- zelfstandig naamwoord
onderloper
- WBD - ónderleuper (II:962) onderloper = doekboom v. e. weefgetouw - bijwoord
onderlèst onlangs
- Goed, zôo zaat ik dus onderlèst bij kaffeej De Saawelèèr in de Pironstraot (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)- Onderlèst waar mèn wasmesjien kepòt èn Fredje van Boesschoten waar langsgewist, mar die kossem niemer gemokt krèège, zeetie. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)- Ik liep onderlèst dur de Heuvelstraot (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)- Dus onderlèst belle wij meej z'n tweeje èggeraans òn de deur aon, doeter zon meens ope. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.) - bijwoord
onderlist onlangs
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 01 28 - En toen ik onderlist / 'n Goei kaauw had gevat...- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 62 05 18 - Zòò heetie onderlist gedaon- Enquête over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -
onderloper
onderlèst onlangs
onderlist onlangs
opleggen
opliere opjutten, aansporen
in verbinding met 'em' = 'em opblaoze'
oordeel
aanrecht, het
► òpperst of mis
ocharm
Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OCHERMEN tw - ocharm, ocharme. Spr. In den ochermen staan beklaagd worden, medelijden opwekken.
Och God!
Geen brood, geen mik, ochod-ochod-ochod! goei weef, één keend, ochod-ochod-ochod!
Òch-òch-òch-tòch och och och toch
oddeklonje eau de cologne, reukwater
eau de cologne, Keuls water, reukwater




eau de cologne, Keuls water, reukwater




u, jou, je vroeger ook geschreven (en uitgesproken?) als 'ou'
persoonlijk voornaamwoord 'je'
persoonlijk voornaamwoord 'u'
pers. vn. u, jou, je Laot leven mij, 'k laot leven ou . . . (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Vurreej , 1932) zilverblinkend bölleke waoter, / geere zing ik over ou. (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Dröpke dauw, 1941)
Kaart: D. Zeijnen
Oerle

oets Uit Kroniek van de Kempen 1987 mallejan
HÖRTS, NÖRTS, ÖRTS, HUITS, UITS, NUITS, in N. Kempen: HOERTS, HOETS, OETS, NOETS voertuig op 2 wielen, met langen dissel, om boomen te vervoeren Mallejan - Anton Mauve (Rijksmuseum) Schilderij (detail) - Oets of mallejan in de winter - kunstenaar en datum niet bekend
u, jou, je vroeger ook geschreven (en uitgesproken?) als 'ou'
persoonlijk voornaamwoord 'je'
persoonlijk voornaamwoord 'u'
uw, jouw, je
ouwbaoker de etymologie is niet opgehelderd
ouwehoere ouwehoeren
je eigen, jezelf


ondersch eidend voegwoord of Vaak gevolgd door 'dè'; de komplemènte van ons moeder èn òf dè...
voegwoord of, of dat
effenaar
offer
officier
ooft
oogst
ojeejao
ademen
ook, eveneens
ook
ook niet herhalend: ter versterking v. e. ontkenning
oorlof, verlof, congé
Typoscript van een brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965

'Den ölleger' van 'et Gurke' - Foto - Regionaal Archief Tilburg ölleger orgel De verwisseling van de R en de L (methatesis) komt vaker voor in het Tilburgs; zie: - A.J.A.C. van Delft - Een dorpel noemt hij een "dulleper"; een orgel een "ulleger"; zelfs hoort men de wijk Korvel ooit "Kullever" noemen. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)
... as ik naauw nog is in de Noordhoekse kerk koom en ik zie daor zn praachtige schilderingen, zne prikstoel, zn ramen, den outer en dieën schonen uileger, dan vergao k van plezier... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
► örgel
allemaal
► òmmelollie olie
Ollie bespaoring? 't Is 'ne trubbel mee d'n ollie, We motte mindere en gaauw, Aanders zitte we van 't wènter Mee allemolle in de kaauw. 't Auto-rije mot op staoikes Honderd per uur, dès volop zat Om te vurkoome dèmme laoter D'n bojum zien van 't ollievat. In Argentinië - heur ik zegge - Slaon ze'r naa al van op hol Gin beziene in de tènke Mar kösselukke alkehol. Och, 't is zó mar 'n gedachte Mar witte waor ik bang vur ben? Dèsse daor strak ók zónder ollie Durlóópend in d'n ollie zèn.
jullie, uw
oliebol
bruid die in de zogenaamde 'besloten tijd' in de kerk de 'roepen' krijgt, omdat er haast is bij het huwelijk
oliën, smeren
Pierre van Beek - ullieje
jullie, uw
oliekont
Pierre van Beek typoscript Archief Pierre van Beek
bij jullie in de buurt ?
oliekonte... Dan zal ik ook maar Merijntje zegge, as ie 't
vervelen, lastig zijn

oliemolen
apenootje, pinda zaad van een tropische plant (Arachis Hypogaea)
Overdrachtelijk voor rotte tand(en)
ooievaar
stinkende sigaar
oorlog Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - nôot mir ollòg - nooit meer oorlog
oorlogstijd, oorlogsjaren
uil, uiltje
voegwoord omdat; doordat
omdat het (en dus niet omdat je het) - Cees Robben - Omdegget (...) eene keer per jaor mar carneval is... (19600226) omdat ik er - Cees Robben - omdekker (19721027)
omgaan
omgooien, omvergooien
omhebben
omlaag
òmmel allemaal
immers
Aanvullende bronnen
voegwoord om reden (dat), omdat
omslaan
omsteburt om beurten
afwas
omwassen, afwassen
aan
Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'aonraojde'
aanbinden ònbèène - bond aon - òngebonde
onbescheiden, figuurlijk: dronken
onbewaakt
ònbieje - bôoj aon - òngeboje aanbieden
aanbreien
aanbranden, ook figuurlijk
aanbrengen ònbrènge - bròcht aon - òngebròcht
Henk van Rijen - aanduwen
aandacht
aandeel, aandeeltje Henk van Rijen - aandeel, part
ondèngbaor ondenkbaar
aandenken, voorwerp dat aan iets of iemand herinnert
eindelijk
onderband
onderbroek onderbroek ...zon lange onderbroek, meej lage zoldering, in menne nek. In de volksmond bekend as un onderbroek meej lange mouwen. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
(er) onderdoor
onderdrukken
spelletje
kind dat niet groeit
onderuit
eindelijk
ondermijnen

