeling, vervelend iemand
  5. bijwoord

    lang

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - wie et langst lèèft, heej hil de vèùl broeke
lang
  1. zelfstandig naamwoord

    de lengte

    - Piet Heerkens, uit Vertesselkes, De boeren van Baokel, 1944 - Al wè'k van d'r weet over Baokels verlee, / dè zal ik van boven toe onder
  2. zelfstandig naamwoord

    aon öllie vertellen in 't lang en in t bree... l angbinder

    - WBD - koe met hoge poten, ook genoemd 'hôogbinder', 'óndiepe koej' of 'lochte koej'
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk langbeender - die lange benen heeft (bijvoorbeeld paard) - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - 350. Ook voor mensen van toepassing.
langenaon
  1. bijwoord

    langena

    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Ze wônen zô diep in, as ge denkt degger zèt, zedder nog bij langenaon nie (16-01-1975)
  2. bijwoord

    langèùt languit

    - Cees Robben: Hij schôof langèùt in de geut.
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LANGSUIT bw. - ten volle uitgestrekt
  3. voorzetsel

    langs naast

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 'daorlangs' (zin 87, blz. 99.)
    - Verh. - LANGS vz - niet alleen gebruikt om een beweging parallel met een lengte aan te duiden, maar ook in de betekenis van 'naast', in rust: op school zit ik langs...
  4. bijwoord

    langsem langzaam

    - Cees Robben - De potternoster gao na hil langsem dur mn vingers.. (19540501)
  5. voorzetsel

    langst langs

lantèèremènneke
  1. zelfstandig naamwoord

    lantaarnmannetje lantaarnopsteker Kinderspotlied op het werk van de lantaarnopstekers: Een, twee, drie lantère menneke / Val mee oe g.... [gat] in t oliekenneke/ Van avond schent de volle maon/ Dus na kunde wel naor huis toe gaon; lantèèrenònsteeker zelfstandig naamwoord lantarenopsteker

    - Interview Jolen - 1978 - Ik hèb aatij veugeltjes gehadin de fejèèr, aatijik ging ze zèllef vangevinkein de DiepestraotSanneke Hòns, Sanneke Haans, dè was ene lantèèrenònsteeker, die ha zèllef ene vinkeslag aachter zenen hòfgrôote nètte. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
    lantèèremènneke
  2. zelfstandig naamwoord

    lantèèrepaol lantaarnpaal Henk van Rijen - ek liep meej men harses teegen ene lantèèrnpaol Ferry van de Zaande-sticker -2013 lanzjeej zelfstandig naamwoord uit het Franse 'lancier', in het Frans uitgesproken als 'lansjee' volksdans

    - lancier werd in de uitspraak verbasterd tot 'lancee' - 'lanzjee' drie kwartier durende dans met lansiers (gelegerd in Tilburg) - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - Lanzjee (eigenlijk 'lancier') lanciersquadrille
  3. zelfstandig naamwoord

    laobes zelfstandig naamwoord goedzak, 'goeje klôot'; lobbes Anoniem 1959 "Staode daor naauw wir te slaope, lilleke laobus daor ge daor staot, (Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)

    - Cees Robben - Wè bènde toch unne laobes, Louw... (19820507)
    - Cees Robben - Jè, kèèket mar nao laobes..! (19870410)
    - WBD - III.1.4:64 'goede lobbes' = goedzak
  4. zelfstandig naamwoord

    laoj, laojke la, lade, laatje Voorbeels op systeemkaart Sterenborg - Lòt dè mar in de laoj ligge; lòmme naa mar - laat me maar met rust - Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 'die zitten bij 't laoike'

    - WBD - laojbalk (II:953) - ladebalk van een handweefgetouw (ook: II:981) - WBD - laoj (II:979) - lade, weeflade, onderdeel van een getouw
    - WBD - snèllaoj (II:979) - snellade, onderdeel van een getouw; ook wel schietlaoj - WBD - laojèèrme, laojèrme (II:980) - ladebenen, twee verticale latten aan de weeflade
    - WBD - ónderlaoj (II:981) - onderlade; ladeboom
    - WBD - laojbaon (II:983) - ladebaan: loopvlak van de weefspoel; ook: laojvlakte - WBD - gladde loaj (II:986) - gladde lade: enkele lade (voor de weefspoel) - WBD - wissellaoj (II:986) - wissellade (onderdeel van weefgetouw) - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord vrouwelijk laoi, laai - lade (in alle bet.) dim.'laoike(n). - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 (52) loaj - laojke
  5. werkwoord

    laoje laden

    - WBD - mist laoje - mest laden
    - WBD - inlaoje (II:1050) - inladen (?) van een nieuwe draad = inlègge, inleië
    - Dialectenquête 1887 Willems - laoje - laojde - gelaoje
    - WBD - III.4.3:33 laoje - vrucht zetten, c.q. spenen, zetten, dragen, krijgen
    - Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - laoje ww - laden
  6. laoje èn lòsse uitdrukking eten en naar de wc gaan

    - Cees Robben - Korsemis.. Vrede... En toepertoe mar laoie en losse... (19851227)
laojelichter
  1. zelfstandig naamwoord

    ladenlichter, iemand die steelt uit de la van kassa of tafel Tekening: - Cees Robben - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. van de Ven jr., 1946 l aojtòffe l zelfstandig naamwoord ladenkast

    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - ladetafel (kastje met, gewoonlijk, vier laden).
    laojelichter
  2. zelfstandig naamwoord

    laoke laken als naam van de stof

    - Henk van Rijswijk - Laken: effen en dichte wollen strijkgaren stof, meestal in platbinding of vierschachts satijnbinding geweven, gevold, geruwd, geschoren, gestreken en gedecatiseerd, waardoor een kort naar één richting gestreken glanzend haardek ontstaat. Vooral door het sterk vollen wordt een grote dichtheid verkregen zodat men van de oorspronkelijke draden bijna niets meer kan zien. Afhankelijk van de dikte van de stof, de zwaarte van de stof en het gebruiksdoel komt ook een van de onderstaande specifieke namen voor laken in aanmerking.
  3. Ordinair laken: de meest eenvoudige en lichtste uitvoering. Biljartlaken: kort geschoren, fijn laken, in groene kleur geverfd. Ketting wollen kamgaren, inslag fijn strijkgaren. Binding 3 schachts ketting- of inslagkeper of 9 schachts schuine ribs. Grijs keperlaken, dik uitmonsteringslaken, dun uitmonsteringslaken, fijn donker indigolaken, cadettenlaken, zwart laken, uniform laken zijn veel gebruikte namen om onderscheid aan te brengen in de verschillende uitvoeringsvormen. Veel van deze stoffen werden gebruikt als uniformstof voor leger, postbeambten en muziekkorpsen. Veel gebruikt als monnikspijen.

    - Ze stonke nòr smoutolie, dè wèl, mar ze mòkten ok laoke èn ze mòkte flenèl. Èn rips, èn baaj, èn ok mesjèster. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
    - WBD - laoke (II:874) - laken, effen stof met keperbinding geweven
    - WBD - biljartlaoke/biljèrtlaoke (II:898) - biljartlaken
    - WBD - laokewèèver (II:942) - lakenwever
    - WBD - laokeketaaw (II:946) - lakengetouw
    - WBD - III.1.4:327: 'de lakens uitdelen' = de baas spelen
  4. overtrek van de matras

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 01 14 - En as t gao 'n paor nuuw laokes / Want 'k hè niks mir op m'n bed.
laokens
naam

van laken stof gemaakt

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit 't klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929 - Z'n postuur brengt dè trouwens al eenigszins mee. Op 'n paor korte beentjes torst-ie 'n gezellig kogelbuikske waorover 'n laokensche-broek-mee-presenteerblad spant, die zô gruun zie alsof er mos op groeit.
laokens
Laor
  1. toponiem Het Laar

    - 't Tweede bedrijf is de zitting van den Körvelschen gemènteraod, Körvel vurgesteld as stad, mee t Körvelsch Huukske, het Laor en den Berrendijk as vursteeën; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.
  2. bijwoord

    laot, laoter laat

    - Cees Robben - Heel laot op den aovend... (19540925) - Dialectenquête 1876 - 's oaves loat
    - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - hij kómt nôot en menuut te laot - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - laote haover komt ok op
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 lòtst, lèst en list: superlatieven van 'laot'
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijvoeglijk naamwoord en bijwoord - laat
  3. werkwoord

    l aote laten met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij lòt

    - Dialectenquête 1887 Willems - lao'k - laat ik, lòmme - laat me, laotewe - laten wij
    - Dialectenquête 1887 Willems - laote - liet - gelaote; lomme = laat me; laotewe = laten wij
    - Dialectenquête 1876 - Loan m'is 'n lutske proate - laten wij eens keuvelen
    - Mar overigens: losse toch betije! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945) - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - 'Lò-me naa mar' - Laat mij met rust.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - 'Wè klopt, motte laote blèève klòppe' - Wat goed is, moet je zo laten - WBD - III.1.1:240 ''laten kijken', 'laten zien' = tonen
    - WBD - III.1.1. lemma Geluidloos een wind laten er een laten vliegen Tilburg [als enige plaats van opgave]
  4. werkwoord

    laote schiete het laten schieten; dat wil zeggen: sterven, het leven loslaten; met de ondertoon: het (leven) opgeven

    - Cees Robben - Aon de raand van de stad/ Leej unne zaanderige pad/ Nog efkes en dan laot-ie t schiete... Hij is uit de tèèd.. (19580222) [Over de Reitse Hoevenstraat; Robben bedoelt hier de asfaltering van de zandwegen in het toenmalige buitengebied van Tilburg]
    - Cees Robben - Laote t lieve lèève schiete... (19591031)
    - Cees Robben - Ik ben sjuust op de kèèès [sic] gebid... Want ze heeget laote schiete... (19590328)
    - Cees Robben - [Een aanzegger spreekt] - Merie heeget laote schiete.../ Van de mèèrege om vèèf uure/ Heese dr gat dichtgeneepe.. (19640605)
lap
  1. zelfstandig naamwoord

    lap

    - A.J.A.C. van Delft - Wanneer iemand een weduwe met veel kinderen trouwt, klinkt het: "Hij durft nogal wat aan. Weet ge hoeveel lappen er op staan?" Als dan de ander het aantal kinderen niet alléén 'n bezwaar vindt, verduidelijkt hij zijn meening nog door er aan toe te voegen: "Ja, en 't is toch altijd nog maar opgewarmde potage." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)
    - Pierre van Beek Van iemand, die een weduwe met een aantal kinderen trouwt, zegt men, dat hij nogal "wè aon durreft omdè-t-er zoveul lappen op staon". Met die "lappen" zijn dan de kinderen bedoeld. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 8 april 1950)
    - WTT - 2014 - Ter aanvulling op Van Delft en Van Beek: 'Lap' is in dit gezegde bedoeld als een lap waarmee gaten in kleding worden 'opgelapt'. Het betreft dus jonghe kinderen wier kleding nogal eens versteld was.
  2. lap èn leur uitdrukking

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - jan en alleman
    - Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - As lap èn leur derèège dermeej gòn moeje, komt er niks van terèèchte. - als iedereen zich ermee gaat bemoeien... (290807)
    - Marc de Coster, Woordenboek van Populair Taalgebruik - slecht volk, nietswaardige mensen. Oorspr. de marktkramers die met textiel langs de deuren leuren. De uitdrukking komt al voor bij Roemer Visscher (Brabbeling. 1614).
  3. zelfstandig naamwoord

    lapbôone lapboon, tuinboon (Vicia faba)

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 07 10
  4. naam

    Ied'ren dag wè aanders Ons Sjaan schepte 'n maondag op Nou, dè ròòk lang nie gek Ik heb geschraanst toe'k niemir kos Van lap-bòòne mee spek. 'n Dinsdag was 't presies gelèk Dè zaat nie goed bij mèn Mar ze zee: "man ge ziet toch wel, Dè't moffelbòòne zèn." 'n Woensdag wir dezelfden hap Ik vuulde me genèpt Ons Sjaan riep: "hee schiet op, ik heb Knaauwbòòne opgeschèpt. Toen 't vendaog krek inder was Ging ik pas goed te keer, Ze laachde en zee: "Asteblief, laplaazerus ten einde toe; suf Ik hèb menèègen et laplaazerus gezòcht - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - laplaazerus - ongans, stomdronken lappe werkwoord, zwak

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - bijzetten, de inzet verhogen
    - WBD - (III.3.2:22) lappe = extra geld in de pot doen; ook: bijlègge
  5. zelfstandig naamwoord

    lappeet vervangende peet - Cees Robben: lappeet (vervangende peter)

    - WBD - III.2.2:92 'lappeet' = plaatsvervangende peter
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LAPPEET zelfstandig naamwoord v-peet of meter die de plaats vervangt v.d.meter die verhinderd is te komen.
lappermaand
  1. zelfstandig naamwoord

    lappenmand, ziekbed

    - Pierre van Beek - Hij is in de lappermand. - Het is met zijn gezondheid niet in orde, zodat er iets aan gedaan moet worden. - Hij is aan de sukkel. (Deze laatste uitdrukking kan ook op moeilijkheden in zaken slaan). (Nieuwe Tilburgsche Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)
  2. zelfstandig naamwoord

    l apzoet

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "lapzoet - flauwe akelige vent"
  3. zelfstandig naamwoord

    Sch. LAPPIS, LAPIS - kinderachtige jongen (Limb.) Schilderij van Gerard Portielje - 19e eeuw - Een goed glas wijn (detail) Latèèn Latijn

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - Latèèn drinkt wèèn (Kn '34) - mensen met een gymnasiumopleiding drinken wijn
  4. lauwe

lawaaisaus
zelfstandig naamwoord

- Ed Schilders - 8 mei 2019 Lewaajsaus (lawaaisaus) is strikt genomen geen dialect. In het laatste kwart van de 19 de eeuw wordt de aanduiding in kranten nog algemeen gebruikt voor een saus die is samengesteld uit het kooknat van aardappelen waaraan bij gebrek aan vet, smaak en kleur, mosterd en azijn werden toegevoegd, of een van beide.
lawaaje
  1. werkwoord

    lawaai maken

    - A.J.A.C. van Delft - Boerejongens mee rooie zakdoeken om derre nek en boeremeiden, die kwekten en lawaaiden dè heuren en zien oe vergong! (Nieuwe Tilburgsche Courant, 5 dec. 1929)
  2. zelfstandig naamwoord

    lawèèt ook: lawaai, lewaai laweit, lawaai

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "ge mot do'r zo'n lawait nie moaken (geweld, rumoer)" - WBD - III.4.4:244 'laweit = lawaai, ook geweld , 'spektakel'
  3. EWN 'Met het oorspronkelijk Amsterdamse woord lawaai heeft laweit etymologisch niets te maken.' z.o. Dozy en Lokotsch.