onderploegen
ondersneuwe ondersneeuwen; figuurlijk: overdonderd, overbluft worden
ondervèène, ondervon(d), ondervonde
ondervinding
onderweg; figuurlijk: in verwachting onderweg
in verwachting
onderweg; figuurlijk: in verwachting onderweg
in verwachting
onderwijl, inmiddels
onderwijs
Dennis Masselink - Ik wist gewoon niet beter als dat klotteren 'normaal nederlands' was Maykel van Antwerpen - Stervensdruk, veel vocht, lange sjokkende rijen, brillen die beslaan.... Ik zou het zo wéér doen! Danielle van Son - En dat sinterklaas op 'tafel reed' dat is in de rest van Nederland niet echt bekend. Astrid Lamberts - Hahaha, ja klotteren, had t er afgelopen december nog over met mn niet Brabantsche vriend die er niets van begreep!! Margo Sengers - Ja is écht tilburgs, klotteren! ! Erwin Danklof - Klotteren was briljant, nu is het gewoon koopavond... Desiree van Doremalen - Klotteren in de parkeergarage heel gezellig. En Sinterklaas die op tafel reed kennen ze behalve in Limburg [Tilburg?- WTT - ] nergens. Mijn man uit Rotterdam wist niet wat ie hoorde Sint die op tafel rijdt!!! Wat doet ie dan... Petra Donders - oh ja, de klottermért! Heb hier nog steeds een houten tekendoos die daar vandaan komt. Dorri Eijsermans - Ja! Klotteren; één van de leuke dingen van Sinterklaas. Spannend, ook! En, inderdaad, toen wij nog in de Sint geloofden, "reed" hij op tafel. En niet alleen bij ons; hij had ook op oma's tafel gereden! Voor alle kleinkinderen... Lizette Steijns - Als ik hier in limburg zeg van wij gingen klotteren voor sinterklaas, kijken ze je stom aan. Was altijd gezellig de klotter markt in de garage. Als het er weer zou komen daar, kom ik er wel voor naar tilburg. Marga Mols - Gezellig klotteren op d'n klottermert! Marga Mols - Ik woon al jaren in Den Haag, maar een Sint die op tafel rijdt kennen ze hier ook zeer zeker niet! Resy Smulders - Dat was leuk, samen met je eerste liefde klotteren en benzine snuiven. Anneke van Vliet - De klottermert! Angélique Röther- de Liefde - Jaren met mijn vader en broer nootjes verkocht op de klotermert. Je bent een echte Tilburger als je Loeks notenbar kent :)) Monique Thijs-Govers - Heb er nog worstenbroodjes verkocht op de klottermarkt onder het koningsplein Diana Erkeland - Ojeh stond altijd een bels vrouwke en die had nog van die oudverwetse holle grote suikerbeelden, eej die waren me lekker! Mieke Damen - ja leuk en lekkere belse chocolade poppen was echt gezellig ja Jeroen van Ingen - Klotteren...één van de mooiste Brabantse woorden... Nathalie Michielse - Zooooo leuk, jammer isnie mir, Koningsplein ja, en dan lekker broodjes met worst en zuurkool eten Suzanne Van Den Abbeelen - Weet iemand de herkomst van het woord? Ik herinner het me ook nog! Anita Kuijpers - Ik heb pas een aantal jaar geleden ontdekt dat niet iedereen weet wat klotteren is. Voor ons Tilburgers toch zo normaal om voor de feestdagen lekker te slenteren langs de kraampjes en verpakte cadeautjes kopen zonder te weten wat erin zit. Door van Heesch - Klotteren is wel leuk en warm in de parkeergarage van het koningsplein helaas mag het niet meer i.v.m brandgevaar geloof ik nu is het alleen winkelen in heuvelstraat niks klotteren dat is verleden tijd Lisseth van Bebber-Versluis Jaren lang op de markt gestaan met kleding. De klotermarkt had altijd wel wat speciaals! Sander van Rooij - "Klotteren" een echt Brabants woord waar we trots op mogen zijn Linda Werdmüller von Elgg - Ja klotteren dat deed ik meestal op de westermarkt. En mijn ouders trouwens ook. Kim Wolfs Vd Broek - ooo dat is e[c]ht al weer lang geleden, zelfs ik ken het nog. wat was dat altijd leuk zeg. zo in de donkerte Noortje Nijs - Alleen het woord klotteren al in den bosch weet men dan alniet waar je het over hebt Hans van Dongen - Klottermért, in de parkeergarage onder het koningsplein. 6. rondslingeren
klò tterkèèr
k lòttermèrt markt op sinterklaasavond
klòw klauw
Onbekende schilder. De klompen van de jongen zijn opgevuld met stro omdat ze hem eigenlijk nog te groot zijn. klumke klompje Cees Robben: bevaore dur en klumpke
klurke
klutje, klutsje
...en t klutsje begreep er niks van want hij ha niks gedaon, docht ie. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
klutje-klôot
k lutse
k luuve
onderzoek
onderzoeken
òndieft ondeugend
ondiep
aandeel, aandeeltje Henk van Rijen - aandeel, part
aandoen (in diverse betekenissen)
aanduwen
aandraaien
ondeugd, ondeugend persoon
aanaarden
onfesoendeleks
misselijk, onwel (gewoonlijk in verband met overdadig eten)
aangaan, betreffen
zelfstandig naamwoord onderneming
aangebonden
aangebrand; figuurlijk: zwanger vóór het huwelijk;
ongeduldig, onrustig
aangeven
aangehaald, aangedaan door
òngelaoje blijkbaar uit 'aanladen', maar als werkwoord niet bekend dronken
onkosten, opcenten
ongelijk, ongelijkheid
aangelegd behept zijn met iets
voltooid deelwoord van 'lègge' als bijvoeglijk naamwoord met voorvoegsel on = niet
ongelovig
ongelogen, echt waar
Carnavalsslogan. Tilburg 2019. Foto: CuBra. Carnavalssticker. Tilburg maart 2019. Foto CuBra.
ongeluk


ongelukkige
opgedirkt de etymologie is onduidelijk
het aangenomen werk
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
ongestadig, onbestendig


ongestadig, onbestendig


aangetrouwd
ongehuwd, ongetrouwd
ongevoelig
aangewaaid
voltooid deelwoord van aonzètte aangezet
zonder gezien te hebben, ...te hebben
aanhouder
ònhaawe - hiel aon - òngehaawe aanhouden (diverse betekenissen)
aanhang
aonhange, hing aon, aongehange de dupe zijn
aanhalen
onheus
aanjagen schrik ònjaoge - bang maken
eau de cologne, Keuls water, reukwater




aankijken

aantobben, aansukkelen ònklôote - klotte aon - ongeklot (met vocaalkrimping) ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij klot aon
ònknêûpe aanknopen
aantobben, aansukkelen ònklôote - klotte aon - ongeklot (met vocaalkrimping) ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij klot aon
ònknêûpe aanknopen
onze Co werkte op un wollenstoffefebriek, hij waar daor ònknèûper (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
ònkoome - kwaam aon - òngekoome aankomen, aanraken
aankomen, in gewicht toenemen
(er) aankomen, arriveren
aanlanden, ergens arriveren, terechtkomen
aan laten, niet uitmaken ònlaote - liet aon - òngelaote
aanleren
aanleg, talent, geschiktheid Hij heeter ginnen ènlèg veur. Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANLEG zelfstandig naamwoord mannelijk : Hij heeft geenen - voor . . . (muziek, studeren)
de arbeid aanvangen; een tocht onderbreken; een café bezoeken
A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. . . . 5) inchoatieve waarde heeft het ww. in ' ene meet aanlegge' het eerste begin maken met de bouw van een mijt. Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANLEGGEN, onlè:, wkw. Het goed - ; doelmatig handelen
aanlopen; duren Komt nog mar is ònlôope.
ònlôope - liep aon - òngelôope Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANLOOPEN uitblijven: het zal nog een jaar - eer dat het werk gedaan is.
aanmaken ònmaoke - mòkte(n)aon - òngemòkt Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANMAKEN - gereed maken (stoof, kachel); bijleggen: hij alleen kan het opnieuw - .
Frans Verbunt - aanrommelen
aannaaien
ònnaoje - naojde(n)aon - òngenaojd Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANNAAIEN - ge zult hem geen ooren - (niets wijsmaken, d. i. : hij is geen ezel) Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANNAAIEN - spr. iemand ooren aannaaien
aannemen
ònneeme - naam aon - òngenoome in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij nimt aon Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANNEMEN: een boodschap aannen , als lid opnemen; hij is goed/slecht van aannemen (leert gemakkelijk / moeilijk) Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANNEMEN: goed, gemakkelijk, slecht, moeilijk van aannemen zijn - . . leren
onnozel; beklagenswaardig
PM overdreven, onnodig, geweldig, enorm
Frans Verbunt - 'onnut veul geld' - geweldig, enorm veel geld
Jan Naaijkens, Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - (1992) - onnut bw - extreem, zeer, geweldig
aanpassen ònpaase - paaste(n)aon - òngepaase Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANPASSEN - Een kleedingstuk, schoenen - -. Men bezigt meer 'passen'.
oneven uit Frans 'impair' A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - In de verb. 'paor of onpaor' (kinderspel) Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONPAAR (uitspr. ompaar) bvw. oneven (van getallen)
begaan Toine Raaijmakers (informant) - aanmodderen, zo maar bezig zijn; lòt em mar ònpertije - laat hem maar begaan/ betijen, zijn gang maar gaan
Toine Raaijmakers (informant) - Lòt en mar wè-d-ònpertije - Laat hem zijn gang maar gaan
Pierre van Beek - hard werken, flink doorwerken
'ònschiete' in kindertaal; kleding aantrekken
Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANPIEPEN - in de kindertaal 'aanschieten': me zullen oe' fraksken is aanpiepen.
ww., zw . aanaarden met de ploeg (van aardappelplanten)
aanranden
Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANRANDEN - aanvallen om te berooven; aanklampen: de kleermaker randde hem op straat aan voor zijn schuld.
aanraken
aanprijzen, aanbevelen, recommanderen
A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. aanrekonmanderen, aanbevelen.
Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'net of w'uit ons neus bloejen' Om verwantschap aan te duiden ons moeder, ons oomaa, ons Miet ; onze paa (= vader)

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 60) onze/ons kènder, onze/ons vraawe (blz. 59) onze paa, bruur, neef, zwaoger, onz ôom, onzen/onz oopaa A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - óns aaw hèùs is afgebraand In het bijzonder gebruikt om de echtgenote aan te duiden
C.J. Verhoeven, Haorese woorde, spreuke en gezegdes (2007) - ONS: d'ons - die van ons, mijn vrouw Piet van Beers Wie tuinbonen wil eten moet Februari niet vergeten: Dè vraogt mar Aon ons Kee. (With Love; 1982-1987)
aanschaffen
ònschaffe - schafte (n) aon - òngeschaft Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSCHAFFEN wkw. zeldz . , 'aankoopen',
aantrekken (van kleren) Ge schiet tòch wèl ne jas aon meej zon kaaw.
A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - st. ww. tr. + intr. aanschieten 1) tr. garven en schoven met zekere snelheid werpen naar de persoon die ze optast; 2) (een of ander kledingstuk) snel aantrekken. J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - AANSCHIETEN, een hemd of rok, of ander kleedingstuk, voor 'aantrekken' . K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - AANSCHIETEN - aandoen (bij Hoogstraten aangetekend) Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSCHIETEN: kleedingstuk haastig aantrekken
aanslag (i. a. b.) Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'aonslag'
aanslaan Henk van Rijen - aanspreken, aanbreken, beginnen te gebruiken Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'nooit hoog aongeslaon'
Henk van Rijen - 'Dè seklaade aaj zu me onderaand us ònslaon'
kreunen, jammeren van pijn
A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - st. ww. intr. aanslaan 1) met overdreven ophef gewagen van; 2) heftig kreunen of jammeren van pijn. Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen hadde nòg die tuuberkuulooze koeje, hoen völleghèd dè was, dè hèbbe ze op et momènt, dè hèbbe ze gòddank nie mir. Mar ôot dèsse dervan ònsloege man dègge der niks mir meej kost doen! (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels
aanslepen; aanslijpen
Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSLEEPEN - met moeite aanbrengen ; AANSLIJPEN Ne punt aanslijpen (fijner slijpen) Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANSLEIPEN - lang duren, langdurig zijn, aanslepen
aansluiten
ònslèùte - slôot aon - òngesloote Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSLUITEN - aan een ander voorwerp sluiten of passen.
ons nèffe onze buren, de buren Ak vruuger meej Nètte van bij ons nèffe wo praote, dan liep ik den hòfpad op riep oover de hèg. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002)
aanspannen
Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSPANNEN - dicht op een spannen
aanhechten, vasthechten Pierre van Beek - met een speld dichtmaken (van een luier) Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSPETEN - aanspelden: zij heeft den kraag van het kleed maar aangespeet.
Joos SPETEN ww, overg. = spelden (affigere acicula; hij speette het kruis op mijn borst. A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. aanspeten, aanspelden: enen doek, ene nuizek (neusdoek) aanspeite. Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANSPETEN - aanspelden
aanspraak, gelegenheid om mensen te spreken, voordracht De kènder moesen en ònspraok doen - De kinderen moesten een voordracht houden/ versje opzeggen Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSPRAAK - zelfstandig naamwoord vrouwelijk ; zonder mv. Alleen van meisjes gezegd en meestal in de uitdr. : aanspraak hebben, d. i. aangesproken worden. Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANSPRAAK - aanspraak hebben - verkeeren, sprek, van eene jongedochter, gevrijd worden.
aanspreken Pierre van Beek - aandere manne ònspreeke - hogere instanties om hulp aanklampen ònspreeke - spraak aon - òngesprooke in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij sprikt aon Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSPREKEN wkw - Tot iemand het woord richten.
aanstaan
ònstaon - ston(d) aon - òngestaon Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSTAAN - wkw - bevallen
aansteken, aan het branden brengen, besmetten
Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSTEKEN wkw - het vuur, het licht, eene pijp - ; meer: in brand doen. contact zoeken met een meisje
aansterken, consolideren
aanstellen, benoemen; zich abnormaal gedragen Stèlt oewèège nie zo aon!
Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSTELLEN - in dienst stellen
Frans Verbunt - parmantig aan komen stappen Jan Naaijkens, Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - (1992) - 'onstiefele' ww - met vaste tred naderbij komen
aanstaande
aanstoten ònstôote - stotte(n) aon - òngestôote Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSTOOTEN - Meest in wederkeerige of lijdende vormen met de bet. v. slecht, zonder smaak gekleed gaan.
ont sluw, kwaadaardig, met slechte bedoelingen
Pierre van Beek - z'n gang gaan Pierre van Beek - lòt em mar òntamboere - laat hem zijn gang maar gaan