    - WNT - LAWEIT - lawijt, laweet, lauweit; een ten Z. van de Moerdijk alg. gebruikelijk woord van onbekenden oorsprong. 2) rumoer, spektakel, lawaai
  4. zelfstandig naamwoord

    Lèdderom Ledderom, van

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - Van Lèdderóm zèèn (Daamen, Handschrift 1916), - goed zijn, raak zijn (v. Ledderom was een spullebaas op de kermis)
  5. zelfstandig naamwoord

    l êed leed Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - meej lêed èn vrêet gegaon (Kn'50) - (WS:) hoewel sjiek, toch gebukt onder (financiële) zorgen, of lichamelijk lijdend (?)

lawaajsaus
zelfstandig naamwoord

- Ed Schilders - 8 mei 2019 Lewaajsaus (lawaaisaus) is strikt genomen geen dialect. In het laatste kwart van de 19 de eeuw wordt de aanduiding in kranten nog algemeen gebruikt voor een saus die is samengesteld uit het kooknat van aardappelen waaraan bij gebrek aan vet, smaak en kleur, mosterd en azijn werden toegevoegd, of een van beide.
Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven
naam

't Schènt gelèk te schène "Wè's Tilburgs toch 'n rèke taol" Zee list nog onze klène 't Is nie allèènig schòòne schèn Mar alles kan hier schène. Ons moeder hee'get aaltij druk Zò gaauw de zon gao schène Dan zee'se: "Ik maok nòòt echt schòòn, Mar 'k waas wél m'n gerdène." Dè duurt dan unne gaansen dag 't Motte nuuwe schène Mar gij kunt vur zò'n oope raom Nòòt oewen draai goed vène. As iederèèn naor binne gaopt Raokt oew meegaondhei tène Dè vènd ze gek, omdè gij dan Gaot foetere en schène. Overige bronnen

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - (n) zw.ww. (verl. dw. 'geschänt'), tr. 'schaennen' d. i. 'scheinnen' - scheinden, schenden.
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - schaene - schelden
- WBD III.3.1:300 'schenden','uitschenden' = uitschelden
- WBD III.3.1:301 'schenden' = schimpen
- WBD III.1.4:237 'schelden' = razen en tieren
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHENDEN, SCHENNEN, met een zaak als voorwerp: beschadigen, leelijk maken, bederven.
leedekaant
  1. zelfstandig naamwoord

    ledikant uit Frans: lit de camp, 'veldbed' en/of 'lit de champ'

    - de uitspraak is algemeen vanaf de 16de eeuw, en later regionaal bepaald; het - WNT - lemma Ledikant - geeft:
    - WNT - lemma Ledikant, 1912 - sinds de 16de eeuw alleen ledekant en ledikant (het laatste werd afgekeurd door HUYDECOPER, Pr. 2, 180 volgg.) Thans is het woord in de volkstaal van het Zuiden onbekend. Ledekant, oft lidekant, veltkoetse. Vn lict de champ, PLANT. [1573]. Rijst Aurore bleeck en bestorven uit de saffrane ledekant van haren Tithon, VONDEL 5, 87 [1646]. Artikel gepubliceerd in 1912.
  2. zelfstandig naamwoord

    Nieuwe Tilburgsche Couant 9-10-1886 lèèf, lèfke lijf

    - WBD - baarmoeder van de koe
    - WBD - (Hasselts) het middendeel van het paard, ook genoemd (Hasselt:) 'midderib' of elders: 'middehaand, 'middelhaand'
    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs Ge meugt alles mee me doen, as ge mar van mn lèf afblèft (27-12-1968) Cees Robben: Ge meugt meej me doen wè ge wilt, agge mar van men lèèf afblèèft. Cees Robben: Naa moete den draank vórt öt oew lèèf laote
  3. zelfstandig naamwoord

    Cees Robben: Hij heej den hits in zen lèèf; we hòn allebaaj den hits in óns lèèf; - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - wie de vrouw trouwt om et leef, haawt et weef mar nie et leef WvM 'deur mun layf' Cees Robben: 'de meensen vroegen 'm z'n hemd van 't lèèf aaf' - WBD - III.1.1:6 'lijf' = lijf: ook: 'flikker' - WBD - III.1.1:120 'lijf' =buik; ook 'pens' lèèfmieljeu levensmilieu

    - Cees Robben - hiegiejèène... lèèfmieljeu (19701016)
  4. zelfstandig naamwoord

    l èèftocht

    - WBD - (Korvel) - koekje dat veulens bij de geboorte in de mond hebben, elders 'plèske' genoemd
    - WNT - LEEFTOCHT (in Mnl. lijftocht) - collectieve benaming voor spijs en drank in 't bijz. voor de proviand die vereischt wordt voor...
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - zie LEEFKOEK
  5. naam

    leeg leeg, ledig

    - WBD - (van een koe) niet bevrucht bij de dekking, ook 'verlôope' of 'leejg'
  6. D'r geduld waar leeg. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; Nieuwe Tilburgsche Courant 15-10-1938) leege kaorte - speelkaartje zonder prentje

    - WBD - leeg (van een merrie) - niet drachtig, ook 'gust' genoemd of (Hasselt) 'nie behaawe' Cees Robben: mar jou pòrtemenee is leeg; - WBD - III.1.4:439 'leeg' - sober - WBD - III.4.4:200 'leeg' = leeg, verlaten
lêeg
  1. naam

    lêeg, lêeger, lêegst laag

    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Dè zèn daor zón lêege höskes dègge wèl plat mót praote; aanders kunde nie binne Cees Robben: èn hij zingt en tóntje lêeger;
    - Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Hij zong hil lêeg: toe et wit zaand toe - met een heel lage basstem. (070710)
    - Dialectenquête 1876 - leeg (scherpe klinker)
  2. Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - alles zit en verdieping te lêeg (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 71) - gezegd van een vrouw met hangborsten en een hangbuik - WBD - lêeger hange (II:1011) - de weefkam lager hangen - WBD - 'leege klompen', - lage klompen - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - hij zong hil lêeg: toe er wit zaand toe - WBD - III.1.4:70 'leeg' (sic) = eenvoudig - WBD - III.1.4:76 'laag' = gemeen

    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - LEEG voor 'laag'; men vindt dit ook veel bij oude schrijvers. - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bnw - laag
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEEG (scherpe e) bvw - hetzelfde als Holl. 'laag' - WNT - LAAG, gewestelijk ook LEEG
  3. samentrekking

    L êegemierd toponiem Lage Mierde leeget ligt het legt het (met ge/gij/gullie, hij/zij/et als onderwerp)

    - Daor leeget
    - Hij leeget ernèffe.
    - 3e pers.enk. 'leej' + et (uitsl. vn, onderw.)
  4. samentrekking

    Het fonetisch hiaat dat ontstond tussen 'lee(j)' en 'et' is opgevuld door inlassing van 'g'. (Zie Schuurmans: Enclit. pron., blz. 22 )

    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - LEEGET voor 'leet het', ligt het. Waar leget? Daar leget.
  5. werkwoord

    leeglaoje leegladen Henk van Rijen - afladen, uitladen, leegmaken lêegst bijvoeglijk naamwoord, overtreffende trap van 'laog' laagst

    - Dialectenquête 1876 - hij is den leegste
    - Dirk Boutkan - lêegst(e) zonder vocaalreductie, superlatief van 'lêeg'
  6. zelfstandig naamwoord

    l êegte laagte Henk van Rijen - 'lêegt' - laagte

    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEEGTE (scherpe e) zelfstandig naamwoord v. - laagte Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - lêêgt zelfstandig naamwoord - laagte
  7. leej persoonsvorm ligt, legt 1 - tegenwoordige tijd van ligge ligt

    - Cees Robben - Waor leej mn schaors, troeleke..? (19580118)
    - Cees Robben - Aon de raand van de stad/ Leej unne zaanderige pad (19580222)
    - Cees Robben - Dn ekker-gods die leej zô schôôn vol blommen... (19571102)
    - Cees Robben - dan leej tenminste Pius goed... [in zijn graf] (19600916)
    - Cees Robben - Wè leej-leej... (19620824)
    - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - de 'snuw' leej dik
    - WBD - (de ketting/inslag) wèrkt/ leej boove (II:1047) - bovenwerken - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dè leet eraon - dat ligt eraan
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - leeter ginne pulling op et schoor? - ligt er geen peluw op de vliering? - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - onzen oopaa leej al virtien daog - opa is al veertien dagen ziek
  8. 2 tegenwoordige of verleden tijd van lègge legt of legde

    - Cees Robben - Tiest Vermeeren haoj n kiepke... / En die preutse pik-madam/ Leej n aaike... en t woog zuiver.../ Honderd-vijf-en-sistig gram... (19560428)
  9. Henk van Rijen - as en kiep leej, stao se - als een kip legt, staat ze Henk van Rijen - hij leej et in de laoj - hij legde (?) het in de la

    - Cursus in Tilburgs krantenrubriek circa 1940 - Azzen kiep lee, staose (44)
  10. zelfstandig naamwoord

    leeje, leej meervoud van lid

    - Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - lejen
    - Cees Robben - of ie n ziekte onder de leej-heej... (19860221)
    - WBD - III.1.2:195 'een ziekte onder de lee hebben' = idem
    - WBD - III.1.1:145 'leden' = ledematen
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 (blz. 28) leeje - leden
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord o. lid; mv. lei, Brabantius 'leei'; "'n ziekt onder de lei hebbe" - door een ziekte aangetast zijn, die zich nog niet openbaart.
  11. zelfstandig naamwoord

    lêek leek, niet-deskundige persoonsvorm leek verleden tijd van het werkwoord lèèke, lijken lèèk 1. zelfstandig naamwoord lijk, dode

    - Cees Robben - [over begrafenisondernemer]: den zoon van et lèèk komt zegge dè we der êenen op kunne vatte; [ES 2012 - de humoristische dubbelzinnigheid is een subtiel verschil in nadruk; als de nadruk op 'op' ligt, wordt het lijk door de begrafenisondernemer opgepakt, opgehaald; ligt de nadruk op 'vatte', dan betekent de uitspraak dat de begrafenisondernemer een borrel te wachten staat. In de praktijk vielen beide mogelijkheden samen.] - Pierre van Beek - en gezónke lèèk - lijk dat niet langer thuis mocht blijven (bijvoorbeeld in geval v. besmettelijke ziekte) en dus naar het lijkenhuisje moest).
    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Dan wier zon zandkar meej pèèrd èn waoge, wier zon lèèk op zon zandkar geleejegezètèn dan ginge der ènkele femielieleeje, ginge der rondom op zon kar zitte èn dan brènge ze oe van öt de haaj èùt, zak zègge, dèsse oe nòr et dörp toe brènge! Klik hier om dit bestand te beluisteren
    - WBD - III.4.2:32 'lijk', ook: kadaver, kreng, dood beest of dode
    - WBD - III.3.3:102) lèêkenhöske = lijkenhuisje
    - en schaojlek lèèk - waarvan niets te plukken valt, eerder het tegengestelde?
  12. 2. voegwoord gelijk, net als

    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 08 17 - 'ze Pa zee: "Dès naauw èènmaol zò, / Mee 'ne sportman lèk ikke.
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 01 15 - ze Willemòòm, die skoeter rijdt / Hee laast van kaauwe oren / Veural as t vriest lèk van de week / Dan zèn ze host bevroren.
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - toen ie daor zo gèèl laag, leek ie lèk en lèèk
leegsjaak
zelfstandig naamwoord

leegloper, profiteur

- De hèlleft van mèn ötkering gao fort nòr die leegsjake. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
leegsjaak
lèèke
  1. werkwoord

    lijken lèèke - lêek - geleeke in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij lèkt

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 (blz. 40) verl. tijd lêek, maar: likte gij?
    - - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - - gezegd van de zoon: Dè lèkt naa nèt nen ólliefaant. - Dat lijkt nou net een olifant.
    - Cees Robben - t Lekt hil wè... Mar t is novvenaant niks.. (19620316) [over een modern schilderij] - Cees Robben - Wè lekt jou, Drikka? (19801031) - Cees Robben - [over een vrouw:] Ze lekt net de ster van betteljem.. Jè, alleenig blinkt ze nie... schèène doese wel.. (19800105) - Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - van vurren óp zen vadder lèèke èn van aachtern óp hil zen femielie
  2. naam

    lêekend(e) in: lêekende nat - drijfnat; lekkend

    - Cees Robben - Naa leeget laand wir leekend nat/ en glunder fris te kèèke... (19600902)
    - Cees Robben - leekend-nat... (19581011)
    - Cees Robben - En [hij] krôôp toen leekend-nat uit t waoter... (19590815)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 03 16 - Leekende nat van kop toe tèèn / Gelèk verzoope katte.
  3. Henk van Rijen - hij wier lêekendenat - hij werd druipnat - Grôot diktee van de Tilburgse taol 94... dèttie nie wir leekende nat wòrt