aantekenen, in ondertrouw gaan
kwaadaardigheid
aantuigen
2) hetz. als betö.ge(n): We mossen dätte nog aantöge, d. i. aanschaffen.
zichzelf iets niet gunnen
onthand
onthouden (in beide betekenissen)
w erkwoord, sterk
aantrekken òntrèkke - trok aon - òngetrokke
ontschieten, uit het geheugen verdwijnen; ontglippen ontschiete, ontschôot, ontschoote
aanpakken (ook figuurlijk voor geld aannemen)
Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.
onnodig, nutteloos, overdadig;

onverschilleg zonder verschil, het maakt niets uit
Henk van Rijen - onverstandig iemand
aanvollen
aanvragen ònvraoge - vroeg aon - òngevraoge Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANVRAGEN - officieel mondeling of schriftelijk om iets verzoeken.
aanvoelen
begin, aanvang Pierre van Beek - onwèèrk maoke - iets beginnen, aan de draai brengen
A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zelfstandig naamwoord o. aanwerk, begin 'Wie heiget aanwaerk gemakt? - Wie is er met de twist begonnen? Et aanwaerk is gemakt - Het begin ie gemaakt (van een of ander werk gezegd).
aanweven
aanwijzen
WBD, III. 4. 4:282 'onwicht' = onbelangrijk, ook 'ongewichtig
komt onze paa zondag meejeete? hout spròkkele in de bosse van onze grutvadder - in de gemeentebossen Dirk Boutkan (1996) - (blz. 59) onze bruur, onzen oopaa, 'onz ôom (niet: onzen ôom), onze paa
mijn man, echtgenoot
aanzeggen, verwittigen, aankondigen
ònzègge - zi aon - òngezeed A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. - aanzeggen, (mondeling) bekend maken, aankondigen Jan Naaijkens, Dè's - Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992) - (1992) - 'onzègge' ww - aanzeggen
aanzetten
Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - de voor ònzètte ('87) - een begin maken Henk van Rijen - witte waortie meej kwaam òngezet? - weet je wat hij meebracht? Henk van Rijen - wòr komde naa wir meej ònzètte? - wat/wie breng je nu weer mee?
Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANZETTEN - aanwakkeren Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANZETTEN - beginnen, aanvangen van een werk
aanzien, bekijken
Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANZIEN - In de bet. van 'houden voor', 'achten' is het ww onscheidbaar; in de werkelijke zin van 'bekijken' wordt meer 'bezien' gebruikt. Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANZIEN - Frans: regarder (.zowel scheidb. als onscheidbaar): Ik aanzien hem voor geene' goeie. / Ik zien hem veur geene' goeien aan; wachten, geduld nemen. Aanzien wordt verbonden met 'veur', niet met 'als'.
Van Rijen: goulardwater ; loodacetaat tegen huidaandoening
De publicatie waarin Thomas Goulard zijn vinding bekendmaakt (1751) - bron: www.gallica
1. het oog, de ogen, oogje




2. boomknop waaruit scheuten of loten tevoorschijn komen
3. vetringen in de soep
1. het oog, de ogen, oogje




2. boomknop waaruit scheuten of loten tevoorschijn komen
3. vetringen in de soep
ogen, uitzien, een indruk wekken
ogenblik
ooi
ôojeklonje eau de cologne
eau de cologne, Keuls water, reukwater




ooievaar
ook, eveneens
ook
oom als achtervoegsel
oomaasfiets omafiets - oma's fiets
oomzegger
opa
open
kruisloze broek, vroeger gedragen door oude vrouwen; ze konden dan gemakkelijk hun behoefte doen Bron: Geheugen van Nederland
grootmoeder oopoe zien uitdrukking

oor
oremus Latijn: Laat ons bidden.
oorvijg
ooit, eens, weleens
autoscooter (kermisattraktie)
overbijter
over
oover drie weeke, oover de schaansmuur; gaotie nie oover?
overeind
in ooverènsie - overcompleet, te veel uitdrukking: In ooverènsie - overcompleet, overschietend, overblijvend
overgaan, voorbijgaan oovergaon - ging/gong oover - oovergegaon
overhaler; in de schoenenfabricage
overheen
verhuizing
ooverhieuw verleden tijd van ooverhaawe [nog niet opgetekend] overhield
overhoop
laatst, onlangs
voltooid deelwoord van oovermistere overmeesterd, overspannen
opnieuw
opnieuw
Uitdrukking - Cees Robben - Zn ôôge overschieten... [even de ogen dichtdoen, een dutje doen] (19800314) er over schieten, ongehuwd blijven - Mar jè, hij waar bang dèttie der aanders over zô schiete, dus hij lösterde nie nor mèn. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.) ooversprong oversprong; kinderspel
verhuizen
op
Albert Servaes - Oogstende boeren; 1905
opbinden