    - WNT - LEKEN (I) onzijdig; en bedr. zw.ww., Mnl. leken, verwant met lek en lekken. In sommige dialecten is 't woord zeer gewoon; in de algemeene taal, althans tegenwoordig, behoort het echter tot den hoogeren stijl en bezigt men in den gewonen omgang in dezelfde beteekenis lekken.
  4. werkwoord

    lèèkene lijkenen; verkorte vorm van gelijkenen; verouderde vorm van lèèke

    - WNT - IV:1192 'gelijkenen' - bijna uitsluitend gebruikt in de onbepaalde wijs, in den tegenwoordige tijd en de beide deelwoorden.
    - Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 't lijkent wel...
    - Cees Robben - Dan lèèkenet veul meer... (19651203) - Cees Robben - lèèkent wel... (19681004)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 02 03 - Mee blauwe kiele en 'n pet / Lèkende dan ineens / Wègge nermaol ok doe of zèt / nen Hèèlen aand're meens.
    - F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - 'T lèèkent toch himmel nèggeraans öp.
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'deh 't ie sprekend lèkend is deh zeej iederëen'
    - WBD - III.4.4:301 'lijkenen' = gelijken
    - Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992) - 't lèèkene wel Watt èn Half Watt
  5. zelfstandig naamwoord

    l èèkmis

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - uitvaartmis
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - lèèkmisse èn trouwmisse zèn kèèkmisse
lèèkwaoge
  1. zelfstandig naamwoord

    lijkwagen Lodewijk van den Bredevoort - Toen et Pauske, de kompaan van de Metser, meej wie ie aaltij vocht, plotseling et leven liet, bleek wel dè den drank zen énige kameraod waar gewist. Niemand liep er aachter de lèèkwaoge. Dè vonden wij eigeluk ok mar un triest gezicht. ( ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) Nieuwe Tilburgsche Courant 27-3-1892 l êem zelfstandig naamwoord leem

    - WBD - III.4.4:156 'leem' = zavel; 170 'leemgrond' = zware grond
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord o., - leem
  2. zelfstandig naamwoord

    l èèm lijm

    - WBD - lèèm - lijmvlees, de resten vlees-, bind- en vetweefsel van de vleeskant van een huid (II 610), ook 'vlees' genoemd
    - WBD - lèèmhoop - lijmkuip, kuip waarin lijmvlees wordt bewaard (II 610)
    - WBD - lèèmraom - lijmraam, raam waarop lijmvlees wordt gelegd om te drogen(II 611)
    - WBD - lèèmvèl - lijmvleeskoek (II 611)
    - WBD - lèèmfebriek - lijmfabriek (II 611)
    - WBD - lèmroej, lèmstòk (II:1023) - platroede
    - WBD - lèèmvèllelèèm (of: lèm- ?) (II:1025) - lïjmvellenlijm; ook: lèèm
    - WBD - lèèmkeetel, lèmkeetel (II:1025) - lijmketel: sterkbak
    - WBD - 'lémbák', 'lèèmbák' (II:1027) - lijmbak; ook: papbak, 'lémásjien'
    - WBD - 'lémasjien' (II:1027) - lijmmachine: lijmbak
  3. werkwoord

    lèème lijmen fig. overhalen, bepraten

    - Voobeeld systeemkaart Sterenborg - Hèddoe wir laote lèème?
    - Informant Toine Raaijmakers - Meej ne natte vinger te lèème zèèn - zich makkelijk laten overhalen - WBD - lèème (bèlèème) (II:1022) - lijmen (bijlijmen): sterken (v. kettinggaren)
    - WBD - lèmroej, lèmstok (II:1023) - platroede
    - WBD - lèèmvèllelèèm (of: lèm ?) (II: 1025) - lijmvellenlijm; ook: lèèm - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - zenèège laote lèème - zich laten bepraten, overhalen
lêeme
  1. naam

    lemen, van leem

    - Audioregistratie 1978 - Lêeme vloereDie hèb ik wèl gekènd Net de Visser. Hier wont Net de Visser, zi pestoor Bèèrendonk. Jan van Hulten hiete hij, de man, èn die heej enen vloer meej bulte, zi pestoor teege de kappelaon.
    lêeme
  2. zelfstandig naamwoord

    l èèmer Henk van Rijen - (textiel) kettinglijmer (bediener 'lèèmmesjien') lêemkè ùl zelfstandig naamwoord Henk van Rijen - leemput lèè mmesjien zelfstandig naamwoord Henk van Rijen - (textiel) machine om de 'kèttings' te lijmen

    - Audioregistratie 1978 - Bij ons stonde tweej houte ketaawe in hèùs, dè weet ik nòg goed èn wij han en, en schèèrraom èn wij han en lèèmmesjien ammel int hout, kompleet! Wij waare hillemòl as ene, ene tèkstielfabriekaant mar ammel int hout! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
  3. zelfstandig naamwoord

    lèèmpinneke

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - lijmstokje gebruikt bij de (illegale) vogelvangst
  4. zelfstandig naamwoord

    lêen leen hij ha de fiets van zenen buurman in lêen lèèn, lèntje zelfstandig naamwoord lijn, spoorlijn et Bèls lèntje, de lèèn nòr Den Bosch - Informant Toine Raaijmakers - Et Bèls lèntje ister mar en bisje bij (schamper gezegd van iets kleins - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'ze hield van slanke lèn' of onbeduidends)

    - WBD - III.3.1:409 'lijn' = spoorweg - waor ik iedere lèèn van kèn
  5. werkwoord

    lê ene lenen lêene - linde - gelind

    - A.J.A.C. van Delft - "Met leenen volle neef, met teruggeven hoerekind." Dit is: Als hij geld wil leenen, is hij poeslief, doch als het later op teruggeven aankomt, is hij onbeschoft. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
  6. zelfstandig naamwoord

    Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - ge leert de wèèrde van ene fèfteger pas kènne, as ge der êene moet gon lêene (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) Vocaalkrimping, behalve in inf., praes.plur. en praes. ik-vorm lèène lendenen

    - WBD - III.1.1:132 'lenen' = lendenen 133 'lende' = zijde
  7. zelfstandig naamwoord

    lèènollie Henk van Rijen - lijnolie Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - lèènòllie zelfstandig naamwoord - lijnolie lèènwaod zelfstandig naamwoord Henk van Rijen - lijnwaad, linnengoed

    - WNT - LIJNWAAD - 1) als collectivum voor het linnen als handelsartikel,..., linnen goederen, linnengoed, waschgoed.
  8. zelfstandig naamwoord

    lèènzaod lijnzaad, vlaszaad leepeltjeskrèùd zelfstandig naamwoord

    - WBD - III.4.3:412 leepeltjeskrèùd - herderstasje (Capsella bursa-pastoris)
  9. werkwoord

    lèèpere lebberen lèèpere - lèèperde - gelèèperd bij het rikken met opzet een aas achterhouden = lèètere

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "laipere - het laipert, stof die op ongewenschte wijze uitgerekt is"
    - Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Die trui is aoreg versleete, ze begient òn alle kaante te lèèpere. Die trui is best wel versleten: ze begint aan alle kanten te lubberen. (270610)
    - WBD - III.4.4:210 'lijperen' = kleverig worden; ook 'lijpen
    - WNT - LIJPEN (I) - A1) Lijp zijn, scheef zijn, verkeerde plooien of vouwen vertoonen; 2) uitrekken, langer of wijder worden; LEIPEREN (- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ) = lijpen
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LIJPEREN, LEIPEREN onoverg. - freq.van 'lijpen' - valsche plooien hebben, beurzen, lobberen (van kleederen). Wordt ook gezegd van bier, wanneer het bij 't schenken dik en olieachtig schijnt. Frans: filer, graisser. Hees lebbere (VIII:48)
  10. zelfstandig naamwoord

    lèèpôog Henk van Rijen - sluwerik

    - Van Dale - iemand met tranende ogen
    - WBD - III.1.1:245 'leepogen' = tranende ogen
    - WNT - lemma LEEPoog - druipend oog : ontsteking in de randen der wenkbrauwen, tusschen de wanden der traanklieren.
  11. zelfstandig naamwoord

    leer ladder

    - Dialectenquête 1876 - klim op de leer
  12. zelfstandig naamwoord

    DANS der is ene spòrt öt de lêer

    - Audioregistratie 1978 - Dan wèrd hil die dinge [het geslachte varken] durgesneeje, hè, van die pôote èn die pees, hè, òn wirskaante. Der wèrd en touw durgedaon, hè, èn die wèrd zôo òn die spòrte van die ladder òf die leer gehange èn dan wèrd ie oope gesneeje! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEER (scherpe e), zelfstandig naamwoord v. - ladder
  13. zelfstandig naamwoord

    lèèr leer, leder

    - Mee de tram konde nor Wolluk/ Die ha schoon zittinge van lèèr Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.
    - WBD - genèèrfd lèèr - generfd leer (II 663)
    - WBD - 'jassəlaer' - jassenleer, kledingleer (II 664)
    - WBD - 'bəkleedinglèèr' - bekledingleer (II 664)
    - WBD - 'napalèèr' - nappaleer (II 664)
    - WBD - 'pórtəməneelèèr' - portemonneeleer (II 664)
    - WBD - voeringlèèr - voeringleer (II 676)
    - WBD - vèèrekeslèèr - varkensleer (II 675)
  14. werkwoord

    leere leren - Dialectenquête 1876 - hij wil niks lère (tusschen ee en è in.)

    - Dialectenquête 1887 Willems - leere - lirde - gelird
    - ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij lirt
  15. naam

    lèère leren, lederen ene lèère jas

lèerlôojeraaj
zelfstandig naamwoord

leerlooierij Daor heej irst daor de Volt is, hè, dè is vruuger en lèèrlôojeraaj gewist van Gust Smetsers (?). Èn toen isser en lampefebriekske ingekoome [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015] lèèrs, lèrske, lèèrze zelfstandig naamwoord laars Piet van Beers Snuupkes: Drie kènder öt de buurt, drie zwarte snuutjes./ Meej krontjes op der bölleke èn lèèrze òn der vuutjes/ zonge ze "Gif mèn enne nuuwen hoed". (Spoeje doemmeniemer; 2009)

leesplèngske
  1. zelfstandig naamwoord

    leesplankje

    - WTT - 2020 - In navolging van de leesborden en -plankjes die vroeger in het lager onderwijs werden gebruikt (Aap, Roos, Zeef...) bedacht de Stichting Tilburgse Taol in 1997 een 'Tilburgs Leesplèngske'. Daarop zijn alle klanken van het Tilburgs vertegenwoordigd.
  2. zelfstandig naamwoord

    De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel. In 2020 liet de Stichting Tilburgse Taol een meer eigentijdse variant vervaardigen in samenwerking met het TijdLab in de LocHal (Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant) en Erfgoed Tilburg. De illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn. lèèst Henk van Rijen - lijst lèèster, lèster zelfstandig naamwoord Henk van Rijen - lijster (Turdus) lèèter zelfstandig naamwoord leidsel, teugel syn. 'laajsel' Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - òn de lèèter haawe ( '70) - aan het lijntje houden, afleiden, afschepen Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - òn de lèèter blèève ('70) - treuzelen, melken Haor LÈITER - lijntje: on de lèiter haawe

    - WNT - LEITS - 1) smalle riem waaraan een jachthond wordt vastgehouden; 2) paardetoom; teugel, leidsel, (wsch. een vervorming van LEIS, onder invloed van 'leiden'.)
leeter
  1. werkwoord

    lèètere treuzelen, rekken, vertragen

    - lèètere - lèèterde - gelèèterd
    - van Frans: 'lait'?
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - (bijvoegsel) vərlä.tərə(n) , zw.ww.tr. 'verleiteren'? - verlullen: 'hëel z'nen teed verlaetere'
    - WNT - VERLATEREN (II) - verschuiven (naar een later tijdstip)
    leeterleeter
  2. samentrekking

    leetie ligt hij

lèg
  1. zelfstandig naamwoord

    lègbalk

    - WBD - (Hasselt) het geheel der geslachtsorganen van een kip
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk - baarmoeder van een kip.
  2. werkwoord

    lègge leggen

    - Cees Robben: ze (de aajer) han eigelek mèèrege pas geleej meuge wòrre;
    - Ik heb deez' passage wè meer uitgelee omdè ge, as ge 't ziet, zelf zult zeggen, dèt't schonste en aondoenlijkste deel uit de revue is. Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.
    - Cees Robben: ik hèb ene pulling óp et voetènd geleej;
    - WBD - I:1426 bieten zaaien: 'léggə', 'zaajə', 'peejə zaajə'
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 lègge - lee/lègde - geleed/ geleej ; (66) imperat.: lègt/lèg
    - Dialectenquête 1887 Willems - lègge - li(n) - geleej
  3. tegenwoordige tijd: ik leg, hij leej, gij lègt verleden tijd: ik li(n), wij leeë, gij li(n)t