opblazen
Foto: CuBra bölleke balletje, bolletje, hoofdje, rond bierglas
böllekesdoot Boldoot; merk eau de cologne
bòllieje zich moeizaam voortbewegen, bijvoorbeeld door hoge sneeuw
Bòls, Baols van Baarle-Nassau; Baarles
bòlscheut bepaalde afstand, namelijk zover als men een bal kan schoppen of werpen
bòltje baaltje
böltje builtje, zakje
Etiket van een shagbuil van Frans Woestenbergh Uitdrukking
oprisping, opgeboerd maagzuur
opbrènge opvoeden, grootbrengen
opdoen, dee op, opgedaon 1. opdienen
2. leren kennen «Enen blauwe maondag hèb ik toen,/ meej en mèdje omgegaon./ Die hak opt huukske van de straot/ meej et daanse opgedaon» (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Nòg vrij) 3. - Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters èn aandere saawelèèrs (7de perbeersel, 1996) - ook: iemand de broek opdoen de verbeelding is niet duidelijk; de betekenis is: iemand zijn vet geven, de waarheid zeggen
4. jenever tappen
opdraaje opdraaien; het hoofd op hol jagen
òpdrêûge
opfietsen, gaan fietsen
opgaan
voltooid deelwoord van oplègge, bijvoeglijk gebruikt opgelegd
w erkwoord, sterk ophouden
ophouden in betekenis omhoogsteken, trots zijn op, pronken met - Cees Robben - Ut is n heel schôôn kèènd.. (...) en werd om op-te-haauwe (19580705) andere betekenissen
ophangen
ophopen
opknappen
opjutten, gek maken opjèune - jönde op - opgejönd, met vocaalkrimping; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij jönt op
opkalifaatere opkalefateren, opknappen
via enkele treden bereikbare, halfhoge, boven een kelder gelegen kamer
aapje
aanhitsen mogelijk op basis van het geluid om honden weg te jagen: ksst
aanhitsen mogelijk op basis van het geluid om honden weg te jagen: ksst
opkomen
figuurlijk arresteren, meenemen in de politiewagen
oplaten
oplappen, verstellen
oplopen
opmaken (in div. bett. )
opjutten, aansporen
opneeme opnemen, namelijk van sterke drank Om den goeien afloop te vieren zè'k regelrecht nor de Looiersbeurs gestapt en daor hè'k m'n eige getracteerd op drie aawe klaores, die 'k zoo mar stondeweg on 't buffet heb opgenomen. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)
schelm, kwajongen, lastig iemand
klap, vuistsleg
iets kleins
opnuut opnieuw
oppassen, opletten
opperleuteraar
opnieuw oppernuut begiene - opnieuw beginnen
Van Rijen: 'oppernuut, oppernuuw, opnuu'
opnieuw oppernuut begiene - opnieuw beginnen
Van Rijen: 'oppernuut, oppernuuw, opnuu'
getalzijde van een geldstuk
òpperst òf mis
A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opploegen
oprapen
opruimen
opschèp opschepperigheid, opsmuk ...mar 'k geef himmel nie om den opschep, daor bedoel ik mee, wè de vrouwkes schon en sjiek vènen. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
opscheppen, namelijk: zoals iets zich voordoet ...mar gère of nie, ge hed 't te nemen zooas Onze Lieve Heer 't opschept en 't biste is er nie over te lammenteeren. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)
opschieten Mandos - Brabantse spreekwoorden: hoe meer volk veur, hoe minder dèt opschiet (v- Dialectenquête 1887 Willems - Tilburgse Taalplastiek 197l) - gezegd mannelijk b. t. een mis met drie heren
Van Rijen: aan de zoldering ophangen, opbergen op zolder
opschrijven, namelijk: op de bon geslingerd worden door de politie Hij [een Tilburgse politieagent belast met de sluitingstijd van kroegen] zal oe nog veul liever tien keer worschouwen dan oe eene keer opschrijve. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)
opslaan (in div. bett.) Kees & Bart (ca. 1935): ''t teveul dè opgeslaon moet worren'
besmeren met boter o. i. d. - nen botteram opsmèère
mogelijk van 'opserveren'; alleen gevonden in verband met het zoeken naar een (tweede) echtgenoot, waarbij een koppelaarster een rol speelt; zie:
De informatie van - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs werd door - Cees Robben - gebruikt in zijn Prent van de week van 19 augustus 1966.
PM uitvaren, uitvallen, opspelen
Cornelis Verhoeven: OPSPELEN (opspeule) onov. ww - op zijn poot spelen, iemand een standje geven, uitvallen A.P. de Bont: zw. ww. intr. 'opspeulen' - opspelen, razen, uitvaren, te keer gaan.
As dè mèn nog is vergund moog zèn, dan zok dè liefst zoo opstaoi meugelijk wille doen. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) v- Dialectenquête 1887 Willems - kalm aan v- Dialectenquête 1887 Willems - enen ópstaoje meens - een kalme mens , die alles langzaam doet (Tilburgse Taaklplastiek 175) Van Rijen: 'Ut gong ammòl mar opstaoj aon' - Het ging allemaal maar rustig aan Van Rijen: rustig, kalm, langzaam
opstaan Cees Robben: vruug opstaon dè is gin profèèt;
A.P. de Bont: onr. st. ww. intr. opstaan, opkomen (van plannen, gedachten, neigingen enz. gezegd. )
opstoken, aanzetten tot kwaad v- Dialectenquête 1887 Willems - zenèègen opsteuke - zich kwaadmaken
KAREL. Stil nou en stukt oe égge nie op. (Dialoog Karel en Sjarel , in: Groot Tilburg , 8 december 1944)
Jan Naaijkens, Dè's Biks: 'opsteujke' ww opstoken; Indien afleiding van 'stooke', dan wijziging stamklinker
opstuiven Mandos - Brabantse spreekwoorden: opstèùven as ene zak vol vlooje ('72) - naar alle kanten wegvliegen
A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opstieren, hetz. als 'sti. jere(n)', maar minder gebruikelijk.
opstoken
optasten, opstapelen
aantal
optuigen
een thuisweefstuk opvouwen/oprollen
optrekken, opdonderen, wegwezen
de betekenis is obscuur; mogelijk is de betekenis op stel en sprong, binnenkort - Cees Robben - opval (19801031) - Cees Robben - Ons Wies wô gaon witte opval... (19620209) - N. Daamen, woordenlijst 1916: "opval wel - waarschijnlijk wel"
opvatten, oppakken, opbeuren, oplichten
afwas, vaat Daor wier aaltij alles van één bord gegeten, al waren et vier gangen, wè nôot vurkwaam. Den opwaas zô aanders te grôot worre en wè dochte gij van de zéép, die dè ging kosten en de afdreughanddoeken nie te vergeten. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) Wij hebben pas toen we onder de meense kwamen, geleerd det omwaas waar en gin opwaas, wij zin ok aaltij zjam wè zjèm moes zèèn, we liepen wè dè betrof wel un bietje aachter. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
opwaase omwassen, de vaat doen Ik weet zeker: as de leeje van den bond 'n tedje opgewaassche hebbe op n aander desse al héél gauw héél blij zulle zen asse mee durren opwaasch vort thuis meuge blève. (Dialoog Karel en Sjarel , in: Groot Tilburg , 8 december 1944) En ik weet zeker dechcher nie ut minste bezwaor tegen hadt om na afloop van de eterij de rommel mee op te waassche. (Dialoog Karel en Sjarel , in: Groot Tilburg , 8 december 1944)
Van Rijen: de vloer met zand bestrooien na het vegen Jan Naaijkens, Dè's Biks: 'opsante' ww - opzanden: met zand bestrooien
opzètte - zètte(n) op - opgezet het opzetten van een gezin / huishouden
in de huisweverij
verhogen
voor de maaltijd Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004) Beschrijving van het WBD: De tafel voor de maaltijd gereed maken. De tafel krijgt eventueel een tafellaken en wordt voorzien van borden, bestek en glazen. Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam. Zie ook Opdèkke, Klaormaoke, Klaorzètte, Tòffel Diverse betekenissen
opzuipen
opzoeken, bezoeken
oordeel
verleden tijd van 'èèrve' erfde
orgel, kerkorgel, straatorgel, handorgel

zelfstandig naamwoord, vrouwelijk zeer gebruikelijk in Tilburg
► öllegerPiet Heerkens - D'n örgel - 1938
Uit een Tilburgs liedschrift van Toos van Poppel-van Es. Peer Luyten was een bekende Tilburgse straatmuzikant örgeltrapper degene die het orgel trapt
yorkshire (bep. varkensras: met staande oren)

toponiem Oirschot
toponiem Oirschotsedijk
etymologie onbekend
verleden tijd van 'èèrve' erfde
oorzaak
Mandos - Brabantse spreekwoorden: daor is ginnen òs oover gemolke (v- Dialectenquête 1887 Willems - Tilburgse Taalplastiek 1971) - gezegd als men iets onmogelijk acht
òssehaos ossenhaas
aas
Van Rijen: aasje
bep. meesje, pimpelmees (Parus caeruleus) N. Daamen, woordenlijst 1916: "ossenköpke - zwartkopmees"