    - A. P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - lagə(n) zw.ww. (lei, leen (en leene(n)), geleid) - leggen tr.
lègger
  1. zelfstandig naamwoord

    legger

    - 2019 gezegde in combinatie met hèffer: De hèffer èn de lègger: de regelaar/organisator (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980.
  2. werkwoord

    leije

    - WBD - besturen (het paard leiden terwijl het de kar trekt), ook 'voermanne' genoemd
    - WBD - 'in de lòsse strènge lije; laaje; (een paard) losgetuigd leiden
    - WBD - inlije (II:1050) - inleiden van een nieuwe draad; ook: inlègge, inlaoje
  3. zelfstandig naamwoord

    leike leitje (dakbedekking) - WBD - (III.2.1:60) leike - leitje lèk bijvoeglijk naamwoord. lek

    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - zó lèk as en zeef nèffe de gaote (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - ironisch voor 'lek' - hij ha ne lèkke tuut - hij had een lekke band
  4. lèk voegwoord gelijk, zoals gelèèk'

lèkasböllie
  1. werkwoord

    lèkke 1 - likken (sterk)

    - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - de schipper lèkte zen lippen aaf. 'De schipper lèkte zen lippen aaf.' (blz. 94)
  2. Naarus - Wij lekken tegesworrig bekaant ammel smiddags ons bord aaf. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

    - Cees Robben - Dn ijsco lokt klèènen... Die toe-per-toe lekken... (19580524)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 11 05 - "Juffrouw ik mot op deezen brief / Unne poszegel plèkke, / Mar ik heb zònne dreuge mond / Wilde gij nie is lèkke?"
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - de kaoter zen kónt gelèkt hèbbe ('50) nadorst hebben, na overmatig alcoholgebruik
    - Ik koos veur enne kanéélstok, van enne zuursteel kréégde zon schraol tong, trouwes die waar ôk lang nie zô lekker. Al lekkend gingen we wir op hèùs aon. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
    - Meej oewe vinger deur de rôomboter en dan deur den hagelslag haole, detter veul aon blééf hangen en dan aflekke. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
  3. 2. lekken (zwak) lèkke, likte, gelikt

    - Gieleke (wsch. pseudoniem van Michel van de Ven) ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980 - Dan zit ie frèèd op de tribune/ Z'n lekkend nuske af te buunen.
    - - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 08 14 - De règen viel mee stròòmen neer / Ik drupte en ik likte...
  4. bijwoord

    Stickers, ontworpen door Sander Neijnens en Ivo van Leeuwen in het kader van hun lettertype TilburgsAns (2016) om 'lekker' op de vuilcontainer te 'plèkke'. lèkker lekker iets wat goed smaakt iets wat aangenaam is gezegde: Et hoeft nie op, al ist lèkker C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LEKKER, in ''t is wè lèkkers' - het is niet zo moeilijk als je suggereert. Snoepkraam bij de Hasseltse kapel van Van den Dries, met de slogan 'efkes wè lekkers' (mei 2017).

lèkkers
  1. zelfstandig naamwoord

    iets wat goed smaakt Slogan: 'Efkes wè lekkers' bij een snoepkraam bij de Hasseltsr kapel, mei 2017. l èkkertjestaand zelfstandig naamwoord Pierre van Beek - snoeptand, tand die houdt van iets lekkers; dure lekkernij

    - WNT - LEKKERTAND 1) tand die op lekker eten gesteld en kieskeurig is; 2) iemand die een lekkeren tand heeft, een smulpaap, lekkerbek - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - APPELTAND: Ge zult uwen appeltand meugen uittrekken - (schertsend) om te beduiden dat de appelen op zijn.
    lèkkerslèkkers
  2. l èkkes Voegwoord Alleen aangetroffen in Een roestpraatje ( Weekblad van Tilburg , 5 oktober 1867): Gij gao lekkes aovend nie bizzen veur de eerste baauw. Lekkes wordt daar niet verklaard; wel: Bizzen veur de eerste baauw d. i. op de eerste vermaning heen gaan. Bizzen, biezen, bijzen is alleen nog gewestelijk en beteekent snuiven, brieschen en t gevolgelijke rondhollen. Baauwen zijn groote vliegen.

    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - lekkes aovend (lees lekkes t' aovend) = van avond, deze avond.
    - WTT - 2017 - Lek lijkt een verkorting van gelijk, ongeacht welke.
  3. zelfstandig naamwoord

    Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplèngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel. lèksteel, lèkstòk, lèkstêel

    - Informant Ad Vinken; bep. snoepgoed, in steelvorm, dat al likkende wordt geconsumeerd - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - zuurstok, kermistraktatie
    - Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Van ons oopoe krêege we meej de kèrmes en dubbeltje vur ene leksteel (180707). ... voor een zuurstok.
    - Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Zonder lèksteel hamme gin kèrmes gehad. (240310)
  4. Schilders - Mar ik vonnet wèèd zat lôope vur ene lèkstòk òf ene schar. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

    - WTT - 2012 - Op het 'Tilburgs leesplèngske' komt voor: lèkstêel; het naglijderteken (^) is terecht. Het gaat om een zachtlange ee.
  5. N.B. Geen naglijder; de 'ee' is zachtlang; volgens - WNT - meervoud: stelen

    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
  6. zelfstandig naamwoord

    Prentbriefkaart ter promotie van de 'Jaozeetie' (zie dat lemma). Afbeelding: facebook.com/dejaozeetie, 2019. lèktuutje

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - stroopsoldaatje
  7. werkwoord

    Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - lèktuutje zelfstandig naamwoord - stroopsoldaatje lèllepôote hulpeloos liggen, + te ligge te lèllepôote - op apegapen liggen, naar adem snakken - Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Hij is zo muug: hij leej gewoon te lèllepôote - hij is uitgeteld (151006)

    - Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LELLEBEENEN - lillebeenen (overal in Brab. en - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - )
  8. zelfstandig naamwoord

    Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - lèllepòòte ww - stuiptrekken lè mde persoonsvorm lijmde verleden tijd van 'lèème', met vocaalkrimping l èmke , lèmpke lampje

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'en ze hangen lempkes'
  9. ...ware grootheid moete mee 'n lempke zuuken... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939) Ik hè de [kerst]verlichting gezien; 't was crimmeneel!... "'n Laon van licht" noemen ze 't. Mar dan toch 'n laon mee kaol plakken erin, want er hangen nie overal lempkes. Ik docht irst, dè ze 'r nie genog bij mekare hôn kunnen vènen - er hangen er wè - mar laoter zè'k te weten gekomen dè't-er meer aachter zit. De winkeliers, bij wie gin lempkes vur d'r huis hangen, hebben straf. Gin lempkes hebben beteekent naa in de Heuvelstraot ongeveer 't zelfde as op school in den hoek staon. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)

    - Cees Robben - de lempkes langs de Lieve Vrouw (19600715)
    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - was er zonne man, zon man van et gaslicht òngestèld meej zonne lange stòk meej zon lèmpke veur derin, petrollie, hè, en knoetje in meej bronnollie èn dan gingie saoves dieje lantèère veur in dè gòtje steeke, de lantèèren ònmaoke. Klik hier om dit bestand te beluisteren
  10. Den kerststal mee zôn lempke drin/ had ons pa ôot èùtgezaogd./ Èùt triplexplaot, ge wit dè wel./ En dè waar hêel geslaogd. (Jos Naaijkens; Et Kèrstklêed; CuBra, ca 2005) Cees Robben: 'de lèmpkes langs de Lieve Vrouw' Henk van Rijen - kèk tòch es wènne strêûp lèmkes èn vlègskes!

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - lèmkes kèèke (de klèènmanne saoves meej de kèrmes)
    - Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - De klèènmanne meugen êenen aovend meej nòr de kèrmes lèmkes kèèke. (200509)
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 lamke (blz. 28)
  11. zelfstandig naamwoord

    lèmmert

    - WBD - III.2.1:271 'lemmert' = lampenpit
lèndenbôom
  1. zelfstandig naamwoord

    de Lindeboom (op de Heuvel te Tilburg) (Tilia) (wsch. 8 eeuwen oud) [al vele jaren geleden gekapt]

    - Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - de lèndebôom
    - Cees Robben - De blaoikes van den lendenbôôm... die hebben veul geheurd... (19540522)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 04 15 - Onder d'n lèndenbòòm
    - Irst hamme den aawe lèndenbôom. Dè waar ôot ene grôote, schôonen bôom, ak de teekeningen èn footoos maag geleuve. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)
    - Op Den Heuvel is deeze week ene nuuwe lèndenbôom geplaant. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 lèndenbôom - linde
    - WBD - III.4.3:140 lèndenbôom - linde (Tilia), ook genoemd: lènde
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk lendenboom d.i. lijndenboom - lindeboom
    - WNT - LINDEBOOM zelfstandig naamwoord mannelijk Mnl. lindeboom; uit LINDE en BOOM. Daarnaast LINDENBOOM waarin 'linden' soms als bijvoeglijk naamwoord zal bedoeld zijn.
  2. zelfstandig naamwoord

    lènderiem

    - WBD - (Hasselt) rugriem (riem over de paarderug, die aan beide zijden de strengen draagt)
  3. zelfstandig naamwoord

    lè ngte lengte uitdrukking De lèngte krèège - de gelegenheid krijgen lè nne zelfstandig naamwoord /bijvoeglijk naamwoord. linnen

    - WBD - II.4. p. 868
  4. zelfstandig naamwoord

    puur linnen (lijnen): puur linne, K 183 (= Tilburg) ; puur lénne, K 183 (= Tilburg) ; zuiver linnen (lijnen): zèùver linne, K 183 (= Tilburg) ; zèùver lénne, K 183 (= Tilburg) ; linnenweefsel: het type (...) linne wêefsel, K 183 (= Tilburg) L ènshaajke toponiem Lijnsheike ('t) - Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - ''t Linshaaike'

    - Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - èn van Tilburg aaf kwaam et tòt hier op de Lènshaajke, zak zègge Klik hier om dit bestand te beluisteren
    - Audioregistratie 1978 - asse dan beurden, hi, dan ginge ze aatij en paor borreltjes vatte bij dingen, hi. Daor in de Koejstraot op diejen hoek, daor den dinge bij den Engel, bij den Engel Ik hèb onze paa vruuger heure vertèlle, dan stond hier hilt Lènshaajke daor nèffe de Kraon hadde ok èrges en kefeej gelêûf ik, dan stond hiiiilt Lènshaajke vol kruiwaoges! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
lewaajsaus
zelfstandig naamwoord

- Ed Schilders - 8 mei 2019 Lewaajsaus (lawaaisaus) is strikt genomen geen dialect. In het laatste kwart van de 19 de eeuw wordt de aanduiding in kranten nog algemeen gebruikt voor een saus die is samengesteld uit het kooknat van aardappelen waaraan bij gebrek aan vet, smaak en kleur, mosterd en azijn werden toegevoegd, of een van beide.
lewaajsoep
  1. zelfstandig naamwoord

    lawaaisoep, met veel water aangelengde soep

    - Van Dale XIe: lawaaisoep (dunne, magere soep)
    - [Ons moeder] mòkte ooveral en fist van. Die deej waoter bij de soep, èn dan zisse dèmme Lewaajsoep han. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
    - WTT - 2012 - Het - WBD - heeft 'lawaaisoep' uitsluitend opgetekend voor Breda, en wel onder het hoofd 'Waterachtig voedsel' (III.2.3:3). Tilburg wordt in dit lemma vertegenwoordigd met 'sloerie', 'slappe sloerie', en 'slierp'.
    - Claessens 2019 zegsman, bericht aan Ed Schilders Zoals ons moeder zei: Als het maar geen lawaaisoep wordt, als ik vroeg of jij kon mee-eten.
  2. Onderdeel van de gaarkeuken dan wel voedselbank Bij gelegenheid van de opheffing van de Centrale keuken in Amsterdam plaatste Het Parool op 26 februari 1968 een bericht met een opsomming van de gerechten die daar geserveerd werden in tijden van honger en tegenslag.

    - TOCH mogen we volgend jaar wel met een tikje weemoed van de centrale keuken afscheid nemen, want boven een bepaalde leeftijd, heeft Amsterdam heel wat aan die keuken te danken. In de hongerwinter van lang geleden verschafte die keuken duizenden de enige warme hap, die ze nog kregen. Stamppot andijvie, stamppot rode kool, stamppot suikerbiet, stamppot wortelen, aardappelsoep, lawaaisoep , bruine bonensoep, ja het menu was wel een beetje eentonig, maar we hebben er allemaal van gesmuld, mensen!
    - Cees Robben - Prent van de week 28 juni 1974 (het Nieuwsblad van het Zuiden )
li
  1. bijwoord

    persoonsvorm van lègge legde verleden tijd van lègge; hiernaast ook: 'lègde' lichelek lichtelijk, allicht, enigszins

    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - lichelijk, bw. lichtelijk, wat naar alle waarschijnlijkheid zal gebeuren of wat op grond van ervaring te verwachten is: 't is lichelijk wè - er gebeurt altijd wel iets.
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijwoord lichtelijk - 1) gauw, spoedig, gemakkelijk; 2) (hoogst-)waarschijnlijk, vermoedelijk.
  2. zelfstandig naamwoord

    licht licht

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - lichtèndonkere - schemering (< tussen licht en donker)
  3. bijwoord

    Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - licht(e) zelfstandig naamwoord licht(en); Ge staot in de licht! licht licht, niet donker èùt licht - klaarlicht, volop licht - WBD - III.1.4:354 'licht' = gemakkelijk - WBD - III.4.4:29 'licht' = zeer warm (van het weer), ook heet - WBD - III.4.4:235 'licht' = helder

licht-onneuzel-wicht
bijwoord

lichvèèrdeg Pierre van Beek - allicht, waarschijnlijk Pierre van Beek - As alleman et doe, zal ik et lichtvèèrdeg ók doen. Henk van Rijen - 'lichvèèrdeg' - lichtvaardig, allicht, gemakkelijk

lichtwörm
  1. zelfstandig naamwoord

    lichtworm

    - WBD - III 4,2:172 lemma Glimworm - De glimworm (Lampyris noctiluca) is een in onze streken zeldzaam voorkomend en tot de verbeelding sprekend insect dat op vroege zomeravonden licht geeft. Het mannetje heeft lichtbruine dekschilden en vliegt, vaak in grote aantallen, op warme juliavonden onder de bomen; het wijfje is ongevleugeld, lijkt op een larve en kruipt over de grond. Beide hebben aan het achterlijf een gecompliceerd fel geel lichtgevend orgaan. Ze worden 12 mm. glimpworm Middennoordbrabant lichtworm frequent in Tilburg dwaallicht Tilburg pierworm Tilburg pier Tilburg
  2. zelfstandig naamwoord

    lid lid, meervoud: leeje

    - WBD - et ónder de leeje hèbbe - (van een koe) aanstalten maken om te gaan kalven
    - WBD - III.1.1:145 -lid', 'lidmaat' = lidmaat
    - WBD - III.1.1:159 'voorste lid' = vingerkootje
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - l:t, zelfstandig naamwoord o., lid; mv. 'lei', Brabantius 'leei'. (zie ook: 'leeje')
liebertèèt
  1. zelfstandig naamwoord

    vrijheid uit het Franse liberté

    - Interview met de heer De Kok (1978) Èn toen zeetie (Jaon van Aorendonk) van: Bartje, zeej, Wörrom zèède gij bij den bond? Ik zèg Vur men èège liebertèèt
  2. werkwoord

    liege liegen liege - loog - gelooge

    - Informant Toine Raaijmakers - Als men zich niet meer herinnert wat men wilde zeggen: 'Dan zalt wèl gelooge zèèn'
  3. Pierre van Beek - "Hij liegt as 'nen houtraper" zegt men van iemand, die er "ongegeneerd" op los liegt. Dus "liegt dat-ie zwart zie", zoals Lowie van Dorrus Misters zei. Waarom het nu juist de houtrapers waren, die om hun liegen berucht schenen, is ons niet duidelijk. Wél weten we, dat het houtrapen of houtsprokkelen door de arme bevolking in Tilburg vroeger méér beoefend werd dan thans.. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

    - Gezegde: Henk van Rijen - liegen in kómmissie - buiten eigen verantwoordelijkheid: Ast nie waor is, dan lieg ik in kómmissie.
    - Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - hij liegt dètter de lèùzen óp zene kòp van barste (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - hij liegt dat ier barst
    - Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - liege ww - liegen
  4. zelfstandig naamwoord

    liegebist, leugebist Henk van Rijen - liegbeest, leugenaar Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - liegbist, leujgebist zelfstandig naamwoord - leugenaar

    - WNT - LIEGBEEST - leugenaar
  5. zelfstandig naamwoord

    li eke liedje verkleinde vorm van 'lied'; samentrekking van 'liedeke'? ...allemaol bekende aaw melodieën en kerkliekes... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 5; Nieuwe Tilburgsche Courant 29-10-1938)

    - Cees Robben - En de wend die fraozelt zuutjes,/ liefdesliekes in mun oor.. (19540612) - Cees Robben - n Lieke zonder end... (19600715) - Cees Robben - Ik leuter mn lieke (19570713) - Cees Robben - Zingt t spoeleke zn lieke/ links klabots.. en rechts klabak.. (19560630) - Cees Robben - Ze zingen n lieke.. (19590110)
    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'de taol waorin liekes zat zitten'; 'heur ons lieken es aon' - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - zen lieke was kòrt mar goed
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 'zen lieke was kòrt, mar goed' (zin 90, blz. 99)
    - De meense wille daor tòch nòg aatij gèère en schôon lieke bij heure. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2006)
  6. zelfstandig naamwoord

    òf ik vur heur en lieke wilde zinge... (Henriëtte Vunderink, Bewaarschool, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)

    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LIÊKE(N) zelfstandig naamwoord o. -lied, liedje, Frans: chanson
  7. zelfstandig naamwoord

    liekesboek liedjesboek

    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LIEKESBOEK (met korte oe) zelfstandig naamwoord m., niet o. - liederboek
  8. zelfstandig naamwoord

    liekesmaoker liedjesmaker, componist?

    - Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 'liekesmaoker'
lienekenolie
  1. zelfstandig naamwoord

    lienieke

    - WBD - III.3.1:314 'linieke' = grens
  2. zelfstandig naamwoord

    lies lis Witt. 'lieze'

    - WBD - III.1.1:171 'lies' = knieholte
    - WNT - VIII:2493: LISCH, in Z-Ned. ook les(ch) - ben. voor een hier te lande in het wild aan waterkanten en in moerassen veel voorkomende plant van het geslacht Iris, in het bijz. Gele Lisch, Iris Pseudacorus.
lietenie
  1. zelfstandig naamwoord

    litanie, klaagzang

    - 'De Hasseltse Litanie'; vroeger een bekend volksliedje in Tilburg; het begint met:
  2. naam

    Tirres van Besouw zat in de hei, Viva brokken lorum Daar maakte hij alle meskes blij. Viva brokken lorum Voor de volledige tekst en verklaring KLIK HIER lieters een liter inhoudende

    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - liters, bijvoeglijk naamwoord liters: 'n literse fles - een fles die één liter inhoudt.
  3. zelfstandig naamwoord

    lievenheeretietje lieveheersbeestje

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "lievenheeretietjes - lieveheerebeestjes (Coccinellae)" Blinkend lieven-
  4. heeretientje, glaanzend knöpke, rood gelakt, zwart getikkeld keverkiendje, och, wè bende gij fraai gefrakt! (Piet Heerkens; uit De knaorrie, Lievenheeretientje, 1949)

    - WBD - III.4.9:170 'lieveheertietje', 'lieveheretietje', 'lieveheerhenneke', 'lieveherehenneke', 'lieveheerbeestje', 'lieveherebeesje'
  5. Koenen I (1872) maakt bij onze-lieven-heers-beestje de volgende opmerking: Men hoort ook onze-lieven-heere-beestje. Dit komt daar vandaan dat in de streken, waar deze en soortgelijke koppelingen gehoord worden, de h niet wordt uitgesproken. Maar al wierd zij er gehoord, de n van lieven dient behouden te blijven om der welluidendheid wille. Piet Heerkens svd - uit: DE KNAORRIE (1949) Blinkend lieven- heeretientje, /glaanzend knöpke, /rood gelakt, /zwart getikkeld/ keverkiendje, / och, wè bende gij /fraai gefrakt!

lighalle
  1. zelfstandig naamwoord

    sanatorium

    - A.J.A.C. van Delft - "Zô'n vuil stinkende sigret, waor ze 'n briefke veur de lighallen bij moesse geve as ze verkocht wierre" wordt met graagte opgepaft ten nadeele der gezondheid. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)
    lighalle
  2. zelfstandig naamwoord

    ligte Henk van Rijen - leegte lije werkwoord, sterk lijden

    - A.J.A.C. van Delft - "'n Eerlijk hart moet wè lijden, zee Poeper de Lepper" klinkt het bij verongelijkt worden. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)
  3. Cees Robben: zen maog stao nòr et hóngerlije; Henk van Rijen - 'Dè maa-k lèèje' - Dat hoop ik.

    - WBD - III.3.1:230 'lijden', '(gaarne) mogen, goed kunnen zetten, staan op' = iemand graag mogen lije - leej - geleeje - WBD - III.1.4:250 'lijden' = treuren; 261 'lijden' = idem - WBD - III.4.4:97 'lijden' = dragen (van ijs)
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - st. ww. tr. en intr. - lijden - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LIJ(D)E(N) - ww, onoverg.
  4. zelfstandig naamwoord

    Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - lije ww - houden, lijden: 't èès lijdt; dè lij ik nie van jou lijn, de

    - Paul Spapens et al; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol (2004) - de spoorlijn die Tilburg doormidden deelt
lillek
  1. bijwoord

    lillek , lilleker, lilluk lelijk, erg, danig Ze han em lillek te pakke. - Ze hadden hem danig te pakken. - Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - innen lilleke wènd - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'en lilleke woorden gezeej'

    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - (Hondenshow)Hij is nie lillik in zn sôôrt, maar t sôôrt is lillik. (ook opgestuurd: 16-1-1975) (15-06-1963) lillek - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Meetoere bende ûnne lillikû drèver, dreiner! (feb. 1962) lillek
    - Cees Robben - Dn onrust is n lilluk ding (19651231)
    - Cees Robben - Lillukke drèèn-ôôr diege-me-daor-staot... (19670603)
    - Cees Robben - Van unne kreugel worde nog is lilluk ôôk... Daor krèède grôôte neusgaoter van en lang èèreme... (19730330)
    - Cees Robben - Ik vèènet nie lilluk (19860516)
    - Cees Robben - Hoe meer dettie uit doe hoe lillukker dettie wordt... (19781222) - Gezegde: Pierre van Beek - As lillek zeer di, wè zóde gij dan en pènt hèbbe. (Tilburgse Taaklplastiek 124) Henk van Rijen - "gehòt is lillek" - wat je had, daar heb je niets meer aan Henk van Rijen - naaw, kzèè er lillek meej afgespannen -... er erg mee ontriefd - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - lillek in de luier, schoon in de sluier (ook - Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - (180407)
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEELIJK (uitspr. leelək, lillək, Kemp.: lellək) - lelijk
    lilleklillek
  2. zelfstandig naamwoord

    LILLIK (2e lettergr. toonloos)- leelijk; in de Kemp. LELLIK Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - lillek bw - lelijk, erg Bosch lillek - lelijk, brutaal, erg (flink) lillekerd iemand met een slecht karakter

    - Cees Robben - Ik zeg: nèè lillukkerd... (19650402)
    - echter ook wel gebruikt om sympathie uit te drukken:
    - Cees Robben - En witte wè den lillukkerd toen zeej... (19671110)
    - WBD - onelegant paard, ook (in de Hasselt 'loeves' genoemd)
  3. zelfstandig naamwoord

    Henk van Rijen - plaaggeest, lelijkaard

    - WNT - LEELIJKERD, leelijkaard - 1) akelig, naar, beroerd wezen, beroerling 3) slecht, gemeen, naar persoon, schurk, booswicht
lillep
  1. werkwoord

    - Pierre van Beek - Hij lag te lillepoten. - te stuiptrekken. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)
  2. zelfstandig naamwoord

    limmenaade limonade ook: 'liemenaade'

    - Cees Robben - Gift dan mar limmenade zeej...! (19661021)
  3. werkwoord

    limmeneere

    - mogelijk uit het Franse illuminer, feestelijk verlichten
    - het er goed van nemen; de fijne meneer spelen.
    - limmeneere - limmeneerde - gelimmeneerd
  4. werkwoord

    Cees Robben: Ik hèb aaltij goed gelimmeneerd;

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "ze limmeneeren mar dag in dag uit (de bloemetjes buiten zetten)"
  5. 1965 - Reactie op het voorgaande - A.C. Hoogendoorn - brief aan Pierre van Beek - archief erven Pierre van Beek 2007 - Wij mar werken en aaltij ons geld hillemaol afgeeven en zij mar limmeneren, waar et waor wij ons aon stoorde. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) 2009 - Piet van Beers 1 ste Lezing uit Lukas 15: Z' n grotste beezighèd was: Schönsmarsjeere/ èn daogelang fiste èn limmeneere. (Spoeje doemmeniemer; 2009) Piet van Beers Groeten uit Mallorca: De jeugd gao dan flink limmeneere... (Spoeje doemmeniemer; 2009)

    - Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Hij is zondag wir goed wiste limmeneere - heeft de bloemetjes buiten gezet
  6. werkwoord

    Mstr. limmenere uit illimenere uit illumineren = feestelijk verlichten Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - limmeneere ww - hevig vieren, tekeer gaan Bosch limmenere - illumineren

limput
zelfstandig naamwoord

leemput Hij en zen bruurs gingen aaltij dikkoppen vangen meej un schepnet, in de limputten. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) linde persoonsvorm leende verleden tijd van 'lêene', met vocaalkrimping lings bijvoeglijk naamwoord. links, linker-

- Dialectenquête 1876 - rêchs en links
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijvoeglijk naamwoord 'lings' links - mƐ de lingse hand - met de linkerhand - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LINGS bw - links
Linhouwers
  1. naam

    - 2020 - Als je het geleende niet teruggeeft: - zèède gij er êene van Linhouwers? (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: klik hier
  2. naam

    link scheef; riskant

    - WBD - III.3.1:362 'link' = verdacht (onder verdenking staand, onbetrouwbaar, onguur)
    - WBD - III.1.4:27 'link' = slim
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LINK bvw - Frans: gauche. Spr. Hoe linker hoe flinker, hoe rechter hoe slechter
  3. werkwoord

    linke Henk van Rijen - lonken links, lings bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 (blz. 27) van het cluster nks wordt de k verzwegen: lings
    - WBD - III.1.3:11 'links' = binnenstebuiten; ook: 'gereformeerd' - WBD - III.4.4:309 'links' = verkeerd, averechts
  4. zelfstandig naamwoord

    linkse

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 (blz. 27) van het cluster nks wordt de k verzwegen: lingse
    - WBD - III.1.2:28 'linkse' = linkshandig persoon; ook 'linkspoot'
  5. zelfstandig naamwoord

    linkspôot

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 (blz. 27) van het cluster nks wordt de k verzwegen: lingspôot
    - WBD - III.1.2:28 'linkspoot' = linkshandig persoon; ook 'linkse'
  6. lint persoonsvorm Henk van Rijen - leent

lip
  1. zelfstandig naamwoord

    lip

    - 2020 - Tegen iemand met een brede mond: - der zit een vlieg op oew lip, dòr bij oew oor! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: klik hier
  2. zelfstandig naamwoord

    l ippert bepaald krentenbrood

    - - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "lippert - een soort heel fijn krentenbrood, 'ne krentenlippert"
  3. lirde persoonsvorm