asem, adem Hij hò ginnen òssem mir. Ze gaaf ginnen òssem = Ze reageerde niet. N. Daamen, woordenlijst 1916: "z'nen ossem waas te kort (hij had geen centen genoeg om te doen wat hij voorhad N. Daamen - handschrift 1916 - "(adem) Ik zò er wel over gesproken hebben as ie er mar iet of wè ossem van gegeven ha (als hij er maar iets over losgelaten had)"
PVb aachter zenen òssem zèèn - buiten adem zijn Mar vurtie halverweege kwaam/ wassie al bèùte òssem (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aanders...)
Mijn ogen jeuken allemol, ik hoest ak ossum haol... (Tony Ansems,Zak moete niese akkum aai?; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)
ademen R. J. 'daor ossemt m'n ziel dan deurheen'
òsseme - òssemde - geòssemd
v- Dialectenquête 1887 Willems - iemand die niet goed ter been is; = mikhòrst ' Van Rijen: 'Hè lopt as unnen ossestaawer' - Hij loopt wel erg moeilijk
oogst, oost
Jan Naaijkens, Dè's Biks: okst zelfstandig naamwoord - oogst
oogsten
unster, weegschaal Daamen 1916 - "öster - klein weegwerktuigje dat de boeren wel mede naar de markt nemen; het werkt met een veer" Pierre van Beek "Ze hebben 'm aon den öster gehad!" Het betekent, dat iemand "gewogen" is naar z'n geldelijk bezit, een hebbelijkheid, waarin zich bepaalde klassen uit de bevolking nog al eens schuldig maken. Speciaal wordt het gebruikt in verband met een jongeman, die om de hand van iemands dochter gaat vragen. Een öster noemt men in het beschaafd Nederlands unster. Dat is een enigszins primitief weegapparaat, dat werkt met een veer en waarbij men op een met streepjes verdeelde plaat het gewicht afleest. Het meest kenmerkende van dit weegapparaat is wel zijn gering formaat zodat men het gemakkelijk in de zak kan steken. Veel ziet men het tegenwoordig niet meer gebruikt, doch wij herinneren ons, dat in onze jeugd alle "toddenkooplui" er mee waren uitgerust. Zuiver wegen doet het apparaat niet, maar het geeft het gewicht toch zo "te rauwste" aan. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950) Pierre van Beek Er is aanleiding nog eens terug te komen op hetgeen wij in ons vorige artikel zeiden over "den öster". Lowie Van Dorrus Misters is nl. van mening, dat de beschrijving, die wij van een unster gaven, niet die van de echte ouderwetse unster geweest is. Zo'n unster zag er volgens onze geachte opmerker als volgt uit: Hij was een stalen (ook wel houten - Tilb.) lat, die aan een haak kon worden opgehangen en welke lat voorzien was van inkervingen. Een tweede haak diende ter bevestiging van het te wegen voorwerp en dan bevond zich aan het apparaat nog een gewicht (waarschijnlijk een pond), dat over de lat heen en weer bewogen kon worden. De schuifring van het pond had boven aan de onderkant een nokje, dat greep in de inkervingen zodat de ring bij het verschuiven wat gelicht moest worden. Als het pond met het aangehangen voorwerp in evenwicht was en de lat derhalve waterpas hing, kon hierop het gewicht worden afgelezen. Om het pondsgewicht noemde men "den öster" ook wel "punder". (Tilburgse taalplastiek 8 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 25 maart 1950) Pierre van Beek Als een jongeman het plan had om bij een zeker soort gegoede lui te proberen kennis aan te knopen met de dochter maar zelf geen vermogen bezat, werd hij wel eens gewaarschuwd door zijn vrienden met het gezegde: "Denk er om, daor hangt den öster of punder aachter de deur." Bedoeld was dan de voordeur en het betekende, dat hij eerst "gewogen" zou worden voor hij gelegenheid kreeg de woning verder binnen te gaan. (Tilburgse taalplastiek 8 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 25 maart 1950)
Cornelis Verhoeven: UNSTER (öster) m - ponder, balans met ongelijke armen. achterste, derrière op oewen öster valle - op je gat vallen
N. Daamen, woordenlijst 1916: "ik viel op m'nen öster (achterste); hij kreeg vur z'nen öster (billen)" Pierre van Beek typoscript Archief Pierre van Beek 1974 (ca.) - öster (dialect) - "Hij is op z'nen öster gevallen " "Hij heej z'nen öster flink gestôôte" - "öster" = achterste - is afkomstig van 'uiterste. (Pierre van Beek typoscript Archief Pierre van Beek) OSTER 5 Pierre van Beek Veertien dagen geleden hebben we hier stilgestaan bij de unster en in verband daarmede bij de uitdrukking: "Hij is op z'nen öster gevallen." We dachten, dat deze Tilburgse uitdrukking niets met het weegapparaat te maken had. Thans is Louis van Dorrus Misters zo vriendelijk het raadseltje van de afkomst, zoals hij die ziet, op te lossen. Hij herinnert er aan, dat men de veer-unster, waarover wij het hadden, wel gemakkelijk in de zak kan steken, maar... niet zo gemakkelijk er weer uithalen. Dit wordt namelijk bemoeilijkt door de aanwezige haak, die in de stof blijft steken. Hij vindt het daarom natuurlijk, dat na het gebruik de öster werd opgehangen aan de broeksband. En wel achter op de dij. Aan de voorkant zou hij namelijk kunnen hinderen met 't bukken en opnemen van zak of pak. Viel nu Jan de "toddekrèmer" op z'n derrière, dan kon hij gemakkelijk letterlijk "op z'nen öster" vallen met alle nadelige gevolgen van dien omdat de haak pijnlijke verwondingen mogelijk maakt. Daar zo'n voddenkoopman gewoonlijk een bekende figuur was, ging het verhaal van Jan, die "op z'nen öster gevallen" was al spoedig van mond tot mond. Daarna is de uitdrukking in de volksmond blijven leven - ook al betrof het een val, waar helemaal geen unster of verwonding meer bij betrokken was. Aldus L. v. D. M., die in ieder geval een vernuftig gevonden verklaring geeft. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 8 april 1950)
toponiem Van Rijen: Oisterwijk
uit
uit Wè mòkt et èùt, dèttie et ötmòkt. Wè maok et èùt Cees Robben: van vruuger, öt verleeje tèèd; de krintjes öt de mik pölleke; Cees Robben: Gao öt de licht staon! hij frèt öt de rèùf;
Van Rijen: 'Öt diéjen bööl komt nie veul ööt' - er komt niet veel uit die zak. Van Rijen: 'T-is ööt licht' - Het is volop dag.
uitbakken
ötbakke - bakte(n) èùt - ötgebakke
v- Dialectenquête 1887 Willems - uitleggen, verklaren, duidelijk maken
A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. , 'uitbeduiden'- uitduiden WS Contaminatie uit 'ötlègge' en 'beduije'
uitvlakken, onderschatten - Gewoonlijk in negatief gebruik. Kees & Bart (ca. 1935): Dè moete nie ötboezeroene!
uitbotten; uit de kiem opgroeien van planten; uitlopers krijgen, loten vormen van planten en bomen; ötschiete.