    - Dialectenquête 1887 Willems - leerde
  4. zelfstandig naamwoord

    verleden tijd van 'leere', met vocaalkrimping lirke Henk van Rijen - laddertje, trapje verkleinde vorm van 'leer' (ladder) lirzaom bijvoeglijk naamwoord. leerzaam

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 (blz. 34) lirzaom (met vocaalkrimping)
lis
  1. zelfstandig naamwoord

    lelie

    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Hij hee n luchtje bijm as fraanse lis in de zomer (20-03-1968)
  2. zelfstandig naamwoord

    liske

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - lusje (om kledingstuk op te hangen)
  3. zelfstandig naamwoord

    list

    - WBD - leest, de (beukehouten) pasvorm waaraan men de schoenen maakt in het algemeen (II:688)
    - WBD - schèùflist - schuifleest, de houten leest met een los bovengedeelte, een zogenaamde schuif of kap (II:691)
  4. telwoord

    Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt. list, liste, lèst, lèste laatst(e) - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - ''s zondags nor de liste mis' net zo lang totter te liste de waore schuldigen wel vur den dag kome. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 18 mei 1945)

    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Dieje liste hàk niemir motte vatte (15-06-1963)
    - Cees Robben - De kender gaon t list... (19540724) - Cees Robben - Dr zaat er list n veugeltje/ te zingen in de zon... (19600708) - Cees Robben - Ik heb list heure zegge (19820409) - Cees Robben - Ik weet nie wè dè list toch was... (19850823)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 07 14 - Dan kunne me te liste / Wir virtien daoge aon n stuk / Lui zèn en lekker fiste
    - Gezegde: Pierre van Beek - Öt de liste mis koome - van niks weten, zich van den domme houden (Tilburgse Taaklplastiek 154)
    - Dialectenquête 1876 - list - laatst
    - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - de liste mis
    - ze lópt ópt list - ze dreigt spoedig te bevallen
    - Piet van Beers Volkstèlling!: 't Was 'n rèès mee hindernisse, want Maria liep "op 't list"/ As g' al zôo wèèd op scheut zèèt, is dè hillemòl gin fist. (t Èlfde buukske, 2010)
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - liste ketier - bijna op zwart zaad
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - nòr de miste van de liste fiste is ie meej gewist
    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - 'List waar de gè de lèste'
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - et liste heugt et miste
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 lòtst, lèst, list
    - WBD - III.3.3:119 liste mis = hoogmis
  5. zelfstandig naamwoord

    littenie, littanie Henk van Rijen - litanie, reeks

    - WBD - III.3.1:250 'litanie', 'ceel'
    - Audioregistratie 1978 - En as dan gewoon et rôozenhuuke afgelôope was, dan wèrd de littanie gebid èn dan moeste op oew knieje, dan zaate zôo op, op oew knieje op de bank teege de muur òn te kèèke (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
  6. zelfstandig naamwoord

    lizzend, lèèzend lijnzaad Cees Robben: hêel oew lèzzendmèèl èn kalmoes lochjes bijwoord lichtelijk, een beetje 1940 - Gelijk 'n liefdevolle haand/ die deur m'n haore aait,/ zo vuul ik den aovend over et laand,/ as 't lekker lochjes waait. (Leo Heerkens, uit: Zomeraovend, in: Piet Heerkens, De Knaorrie, 1940) Henk van Rijen - terloops, op z'n gemak Henk van Rijen - luchtig, lichtjes; luchtigjes Haor LOGJES - licht, bijv. m.b.t. ploegen lochjeswèg b ijwoord licht - luchtig - lucht 1969 - Wanneer een boer zijn akker "lochtjesweg ploegt" gaat er de ploeg maar ondiep doorheen. "Locht" heeft de betekenis van "licht" en "luchtig". In sommige streken van Brabant spreekt men trouwens wel van "locht" als men de lucht in de zin van uitspansel bedoelt. Bijv.: De locht zat vol witte wolken. (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek 80, 29-5-1969) terloops 1974 - "Lochtig" krijgt soms ook een enigszins figuurlijke waarde, bijv.: Staande aan het buffet sloeg hij zo lochjesweg in een kwartier tijd zes borrels naar binnen". Het neigt dan al naar "terloops" zoals we dat aantreffen in: "Ik heb hem lochjesweg de waarheid gezegd". 1974 (ca) - lochjesweg Als een boer zijn akker heel ondiep ploegt, dan noemt hij dat ploegen: "lochjesweg ploegen". Men bezigt het gezegde ook in de betekenis, averechts aan "niet gering". bijv.: "Hij wipte er, binnen n kwartier, zo lochjesweg aacht nor binnen. "lochjesweg" wordt ook gezegd in de betekenis van "terloops": lk heb het hem lochjesweg zôô gezeej". (Pierre van Beek typoscript Archief Pierre van Beek) Pierre van Beek - typoscript - archief Pierre van Beek locht, lòcht 1. zelfstandig naamwoord de lucht

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 (blz. 21) locht naast lucht
    - "Bartje oeë kneuter is los!" riep de Tuter, die 'n snuit trok of de locht nor benejen gevallen was. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29) - Ik weet dè beter want ik ken die lochten al jaoren. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)...as moeder zooiets veur had, dan kos heel de wereld op z'ne kop gaon staon, mee de beenen in de locht, dè moes gebeure! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; Nieuwe Tilburgsche Courant 16-9-1939) -...er waar geen wolkske aon de locht te bespeuren... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939) ...en slaope kan ik toch nie zoolang et onweer in de locht zit... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939) - Zelfs de moeder van den burgemister, die bekaant stokdoof waar, staak d'r wipneus de locht in... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; Nieuwe Tilburgsche Courant 8-10-1938) - Juffrouw Jaanse viel bleek op 'nen stoel en sloeg mee d'r errems in de locht... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; Nieuwe Tilburgsche Courant 17-12-1938) -... zoodoende krègde host gin buitelocht in oewen snuffert. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
    - Zu de locht dan noot meer breken? / Straolt dan 't zunneke noot nie meer? (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Zeeverweer, 1941)
    - De locht is zo zoft as boter, (Piet Heerkens; uit: Dn örgel, Merel en moter, 1938)
    - Piet Heerkens; uit: Dn örgel, Sneuw, 1938)
  7. 'et Sneuwt! 'et sneuwt! - Ik ha' 't verwocht! Naa worren alle waaie wit, want in de grijze locht daor zit nog sneuw genocht!

    - Piet Heerkens; uit: Brabant, Op t huwelijk van Tijs Dorenbosch, 1941)
  8. toen et onweer wè bedaorde en de locht wè-d-openklaorde (

    - Piet Heerkens; uit De knaorrie, Inleiding, 1949 - licht van hart en locht van voet...
    - Cees Robben - De locht is grauw waor dè ge kekt... (19540724)
  9. zelfstandig naamwoord

    de lucht die men ruikt

    - Cees Robben - t Zit in de lôcht... (19570309)
    - Cees Robben - En boven deze soeppot hong (...) Mistal n locht van smôôr (19701016)
    - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 07 10 - Hij brocht n paor sandaole mee / Zò van die lochte dingen / Van veure en van aachtere niks / Die nergens kunnen vringen.
    - Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - We waren al efkes onderwege en zô mar opeens wordt et vur ons stikkedonker en die donkere lochte komen steeds dichterbij.
    - Henriëtte Vunderink, 'k Zal van oe blèève haawe, 2007 - èn èèzegkaawe lochte...
    - Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - De locht schoof dicht èn et viel er dòrnao meej bakken èùt (290709)
    - WBD - III.4.4:23 'motlucht'? 'moklucht', 'dikke lucht', 'mistige lucht' = mistlucht - WBD - III.4.4:21 'waterlucht' = regenvoorspellend wolkje - WBD - III.4.4:17 'wolkenlucht' = bewolkt
    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LOCHT, LOECHT zelfstandig naamwoord v. - lucht, Fr air, ciel, firmament, climat
  10. bijwoord

    2. bijvoeglijk naamwoord licht (van gewicht); luchtig, lichtzinnig "En de vrouw van Petit", zee juffrouw Marie mee d'r scherpe stem, "is nog erger dan locht, ze is bepaold wereldsch!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939) ...de stad, daor zijn de meensche lochter van aord! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; Nieuwe Tilburgsche Courant 15-10-1938) ...dan hee 't perdje den weg gevonden naor den stal en dan loopt et locht (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939) ...ze had dieën lochten jongen al enkelde keeren langs de deur zien komen... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 4; Nieuwe Tilburgsche Courant 22-10-1938) ...al dè locht jong volk... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 4; Nieuwe Tilburgsche Courant 22-10-1938) ... 'nen lochten meneer... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939) Pierre van Beek - der lóchjes ooverheene aaje - er zacht over aaien Pierre van Beek - lóchteg gebakke - luchtig gebakken Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - de schónste boove èn de lóchste van ónder (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek '74) -... en de lichste v. onder (gezegd door bakkers en groenteboeren) Henk van Rijen - daor motte nie zo locht oover dènke

    - WBD - III.2.3:149 'locht gekookt ei' = zacht gekookt ei
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijvoeglijk naamwoord en bijwoord 1) licht, niet zwaar, 2) dol, duizelig, min of meer ijlhoofdig, 3) opgeruimd, luchthartig; 4) lichtzinnig, wuft. bnw - 1) niet kompakt, los; 2) koel, fris, luchtig. - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LOCHT, LOECHT bvw - licht, niet zwaar; koud (wind); niet diepzinnig, luchtig; vroolijk, opgeruimd, blijgeestig; van lichte zeden; ± dronken
    - WBD - III.4.4:35 'locht weer' = fris weer, ook: 'kil, killig, kouwig weer'
    - WBD - III.4.4:42 'locht weer' = winderig weer - WBD - lochte koej - koe met hoge poten, ook genoemd 'ondiepe koej ', 'hôogbinder' of 'langbinder'
  11. naam

    lochteg Pierre van Beek - luchtig lods zelfstandig naamwoord loods

    - WBD - schop (vaak primitief gebouwde, alleenstaande of aangebouwde bergplaats
    - WBD - karlóds - karhuis (soms zelfstandig bouwsel, soms een afdak aan voor- (en achter-)zijde open)
  12. zelfstandig naamwoord

    loebes

    - WBD - (Hasselt) onelegant paard, ook 'lillekerd' genoemd - WBD - III.1.4:64 'loebas ' = goedzak
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - lubəs zelfstandig naamwoord mannelijk loebas - lobbes (van een hond gezegd)
    - WNT - LOBBES... In de bet. van 'pummel' kennen versch. dialecten een woord 'loebas', dat wel eveneens van onomatopoëtischen aard zal zijn. 1) Naam van een hond; 2) goedige kerel, sul. Ter Laan - LOEBES = 1. lobbes; 2. ploert. 'Oetoe, loebes.'' - ga weg, lummel! Goem - LOEBAS - zelfstandig naamwoord mannelijk - lomperd, onvriendelijk mensch. - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LOEBAS zelfstandig naamwoord mannelijk -loer, lomperd, domme kinkel LOEBBES zelfstandig naamwoord mannelijk - lummel, lomperd, loebas
Lodewijk van den Bredevoort (pseudonim van Jo van Tilborg
  1. Tony Ansems - Gauw 't Roozenhuuke bidde/ Die ouw vrouwkes waren snel... (De Hasseltse kapel; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008) Ed Schilders - Wij moese aatij irst de [Hasseltse] kepèl in èn n rôozehuuke bidde vurdèmme vur êen of twee cènte snuupkes mochte kôope. En ik moet zègge, dan smòkte-n-et ok beeter. Et joodevèt, de stroopseldòtjes, de dròpveeters, t zuuthout, tôoverbòlle. (Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009) Ed Schilders - Toen wonde bij t pleintje ok nòg Virginie Doorakkers. Die waar bijna hèllig, zoveul rôozehuukes as die had vurgebeeje in de kepèl. (Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009) Gerard Steijns - Toen liepeme nòg meej in de persèssie èn wier et rôozenhuudje nòg gebeeje. (Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005)

    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw.o. - rozenhoedje, vijf tientjes van de vijftien die tot de rozenkrans behoren.
    - WNT - ROZENHOED 2) Rozenkrans als gebedsformulier en bidsnoer.
    - Piet Heerkens; uit: De Mus, 1939 -
  2. zelfstandig naamwoord

    ROOZENHUUKE Roozenhuuke, perelsnoer, schoon gebed veur heer en boer. Roozenhuuke, waor 'k aon bid as ik stil en alleenig zit. 's Aovonds ritseltikte trouw ter eere van Ons Lieve Vrouw. Weesgegroetjes vijf keer tien en vijf Gloria's bovendien. Op z'nen tijd vijf Vadderonzen laot ik daor deurhenen gonzen. Weesgegroetjes van geloof, hoop en liefde die ik beloof. Weesgegroetjes van berouw via Onze Lieve Vrouw. Weesgegroetjes van geluk, blumkes die ik geere pluk. Roozenhuuke. perelsnoer, schoon gebed veur heer en boer. ròpke

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - raapje
  3. zelfstandig naamwoord

    ròpkoek, raopkoek Pierre van Beek - raapkoek, afvalprodukt bij het olie-maken ròpt(e) werkwoordsvorm; persoonsvorm. raapt(e)

    - tegenwoordige tijd/verleden tijd van 'raope', met vocaalkrimping
  4. zelfstandig naamwoord

    ròs

    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ROS m - rus, graszode
    - WNT - RUSCH (I) - rosch, ruisen; risch, resch, zelfstandig naamwoord - l) zode, graszode; b) heizode, plag, c) rietzode, losdrijvend stuk riet; 2) kluit, aarde, aardkluit; 3) grasbosje, struikje gras; enz.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROS(CH), ROES(CH), RUS(CH) zelfstandig naamwoord mannelijk - zode, graszode, afgestoken zode.
  5. zelfstandig naamwoord

    Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'ros' zelfstandig naamwoord - graszode ròsdoek Pierre van Beek - zak onder de wagen voor paardevoer

    - Cees Robben - Prent van de Week - bevestigt dit
  6. zelfstandig naamwoord

    Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hil wè in zene ròsdoek hèbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - heel wat in zijn mars hebben (Rosdoek= zak die boeren en voerlui vroeger onder hun kar of wagen hadden hangen, waarin hooi, haver, brood voor het paard zat.)

    - WNT - ROSDOEK, in de Kempen (ook in N.-Brabant en Limburg): een doek, zak of net, onder aan de kar hangende, waarin het voeder wordt gedaan dat het paard onderweg eet.
  7. zelfstandig naamwoord

    rösmis - rolploeg, eind 19e eeuw - het mesvormige rösmis snijdt de grond vertikaal, waarna de driehoekige ploegschaar de grond horizontaal snijdt - uit: Rijke oogst van schrale grond, tentoonstellingscatalogus Noordbrabants Museum, 1991 rösmis

    - WBD kouter (lang smal mes dat voor het rister in de ploegbalk verankerd zit), ook 'kouter' genoemd
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - znw.o. 'rusmes', met dat zich loodrecht voor de eigenlijke ploegschaar bevindt.
    - WNT - niet vermeld
  8. werkwoord

    ròsse

    - WBD ròsse - roskammen (van een paard), ook genoemd 'ròskamme' of 'afbuune'
    - WBD III.3.1:388 'rossen' = wild, woest rijden
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROSSEN - hard aan iets werken. Vgl. 'rosse'
  9. werkwoord

    rösse wrijven

    - Damen handschrift 1916 - "rössen - ze hebben hem ongemakkelijk geröst (klopgegeven)"
    - Damen handschrift 1916 - "rössen - iets aafrössen (afwrijven)"
  10. werkwoord

    't Was net of Onze Lieve Heer z'n verfdoos leeggerosen hô, de liste kladdekes hier en daor nirgesmeerd, en toen bij z'n eige gezee hô: Zie zoo, ik schaai er dees jaor aaf mee verven... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

    - Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -'hij röst erteegenaon'
    - A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - ruisen - wrijven (znl., wnbr.)
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUIS(CH)EN (uitspr. rössen) - wrijven, schuren, Frans frotter. Mee 'ne wolle' lap over 't zilverwerk r.; fig. hard werken.
    - Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - RUISCHEN - wkw (rg.) wrijven: mijnen schoen ruischt; bet. ook: slaan, overslaan: iem. -, en dan meer 'afruischen'; in 't spel: overwinnen.
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - RUISCHEN, zie RUIDSCHEN: wordt hier veel gebruikt voor 'wrijven, schurken of kraauwen' ter verdrijving van jeukte, omdat degenen die de RUID (= rui) hebben, gewoon zijn zulks te doen. Meestal spreekt men van 'ruischen'.
    - C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - RUISEN (rösse) ov.ww - wrijven, schurken.
  11. Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rösse ww - stevig wrijven

    - WNT - RUISCHEN - een nog thans in ZNederl. gebruikelijk woord voor 'wrijven'. Naast 'ruischen' vermeldt Kiliaan 'ruidschen', een vorm dien men ook in Hoeufft vindt, doch die daar (evenals bij Kiliaen - ) onder invloed van een onwaarschijnlijke etymologie (van ruid: schurft) kan staan ... l) wrijven, schuren; 2) hard werken
    - Cursus in Tilburgs krantenrubriek circa 1940 - (112) 'Z'hebbener wir lilluk tegenóngeröst'
    - WBD III.1.2:56 'afruisen' = een pak slaag geven; ook: 'afranselen'
    - WBD III.1.2:56 'ertegenaan ruisen' idem;
    - WBD III.1.2:76 'ruisen' = wrijven; ook: 'strijken, frotten'
    - WBD III.1.2:103 'ruisen' = krabben;
    - WBD III.4.4:247 'ruizen' = ritselen;- WBD III.1.2:247 'ruisen' = suizen; ruizen = suizen
  12. zelfstandig naamwoord

    ròssege

    - Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - roodharige
  13. werkwoord

    rössele de kachel oppoken door het rooster te schudden

    - WNT - RUISCHEN -(I) C) Afzonderlijke vermelding verdient 'ruischen' als bedr. ww. in de verouderde beteekenis: verbrijzelen (met lawaai of geweld) stuk breken, stuk slaan.
  14. zelfstandig naamwoord

    roster rooster

    - WBD III.2.1:237 'rooster' - idem, ook 'rosel'
  15. zelfstandig naamwoord

    ròszode roszode, graszode

    - Ir. A. Juten - in Brabants Heem, jaargang 2, 1950, p. 44: In Tilburg spreekt men zo deelde mij Mej. v. Gool mede nog veel van roszode in plaats van graszode. (Een en ander ter verklaring van het toponiem Roosendaal.)
  16. naam

    ròt rot

    - Gezegde: Die zenèège bewaort, bewaort gin ròt appel.
    - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - As ge oewèège goed doet, dan doedet gin ròtte appel.
    - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROT bvw. - rot: Zoo rot als kampernoelie, als mok, als 'n mispel, als stront, als spijs. Ook 'onsterk': rot garen.
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijvoeglijk naamwoord - rot l) van menschen die aan tering of borstziekten lijden en veel hoesten en fluimen: hij is zeu rot a's 'n mispel; 2) ondegelijk, onsterk (v. allerlei stoffen v. slechte kwaliteit); 3) vochtig, nat, regenachtig; 4) kaartspelersterm.
  17. zelfstandig naamwoord

    Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'rot' bijvoeglijk naamwoord - rot rötje ruitje De raomen in de klas han un hèle hôop klène rötjes. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) rötjesbroek zelfstandig naamwoord

    - WBD bakkersbroek
loeder
  1. zelfstandig naamwoord

    Zie ook 'loeter'

    - 2019 gemene, hatelijke meid (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. Voor de volledige lijst Klik hier )
  2. werkwoord

    loene

    - Van Dale - vals doen Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - we koome nie van loene (Si'66)
    - WNT - LOENEN - valsch doen
  3. zelfstandig naamwoord

    loerèèzer

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - bril
    - Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Hèdde mèn loerèèzer èrgeraand zien ligge? Ge hègget op oewe snufferd, koekerd! (221006)
  4. zelfstandig naamwoord

    loerie slappe koffie/ thee - Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Dès gin lèkker bèkske leut: dès loerie (200408) - WBD - III.2.3:273 'loerie', 'dunne loerie' = slappe koffie - WBD - III.2.3:277 'loerie' = koffiedik - WBD - III.2.3:286 'loerie' = vuil water in een pijp Haor - LOERIEJE - drinken Bosch - loerie - slappe koffie Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - loerie zelfstandig naamwoord - slappe koffie C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LOERIE (met korte oe) v - dezelfde betekenissen als ABN 'sloerie': 1) loeder (ook wel 'loeter' genoemd); onsympathieke vrouw; 2) slappe koffie

    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - liri resp. lirəu , zelfstandig naamwoord mannelijk (lierie resp. lierew) - 1) slappe koffie, 2) flauwe, zouteloze praat. luri zelfstandig naamwoord mannelijk loerie - (oude) slappe (dus minderwaardige) koffie.
  5. zelfstandig naamwoord

    Hees - sloerie (VII:29) loermèrt sinterklaasmarkt

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "loermert - Sint Nicolaas markt"
  6. zelfstandig naamwoord

    l oeter loeder, gemenerik Pierre van Beek - heel slechte vrouw (zwaar geladen scheldwoord; - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "loeder - O! 't is zo'n loeder (ellendeling)" - WBD - III.1.4:109 'loeder' - ondeugende vrouw - WBD - III.1.4:111 'loeder', 'loeter' = gemene vrouw

    - WBD - III.1.4:117 'loeder' = vrouw die graag kwaadspreekt
    - WNT - LOEDER - 2) scheldwoord voor eenen gemeenen kerel of jongen... wijf
  7. zelfstandig naamwoord

    Bosch loeter - loeder, onsympathieke vrouw

    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - LOEDER voor eene dienaresse van Venus vulgivaga; van het Hoogd. Luder, 't welk Wachter afleidt van 'los' C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LOETER v. - loeder (vgl. loerie)
    - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - lutər , zelfstandig naamwoord mannelijk loeter - gemeen en laag sujet, valserik. Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'loeder' zelfstandig naamwoord - gemeen persoon; meestal een vrouw
  8. bijwoord

    loeter PM louter C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LOETER bw - louter; alleen gehoord in 'klaor loeter kojighèt' pure woede. - WNT - vermeldt de uitspr.'luter' als 16e-eeuws: luter ende klaer.

    - WNT - LOUTER - In het laatst van de mnl. periode ontleend aan het hd. lauter; het eig. mnl. woord is luter, lutter. 6) zonder iets anders erbij.
  9. zelfstandig naamwoord

    - 2019 gemene, hatelijke meid (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. Voor de volledige lijst Klik hier )
  10. zelfstandig naamwoord

    lòf middagkerkdienst In maaj iedren dag nòrt lòf.

    - Pierre van Beek - Draagt een meisje of vrouw een onderjurk, die onder de bovenrok uitkomt, dan heet het: "'t Lof ies langer as de lèste mis". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958) - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Et lòf is langer as de liste mis. (als een onderrok onder de jurk uitkwam)
    - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - LOF. In het onzijdig geslacht wordt de avond-godsdienst, de vesper, alhier door de Roomschen, het lof genoemd. - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord o. - namiddaggodsdientoefening.
  11. zelfstandig naamwoord

    lògske laagje verkleinde vorm van 'laog', met vocaalkrimping löjeghèd zelfstandig naamwoord luiigheid, lamlendigheid Hij wies van löjeghèd nie hoetie moes gòn ligge. lòkkemetief zelfstandig naamwoord Henk van Rijen - locomotief lòkooma zelfstandig naamwoord

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - verklede politieman of -vrouw om tasjesrovers te arresteren
  12. zelfstandig naamwoord

    lökske luikje verkleinde vorm van 'lèùk', met vocaalkrimping lò mme aanvoegende wijs van 'laote' laten we

    - Grôot diktee van de Tilburgse taol 06 lòmme dè venaovend mar es perbeere
  13. zelfstandig naamwoord

    lómmerd lommer, schaduw - A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - in de lómmerd is et bist

    - WBD - III.4.4:241 'lommer', 'lommerte' = schaduw
    - WNT - LOMMER, lomber, in 't - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ook lommerd(e) - schaduw; gebladerte
  14. naam

    lomp

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 lómste - lompste; in de superlatief wordt de p verzwegen: lomst
  15. ...want ik zè zoo lomp as 't aachterste end van 'n vèrreke, heej me onze vadder vruger aaltij gezeej. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

    - Pierre van Beek - "Lomp als 't achtereind van een vèrken" (varken). (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)
    - WBD - III.3.1:223 'lomp', 'boers, ruw, rouw' = ruw
    - WBD - III.3.1:225 'lomp' 'onbeleefd, strant' = onbeleefd
    - WBD - III.1.4:33 'lomp' = dom; 'lomperik' = dommerik; 34 'lomperd' = idem - WBD - III.1.4:37 'lomperik' = ezelachtig persoon
  16. zelfstandig naamwoord

    lompeghèd lompheid

    - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LOMPIGHEID (in Z. wn W. loempigheid) zelfstandig naamwoord v. - lompheid
  17. zelfstandig naamwoord

    lompejan

    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - lampion
  18. werkwoord

    lompe foppen

    - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - 'ik laot me nie lompen' (bedriegen)
  19. bijwoord

    lomst lompst

    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 (blz. 27) mps > ms lomste
lonse
  1. zelfstandig naamwoord

    iemand uit Loon op Zand: ene Lonse bijvoeglijk naamwoord Piet van Beers Lôon op zaand: Mar et miste zaand dè vènde toch, daor.....in de Lonse dèùne. (Het zeventiende boekje, 2010) lont, londe persoonsvorm loont, loonde tegenwoordige tijd, resp. verleden tijd van 'lôone', met vocaalkrimping lò ntje zelfstandig naamwoord, verkleinwoord. Henk van Rijen - laantje lôod zelfstandig naamwoord lood: metaal en gewicht (decagram)

    - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'zwaor a's lòod'
    - Cees Robben - Daor wieren zn pôôtjes zô muug as van lôôd. (19551119)
    - Dialectenquête 1876 - kruid en lood
    - WBD - III.4.4:294 'lood' = decagram; pok 'looike'
  2. naam

    loode loden

    - Henk van Rijswijk - 2013 - uitgesproken als 'loode' (Schriftelijke mededeling)
    - Henk van Rijswijk - Loden: wollen strijkgaren stof, meestal in platbinding en uit grove wol geweven, soms in gelijkzijdige keperbinding, licht gevold, geruwd en gestreken met lang naar één richting gestreken haardek. Gebruikt voor regenkleding, vaak waterafstotend gemaakt.
  3. zelfstandig naamwoord