uitbreiden
uitbroeden Cees Robben: Dènkte naa dèk van zonne stommen haon nog êen aaj wil ötbroeje?
A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - uitbroeden
uitdelen Kees & Bart (ca. 1935): uitgedild ötdeele - dilde èùt - ötgedild ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij dilt èùt
deur naar buiten, vluchtweg, uitvlucht, smoesje
uitdoen, doven, uitweiden, rooien van gewas ötdoen - di èùt - ötgedaon (zie: doen) Op den oogenblik zen we druk bezig mee gruunplukken en mangelpeejen utdoen. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)
A.P. de Bont: onr. ww. tr. - uitdoen, in versch. opvattingen, zoals 1) een schuld doorhalen, 2) aardappels rooien, 3) koeien uit de stal brengen, 4) mest uit de potstal verwijderen.
uitdrogen
uitdruipen
v- Dialectenquête 1887 Willems - verklaren, uitleggen
uitdunnen
uit elkaar vallen Mandos - Brabantse spreekwoorden: ötêenvallen as enen braojappel (D16) uit elkaar vallen als een gebraden appel : over iets onbenulligs kwaad worden
Van Rijen: uiteinde
uitgaan de kèèrk gao èùt die meense gaon veul èùt Cees Robben: vurdèttie de deur 'ötgao'; ze doe niks as rôoken èn ötgaon;
ötgaon - ging/gong èùt - ötgegaon
voltooid deelwoord Van Rijen: buitengezet, het vertrouwen verspeeld
tot het eind gediend hebbend
uitgelaten
het uitgepakte, het uitgestalde uitsluitend in de uitdrukking: Nòr et ötgepakt gòn kèèke = In de dagen voor het Sinterklaasfeest gaan kijken naar de etalages in het centrum van de stad.
Advertentie in de Tilburgsche Courant op 24 november 1878. Advertentie uit Weekblad voor Tilburg, 19 november 1871
2 voltooid deelwoord van ötpakke uitgepakt
Illustratie bij een sinterklaasverhaal in De Engelbewaarder van 1949 Het uitgepakt in de etalage van de Hema in 1950
uitgevlogen
uitgaansdag v- Dialectenquête 1887 Willems - de dôoj hebben ok enen ögòsdag (wordt gezegd als een mop of grappige opmerking niet begrepen wordt)
uithouden, volhouden, harden Ik kos et nie öthaawe - ik kon het niet volhouden
uithalen
öthaole - hòlde(n) èùt ötgehòld; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij hòlt èùt Een vrouw vinden, zoals een vogel uit een nest wordt gehaald Cees Robben: Die et veugeltje vènt die heeget nie, mar die et öthòlt. - Interview Jolen - 1978 - Die [m,ijn vrouw] was ok van Tilburg, die heej ok bij Vendoore gewèrkt, bij Vendoore-Dams. Daor hèb ik ze tenminste ötgehòld, hèhè! Wè deese daor? Jao, stukke, stukke meej nòppe èn stòppe èn zôo. Jèjèjèjèjè!! (transcriptie Hans Hessels, 2013)
uitkijken ötkeeke - keek èùt - ötgekeeke met vooaalkrimping in de tegenwoordige tijd: gij/hij kèkt èùt
uitkleden, ook fig.
Van Rijen: sarren, tergen, voor de gek houden
ötkoome - kwaam èùt - ötgekoome aansluiten Cees Robben: dè stuk wèg dè op dieje wèg ötkomt. uitlopen op Mandos - Brabantse spreekwoorden: óp etzèlfde stròtje ötkoome (v- Dialectenquête 1887 Willems -Tilburgse Taalplastiek '70) - steeds hetzelfde vertellen; een gesprek altijd naar hetzelfde punt leiden van gewas
als zelfstandig naamwoord: de lente, het voorjaar
uitkruien
uit zijn model raken van b. v. gebreid goed (intransitief) v- Dialectenquête 1887 Willems - en ötgelèbberde trui - die aan een kant lager is komen hangen dan aan de andere. (Tilburgse Taaklplastiek 127)
Cornelis Verhoeven: LEBBEREN onov. ww - 1) slurpen, 2) uitrekken.
Van Rijen: afgraven Jan Naaijkens, Dè's Biks: ötlêêge ww - afgraven
uitlenen
uitleggen
uitlikken; uitlekken Cees Robben: naa maag onzen oopaa zeeker et pènneken ötlèkke;
ötlèkke - lèkte(n) èùt - ötgelèkt
uitlopen; loten vormen van planten en bomen, uitlopers krijgen; 'sprèùte', 'ötschiete', ötbotte
Van Rijen: uitloten
uitmaak, smoesje
uitmaken
uitmelken
uit: öt + meutel (= wrikken)
ötmiste uitmesten Dan wier dieje stal goed ötgemist... (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2003)
uitnodigen
uitnoemen; benoemen, beschrijven, verklaren
uitnodigen
uitproberen
uitpoetsen
Mandos - Brabantse spreekwoorden: ötgepurgeerd zèèn (D16) - er (gauw) van afzijn, ermee klaar zijn N. Daamen, woordenlijst 1916: "hij waas gaauw uitgepurgeerd - hij had er gauw mede gedaan, het was er gauw mede afgeloopen"
uitrekenen
v- Dialectenquête 1887 Willems - uitrafelen (onoverg. + overg. ?)
A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. + intr. uitreifelen, uitrafelen.
uitrusten Cees Robben: Ist koffiedrinken of ötruste?
uitscheiden, ophouden Schaaj èùt, òf ik begien ôok ötschaaje - scheej èùt - ötgeschaaje/ ö tgescheeje
Dirk Boutkan: ötschèje - scheej èùt - ötgescheeje Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen ging den buk zon bietje meer aachterèùt èn toen isser de man ötgescheeje, witte wèl (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels
uitschelden
Cornelis Verhoeven: ÖTSCHÈÈNE: deze samenstelling betekent ook wel: noemen, maar met ontleende woorden.
leegschrapen Gè meut de pan ötschèère
v- Dialectenquête 1887 Willems - een blauwtje lopen, bot vangen, ernaast zitten, van de koude kermis thuiskomen
uitschuiver de etymologie is niet duidelijk voor de bron:
A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. uitschieten: iets ergens uit verwijderen; 2) snel uittrekken (kleding)
uitslag (i. a. b. )
R. J. èn den ötslag wòrdt bekènd
Van Rijen: uitslag, antwoord - Cees Robben - de naoste week krèèg ik den uitsleutel... (19641009) [van een medisch onderzoek]
bespottelijk maken door de wijsvingers over elkaar te strijken v- Dialectenquête 1887 Willems - sliep èùt, sliep èùt: roept men tijdens de handeling
Jan Naaijkens, Dè's Biks: ötsliepe ww - uitlachen
Van Rijen: uitslag, antwoord - Cees Robben - de naoste week krèèg ik den uitsleutel... (19641009) [van een medisch onderzoek]
uitspelen; het spel beginnen in een speelbeurt het spel beëindigen, resp. winnen
zich onhandig bewegen, spartelen Mar toen ik docht dèk klaor waar en zô gaaw meugluk dè donker hok ötspolderde, kwaam de kapelaon ôk öt zen hok en ging naor de frater. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
uitspreiden
't Lekt vergimme wel of detter utspres om gedaon wordt! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 18 mei 1945) - Cees Robben - Nie uitspres gedaon?! (19631011)
uitstaan; vooral in de zin van 'er iets mee van doen hebben', ontkenning van enig verband, zoals:
► ötstòns
uitstap, eindpunt waar men uit het openbaar vervoer stapt