    (Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Loden (Schweitzer-), Geruwd weefsel, van wol, afkomstig van Zwitsersche geiten, met lang haardek. Wordt waterdicht gemaakt en dient voor regenkleeding. Bij goedkoopere soorten wordt wel een inslag van kunstwol of katoen gebruikt. Els de Baan - Voor een goede kwaliteit loden wordt wollen kaardgaren gebruikt. Een mindere kwaliteit bestaat meestal uit een combinatie van wol en andere garensoorten. Het weefsel ondergaat diverse bewerkingen zoals vollen, strijken, stomen, persen en het waterafstotend maken. Loden is zeer geschikt voor winterjassen, regenjassen en capes. (Goed garen, 1994) lôof de bladeren van een boom samen Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - meej Hasseltse kérmes òf èèrpel óf lôof ('49) rond die tijd (eerste zondag na 2 juli) zijn de aardappels rijp om gerooid te worden - WBD - 1:1470 bladerkronen van bieten: 'peejloof', 'kòppə', 'toppə' - WBD - I:1471: loof van de groeiende aardappelplant 'èèrəpəl-lòòf' Henk van Rijen - ik kèèk nie op nen bos peeje, ak et lôof mar hè - WBD - III.4.3:86 lôof - loof; ook genoemd: blaojer, 'blaar' - WBD - III.4.4:106 'loofstil' = windstil - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 (blz. 27) et lôof is nie te eete Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - 'lóóf zelfstandig naamwoord - loof; zegsw. lô og persoonsvorm loog verleden tijd van 'liege' zelfstandig naamwoord loog (chemische stof) looj zelfstandig naamwoord gemalen boomschors lôoj, loj zelfstandig naamwoord

    - WBD - mannelijk kalf; ook loojkalf genoemd
    - WBD - lòj, loj - stier
    - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - Looikalf = stierkalf (in tegenstelling tot maalkalf = vrouwelijk kalf).
    - Een roestpraatje ( Weekblad van Tilburg , 5 oktober 1867): Van t looike valt er goeschiks ook al nie veul te beuren.
  4. werkwoord

    lô oje looien

    - WBD - lôoje- looien, het bereiden van leer (II 598)
  5. naam

    lôoje - lôojde - gelôojd lô oje loden Cees Robben: 'ze is zoo link as 'n looi deur lôojeg bijvoeglijk naamwoord. Henk van Rijen - zwaar lô ojing zelfstandig naamwoord looiing

    - WBD - 'plantaardigə lóójing' - plantaardige looiing (II 625) - WBD - 'chroomlóójing' - chroomlooiing (II 637) - WBD - 'witlóójing' - witlooiing (II 638)
lôojke
  1. zelfstandig naamwoord

    Audio-opname 1978 - Mar dan moese die biste gefèrrefiejeerd wòrre, dè was zogezeej aksijnze derop witte nie èn dan krêege ze en lôojke in dere start! (- Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013) KLIK HIER om het bestand te beluisteren lô ok look (plantengeslacht) lô om bijvoeglijk naamwoord. loom lôon, lontje zelfstandig naamwoord loon Cees Robben: Ik kan teegen èlk lôon wèrke; Henk van Rijen - vaast lôon, vaaste èèremoej - vast inkomen, vaste armoede - WBD - III.3.1:213 'loon' = loon Lôon (op Zaand) zelfstandig naamwoord, eigennaam Loon op Zand

    - A.J.A.C. van Delft - "En van Loon (Loon op Zand) heet het: Loon op Zaand/ Èrm volk, èrm laand./ Ze schooien de kost/ En ze stèlen den braand." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)
    - Cees Robben - Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Lôôn of Beek.... (19540508)
  2. Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - de Kèts èn Lôon.... (zie onder Kèts) Henk van Rijen - Lôon en de Kèts zèn êene gadoome - een pot nat (?) Lôon-ènd toponiem Loon-eind (Riel of omgeving?)

    - Cees Robben - Van Braokel toe Lôôn-end (19810515)
  3. werkwoord

    lôone lonen Cees Robben: Gòd zal et oe lôone;

    - Dialectenquête 1887 Willems - lôone - lónde - gelónd
  4. zelfstandig naamwoord

    ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping gij/hij lónt lôop

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - dakgoot, sloot
    - WBD - III.1.2:153 'loop' = stap, schrede - WBD - III.1.2:256 'loop' = diarree
    - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - De lôop zitter nie in Als de klanten de winkel/gelegenheid links laten liggen
  5. werkwoord

    lôope lopen

    - lôope - liep - gelôope; vocaalkrimping in tegenwoordige tijd; gij/hij lópt
    - Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 (blz. 37) lôope - gij/hij lopt
    - Dirk Boutkan - Het postencliticum 'der' (er) veroorzaakt verkorting, bv. 'ik lob der wèl eeve nòrtoe' maar: 'ik lôop-er wèl eeve nòrtoe'
    - WBD - (van koeien) grazen (= in de wei zijn), ook 'stòn' genoemd
    - gezegde Lópt nór de klôote! - Loop naar de maan.'
    - WBD - laote lôope - m.b.t. de melk - laten lopen (door een koe), 'nirlaote'
    - Cees Robben: we lôopen en stròtje óm; ik lôop hil den dag meej dôoj haande;
    - Pierre van Beek - 't Loopt als 'n lintje. - 't Loopt gesmeerd. - 't Loopt als 'n lier. - 't Gaat vlot. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)
lôospèèp
  1. werkwoord

    l ootere loten

    - Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - ze ha nen spiegel gelooterd
    - WBD - (III.3.2:201) lootere = loten - WBD - III.4.4:317 'loteren' = loszitten
  2. lootere - looterde - gelooterd Frequentativum van 'loten' ? Bosch lotere - loten Jan Naaijkens - Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - lootere ww - loten (wsch. ontstaan onder invloed van loterij) - J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - LOTEREN voor loten. In het Neder-Saksisch is Luder een spel, of ook eene grap, en in het Gothisch hlutur, lutr, het Lat. sors. Men achte het woord dus niet van het bastaardstaartige 'loterij' gevormd.

lòrrejèt
  1. zelfstandig naamwoord

    lorgnet ...mee 'n lorrejet op z'n neus en 'n bolhuudjen op... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939) lòrrie zelfstandig naamwoord negatieve betiteling van een vrouw - - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "lorrie - een vrouw van niet veel"

    - WNT - LORS, voorheen LORTS(E) - 1 benaming voor een oude personificatie t.w. als vrouw, van het bedrog, in 't bïjz. het bedrog dat daarin bestaat, dat men iets op krediet koopt, maar met 't plan om niet te betalen, en 't dan ook dadelijk weer verkoopt.
  2. zelfstandig naamwoord

    lörve meervoud van lurf

    - Cees Robben - Ik heb t in mn lörve, meneer dokter... (19650219)
    - WNT - LURF, mv. lurven - Van onbekenden oorsprong. In de verbinding 'bij de (of zijn, enz.) lurven, zooveel als; bij den nek of de kraag of de ledematen, zonder dat men kan zeggen wat onder 'lurven' eigenlijk verstaan moet worden.
  3. naam

    lò s los, niet vast

    - A.J.A.C. van Delft - Een meisje, dat wat los van zeden is, noemt men "een meisje dat te los is", terwijl men een flink, niet preutsch meisje "een losse meid" noemt. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
    - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - lòs van kòp - tobbend met geheugenverlies
    - Et kripke [van de kerststal] waar nòg leeg. Daor leeje ze dan in de naachtmis ene lòsse Jezus in. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
    - WBD - III.4.4:207 'los' = onvast (vlees, groenten, vruchten)
  4. zelfstandig naamwoord

    l öske

    - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1998 - luisje
  5. zelfstandig naamwoord

    lòskòp loshoofd, losbol

    - WNT - LOSKOP - onbezonnen, lichtzinnig of losbandig persoon
  6. werkwoord

    lò sse lossen

lòttem
  1. zelfstandig naamwoord

    lò tweet etymologie onbekend

    - WTT - de betekenis lijkt zoiets te zijn als betweter maar kan bij gebrek aan bewijsplaatsen en de bestaande tegenstrijdige bronnen nog niet definitief worden vastgesteld.
    - Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980, 2019 griet die van niets weet, onnozele meid
  2. zelfstandig naamwoord

    louw louwe werkwoord, zwak dom kijken, onoplettend zijn, gaan kijken naar iets

louw loene
zelfstandig naamwoord

zonder resultaat, niets lozzie, loozie, logie horloge

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 verkleinde vorm = lozzieke
- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 'lozie'; 'loziemaoker' -. ..en hij keek op z'ne lozzie... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd;
- 'De nuuwe dokter'; feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 27-1-1940 17-2-1940) -...dan vat oome Teun z'nen lozzie uit z'nen zak en controleert of ie [de trein] wel op tijd is. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun naor zee; Nieuwe Tilburgsche Courant 18-11-1939) -...'n dikke gouwe lozzieketting over zn bontvestje... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939) -...alles wè-t-ie dee, dè dee-t-ie zóó krek op tijd en minuut en regel, asof er in plaots van z'n hart 'nen lozzie zaat te tikken in z'n borstkaast. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939) -...Den dokter trok wuust z'nen lozzie uit z'nen vestzak... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 02 15 - Vèftig jaor heettie 't volgehaauwe / Tot aon 't ènd van z'n latèn. / Toen krèèg ie 'nen doubleeje lozzie.
- Hij ha heel schôone kleere aon/ En unne lozzie op zun visje Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
- WBD - III.1.3:260 - 'horloge' = horloge; ook ' (vest)zakhorloge'
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - lo'zi, zelfstandig naamwoord mannelijk - horloge
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - lòzzie zelfstandig naamwoord - horloge
louwloene
zelfstandig naamwoord

zonder resultaat, niets lozzie, loozie, logie horloge

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 verkleinde vorm = lozzieke
- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 'lozie'; 'loziemaoker' -. ..en hij keek op z'ne lozzie... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd;
- 'De nuuwe dokter'; feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 27-1-1940 17-2-1940) -...dan vat oome Teun z'nen lozzie uit z'nen zak en controleert of ie [de trein] wel op tijd is. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun naor zee; Nieuwe Tilburgsche Courant 18-11-1939) -...'n dikke gouwe lozzieketting over zn bontvestje... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939) -...alles wè-t-ie dee, dè dee-t-ie zóó krek op tijd en minuut en regel, asof er in plaots van z'n hart 'nen lozzie zaat te tikken in z'n borstkaast. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939) -...Den dokter trok wuust z'nen lozzie uit z'nen vestzak... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 02 15 - Vèftig jaor heettie 't volgehaauwe / Tot aon 't ènd van z'n latèn. / Toen krèèg ie 'nen doubleeje lozzie.
- Hij ha heel schôone kleere aon/ En unne lozzie op zun visje Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.
- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
- WBD - III.1.3:260 - 'horloge' = horloge; ook ' (vest)zakhorloge'
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - lo'zi, zelfstandig naamwoord mannelijk - horloge
- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - lòzzie zelfstandig naamwoord - horloge
Lowie van Dorrus Misters

Het was ook de gewoonte, dat bij grotere lijken 's nachts gewaakt werd. Dit was weer een burenplicht. Die wake werd gehouden door minstens twee personen. Om wakker te blijven gebruikten zij dan sterke, zwarte koffie. Dus zonder melk. Als men dit laatste eens vertelt in gezelschap van jongelui, wordt dit waken onzin genoemd. Zij zeggen: dood is toch dood! Inderdaad, dat zal niemand ontkennen. Maar er is verschil tussen dood en schijndood. Bij het beoordelen van vroegere gewoonten en gebruiken moet men niet afgaan op de tegenwoordige maar vroegere tijden. Het is nog niet zo heel lang geleden, dat er dikwijls epidemisch besmettelijke ziekten uitbraken zoals typhus, cholera, pokziekte enz. en dan was het in 't geheel geen zeldzaamheid, dat lijders aan een dier ziekten dood gewaand en ook als zodanig behandeld werden. Juist daarom was en is er nog wettelijk een tijd bepaald, waarin het lijk niet begraven mag worden. In die tijd is waarschijnlijk ook de verplichte koepokinenting tot stand gekomen. Dat het waken in die omstandigheden niet zinneloos maar noodzaak was, begrijpt nu iedereen wel en het gebeurde ook vaak, dat het niet vruchteloos was. Fringilla coelebs

lub
  1. werkwoord

    l ubbe

    - WBD - castreren, ook 'snije', afknèèpe' of 'afbèène' genoemd
    - WNT - LUBBEN - castreeren
  2. zelfstandig naamwoord

    lubbert

    - Van Dale - lubbert - sul, suffert
    - - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - - lubbert ' 't is zo'ne lubbert van 'ne jongen
  3. naam

    lui

    - Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 uitdrukking: luije foep; luie, dikke meid
lurve
  1. zelfstandig naamwoord

    lurven

    - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Ze vietze bè dr lurven (feb. 1962) - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Dokter, ik heb zon pent aan mn lurven. Mn lurven zitten tussen mn kladden. Dan zal ik jou n kluts veurschrèève want die zède kwèt. (11-02-1965)
  2. werkwoord

    lu sse lusten Ik lus van hilt vèèreke. - Ik lust alles. Cees Robben: mene maot lust oe gruun; den hónd zótter nòg gin brôod van lusse; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - em wèl lussen as ie nòr kooper smòkt (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - graag op een borrel getracteerd worden (koper duidt op geld) lusse - luste - gelust Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - sinte Peetrus weende bitter, zi de zatte Piet, dan zal ie ók wèl klaore gelust hèbbe (Daamen, Handschrift 1916) Henk van Rijen - dietem nòg gèère lusse - die geen borrel afslaan

×