uitstapje Kees & Bart (ca. 1935): 'ötstapke' ötstòns bijwoord uitstaans, ermee te maken hebben
öttakking vertakking, aftakking
uittellen
deur naar buiten, vluchtweg, uitvlucht, smoesje
automobiel, auto Kees & Bart (ca. 1935): 'ottomobiel'
uittrekken
Cees Robben: Ik wó dèk ze indertèèd gebraajd ha dan kós ik ze naa öttrèkke. öttrekke - trok èùt - ötgetrokke
letterlijk: uittrouwen, namelijk uit het huis waarin men woont tot aan het huwelijk
zijn gang gaan - speciaal in onderstaande uitdrukking: v- Dialectenquête 1887 Willems - lòt ema aar öttuijere - laat hem zijn gang maar gaan; geef hem de ruimte
lot, toeval den ótval moet et goedmaoke
uitvaart, begrafenis
A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord vrouwelijk uitvaart 1) begrafenis; 2) de gezamenlijke familieleden van een overledene bij zijn/haar begrafenis
uitvinden
uitvinder Kees & Bart (ca. 1935): 'uitveiner' De vorm 'ötvender' zou ook kunnen bestaan.
uitvaart, begrafenis
A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord vrouwelijk uitvaart 1) begrafenis; 2) de gezamenlijke familieleden van een overledene bij zijn/haar begrafenis
uitvaart
doorvragen
uitpluizen, uitvissen
...zis man moes worre ötgezakt/ drie sneekes mik, vier dikke rogge/ meej en flitterke gehakt (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag) Eén ding weet ik zeker, zittie de woorden die ik nôotmir vergeete ben: Ik zal mèn kènder beter ötzakke dan dèttiezen kènder heej gedaon, dè sloeg op wè ons moeder indertèèd ha meejgekreegen. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) Jan Naaijkens, Dè's Biks: 'ötsakke' ww - uitzakken
doorvertellen (wat vertrouwelijk is)
uitzetten; uitspoken Wè hedde toch uitgezet? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 9 februari 1945)
ötzèùnigge uitzuinigen, bezuinigen, uitsparen
uitzien ötzien - zaag èùt ötgezien; tegenwoordige tijd 3e pers.: zie èùt
Van Rijen: uitzondering
uitzoeken
uitzoeten
u, jou, je vroeger ook geschreven (en uitgesproken?) als 'ou'
persoonlijk voornaamwoord 'je'
persoonlijk voornaamwoord 'u'
pers. vn. u, jou, je Laot leven mij, 'k laot leven ou . . . (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Vurreej , 1932) zilverblinkend bölleke waoter, / geere zing ik over ou. (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Dröpke dauw, 1941)
oud
outer altaar ... as ik naauw nog is in de Noordhoekse kerk koom en ik zie daor zn praachtige schilderingen, zne prikstoel, zn ramen, den outer en dieën schonen uileger, dan vergao k van plezier... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
En toch gink ut vruit! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 9 februari 1945) Verleden tijd - eerste persoon meervoud SJAREL. Jè, dè zik. As we naaw zomer han dan ginke we nor den wenter. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 2 februari 1945) Verleden tijd - derde persoon meervoud En toen de auto's wir durgereeje ware, ginke die medjes mee bekare staon te smoeze. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg , 9 februari 1945)
Tegenwoordige tijd eerste persoon meervoud Verleden tijd - Derde persoon enkelvoud ...en nie lang daornao gonk-ie dood... (Jan Jaansen; ps. v. - Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939) Cornelissen keek er van op en ie vroeg, of et om 'n flinke som gong... (Jan Jaansen; ps. v. - Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939) Op staonde voet gonk ie naor huis terug... (Jan Jaansen; ps. v. - Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940) De zon waar nog mar amper op of Teun gonk op pad... (Jan Jaansen; ps. v. - Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)Ze gonk de gang in... (Jan Jaansen; ps. v. - Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; NTC 15-10-1938) Ze gong aon 'n sleutelgat luisteren... (Jan Jaansen; ps. v. - Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; NTC 15-10-1938) ...hij gong veur et venster staon en keek naor den overkaant. (Jan Jaansen; ps. v. - Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939) ...mar 't waar beter as ie naor huis gonk. (Jan Jaansen; ps. v. - Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939) Toen et vis-sezoen wir oope waar/ gong kaort-club «Schuppe aacht»/ as êen van dirste nòr de Maos/ int hartje van de naacht. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Onder waoter) ...en t gonk goed (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) t Gong er over thermiek, thermise strooming en alderhande vliegterme die in hil endje boven mèn petje gonken. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) Toen et vis-sezoen wir oope waar/ gong kaort-club «Schuppe aacht»/ as êen van dirste nòr de Maos/ int hartje van de naacht. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Onder waoter...) Driek gong meej en bejaorde-rèès/ enen dag meej nòr de zee... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin zin mir...) Ge gongt dan meej zon zwarte ziel rèècht naor de hel (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) en ons moeder zette mar thee, dè gong er wel in... (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) Verleden tijd - Eerste persoon meervoud ...wè dunkt oe as we 'ns saomen gongen roeien op een van de vennen daor in Oisterwijk? (Jan Jaansen; ps. v. - Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)



Toen de groote verhuiswaogen et dörp binnen kwaam gerejen, gongen al de gerdijntjes opzij... (Jan Jaansen; ps. v. - Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)
Asset afgelôope waar, gongen we meej hil de femilie bij onze opa eten. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) We gongen veur dè we naor school gongen aaltij irst nog naor de kerk, naor de mis van half aacht. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) Verleden tijd - Derde persoon meervoud ...nao 't eten gongen ze aon den heerd zitten om den aovond in te praoten. (Jan Jaansen; ps. v. - Piet Heerkens svd; t Spook; NTC 3-1-1940) ...die gonken mee de kermis nor den Haag... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) ...dè schon vertessel van die drie mènnekes die saome gonke waandele... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
u, jou, je vroeger ook geschreven (en uitgesproken?) als 'ou'
persoonlijk voornaamwoord 'je'
persoonlijk voornaamwoord 'u'
uw, jouw, je
ouwbaoker de etymologie is niet opgehelderd
ouwehoere ouwehoeren
altaar